Plenair verslag Tweede Kamer, 47e vergadering
Dinsdag 8 februari 2022

  • Begin
    14:00 uur
  • Sluiting
    20:33 uur
  • Status
    Gecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Bergkamp

Aanwezig zijn 132 leden der Kamer, te weten:

Aartsen, Agema, Alkaya, Amhaouch, Arib, Van Baarle, Baudet, Beckerman, Belhaj, Van den Berg, Bergkamp, Van Beukering-Huijbregts, Bevers, Bisschop, Bontenbal, Martin Bosma, Boswijk, Bouchallikh, Boucke, Boulakjar, Brekelmans, Bromet, Van Campen, Ceder, Dassen, Dekker-Abdulaziz, Tony van Dijck, Inge van Dijk, Eerdmans, El Yassini, Ellemeet, Ellian, Eppink, Erkens, Van Esch, Fritsma, Geurts, Van Ginneken, De Graaf, Van der Graaf, Graus, Peter de Groot, Tjeerd de Groot, Den Haan, Van Haga, Hagen, Hammelburg, Haverkort, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Heinen, Helder, Hermans, Hijink, Van den Hil, De Hoop, Van Houwelingen, Idsinga, Jansen, Léon de Jong, Romke de Jong, Kamminga, Kat, Kathmann, Van Kent, Kerseboom, Klaver, Knops, Koekkoek, Koerhuis, Kops, De Kort, Kröger, Kuik, Kuiken, Kuzu, Van der Laan, Van der Lee, Maatoug, Maeijer, Marijnissen, Markuszower, Van Meenen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Minhas, Van der Molen, Agnes Mulder, Edgar Mulder, Nijboer, Van Nispen, Omtzigt, Ouwehand, Palland, Paternotte, Paul, Paulusma, Peters, Piri, Van der Plas, Ploumen, Podt, Pouw-Verweij, Van Raan, Rahimi, Rajkowski, De Roon, Sahla, Segers, Simons, Sjoerdsma, Smals, Sneller, Van der Staaij, Stoffer, Van Strien, Strolenberg, Teunissen, Thijssen, Tielen, Valstar, Verkuijlen, Warmerdam, Wassenberg, Van der Werf, Werner, Westerveld, Van Weyenberg, Van Wijngaarden, Wilders, Van der Woude en Wuite,

en de heer Rutte, minister-president, minister van Algemene Zaken, de heer Wiersma, minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, en mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, minister van Justitie en Veiligheid.

De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 8 februari 2022.

Herdenking Gert Schutte (GPV)


Herdenking Gert Schutte (GPV)

Aan de orde is de herdenking naar aanleiding van het overlijden van Gert Schutte (GPV).

De voorzitter:
Aan de orde is de herdenking van Gert Schutte. Ik heet de aanwezige familie van harte welkom: zijn vrouw Rie Schutte-de Hoop, zijn zoon Hans en zijn dochter Marieke Schutte. Ik wil u vragen, voor zover dat mogelijk is, te gaan staan.

Zijn moeder Johanna Schutte-Groeneweg wist het al. Enige jaren na het toetreden van haar zoon tot de Kamer zei zij in een interview: "Hij hangt er niet bij in de Tweede Kamer. Er wordt goed naar hem geluisterd. Dat zie je als zo'n debat wordt uitgezonden. Hij zat nog niet zo lang in de Tweede Kamer toen hij derde werd bij de verkiezingen van politicus van het jaar. Hij kan ook goed met Lubbers overweg, tot op zekere hoogte." In dit citaat wordt de politicus Schutte raak getypeerd: gewaardeerd, kritisch en een dualist pur sang.

Gert Schutte kwam in 1981 in de Kamer als enige vertegenwoordiger van het Gereformeerd Politiek Verbond. Hij zou dat blijven tot 2001. Hij bouwde een grote reputatie op. Hij is geboren in de Alblasserwaard als oudste zoon van een groot en arm kruideniersgezin. Hij was lid van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt.

Schutte rolde min of meer vanzelf de politiek in. Hij zei daarover: "Een gemeenteraadslid vroeg een keer aan mijn vader of ik interesse had om actief te worden. Voordat ik het wist, had ik de eerste stap gezet. Vervolgens vragen ze of je "op de lijst" wil: eerst als tiende, dan als derde, dan als tweede en dan als eerste. Op het moment dat ik ja zei tegen die kandidatuur was er eigenlijk geen weg meer terug. Ik had definitief besloten om beroepspoliticus te worden."

Toen hij eenmaal beroepspoliticus was, was hij dat de eerste acht jaar in de Kamer in zijn eentje; woekeren met je tijd dus. Dat bleek ook uit de manier waarop hij zich in de Tweede Kamer voortbewoog. Waar sommige Kamerleden van hun werkkamer naar de vergaderzaal slenteren, toog Schutte in gestrekte draf door het Kamergebouw. Hij knikte bekenden vriendelijk toe, maar social talk was niet aan hem besteed. Daar had hij geen tijd voor.

Een cursus timemanagement was voor Gert Schutte overbodig. Bij zijn afscheid werd gememoreerd dat hij altijd als eerste de hoorn op de haak legde. Vaak was iemand aan de andere kant van de lijn nog bezig afscheid te nemen en hij of zij kon dan uit de droge klik afleiden dat Schutte alweer andere dingen aan het doen was.

Als politicus viel hij op door zijn genuanceerde en eigen koers bij sociale vraagstukken. Op het immateriële vlak verdedigde hij standvastig orthodoxe stellingen met een beroep op vrijheid en tolerantie. Hij was wantrouwend jegens de dictatuur van de meerderheid.

Tolerantie over en weer ging niet vanzelf, maar zijn eindoordeel hierover was positief. In zijn afscheidsbrief schreef hij daarover: "Omdat het in dit land van minderheden mogelijk is ook als kleine minderheid een volwaardige plaats in te nemen in de volksvertegenwoordiging. Anders dan in het verleden wel het geval was, heb ik geen serieuze pogingen meegemaakt om politieke minderheden die plaats te ontnemen. Omdat ik vrijuit naar mijn diepste overtuiging kon spreken, ook en juist als deze botste met die van anderen."

Ruim 2.200 keer nam hij deel aan een plenair debat. In elk van die debatten was hij een voorbeeld van degelijke voorbereiding en logisch redeneren, goed luisteren en afgewogen eindoordelen. Maar preken vond hij voor de zondag in de kerk. Bijbelse normen bepaalden al zijn handelen. Daarom was de zondag heilig; geen Kamerstukken, geen journalisten. Vanuit zijn christelijke visie kwam hij op voor de sociale zekerheid, zorg en milieu.

Gert Schutte zag uit naar het leven na de Kamer. Hij zei toen: "Ik mag stoppen met het leven dat ik nu zeventien jaar heb geleid. En dat doe ik met een gerust hart. Ik heb mijn krachten naar beste vermogen benut en dat is genoeg geweest. Ik ben blij en dankbaar voor de kansen die ik heb gekregen om dit werk te doen. Ik zal straks, bij alle politieke beslommeringen, geen moment denken: kon ik nog maar meedoen."

Ik sluit af met de treffende woorden van Trouw-journalist Hans Goslinga. We gedenken Gert Schutte als de "parlementaire reus" die hij was. We wensen zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, andere nabestaanden, de fractie en de bewindspersonen veel sterkte toe bij het verwerken van dit grote verlies.

Dan geef ik nu het woord aan de minister-president.

Minister Rutte:
Mevrouw de voorzitter. In de jaren negentig ontsnapte eigenlijk geen enkele mannelijke politicus aan de roemruchte feministische meetlat van het maandblad Opzij, ook Gert Schutte niet. Steevast legde Cisca Dresselhuys haar slachtoffers het vuur aan de schenen met een serie gewetensvragen, in het geval van Schutte bijvoorbeeld over de zondagsrust, abortus en euthanasie. Natuurlijk deed hij geen woord af aan zijn beginselvaste opvattingen over deze thema's. Gert Schutte was een man uit één stuk, die stond voor zijn principes. Maar toen hij de vraag kreeg of hij, mocht zijn partij het ooit helemaal voor het zeggen krijgen, Nederland volledig zijn eigen Bijbelse normen en waarden zou opleggen, was het antwoord: "Nee, want je mag mensen nooit dwingen iets te doen of na te laten wat ze in geweten niet kunnen verantwoorden". Met andere woorden: de ruimte om principieel te zijn, die voor hemzelf en zijn kiezers zo belangrijk was, gunde Gert Schutte ook aan een ander. Dat is goedbeschouwd ook een heel principieel standpunt.

Dan was er ook nog het vaste onderdeel van de feministische meetlat: een onderzoek naar de huishoudelijke en opvoedkundige kwaliteiten van de man in kwestie. Op die vragen kon je je dus voorbereiden. Dat leidde nog weleens tot een al te opzichtig opgepoetst antwoord, maar daar deed Gert Schutte niet aan mee. Op zaterdag de boodschappen doen en schoenen poetsen, dat was het wel zo'n beetje, vertelde hij onbekommerd.

Mevrouw de voorzitter. Ik geloof dat deze paar observaties volledig consistent zijn met het beeld van de politicus en de mens Gert Schutte zoals dat na zijn overlijden inderdaad in verschillende media is geschetst. Hij was onwankelbaar in zijn christelijke overtuigingen en stond voor de politieke doorwerking daarvan. Hij had als kruidenierszoon — ja, uit de Alblasserwaard — niks op te houden, was wars van opsmuk en trad de wereld steeds met open vizier, en natuurlijk die kenmerkende helderblauwe ogen, tegemoet. Hij had ook oog voor de positie en de keuzes van de mensen die anders in het leven stonden dan hij. Hij zocht het gesprek. Hij zocht nooit de confrontatie. Dat is een soort tweede natuur van mij geworden, zei hij ooit: zo lang mogelijk het gesprek voortzetten met mensen die een totaal ander uitgangspunt hebben.

Bij zijn afscheid als fractievoorzitter in 2001 schreef de Volkskrant: Schutte is in de Tweede Kamer eigenlijk een beetje van iedereen geworden. Dat was een rake typering, want als hij sprak, dan werd er geluisterd. In de loop der jaren verwierf hij zich door zijn deskundigheid, zijn kalme optreden en zijn afgewogen oordeel een groot persoonlijk gezag, dat ver uitsteeg boven het aantal zetels dat zijn partij op dat moment in de Kamer innam. Hij had zelf weinig op met de kwalificatie "staatsrechtelijk geweten", maar hij was het natuurlijk wel.

Mevrouw de voorzitter. De titel van de afscheidsbundel die voor Gert Schutte werd gemaakt, vat het heel mooi samen: Altijd de moeite waard. Dat is een uitspraak die refereerde aan zijn bijdrage aan het parlementaire debat. Zo zal Gert Schutte ongetwijfeld in de herinnering voortleven, namelijk als een man die de moeite waard was. Ik hoop dat deze gedachte troost biedt aan de mensen die hem het meest gaan missen: zijn familie, zijn vrienden en iedereen die hem nabij was, ook in zijn eigen politieke kring. Ik wens alle nabestaanden veel sterkte bij de verwerking van dit grote verlies.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik verzoek iedereen een moment van stilte in acht te nemen.

(De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.)

De voorzitter:
Ik schors de vergadering voor een enkel moment, zodat u de familie kunt condoleren.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Vragenuur

Vragenuur

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.


Vragen Rajkowski

Vragen van het lid Rajkowski aan de minister van Justitie en Veiligheid, bij afwezigheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over het bericht "Russische en Chinese diensten gebruiken LinkedIn voor spionage bij Nederlandse bedrijven".

De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Ik vraag aan mevrouw Rajkowski van de VVD om haar mondelinge vraag te stellen aan de minister over het bericht "Russische en Chinese diensten gebruiken LinkedIn voor spionage bij Nederlandse bedrijven". Het woord is aan mevrouw Rajkowski. Gaat uw gang.

Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Moet je je voorstellen: je zit in de kroeg een biertje te drinken, er komt iemand naast je zitten, diegene probeert erachter te komen waar je werkt en wat voor werk je doet, en achteraf kom je erachter dat het iemand is die is ingezet door de Russische of Chinese overheid en die jou informatie probeert te ontfutselen over jouw werk. Het kan toch niet waar zijn dat iedereen bang moet zijn voor iemand in de kroeg die een wodka bestelt? Dat klinkt misschien bizar, maar het gebeurt daadwerkelijk. Het is ogenschijnlijk onschuldig, maar het berichtje dat gister in het nieuws kwam, dat mensen via LinkedIn benaderd worden om hen op die manier informatie te ontfutselen, is ook zo'n voorbeeld.

Voorzitter. Via duizenden en allerlei verschillende soorten manieren worden heel veel Nederlanders dagelijks benaderd om hen informatie te ontfutselen. Iemand hoeft maar één keer niet scherp te zijn en het is prijs. De informatie die ze dan buit hebben gemaakt, zijn belangrijke dingen waar wij als Nederland ons brood mee verdienen. Wij maken in Nederland unieke chips. Wij doen de slimste dingen in de tuinbouw. Wij verdienen hier ons brood mee, en dan proberen zij ordinair te jatten. Dan denk je: goh, dat is vrij heftig; de straf die erop staat zal wel heel hoog zijn. Maar niets is minder waar. De straffen in Nederland gaan over tienduizenden euro's, en ondertussen kan diegene al in het vliegtuig naar China zitten. In andere landen liggen straffen veel hoger. Daar kan je er jarenlang de bak voor ingaan. Het probleem speelt niet alleen nu, maar ook over 50 jaar. Want als al onze kennis en informatie waar Nederland nu op draait worden gejat, wat doen wij over 50 jaar dan? Waar verdienen wij dan nog ons brood mee?

Voorzitter. Er zit maar één ding op. Wat de VVD betreft gaan we hoger straffen, moet de AIVD het aanpakken van dit soort praktijken topprioriteit maken en moeten we ervoor zorgen dat medewerkers en bedrijven beschermd worden en op de hoogte zijn van de risico's van hun vak. Laten we dit lopen, dan zullen we over een paar jaar moeten toekijken hoe ze in China met de kennis die wij hebben bedacht, die wij hebben gemaakt, hun brood verdienen. Onze economie is dan schade toegebracht en onze banen zijn weg.

Mijn vragen zijn de volgende. Is de minister het met de VVD eens dat het beschermen van onze bedrijven tegen buitenlandse spionage en jatwerk topprioriteit voor de AIVD moet zijn? Zo ja, welke stappen gaat de minister dan zetten om deze bedrijven beter te beschermen en onze kennis en technologie in huis te houden? Twee: is de minister het met de VVD eens dat dit soort praktijken zwaarder bestraft moeten worden? Zo ja, waar denkt de minister dan aan? Drie: klopt het ook dat de AIVD later deze week met een socialmediacampagne komt om de bewustwording te vergroten? Hoe gaat die eruitzien en is dat voldoende?

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dank u wel, voorzitter. Sorry, ik ben nog helemaal in de modus van verschillende vragen en dan in één keer beantwoorden. Ik wil mevrouw Rajkowski bedanken voor deze vraag, omdat ik nu nogmaals de gelegenheid krijg om aandacht te vragen voor dit belangrijke onderwerp. Dat doe ik mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die er nu niet bij kan zijn omdat ze in de Eerste Kamer zit. Bovendien kan ik aankondigen dat vandaag de AIVD-campagne "Check voor je connect" online gaat. Nederland is doelwit van spionage, zoals mevrouw Rajkowski al aangaf. Ons land heeft een open samenleving, een sterke economie en behoort tot de meest ontwikkelde, innovatieve landen ter wereld. Andere landen zijn geïnteresseerd in informatie over onze politieke, militaire en economische situatie en zijn actief op zoek naar wetenschappelijke en technologische kennis. Zoals de AIVD ook schrijft in de jaarverslagen: er wordt steeds meer digitaal gespioneerd. Dat is een feit.

Uit inlichtingenonderzoek blijkt dat inlichtingendiensten van andere landen ook steeds vaker social mediaplatforms gebruiken om nietsvermoedende gebruikers te rekruteren om informatie in te winnen. We hoorden net al enkele voorbeelden van hoe dat eruit kan zien. Gebruikers zijn zich daarvan vaak niet bewust en worden ongemerkt ingezet voor spionage. Het is een methode van buitenlandse inlichtingendiensten die in potentie massaal kan worden ingezet, al blijkt de benadering vaak wel specifiek op het eigen profiel van het doel gericht te zijn. Dat kan zijn op een specifiek werkveld, een specifiek kennisgebied of een specifieke expertise. De informatie die iemand zelf op internet heeft gezet, vormt daarbij het haakje voor een benadering.

Wanneer iemand een connectie accepteert, begint dat hele proces van iemand naar binnen trekken. Het begint met een uitnodiging om iets onschuldigs te schrijven of iets uit te zoeken wat gerelateerd is aan iemands expertise. Stap voor stap wordt een vertrouwensband opgebouwd, die leidt tot een aanbod voor een reis naar of een baan in het buitenland of tot het delen van info. Dus iedereen kan slachtoffer worden, en niet alleen mensen die werken met vertrouwelijke of gevoelige informatie bij bijvoorbeeld de overheid of techbedrijven. Zo kunnen bijvoorbeeld ook mensen die toegang hebben tot personeelsgegevens, slachtoffer worden. Zij kunnen ook interessante doelwitten zijn. De voorbeelden zijn eindeloos.

Met de campagne "Check voor je connect" wil de AIVD mensen alert maken op onlinecontactverzoeken en hun handvatten bieden voor het herkennen van valse profielen. Ik denk dat het daarom heel goed is dat we hier vandaag staan. Dit is ook bewustwording. Dit is ook mensen scherp krijgen. Je hoeft inderdaad niet aan het hoofd van een bedrijf te staan of minister of Kamerlid te zijn; iedereen kan slachtoffer worden. Bewustwording is dus belangrijk. In de onlinecampagne wordt een en ander stap voor stap uitgelegd. Denk na. Is het logisch dat zo iemand mij benadert? Klinkt het te goed om waar te zijn? Dan is het waarschijnlijk te goed om waar te zijn. Het klinkt als een open deur, maar iedereen kan er zomaar mee te maken hebben.

Als het gaat over zware straffen denk ik dat het goed is om te doen wat in het coalitieakkoord staat en waarmee we nu ook bezig zijn op mijn ministerie: spionage strafbaar stellen. De voorstellen gaan binnenkort in consultatie. Ik kan de exacte termijn nog niet geven, maar op zeer korte termijn zullen ze worden gedeeld. Het lijkt me goed om dan stil te staan bij hoe het er uitziet: exact welke delicten en de strafmaat. Dat komt eraan. Ik denk dat ik mede namens mijn collega van Binnenlandse Zaken kan zeggen dat het onderwerp absoluut een heel hoge prioriteit heeft bij al onze inlichtingendiensten, ook de AIVD. We moeten ervoor zorgen dat we onze mensen en onze kennis en kunde goed beschermen.

Mevrouw Rajkowski (VVD):
Het is goed dat de minister zich op deze manier uitspreekt. De bewustwordingscampagne klinkt goed. Het gaat ons uiteindelijk ook om het volgende. We moeten ervoor zorgen dat mensen zich ervan bewust worden dat de strafbaarstelling er komt en dat de straffen echt hoog zijn. Het gaat hier om het brood dat wij met elkaar voor Nederland verdienen. Dagelijks worden duizenden Nederlanders via allerlei wegen benaderd. Onze banen en onze economie staan hier op het spel. Het gaat dus niet alleen om de statelijke actoren, maar ook om die indirecte wegen. Kan de minister dan ook toezeggen dat er straffen in de wet komen te staan die ook afschrikken, waardoor mensen denken "Nederland slaan we even over"?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik kijk nu al uit naar dat debat, maar het moet inderdaad wel ergens over gaan. Je moet er wel voor zorgen dat het vervolgens ook echt die functie heeft. Laten we, zodra het op tafel ligt, met elkaar bekijken of het de juiste invulling is geweest. Ik denk dat wat hier wordt gezegd heel belangrijk is. Het raakt soms mensen thuis, soms burgers, soms bedrijven. Dat kan heel erg variëren. In de kern raakt het ons eigen verdienmodel en onze nationale veiligheid, dus dit is niet iets om klein te maken. Ik denk dat een campagne als Check before you connect ontzettend kan helpen bij dat scherpstellen, bij die bewustwording, ook bijvoorbeeld bij bedrijven. Als je merkt dat je hier slachtoffer van bent geworden, bijvoorbeeld doordat je bent ingegaan op een LinkedInverzoek waarop je niet had moeten ingaan — dat kan iedereen overkomen — is het goed om vervolgens aan te kloppen bij de veiligheidsafdelingen van je eigen bedrijf en meteen te zeggen: hé, volgens mij gaat hier iets mis. Daar zijn regels en protocollen voor. Er kan ook informatie worden ingewonnen op andere plekken via de AIVD. Ik denk dat we hier niet genoeg over kunnen spreken met elkaar.

Misschien mag ik er nog één ding aan toevoegen. Ik merk in mijn gesprekken met het bedrijfsleven, met kleine en grote bedrijven, dat er bij heel veel ondernemers een vorm van schaamte speelt. Op het moment dat er iets is gebeurd, of dat nou een hack is … Dat komt hier ook vaak langs in debatten. Hoe meer wij erover spreken en zeggen dat het iedereen kan overkomen, hoe makkelijker het hopelijk wordt om hulp te vragen. Bedrijven zijn ook bang om nog meer schade op te lopen als ze ermee naar buiten treden. Het is dus goed om hier te bespreken dat er een campagne is. Bij het debat over de strafbaarstelling van spionage komen we specifiek te spreken over de strafbaarstelling.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Rajkowski.

Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank voor deze aanvullende informatie. Wij kijken ook uit naar het debat.

Als laatste zou ik het volgende willen meegeven. Als we überhaupt kijken naar het beschermen van onze Nederlandse bedrijven, zou het zo mooi zijn als de grotere bedrijven de kleine bedrijven waarmee ze samenwerken hierbij helpen, bijvoorbeeld als het gaat om bewustwordingscampagnes en masterclasses. Juist de kleine bedrijven hebben niet altijd de kennis en capaciteit om hiermee aan de slag te gaan, dus: groot helpt klein.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat lijkt me een hele mooie oproep, die ik zal meenemen in de gesprekken die ik heb met het bedrijfsleven, met het mkb, VNO-NCW en iedereen. Het is een oproep waarbij ik me kan aansluiten.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Rajkowski. Er is een aantal vragen. Een vraag is een korte vraag zonder een uitgebreide inleiding. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Bromet van GroenLinks, dan aan mevrouw Dekker-Abdulaziz van D66 en dan aan de heer Ceder.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Dit gebeurt nu in Nederland, maar het zal elders in Europa ook gebeuren. Spreekt de minister ook met haar collega's over deze kwestie en trekt ze samen met hen op?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat is een goede vraag. Dit speelt absoluut in verschillende landen. Er zijn ook landen die een vergelijkbare campagne hebben opgezet. Think before you link is daar een voorbeeld van. Het speelt dus op meer plekken. Vanuit mijn rol als minister van Justitie en Veiligheid spreek ik inderdaad met mijn collega's over onderdelen van cybersecurity en cybercrime. Ik weet zeker dat mijn collega van Binnenlandse Zaken dat ook met haar collega's doet. Het staat absoluut op onze Europese agenda, maar ook breder.

Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
In Nederland hebben we een kenniseconomie die we moeten beschermen. Op dat punt ben ik het eens met de VVD. De AIVD vraagt meer bevoegdheden en data, maar je ziet dat spionage nog steeds ouderwets gebeurt door vertrouwen te winnen. Mijn vraag is: hoe worden de mensen met wie al contact is gelegd en die slachtoffer zijn geweest, actief ingelicht dat ze slachtoffer zijn geweest van spionage?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Waar we het vandaag over hebben, is in die zin ietsje lastiger, want het gaat ook om de bewustwording van de persoon zelf, die op een gegeven moment denkt: wacht even, waar ben ik ingerold en waar ben ik in beland? Dan is het heel goed om meteen hulp te vragen, bijvoorbeeld via de afdeling binnen je eigen bedrijf of om je heen. Het hangt er natuurlijk vanaf in welke positie je bent benaderd. Maar inderdaad, als het om andere manieren gaat, zoals hacks en dergelijke, dan hebben we heel andere protocollen met elkaar opgesteld om ervoor te zorgen dat de juiste informatie op de juiste plek kan komen.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Ceder, ChristenUnie, en dan de heer Van Nispen, SP.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Een zorgwekkend bericht. Ik vraag me af of de minister iets kan zeggen over de omvang van wat er al buit is gemaakt. Gaat het om financiën of om kennis? Zou de minister kunnen aangeven of het ook om informatie van de overheid gaat en van medewerkers die erbij betrokken zijn geweest?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Zo heel specifiek heb ik die informatie niet. De AIVD en de inlichtingendiensten zijn er natuurlijk elke dag mee bezig, maar zij kunnen ook niet zo specifiek alle informatie volop met ons delen. Wel is het zo, zeker in het voorbeeld waarvoor we vandaag hier staan, dat het heel breed wordt uitgezet. Je ziet dat heel veel mensen benaderd worden. Dat kunnen er echt ongelofelijk veel zijn. Een deel daarvan reageert daarop. Uiteindelijk wordt het steeds kleiner en heb je een deel dat echt onderdeel hiervan wordt en op een gegeven moment merkt dat men informatie aan het delen is en bijdraagt aan zulke praktijken. Exacte cijfers hebben we niet. Ik heb gezien in de media dat er deskundigen zijn die zeggen dat het over duizenden mensen zou kunnen gaan. Ik heb begrepen dat de AIVD zegt: van dat getal schrikken we niet. Dus het ligt in die orde van grootte. Maar het begint echt met een veel grotere groep, dus dat betekent dat heel veel Nederlanders hiermee in aanraking kunnen komen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Het is denk ik wel goed om het scherp te hebben. Niet alleen om over hoeveel mensen het gaat — ik kan me inderdaadvoorstellen dat het om duizenden mensen gaat — maar: bij hoeveel mensen is er inderdaad informatie weggeplukt, wat schadelijk kan zijn voor bedrijven of de overheid? Ik hecht er waarde aan als de minister misschien in een brief zou willen aangeven wat er is buitgemaakt. En alsnog de vraag: is er ook informatie van de overheid buitgemaakt?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Welllicht is het een idee dat ik deze vraag doorgeleid naar mijn collega van Binnenlandse Zaken, die eigenlijk hier had moeten staan. Laat zij even kijken in hoeverre dit in een brief te vatten is.

De voorzitter:
Dat lijkt me een goede afspraak. Dan geef ik het woord aan de heer Van Nispen, SP.

De heer Van Nispen (SP):
Ik vind het ook terechte vragen. Ik zou het nog ietsje breder willen trekken. Recent waren er ook onthullingen over misbruik en spionage met behulp van Israëlische apparatuur. Nu weten we dat onze politie en de inlichtingendiensten ook gebruikmaken van Israëlische apparatuur, bijvoorbeeld het tapsysteem van de Nederlandse politie. De vraag is dus — en die ga ik ook stellen aan de minister: moeten wij ons zorgen maken over het gebruik van Israëlische apparatuur door onze politie en de inlichtingendiensten? Wat zijn op dit moment daarvan de risico's?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik had kunnen weten dat deze vraag ook vandaag zou komen, maar ik heb deze vragen ook zelf uitgezet. Ik weet dat het op dit moment leeft. De heer Van Nispen en ik hebben volgende week een debat. Ik zou daar dan graag volgende week op willen terugkomen. Dan heb ik ook de informatie gekregen naar aanleiding van de vraag die ik heb uitgezet. Ik begrijp zijn zorgen, maar ik moet even toetsen wat we er nu precies van weten. We hebben volgende week een debat over de politie. Dus als de heer Van Nispen het goedvindt, neem ik het daarin mee.

De voorzitter:
De heer Van Nispen knikt.

De heer Van Nispen (SP):
Ja, voorzitter. Ik zou dan graag een brief willen ontvangen voor dat debat, zodat wij ons daarop goed kunnen voorbereiden.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat doen we.

De voorzitter:
Dank. Dan wil ik de minister van Justitie en Veiligheid van harte danken. Ik schors voor een enkel moment en dan gaan we naar de tweede mondelinge vraag.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.


Vragen Peters

Vragen van het lid Peters aan de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs over het bericht "Bijna kwart leerkrachten zit thuis, geen vervangers te vinden".

De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Ik heet de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van harte welkom, én de heer Peters van het CDA. Hij heeft een mondelinge vraag over het bericht "Bijna kwart leerkrachten zit thuis, geen vervangers te vinden". Het woord is aan de heer Peters van het CDA.

De heer Peters (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Gisteren meldde nu.nl wat iedereen met een kruimeltje verstand van het onderwijs op z'n klompen aan had kunnen voelen komen. Steeds meer leerlingen en leraren testen positief op corona en daardoor is er eigenlijk van een normale lessituatie nauwelijks sprake meer. Bijna een kwart van de leraren in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs zit volgens de Algemene Vereniging Schoolleiders inmiddels thuis en 90% van de ondervraagde schooldirecteuren zegt in een peiling onder 4.000 schoolleiders geen vervanging voor hen te kunnen vinden. Dat blijft niet zonder gevolgen, niet voor de organisatie, niet voor de docenten, niet voor de werkdruk en zeker niet voor de leerlingen en hun leervorderingen.

Voorzitter. Dat het lerarentekort niet opgelost wordt in het vragenuurtje, dat is me wel duidelijk. Dat de minister hier niet bij wet corona kan verbieden ook. Mijn aandacht gaat dan ook vooral uit naar de leervorderingen. Ik maak me daar grote zorgen over.

Voorzitter. Om de leerachterstanden weg te werken heeft de Kamer miljarden beschikbaar gesteld via de zogenaamde NPO-gelden. Dat is geld dat binnen twee jaar gebruikt zou moeten worden. Dat kan natuurlijk helemaal niet. Dat kon al nooit en de roep vanuit het onderwijsveld was vanaf het begin dan ook niet voor niets dat een periode van twee jaar daarvoor veel en veel te kort zou zijn.

Mijn eerste vraag is dan ook simpel. Kan de minister aangeven in hoeverre scholen onder de huidige omstandigheden überhaupt toekomen aan het verstandig uitgeven van die NPO-middelen? Leerachterstanden inhalen terwijl je personeel ziek thuis zit, lijkt mij lastig. Klopt mijn beeld dan dat een groot deel van het geld noodgedwongen op de plank blijft liggen of erger nog onder tijdsdruk noodgedwongen wordt ingezet voor de inhuur van commerciële bureautjes, zonder dat bekend is wat de resultaten daarvan zijn?

Voorzitter. Samen met de SGP heeft het CDA vorig jaar een motie ingediend om de termijn voor de besteding van de NPO-gelden, de gelden van het Nationaal Programma Onderwijs, met twee jaar te verlengen. Die motie is nipt aangenomen, alleen mijn toenmalige coalitiegenoten waren daar om onbegrijpelijke redenen tegen. Ik zou van de minister willen weten of dit nu hét moment is om die motie alsnog ten volle uit te voeren en om alles op alles te zetten om die termijn van twee jaar te verlengen met nog eens twee jaar. Dit zou scholen enorm helpen en leerlingen nog meer.

Tot zover.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de minister.

Minister Wiersma:
Voorzitter, dank. En ook dank aan de heer Peters voor deze vragen. Het is een terechte zorg, die wij allen hebben over zowel de besmettingen als over de achterstanden in het onderwijs. Want corona en alle maatregelen daaromheen vragen heel veel van onze samenleving. In het onderwijs wordt op dit moment met man en macht gewerkt om lessen door te laten gaan en ook om zo goed mogelijk onderwijs te geven. Zeker als je in de afgelopen periode met de ene schoolsluiting na de andere te maken hebt gehad, is dat weer schakelen. Ik wil ook hier zeggen dat het echt, écht, bewonderenswaardig is hoe dat in het onderwijs gebeurt op heel veel plekken. Het lukt ook op heel veel plekken, maar dat betekent niet dat het makkelijk is.

Sterker nog, het betekent ook dat het op heel veel plekken niet lukt. En daar wijst de heer Peters op. Het wordt op steeds meer scholen moeilijker, want ook heel veel docenten zitten nu thuis. Het is heel moeilijk, of je nou leerling bent of leraar, om te zien dat je rooster leeggehaald wordt of dat je toch moet overschakelen op dat digitale onderwijs, iets waar je toch al wel een beetje klaar mee was. Ik snap dat heel goed. Laat staan hoe vervelend het is om nu ziek te worden van het virus. Voor al die docenten geldt dat die angst er ook elke dag is.

Tegelijkertijd is het geen verrassing, voorzitter, want we hebben als kabinet met de steun van heel veel scholen, de steun van politieke partijen en de steun van leerlingen en ouders besloten om de scholen echt open te houden. Dat heeft het OMT ook geadviseerd. Het OMT zegt dat dat kan en dat is een weloverwogen keuze. Die keuze brengt natuurlijk wel risico's met zich mee. Maar scholen nog langer sluiten brengt ook heel veel risico's met zich mee voor leerlingen en hun toekomst. Daar wijst de heer Peters terecht op. De besmettingen die we zien, zijn in lijn met de voorspellingen, maar het is een heel ingewikkelde situatie in het onderwijs. Dat bevestigt het onderzoek van de AVS, de schoolleiders, nog eens. Wij willen vanuit het kabinet dus niet toekijken hoe dat nu verder doorzet, want op heel veel scholen zie je dat de besmettingen doorzetten. Wij willen helpen waar dat kan.

Wij moeten zo veel mogelijk doorgaan met lessen maar het ook veilig houden voor leraren. Daar doen we een aantal zaken voor. 4 miljoen zelftesten per week geven wij aan scholen om dat te kunnen doen. Ik wil ook nog kijken naar een extra mogelijkheid om ouders van schoolgaande kinderen die onvoldoende geld hebben om een zelftest te betalen, te voorzien van een zelftest. Dat wil ik daarbovenop doen.

Wij hebben ook de quarantaineregels versoepeld. Zo hoeven leraren die onlangs zijn geboosterd niet in quarantaine, maar ook leerlingen hoeven niet meer automatisch bij drie of meer besmettingen naar huis. Dat heeft ook geholpen om klassen open te houden.

Dan ventilatie. Het is belangrijk dat de klaslokalen veilig zijn. Vorige week heb ik een actieplan aangekondigd, zodat er in elk klaslokaal een CO2-meter komt, maar zodat er ook een hulpdienst komt als je extra hulp nodig hebt om de ventilatie goed te regelen. Inmiddels zijn er al 200 aanvragen gedaan en staat die hulplijn roodgloeiend. Dat laat zien dat het nodig en belangrijk is.

Dan de vraag van de heer Peters over het Nationaal Programma Onderwijs. Die begrijp ik goed. Ik sta positief tegenover een verlenging. Er zijn meerdere moties in de Kamer geweest die vragen om dat een of twee jaar te doen. Ik ben nu aan het kijken hoe we dat precies kunnen doen, maar ook hoe we dat kunnen koppelen aan het regeerakkoord, dat ook een heleboel ambities heeft. Ik kom daar binnen twee weken op terug, dus dat doe ik snel.

De heer Peters (CDA):
Dat is prachtig om te horen, ook voor de mensen in het onderwijs, die het in principe erg zwaar hebben. Ik heb thuis ook een onderwijsdame die gek wordt van de onzekerheid: mag ik wel naar school of niet; wordt ik weer positief getest? En een moeder van haar moet ook maar zorgen dat die klassen gedraaid worden. Die maakt zich daar grote zorgen om. Ik ben blij met de toezegging van de minister dat hij positief staat tegenover de verlenging van twee jaar. Heel positief. Dank je wel daarvoor.

Maar dat is een antwoord op een van mijn twee vragen. De andere vraag was of er enig zicht is op de huidige bestedingen van de NPO-gelden. Klopt mijn beeld dat die middelen op de plank blijven liggen omdat er gewoon geen personeel is voor de uitvoering of dat men noodgedwongen onder tijdsdruk commerciële bureautjes inzet? Als dat zo is, dan zou ik die twee weken nog lang vinden. Dan zou ik zeggen: roep nu dat het verlengd gaat worden. Dan gaat het nog een stukje sneller.

Minister Wiersma:
Voor de duidelijkheid: ik heb gezegd dat ik positief tegenover een verlenging sta. Maar er zijn meerdere geluiden vanuit de Kamer: verleng het met één jaar; verleng het met twee jaar. Daar kom ik binnen twee weken op terug. Ik zag de heer Peters al incasseren dat het een verlenging van twee jaar was, maar ik wil dat nog even goed met het onderwijs zelf bekijken. Maar het punt is terecht, want een belangrijke voorwaarde om de achterstanden in te halen is continuïteit van onderwijs, van fysiek onderwijs, op school, met interactie in de klas, zodat je vragen kunt stellen, waar je antwoord op krijgt. Op die manier leer je het meest en haal je weer in wat je misschien de afgelopen twee jaar niet hebt kunnen krijgen in het onderwijs.

Die voorwaarde staat onder druk. Dat zegt de heer Peters terecht. Mijn ervaring is dat sommige scholen heel goede plannen hebben gemaakt maar dat dat geld nu blijft liggen. Maar er zijn ook scholen die zeggen: ik ben nu eigenlijk weer bezig met het organiseren van het onderwijs, met het uitvoeren van die goede plannen, maar tegelijkertijd kom ik bij het organiseren van dat onderwijs weer heel veel dingen tegen, ook achterstanden, waar ik het geld ook voor aan het inzetten ben. Dan is het even zoeken, want wij vertrouwen scholen dat ze het besteden aan waar het het meest nodig is. Maar ik ben nu wel onder elkaar aan het zetten wat dat dan betekent. Gaat het naar de plannen die eerst zijn gemaakt? Gaat het naar nieuwe plannen? Hoe zitten die plannen in elkaar en kunnen we daar ook voor de Kamer inzicht in krijgen?

Ik kom uiterlijk in april met een voortgangsbrief hierover. Ik neem ook het punt van die commerciële bureaus van de heer Peters mee. Ik hoor ook regelmatig op de reclame van die commerciële bureaus. Het zou zomaar kunnen dat zij denken dat er geld te halen is. In sommige gevallen, als de school heel nadrukkelijk zoekt, kan het zomaar zijn dat ze iemand buiten de klas inhuren om dat te kunnen doen. Ik ben op scholen geweest die zoiets doen. Ze kijken hoe ze dat geld neer kunnen zetten om bijvoorbeeld emotionele of sociale achterstanden weg te werken. Daar hoeft op zichzelf niks mis mee te zijn, maar we moeten denk ik heel scherp zijn op het model dat de heer Peters noemt. Dat zal ik dus meenemen in de rapportage die we naar de Kamer sturen. Dat zeg ik hem toe.

De voorzitter:
De heer Peters, tot slot.

De heer Peters (CDA):
Ik ben alleen maar blij. Ik hoor duidelijk toezeggingen, of het nou met één jaar of met twee jaar verlengd gaat worden. Het wordt wel twee jaar, maar dan na het debat met de Kamer. Dat incasseer ik dan maar verder. Dat is de ene toezegging. Daar ben ik heel blij mee.

De andere vraag wordt duidelijk bekeken, namelijk: wat gebeurt er op dit moment met het geld? Daar krijg ik in april antwoord op. En daarbij is ook het tweede deel toegezegd. Ik ben dus erg blij. Dank u vriendelijk.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Peters. Er zijn een aantal vervolgvragen. Allereerst de heer Bisschop van de SGP, dan de heer De Hoop van de PvdA, mevrouw Paul van de VVD, mevrouw Westerveld van GroenLinks, mevrouw Simons van BIJ1 en tot slot de heer Van Meenen van D66. Gaat uw gang.

De heer Bisschop (SGP):
Dank aan de minister voor de toezegging om in ieder geval serieus te kijken naar wat de motie ook vroeg, namelijk verlenging van die termijn. Als de minister op werkbezoek is bij scholen, dan zal het signaal bijna eenduidig zijn: zorg ervoor dat die termijn verlengd wordt, want dan kunnen we het geld efficiënter en beter besteden. De vraag is of dat in één of twee jaar moet. Ik zou de minister daarbij willen adviseren: laat dat aan de scholen. De ene school kan op dit moment meer wegzetten op een functionele manier dan een andere school. Dan is betere besteding in een iets langere termijn, veruit te prefereren boven een keurslijf van "het moet in dit jaar". Mijn vraag aan de minister is: hoe gaat hij dit communiceren? Alle scholen zien namelijk nog steeds die twee jaar als een soort donkere wolk boven hun beleid hangen. Hoe en op welke termijn gaat de minister de scholen hiervan op de hoogte stellen, zodat ze daar duidelijkheid en zekerheid over hebben?

Minister Wiersma:
Eerder is aan de Kamer aangegeven dat we hierover in april duidelijkheid willen geven, dus bij de volgende voortgangsrapportage. Ik zei net al dat ik sterk overweeg om het veel sneller te doen, dus binnen nu en twee weken. Dat is dus een stuk sneller, precies vanwege het argument dat de heer Bisschop noemt, namelijk dat scholen nu te maken hebben met een hele ingewikkelde situatie. Daarbij moeten ze natuurlijk plannen voor de komende tijd. Ze zijn meer bezig met het organiseren dan het geven van onderwijs. Ik vind het echt ongelofelijk knap hoe ze dat nu doen. Maar we zien op steeds meer plekken dat het bijna niet te houden is. Dan moet je dus ook iets bieden op korte termijn, zodat ze de komende jaren aan zowel vertraging als achterstand vorm kunnen geven. Ik doe dat in heel nauwe samenwerking met het onderwijs. Dat geldt overigens op dit punt, maar ook op het punt van ventilatie. We kijken met het onderwijs wat daar nodig is en we bieden meteen hulp als daar een verzoek om is. Dat zijn we nu aan het uitwerken. Ik hoop snel met de uitwerking naar de Kamer te kunnen komen.

De heer De Hoop (PvdA):
Ik vind dat de minister nog een beetje te veel op de korte termijn zit in zijn beantwoording. Dit komt natuurlijk voort uit het grote probleem: het lerarentekort. Dat loopt op naar 10.000 in 2027. Mijn vraag aan de minister is eigenlijk: weet hij hoe vaak het woord "lerarentekort" voorkomt in het regeerakkoord van dit kabinet?

Minister Wiersma:
Ik dacht dat de heer De Hoop zou vragen: waarom heeft u het nog niet opgelost na vier weken? Op zichzelf is dat ook een terechte vraag. Wat de vraag ook is, ik vind het lerarentekort — dat zie je nu ook weer, maar dat zie je op heel veel vlakken — een ongelofelijke sta-in-de-weg van goed onderwijs en een normale werkdruk. Je moet goed onderwijs kunnen geven aan je leerlingen. Hoe het ook staat en waar het ook staat; het is voor mij heel duidelijk, zonneklaar, dat het lerarentekort een grote aanpak behoeft. Ik kom daar ook bij de Kamer op terug, want het is een aanpak die we al best wat jaren hebben lopen. Ik vind het verstandig dat de Kamer haar licht laat schijnen op die aanpak. Wat is nou goed gegaan? Wat is niet goed gegaan? Wat loont wel? Wat is niet verstandig? We hebben een hele trits aan maatregelen om het vak aantrekkelijker te maken. Die gaan bijvoorbeeld over de loonkloof. Maar we hebben ook een aantal andere maatregelen in het regeerakkoord staan over kansengelijkheid en kwaliteit. Dat hangt echt met elkaar samen. Ik vind het belangrijk dat ik daarvoor eerst naar de Kamer kom, zodat we daarover van gedachten kunnen wisselen. Ik hoop dat we daar dan wat langer over kunnen praten dan we nu doen bij deze korte mondelinge vraag.

De heer De Hoop (PvdA):
Ik vroeg het omdat het maar één keer genoemd is in het regeerakkoord. Ter vergelijking: het vestigingsklimaat wordt vijf keer genoemd. De aanjager, Merel van Vroonhoven, heeft een hele waslijst met oplossingen. De enige concrete oplossing die in het regeerakkoord stond, was het uitbreiden van contracten. Als de minister naar de Kamer komt, zou ik graag in een brief lezen welke oplossingen de minister meeneemt van de hele waslijst van Van Vroonhoven om het lerarentekort aan te pakken. Dat kan vast niet allemaal in de drie jaar dat hij hier zit, maar het is echt belangrijk dat we als Kamer weten wat hij daar concreet uit meeneemt.

Minister Wiersma:
Dat is een goed punt. Elke waslijst van iemand, wie dan ook, die ideeën heeft om het op te lossen, is zeer welkom. Die ga ik meenemen in de overwegingen en het plan dat ik vervolgens naar de Kamer stuur.

De voorzitter:
Mevrouw Paul van de VVD en dan mevrouw Westerveld.

Mevrouw Paul (VVD):
De heer Peters zei heel terecht dat we het lerarentekort niet in dit vragenuurtje gaan oplossen, maar het is wel belangrijk dat het ter sprake komt. Ik ben blij dat de minister dit ook als een belangrijke opdracht voor hemzelf en voor de Kamer ziet. Ik beluisterde in de beantwoording van de minister ook dat hij gaat kijken naar een verlenging van het Nationaal Programma Onderwijs. Ik begrijp dat. De coronatoestanden duren veel langer dan we een tijd geleden konden bedenken.

De voorzitter:
En uw vraag aan de minister?

Mevrouw Paul (VVD):
Mijn vraag is heel concreet: wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat met name de huidige generatie leerlingen onder het NPO, die hier enorm onder te lijden heeft gehad, hiervan gaat profiteren? Want dat was de reden waarom de timing heel strak was, niet om streng te doen, maar om ervoor te zorgen dat de huidige generatie ervan profiteert.

Minister Wiersma:
De vraag, of eigenlijk de angst, is: hoe voorkom je dat we zo meteen bij scholen minder urgentie zien voor deze leerlingen omdat je het geld over een langere termijn mag spreiden? Dat is precies een van de punten die ik in de gesprekken met scholen bespreek. Ik wil hen uitdagen om na te denken over de vraag hoe je dit op een goede maar ook verantwoorde manier kunt doen. Nu zeggen scholen: ik ben in deze beperkte tijd soms drukker geweest met het organiseren van onderwijs dan met lesgeven en met het wegwerken van achterstanden, dus ik wil daar ruimte voor.

Vervolgens is van mijn kant de vraag: hoe gaan we er dan voor zorgen dat dat geld terechtkomt waar het terecht moet komen, namelijk bij de leerling die het het hardst nodig heeft. Dat werken we nu uit. Ik kom spoedig naar de Kamer zodat we daarover ook in deze zaal het gesprek verder kunnen voeren. Maar het staat buiten kijf dat het niet mag afdoen aan de urgentie. Dat punt is helder en dat ben ik met mevrouw Paul eens. Het is geen reden om te zeggen: we kijken over twee jaar wel verder. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik nog geen school heb gesproken die er zo naar kijkt. We mogen ook wel vertrouwen hebben in de scholen en leraren, die als geen ander weten wat nodig is en wanneer dat nodig is.

Mevrouw Paul (VVD):
Ik ben blij met de laatste toevoeging van de minister, want mijn vraag was niet ingegeven door wantrouwen richting de scholen. Ik zie hoe ze allemaal hun best doen, dus daar komt het niet door. Ik denk dat het belangrijk is — dat is ook mijn vraag aan de minister — om, los van de uitval die nu plaatsvindt, te kijken welke barrières scholen ervaren om de NPO-gelden goed in te zetten, zoals administratieve lasten of andere zaken die complicerend werken, en hoe de minister daarbij kan helpen.

Minister Wiersma:
Dat is een goeie suggestie, dus die neem ik mee. Een van de verzoeken van het onderwijs aan het kabinet was: zorg voor snellere duidelijkheid hierover, ook over dit plan en over hoe we die acties de komende jaren door kunnen zetten. Dat is ook de reden dat ik daar versneld toe wil besluiten en ook dat ik de samenhang met het regeerakkoord belangrijk vind, want ook daar is heel veel geld voor beschikbaar. Het zou natuurlijk wel heel verstandig zijn om het werken aan kansenongelijkheid en het weg proberen te werken van achterstanden met elkaar te laten samenhangen, zodat dat niet twee hele verschillende sporen zijn. In de school is het ook niet verschillend. Die hebben daar direct mee te maken en die wil ik daar ook mee helpen. Maar het valt of staat wel met dat we hun vragen wat daar het beste werkt. Dat is precies waarom ik hier in de Kamer nu niet een toezegging doe over de lengte. Ik wil het eerst met het onderwijs precies uitwerken en dan terugkomen naar de Kamer.

De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, GroenLinks. Dan mevrouw Simons.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Een heel belangrijk onderdeel om te voorkomen dat leraren thuis komen te zitten, is natuurlijk investeren in goede ventilatie. Daar hameren een heel aantal partijen, waaronder die van ons, al heel erg lang op in deze Kamer. Vorige week kondigde de minister een actieplan aan. Onderdeel van dat actieplan is dat in elk klaslokaal een CO2-meter moet hangen. Het geld dat daarvoor beschikbaar komt, komt in de lumpsum, dus in de grote pot met geld. Mijn concrete vraag aan de minister is: gaat hij ervoor zorgen dat op hele korte termijn in ieder klaslokaal in Nederland een CO2-meter hangt? En zo ja, aan welke datum denkt hij dan?

Minister Wiersma:
Er is lang discussie geweest over ventilatie en over wie wat moet doen. Eerlijk gezegd is die discussie niet weg. Ik heb geprobeerd die discussie een stap verder te brengen door er gewoon een actie aan te koppelen: er moet een CO2-meter in de klas komen. Nee, ik heb nu geen wet waar dat in staat, maar ik ga wel kijken of ik het bijvoorbeeld in een accountantsverklaring of op een andere manier kan regelen. Ik kom dus terug naar de Kamer om te kijken hoe we dat kunnen borgen. Dat is één.

Twee. Ik heb ook gezegd dat je iemand op die school wil hebben als er acute nood is. Daar is nu een loket voor. Er zijn nu al 200 aanvragen, en bezoeken aan die scholen worden nu gepland. Mijn indruk is dus dat scholen dat loket in ieder geval kunnen vinden. Daar ben ik heel blij mee. Dan is de hulp ook nabij. Daar komen ongetwijfeld weer gedoetjes uit waar we mee aan de slag moeten. Dat weet mevrouw Westerveld ook. Ik hoop dat de aanpak ervoor zorgt dat we dat gedoetje aangaan en oplossen.

Ik heb ook gezegd dat we nog een soort maatwerkoplossing zoeken. Dat klinkt heel ambtelijk, maar dat komt neer op het volgende. We hebben nu een subsidieregeling om ventilatie op een school te regelen. Heel veel scholen zeggen: het is niet genoeg. Heel veel gemeenten zeggen: het is niet genoeg. Ze wijzen dan allemaal naar mij en dan mag ik het oplossen. Ik heb gezegd dat ik het heel belangrijk vind, dus dan moeten we toch kijken hoe we het kunnen oplossen. Ik werk met hen dus ook nog extra mogelijkheden uit om daaraan tegemoet te kunnen komen. Laat ik hier toch maar zeggen dat het de verantwoordelijkheid van scholen en gemeenten is om dit goed te regelen en dat het op heel veel plekken al op orde had moeten zijn. Ik ben dus wel geschrokken van hoe het er daar voor staat, maar dat is geen reden om niks te doen. Sterker nog: dat is reden om meer te doen.

De voorzitter:
Mevrouw Simons ziet af van haar vraag, volgens mij omdat mevrouw Westerveld dezelfde vraag stelde. Dat herinner ik mij ook nog uit coronadebatten. Dan geef ik het woord aan de heer Van Menen van D66.

De heer Van Meenen (D66):
Er zijn al een heleboel vragen gesteld die ik me ook had voorgenomen te stellen, maar er blijven altijd nog vragen over. Natuurlijk is het heel goed dat er gewerkt wordt aan het terugdringen van het lerarentekort, want dat zit hier natuurlijk ook achter. Dat ben ik op zich eens met de Partij van de Arbeid, zij het dat ik het iets minder zuur breng. Mijn oproep is dus vooral om het regeerakkoord uit te gaan voeren. Ik ben ook blij met de andere maatregelen die hier al ter sprake zijn gekomen.

De voorzitter:
En uw vraag aan de minister?

De heer Van Meenen (D66):
Mijn vraag aan de minister is de volgende. Kijk, de leerlingen worden ook getroffen. De leraren worden getroffen, maar ook de leerlingen. Hun hart bloedt ongetwijfeld voor hen. We hebben het recent gehad over hoe we de examens goed kunnen laten verlopen. Mijn vraag gaat over de overgang naar het voortgezet onderwijs. Is de minister nu doende om met scholen in gesprek te gaan, juist over die groepen 8, die brede brugklassen en dat kansrijk adviseren? Hoe staat het daarmee? Gaan we daar echt tastbare resultaten van zien? Want ik denk dat dat heel hard nodig is.

Minister Wiersma:
Dank voor die vraag. "De heer De Hoop" en "zuur" gaan voor mij niet samen, maar ik weet dat de heer Van Meenen het ook niet zo bedoelt. Ik zag het als een zorg, die ik zelf ook heb. Dus daar gaan we gebroederlijk proberen de schouders onder te zetten.

Het specifieke punt van de overgang naar het voortgezet onderwijs is een terecht punt. We hebben in ieder geval mogelijk gemaakt dat open dagen ook weer fysiek kunnen. Dat is één. We hebben een aantal maatregelen genomen voor de eindexamens. Daar hebben het hier in de Kamer eerder over gehad. Dat is twee. Ook is vandaag in de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor de doorstroomtoets aangenomen. Dat is eigenlijk de eindtoets — sommigen kennen het als Cito-toets — maar dat wordt straks de doorstroomtoets. Die zorgt ervoor dat iedereen zich op eenzelfde moment aanmeldt voor het voortgezet onderwijs, zodat het niet kan zijn dat je later een bijstelling in je advies krijgt maar je de school van keuze dan al kwijt bent.

De punten die de heer Van Meenen noemt, zijn soms heel nadrukkelijk onderdeel van het regeerakkoord, soms van het Nationaal Programma Onderwijs. Die twee wil ik juist bij elkaar brengen. Dan zijn we niet op twee verschillende panelen iets aan het proberen, maar proberen we met slagkracht iets te bereiken waardoor het én voor de kwaliteit én voor de kansengelijkheid beter is. Maar goed, dat zijn wel containers waar je op zichzelf nog niet meteen van weet: waar gaan we dan naartoe? Dat is precies waarom ik het met het onderwijs concreet maak, zodat ik het op korte termijn in de Kamer wel concreet kan laten zien. Ik kan dan ook uw suggesties ontvangen om het nog beter te maken.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het mondelinge vragenuur. Ik dank de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van harte voor zijn aanwezigheid hier. Ik schors de vergadering tot 15.00 uur en dan gaan we daarna stemmen.

De vergadering wordt van 14.56 uur tot 15.01 uur geschorst.

Mededelingen


Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:

Bikker en Grinwis, voor vandaag;

Becker en Tellegen, voor de gehele week.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)


Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

De voorzitter:
Ik stel voor zo dadelijk ook te stemmen over de aangehouden motie-Bouchallikh (28089, nr. 201).

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Voordat we gaan stemmen geef ik eerst het woord aan mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
De Partij voor de Dieren. Volgens mij maakte u de naam niet helemaal af, voorzitter. Geeft niet. U zei volgens mij alleen "partij", of misschien stond de microfoon al uit. Geeft niet. Dan ging er iets mis in de zaal.

De voorzitter:
Onze Griffie hoorde wel het woord "Dieren". Maar bij dezen: Dieren, Dieren, Dieren, hè?

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb een verzoek namens mijn collega Van Raan. Hij wenst zijn motie 28165, nr. 357 aan te houden. Dat gaat over klimaatplicht voor staats- en beleidsdeelnemingen.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Raan stel ik voor zijn motie (28165, nr. 357) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Stemmingen

Stemmingen


Stemmingen Verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (35625).

(Zie vergadering van 27 januari 2022.)

In stemming komt het gewijzigde amendement-Van Baarle/El Yassini (stuk nr. 13, I).

De voorzitter:
Ik constateer dat dit gewijzigde amendement met algemene stemmen is aangenomen.

Ik stel vast dat door de aanneming van dit gewijzigde amendement het andere op stuk nr. 13 voorkomende gewijzigde amendement als aangenomen kan worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Van Baarle (stuk nr. 11, I).

De voorzitter:
Ik constateer dat dit amendement met algemene stemmen is aangenomen.

Ik stel vast dat door de aanneming van dit amendement het andere op stuk nr. 11 voorkomende amendement als aangenomen kan worden beschouwd.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Bisschop (stuk nr. 17, I).

De voorzitter:
Ik constateer dat dit gewijzigde amendement met algemene stemmen is aangenomen.

Ik stel vast dat door de aanneming van dit gewijzigde amendement de overige op stuk nr. 17 voorkomende gewijzigde amendementen als aangenomen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Bouchallikh (stuk nr. 9, I).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV en Groep Van Haga voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement het andere op stuk nr. 9 voorkomende amendement als verworpen kan worden beschouwd.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Bisschop (stuk nr. 16, I).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de fractie van Volt ertegen, zodat het is aangenomen.

Ik stel vast dat door de aanneming van dit gewijzigde amendement het andere op stuk nr. 16 voorkomende gewijzigde amendement als aangenomen kan worden beschouwd.

In stemming komt het wetsvoorstel, zoals op onderdelen gewijzigd door de aanneming van de gewijzigde amendementen-Van Baarle/El Yassini (stuk nrs. 13, I en II), de amendementen-Van Baarle (stuk nrs. 11, I en II), de gewijzigde amendementen-Bisschop (stuk nrs. 17, I tot en met VIII) en de gewijzigde amendementen-Bisschop (stuk nrs. 16, I en II).

De voorzitter:
Ik constateer dat dit wetsvoorstel met algemene stemmen is aangenomen.


Stemming motie Verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten,

te weten:

  • de motie-Bouchallikh c.s. over een laagdrempelige vorm van rechtshulp voor mbo-studenten (35625, nr. 14).

(Zie vergadering van 27 januari 2022.)

In stemming komt de motie-Bouchallikh c.s. (35625, nr. 14).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.


Stemmingen brieven Parlementair behandelvoorbehoud

Aan de orde zijn de stemmingen over twee brieven van de vaste commissie voor Europese Zaken over het plaatsen van een parlementair behandelvoorbehoud (36019, nr. 1 en 36020, nr. 1).

De voorzitter:
Ik stel voor conform het advies van de vaste commissie voor Europese Zaken te besluiten en de regering te verzoeken voor beide voorstellen een parlementair behandelvoorbehoud te laten vastleggen.

Daartoe wordt besloten.


Stemmingen moties Maritiem

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Maritiem,

te weten:

  • de motie-Tjeerd de Groot/Van der Molen over helderheid verschaffen over het lot van de vuurtoren Kijkduin (31409, nr. 341);
  • de motie-Bouchallikh/Alkaya over stoppen met varend ontgassen totdat er een onderzoek naar is gedaan (31409, nr. 342);
  • de gewijzigde motie-Alkaya/Bouchallikh over ondersteuning van organisaties die ontgassingsinstallaties ontwikkelen (31409, nr. 344, was nr. 343).

(Zie vergadering van 2 februari 2022.)

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot/Van der Molen (31409, nr. 341).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de fractie van BIJ1 ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bouchallikh/Alkaya (31409, nr. 342).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, Lid Omtzigt, JA21 en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Alkaya/Bouchallikh (31409, nr. 344, was nr. 343).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV en Groep Van Haga voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.


Stemming brief Vacature voor een juridisch lid in de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden

Aan de orde is de stemming over brief van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over een voordracht ter vervulling van een vacature voor een juridisch lid in de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (35939, nr. 2).

De voorzitter:
Ik stel voor niet schriftelijk te stemmen en de voordracht conform het voorstel van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken als volgt vast te stellen:

1. dhr. mr. E.H.M. Druijf;
2. dhr. mr. drs. P. Fortuin.

Daartoe wordt besloten.


Stemmingen Minimale beraadtermijn voor de afbreking van zwangerschappen

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het Voorstel van wet van de leden Paternotte, Kuiken, Ellemeet en Tellegen tot wijziging van Wet afbreking zwangerschap in verband met het afschaffen van de verplichte minimale beraadtermijn voor de afbreking van zwangerschappen (35737).

(Zie vergadering van 2 februari 2022.)

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas heeft verzocht om een hoofdelijke stemming over alle ingediende amendementen en het wetsvoorstel. Wij zullen daar daarom niet vandaag over stemmen, maar we zullen daar donderdag 10 februari hoofdelijk over stemmen. We stemmen dan ook over de ingediende moties bij dit punt, punt 9.

Dan gaan we wat verder op de stemmingslijst en starten we weer bij punt 10, de stemmingen over moties ingediend bij het debat over de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 inzake box 3.


Stemmingen moties Uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 inzake box 3

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 inzake box 3,

te weten:

  • de motie-Romke de Jong c.s. over voorstellen voor het hervatten van de belastingheffing op vermogen (35927, nr. 94);
  • de motie-Alkaya c.s. over het niet verhogen van de lasten op arbeid of consumptie (35927, nr. 95);
  • de motie-Maatoug c.s. over het tegengaan van mogelijke belastingarbitrage door de huidige situatie in box 3 (35927, nr. 98);
  • de motie-Ephraim over het integraal afschaffen van de vermogensbelasting (35927, nr. 99);
  • de motie-Ephraim over schade en misgelopen belastingen niet verhalen op de burger (35927, nr. 100);
  • de motie-Ephraim over onderzoek naar een forfaitaire heffing als de vermogensbelasting niet wordt afgeschaft (35927, nr. 101);
  • de motie-Stoffer over belasting op vermogen op basis van werkelijk rendement zo snel mogelijk invoeren (35927, nr. 102);
  • de motie-Van Houwelingen over het compenseren van alle gedupeerden van de fictieve rendementsheffing (35927, nr. 103);
  • de motie-Van Houwelingen over een fictief rendementspercentage hanteren dat niet hoger is dan de spaarrente (35927, nr. 104);
  • de motie-Eppink over kleine spaarders als eerste in aanmerking laten komen voor compensatie (35927, nr. 105).

(Zie vergadering van 2 februari 2022.)

De voorzitter:
De motie-Eppink (35927, nr. 105) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Hoge Raad op 24 december 2021 oordeelde dat de box 3-regeling in strijd is met het EVRM;

verzoekt het kabinet bij de compensatieregeling te onderzoeken hoe kleine spaarders als eersten in aanmerking kunnen komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. 106, was nr. 105 (35927).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de motie-Romke de Jong c.s. (35927, nr. 94).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Alkaya c.s. (35927, nr. 95).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de VVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Maatoug c.s. (35927, nr. 98).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de SGP, Lid Omtzigt, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Ephraim (35927, nr. 99).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Ephraim (35927, nr. 100).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Ephraim (35927, nr. 101).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Stoffer (35927, nr. 102).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Houwelingen (35927, nr. 103).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, de PvdD, Fractie Den Haan, de SGP, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Houwelingen (35927, nr. 104).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Eppink (35927, nr. 106, was nr. 105).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.


Stemmingen moties Financiële markten - consumenten en dienstverlening

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Financiële markten - consumenten en dienstverlening,

te weten:

  • de motie-Alkaya over het verbeteren van de compensatieregeling voor de ABN AMRO-wurgkredieten (32545, nr. 159);
  • de motie-Tony van Dijck over het verhogen van de NHG-grens naar minimaal €400.000 (32545, nr. 160);
  • de motie-Tony van Dijck over het niet verder verruimen van het negatieverentebeleid (32545, nr. 161);
  • de motie-Tony van Dijck over zorg dragen voor een landelijk netwerk van bankfilialen (32545, nr. 162);
  • de motie-Nijboer over het compenseren van Conservatrix-gedupeerden (32545, nr. 163).

(Zie vergadering van 3 februari 2022.)

De voorzitter:
De motie-Tony van Dijck (32545, nr. 162) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat steeds meer banken hun fysieke kantoren sluiten;

overwegende dat veel mensen behoefte hebben aan persoonlijk advies, zeker die mensen die minder goed thuis zijn in de virtuele wereld;

verzoekt de regering in overleg met de banken te zorgen voor een landelijk netwerk van servicepunten, vergelijkbaar met het netwerk van geldautomaten,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. 164, was nr. 162 (32545).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de motie-Alkaya (32545, nr. 159).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, Lid Omtzigt, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Tony van Dijck (32545, nr. 160).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD, Fractie Den Haan, BBB, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Tony van Dijck (32545, nr. 161).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Tony van Dijck (32545, nr. 164, was nr. 162).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Nijboer (32545, nr. 163).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.


Stemmingen moties Staatsdeelnemingen

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Staatsdeelnemingen,

te weten:

  • de motie-Maatoug/Nijboer over reductiedoelstellingen om KLM in lijn te brengen met het Akkoord van Parijs (28165, nr. 359);
  • de motie-Alkaya over krimp van het aandeel zakelijke veelvliegers (28165, nr. 360);
  • de motie-Alkaya c.s. over de invloed van krimp in medewerkersaantallen bij NS op de beschikbaarheid van de beoogde dienstverlening (28165, nr. 361);
  • de motie-Tony van Dijck over een exitstrategie in verband met de buitenlandse activiteiten van NS (28165, nr. 362);
  • de motie-Tony van Dijck over de KLM losweken van Air France (28165, nr. 363);
  • de motie-Tony van Dijck over van de Volksbank een staatsspaarbank maken (28165, nr. 364);
  • de motie-Grinwis/Inge van Dijk over in de nieuwe Nota Deelnemingenbeleid opnemen dat buitenlandse investeringen van staatsdeelnemingen het publieke belang moeten dienen (28165, nr. 365);
  • de motie-Grinwis/Alkaya over een terughoudender en minder wervende inzet van gokreclames door de staatsdeelnemingen Nederlandse Loterij en Holland Casino (28165, nr. 366).

(Zie vergadering van 3 februari 2022.)

In stemming komt de motie-Maatoug/Nijboer (28165, nr. 359).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Alkaya (28165, nr. 360).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Alkaya c.s. (28165, nr. 361).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Tony van Dijck (28165, nr. 362).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de SGP, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Tony van Dijck (28165, nr. 363).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdD, de SGP, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Tony van Dijck (28165, nr. 364).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD, Lid Omtzigt, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Grinwis/Inge van Dijk (28165, nr. 365).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Grinwis/Alkaya (28165, nr. 366).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.


Stemmingen moties Circulaire economie

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Circulaire economie,

te weten:

  • de motie-Bouchallikh c.s. over sappen toevoegen aan de statiegeldregeling voor plastic flessen (32852, nr. 177);
  • de motie-Bouchallikh c.s. over monitoren op de omvang en opruimkosten van sigarettenfilters in het zwerfafval en in kaart brengen hoe een reductiedoelstelling behaald kan worden (32852, nr. 178);
  • de motie-Van Esch over een nationaal verbod op plastic in sigarettenfilters (32852, nr. 179);
  • de motie-Van Esch/Bouchallikh over geen uitzonderingen op het verbod op het gebruik van wegwerpbekers en -voedselverpakkingen voor consumptie ter plaatse (32852, nr. 180);
  • de motie-Hagen c.s. over onderzoeken hoe hoogwaardige recycling kan worden gestimuleerd of afgedwongen (32852, nr. 181);
  • de motie-Van der Plas over het inventariseren van recycling door de veehouderij en het effect daarvan op voedselprijzen (32852, nr. 183).

(Zie vergadering van 3 februari 2022.)

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Van Esch stel ik voor haar motie (32852, nr. 179) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Bouchallikh c.s. (32852, nr. 177).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, de ChristenUnie, de SGP, Lid Omtzigt en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Bouchallikh c.s. (32852, nr. 178).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Esch/Bouchallikh (32852, nr. 180).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Hagen c.s. (32852, nr. 181).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, BBB en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (32852, nr. 183).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, de SGP, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.


Stemmingen moties Aanscherping van de regels inzake industriële emissies

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Aanscherping van de regels inzake industriële emissies,

te weten:

  • de motie-Beckerman/Van Raan over de aanscherping van de maatregelen voor industriële emissies ook van toepassing laten zijn op Tata Steel (33118, nr. 214);
  • de motie-Van der Plas over een plan van aanpak om de daadwerkelijke emissies van industriële bedrijven in beeld te krijgen (33118, nr. 215).

(Zie vergadering van 3 februari 2022.)

In stemming komt de motie-Beckerman/Van Raan (33118, nr. 214).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (33118, nr. 215).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de SGP, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.


Stemmingen moties Spoor, spoorveiligheid, ERTMS en internationaal spoorvervoer

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Spoor, spoorveiligheid, ERTMS en internationaal spoorvervoer,

te weten:

  • de motie-De Hoop c.s. over het onderzoeken van de mogelijkheden voor de spoorbrug in Maastricht (29984, nr. 959);
  • de motie-De Hoop/Van der Graaf over het zo spoedig mogelijk sluiten van een bestuursakkoord toegankelijkheid ov (29984, nr. 960);
  • de motie-Bouchallikh c.s. over de trein als norm voor reizen tot 700 kilometer (29984, nr. 961);
  • de motie-Bouchallikh/Van Ginneken over een routekaart voor een toekomstbestendige A12-spoorcorridor (29984, nr. 962);
  • de motie-Van Ginneken c.s. over het uitwerken van een ticketing roadmap voor de Nederlandse situatie (29984, nr. 963);
  • de motie-Alkaya over de verandering bij NS niet laten leiden tot langere reistijden voor mensen die zijn aangewezen op serviceverlening onderweg (29984, nr. 964);
  • de motie-Alkaya over inzetten op het structureel maken van de tijdelijke compensatie voor treinverkeersleiders (29984, nr. 965);
  • de motie-Alkaya over aandringen op terugkeer van een gezinsabonnement met een aantrekkelijk tarief (29984, nr. 966);
  • de motie-Minhas c.s. over meer aandacht voor communicatie met omwonenden bij het aanpakken van de trillingsproblematiek (29984, nr. 967);
  • de motie-Minhas/Van Ginneken over werken aan een gelijker marktspeelveld voor spoorgoederenvervoer (29984, nr. 968).

(Zie vergadering van 3 februari 2022.)

De voorzitter:
De motie-De Hoop/Van der Graaf (29984, nr. 960) is in die zin gewijzigd en nader gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met de motie-Van der Graaf c.s. (35570-XII, nr. 47) Kamerbreed is verzocht om uiterlijk 1 maart 2021 een bestuursakkoord toegankelijkheid ov te sluiten, met oog op aanscherping en verbetering van toegankelijkheidseisen in wet- en regelgeving;

van mening dat toegankelijk ov alleen gegarandeerd kan worden met bindende afspraken en termijnen;

verzoekt de regering om zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor de zomer, het bestuursakkoord toegankelijkheid ov te sluiten en de daaropvolgende wet- en regelgeving aan de Kamer voor te leggen;

verzoekt de regering met de verantwoordelijke decentrale overheden concrete verplichtingen en bindende termijnen in het bestuursakkoord af te spreken,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. 971, was nr. 960 (29984).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de motie-De Hoop c.s. (29984, nr. 959).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de nader gewijzigde motie-De Hoop/Van der Graaf (29984, nr. 971, was nr. 960).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze nader gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bouchallikh c.s. (29984, nr. 961).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, D66, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

De VVD was net op tijd; we rekenen 'm goed. De motie is aangenomen. Ik heb heel veel macht in deze stoel!

In stemming komt de motie-Bouchallikh/Van Ginneken (29984, nr. 962).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PVV ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Ginneken c.s. (29984, nr. 963).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Alkaya (29984, nr. 964).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Alkaya (29984, nr. 965).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Alkaya (29984, nr. 966).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Minhas c.s. (29984, nr. 967).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21, BBB, de PVV en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Minhas/Van Ginneken (29984, nr. 968).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, BBB en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.


Stemmingen moties Situatie in Oekraïne

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over de situatie in Oekraïne,

te weten:

  • de motie-Ephraim over geen Nederlandse militairen uitzenden naar Oekraïne (35925-V, nr. 67);
  • de motie-Ephraim over het tijdig uit Oekraïne evacueren van Nederlandse burgers (35925-V, nr. 68);
  • de motie-Jasper van Dijk/Dassen over voorstellen om de OVSE te versterken (35925-V, nr. 69);
  • de motie-Jasper van Dijk c.s. over afzien van wapenleveranties aan Oekraïne (35925-V, nr. 70);
  • de motie-Sjoerdsma c.s. over grootschalige corruptie als overtreding toevoegen aan de EU-Magnitskywetgeving (35925-V, nr. 71);
  • de motie-Brekelmans/Agnes Mulder over het verzoek van Oekraïne om levering van wapens en ander materieel welwillend behandelen (35925-V, nr. 72);
  • de motie-De Roon over een sanctiepakket vóór instemming in Brussel voorleggen aan de Tweede Kamer (35925-V, nr. 73);
  • de motie-De Roon/Wilders over uitspreken dat toetreding van Oekraïne tot de NAVO niet aan de orde is en zal komen (35925-V, nr. 74);
  • de motie-Van der Plas over de omvang van de bezittingen van de Russische elite rond Poetin in Nederland in kaart brengen (35925-V, nr. 75);
  • de motie-Van der Plas over onvoorwaardelijke steun uitspreken voor de soevereiniteit van Oekraïne (35925-V, nr. 76).

(Zie vergadering van 3 februari 2022.)

De voorzitter:
De motie-Ephraim (35925-V, nr. 67) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering geen Nederlandse militairen uit te zenden naar Oekraïne, indien dit om gevechtshandelingen zou gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. 77, was nr. 67 (35925-V).

De motie-Jasper van Dijk/Dassen (35925-V, nr. 69) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Jasper van Dijk, Dassen en Ellemeet.

Zij krijgt nr. 78, was nr. 69 (35925-V).

Ik stel vast dat wij nu over deze gewijzigde moties kunnen stemmen.

Voordat we gaan stemmen, geef ik het woord aan de heer Ceder van de ChristenUnie voor een stemverklaring.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. We gaan als eerste stemmen over de motie-Ephraim. De ChristenUnie ondersteunt de lijn dat er geen uitzending van Nederlandse militairen naar Oekraïne plaatsvindt indien het om gevechtshandelingen gaat. Een uitzending is echter niet aan de orde, zoals minister Hoekstra en minister Ollongren herhaaldelijk hebben bevestigd aan de Kamer. Deze motie schuurt tevens met de zorgvuldige artikel 100-procedure, een proces dat — wanneer het wel aan de orde zou zijn — zorgvuldig gevolgd dient te worden in deze Kamer. Dat proces willen we zuiver houden en ook bewaken. Om die reden zullen we tegenstemmen.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Wilt u ook een stemverklaring afleggen, meneer Omtzigt? Dat kunt u daar doen. De stemverklaring gaat over een motie. Het woord is aan de heer Omtzigt.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Over dezelfde motie en met dezelfde redenering. We hebben een zorgvuldige artikel 100-procedure. Er is niets aan de orde. Ik heb in mijn bijdrage in het debat wel de mogelijkheid genoemd dat Patriotraketten of zo uitgestuurd konden worden. Zo'n procedure doorloop je, maar daarom zal ik ook tegen deze motie stemmen. Die hoeft niet te worden geïnterpreteerd als dat er op dit moment troepen uitgestuurd worden of dat voorstellen daartoe gedaan zijn.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Omtzigt.

In stemming komt de gewijzigde motie-Ephraim (35925-V, nr. 77, was nr. 67).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de VVD, JA21, FVD en Groep Van Haga voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Ephraim (35925-V, nr. 68).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BIJ1, de PvdD, Fractie Den Haan, Lid Omtzigt, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

De heer Van Haga, Groep Van Haga.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Nu de motie op stuk nr. 67 van mijn collega Ephraim is aangenomen, zou ik daarover graag een brief willen hebben van het kabinet. Zo spoedig mogelijk.

De voorzitter:
We zullen dit doorgeleiden naar het kabinet. Mevrouw Agema van de PVV.

Mevrouw Agema (PVV):
Wij wensen geacht te worden vóór de motie op stuk nr. 67 te hebben gestemd.

De voorzitter:
Dank u wel. We zullen dit opnemen in de Handelingen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Jasper van Dijk c.s. (35925-V, nr. 78, was nr. 69).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, JA21 en BBB voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk c.s. (35925-V, nr. 70).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, de PvdD, JA21, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Sjoerdsma c.s. (35925-V, nr. 71).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Brekelmans/Agnes Mulder (35925-V, nr. 72).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, BBB en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-De Roon (35925-V, nr. 73).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdD, Fractie Den Haan, de SGP, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-De Roon/Wilders (35925-V, nr. 74).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdD, JA21, de PVV, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (35925-V, nr. 75).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (35925-V, nr. 76).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, het CDA, BBB en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Mevrouw Simons, BIJ1.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u, voorzitter. Ik wil worden geacht vóór de motie op stuk nr. 75 te hebben gestemd.

De voorzitter:
Dank u wel. We zullen dit opnemen in de Handelingen.


Stemming motie Vermindering blootstelling aan pfas na de EFSA-opinie

Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij het tweeminutendebat Vermindering blootstelling aan pfas na de EFSA-opinie,

te weten:

  • de motie-Bouchallikh c.s. over het zo veel mogelijk beperken van de inkoop van pfas-houdende producten door het Rijk (28089, nr. 201).

(Zie vergadering van 7 oktober 2021.)

In stemming komt de motie-Bouchallikh c.s. (28089, nr. 201).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, Lid Omtzigt, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze stemmingen. Ik schors de vergadering voor een enkel moment en dan gaan we over tot de regeling van werkzaamheden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mededelingen


Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden


Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:
Op verzoek van de aanvragers stel ik voor de volgende debatten van de agenda af te voeren:

  • het dertigledendebat over een nieuwe dreigende rechtszaak over stikstof;
  • het dertigledendebat over het bericht dat de stikstofuitstoot door de melkveehouderij is toegenomen;
  • het tweeminutendebat over het Rli-advies Toegang tot de stad.

Ik deel aan de Kamer mee dat voor het debat over de uitkomsten van de klimaattop in Glasgow de termijn voor toekenning is verlengd.

Ik stel voor het rapport "Versterking functies Tweede Kamer - Meer dan de som der delen" (35992, nr. 1) toe te voegen aan de agenda van de Kamer en te betrekken bij het debat over de omgangsvormen in de Tweede Kamer.

Aanzien alle sprekers zich hebben teruggetrokken, wordt het VSO Curriculumherziening in het funderend onderwijs (31293, nr. 564) van de agenda afgevoerd.

Ik deel mee dat de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot haar voorzitter heeft gekozen het lid Michon-Derkzen en tot haar ondervoorzitter het lid Den Haan.

Op verzoek van de fractie van de VVD benoem ik in:

  • de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het lid Michon-Derkzen tot lid in plaats van het lid Tellegen en het lid Tellegen tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Michon-Derkzen;
  • de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken het lid Heerema tot lid in de bestaande vacature;
  • de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken het lid Haverkort tot lid in plaats van het lid Ellian en het lid Ellian tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Tielen;
  • de contactgroep Frankrijk het lid Brekelmans tot lid.

Op verzoek van de fractie van de PvdA benoem ik in:

  • de vaste commissie voor Europese Zaken het lid Ploumen tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid De Hoop;
  • de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het lid Piri tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Nijboer.

Op verzoek van een aantal leden stel ik voor de volgende door hen ingediende moties opnieuw aan te houden: 35925-XVII, nr. 38; 21501-32-1017; 35925-VIII-58; 35570-VI-69; 35309-8; 35309-7; 35000-VII-30; 34346-3; 34298-9; 31532-244; 31532-243; 31532-240; 28286-1144; 34775-XIII-109; 32813-366; 35570-VIII-270; 35925-XIV-62.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda:

  • het tweeminutendebat Voortgang Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het Caribisch deel van het Koninkrijk (31288, nr. 939) met als eerste spreker het lid De Hoop (PvdA).

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van Ginneken van D66.

Mevrouw Van Ginneken (D66):
Voorzitter. Namens de commissie Digitale Zaken dien ik hierbij het verzoek in om een plenair hoofdlijnendebat in te plannen over digitale zaken, zodra de hoofdlijnenbrieven van de bewindspersonen van BZK, JenV en EZK op dat onderwerp ontvangen zijn.

De voorzitter:
Dank u wel. U doet dat namens de commissie en dat gaan we dus op die manier doen.

Dan geef ik het woord aan de heer Omtzigt voor zijn verzoek.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Voorzitter. Het eerste verzoek betreft de afvalwaterinjecties in Twente. Er ligt een aangenomen motie van collega Agnes Mulder om die op te schorten en de staatssecretaris schort ze niet op. In antwoord op de Kamervragen kregen wij niet de lijst met alle overtredingen van de waarden van bijvoorbeeld CO2 en tolueen die de grond in gegaan zijn. Daar vragen we al weken om.

De voorzitter:
U wilt een debat.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Ik wil vanavond gewoon de hele lijst met overtredingen van de afgelopen tien jaar en daarna wil ik een interpellatiedebat hierover met de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.

De voorzitter:
Dank u wel. We gaan kijken of er steun is voor een interpellatiedebat. Allereerst mevrouw Bromet, GroenLinks, en daarna de heer Van Raan, Partij voor de Dieren.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter, twijfel bij GroenLinks. Het is een belangrijk onderwerp, maar waarom niet een gewoon debat?

De voorzitter:
Dus geen steun voor het debat. De heer Kops, PVV.

De heer Kops (PVV):
Steun.

De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter, steun.

De heer Dassen (Volt):
Steun, voorzitter.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Steun.

De heer Nijboer (PvdA):
Tussen de doekjes door. Ik heb een voorkeur voor een gewoon debat, want dan kan iedereen zijn inbreng doen.

De voorzitter:
Dus geen steun voor een interpellatie.

De heer Nijboer (PvdA):
Nou ja, ik heb liever ... Ik steun het wel, maar ik heb de voorkeur voor een gewoon debat.

De voorzitter:
Oké. Steun, maar voorkeur voor een ...

Mevrouw Kamminga (VVD):
Voorzitter. In mijn beleving staat er al een schriftelijk overleg over dit onderwerp gepland en is er ook volgende week al een commissiedebat. Dus ik zou toch willen voorstellen om het daarbij te voegen.

De heer Van Meijeren (FVD):
Steun voor het verzoek.

De heer Van Baarle (DENK):
Het kan snel in de commissie. Ook namens DENK de voorkeur voor een gewoon debat. Dus geen steun.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Ik sluit me aan bij de collega van DENK.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Ook namens D66 geen steun.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter, u ging net iets te snel. Ik steun het verzoek wel.

De voorzitter:
U steunt het wel. Oké, dat mag.

De heer Peters (CDA):
En ik niet.

De voorzitter:
Dat mag ook.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wel.

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter. De SP-fractie heeft liever een gewoon debat hierover.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Hetzelfde, voorzitter: liever een gewoon debat.

De voorzitter:
Er is steun voor een interpellatiedebat. Er is geen steun van een meerderheid maar wel voor een interpellatiedebat. Uw tweede verzoek, meneer Omtzigt.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Dank u wel. En ik neem aan dat wij de gevraagde gegevens vanavond nog krijgen, want die zijn input voor het schriftelijk overleg waar de collega van D66 terecht aan refereerde.

De voorzitter:
We zullen dit doorgeleiden naar het kabinet.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Het tweede verzoek. Dit weekend bleek in één keer zowel op NU.nl als in antwoord op schriftelijke vragen waar mevrouw Agema al aan refereerde, dat er proportionaliteitsberekeningen bestaan of -toetsen over de grondrechten. Nu hebben ongeveer zeven partijen in deze Kamer gevraagd om die toets op grondrechten te hebben tijdens het debat over de verlenging van onder andere het coronatoegangsbewijs en andere zaken die de grondrechten heel hard raken. Ik zou eigenlijk die proportionaliteitsberekeningen vanavond nog in de Kamer willen zien, zodat ze morgen bij een schriftelijk overleg betrokken kunnen worden …

De voorzitter:
U wilt een debat.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
… want die hadden hier gewoon moeten zijn. Daarna wil ik daar een debat over.

Mevrouw Agema (PVV):
Voorzitter. Ik heb gisteren dit verzoek gedaan in een e-mailprocedure. Daarin heb ik steun gekregen van de heer Omtzigt. Ik heb ook steun gekregen in die e-mailprocedure. Dus ik verwacht dat die proportionaliteitstoets per omgaande naar de Kamer komt, zodat we die kunnen betrekken bij het debat de komende week. Ik wil natuurlijk ook een debat steunen, hoor. Dat zal ik ook doen, maar dat debat vindt dan plaats over maanden. Dus ik zou eerst zeggen: hartelijk dank voor het steunen van de e-mailprocedure, zodat we de proportionaliteitstoets per omgaande naar de Kamer krijgen en die bij het debat van komende week kunnen betrekken.

De heer Van der Staaij (SGP):
Steun, met de kanttekening van mevrouw Agema.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Wat mij betreft komen alle stukken zo snel mogelijk deze kant op. De voorkeur van DENK is om het dan zo snel mogelijk te bespreken. Dat kan waarschijnlijk volgende week, want dan staat er een coronadebat op de rol.

De voorzitter:
Dat is correct. De heer Van Meijeren, Forum voor Democratie, en dan de heer Alkaya, SP.

De heer Van Meijeren (FVD):
Steun.

De heer Alkaya (SP):
Steun.

De heer Van Raan (PvdD):
Steun.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Steun en wat ons betreft dan ook betrekken bij het coronadebat van volgende week.

De voorzitter:
Maar steunt u ook een apart debat of wilt u het betrekken bij het debat van volgende week?

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Nou nee, wat ons betreft betrekken we het gewoon bij het debat van volgende week.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Steun.

De heer Dassen (Volt):
Steun om het te betrekken bij het debat van volgende week.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Ik zou ook willen voorstellen om het te betrekken bij het debat van volgende week.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Geen steun voor een apart debat maar wel voor volgende week.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Graag betrekken bij het debat van volgende week, voorzitter.

De heer Bontenbal (CDA):
Betrekken bij het debat volgende week.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Ook betrekken bij het debat volgende week.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het staat natuurlijk altijd vrij om het bij het debat van volgende week te betrekken, maar ik steun het verzoek van de heer Omtzigt om hier een apart debat over te houden.

De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, maar wij zullen in ieder geval het informatieverzoek, ook gesteund door een aantal collega's, doorgeleiden naar het kabinet.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Voorzitter. Veel dank daarvoor. Mijn verzoek is dat alle proportionaliteitsberekeningen die de afgelopen maand gedaan zijn en zeker die die voor de verlenging gedaan zijn, vanavond komen. Richting mevrouw Agema: dit verzoek had ik al voor de e-mailprocedure ingediend, maar dan is het nog niet openbaar. Daarom heb ik u wel gesteund bij de e-mailprocedure. Dat is gewoon hoe het gaat. En ik snap dat het volgende week bij het debat betrokken wordt. Dat is prima.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Omtzigt. Dan gaan we naar de heer Markuszower van de PVV.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Je zou zeggen dat de taak van de minister van Justitie en Veiligheid is om Nederland veilig te houden, maar in plaats daarvan haalt ze vijf terroristen en heel veel van die terroristische kinderen onverplicht en vrijwillig terug naar Nederland. Ik wil graag met spoed een debat om dit grote gevaar af te wenden voor Nederland.

De voorzitter:
Is daar steun voor? Ik kijk even.

De heer Van Meijeren (FVD):
Van harte steun, voorzitter.

De heer Alkaya (SP):
Geen steun.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Steun.

De heer Van Baarle (DENK):
Geen steun, voorzitter.

De heer Dassen (Volt):
Geen steun.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Geen steun, voorzitter.

De heer Peters (CDA):
Geen steun.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Geen steun.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Steun, voorzitter. Ik zou ook graag van de regering willen weten of de mannelijke partners van deze vijf het recht krijgen om hier te komen, naar aanleiding van het feit dat ze hierheen gehaald zijn. De kinderen van deze moeders hebben natuurlijk ook ergens een vader.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Geen steun.

De heer Eerdmans (JA21):
Voorzitter. Steun voor het verzoek en ook voor dat van de heer Omtzigt. Wat meer duiding vanuit het kabinet over deze gang van zaken zou ik heel graag daarbij hebben.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Voorzitter, geen steun.

De heer Van der Staaij (SGP):
Steun, voorzitter.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Geen steun, voorzitter.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik had liever dat de heer Markuszower niet "terroristische kinderen" had gezegd, want het zijn kinderen. Maar ik steun wel het verzoek voor het debat.

De voorzitter:
Dank u wel. U heeft geen meerderheid voor uw verzoek, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
Kan ik wel, via de voorzitter, verzoeken om zo'n brief, met de suggesties zoals gedaan door enkele Kamerleden?

De voorzitter:
Dank u wel. Ik zal dit doorgeleiden naar het kabinet.

Dan geef ik het woord aan de heer Eerdmans van JA21.

De heer Eerdmans (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Er wordt steeds meer bekend over de gezondheidsrisico's van de megawindturbines in ons land. We hebben daar van de week een rondetafel over gehad. Er lopen allemaal plannen om meer van die turbines te plaatsen, zoals we weten, zelfs tot binnen een afstand van 1 kilometer. Zo'n 55.000 woningen zullen daarmee worden geconfronteerd. Wij worden pas aan het einde van het jaar geïnformeerd over de afstandsnormen, die door het nieuwe kabinet worden veranderd. We zijn natuurlijk zeer benieuwd naar welke afstandsnormen dat zullen worden. Wij hebben bij JA21 alle reden om het debat te voeren met de minister en de staatssecretaris, moet ik erbij zeggen, van Infrastructuur en Waterstaat en de minister voor Klimaat en Energie. Ik wil hier zo snel mogelijk over praten.

De voorzitter:
Dank u wel. We gaan kijken of daar steun voor is.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Ik heb van mijn fractievoorzitter, die ook fungerend voorzitter van de commissie voor EZK is, gehoord dat in de commissie voor EZK genoeg mogelijkheid is om dit te bespreken. Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Kops (PVV):
We moeten van windturbines af, dus steun voor het debat.

De heer Van der Staaij (SGP):
Steun voor dit debat.

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter. De SP zal het inderdaad bespreken bij een van die commissiedebatten in de commissie Klimaat en energie.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter. Het wordt voortdurend besproken in de commissiedebatten, maar het is een bijzonder belangrijk onderwerp. Het is dus ook weleens goed om er plenair over te praten.

De voorzitter:
Dus u steunt het verzoek.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Steun, voorzitter.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Geen steun. Het kan wat ons betreft in een commissiedebat.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Ik sluit me aan bij de collega van D66.

De heer Dassen (Volt):
Geen steun. Het kan in een commissiedebat.

De heer Bontenbal (CDA):
We hebben een hele lijst met allerlei ingewikkelde, technische debatten. Ik hoop u daar graag een keer te zien, om over de details te praten.

De voorzitter:
Dus geen steun voor het debat, geloof ik.

De heer Van Meijeren (FVD):
Steun.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Geen steun, voorzitter.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Steun.

De voorzitter:
Er is geen meerderheid voor uw verzoek.

Dan geef ik het woord aan de heer Tony van Dijck van de PVV. Gaat uw gang.

De heer Tony van Dijck (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Ik wil graag een debat met de minister van Financiën over de torenhoge inflatie van 7,6%. We hebben afgelopen zondag Klaas Knot kunnen horen. Die inflatie blijft voorlopig nog wel onder ons. Het kabinet schuift het vooruit, wil het er in de Voorjaarsnota over hebben en wil iets beslissen over de koopkracht in 2023. Dat is veel te laat wat de PVV betreft. De mensen hebben nu problemen. Het water staat hun tot aan de lippen, dus laten we snel een debat hebben over dit probleem.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. De fractie van DENK nodigt de heer Van Dijck van harte uit bij het debat over de Startnota, dus geen steun.

De voorzitter:
Geen steun voor het debat.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter. Op het gevaar af dat wij denken dat we er ongelofelijk veel aan kunnen doen, steun ik toch het debat.

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter. Ik steun het ook. Ik zal het bij het debat over de Startnota ook zeker aan de orde stellen, maar dan heb ik maar vier minuten om het over alles te hebben. Dus ook steun voor een apart debat.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Steun, voorzitter. Als het mogelijk is, zou ik het fijn vinden om ook de minister voor Armoedebeleid erbij te betrekken, want heel veel mensen zakken door de bodem.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, geen steun. Het kan deze week besproken worden.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Voorzitter, geen steun. We hebben donderdag het debat over de Startnota. U noemde zelf ook al de Voorjaarsnota, dus er zijn twee momenten om het te bespreken.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Ik sluit me aan bij de twee vorige sprekers.

De heer Bontenbal (CDA):
Daar sluit ik me ook bij aan.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Steun en ook steun om daar vooral het ECB-beleid bij te betrekken, want het debat daarover proberen we hier al anderhalf jaar te plannen. Het valt iedere keer van de agenda af, maar het wordt steeds urgenter dat we het een keer hebben over hoe we daar nu tegen aankijken.

De heer Dassen (Volt):
Steun, voorzitter.

De heer Van Meijeren (FVD):
Steun.

De heer Nijboer (PvdA):
Voorzitter. We hebben donderdag natuurlijk het debat over de Startnota. Het debat over de Voorjaarsnota is pas in juli. Als je nog iets van invloed wilt hebben op de begroting voor volgend jaar en op de besluitvorming, dan vind ik het goed om daar tussendoor nog een debat over te plannen. Om een beetje richting te geven voor uw agenda: eind maart, begin april.

De voorzitter:
Dus u steunt het debat. U heeft zelfs al een maand in gedachten.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Steun voor het verzoek. Ik zou ook graag de minister voor Armoedebeleid erbij willen hebben.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Steun.

De voorzitter:
U heeft geen meerderheid voor uw verzoek.

De heer Tony van Dijck (PVV):
Mag ik nog iets zeggen? Het is wel opvallend dat de hele coalitie hiertegen is, terwijl de hele oppositie het probleem ziet dat mensen hun rekeningen niet kunnen betalen. De hele coalitie zegt: nou jongens …

De voorzitter:
We gaan niet debatteren. We gaan niet debatteren.

De heer Tony van Dijck (PVV):
… tot zover de nieuwe bestuurscultuur.

De voorzitter:
We gaan niet debatteren. Dit is een regeling van werkzaamheden. Ik geef het woord aan de heer Van Baarle van DENK.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Een Turks-Nederlands gezin in Giethoorn heeft een jaar lang te maken gehad met racisme en discriminatie. Het bleek dat het OM, de politie en de gemeente onvoldoende hebben gedaan om deze familie te helpen. Ze hebben enorm veel last gehad van deze racisme- en discriminatieproblematiek.

Voorzitter. Er staan nog twee andere verzoeken rakend aan hetzelfde onderwerp op de agenda van de regeling. Ik zou eigenlijk willen voorstellen die te bundelen en het kabinet in reactie op deze incidenten willen verzoeken om een brief, waarin het kabinet ook met een visie komt op hoe we de ketenbrede aanpak van racisme en discriminatie de komende tijd gaan verbeteren. Daar zou ik graag het debat over voeren met de minister van JenV en de minister van Binnenlandse Zaken.

De voorzitter:
Een vraag: u wilt een brief over de drie verzoeken die u heeft gedaan, maar ook één debat? Of drie verschillende debatten?

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Het zijn eigenlijk incidenten die staan voor een breder probleem. Wat mij betreft moet de familie in Giethoorn zo snel mogelijk geholpen worden. Daar wil ik een aparte reactie op, maar de rest van de discussie gaat eigenlijk over de ketenbrede aanpak van discriminatie.

De voorzitter:
De aanpak van racisme en discriminatie. Dan leg ik dat op die manier voor.

Mevrouw Belhaj (D66):
Voorzitter. D66 is zich kapot geschrokken naar aanleiding van de uitzending van Zembla over hoe deze mevrouw en haar zoon behandeld zijn. We steunen dan ook het verzoek om een debat hierover, evenals de twee andere debatverzoeken. Mijn complimenten voor het idee om alle drie de debatten gewoon ineen te schuiven. We hopen dat het beloond zal worden door middel van een snelle behandeling.

De voorzitter:
We gaan eerst kijken of er voldoende steun is.

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter. Als de heer Van Baarle niet zelf met het verzoek was gekomen, dan had ook ik voorgesteld om het te bundelen en om een brief te vragen aan het kabinet in reactie op deze drie incidenten. Ik zou alleen willen vragen om die brief voor het commissiedebat Discriminatie te sturen. Dat debat is al veel sneller en is al ingepland. Als die brief snel komt, dan kan dat besproken worden in het commissiedebat Discriminatie.

De voorzitter:
Dus u steunt niet een debat? Nee? De heer Peters van het CDA.

De heer Peters (CDA):
Ik kan het niet beter zeggen dan de SP.

De voorzitter:
Dus geen steun.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Steun voor het voorstel zoals meneer Van Baarle dat heeft gedaan.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, wij ondersteunen de lijn van de SP.

De voorzitter:
Dus geen steun, maar betrekken bij een commissiedebat.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Voorzitter. Steun voor beide verzoeken van de heer Van Baarle, want zo veel incidenten zijn misschien wel helemaal geen incidenten. We moeten dit breed bespreken.

De voorzitter:
Steun.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter, steun van GroenLinks.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Voorzitter. Ik zou willen voorstellen om dit in het commissiedebat te doen. Dat gaat volgens mij ook het snelst.

De heer Dassen (Volt):
Steun.

De heer Van Raan (PvdD):
Steun voor het voorstel van de heer Van Baarle.

De heer Van der Staaij (SGP):
Ook steun voor de suggestie van de SP.

De voorzitter:
Dus betrekken bij een commissiedebat.

De heer Nijboer (PvdA):
Van harte steun.

De voorzitter:
Steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ook steun, als het inderdaad in mekaar geschoven wordt. Dan wordt het gewoon een institutioneelracismedebat, denk ik. Dat is handig, want dan kan je alles bij mekaar pakken.

De voorzitter:
Meneer Van Baarle, u heeft geen meerderheid voor uw verzoek. Maar wij zullen wel het informatieverzoek doorgeleiden naar het kabinet. Ik dank u wel.

De heer Van Baarle (DENK):
Dan maak ik toch graag gebruik van de mogelijkheid om een dertigledendebat op de lijst te zetten.

De voorzitter:
Dat mag; dat gaan we doen.

Dan gaan we naar de heer Van Meijeren van Forum voor Democratie.

De heer Van Meijeren (FVD):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Afgelopen week zijn er ernstige misstanden aan het licht gekomen omtrent de gang van zaken bij het vaccineren van kinderen. Het blijkt dat de GGD wettelijke en procedurele voorschriften aan de laars lapt omtrent informed consent en de regels op het gebied van het ouderlijk gezag, en zelfs kinderen onder druk zet met desinformatie en andere technieken om zich vooral te laten injecteren.

De voorzitter:
En u wilt een debat?

De heer Van Meijeren (FVD):
Wat heel belangrijk is, nog schokkender dan deze ...

De voorzitter:
Nee, het gaat niet om ... U wilt een debat?

De heer Van Meijeren (FVD):
Nou, over de reactie daarop van de GGD.

De voorzitter:
Nee, wacht ... Ja, maar het gaat om een debatverzoek?

De heer Van Meijeren (FVD):
Maar ik wil graag even toelichten waar ik een debat over wil.

De voorzitter:
Ja.

De heer Van Meijeren (FVD):
Ik zou graag een debat willen over de reactie van de GGD, die in plaats van beterschap te beloven heeft aangegeven dat wij knip-en-plakwerk zouden hebben geleverd, wat aantoonbaar onjuist is. Het gaat hier om het belang van kinderen. De GGD staat niet boven de wet, dus we moeten hier de onderste steen boven krijgen en zorgen dat die misstanden zo snel mogelijk worden opgelost.

De voorzitter:
Dank u wel. Gaat uw gang, mevrouw Agema.

Mevrouw Agema (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb de beelden gezien; ik hoop iedereen hier. Het is stuitend en schokkend hoe er tegen kinderen gesproken wordt en hoe ze met leugens worden gemanipuleerd. Ik ben daar heel erg van geschrokken. Als we het voor elkaar zouden kunnen krijgen, zou ik daar natuurlijk het liefst deze week nog over debatteren, maar ik denk niet dat dat gaat gebeuren. We zouden het volgende week kunnen betrekken bij het coronadebat. Maar wij steunen in ieder geval de debataanvraag en vragen om een reactie van de regering hierop.

De voorzitter:
Steun.

De heer Van der Staaij (SGP):
Wij steunen het verzoek om dit aan de orde te hebben in het coronadebat volgende week. Dat lijkt ons de slimste manier. Het zou goed zijn als er ook nog schriftelijk op gereageerd wordt in de brief die we dan ook krijgen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Nee, geen steun, voorzitter. Dit was een zelfgemaakt filmpje en het lijkt me niet nodig hier een apart debat over te hebben.

De heer Peters (CDA):
Ik volg de heer Van der Staaij.

De heer Dassen (Volt):
Ik sluit me aan bij mevrouw Westerveld, voorzitter.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Geen steun.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Westerveld: geen steun.

De voorzitter:
De heer Ceder, ChristenUnie, en dan mevrouw Van der Plas, BBB.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik sluit me aan bij het CDA en de SGP.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Steun voor dit verzoek. Dit lijkt me nou juist iets om een debat over te voeren om te kijken of het allemaal klopt en om dan niet te zeggen: geen debat. Want dan blijft bij mensen altijd de mist hangen. Ik zou er wel een debat over willen.

De voorzitter:
U steunt het.

De heer Alkaya (SP):
Geen steun.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Geen steun.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Steun voor de lijn van de SGP.

De voorzitter:
Dank u wel. Er is geen meerderheid voor uw verzoek, maar wij zullen de informatie wel doorgeleiden naar het kabinet. Dat is ook gesteund door een aantal fracties.

De heer Van Meijeren (FVD):
Kennelijk heeft de meerderheid van de Kamer er geen problemen mee dat er onrechtmatig inbreuk gemaakt wordt op de lichamelijke integriteit van het kind. Daar gaan we het volgende week over hebben.

De voorzitter:
U gaat geen debat … Volgende week is het coronadebat en dan zal het waarschijnlijk aan de orde komen, als u dat wil.

Dan geef ik het woord denk ik niet aan mevrouw Koekkoek, maar aan de heer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. Ik doe slechts een vooraankondiging voor een tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat EU-Informatievoorziening.

De voorzitter:
Fijn dat u dat laat weten. Ik neem aan dat daar geen bezwaar tegen is.

Dan gaan we naar mevrouw Westerveld van GroenLinks.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Voorzitter. Gisteren hadden we met een aantal leden van de commissie een heel goed gesprek met een aantal jongeren over hun ervaringen in de gesloten jeugdzorg. Er schoven ook deskundigen aan. In NRC stond een goed artikel over hoe het ook anders kan. Daarom zou ik graag een debat willen met de staatssecretaris van VWS, specifiek over gesloten jeugdzorg en hoe we die zouden kunnen afbouwen en op betere alternatieven kunnen overgaan.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk of daar steun voor is.

Mevrouw Agema (PVV):
Ja, ik wil dat wel steunen, voorzitter, maar ik heb ook echt behoefte aan een brief van de regering over "wat dan?" Want dit zijn natuurlijk meestal kinderen met een gedragsstoornis. Ze kunnen niet even naar opa en oma of naar oom en tante. Als je dan een gesloten jeugdzorg sluit, waar gaan ze dan naartoe? Ze hebben in eerste instantie behandeling nodig, maar ik heb wel behoefte aan "wat dan?"

De voorzitter:
Een brief.

De heer Peters (CDA):
Daar heeft mevrouw Agema gelijk in. Tijdens het WGO voor de kerst heb ik samen met de Partij van de Arbeid een motie ingediend die specifiek ging over het afbouwen van gesloten jeugdzorg en de opbouw van iets anders. Ik zou dus ook antwoord willen krijgen op de vraag hoe die unaniem aangenomen motie wordt uitgevoerd. Dan steun ik het zeker.

De voorzitter:
U steunt in ieder geval het debat, maar eerst de informatie.

De heer Van der Staaij (SGP):
Voorzitter. Ook ik steun het verzoek van mevrouw Westerveld. Zoals collega Peters al zei, is hier een motie over aangenomen. Wij vinden het dus ook heel belangrijk dat daar goed over gerapporteerd wordt en dat we de vinger nu echt aan de pols houden en zien wat er gebeurt. Zo'n debat kan daar ook behulpzaam bij zijn.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Er is een motie aangenomen. Volgens mij heeft staatssecretaris Van Ooijen vorige week aangegeven met een plan te komen. Wij willen graag een debat, maar we zouden dat wel eerst willen afwachten, zodat we een zuivere discussie met elkaar kunnen voeren.

De voorzitter:
Steun voor het debat, maar eerst de informatie.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Steun, voorzitter.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Ook steun voor het debat en inderdaad voorafgaand graag een brief.

De voorzitter:
De heer Van Raan, Partij voor de Dieren, ook namens BIJ1.

De heer Van Raan (PvdD):
Mede namens BIJ1 steun.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Ook steun voor het debat en eerst een brief.

De heer Van Meijeren (FVD):
Steun voor het debat en de brief.

De heer Van Baarle (DENK):
Steun, voorzitter.

De heer Dassen (Volt):
Steun.

De heer Alkaya (SP):
Steun; en de PvdA steunt het ook.

De voorzitter:
Steun, ook namens de PvdA.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Mede namens JA21 en BBB steun.

De voorzitter:
U heeft een meerderheid voor uw verzoek, mevrouw Westerveld.

U heeft nog een tweede verzoek.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ja, dat klopt. Normaal gesproken debatteerde de Kamer altijd in december over de implementatie van het VN-Gehandicaptenverdrag. Dat hebben we nu al twee jaar niet gedaan en het gaat helemaal niet goed met de implementatie. Er staat al een meerderheidsdebat gepland. Dat staat op de lijst, maar is nog niet ingepland. Ik zou heel graag willen dat we ergens dit voorjaar een debat gaan voeren over de implementatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de evaluatie daarvan die al naar de Kamer is gestuurd.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even of daar steun voor is of dat er iemand is die het daar niet mee eens is. Meneer Omtzigt.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Ik ben het hier roerend mee eens, maar ik denk dat je het nieuwe kabinet dan voor die tijd ook moet vragen wat het gaat doen. We zien een enorme achterstand bij de implementatie. Dan wil ik van de ministers op het gebied van vervoer, onderwijs en jeugd weten hoe we dit gaan implementeren. Anders wordt het een jaarlijks ding. Daarna zou ik het graag ergens in dit voorjaar willen inplannen.

Mevrouw Agema (PVV):
Ik was even op zoek naar de motie waar we eerder vandaag over hebben gestemd. Ik vroeg me af of die eigenlijk aangenomen is en wat de minister daar dan mee gaat doen, want het is waar: voor 2028 zou alles toegankelijk zijn en ik zie dat maar niet gebeuren. Steun dus voor het verzoek van mevrouw Westerveld.

De voorzitter:
En informatie?

Mevrouw Agema (PVV):
Ja, graag ook informatie over wat het plan de campagne eigenlijk gaat worden.

De voorzitter:
We zullen dit sowieso doorgeleiden naar het kabinet.

De heer Dassen (Volt):
Steun.

De heer Van der Staaij (SGP):
Steun.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Ik denk dat het belangrijk is om het snel in te plannen en samen te voegen met het debat dat nog op de rol staat. Ik heb ook begrepen dat er nog een rapport van de Raad van State zou komen, als het goed is. Misschien is het goed om dat er ook bij te betrekken en het daarna te plannen.

De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een goede dag, want u heeft ook een meerderheid voor uw verzoek. Wij zullen de informatie doorgeleiden.

Dan geef ik het woord aan de heer Erkens van de VVD.

De heer Erkens (VVD):
Op korte termijn staat er met de nieuwe bewindspersoon een debat gepland over de Klimaatnota. Sindsdien is er een coalitieakkoord gekomen, dus ik stel voor om het debat te verbreden naar de klimaatplannen van de nieuwe regering en om de spreektijd te verlengen naar vijf minuten.

De voorzitter:
Ik kijk even of daar bezwaar tegen is. Daar zijn meerdere bewindspersonen bij, dus dat betekent wel dat het een lang debat wordt. Ik zeg het er maar alvast bij. We gaan kijken of dat mogelijk is. We gaan kijken naar de agenda. We gaan het dus doen. Er is steun voor.

De heer Kops.

De heer Kops (PVV):
Voorzitter. Biomassa, u weet wel, "het opstoken van bomen", wordt klimaatneutraal genoemd, terwijl er bij biomassa niet minder maar meer uitstoot vrijkomt dan bij kolen en gas. Zo is er vorig jaar maar liefst 814 miljoen euro verspild aan biomassa. Dat geld is letterlijk in rook opgegaan. We moeten daar simpelweg vanaf, voorzitter. Het is niets anders dan geldverslindend, natuurvernietigend nepklimaatbeleid. Daar moet een eind aan komen. Heel graag dus een debat met de minister voor Klimaat en Energie.

De voorzitter:
Dank u wel. Is daar steun voor? De heer Van Raan van de Partij voor de Dieren zwaait naar mij. Steunt u het debat? Ja, hij steunt het debat.

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter. Precies dit standpunt is natuurlijk perfect in te brengen in het debat dat zojuist door de VVD is uitgebreid met veel spreektijd. Dat gaat over het kabinetsbeleid over klimaat. Geen steun dus voor een apart debat.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Voorzitter. Het heeft ook mijn voorkeur om dat bij dat grote klimaatdebat te doen, maar ik zou wel één heel specifiek punt willen hebben. We weten nu hoeveel er uitgegeven is. Ik wil eigenlijk nog komende week een precies lijstje met hoeveel er al juridisch verplichtend aan subsidies toegezegd is voor de komende jaren. Wat is het beleid om dat te stoppen? Want als we er iedere keer achter komen, zijn we te laat.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter, genoeg mogelijkheden om dit eerder te bespreken op een andere plek, dus geen steun.

De heer Bontenbal (CDA):
Binnenkort is er groot debat waar dit bij kan. De lijstjes met overzichten van beschikkingen, ook van hoeveel geld er naar biomassa is gegaan, zijn volgens mij beschikbaar.

De heer Dassen (Volt):
Dit kan bij een ander debat, voorzitter.

Mevrouw Kamminga (VVD):
Ook geen steun, onder verwijzing naar het vorige punt.

De heer Van Meijeren (FVD):
Steun voor een apart debat.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Geen steun. Dit kan bij het andere debat.

De voorzitter:
Bij het klimaatdebat.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik denk dat mijn steun niet doorslaggevend zal zijn, maar ik steun het debat.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit kan bij het andere debat, voorzitter.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Daar sluit ik me bij aan, voorzitter.

De heer Van der Staaij (SGP):
Voorzitter. Ik ben voor vandaag ook door mijn quotum voor aparte debataanvragen heen, dus ook akkoord om het bij het klimaatdebat te betrekken.

De voorzitter:
Er is geen steun, maar veel mensen zeggen wel: betrek het bij het grote klimaatdebat. We zullen wel de informatieverzoeken die gedaan zijn, doorgeleiden.

De heer Kops (PVV):
Dan gaan we dat doen. Dank u.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze regeling van werkzaamheden, waarvoor dank. Ik schors de vergadering voor een enkel moment. Dan gaan we daarna van start met een aantal tweeminutendebatten.

De vergadering wordt van 16.02 uur tot 16.09 uur geschorst.

Terrorisme/extremisme

Voorzitter: Martin Bosma

Terrorisme/extremisme

Aan de orde is het tweeminutendebat Terrorisme/extremisme (CD d.d. 26/01).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Terrorisme/extremisme. Uw commissiedebat vond plaats op 26 januari jongstleden. Een hartelijk woord van welkom aan de minister. Fijn dat u bij ons bent. We maken er een interessante dag van, of eigenlijk meer een avond. Er hebben zich zes deelnemers gemeld van de zijde van de Kamer. Mevrouw Koekkoek was niet bij het commissiedebat, maar verzoekt om toch mee te kunnen doen aan dit plenaire debat. Ik stel voor haar daarvoor toestemming te verlenen, mits ze het erg kort houdt.

Dan geef ik graag als eerste het woord aan de eerste spreker van de zijde van de Kamer. Dat is de heer Markuszower, van de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Hij heeft zoals iedereen twee minuten spreektijd. Het woord is aan hem.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik zal gelijk mijn moties voorlezen, die ik mede namens de heer Wilders indien. De eerste gaat erover dat wij graag willen dat de regering de beveiliging van de Joodse gemeenschap niet afschaalt, maar gewoon weer terugzet op een acceptabel niveau. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de statische inzet van de Koninklijke Marechaussee (KMar) bij de Joodse instellingen onlangs is afgeschaald;

constaterende dat hierdoor de Joodse gemeenschap blootgesteld wordt aan onverantwoorde veiligheidsrisico's;

verzoekt de regering de beveiliging van synagogen en Joodse scholen per direct terug te brengen op het oude niveau,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Markuszower en Wilders.

Zij krijgt nr. 627 (29754).

De heer Markuszower (PVV):
Dan de volgende motie en die gaat over de uitreizigers. We willen graag dat de minister Nederland veilig houdt en niet allemaal terroristen vrijwillig en onverplicht naar Nederland importeert.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat constaterende dat uitreizigers een grote bedreiging vormen voor de nationale veiligheid;

constaterende dat uitreizigers in Nederland gemiddeld 2,5 jaar en nooit langer dan 4 jaar celstraf opgelegd krijgen;

verzoekt de regering geen enkele uitreiziger, alsmede hun eventuele kinderen, toe te laten op Nederlandse bodem;

verzoekt de regering alle gerepatrieerde uitreizigers, alsmede hun eventuele kinderen, terug te sturen naar het land waarnaar zij uitgereisd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Markuszower en Wilders.

Zij krijgt nr. 628 (29754).

Dank u wel. Dan mevrouw Van der Werf van de fractie van D66.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Voorzitter. Hier kunnen we IS-gangers berechten en blijven volgen. Laten we mensen daar, dan dreigen ze onder hun straf uit te komen en ook onder de radar terug te keren. Ik heb dat in het kleine jaar van mijn Kamerlidmaatschap al tig keer gezegd maar blijf het herhalen. Niet wegkijken, niet de makkelijkste weg kiezen maar verantwoordelijkheid nemen en kiezen voor effectief veiligheidsbeleid.

Ik was dan ook blij toen ik vorige week het bericht kreeg over vijf terroristen die niet onder hun straf uitkomen en elf kinderen die hun toekomst weer terugkrijgen. Tegelijkertijd besef ik dat terughalen slechts het begin is. Nu pas wordt onze rechtsstaat op de proef gesteld. De Raad voor de Kinderbescherming vertelde dat de kinderen bij aankomst direct goed zijn opgevangen. Ik hoor graag van de minister in hoeverre ook gemonitord wordt hoe het hen de komende jaren zal vergaan. De vrouwen worden opgenomen op de terroristenafdeling van de p.i. in Zwolle. Ik begrijp dat daar capaciteit is voor tien personen maar dat uitbreiding snel gerealiseerd kan worden. In hoeverre kan deze afdeling die uitbreiding daadwerkelijk aan? En hoe voorkomen we dat verdachten of veroordeelden verder radicaliseren doordat ze samen opgesloten zitten?

We weten ook dat de bewijsvoering in dit soort zaken ingewikkeld is. In het commissiedebat zei de minister toe om voor de zomer met een update te komen over de vraag of het Team Internationale Misdrijven daar voldoende voor uitgerust is. In het licht van de toegenomen urgentie vraag ik haar of zij daar nu wellicht al iets meer over kan zeggen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Michon-Derkzen van de VVD. Zij ziet af van haar spreektijd. De heer Azarkan dan, van DENK.

De heer Azarkan (DENK):
Dank, voorzitter. Ik heb een tweetal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de NCTV de heimelijke infiltratieonderzoeken door een commercieel consultancybureau heeft bekostigd en gemeentes heeft geadviseerd om dat bureau in te schakelen om Nederlandse moslims en moskeeën te bespioneren;

constaterende dat de werkwijze van de NCTV onrechtmatig was en regionale moskeekoepels een formele klacht hebben ingediend bij de CTIVD;

constaterende dat dit heeft geleid tot het opzeggen van het vertrouwen en de samenwerking met de gemeenten is stopgezet;

constaterende dat volgens de minister van JenV deze gemeenschappen essentieel zijn in de preventie van radicalisering;

overwegende dat de gemeente Zoetermeer en Leidschendam-Voorburg inmiddels excuses hebben gemaakt voor de heimelijke onderzoeken;

verzoekt de minister van JenV om excuses aan te bieden aan alle getroffen moskeeën en de Nederlandse moslimgemeenschap voor het onrechtmatig handelen door de NCTV en met een plan van aanpak te komen om het vertrouwen te herstellen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan.

Zij krijgt nr. 629 (29754).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een reële dreiging is door de opkomst van rechts-extremisme en dat de NCTV een aanslag uit rechts-extremistische hoek "voorstelbaar" noemt;

constaterende dat honderden Nederlandse jongeren van 12 tot 20 jaar aanhangers zijn van een internationale rechts-extremistische beweging die een internationale rassenoorlog wil ontketenen en het gebruik van terroristisch geweld hierbij verheerlijkt;

overwegende dat alle vormen van terrorisme en extremisme bestreden moeten worden;

verzoekt de regering om met een actieprogramma integrale aanpak van rechts-extremisme te komen om dit te bestrijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan.

Zij krijgt nr. 630 (29754).

Dank u wel. Dan de heer Van Nispen van de Socialistische Partij.

De heer Van Nispen (SP):
Dank u wel. Twee moties van onze kant.

De eerste gaat over de opsporing, vervolging en berechting van terrorisme en internationale misdrijven, en het daarbij betrekken van de jezidigemeenschap.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er grote zorgen zijn binnen bijvoorbeeld de gemeenschap van jezidi's over de opsporing, vervolging en berechting van terrorisme en andere internationale misdrijven;

overwegende dat het van groot belang is om de gemeenschap van jezidi's actief te betrekken, omdat dat van belang is voor het verzamelen van bewijs voor de strafprocessen, en omdat het een overheidsplicht is om te zorgen voor gerechtigheid en het voorkomen van straffeloosheid bij dit soort gruwelijke misdrijven;

overwegende dat gekeken zou kunnen worden naar de praktijk in andere landen zoals bijvoorbeeld Duitsland om mogelijk van te leren;

verzoekt de regering te bezien hoe organisaties die zich inzetten voor slachtoffers van oorlogsmisdrijven actiever kunnen worden ondersteund;

verzoekt de regering voorts op zo kort mogelijke termijn te onderzoeken wat er te verbeteren valt in de praktijk van de opsporing, vervolging en berechting van terroristische en internationale misdrijven en in ieder geval de gemeenschap van jezidi's actief te betrekken en te benaderen om verhalen en getuigenissen op te halen ten behoeve van de bewijsverzameling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Kuik.

Zij krijgt nr. 631 (29754).

De heer Van Nispen (SP):
Dan de tweede motie. Die gaat over het verwerken van passagiersgegevens, de PNR.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onderzoekers van het WODC niet vast hebben kunnen stellen of criminaliteit en terrorisme voorkomen worden met het verwerken van passagiersgegevens op intra-EU-vluchten;

tevens constaterende dat de precieze rol en het belang van passagiersgegevens in strafrechtelijke onderzoeken niet vast is komen te staan;

overwegende dat het Europese Hof van Justitie binnenkort met een belangrijke uitspraak komt inzake de wettigheid van het PNR-systeem;

van mening dat de meerwaarde van PNR-gegevens op intra-EU-vluchten niet duidelijk is en het goed zou zijn om te wachten op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie of het PNR-systeem wel in lijn is met EU-wetgeving;

verzoekt de regering op dit moment nog geen besluit te nemen over het verlengen van het verwerken van PNR-gegevens op intra-EU-vluchten en met een dergelijke beslissing te wachten tot na de uitspraak van het Europese Hof van Justitie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Van Ginneken.

Zij krijgt nr. 632 (29754).

Heel goed. Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Kuik van de fractie van het CDA.

Mevrouw Kuik (CDA):
Voorzitter, dank. Ik heb niet deelgenomen aan het commissiedebat; dat heeft mijn collega Palland gedaan. Ik zit in de enquêtecommissie gaswinning Groningen, maar we waren wat eerder klaar, dus ik dacht: dan pak ik dit tweeminutendebat mee, want het is een belangrijk onderwerp. Samen met de heer Van Nispen heb ik dan ook een motie ingediend om te zorgen dat de kennis die er is bij onderzoeksorganisaties die jezidi's bijstaan, zo goed mogelijk wordt gebruikt om de vervolging, opsporing en berechting van terroristische misdrijven hier te verbeteren.

We zien in de actualiteit dat vijf IS-uitreizigers zijn teruggehaald, wat natuurlijk heel mooi is voor de elf kinderen, die slachtoffer zijn van deze ouders. Het is heel belangrijk dat bij het proces alles uit de kast wordt gehaald om de misdrijven die gepleegd zijn, boven water te krijgen en die kennis ook te gebruiken in de strafprocedure. Vandaar het belang van een goede samenwerking met deze organisaties om de berechting zo goed mogelijk vorm te geven.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Koekkoek van Volt.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de collega's dat ik hier mag spreken. Vorige week was ik ziek, dus toen kon ik helaas niet aanwezig zijn bij het debat.

Er zijn grote veiligheidsrisico's die we moeten aanpakken. Een louter repressieve aanpak, zonder de juiste waarborgen, is niet de oplossing en leidt vaak tot wantrouwen. Het zijn vaak juist de mensen die geen aansluiting meer voelen bij een gemeenschap, die vatbaar zijn voor extremistische boodschappen. Het ogenschijnlijk inherente probleem van discriminatie en etnische profilering in de terrorismebestrijding versterkt dit gevoel. Vandaar dat ik nog een vraag heb aan de minister. Kan zij aangeven welke stappen er worden gezet om discriminatie te voorkomen en het vertrouwen te herstellen?

Daarnaast ga ik in op het delen van informatie. Dat werd net al even genoemd. Betere internationale samenwerking is daarin nodig, maar daarbij zijn ook de juiste waarborgen nodig. Vandaar mijn vraag aan de minister: kan zij een eerste appreciatie geven van de te verwachten Europese voorstellen voor toegang tot veiligheidsgerelateerde informatie en de herziening van de PNR-richtlijn?

Intussen wordt de PNR-richtlijn nationaal verlengd, kort voor de herziening van het Europese voorstel, terwijl de doeltreffendheid van deze wetgeving moeilijk hard te maken is en monitoringsinstrumenten niet voldoende zijn. Daarom nog een motie, één korte motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het WODC stelt dat de doeltreffendheid van de huidige PNR-richtlijn moeilijk meetbaar is en de monitorinstrumenten niet voldoende zijn;

overwegende dat in Q2 de Europese Commissie een herziening van de PNR-richtlijn zal voorstellen;

verzoekt de regering de richtlijn jaarlijks te evalueren teneinde de effecten van de wet op de rechtmatigheid en proportionaliteit in de uitvoering te beoordelen;

verzoekt de regering de verlenging van de PNR-richtlijn stop te zetten zodra het herziene Europese voorstel geïmplementeerd kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Koekkoek.

Zij krijgt nr. 633 (29754).

Dank u wel. En met "Q2" bedoelt u gewoon het tweede kwartaal, hè? Ja. Ik schors voor vijf minuten en dan gaan we luisteren naar de minister.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
We gaan verder. Ik geef eerst het woord aan de heer Markuszower, die gezakt is voor zijn taaltoets.

De heer Markuszower (PVV):
Ik heb net in mijn enthousiasme twee moties ingediend, waar ik later wat taalkundige wijzigingen in heb aangebracht, die niet per se afdoen aan de inhoud ervan.

De voorzitter:
Dan moet u die even voorlezen.

De heer Markuszower (PVV):
De laatste zin van mijn eerste motie wordt dan: "verzoekt de regering de beveiliging van synagogen en Joodse scholen per direct weer op orde te brengen". Dat doet niks af aan de inhoud. Het is een iets andere zin.

Bij de tweede motie stond in de eerste constatering twee keer "constaterende dat", dus de eerste is weggelaten.

In de derde alinea staat nu: "alsmede hun eventuele kinderen toe te laten tot Nederlandse bodem". Dus "tot" in plaats van "op". De voorzitter zal dat appreciëren, want hij is meer neerlandicus dan ik dat ben.

Aan de laatste zin, bij "verzoekt de regering", hebben we het woord "waren" toegevoegd. We hebben daarvan gemaakt: "waarnaar zij uitgereisd waren". Want ze waren uitgereisd, maar ze komen terug en dan willen we dat ze weer weggaan.

De voorzitter:
De motie-Markuszower/Wilders (29754, nr. 627) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de statische inzet van de Koninklijke Marechaussee (KMar) bij de Joodse instellingen onlangs is afgeschaald;

constaterende dat hierdoor de Joodse gemeenschap blootgesteld wordt aan onverantwoorde veiligheidsrisico's;

verzoekt de regering de beveiliging van synagogen en Joodse scholen per direct weer op orde te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. 634, was nr. 627 (29754).

De motie-Markuszower/Wilders (29754, nr. 628) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uitreizigers een grote bedreiging vormen voor de nationale veiligheid;

constaterende dat uitreizigers in Nederland gemiddeld tweeënhalf jaar en nooit langer dan vier jaar celstraf opgelegd krijgen;

verzoekt de regering geen enkele uitreiziger, alsmede hun eventuele kinderen, toe te laten tot Nederlandse bodem;

verzoekt de regering alle gerepatrieerde uitreizigers, alsmede hun eventuele kinderen, terug te sturen naar het land waarnaar zij uitgereisd waren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. 635, was nr. 628 (29754).

Dan is dat rechtgezet. Het woord is aan de minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Voorzitter. Ik ben blij dat ik dankzij de heer Markuszower iets van tijd heb gewonnen. Het loopt niet helemaal soepel met de beantwoording die ik heb gekregen, dus ik hoop in ieder geval dat ik geen motie oversla. Ik hoop dat de Kamerleden mij hier enige ruimte in gunnen.

Ik begin in ieder geval met de motie op stuk nr. 627 van de heer Markuszower over de joodse instellingen. We hebben daar tijdens het commissiedebat onderling een heftig debat over gehad. Ik waardeer de zakelijke toon waarmee het nu is gedaan. Ik zal er ook op die manier op reageren. Ik weet dat er in Amsterdam een bijeenkomst is geweest met een bredere delegatie van de joodse gemeenschap. Het gaat hier over een gemeenschap die al jarenlang last heeft van, zwaar te lijden heeft onder structurele dreiging. We willen met elkaar zorgen dat zij een goede beveiliging houden. De beveiliging verandert iets. Het is op die avond toegelicht dat het hier niet gaat over een afschaling, maar over een andere wijze van beveiliging. Dat is toegelicht door onder andere de Koninklijke Marechaussee, maar bijvoorbeeld ook door de Stichting Bij Leven en Welzijn, die zich ook namens de joodse gemeenschap inzet voor de veiligheid van de joodse gemeenschap. Ik weet dat de heer Markuszower het niet eens is met die analyse. Hij vraagt om dat te veranderen. Ik ontraad de motie. Dat heeft er vooral mee te maken — laat ik het nog één keer herhalen — dat er nadrukkelijk geen sprake is van afschaling. Er is afgesproken door de driehoek Amsterdam — daar gaan ze er natuurlijk over — dat er ook gemonitord zal worden, en dat dit ook sneller gebeurt dan vooraf met elkaar was afgesproken. Men zal er dus binnen een maand naar kijken. Dus met deze elementen ontraad ik deze motie. Maar ik hoop dat de heer Markuszower ook mee naar huis kan nemen en ook in zijn achterban kan delen dat het goed gemonitord zal worden, want niemand wil de beveiliging van joodse instellingen afschalen. Dus de motie op stuk nr. 627 is daarmee ontraden.

Dan hebben we de tweede motie, de motie op stuk nr. 628. Die gaat over de IS'ers. Ik denk dat het goed is om heel even een paar dingen op een rij te zetten over die uitreizigers. Dus ik neem iets meer tijd voor de appreciatie van deze motie. Uitreizigers zijn mensen die willens en wetens ons land hebben verlaten om zich aan te sluiten bij een strijd die gericht is op het vernietigen van alles waar wij voor staan. Het beleid van dit kabinet is niet veranderd ten opzichte van het beleid van de afgelopen vier jaar. Zo staat het ook letterlijk in het coalitieakkoord. Dat betekent dat we alles op alles blijven zetten om berechting in de regio voor elkaar te krijgen. Dat betekent dat we altijd zullen kijken of we het Nederlanderschap kunnen intrekken. Dat betekent ook dat we niet actief terug zullen halen.

Daar zit één uitzonderingsmoment bij, zoals dat in de afgelopen vier jaar heeft gegolden en nu ook weer: dat is het moment waarop de rechter ons opdraagt om ze wél terug te halen om straffeloosheid te voorkomen. We hebben afgesproken dat we dan gaan kijken of dat kan. Want er zijn nog steeds elementen die we moeten afwegen: de veiligheid van onze eigen mensen, internationale betrekkingen en onze eigen nationale veiligheid. Op het moment dat er een gelegenheid is om dat wel te kunnen doen, waarbij er een afweging heeft plaatsgevonden op basis van al die criteria, zullen deze verdachten hiernaartoe gehaald worden om straffeloosheid te voorkomen. Dat is concreet vorige week gebeurd bij vijf vrouwelijke IS-verdachten.

Ik hecht eraan om hier nog iets aan toe te voegen. Wat was er gebeurd als we het niet hadden gedaan? Dan had de rechter in dezen de zaak beëindigd. Deze vrouwen hebben nog de Nederlandse nationaliteit. Dat betekent dat zij zich op ieder moment hadden kunnen melden bij een diplomatieke post of hiernaartoe hadden kunnen komen. Dan hadden wij én geen enkele grond om hen hier te weigeren én hadden wij vervolgens ook niet hier kunnen vervolgen. Dat betekent dat ze vrijuit waren gegaan voor zaken waarvan volgens de rechter moet worden bewezen dat ze dat hebben gedaan, maar waarvan wij — denk ik — allemaal denken: laat ze alsjeblieft wel in ieder geval voor een rechter verschijnen.

Voorzitter. Dat had vervolgens ook betekend dat het OM de internationale signalering had moeten intrekken. Ik hecht eraan om hier nog het volgende aan toe te voegen. Als ze nu hier berecht worden, dan kan de rechter ook gebruikmaken van de Wet langdurig toezicht. Dat betekent dat ze op een gegeven moment, als ze vrij worden gelaten, zo nodig levenslang gevolgd zouden kunnen worden. Al die elementen zouden verdwijnen en zij zouden er straffeloos mee wegkomen.

Is dit een ideale situatie? Bij lange na niet! Absoluut niet! Ik zal mij vanuit mijn rol elke dag blijven inzetten voor berechting aldaar. Maar zolang dat niet rond is — en daar gaat Nederland niet zijn eentje over — zullen we het af en toe op deze manier moeten doen. Uw Kamer is eind vorig jaar specifiek over deze zaak geïnformeerd door mijn voorganger. Door uw Kamer was al besloten dat we het op deze manier gingen doen.

Dus met deze context en toelichting, en omdat ik niet wil dat mensen zonder straf vrijuit ons land binnen kunnen wandelen, zonder dat we tools hebben om daar vervolgens nog iets mee te kunnen doen, moet ik de motie ontraden.

De heer Markuszower (PVV):
Het is er niet het debat voor, dus we hoeven hier niet te wisselen wat de regering allemaal anders had kunnen doen. In ieder geval waren er heel veel opties mogelijk geweest om ze daar te laten en ze aan de spreekwoordelijke krokodillen te laten voeren, maar dat wil ik nu niet vragen.

Mijn vraag is de volgende. Dit is nu al een aantal keren gebeurd. Een aantal van die terroristen is al teruggehaald naar Nederland en heeft een hele lage straf gekregen. Hoeveel potentiële ISIS-uitreizigers — terroristen — zitten daar nog, man, vrouw of kind? Is er het risico dat al die mensen, inclusief de mannen — die terroristen — ook terugkomen? Wat zijn nou de aantallen? Om hoeveel gaat het nou nog in het ergste scenario?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Hoeveel mensen zich daar nog bevinden ziet u in de rapportages van de AIVD, die twee weken geleden op de agenda stonden. Maar volgens mij is dat niet wat de heer Markuszower bedoelt. Hij kent die aantallen. Hij bedoelt: hoeveel van die mensen komen hiervoor in aanmerking? Dat kan ik niet zeggen. Het standpunt van het kabinet is, net als het vorige standpunt, dat we niet actief al die mensen gaan ophalen. Het kan zijn dat de rechter opdraagt om dat te doen om straffeloosheid te voorkomen. Dat kan ik uiteraard niet voorspellen. Op het moment dat dat gebeurt, zullen we met elkaar moeten kijken of het vervolgens ook kan op een manier die veilig is voor onze eigen mensen, want die gaan wij niet in gevaar brengen. Daarbij zijn vooral de inlichtingendiensten AIVD en MIVD in the lead. Ook zullen we moeten kijken of het kan in het licht van de internationale betrekkingen en van onze nationale veiligheid. Er is dus nog een x-aantal criteria, die we vaak met elkaar hebben gedeeld en vastgesteld, alvorens we kunnen zeggen: als er dan een gelegenheid is waar al deze criteria in passen, zou je het kunnen doen. Er is hier dus geen vanzelfsprekendheid. Er is hier geen garantie. Dit is hoe we het met elkaar hebben afgesproken. Op het moment dat deze mensen terugkomen, worden ze meteen aangehouden — dat is hier ook gebeurd — en zal hun zaak beginnen. De kinderen worden meegenomen door de Raad voor de Kinderbescherming. Daar zijn ook vragen over gesteld, waar ik zo op kom.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
We hebben van deze vijf vrouwen gehoord in een brief van minister Grapperhaus in november vorig jaar. Wil deze minister toezeggen dat als zoiets weer speelt doordat een advocaat het opspeelt, zij de Kamer daar actief over informeert zoals ook haar voorganger deed?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja. Daar heeft mevrouw Michon helemaal gelijk in. Dit is vorig jaar oktober, november al meerdere keren gemeld door mijn voorganger. Dit zat dus al in de planning. Op het moment dat het weer speelt, zullen we het natuurlijk weer op deze manier doen. Dat zegt ook de motie: geen onomkeerbare stappen zetten, maar eerst hier melden wat er gaande is. Op het moment dat er een gelegenheid ontstaat, kan ik dat op dat moment niet communiceren met de Kamer. Dan is namelijk leidend of onze mensen veilig zijn. Je gaat dan niet eerst uitgebreid in de Kamer debatteren over wanneer dat is, want dan zijn ze niet meer veilig. Eigenlijk is dit precies dezelfde praktijk als in de afgelopen vier jaar. Dat verandert niet.

De voorzitter:
Helder. De motie op stuk nr. 629.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Volgens mijn lijstje is dat een motie van de heer Azarkan, die mij verzoekt om excuses aan te bieden aan alle getroffen moskeeën en de Nederlandse moslimgemeenschap voor het onderzoek dat in het verleden heeft plaatsgevonden. Deze motie ontraad ik. Zowel mijn voorganger als ik hebben herhaaldelijk aangegeven — ik heb dat ook in het debat gedaan — dat de precieze werkwijze is afgesproken tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het is dus niet aan mij om uitspraken te doen over de rechtmatigheid van de onderzoeken. Dat was aan de lokale overheden. De heer Azarkan heeft natuurlijk een punt als hij zegt dat het wel zaak is om de komende tijd te werken aan herstel van het vertrouwen van de gemeenschappen, want uiteindelijk moeten we het samen doen. Het grootste deel van de gemeenschappen zit ook niet te wachten op radicaal gedachtegoed, net zo min als wij hier. Daarover zal ik met hen in gesprek gaan. Ik neem aan dat mijn collega van SZW dat ook zeker zal doen, want zij heeft daar natuurlijk ook veel contacten.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 630.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Even kijken. Volgens mij is dat de motie over een actieprogramma integrale aanpak rechts-extremisme. De gehele contraterrorisme-aanpak en het bijbehorende pakket aan maatregelen worden waar nodig ingezet om de dreiging vanuit rechts-extremistische en terroristische hoek tegen te gaan. Op verschillende vlakken is de aanpak geïntensiveerd. De Kamer is op 26 oktober per brief geïnformeerd over de aanpak van rechts-extremisme. Het kabinet heeft onlangs de eerste noodzakelijke extra middelen vrijgemaakt voor de versterking van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, om onderzoek naar rechtsextremisten en de samenhangende geweldsdreiging te doen. Indien aanhangers van online rechtsextremistische en terroristische netwerken in beeld komen, kunnen deze worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak. Er wordt daar dus al kennis en informatie gedeeld. In die zin ontraad ik deze motie, vanuit het idee dat er al heel veel gebeurt. Het lijkt mij wijs dat we ons vooral daarop blijven richten.

Dan de motie op stuk nr. 631 van de leden Van Nispen en Kuik, waarin wordt gevraagd om de gemeenschap van de jezidi's actief te betrekken en te benaderen om verhalen en getuigenissen op te halen ten behoeve van de bewijsverzameling. Deze motie krijgt van mij absoluut oordeel Kamer. Ik heb toegezegd dat ik persoonlijk ook in gesprek zal blijven met hen. Ik deed dat al als Kamerlid, maar pak dat vanuit deze rol ook graag op. Dat zeg ik graag toe. Ik heb inmiddels bij het debat aan de heer Van Nispen toegezegd om met het OM en de politie om de tafel te gaan over hoe wij een aanscherping, verbeterslag en betere samenwerking kunnen realiseren. Die gesprekken worden nu al gepland. Ik hoop dat ik bij een debat kan terugkoppelen hoe dat is gegaan.

Dan de motie op stuk nr. 632, over de PNR-gegevens. Deze motie vraagt mij om op dit moment nog geen besluit te nemen. Deze motie ontraad ik, gezien het grote belang van het voortzetten van de uitvoering van deze regeling. Binnen de EU en gezien de horizonbepaling op dit punt is de PNR een wet die niet kan wachten op een uitspraak van het Hof. We hebben het hier uitvoerig over gehad, dus ik geef nu best wel een technisch antwoord, waarbij ik er vrij zeker van ben dat de heer Van Nispen begrijpt wat ik zeg. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is om hier wel mee door te gaan. Dus deze motie is om die reden ontraden.

Dan de motie-Koekkoek op stuk nr. 633. Als het daarna klaar is met de moties, heb ik ze toch op volgorde gehad. Dat gaan we zo merken. Deze motie gaat over hetzelfde punt: het stopzetten van de verlenging van de PNR-richtlijnen. Deze motie ontraad ik. De Tweede Kamer ontvangt jaarlijks gegevens over toepassing van de PNR in de rapportage van de functionaris gegevensbescherming. Ik zie dat hier wordt gevraagd om de verlenging echt stop te zetten. Deze gegevens zijn echt ontzettend belangrijk. Deze gegevens hebben we echt hard nodig. Ze zijn zeer relevant voor de bestrijding van terrorisme en zware criminaliteit. Ik zou hier dus wel graag mee willen doorgaan, binnen de waarborgen die we met elkaar hebben afgesproken, en aan mevrouw Koekkoek en haar collega's willen meegeven dat dit echt een heel belangrijk instrument voor ons is.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Ik begrijp het punt van de minister om het niet stop te zetten. In de motie staat ook specifiek: "zodra het herziene Europese voorstel geïmplementeerd kan worden". Dat speelt nu parallel aan dit moment.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Laten we het zo doen. Ik ga daar nog even specifiek goed op in. Ik vraag om de motie even aan te houden. De stemmingen zijn volgende week, neem ik aan?

De voorzitter:
Dinsdag.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dan kom ik daar met een kort briefje op terug. Dan hoeft de motie niet te worden aangehouden.

De voorzitter:
Dus de motie wordt niet aangehouden.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Nee. Ik houd het even op ontraden, maar ik ga wel met een kort briefje specifiek in op deze aanvullende vraag, zodat mevrouw Koekkoek het goed kan afronden.

De voorzitter:
De motie komt gewoon dinsdag in stemming. Mevrouw Michon-Derkzen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik heb gelezen in de appreciatie van de minister van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens dat we, als we wachten op bijvoorbeeld een uitspraak van het Hof, de facto nu dit voorstel wegstemmen. U zegt daarin: ik vind het een helder verhaal. Als het Hof aanleiding geeft om het te wijzigen, pakken we dat op. Ik heb eerlijk gezegd het idee dat die appreciatie er ligt. Op basis daarvan zou ik in ieder geval mijn fractie adviseren om tegen de motie van mevrouw Koekkoek te stemmen.

De voorzitter:
Nou, dan weten we dat. Dan haalt u wel een beetje de spanning eruit, hè.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Mevrouw Michon helpt mij daarbij op een elegante wijze, maar ik zorg ervoor dat we dit element in een briefje zetten, specifiek als reactie op het verzoek van mevrouw Koekkoek. Ik snap dat dit een belangrijk punt is, maar zoals ik al tegen de heer Van Nispen zei: het belang is heel groot.

De voorzitter:
Heel goed.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Nog een paar vragen, voorzitter. Even kijken of ik die allemaal beantwoord krijg.

Ik begin met mevrouw Van der Werf. Als ik het goed heb, had zij in ieder geval een vraag over de kinderen en het toezicht door de Raad voor de Kinderbescherming. Dat valt natuurlijk primair onder mijn collega, minister Weerwind, want hij gaat over dat onderdeel. Maar ik kan wel zeggen dat wanneer de kinderen aankomen in Nederland, er door de Raad voor de Kinderbescherming bij de kinderrechter om een kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht, een voorlopige ondertoezichtstelling, en om een machtiging uithuisplaatsing.

Na aankomst op de luchthaven worden de kinderen overgedragen aan gecertificeerde instellingen oftewel de jeugdbescherming. Deze voert vervolgens het toezicht uit. De kinderen worden opgevangen in een gespecialiseerde instelling waar ze gedurende drie maanden worden geobserveerd, om een beeld te krijgen van de specifieke opvoed- en ontwikkelingsbehoeften. Experts van het Landelijk Adviesteam minderjarige Terugkeerders screenen de kinderen op trauma, hechting, ideologie en alles wat we daarover met elkaar hebben gedeeld. Dat zijn zorgpunten vanuit de zorg voor de kinderen. Verder screenen ze op ideologie.

De Raad voor de Kinderbescherming doet gedurende drie maanden onderzoek of kinderbeschermingsmaatregelen nodig zijn na de periode van drie maanden observatie. De jeugdbescherming monitort het welzijn en de ontwikkeling van deze kinderen zolang er een kinderbeschermingsmaatregel van kracht is. En ook dit is conform hoe we dat de afgelopen vier jaar hebben gedaan.

Ik had volgens mij nog een vraag van mevrouw Van der Werf over de toestand in de detentie en de radicalisering. Hoe ziet dat eruit? Tot nu toe hebben wij in Nederland het standpunt ingenomen dat samenbrengen goed is om verspreiding binnen de penitentiaire instellingen tegen te gaan. We zien dat andere landen daar ook naar kijken en er een voorbeeld aan nemen. In 2020 en 2021 is ook de capaciteit uitgebreid. Dus daar is rekening mee gehouden. Volgens mij was dat ook een vraag. Er wordt gezorgd dat onderlinge beïnvloeding wordt tegengegaan en dat re-integratie wordt bevorderd. Dus dat zijn duidelijke aandachtspunten.

Voorzitter. Geradicaliseerde gedetineerden worden ook in een multidisciplinair afstemmingsoverleg resocialisatie besproken. Daar schuift ook de gemeente bij aan, zodat je dat vervolgens op het moment dat iemand vrijkomt zo nodig ook in een lokaal ketenoverleg in de gaten kunt houden. Dat zal misschien niet bij iedereen nodig zijn, maar zo hebben we ook waarborgen voor na de detentie, of dat nou strafrechtelijke instrumenten zijn als de Wet langdurig toezicht of de waarborgen die ik net noemde.

Even kijken. Volgens mij ben ik dan rond. Vergeet ik een vraag?

De voorzitter:
Mevrouw Van der Werf steekt haar vinger op. Het woord is aan haar.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik heb een vraag gesteld over de capaciteit bij het Team Internationale Misdrijven. Dat ging over de bewijsvoering waar dat team mee werkt. Ik had voor de Kamer ... De voorzitter kapt mij af.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Klopt. Ik heb het antwoord gezien. Ik weet dat onder andere in het antwoord staat dat de capaciteit op dit moment op orde is. De heer Sjoerdsma, een collega van mevrouw Van der Werf, heeft er de afgelopen jaren veel aandacht voor gevraagd. Maar wellicht kunnen we zorgen dat ik u dat antwoord ook schriftelijk doe toekomen. We hebben volgende week nog een politiedebat. Op het moment dat mevrouw Van der Werf zegt "daar vind ik nog wat van" is dat de plek waar dat dan weer terug kan komen, want anders heeft ze geen ruimte om daar wat van te vinden. Maar dat komt er dan aan.

De voorzitter:
Prima. Mevrouw Koekkoek nog even. Kort en puntig, want ik wil naar het volgende debat.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Waren er nog vragen gemist? Ik heb zelf nog twee vragen gesteld. Eén vraag ging over het opbouwen van vertrouwen in het kader van terrorismebestrijding en het gevoel dat soms bestaat dat er inherent ... Ik zie de minister het zich herinneren. De tweede vraag is gerelateerd aan de motie en aan waaraan mevrouw Michon-Derkzen net nog even kort refereerde. De vraag die ik stelde, was of de minister al een appreciatie kan geven van hoe Nederland staat in de te verwachten herziene PNR-richtlijn. Als ik het goed heb begrepen, ligt er nu een voorstel en moet dat worden geïmplementeerd. Daarover geeft collega Michon-Derkzen terecht aan dat ... Nou, daar is dus een uitspraak over geweest. Mijn vraag en ook de motie gaan over het te verwachten herziene voorstel. En dat ging ook over Q2, het tweede kwartaal.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Daardoor was ik natuurlijk in de war! Als mevrouw Koekkoek het goed vindt, neem ik dat ook gewoon mee in de brief. We zorgen dan dat we daar goed op terugkomen.

Het klopt verder dat ze nog de vraag had — ik zeg het in mijn woorden, maar misschien waren het ook letterlijk haar woorden — of het Nederlandse contraterrorismebeleid uiteindelijk ook discriminerend kan werken of mensen kan wegduwen. Dat is natuurlijk een belangrijk punt. Het kabinet hanteert een integrale aanpak van terrorisme en dat strekt zich uit over verschillende interventiegebieden. Dat is veel breder dan wat we nu hier bespreken. Dat heeft ook niks te maken met een specifieke ideologie. We hebben met elkaar definities afgesproken van dreiging, radicalisering en terrorisme. En dat heeft dus niks te maken met een ideologische signatuur. Het is denk ik wel belangrijk om dat in deze context aan deze vraag toe te voegen. In de toets op proportionaliteit en effectiviteit van nieuwe terrorismewetgeving worden door de Raad van State de aspecten grond- en mensenrechten meegenomen. Daar is dus extra aandacht voor. Die kijken er op die manier naar. Het is goed om te benadrukken dat het tegengaan van discriminatie en racisme en het Nederlandse contraterrorismebeleid logischerwijs in elkaars verlengde liggen. Dat is ook een beetje wat ik tegen de heer Azarkan zei. Het is iets waar we aandachtig voor moeten zijn, maar het is ook iets wat je doet. Effectief antiradicaliseringsbeleid en contraterrorismebeleid zijn er ook om de gemeenschappen te beschermen van waaruit radicale ideeën kunnen ontstaan, van welke ideologie dan ook. Dat botst dus niet met elkaar. Het ligt juist in elkaars verlengde. Met de waarborgen die ik zojuist noemde, proberen wij er oog voor te houden dat het ook echt effectief is in de richting die wij willen.

De voorzitter:
Hartstikke mooi.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Tot zover dit debat. Dinsdag stemmen wij over de moties.

Eindrapport onderzoek naar de toepassing van artikel 13b Opiumwet

Eindrapport onderzoek naar de toepassing van artikel 13b Opiumwet

Aan de orde is het tweeminutendebat Eindrapport over het onderzoek naar de toepassing van artikel 13b Opiumwet (34763, nr. 16).

De voorzitter:
Thans is aan de orde het tweeminutendebat Eindrapport over het onderzoek naar de toepassing van artikel 13b Opiumwet. Wij hebben drie sprekers van de zijde van de Kamer. De eerste is de heer Van Nispen van de fractie van de SP. Het woord is aan hem.

De heer Van Nispen (SP):
Dank u wel, voorzitter. Het sluiten van een woning is een buitengewoon ingrijpend middel. Dat kan alleen als er écht wat aan de hand. Als er volop gedeald wordt in een woning, als er sprake is van ernstige overlast voor de buurt of als bijvoorbeeld gebruikers de deur platlopen, natuurlijk, dan doe je dat. Dat was de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, maar in de praktijk pakt het echt heel anders uit. Dat blijkt ook uit het onderzoeksrapport, de evaluatie. Dat leidt tot schrijnende situaties, zelfs zo schrijnend dat de maatregel niet meer in verhouding staat tot de geconstateerde overtreding in heel veel gevallen. Er zijn huisuitzettingen van gezinnen met kinderen voor minimale aangetroffen hoeveelheden, zonder waarschuwing et cetera.

Het is een lokale afweging, maar ik vind dat wij ons er niet al te makkelijk van af kunnen maken als we constateren dat het maatwerk zoek is en dat de wet niet gebruikt wordt zoals we die bedoeld hadden. We kunnen natuurlijk de wet afschaffen. We kunnen de wet aanpassen, maar we moeten er in ieder geval voor zorgen dat er op de korte termijn iets gaat veranderen. Daarom dien ik de volgende motie in samen met de heer Sneller van D66.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat uit de jurisprudentie en evaluatie van artikel 13b Opiumwet ("Wet Damocles") volgt dat meer maatwerk geleverd moet worden bij de toepassing van de bevoegdheid tot het sluiten van panden en woningen;

overwegende dat dit maatwerk in ieder geval vraagt om het nadrukkelijk afwegen van de gevolgen voor betrokkenen (in het bijzonder voor minderjarige kinderen) en de hoeveelheid drugs voordat wordt overgegaan tot het sluiten van een pand;

overwegende dat om de proportionaliteit van sluiting als sanctie te borgen ook de verwachte effectiviteit van minder vergaande maatregelen expliciet dient te worden afgewogen en dat voor sluiting vrijwel altijd een waarschuwing (desnoods als last onder dwangsom) dient te worden gegeven;

overwegende dat de wetgever de sluitingsbevoegdheid als ultimum remedium in het leven heeft geroepen, maar dat in de praktijk sluitingen vaker niet dan wel als ultimum remedium worden ingezet in de strijd tegen drugshandel;

voorts overwegende dat de mate waarin gemeenten maatwerk betrachten sterk verschilt en dat een landelijk kader voor de omgang met de sluitingsbevoegdheid vooralsnog ontbreekt;

verzoekt de regering een landelijk kader op te stellen voor gemeenten om tot een meer uniform beleid ten aanzien van de bevoegdheid om panden te sluiten op grond van artikel 13b Opiumwet te komen in lijn met bovenstaande uitgangspunten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Sneller.

Zij krijgt nr. 17 (34763).

Er is een vraag van mevrouw Michon.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Een interessant betoog, meneer Van Nispen. Ik dacht ook: laat ik in dit kader ook nog even reclame maken voor het veiligheidsplan dat de SP een paar weken geleden lanceerde. Een van de punten daarin is namelijk de veiligheid van kwetsbare wijken. Nu is dit bij uitstek een middel waarmee een burgemeester de overlast bij drugspanden, waar niemand naast wil wonen, die niemand in de straat wil hebben, tegen kan gaan, waarmee hij ervoor kan zorgen dat de wijk veilig is. Hoe verhoudt dit voorstel zich dan tot uw eigen plan, waarin u pleit voor het borgen van de veiligheid in kwetsbare wijken?

De heer Van Nispen (SP):
Dank u wel voor de reclame voor het SP-plan. Ik raad dat iedereen aan. Dat is inderdaad een uitstekend plan, waarin wij pleiten voor veilige buurten. Maar mevrouw Michon kent ook dat voorbeeld van die autistische man van 43 jaar die 5 gram aanwezig had in zijn woning. Dat was geen drugspand. Zonder waarschuwing werd zijn woning gesloten en die man stond op straat. Daar is niemand bij geholpen, de buurt al helemaal niet. Die schiet daar helemaal niks mee op. Gezinnen met kinderen komen op straat te staan, moeten hun huis uit, waar helemaal niet gedeald wordt, waar helemaal geen sprake is van overlast. Mevrouw Michon heeft in de kern gelijk dat die Wet Damocles goed kan zijn en dat die, indien goed toegepast, kan zorgen voor het wegnemen van overlast in buurten, maar in heel veel situaties gaat het mis in de uitvoering. Daar proberen wij de vinger op te leggen. Ik denk dat mevrouw Michon dat eigenlijk ook wel weet.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Nu gaat de heer Van Nispen casuïstiek aanhalen waarom deze wet niet deugt, terwijl de kern van de wet juist is dat het maatwerk is en proportioneel moet zijn. Dat kan ook getoetst worden door de rechter. Als de burgemeester daar te ver in gaat, wordt hij door de rechter op de vingers getikt. Ik zou dus echt aan de heer Van Nispen willen vragen om dat lokale primaat hier hoogtij te laten vieren en niet via de Kamer zo'n belangrijk middel voor de burgemeester de nek om te draaien.

De heer Van Nispen (SP):
Ik ben echt uiterst verbaasd, want dit is precies niet wat we hier doen. We draaien dat middel niet de nek om. Er is een evaluatie — misschien heeft mevrouw Michon die niet gelezen — waarin staat dat het juist niet leidt tot maatwerk, dat het middel te vaak niet proportioneel wordt toegepast. Daar hebben we een uitgebreid schriftelijk overleg over gehad. De minister zegt eigenlijk dat ze het allemaal lokaal laat. Dat is blijkbaar een beetje het standpunt van de VVD. Als je geen casuïstiek erbij haalt, dan ben je dus blind voor wat er in de praktijk gebeurt. Volgens mij is dat het domste wat we kunnen doen. Dat is precies wat we wel moeten doen. Zorg nou voor maatwerk. Als wij ons hier in het nationale parlement niet met een nationale wet mogen bemoeien — het is artikel 13b van de Opiumwet — dan weet ik niet wat we hier wel doen. We hebben toch wel wat geleerd van onder andere de toeslagenaffaire?

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Michon-Derkzen van de fractie van de VVD.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Voordat ik aan mijn betoog begin, wil ik zeggen dat ik het ongemakkelijk vind dat de heer Van Nispen hier de toeslagenaffaire noemt. Dat is namelijk van een volstrekt andere orde dan waar we het hier over hebben. Ik zeg hier dat ik vind dat je juist burgemeesters in staat moet stellen om dat maatwerk te leveren en dat de Kamer een terughoudende rol heeft. Er wordt mij dan verweten dat ik geen oog heb voor de toeslagenaffaire. Daar neem ik echt afstand van.

Voorzitter. Niemand wil in een straat wonen waar een drugspand staat. Je wilt al helemaal niet dat je buurman in zijn huis drugs produceert en dealt. Om dit aan te pakken, bestaat artikel 13b van de Opiumwet. Bij deze Wet Damocles zijn maatwerk en proportionaliteit zeer van belang. De Wet Damocles is voor lokale bestuurders, voor burgemeesters, een effectief instrument gebleken. Zij hebben dat gewoon hard nodig. Ik onderstreep hier nog maar eens dat het gaat om maatwerk en proportionaliteit. Dat zei ik net al.

Voorzitter. We kunnen de georganiseerde drugscriminaliteit niet alleen met het strafrecht aanpakken. Bestuursrechtelijke middelen zijn noodzakelijk, en die hebben we ook. Dat zie je bijvoorbeeld bij de Wet Bibob, die effectiever wordt. Het wetsvoorstel moeten we wat mij betreft zo snel mogelijk hier plenair behandelen. Maar is er meer nodig? Hoe helpen wij vanuit dit huis de burgemeesters die deze drugscriminaliteit dag in, dag uit aankijken?

Ik heb daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bestuurlijke instrumenten zoals de Wet Damocles en de Wet Bibob een belangrijke bijdrage leveren in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit;

overwegende dat de toepassing van bestuursrechtelijke instrumenten zoals artikel 13b Opiumwet altijd vraagt om maatwerk en proportionele inzet;

overwegende dat het aan burgemeesters zelf is om te beoordelen of een situatie in hun gemeente vereist dat zij bestuurlijke instrumenten inzetten;

overwegende dat het WODC-onderzoek naar de Wet Damocles concludeert dat het toepassen van de bevoegdheid in artikel 13b Opiumwet effectief is in het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling;

verzoekt de regering in overleg met het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) te treden om te onderzoeken of het bestuursrechtelijk instrumentarium van burgemeesters nog toereikend is bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit, en de Kamer hierover uiterlijk in mei te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en Kuik.

Zij krijgt nr. 18 (34763).

Dank u wel. De laatste spreker aan de zijde van de Kamer is de heer Sneller van de fractie van D66.

De heer Sneller (D66):
"Ik vind het wonderlijk dat we mensen dakloos maken, maar eigenlijk geen idee hebben of dat helpt." Dit zei professor Vols van de Rijksuniversiteit Groningen, die de evaluatie heeft uitgevoerd, dit weekend bij RTV Noord. Daarom heb ik de volgende motie, samen met collega Van Nispen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de evaluatie van artikel 13b Opiumwet ("Wet Damocles") concludeert dat weinig bekend is over de effecten van de toepassing van de bevoegdheid om panden/woningen te sluiten;

overwegende dat deze onduidelijkheid betrekking heeft op de gevolgen voor bewoners van het gesloten pand, omwonenden, de wijk, verhuurders en ondernemers, maar dat ook slechts beperkt zicht bestaat op de mate waarin de sluitingsbevoegdheid bijdraagt aan daadwerkelijk herstel van de openbare orde en de aanpak van drugscriminaliteit;

voorts overwegende dat deze informatie noodzakelijk is om een gedegen oordeel te kunnen vellen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de bevoegdheid uit artikel 13b Opiumwet;

verzoekt de regering om op korte termijn samen met gemeenten en woningbouwcorporaties een plan van aanpak op te stellen hoe de gevolgen van de Wet Damocles adequaat kunnen worden gemonitord;

verzoekt de regering tevens om een jaar na toezending van dit plan van aanpak te rapporteren aan de Kamer over de effectiviteit van deze wet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Sneller en Van Nispen.

Zij krijgt nr. 19 (34763).

De heer Sneller (D66):
Ik wil nog even kort reflecteren op de discussie over de toeslagenaffaire. Juist de werkgroep van de Raad van State die ging over de juridische reflectie, heeft gekeken naar de toepassing van artikel 13b uit de Opiumwet en heeft vervolgens de advocaat-generaal van de Raad van State om voorlichting gevraagd. Vorige week is er uitspraak gedaan in die zaken, juist om de evenredigheidstoetsing voller te maken. Ik ga niet mediëren tussen u beiden, maar de uitspraken van de Raad van State van vorige week nemen wel degelijk een nieuwe afslag. Ze zijn wel degelijk ingegeven door de ervaringen en de marginale toetsing door de bestuursrechter naar aanleiding van de toeslagenaffaire.

De voorzitter:
Maar over die affaire praten we nog wel een andere keer verder. Kan het heel kort, mevrouw Michon?

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, één afsluitende opmerking. Ik ben ook zeer te spreken over de afslag die de Raad van State heeft genomen. Laat daar geen enkel misverstand over bestaan. Maar het verschil is nu juist dat in deze casus over de Wet Damocles de omwonenden de slachtoffers zijn. De omwonenden van het pand waar drugs gedeald wordt, zijn de slachtoffers.

De voorzitter:
Oké. Helder.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dat is wat mij betreft het grote verschil met de toeslagenaffaire.

De heer Sneller (D66):
Mevrouw Michon ziet dan wat slachtoffers over het hoofd. Die wonen nu op een camping.

De voorzitter:
Tot zover. Ik geef het woord aan de minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dank u wel, voorzitter. Ik stel voor dat ik meteen tot de moties overga. We hebben nog een lange middag en dit was een overzichtelijk debat met overzichtelijke moties.

De motie op stuk nr. 17, van de SP, ga ik ontraden. Artikel 13b van de Opiumwet ziet op een bevoegdheid van de burgemeester en daarmee gaat de burgemeester over het gemeentelijk beleid. Wij kunnen daar vanuit hier dus niet in gaan treden. Voor de burgemeester blijft de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet altijd een afweging tussen enerzijds het belang van het stoppen van drugsovertredingen en het voorkomen van herhaling en anderzijds de gevolgen voor betrokkenen. Dat werd net ook genoemd in het onderlinge debat. Het kan gebeuren dat een drugsovertreding dermate ernstig is dat een waarschuwing of een last onder dwangsom niet volstaat en er direct moet worden overgegaan tot sluiting. De burgemeester zal dat dan in het besluit goed moeten motiveren.

Voorzitter. De recente uitspraak van de Raad van State laat zien dat bestuursrechters meer indringend de evenredigheidstoets zullen uitvoeren. Het advies van de staatsraden van juli jongstleden gaf daar al goede aanknopingspunten voor en daar heeft mijn ambtsvoorganger ook met de burgemeesters over gesproken. Het aandachtspunt is in die zin dus helder en is ook besproken. Zoals u in de beleidsreactie heeft kunnen lezen, is reeds door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid een stappenplan opgesteld voor de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Naar aanleiding van de aanbevelingen uit het WODC-onderzoek en conform de beleidsreactie wordt het ook aangepast.

De voorzitter:
Een vraag van de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Gelukkig slaat de minister een iets andere toon aan dan de woordvoerder van de VVD-fractie. Uit het feit dat de rechters het kennelijk nodig achten om een strengere koers te varen, kunnen we toch afleiden dat er iets niet goed ging? Als er geen probleem was, als er prima maatwerk was en als het allemaal proportioneel gebeurde, conform de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, dan had de rechter dit ook niet hoeven corrigeren en die nieuwe lijn uit hoeven stippelen.

Ik vind het jammer dat de minister de motie ontraadt, want eigenlijk gaan we achteroverleunen tot het lokale bestuur in al die gevallen door de rechter gecorrigeerd wordt. Ik zeg: wijzig de wet en leg duidelijk vast wat de bedoeling is van de wetgever óf, en met deze motie gaan we eigenlijk een stap minder ver, kom met een duidelijk kader om te laten zien hoe wij als wetgever die wet bedoeld hebben. Kom met meer maatwerk, meer proportionaliteit en waarschuw in de gevallen waar het kan. Als er echt gedeald wordt en er overlast is, dan moet je natuurlijk sluiten. Daar is geen enkel misverstand over. Maar in al die andere gevallen is een waarschuwing meer op zijn plaats. Zo'n kader zou daarin kunnen voorzien.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik denk dat we op deze manier die goede voorbeelden met elkaar delen en een vorm van een kader meegeven, maar anders dan de heer Van Nispen bedoelt. Volgens mij is dat ontzettend belangrijk. Ik heb de lokale praktijk in mijn vroegere werk gezien. Ik weet dat er lokaal inderdaad heel veel maatwerk wordt toegepast en op een hele goede manier. We hebben het hier eigenlijk helemaal niet gehad over hoe bijvoorbeeld de zorg is aangehaakt bij de hele keten. Wellicht heeft u dat met mijn voorganger in het debat hierover wel besproken. Het gebeurt niet vaak dat een burgemeester zomaar zegt: ik ga nu sluiten. Het is goed om daarvan te leren hoe het maatwerk eruitziet, maar laten we dat niet vanuit hier helemaal inkleuren. Ik hoop dat de heer Van Nispen met dit antwoord in ieder geval ziet dat we die stappen op een andere manier zetten. Ik ontraad deze motie, in de vorm waarin zij is opgesteld, maar ik denk dat we naar vergelijkbare elementen op zoek zijn.

De tweede motie, de motie op stuk nr. 18, is van de VVD. Ze verzoekt de regering in overleg te treden met het Nederlands Genootschap van Burgemeesters om te onderzoeken of het bestuursrechtelijk instrumentarium van burgemeesters nog toereikend is bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit, en de Kamer hierover uiterlijk in mei te informeren. Dat zal ik doen. Dat is dus oordeel Kamer.

Dan heb ik hier nog één motie van de heren Sneller en Van Nispen, op stuk nr. 19. Zij vragen de regering om samen met gemeenten en woningbouwcorporaties een plan van aanpak op te stellen hoe de gevolgen van deze wet adequaat kunnen worden gemonitord, en om een jaar na toezending van dit plan van aanpak aan de Kamer te rapporteren over de effectiviteit van deze wet. Deze motie geef ik oordeel Kamer. Ik denk dat ik daar niet veel meer over hoef uit te leggen; ik moet gewoon aan de slag daarmee.

De voorzitter:
Heel goed! Tot zover dit debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen we over de moties. Ik schors een enkel ogenblik en dan gaan we door met het debat over de zelfdoding van een undercoveragent.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Rapport over de zelfdoding van een undercoveragent

Rapport over de zelfdoding van een undercoveragent

Aan de orde is het debat over het rapport over de zelfdoding van een undercoveragent.

De voorzitter:
Aan de orde is het debat over het rapport over de zelfdoding van een undercoveragent. We hebben negen sprekers van de zijde van de Kamer. De eerste spreker is mevrouw Helder van de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Zij heeft zoals iedereen vijf minuten spreektijd en het woord is aan haar.

Mevrouw Helder (PVV):
Dank u wel, voorzitter. "Twaalf jaar geleden, toen mijn echtgenoot gevraagd werd dit werk te gaan doen, vroeg een leidinggevende tijdens een gesprek: "Staan jullie erbij stil dat dit werk heel gevaarlijk is voor hem? In het ergste geval wordt hij doodgeschoten." Ik had daarbij altijd een crimineel in gedachten. Maar ik had nooit gedacht dat uitgerekend de organisatie waarvoor hij zo graag werkte, zijn dood zou worden."

Het zijn woorden die door merg en been gaan, uitgesproken door de weduwe van een zeer gewaardeerd politieman. Het zijn woorden die door de commissie-Brouwer, die deze zaak heeft onderzocht, zijn bevestigd. Ik citeer: "De commissie kan dan ook niet anders dan concluderen dat er een relatie is tussen het overlijden van de infiltrant en zijn werk. Een harde maar onvermijdelijke conclusie." Einde citaat.

Het keiharde feit is dat een gezin nu verder moet zonder echtgenoot en zonder vader. Het gaat om een gezin waarvan het leven tien jaar lang in het teken stond van het werk van de undercoveragent. De politieman heeft de hoogste prijs betaald voor de onkunde van de leiding van de Landelijke Eenheid en in het bijzonder van het onderdeel waarvoor hij werkzaam was. Talloze signalen van hem en zijn collega's dat het niet goed ging, zijn stelselmatig genegeerd, met deze noodlottige uitkomst.

Alsof dat nog niet erg genoeg is, gaat de ellende op twee fronten nog wel door. Ten eerste, en dat is ook meteen mijn eerste vraag aan de minister: hoe kan het dat de zaaksofficier van justitie die heeft besloten tot de inzet van deze undercoveragent, ook de officier is die zijn dood heeft onderzocht? Dit is zo ongebruikelijk dat ik hier bijna uit afleid dat er wat te verbergen is. Dat onderzoek is dus volstrekt niet onafhankelijk en kan meteen de prullenbak in. Ik snap niet dat de minister in haar brief zegt dat ze geen aanleiding heeft om aan het verhaal van het Openbaar Ministerie te twijfelen. Ik heb dan ook een motie klaarliggen met een verzoek tot een nieuw onderzoek, maar ik hoor graag eerst de minister.

Ten tweede staat het vast dat de dood van de agent werkgerelateerd was. Tot mijn afgrijzen zegt de politie echter wel moreel aansprakelijk te zijn, maar niet juridisch. Naar mijn mening is dat volstrekt onjuist. Een werkgever moet zorgen voor een veilige werkomgeving. Niemand kan beweren dat daar in dit geval sprake van was. Is de minister bereid om zich maximaal voor de nabestaanden in te spannen, zodat zij niet nog jarenlang procedures moeten voeren?

Dan de tweede onverteerbare kwestie, de dood van die politie-informant, genaamd Freddy Janssen. Dat speelt bij het Team Criminele Inlichtingen, het TCI van de Landelijke Eenheid. Maar liefst twee keer is de Kamer hierover voorgelogen. De vorige en de huidige minister zijn niet goed geïnformeerd door de politietop. Wederom zijn belangrijke getuigen niet gehoord, hoewel dat wel is beloofd. De eerste keer moest ik de vorige minister hierop wijzen, nadat ik hierover betrouwbare informatie had ontvangen. Toen kwam er in antwoord daarop een commissie. Die commissie stelt nu dat de dood van de politie-informant de politie niet aan te rekenen valt, maar ook nu blijkt weer een belangrijke getuige niet te zijn gehoord. Er zijn zelfs relevante verslagen uit de systemen gehaald. Intern wordt dan ook gezegd: "Deze operatie is één grote cover-up"; dat is een citaat. Uit betrouwbare bron heb ik inmiddels ook vernomen dat er een onderzoek loopt naar een derde zelfdoding bij het onderdeel Werken Onder Dekmantel.

Voorzitter. Het houdt niet op: iedere keer komen nieuwe problemen aan de oppervlakte. De te vermijden dood van de undercoveragent, het liegen tegen de minister en de Kamer en het uit de systemen wegwerken van relevante verslagen hebben tot op heden amper consequenties. Geheel zoals dat bij de politie gaat, zijn er twee politiechefs weggepromoveerd, maar niemand trekt lering of neemt verantwoording.

En wat te denken van de veiligheid van de agenten op de werkvloer? Door de inspectie is nu al in drie rapporten vastgesteld dat er sprake is van, kort gezegd, taakverwaarlozing, gebrekkige aansturing, een verziekte cultuur met spanningen en als gevolg een forse afname van het personele welzijn. In het bedrijfsleven zouden de verantwoordelijken allang zijn ontslagen, maar niet bij de politie. De organisatie die voor de veiligheid van ons allen moet zorgen, verwaarloost haar eigen mensen en de leiding blijft op het pluche zitten. Is de minister bereid om de bezem door de politieorganisatie te halen en een externe commissie in te stellen die hierop gaat toezien? De politietop heeft tot nu toe aantoonbaar gefaald. Er kan dan ook niet op vertrouwd worden dat dezelfde personen alle gedane aanbevelingen zullen uitvoeren, terwijl de politieagenten op de werkvloer, die dit belangrijke werk doen, dat wel verdienen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Michon-Derkzen van de VVD.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Werken als undercoveragent is eenzaam. En dat heeft een grote impact op een mens. Als je langdurig infiltreert in een criminele organisatie, leef je immers in twee werelden. Op je werk ga je op in je rol als crimineel en ben je iemand anders. Je doet alles wat je nodig acht om de klus te klaren en het vertrouwen te winnen van argwanende criminelen. Thuis bij je gezin moet je gewoon jezelf zijn. Als die twee werelden zo verweven zijn dat je tegen je eigen grenzen aanloopt, moet je op je leidinggevende kunnen terugvallen.

Voorzitter. De undercoveragent over wie we vandaag spreken, leeft helaas niet meer. Hij kwam in de knel tussen de twee werelden waarin hij leefde. Hij zag geen uitweg meer uit de geestelijke nood waarin hij verkeerde en hij nam zijn eigen leven. Het bezweek onder de druk van zijn gevaarlijke en eenzame werk. Dat is echt tragisch en verdrietig. Ik wens zijn nabestaanden vanaf deze plek dan ook veel sterkte. Ik heb groot respect voor infiltranten. Zij verdienen steun voor hun moedige inzet om Nederland veiliger te maken. Die waardering geldt postuum ook voor Peter. Ik ga ervan uit dat de minister en de collega's dit met mij delen.

Voorzitter. Ik zei het al: politiewerk is zwaar werk. Als je als agent je eigen leven riskeert door te infiltreren, moet je kunnen rekenen op ruggensteun van je leidinggevende. Maar daar lijkt niet altijd voldoende sprake van te zijn. De zelfdoding van deze undercoveragent kan niet los gezien worden van de problemen waar de politieleiding van de Landelijke Eenheid mee kampt. De VVD is daarom ook kritisch op de Landelijke Eenheid. Er liggen inmiddels drie inspectierapporten over afzonderlijke teams en er volgt binnenkort nog een rapport van de commissie-Schneiders.

Uit de inspectierapporten blijkt dat er onprofessioneel wordt gehandeld, dat macht wordt misbruikt, dat er sprake is van vriendjespolitiek en dat er weinig tot geen ruimte is voor kritiek of voor nog eens kritisch naar jezelf kijken. Dat is ernstig. Dat moet echt snel anders. Ik wil van de minister weten wat zij bovenop de verbeterplannen die uit de inspectierapporten en deze rapporten blijken, gaat doen om de hardnekkige problemen daadwerkelijk op te lossen. Want de VVD denkt dat er grondige stappen nodig zijn. De politiechef van de Landelijke Eenheid is eind 2021 gestopt. Het hoofd van de Dienst Specialistische Operaties is opgestapt. Ik heb daar respect voor en ik denk dat dat onvermijdelijk is. Maar hoe nu verder, vraag ik de minister. Het werk gaat door en de noodzakelijke verbeteringen bij de Landelijke Eenheid moeten zo spoedig mogelijk worden opgepakt.

Over het werken onder een dekmantel en specifiek over de zelfdoding van Peter, over wie we het vandaag hebben, is een rapport opgesteld door de commissie-Brouwer. De vorige minister noemde dat rapport ontluisterend. Hij trok direct 3 miljoen euro uit om herhaling te voorkomen. Dat geld zou onder meer naar maatregelen gaan om de veiligheid en het welzijn van undercoveragenten te verbeteren. Waar is dat geld concreet heengegaan, vraag ik de minister. Is er inmiddels meer aandacht voor het geestelijk welzijn van de agenten? Zijn de teams daadwerkelijk kleiner geworden?

Bij deze operaties heeft het OM het gezag over de inzet. Ook het OM is in mijn ogen tekortgeschoten. Om de bevoegdheid voor een infiltratie te krijgen, heb je nu als officier van justitie vooraf toestemming nodig van het College van procureurs-generaal. Zij vragen op hun beurt advies aan een commissie, de CTC. Dat ging hier totaal mis. Klopt het dat de officier die de zaak draaide, ook een rol had bij het verlenen van toestemming voor infiltratie? Klopt het dat er sinds 2014 geen criteria zijn opgenomen in de interne regels, de aanwijzingen, van het OM en dat we geen enkel openbaar kader hebben waarop die commissie, de CTC, zo'n verzoek toetst? Dat vind ik bizar. Ik wil van de minister horen hoe de procedure wordt aangepast. Graag krijg ik daarbij ook een reflectie op het heldere artikel van Sophie Naber, dat vanmiddag in het Nederlands Juristenblad verschenen is.

Voorzitter. Dat het in dit geval zo misging, zet een schijnwerper op undercoveroperaties. Wat mijn fractie betreft staan die operaties zelf niet ter discussie, want we staan voor de grote uitdaging om de georganiseerde misdaad aan te pakken. Infiltratie is en blijft een effectief middel om criminele netwerken bloot te leggen en de top van criminele organisaties in beeld te krijgen en op te pakken. De inzet van infiltranten leidde de afgelopen jaren tot succesvolle acties. Criminelen die lang onder de radar bleven, liepen dankzij undercoveroperaties tóch tegen de lamp. Aan het middel wil de VVD niet tornen — de selectie en training van undercoveragenten zijn ook van hoog niveau — maar het proces moet beter, zorgvuldiger en met meer waarborgen voor de agent, die bereid is om dit gevaarlijke werk te doen.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Van der Werf van de fractie van D66.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Wij kunnen niet anders dan concluderen dat er een relatie is tussen het overlijden van de infiltrant en zijn werk, aldus de commissie-Brouwer. Dat is een keiharde en pijnlijke conclusie, die ook de Inspectie JenV onderschrijft. Het gaat om een man die zó opging in zijn werk dat hij zichzelf daarin verloor. Ik wens zijn nabestaanden vanaf deze plek veel sterkte.

Voorzitter. De problematiek bij de Landelijke Eenheid is niet nieuw, maar de rapporten stapelen zich op: rapporten van KPMG en de commissie-Brouwer, drie inspectierapporten, en een feitenonderzoek door de politie en het OM. Dan krijgen we nog een eindbeschouwing van de inspectie en we krijgen nog een advies van de commissie-Schneiders. Volgt u het nog? Ik snap dat bij zulke ernstige problematiek gedegen onderzoek en advies belangrijk zijn, maar het is om moedeloos van te worden. Steeds maar weer lezen betrokkenen namelijk in nieuwe rapporten wat zij allang weten: er is een diepe kloof tussen de top en de werkvloer, en een cultuur waarin de relatie belangrijker is dan de inhoud. Je vraagt je af hoe dat mogelijk is bij een organisatie waar de krapte zo groot is. Daar zouden mensen in de top moeten zitten die zuinig zijn op hun personeel, smachten naar nieuwkomers en zeggen: kom maar door met die zijinstromers; laat wat frisse blikken van buiten de boel hier maar eens een beetje in beweging brengen. Maar de beweging die nu zichtbaar is, kwam niet vanuit die top. Die moest met extern onderzoek worden afgedwongen.

Voorzitter. Als je dat niet snapt, dan mis je niet alleen de broodnodige aansluiting op de werkvloer, maar dan snap je ook niet wat de politiek en het bestuur van een grote werkgever mogen verwachten. De verantwoordelijken lijken ondertussen alleen te wisselen van plek binnen de organisatie. Dat is een probleem dat we wel vaker zien bij de politie. Ben je blauw, dan blijf je blauw. Mensen worden bij problemen weggepromoveerd of verschoven. Dat is een slechte prikkel; als er geen zelfreinigend vermogen is, hoef je jezelf ook niet te beteren. Daarom vraag ik aan de minister: wanneer wordt de Landelijke Eenheid nu structureel hervormd? Hoe kan de Kamer daar proactief bij betrokken worden, in plaats van steeds achteraf de misstanden uit rapporten te moeten halen?

Voorzitter. Dan specifiek de afdeling Afgeschermde Operaties, en in het bijzonder het team Werken Onder Dekmantel, waar de grootste problemen zich afspeelden. De meest urgente vraag daarover is nu: kunnen de nog lopende onderzoeken nog wel verantwoord worden voortgezet? Ik heb het dan over die heimelijke operaties. De minister heeft zich laten verzekeren van wel en ik zou het graag geloven maar wetende dat de organisatiestructuur nog dezelfde is, vind ik dat ook lastig. De kern van het probleem was immers dat niemand verantwoordelijkheid droeg. De formeel verantwoordelijke teamchefs stonden te ver af van de werkvloer om te weten wat er allemaal speelde, terwijl de informele teamleiders zich niet voor personele zorg verantwoordelijk voelden. Dan vraag ik mij dus af van wie de conclusie komt dat die zorg nu wel gewaarborgd is. Weet de minister wat daarmee concreet is gedaan?

Ook werden klokkenluiders van het kastje naar de muur gestuurd. Zij riskeerden zelfs repercussies voor hun meldingen. Hoe is het nu gesteld met de positie van de klokkenluiders binnen de politie? Weten zij bijvoorbeeld de weg naar het Huis voor Klokkenluiders te vinden?

Voorzitter, tot zover mijn inbreng.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Van Nispen van de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Stel dat je partner een beroep heeft waardoor je nooit zonder zorgen met je gezin de deur uit kan, waarbij als je met je kinderen ergens naartoe gaat, je kinderen weten dat als het teken wordt gegeven, ze moeten vluchten. Stel dat je die partner bent en je ziet dat je geliefde tegen muren oploopt op zijn werk, een plek waar de zwaarte van de baan begrepen zou moeten worden. Stel dat je aan de bel trekt omdat je ziet dat het niet goed gaat, maar geen gehoor vindt, dat je partner, de vader van je kinderen een einde aan zijn leven maakt omdat hij de druk niet meer aankan. Het beroep van undercoveragent is loodzwaar. Als dit ontmaskerd wordt, dan is dat niet alleen een enorm risico voor de agent zelf maar ook voor zijn of haar dierbaren. Een agent met dit werk maakt grote offers voor het belang van ons allemaal om misdaad te bestrijden.

Na zulke tragische gebeurtenissen is medelijden het minste wat je kunt bieden, maar de politieorganisatie gaf niet tuis. Zelfs na het verschijnen van twee vernietigende rapporten voelt de familie dat ze een strijd moet leveren over een schadevergoeding. Want er zou weliswaar morele aansprakelijkheid zijn maar geen juridische. Hoe is dat houdbaar na deze onderzoeken? Kan de minister garanderen dat deze familie geen lange, slepende procedure ingejaagd wordt maar de overheid zich hier ruimhartig gaat opstellen?

Voorzitter. De twee onderzoeksrapporten zijn uitermate kritisch over het functioneren van de undercoverafdeling van de Landelijke Eenheid van de politie. Dat is niet het enige onderdeel van de Landelijke Eenheid waarbij dit soort vernietigende kritiek klinkt. Het is zeer zorgwekkend dat de eenheid waar zulke belangrijke zaken moeten worden opgepakt, z'n eigen zaken maar niet op orde lijkt te krijgen. Al in 2016 werden er maatregelen doorgevoerd, omdat al veel langer bekend is dat er problemen zijn, maar "die hebben helaas niet geleid tot de fundamentele veranderingen die nodig blijken", aldus de politie zelf in een behoorlijk understatement. De onderzoeksrapporten schetsen een beeld van een giftige werksfeer: vriendjespolitiek, slecht management, een hoge werkdruk, weinig perspectief en te weinig begeleiding en ondersteuning. Kan de minister reflecteren op de rol die de vorming van de Nationale Politie volgens haar heeft gespeeld in het ontstaan hiervan?

Door de afbraak van de politie kan de druk om een grote zaak af te ronden vele malen hoger worden, als van een succes boeken je baan afhankelijk is geworden. En als er voldoende personeel is, dan is het toch niet noodzakelijk om mensen die al vele jaren dit zware werk doen en eigenlijk willen en moeten stoppen, te vragen voor nóg een intensieve opdracht? Kan de minister ingaan op het advies van de commissie-Brouwer, die stelt dat er veel te weinig perspectief is voor deze medewerkers als zij dit werk niet langer kunnen of mogen uitvoeren? Wat voor opties ziet de minister op dit gebied?

En als het misgaat, moeten agenten ervan op aan kunnen dat er degelijk en onafhankelijk onderzoek plaatsvindt, zodat er alsnog recht gedaan kan worden en misstanden tijdig kunnen worden onderkend. Maar zowel bij de zelfmoord van de agent als bij de onderzoeken naar de moord op een informant zijn er grote twijfels over de inzet van het OM. Hoe kan het dat een officier onderzoek doet naar de dood van een undercoveragent terwijl diegene ook betrokken is bij het strafrechtelijke onderzoek waarmee de desbetreffende agent bezig was? Mevrouw Helder vroeg daar ook al terecht naar, en anderen deden dat ook. Dat is gewoon niet goed te begrijpen. Ik vind de brief van de minister daarover ook niet voldoende.

Daarbij zegt ook de commissie-Brouwer dat er ethische grenzen zijn geschaad, doordat er kinderen betrokken zijn geraakt bij de undercoveractie. Het Openbaar Ministerie heeft echter geen advies gevraagd aan de Centrale Toetsingscommissie. Dat was natuurlijk wel wenselijk geweest. Kan de minister ingaan op waarom er geen toestemming is gevraagd? Moeten deze waarborgen niet aangescherpt worden? Hoe gaat dat er in de toekomst uitzien?

Tegelijkertijd geven de politiebonden en de politiemedewerkers aan zorgen te hebben over het onderzoek van de Rijksrecherche naar de dood van een criminele informant van de politie. Er zouden onderzoeken in de la zijn verdwenen, getuigen zijn niet gehoord en er zijn geheime onderzoeken naar geheime onderzoeken, waarbij gezegd wordt: er is wel wat misgegaan, maar we beloven u dat dat echt niks te maken heeft met dit soort zaken. Dat kan zo toch niet? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het toezicht op dit soort onderzoeken beter en transparanter wordt?

Deze twee zaken bewijzen ook dat het undercoverwerk en het werken met criminele informanten erg kwetsbaar is: voor de agenten, voor de informanten, voor hun naasten en voor de hele samenleving. En hoe erg dat mis kan gaan, bewijst de IRT-affaire van de jaren negentig. Niet voor niets zijn toen bepaalde onderzoeksmethoden gestopt. Nu betalen we criminele informanten toch flinke bedragen, maar weegt dat op tegen de maatschappelijke opbrengsten? Zijn dit soort methodes ethisch houdbaar? Zijn ze juridisch houdbaar? Leidt het echt tot meer maatschappelijke veiligheid? Of is het een druppel op de gloeiende plaat in de strijd tegen de drugscriminaliteit? Die strijd dreigen we overigens te verliezen, door de jarenlange afbraak van onze politie. Het feit dat dit kwetsbare werk uitgevoerd moet worden binnen afdelingen die slecht functioneren, baart ernstige zorgen. Want als de problemen zo groot zijn, moeten we ons dan niet de vraag stellen of we dit soort onderzoeken op deze manier nog wel verantwoord kunnen blijven voortzetten?

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Knops van de fractie van het CDA.

De heer Knops (CDA):
Voorzitter. De dood van een diender maakt altijd grote indruk. Politiemensen zijn dagelijks in de weer voor onze veiligheid, voor de bescherming van de rechtsstaat, voor het aanpakken van criminelen en voor het opsporen van verdachten. De laatste jaren zien we dat hun werk steeds meer onder druk komt te staan. Zij moeten onder steeds moeilijkere omstandigheden hun werk doen. Soms liggen ze letterlijk onder vuur van criminelen. Het is juist daarom dat elke diender ons grote respect verdient en wij de dure plicht hebben, ook hier vanuit het parlement, om alles in het werk te stellen om de mensen goed toe te rusten en uit te rusten, en hun bescherming zo goed mogelijk te regelen. Des te navranter is het dat de dood van deze undercoveragent, waar we nu over spreken, niet veroorzaakt werd door een dreiging van buitenaf, maar door een ervaren onveiligheid vanuit de eigen politieorganisatie. Ik betuig dan ook vanaf deze plaats namens de CDA-fractie mijn deelneming aan de nabestaanden. Ik wens hun alle kracht toe in deze moeilijke situatie.

Na de dood van deze agent heeft minister Grapperhaus onmiddellijk een onafhankelijke commissie ingesteld die onderzoek heeft kunnen doen naar de feiten en omstandigheden. Die heeft ook onderzocht of er een mogelijk verband was tussen de werkomstandigheden bij de Dienst Specialistische Operaties en de zelfdoding. En dat was er. De conclusies van het rapport waren naar het oordeel van de minister eenduidig en ontluisterend. Hij deelde de gevoelens van ontluistering, verdriet en boosheid die het rapport oproept. De conclusies over het werken bij een zeer gespecialiseerde elite-eenheid, die tot taak heeft bewijs te verzamelen om de grootste criminelen voor de rechter te brengen, zijn snoeihard. Hoe heeft het kunnen gebeuren, zo vraagt de minister, dat het zo uit de hand liep, dat signalen niet werden opgepikt en dat de hogere leiding geen idee had van wat er op de werkvloer speelde? Wat zegt dit over de cultuur, over het leiderschap van deze eenheid? De commissie-Brouwer was snoeihard over het gebrek aan professionaliteit. Dit vraagt dus om een andere aanpak.

Belangrijker nog: wat gaan we doen om dit te voorkomen? Wat de CDA-fractie betreft moeten we niet in een kramp schieten en niet meer regels bedenken, maar wel de signalen serieus nemen, er iets mee doen en niet wegkijken. Want de taak van de DSO kunnen we niet missen, zoals al eerder is gezegd. Natuurlijk zitten er risico's aan dit moeilijke werk, maar juist het inzetten van deze vergaande bevoegdheden is een zwaar middel, dat ons verplicht tot een hoge mate van professionaliteit in de organisatie, zodat er een veilige werkomgeving ten opzichte van de buitenwereld en de eigen organisatie is. Undercoveroperaties vragen mentaal veel van politiemensen: het risico van ontdekking, de mentale druk om herkend te worden en druk op het gezin. Juist in die situatie, waarin isolatie op de loer ligt, moet er een professionele achtervang zijn. Die was echter grotendeels afwezig. Ik vraag de minister dan ook of zij erop wil reflecteren of dit een breder probleem is bij de Landelijke Eenheid. Heeft zij daar zicht op? Ook zou ik graag van de minister horen hoe zij ervoor zorgt dat we weer een DSO krijgen waar mensen veilig hun belangrijke werk kunnen doen en waar de criminelen voor vrezen. Want zoals eerder gezegd, het instrument heeft in de afgelopen jaren getoond buitengewoon nuttig te kunnen zijn bij de opsporing van criminele organisaties.

Het is goed dat de minister alle acht aanbevelingen van de commissie-Brouwer omarmt en 3 miljoen euro ter beschikking stelt om dit mogelijk te maken, maar het gaat vooral om de houding, om het willen begrijpen van het verhaal achter het verhaal. Juist hier heeft de leiding van de teams WOD en DSO gefaald. Het organisatiemodel van de nationale politie laat zich volgens de inspectie niet een-op-een vertalen naar het specifiekere karakter van de afdeling Afgeschermde Operaties. Dat roept de vraag op, mede naar aanleiding van het rapport van de inspectie, in hoeverre de organisatie van de nationale politie adequaat en bij de tijd is, gezien de grote noodzaak in deze tijd om informatie te delen en complexe operaties te runnen.

Er wordt in elk debat gesproken over de capaciteit van de politie en de noodzaak om uit te breiden, ook vandaag weer, maar we weten allemaal dat je geen dienders tevoorschijn kunt toveren. We komen hierover binnenkort nog uitvoerig te spreken. Maar aangezien de Inspectie JenV een aantal knelpunten benoemt die de gehele politieorganisatie raken, stel ik nu toch de vraag: hoe kijkt de minister hiertegenaan? Hoe voorkomt zij eilanden en hoe stimuleert zij intensievere samenwerking tussen de verschillende eenheden? Wat zijn hiervoor op dit moment in haar ogen de grootste obstakels? En ten slotte: kan de minister schetsen hoe de implementatie van de aangekondigde maatregelen gaat plaatsvinden?

Voorzitter. De Haagse regelreflex is natuurlijk bekend en befaamd. Er gebeurt iets vreselijks, de Kamer roept ach en wee, de minister belooft daadkrachtige maatregelen en we hebben weer een lijst met regels erbij. Hoe voorkomen we dat de aanbevelingen en de in te stellen commissie-Sorgdrager gaan zorgen voor een soort afvinklijst met nog meer regels voor de organisatie, waardoor het werk van deze mensen in de praktijk nog moeilijker wordt? Hier past gewoon de toezegging van een daadkrachtige en overtuigende aanpak die ons het vertrouwen geeft dat de dood van deze politieman, met alle verdriet en pijn, ook nog gepaard gaat met iets positiefs: een blik in de spiegel, om ervoor te zorgen dat personeelszorg niet alleen een letter is.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Simons van de fractie van BIJ1.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u, voorzitter. Vanzelfsprekend wil ik graag beginnen met een woord van medeleven aan de nabestaanden. Voor ons als Kamer gaat het debat over de problemen die ten grondslag liggen aan deze verschrikkelijke en tragische gebeurtenis. Maar dat neemt volgens mij niet weg dat we stil moeten staan bij de pijn die dit ongetwijfeld veroorzaakt bij de mensen uit de directe kring van de agent in kwestie. Collega's deden dat eerder ook al. Helaas weet ik uit ervaring dat zelfdoding vaak een complexe mix van emoties losmaakt. Ik wens hun daarbij alle kracht.

Dat gezegd hebbende, en hoe lastig ook, we moeten het hebben over een aantal fundamentele problemen binnen de politie. In de situatie die we vandaag bespreken, heeft de politie simpelweg gefaald. Dat heeft iemand zijn leven gekost. Mensen uit zijn directe kring hebben meermaals aan de bel getrokken, maar de organisatie had geen oog voor het welzijn van haar medewerker. Dat blijkt een breder probleem. Naar aanleiding van verschillende misstanden werden in de afgelopen periode onderzoeken uitgevoerd binnen verschillende onderdelen van de Landelijke Eenheid. De conclusies waren overal hetzelfde: er is sprake van vriendjespolitiek, gebrekkig leiderschap, manipulatie en het in de doofpot stoppen van problemen. Dat is helaas zoals we de organisatie inmiddels een beetje kennen.

Sinds mijn intrede in dit huis heb ik, onder andere op basis van deze bevindingen, meermaals schriftelijke vragen gesteld over misstanden binnen de politieorganisatie. Op een aantal van die vragen bleef concreet antwoord uit. Bijvoorbeeld over consequenties: wanneer gaan we mensen uit de top van de politie verantwoordelijk houden voor falen en wanbeleid? De minister is eindverantwoordelijke voor het functioneren van deze organisatie. Hoe kijkt zij in dat licht bijvoorbeeld naar het functioneren van de korpsleiding, in deze casus maar ook bij de misstanden die volgens de eerdergenoemde onderzoeken op meerdere plekken in de organisatie plaatsvinden? Kan de minister dan ook eindelijk toegeven dat er sprake is van een patroon? Niet alleen zou dat recht doen aan de ernst van de situatie en de gevolgen daarvan, waarvan de tragedie die de aanleiding van dit debat vormt slechts een pijnlijk voorbeeld is, maar het geeft ons ook concrete houvast om een begin te maken met die grondige hervormingen die zo nodig zijn. Is de minister bijvoorbeeld bereid om de onderzoeken die nu zijn uitgevoerd breder te trekken? De resultaten laten mij namelijk zien dat het helaas aannemelijk is dat deze misstanden door de hele organisatie verspreid zijn. Deelt de minister die mening? Zelfs als dat niet het geval is, is ze dan van mening dat het beter is om preventief met zulke signalen om te gaan in plaats van zoals nu achteraf te moeten concluderen dat we meer hadden kunnen en moeten doen?

Voorzitter. Naast de schrijnende gevolgen voor de mensen binnen de organisatie, zijn deze er, vrees ik, ook voor de mensen daarbuiten. Door onder andere aanhoudend etnisch profileren, onrechtmatige inzet van geweld en het ontnemen van demonstratierecht daalt het vertrouwen in de politie steeds verder. In hoeverre kunnen we erop vertrouwen dat deze diepgewortelde problemen daadkrachtig worden aangepakt als de politie haar eigen interne problemen niet eens onder controle krijgt? Wat kunnen we aan verbetering verwachten van agenten op straat als we lezen dat hun leiding geen sturing geeft en misstanden onder het tapijt schuift? Dat is mijn voornaamste oproep van vandaag. Het afhouden van deze misstanden en het niet ter verantwoording roepen van de verantwoordelijken is niet alleen slecht voor de mensen binnen de organisatie, maar het raakt ons allemaal, als gehele samenleving. Het laat zien dat de politie in haar huidige staat, de manier waarop ze nu georganiseerd is en functioneert, niet in staat is of ooit zal zijn om de grote problemen op te lossen.

Voorzitter. Dat is wat mij betreft wat er vandaag op het spel staat. Het is een tragische gebeurtenis, die bergen aan onrecht aan het licht brengt. Onrecht dat bestreden moet worden, niet door middel van hoopvol denken en niet door vast te houden aan de valse droom dat de organisatie zichzelf wel beter kan maken. Nee, dat moet met concreet ingrijpen. Dat kan alleen met drastische hervormingen en een compleet nieuwe cultuur binnen de organisatie. Ik ben benieuwd hoe onze minister daarnaar kijkt. Maar ik hoop vooral dat we daar vandaag een begin mee maken.

Ik dank u, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Kathmann van de fractie van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Kathmann (PvdA):
Dank u, voorzitter. Allereerst wil ik de nabestaanden en de collega's van de agent waar wij vandaag over spreken, mijn medeleven betuigen. Ik ben me ervan bewust dat dit een moeilijke dag is. Als wij hierover spreken, heb je als familie, als nabestaande ook een soort moment van herbeleving. Maar ik vind het vooral moeilijk dat we hier spreken over en niet met, terwijl we allemaal weten hoe duidelijk hun mening is en dat ze misschien ook wel echt hun zegje hier hadden willen doen over het falen en over wat er allemaal gebeurd is met hun dierbare. Daarom vind ik dit debat ook zo moeilijk, ten eerste omdat het pijnlijk is en ten tweede omdat we hier wederom staan en weer het functioneren van de politie ter discussie moeten stellen. We doen dat terwijl we één ding weten: dat al die mannen en vrouwen in het veld niets te verwijten valt. Als wij het er hier over hebben, zou het gevoel kunnen ontstaan dat dat deel van de politie, dat elke dag met hun poten in de klei staat, niet zou functioneren, terwijl ze zich de vouwen uit de broek werken. Dat doet me echt gigantisch pijn. Want we hebben het hier eigenlijk alleen maar over het functioneren van de top.

Ook het undercoverteam waar we vandaag over spreken, doet ongelofelijk belangrijk werk, elke dag weer. Ze zijn cruciaal bij het oprollen van georganiseerde misdaad en ondermijnende criminaliteit. We weten eigenlijk allemaal dat het echte probleem ook een beetje hier ligt, in Den Haag. Want het is code zwart bij de politie, omdat eigen mensen verwaarloosd worden, waardoor het onveilig is op de werkvloer. Het is code zwart omdat er heel lang gewoonweg te weinig middelen zijn uitgetrokken voor een veilige werkvloer.

Het rapport over de undercovereenheid waar we vandaag over spreken, liegt er niet om. De conclusies zijn echt keihard en schokkend. De zelfdoding en de werkomgeving zijn gerelateerd. Mevrouw Helder van de PVV zei het al: dat heeft helemaal niets te maken met het risico van het werk dat ze doen, want dat wisten ze al toen ze eraan begonnen. Daarom heb ik een aantal vragen.

Er lopen verbeterplannen en er zijn onderzoeken van de commissie-Sorgdrager, maar dat gaat allemaal heel veel tijd kosten. Daar kunnen we niet op wachten. Politiemensen moeten nu al goed en veilig hun werk kunnen doen, binnen een cultuur waarin zij zich veilig kunnen voelen, gesteund door hun betrokken leiding. Hoe gaat de minister daar nu al voor zorgen? Eigenlijk wil ik hier vandaag gewoonweg niet weg zonder een tijdlijn van de minister, want in de brief wordt gesproken over aanbevelingen die snel uitgevoerd kunnen worden. Ik wil dan ook heel concreet weten hoe snel welke maatregelen kunnen en hoe de minister ervoor gaat zorgen dat de Kamer de vinger aan de pols kan houden.

De volgende vraag is wat de uitkomst is van de doorlichting door de korpschef van de lopende undercoveroperaties. Zijn er situaties aangetroffen die niet als veilig voor de agent kunnen worden beschouwd? Hoe loopt dat verbeterprogramma?

Dan heb ik een aantal vragen over de rol die de minister zelf wil pakken. Gaat de minister erbovenop zitten? Gaat de minister de regie nemen? Wordt het niet alleen overgelaten aan commissie of korpschef? Gaat de minister er ook voor zorgen dat de Kamer bijvoorbeeld elke drie maanden een rapportage van de voortgang krijgt? Voorgaande sprekers zeiden het al: er is hier echt iets aan de hand. Het vertrouwen in de politie staat op het spel. Dat kunnen we al die mensen die elke dag op pad worden gestuurd echt niet langer aandoen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Van der Plas van de fractie van BBB. We hebben nog twee sprekers te gaan. Daarna schors ik voor het diner.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u, voorzitter. Voorzitter en beste inwoners van Nederland. Allereerst wil ik de nabestaanden van de undercoveragent over wie wij vandaag spreken, sterkte wensen met het voor hen ondragelijke verlies van hun geliefde. Dat wij hier praten over deze zaak is voor hen ongetwijfeld moeilijk, maar hopelijk komt er ook gerechtigheid en genoegdoening. Het is ongelofelijk dat alle alarmbellen werden genegeerd; signalen van hem, maar ook van collega's.

Voorzitter. Onze agenten, onze militairen, onze brandweermensen en alle anderen die verantwoordelijkheid nemen voor onze veiligheid: zij doen wat zij doen vanuit een roeping, een onuitputtelijke toewijding aan Nederland en de veiligheid van zijn burgers. Daarvoor zijn zij bereid tot het uiterste te gaan. Zij offeren soms zelfs hun eigen gezondheid op voor deze toewijding. Wij moeten hier ontzag voor hebben. Echter, ons past ook een andere rol. Als volksvertegenwoordigers en regering moeten wij de hand op de schouder van deze mensen zijn, de stem die zegt: denk aan jezelf. Dat kunnen wij door in dit veilige huis ervoor te zorgen dat er nieuw beleid komt, nieuw beleid dat ervoor zorgt dat agenten beter worden bijgestaan in hun zware werk en de geestelijke belasting die dit voor velen oplevert. Een einde aan machtsspelletjes en vriendjespolitiek.

Deze hand op de schouder is niet alleen nodig voor de undercoveragenten in speciale operaties, maar ook voor de agenten die in hun dagelijkse werk onder zware druk staan en voor de agenten die, bijvoorbeeld op het platteland, waar drugscriminaliteit meer en meer oprukt, een gigantisch gebied met slechts heel weinig menskracht moeten beslaan. De families van onze agenten verdienen ook ruggensteun. Laten we hen niet vergeten.

Kan de minister toelichten hoe de mentale gezondheid en weerbaarheid tijdens de opleiding worden meegenomen? Kan de minister toelichten op welke wijze er na de opleiding, dus wanneer agenten echt actief zijn als agent, aandacht wordt besteed aan deze zaken? Kan de minister aangeven in hoeverre gezinnen van agenten begeleiding krijgen?

Het is ongelofelijk verdrietig dat we de afgelopen twee jaar drie agenten hebben moeten verliezen voordat we het hierover hebben, maar laten we het dan ook voortvarend aanpakken en de put stevig dempen. Hoe gaan we bij de politie een situatie creëren waarin agenten zich veilig voelen om misstanden aan te kaarten, zonder dat ze bang moeten zijn dat zij hun carrière bij het grofvuil zetten? Hoe gaan we ervoor zorgen dat agenten zichzelf niet verliezen in hun werk? Hoe gaan we ervoor zorgen dat ook agenten een veilige werkomgeving krijgen? Het is niet te verkroppen dat de mensen die voor onze veiligheid zorgen, zelf soms niet eens in een veilige werkomgeving zitten. Hoe ziet de minister dit?

Voorzitter. Er is volgens de rapporten niet gehandeld bij sterke aanwijzingen dat het mis zou gaan bij de undercoveragent. Hoe kan dit? Waarom is dit nagelaten? Hoe vaak gebeurt dit nog meer? Is daar een goed beeld van bij de minister? Wat doet de minister om ervoor te zorgen dat er in de toekomst adequater gehandeld wordt?

Dan nog het geval van de officier van justitie die het onderzoek naar de zelfdoding leidt. Hij blijkt uiteindelijk een van de zaaksofficieren in de strafzaak waarin de infiltrant werd ingezet. Daarmee werd het vertrouwen in het onderzoek geschaad. Ik weet dat de minister inmiddels heeft toegegeven dat dit een fout was, maar toch knaagt het. Waarom blijkt er toch elke keer onderzoek na onderzoek belangenverstrengeling te zijn, of in ieder geval een schijn van belangenverstrengeling? Wat is er fundamenteel mis in de Nederlandse bestuurscultuur, dat dit soort belangenverstrengeling meer regel dan uitzondering lijkt? Wil de minister hierop reflecteren? Is het een idee om een extern orgaan te vragen om bij de samenstelling van onderzoekscommissies altijd dubbel te checken of er geen integriteitsconflicten plaatsvinden?

Voorzitter. Ik sluit af. Waakzaam en dienstbaar. Een bekende slogan van de politie. Laten wij ook waakzaam en dienstbaar zijn aan hen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Bisschop van de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter. Ik sluit mij graag aan bij al die collega's die woorden van meeleven in de richting van de nabestaanden van deze politieman hebben gesproken. Een buitengewoon aangrijpend overlijden. Een tragische gebeurtenis. Iets wat eigenlijk nooit had mogen gebeuren. Maar het is gebeurd. Het moet voor hen ontzettend zwaar zijn om met die herinnering te leven. Ik wens hun veel kracht en sterkte toe bij de verwerking en het een plaats geven van dit verlies.

Voorzitter. Deze politieman deed een belangrijk en gevaarlijk werk voor onze samenleving; essentieel in de bestrijding van ondermijnende criminaliteit. We moeten ons blijven afvragen, ook naar aanleiding van deze gang van zeken en alles wat daarmee samenhangt en wat uit de rapporten blijkt, of de effectiviteit van de inzet van werken onder dekmantel nog wel opweegt tegen de mate waarin dit ingrijpt in het leven van deze agenten. Het leven onder een andere identiteit en het aannemen van een ander karakter is ongekend zwaar, zo blijkt telkens weer. Dat gaf de agent ook aan in zijn afscheidsbrief. Zijn leven was hem afgenomen door de persoonlijkheid die hij in de operatie had aangenomen. Hij sprak zijn hoop uit dat hij herinnerd zou worden onder zijn echte naam en met zijn echte persoonlijkheid.

Bij de inzet van werken onder dekmantel moeten we deze proportionaliteitsvraag aan de voorkant scherper stellen. De commissie-Brouwer concludeert dat de risico's die de langdurige en intensieve inzet van de infiltrant met zich meebrachten onderkend hadden kunnen en moeten worden. Dat had behoord bij de professionele begeleiding.

Als we dit middel in de toekomst willen blijven inzetten, moeten gedurende het proces niet alleen de wettelijke waarborgen, maar ook de ethische aspecten worden afgewogen. Mijn eerste vraag aan de minister raakt dit punt. Kan de minister aangeven hoe deze afweging van de ethische aspecten in de toekomst wordt geborgd gedurende het proces?

In het verlengde daarvan: heeft het feit dat hier een ethische afweging ontbrak, te maken met capaciteitstekort op de afdeling? Zo ja, is de minister bereid om daar zo spoedig mogelijk maatregelen in te nemen?

Voorzitter. Dan over de rol van het Openbaar Ministerie. Wij hebben het rapport met enige verbazing gelezen. De SGP heeft zo haar twijfels over de rol van het OM, zowel in het onderzoek als in de zaak waaraan de agent werkte. De officier van justitie die het Rijksrechercheonderzoek naar de suïcide van de undercoveragent vorig jaar leidde, was ook zaaksofficier in de strafzaak waarvoor de infiltrant werd ingezet. Mijn vraag aan de minister: kan de minister aangeven waarom niet eerder is onderkend dat dit onderzoek beter geleid had kunnen worden door een andere officier van justitie? Dan wordt gezegd: rechtsstatelijk gezien is de positie van het OM eigenstandig. Dat zal allemaal waar zijn, maar als er niet een lampje gaat branden op het moment dat een dergelijke beslissing wordt genomen, zijn er toch vrienden, zou ik zeggen, die iemand erop moeten attenderen dat het zo niet kan en dat er een andere beslissing genomen moet worden. De minister geeft dat achteraf toe. Maar goed, ik wacht de motie van de fractie van de PVV graag af.

Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie voorafgaand aan het traject geen toestemming gevraagd aan de Centrale Toetsingscommissie. Dat blijft ook in de brief van de minister van vorig jaar een vaag punt. Ik zou daar graag toelichting op willen hebben.

In het rapport doet de commissie-Brouwer aanbevelingen voor een onafhankelijke commissie om te komen tot een sluitend stelsel van waarborgen in het heimelijke domein. Nou, dat is mooi. Maar wat is dan de rol nog van de Centrale Toetsingscommissie? In het hele rapport komt naar voren dat het OM gefaald heeft in het toezicht op deze zaak, laten we het kind maar bij de naam noemen. Van een professionele organisatie als het OM mag verwacht worden dat het tijdens dit soort infiltraties zeer oplettend is en de signalen van de agenten in het bijzonder serieus neemt. En dat is níét gebeurd.

Voorzitter. Kijkend naar de toekomst. De SGP deelt de conclusie in het rapport-Brouwer dat de afdeling Werken Onder Dekmantel ernstig tekortgeschoten is, voor zover wij dat kunnen beoordelen op basis van de beschikbare gegevens, en dat de professionaliteit van de organisatie als geheel ernstig te wensen overlaat. De korpsleiding van de politieorganisatie, die waakt over de veiligheid van de burgers in Nederland, schiet tekort in het beschermen van haar eigen mensen. De afdeling Afgeschermde Operaties en de dienst waartoe deze behoort, is dringend aan een grondige renovatie toe. Daarbij moet er, zoals ik al zei, meer aandacht komen voor de ethische aspecten van het politiewerk.

Bij deze undercoveracties moet vooropstaan dat het gevaarlijke en belangrijke werk dat deze agenten voor de veiligheid van Nederland doen, niet boven de veiligheid van het leven van de agenten zelf staat. Hoe gaat de minister dit borgen?

Voorzitter, hierbij wilde ik het laten. Dank u zeer.

De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover de termijn van de Kamer. Ik schors tot 18.45 uur en dan gaan we luisteren naar de antwoorden van de minister.

De vergadering wordt van 17.52 uur tot 18.48 uur geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dank u wel, voorzitter. Dit is een debat dat ons allen aangrijpt. Vanaf mijn eerste dag als minister heeft de Landelijke Eenheid mijn aandacht. Ik heb kennisgenomen van alle onderzoeken, ook van het rapport van de commissie-Brouwer over de suïcide van de politiemedewerker die werkzaam was als infiltrant. Ik kan mij voorstellen dat dit rapport hard is aangekomen bij nabestaanden en collega's. Het rapport heeft ook mij aangegrepen. Ik wil mijn oprechte deelneming betuigen. Ik besef heel goed dat er nu nabestaanden en collega's naar dit debat kijken, ons horen spreken over rapporten en bevindingen, over casuïstiek en waarborgen, maar ondertussen hun geliefde, hun collega voor ogen hebben, een mens. Ik denk dat ik namens iedereen hier spreek — maar laat ik het vooral bij mezelf houden — als ik zeg: er is geen moment dat ik dat vergeet. Het is dus meer dan vanzelfsprekend dat uw Kamer vandaag scherpe vragen stelt, die zoeken naar de waarheid, naar wat er gebeurd is, en die zoeken naar waarborgen voor de toekomst. Hierin staan we schouder aan schouder. Dat is ook precies mijn inzet.

Ik denk dat het goed is om alle onderzoeken die er zijn en de onderwerpen die in de verschillende inbrengen langskwamen, in twee categorieën te verdelen. We hebben aan de ene kant de onderzoeken van de inspectie, waarvan u een deel al van mijn voorganger heeft gekregen. Deze onderzoeken laten zien dat er bij de Landelijke Eenheid sprake is van een patroon van problemen. Die problemen raken aan de organisatie, de sturing en de cultuur. Dat vraagt om een stevige meerjarige aanpak die de basis verbetert. Aan de andere kant zijn er de onderzoeken naar concrete zaken. Daar kom ik in het tweede deel van mijn verhaal op. Daar zijn ook veel vragen over gesteld.

De verschillende onderzoeken van de inspectie hebben de acute onderliggende problematiek bij de Landelijke Eenheid goed in beeld gebracht. Er kunnen nu maatregelen worden getroffen om deze problematiek aan te pakken en om richting de toekomst te werken aan een stevige basis voor de Landelijke Eenheid. De korpschef heeft al een verbeterprogramma bij de Landelijke Eenheid in gang gezet om de acute problematiek aan te pakken. Deze maand verwacht ik het tussenadvies van de commissie-Schneiders over de verbeteringen die nodig zijn om de onderliggende oorzaken aan te pakken. Na ontvangst van dit advies zal ik uw Kamer hierover informeren. Dit advies zal verder richting geven aan het verbeterprogramma van de korpschef.

Bij het team Werken Onder Dekmantel worden heel specifieke maatregelen getroffen. Dat is nodig omdat uit onderzoek is gebleken dat de professionaliteit van het team ernstig tekort is geschoten. Dat is niet acceptabel, want undercoverwerk is onmisbaar in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Inmiddels zijn alle trajecten waarbij dit team betrokken is, doorgelicht op onverantwoorde risico's. De korpschef en het College van procureurs-Generaal hebben mij verzekerd dat zij het vertrouwen hebben dat de lopende trajecten op verantwoorde wijze kunnen worden voortgezet, waarbij ze hebben aangetekend dat nooit alle risico's verbonden aan heimelijke werkzaamheden weggenomen kunnen worden.

De politie heeft ook de eerste stappen gezet om het team Werken Onder Dekmantel structureel te professionaliseren. De komende tijd zal uitvoering worden gegeven aan de overige aanbevelingen van de commissie-Brouwer. Verder zal een commissie onder voorzitterschap van oud-minister Winnie Sorgdrager adviseren over een sluitend stelsel van waarborgen voor heimelijk werken. Deze commissie zal met visitaties toetsen of de noodzakelijke verbeteringen bij Werken Onder Dekmantel echt worden uitgevoerd. Met dit geheel aan maatregelen wordt gewerkt aan een structurele verbetering van en een stevige basis voor de Landelijke Eenheid.

Dan de onderzoeken naar concrete zaken. Die raken ook aan de Landelijke Eenheid. In uw vragen komen het rijksrechercheonderzoek naar de doodsoorzaak van de politie-infiltrant en het feitenonderzoek naar gebeurtenissen waarbij het Team Criminele Inlichtingen was betrokken terug. In de media heb ik gezien dat er signalen zijn die over die onderzoeken twijfel en kritische vragen oproepen. Ook gezien de brede problematiek bij de Landelijke Eenheid kan ik mij goed voorstellen dat uw Kamer hierbij stil wil staan. Het gaat hier om zaken die hebben gespeeld in een zeer vertrouwelijke omgeving. Het is in het belang van ons allemaal om deze vertrouwelijkheid te respecteren. De identiteiten van infiltranten en informanten mogen nooit bekend worden. Dat zou een groot gevaar opleveren voor de mensen die dit belangrijke werk doen en hun omgeving. Daarom is deze informatie slechts bij een beperkt aantal mensen bekend en zijn onderzoeken naar concrete gevallen als vertrouwelijk of geheim gerubriceerd. Vanwege de noodzakelijke geheimhouding kan ik uw twijfel en ongemak niet geheel wegnemen. De uitkomsten van de onderzoeken zijn ook voor mij een gegeven. Daarbij vertrouw ik op de integriteit en professionaliteit van de onderzoekers. Wel vind ik het heel belangrijk dat signalen over de integriteit van deze onderzoekers serieus worden genomen.

Voorzitter. Ik wil beginnen bij het feitenonderzoek naar de twee gebeurtenissen waarbij Team Criminele Inlichtingen was betrokken. Hierover heb ik de signalen vernomen dat niet iedereen gehoord zou zijn die gehoord wilde worden. Ook hier heb ik geen reden om aan het onderzoek te twijfelen, maar ben ik het wel met uw Kamer eens dat er, zeker in het licht van alle problematiek rond de Landelijke Eenheid, geen ruimte is voor ruis of, steviger, voor mensen die zeggen dat ze niet gehoord zijn. Ik zal het OM en de politie vragen om na te gaan of echt iedereen gehoord is die gehoord wilde worden en mij hierover op de hoogte te stellen. Uiteraard zal ik daarop ook bij uw Kamer terugkomen.

Voorzitter, mag ik mijn verhaal even afmaken? Ik heb namelijk nog wel een beetje. Maar dan heb ik het tweede deel van …

De voorzitter:
Dit is een soort inleiding eigenlijk, hè?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja. Ik kom daarin wel echt op een aantal elementen terug. Ik begrijp de behoefte aan interrupties, maar …

De voorzitter:
Ja. U maakt het even af.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
... misschien mag ik het tweede deel even afmaken, want het gaat ook nog over het onderzoek van de Rijksrecherche naar de doodsoorzaak van de politie-infiltrant. Ik weet dat er zorgen zijn ontstaan over de objectiviteit van het onderzoek. Die zorgen zijn er, omdat de officier van justitie die het onderzoek naar de doodsoorzaak leidde, ook was betrokken bij het onderzoek waarin de politie-infiltrant opereerde. Het OM heeft mij laten weten te betreuren dat hierover twijfels zijn ontstaan en dat het erkent dat de inzet van een andere officier van justitie achteraf gezien deze twijfels waarschijnlijk zou hebben voorkomen. Ik ga op zeer korte termijn in gesprek met het OM, om te bezien hoe in de toekomst iedere schijn van vooringenomenheid kan worden vermeden. Het is goed om te benadrukken dat het OM mij heeft verzekerd dat het vertrouwt op de zorgvuldigheid en objectiviteit waarmee dit Rijksrechercheonderzoek naar de doodsoorzaak van de politie-infiltrant is uitgevoerd. Ik heb geen reden om hieraan te twijfelen. Maar ik ga, zoals gezegd, wel met het OM in gesprek over de toekomst.

Voorzitter. Ik heb nog een allerlaatste punt, als het mag. Daarna heb ik natuurlijk nog alle vragen. Als allerlaatste heb ik nog wat woorden richting de politiemedewerkers in het heimelijk domein. Het is nu natuurlijk het allerbelangrijkste dat zij een veilige werkomgeving verdienen, waarin zij zich beschermd weten en ondersteund worden, zodat zij buiten alle schijnwerpers dit zware en zo belangrijke werk kunnen blijven doen, voor uw en onze veiligheid. Ik zal me daarvoor ook de komende periode inzetten.

Ik had eigenlijk door willen gaan met de eerste vraag van mevrouw Helder over hoe ik kijk naar het feitenonderzoek door het Openbaar Ministerie bij Team Criminele Inlichtingen, maar wellicht wil zij alvast een andere vraag stellen.

De voorzitter:
Mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):
Eigenlijk wil ik duizend-en-een-vragen stellen. Ten eerste zit de huidige korpschef er al vanaf 2010, sinds de vorming van de nationale politie. Uit verschillende rapporten blijkt dat daar de kiem van het probleem is gelegd. Mijn eerste vraag is: hoe moeten we erop vertrouwen, na deze hele stapel van ellende, dat nou net deze korpschef die aanbevelingen gaat uitvoeren?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Een van de Kamerleden zei het al: er zijn heel veel rapporten en bevindingen, maar we zijn er niet klaar mee. We blijven het met elkaar in de gaten houden, of het de commissie-Sorgdrager is of de commissie-Schneiders, die nu met een tussenrapportage komt en tegen de zomer met een eindrapportage. Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat wij dat vervolgens gezamenlijk in de gaten blijven houden. Dat is een van de vragen die ik bijvoorbeeld van mevrouw Kathmann kreeg, namelijk: hoe kunnen we dat blijven volgen? Er komt elk halfjaar een rapportage. Dat was u al gewend, maar dat blijft zo. Daarin laten we die elementen terugkomen die de Kamer belangrijk vindt, zodat het gevolgd kan worden.

Mevrouw Helder (PVV):
Er zijn allerlei commissies en er verandert gewoon helemaal niets. De mensen op de werkvloer hebben er geen enkel vertrouwen in. Het zijn nou net deze mensen aan de top, onder wie de problemen zijn ontstaan, die de problemen moeten gaan oplossen. De minister is nieuw. Zij kan daar natuurlijk niet veel aan veranderen. Maar het zijn dezelfde mensen die deze minister moeten informeren. Ten eerste heb ik er totaal geen vertrouwen in dat zij het gaan oplossen. Ik heb er ook geen vertrouwen in dat ze de minister juist informeren. Dat heb ik ook in mijn spreektekst gezegd. De minister is al twee keer verkeerd geïnformeerd. Ik begrijp niet dat de minister zegt dat ze geen aanleiding heeft om het oordeel van het Openbaar Ministerie niet te vertrouwen. Ze zei dat ook toen het College van procureurs-generaal weer om de hoek kwam kijken bij Team Criminele Inlichtingen. Waarom zegt de minister twee keer dat ze in twee verschillende situaties geen aanleiding ziet om niet op het oordeel van het Openbaar Ministerie te vertrouwen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik heb geen concrete aanleiding om te zeggen dat het verkeerd is gegaan en dat het een andere uitkomst had moeten hebben, maar tegelijkertijd gelden er nog twee dingen. Ten eerste: ik weet dat mevrouw Helder hier jaren geleden al aandacht voor heeft gevraagd. Dat heeft zij structureel gedaan, naar aanleiding van geluiden die ze uit de organisatie hoorde. Volgens mij is dat superwaardevol. Ik hoop ook dat we op die manier informatie blijven ophalen. Ik laat mij breed informeren. Dat heb ik altijd gedaan als Kamerlid en dat ga ik nu niet anders doen. Ook al heb ik nu geen reden om te zeggen dat de onderzoeken opnieuw moeten of niet deugen, vind ik wel dat ik met het OM om tafel moet om te kijken hoe elke schijn van vooringenomenheid in de toekomst kan worden vermeden. Ik ben het volledig met de Kamerleden eens dat je daar geen gesprek over wilt voeren. Dat moet heel duidelijk zijn. Dat zeg ik erbij.

Wat betreft het andere onderzoek naar het Team Criminele Inlichtingen, waarbij politie en justitie betrokken waren: er is aangegeven dat er mensen niet gehoord zijn die wel gehoord hadden willen worden. Ik zeg niet: ik neem daar kennis van en ik leg me daarbij neer. Ik vraag aan politie en justitie om daar opnieuw naar te kijken en om dit aan mij terug te koppelen. Op die manier kan ik aan u terugkoppelen wat er met die geluiden gedaan is. Wat hier voorligt, de waarborgen die er zijn en wat ik kan doen, laten zien dat ik niet zomaar dingen aanneem. Ik heb nu geen aanleiding om die onderzoeken opnieuw te laten doen, maar ik ga wel heel serieus met die geluiden aan de slag.

Mevrouw Helder (PVV):
Maar er is wel aanleiding om eraan te twijfelen. Tijdens een debat met de vorige minister over het Team Criminele Inlichtingen heb ik uit betrouwbare bron vernomen dat wat er in het rapport staat, niet klopt. Er zijn twee getuigen niet gehoord. Toen is die commissie er gekomen. Die commissie zegt: er is geen aanleiding om nu te twijfelen aan de uitkomst. Vervolgens krijgen we het bericht dat er weer een getuige niet is gehoord. Er zijn dus twee concrete aanleidingen om niet meer op dat oordeel te vertrouwen. Ik begrijp het dus oprecht niet.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik begrijp de frustratie van mevrouw Helder wel. Ik begrijp ook waarom ze mij deze vraag stelt. Het Team Criminele Inlichtingen werkt met zeer vertrouwelijke informatie, zoals mevrouw Helder uiteraard weet. Om die reden is de manier van onderzoek doen anders dan we gewend zijn bij andere instanties, organisaties en afdelingen, waar we gewoon openbaar onderzoeken kunnen uitzetten en waarvan we het hele onderzoek en vervolgens ook de aanbevelingen hier kunnen bespreken. Dat ligt hier anders. Maar ik heb ook gezegd, en dat zeg ik nog een keer tegen mevrouw Helder, dat ik wil dat hier aandacht aan wordt besteed. Ik wil niet hebben dat we de inbreng niet meenemen van mensen die zeggen dat ze gehoord hadden moeten en willen worden. Bij zulke zware onderzoeken vind ik het heel erg belangrijk dat daar geen ruis — dat woord klinkt misschien oneerbiedig, maar zo bedoel ik het absoluut niet — en gedoe omheen is. Ik wil dat het onderzoek vertrouwd wordt, zodat we vooruit kunnen. Dat is voor mij heel belangrijk. Dat is ook de reden waarom ik in dit geval richting de politie heb gezegd: zorg nou dat je daar aandacht aan besteedt en dat je terugkoppelt, zodat we het ook met elkaar kunnen volgen. Want je wilt vooruit kunnen. Ik zie geen concrete aanleiding om te zeggen dat het hele onderzoek opnieuw moet, maar het is ook niet zo dat ik de signalen zomaar naast me neerleg en zeg: waarvan akte. Dat zeker niet.

De heer Van Nispen (SP):
Ik voel eigenlijk wel met mevrouw Helder mee. Dat komt omdat het niet voor het eerst is dat we toch vragen moeten stellen over het onderzoek op zichzelf. Er zijn nog veel meer vragen te stellen in dit debat, over de zaak zelf en over zaken die fout zijn gegaan, maar ook over het onderzoek. Wat zegt dit nou? Wat is nou de analyse van de minister? Hoe kan het nou dat dezelfde officier betrokken is bij het onderzoek dat dan onafhankelijk moet zijn? Hoe kan het nou dat een hele belangrijke getuige ons moet vertellen niet te zijn gehoord? Wat is daarvan nou de analyse van de minister? Is er dan wel echt de wil om te weten wat er gebeurd is?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat denk ik wel. Ik denk dat er oprecht wordt gekeken hoe we ervoor kunnen zorgen dat we lessen leren uit het verleden, dat het beter wordt en dat we onze mensen beter beschermen. Ik heb er echt vertrouwen in dat daar vol overtuiging aan wordt gewerkt. U heeft in de brief die ik gisteren heb verzonden kunnen lezen over het onderzoek van de Rijksrecherche en de rol van het OM. Dat gaat precies over de vraag van de heer Van Nispen over hoe het nou kan dat dat twee keer dezelfde persoon is. Het is een gangbare procedure, werkwijze. Daarvan heb ik wel gezegd dat ik met het OM om tafel ga om te kijken of dat niet anders moet en of je er niet voor moet willen zorgen dat elke schijn van vooringenomenheid vermeden wordt. Op deze manier gaan we het volgens mij steeds scherper en beter krijgen, zodat die verbeterstappen worden ingevoerd. Maar ik heb er alle vertrouwen in dat de mensen die daar nu mee bezig zijn dit ook voelen. Die trekken zich dit ook aan. Zij willen het ook beter maken, voor henzelf, maar natuurlijk ook vooral voor de collega's die daarin werken.

De heer Van Nispen (SP):
Het is eigenlijk heel erg dat het überhaupt nodig is dat de minister dat gesprek moet voeren om uit te leggen dat je beter geen schijn van vooringenomenheid kunt hebben als je onafhankelijk onderzoek wil. We kunnen dus alleen maar hopen op beterschap voor de toekomst en dat aan de minister meegeven. Dat brengt mij wel op een andere vraag. De minister zei in de inleiding — ik heb trouwens waardering voor de inleiding en de warme woorden — dat ze kennis heeft genomen van alle rapporten. Maar dan is toch de vraag: weet de minister zeker dat zij alle relevante informatie heeft gehad en dat zij ook inzage heeft gehad in de rapporten, bijvoorbeeld over het TCI?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat is zó vertrouwelijk. De heer Van Nispen heeft daar gelijk in. Ik heb de integrale brief met de bevindingen en de uitkomsten gekregen. Die heb ik ook doorgestuurd aan de Kamer, ook om te laten zien dat dit het deel is dat ik heb. In mijn inleidende tekst zei ik ook al dat hier natuurlijk wel ongemak zit. Aan de ene kant willen we met z'n allen volledig kunnen doorgronden wat er hier is gebeurd, wat er aan de hand is en of dit de verbeterstappen zijn. Aan de andere kant gaat het over heimelijke operaties, over het beschermen van de identiteit en het beschermen van die operaties. Daarin moet je met elkaar ... Ja, ik vind het zelf ook ongemakkelijk. Daar kunnen wij niks aan veranderen, want wij willen allebei, allemaal, dat die operaties vervolgens ook beschermd blijven. Ik geloof ook heel erg in de meerwaarde van dergelijke operaties. Dat betekent dat we absoluut moeten leren van de lessen, en niet "ooit een keer", maar nú, snel en zorgvuldig. Dat is mijn inzet.

De heer Van Nispen (SP):
Dat maakt het wat mij betreft ook een heel lastig debat, omdat niet alles gedeeld kan worden. De minister heeft niet alle informatie. Die moet zich hier wel verantwoorden voor zaken die fout zijn gegaan en beterschap beloven — daar hopen we dan maar op. En de heer Knops zei terecht dat we niet in de reflex, de kramp, moeten schieten dat we allemaal nieuwe regeltjes bedenken. Dat klopt, maar de kern is dat niemand wil dat dit nog een keer gebeurt. Hier zitten allemaal mensen die gemotiveerd zijn om te voorkomen dat het nog een keer gebeurt, zonder dat we precies te weten krijgen wat er is misgegaan, omdat we niet alle informatie hebben. Als mensen zich bij ons melden omdat bepaalde relevante verslagen uit de systemen zijn gehaald, dan kan ik daarover wel een vraag stellen aan de minister, maar dan kan de minister dat zelf ook niet weten. Dat maakt het wel heel erg ingewikkeld.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat laatste deel ik, maar er liggen wel heel veel grondige rapporten. Er wordt een heleboel goed in de gaten gehouden. Ik zal niet al die rapporten herhalen, want dan wordt het een heel ambtelijk en technisch debat. Maar het is niet zo dat we zeggen: op hoop van zegen en we zien wel. We zijn er zelf bij, er liggen hele duidelijke verbeterpunten, we nemen alle aanbevelingen over en we gaan het ook met elkaar in de gaten houden — ik natuurlijk primair vanuit mijn rol. Ik zal dat ook terug laten komen bij alle gesprekken die ik heb met politien en justitie, en ik zal zorgen dat we dat ook rapporteren in die halfjaarsberichten. Er zit dus wel heel veel sturing op en we hebben veel momenten van grip.

Voorzitter. Ik wilde eigenlijk overgaan naar de vraag van mevrouw Helder over het Team Criminele Inlichtingen, maar die is in de interrupties al langsgekomen. Daar komen we straks misschien nog een keer over te spreken. Ik heb een paar mapjes. Is het handig als ik zeg welke dat zijn?

Ik begin met de Landelijke Eenheid in z'n algemeen. Daar valt een heleboel onder. Dan heb ik de lopende onderzoeken en daarna heb ik de Centrale Toetsingscommissie. Dan heb ik hier iets waarvan ik niet kan lezen wat het is, maar dat gaat over … Daar kom ik zo op. En dan heb ik nog een blokje overig. Ik stel voor dat ik die laatste onder overig laat vallen, dus dan hebben we dat ook opgelost.

Voorzitter. Ik begin met de Landelijke Eenheid. Daarover had ik vragen van onder anderen mevrouw Van der Werf en mevrouw Michon. Zij vragen: wanneer wordt de Landelijke Eenheid nu structureel hervormd en hoe wordt de Kamer hierbij betrokken? De onderzoeken van de Inspectie Justitie en Veiligheid hebben duidelijk gemaakt dat de problematiek bij de Landelijke Eenheid echt vraagt om een aanpak van grondoorzaken. Er zijn inderdaad structurele verbeteringen nodig die raken aan de organisatie, aan de sturing en aan de cultuur. De korpschef heeft al een verbeterprogramma in gang gezet om acute problematiek aan te pakken. Deze maand verwacht ik zoals gezegd het tussenadvies van de commissie-Schneiders over de verbeteringen die nodig zijn om de onderliggende oorzaken aan te pakken. Het tussenadvies zal een advies zijn dat is gericht op de korte termijn. Het eindadvies krijgen we tegen de zomer en dat gaat over de lange termijn. We zorgen ervoor dat al die elementen die voor de sturing en ook voor het volgen daarvan relevant zijn, in die halfjaarlijkse rapportages van daarna terugkomen. Na ontvangst van het tussenadvies zal ik natuurlijk ook de Kamer informeren en daar zullen we dan ook ongetwijfeld met elkaar over in gesprek gaan. Dit advies zal verder richting geven aan het verbeterprogramma van de korpschef. Ik zal de inspectie vragen op een later moment te onderzoeken of die verbeteringen ook daadwerkelijk hebben geleid tot het gewenste effect. Dat is ook nog een beetje een antwoord op de heer Van Nispen. Dat zijn allerlei stappen die we ook inbouwen om ervoor te zorgen dat we zelf in control blijven en dat we het kunnen volgen.

Dan had de heer Van Nispen de vraag wat de rol is geweest van de vorming van de nationale politie bij de problematiek van de Landelijke Eenheid. Ik begrijp waarom die vraag wordt gesteld, ook gezien de onderzoeken overigens. Zoals ik al schreef in mijn brief van 25 januari, hangt de problematiek bij de Landelijke Eenheid samen met enkele grondoorzaken. Een van die oorzaken is de toepassing van uniforme inrichtings- en sturingsprincipes op alle operationele politie-eenheden. Het blijkt inmiddels dat dit niet passend was, aangezien de landelijke eenheid een wezenlijk andere eenheid is met andere taken. Dat is dus een forse les. Ik verwacht dat het advies van de commissie-Schneiders, dat ik later deze maand hoop te ontvangen, nader ingaat op de wijze waarop de grondoorzaken van de problematiek moeten worden aangepakt. Maar ik denk dat dat de kern is van het antwoord op de vraag van de heer Van Nispen: het was gewoon te veel een model erop plakken en dat past niet bij de Landelijke Eenheid.

De heer Knops vraagt hoe het zo uit de hand heeft kunnen lopen en wat dit zegt over de leiding. Daar waren ook verschillende andere vragen over. Ik denk dat de problematiek bij de Landelijke Eenheid een samenloop is van verschillende factoren. Er zijn, zoals gezegd, verbeteringen nodig in de organisatie, in de sturing en in de cultuur. In het geval van de afdeling Afgeschermde Operaties en de inzet van undercoveragenten was er ook echt te weinig aandacht voor het mentale welzijn van infiltranten en voor ethische aspecten van de undercoveroperatie. Daar kom ik straks ook op terug. Het is dus heel complex. Het zou te makkelijk zijn — dat is ook niet wat de heer Knops zei — om de problematiek volledig te wijten aan leidinggevenden of aan het niet functioneren of het falen daarvan. De korpschef is belast met de leiding van de politie. Het is dus uiteindelijk aan de korpschef om in te grijpen als er sprake is van niet-functionerende leidinggevenden. Vanuit mijn plek kan ik me daar niet op die manier mee bemoeien, maar in dit geval denk ik echt dat het een combinatie van factoren is, zoals ook de onderzoeken laten zien.

Onder anderen mevrouw Helder en volgens mij ook mevrouw Van der Werf vroegen wanneer we de mensen in de politietop verantwoordelijk gaan maken. Het antwoord ligt in het verlengde van het antwoord dat ik aan de heer Knops gaf: ik denk dat de problematiek te complex is om te zeggen dat het alleen aan de leidinggevenden ligt. Het is aan de korpschef om daar vervolgens sturing aan te geven. Daar kan ik me vanaf deze plek niet tegenaan bemoeien.

Mevrouw Kathmann vroeg wat de tijdlijn voor verbeteringen is. Daar heb ik al een paar keer wat over gezegd. Hoe wordt de Kamer betrokken? Ik snap dat u dit wilt kunnen volgen. We blijven de halfjaarsberichten over de politie naar de Kamer sturen. Daar zal echt heel duidelijk in staan wat de verbeteringen bij de Landelijke Eenheid inhouden en wat de stand van zaken daarvan is. Dat gaat dus over de voorgenomen en getroffen maatregelen. Dat stuk wordt natuurlijk elke keer ook weer aangepast en geüpdatet aan de hand van de rapportages die wij krijgen, zodat we goed kunnen volgen wat er aan de hand is. Ik denk dat ik dan ... Anders ga ik in herhaling vallen, want daar heb ik al het een en ander over gezegd.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik heb een vraag over het vorige punt, de leidinggevenden. Ik wil de minister een compliment maken, want ik vind het chic dat zij zegt dat het aan de korpschef is en dat zij een andere rol heeft. Als parlementariër heb ik helemaal een andere rol. Ik pas er ook voor om het hier over leidinggevenden te hebben. Maar aan de andere kant kan het probleem niet los gezien worden van de leidinggevenden. Dat punt wil ik hier wel gemarkeerd hebben. We gaan daar verder niet inhoudelijk op in. Maar als ik al die rapporten zie, dan kan het niet anders dan dat ik in dit debat hoop dat de korpschef zijn verantwoordelijkheid neemt en ook richting leidinggevenden de maatregelen neemt die nodig zijn.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja, zo bedoelde ik mijn antwoord ook. Het is een combinatie van complexe factoren. Leidinggeven kan daar ook onder vallen. Het is dan inderdaad aan de korpschef en de organisatie om daar goed mee om te gaan en om ervoor te zorgen dat het wél goed functioneert. Het is wat mij betreft niet aan mij of aan ons in dit debat om daar nu een oordeel over te vellen, maar dat wil niet zeggen dat dat niet een onderdeel is van de complexe factoren waar je goed naar moet kijken en waar de onderzoeken ook naar kijken.

Mevrouw Kathmann (PvdA):
Mijn vraag over de tijdlijn ging specifiek over de aanbevelingen voor het undercoverteam. In de brief werd erover gesproken dat een aantal aanbevelingen zeer snel zou kunnen worden omgezet. Ik weet niet of daar nog op teruggekomen wordt of dat mijn vraag daarnet was beantwoord.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat is het team Werken Onder Dekmantel. Daar zijn heel concrete aanbevelingen voor gedaan. De eerste stappen zijn ook in gang gezet. Niemand zit dus stil. Het gaat over het aanstellen van psychologen en extra leidinggevenden. Dat wordt vormgegeven en ook dat komt terug in de halfjaarsrapportage, zodat uw Kamer dat ook kan volgen. De middelen van de motie-Hermans, 3 miljoen, gaan onder andere naar dat soort elementen. Dat is dus allemaal te volgen voor de Kamer, althans dat is mijn intentie. Zo zijn de halfjaarsrapportages bij mijn weten in het verleden gevuld en zo zal ik dat wat mij betreft nu ook gaan doen.

Mevrouw Kathmann (PvdA):
Dan heb ik nog wel een vervolgvraag. Er wordt specifiek gezegd dat een aantal maatregelen snel genomen kan worden. Welke maatregelen zijn dat? Hoe snel? Misschien vind ik een halfjaar voor sommige maatregelen een beetje te lang. Kan dat sneller? Of kunnen we de tijdlijn in ieder geval sneller krijgen? Op die manier kunnen we veel meer de vinger aan de pols houden over wanneer het veilig is op de werkvloer. Want we weten dat dat nu gewoon niet zo is.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik begrijp die vraag heel goed. Volgens mij moeten we het inderdaad opknippen. Sommige dingen kunnen sneller. Wil je de hele Landelijke Eenheid op orde hebben, zoals we dat met elkaar zouden willen, dan duurt dat een langere tijd. Daar moeten we ook eerlijk over zijn. Dat zal veel langer duren dan een paar weken of een paar maanden. Dat zal een proces van jaren zijn, want het gaat daar echt over het aanpakken van fundamentele problematiek. Ik denk dat we met de twee rapporten die we nog gaan krijgen, de maatregelen en aanbevelingen allemaal bij elkaar hebben. En dan heb ik het nog niet eens over de commissie-Sorgdrager die specifiek kijkt naar Werken Onder Dekmantel. Ondertussen worden al stappen gezet, zoals het aanstellen van psychologen en extra leidinggevenden. Ik kan kijken of we dat nog in een soort van planning kunnen zetten, maar daarvoor ben ik ook eigenlijk afhankelijk van het rapport met het tussenadvies van Schneiders en van het eindadvies tegen de zomer. Misschien kunnen we de Kamer iets meer structuur bieden, zodat zij in ieder geval weet wanneer wat komt op welke manier, dus wanneer de halfjaarsrapportage komt en wat je daarin kunt terugvinden. Dat geeft iets meer houvast.

Dan heb ik eigenlijk al antwoord gegeven op de vragen over de aangekondigde 3 miljoen en waar die precies voor gebruikt worden. Dat is dus voor het professionaliseren van Werken Onder Dekmantel. Dan gaat het over het creëren van kleinere teams met eigen leidinggevenden, het aanstellen van deskundigen voor mentaal welzijn, waaronder psychologen, budgetten voor vakontwikkeling en bijscholing en budgetten voor de transitie naar een andere baan buiten het heimelijk domein. Dat laatste is het antwoord op de perspectiefvraag die ook langskwam. Dat zijn allemaal onderdelen die dankzij de motie-Hermans nu in beweging gezet zijn en kunnen worden.

De heer Van Nispen vroeg of ik kan reflecteren op het advies van de commissie-Brouwer waarin staat dat er weinig perspectief is voor medewerkers. Dat is precies waar we het zojuist over hadden. Medewerkers voelen zich aan hun lot overgelaten en worden niet gefaciliteerd door de organisatie. Dat is een harde conclusie, maar het is nog veel harder om daarin te moeten leven en werken. Het maakt de kans op een nieuwe werkplek na een rol als undercover ook nog eens heel klein. Om de medewerkers te ondersteunen zal er geïnvesteerd worden in goede loopbaanbegeleiding. Die 3 miljoen waar we het zojuist over hadden, wordt ook daarvoor gebruikt, zoals ik net al zei. Daar is dus echt specifiek aandacht voor.

Dan kreeg ik van een aantal Kamerleden, van onder andere D66, BBB en Partij van de Arbeid, de vraag: hoe zorgen we er nou voor dat de mentale zorg nu wel gewaarborgd is? Politiemensen die zijn belast met heimelijke werkzaamheden, krijgen geregeld te maken met uitzonderlijke werkomstandigheden. Hun mentale welzijn verdient absoluut extra aandacht. De commissie-Brouwer heeft geconstateerd dat de organisatie gebrekkige kennis heeft van de risico's voor het welzijn van politiemensen die dit bijzondere werk doen. De trajecten waarbij Werken Onder Dekmantel betrokken is, zijn doorgelicht op onverantwoorde risico's. Ik denk dat het belangrijk is om daarbij stil te staan. Die zijn doorgelicht. De korpschef en het College van procureurs-generaal hebben mij erover ingelicht dat zij er vertrouwen in hebben dat de trajecten verantwoord kunnen worden voortgezet.

Voorzitter. Om meer aandacht voor het mentale welzijn te waarborgen worden binnen het team Werken Onder Dekmantel die deskundigen aangesteld waar ik het zojuist over had, zoals psychologen, die echt dicht op de operatie zitten en die dit goed kunnen volgen. De voorbereidingen voor de werving van de deskundigen zijn dus al begonnen; daar wachten we niet mee. Het is misschien nog goed voor de Kamer om het volgende te vermelden. Wellicht is dat ook een belangrijke vraag. Die deskundigen zullen gevraagd en ongevraagd advies geven over het mentale welzijn van de medewerkers.

Mevrouw Van der Werf vroeg waar men met meldingen heen kan, waar klokkenluiders heen kunnen en waar men hulp kan vragen. Daar zijn diverse loketten voor. Dienders met meldingen kunnen intern terecht, zowel bij de interne leiding, dus de teamchefs, als bij vertrouwenspersonen. Dat kan dus bij verschillende loketten. Ook is er een interne politieombudsfunctionaris, die onafhankelijk advies uitbrengt aan de korpschef. Daarnaast kunnen mensen uiteraard terecht bij het Huis voor Klokkenluiders.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik heb eigenlijk ook nog twee vragen over het vorige punt in de beantwoording van de minister. Mijn vraag ging over die lopende heimelijke onderzoeken. Daarover gaf u aan dat u zich hebt laten verwittigen dat het nu goed gaat en dat u daar vertrouwen in hebt. Tegelijkertijd haal ik uit uw antwoord dat het bericht dat het allemaal goed gaat, van de korpschef en de procureur-generaal komt. Dat zijn natuurlijk ook de mensen die daar al die tijd hebben gezeten en niet proactief hebben gezegd: er is hier iets aan de hand; we moeten hiermee aan de slag. Hoe weten wij dan dus als Kamer dat zij dit op gaan pakken en op welke manier zij dit gaan doen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik begon mijn tekst ermee dat dit een aangrijpend debat is voor iedereen. Het is, denk ik, wel echt goed om te benadrukken dat dat ook geldt voor de mensen die daarbij betrokken zijn en die daar nu midden in die verbetertrajecten zitten, en daar ook de verantwoordelijkheid voor dragen. Dat doen zij niet licht. Op het moment dat al deze operaties zijn doorgelicht op onverantwoorde risico's, kan ik er dus alleen maar op vertrouwen en aannemen, en er ook echt kennis van nemen, dat dat ook goed gegaan is en dat ze dat ook zorgvuldig hebben gedaan. Niemand wil wederom een dergelijk moment meemaken. We hebben natuurlijk wel de commissie-Sorgdrager die ook de verbeterstappen binnen Werken Onder Dekmantel volgt en ons daarover zal adviseren. Het is dus niet zo dat er sprake is van: waarvan akte, en we gaan weer verder. We hebben daarvoor dus wel onze waarborgen ingebouwd. Het ongemak is wel dat het uiteindelijk heimelijke operaties zijn die ik ook niet allemaal ken en die ik hier ook niet in deze Kamer kan bespreken, omdat we de mensen niet in gevaar willen brengen. Mijn verwachting is wel dat de commissie-Sorgdrager er ons in die zin doorheen zal geleiden, dat we kunnen volgen wat er gebeurt.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank voor dit antwoord. Het is natuurlijk enigszins onbevredigend dat je je controlerende taak niet helemaal kan uitvoeren omdat je niet weet hoe dat dan precies gaat. Laten we er in ieder geval nu dan nog vertrouwen in hebben, maar ik zal er in mijn tweede termijn nog wel op terugkomen. Mijn andere vraag ging over de positie van de klokkenluiders. U zei net dat er diverse loketten zijn waar mensen zich kunnen melden. De voorbeelden die u daarbij noemde, klinken wel allemaal als …

De voorzitter:
Die de minister noemde.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Die de minister noemde, ja, excuus. Die voorbeelden zijn natuurlijk wel allemaal interne voorbeelden. Zou je hierbij dan ook niet kunnen denken aan een externe mogelijkheid, juist omdat dat vertrouwen in de interne organisatie door al deze rapporten en misstanden zo is gedaald?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Het Huis voor Klokkenluiders zit niet in de politieorganisatie. Dat valt daarbuiten. Er zijn dus wel externe opties. Ik kan mij heel goed voorstellen dat wanneer we de concrete adviezen van de commissie-Schneiders en de commissie-Sorgdrager krijgen, we die hier ook met elkaar bespreken. Er wordt nu nog naar gekeken hoe je de verbeterstappen nog beter kan waarborgen. Dus ik stel voor dat we dat daarin ook meenemen. We kunnen dat ook gewoon daar neerleggen en er advies over vragen of deze loketten wel voldoende zijn. Ik ben het namelijk wel helemaal met mevrouw Van der Werf eens dat je als medewerker ook het idee moet hebben dat je ook buiten je eigen organisatie ergens terechtkunt. We kunnen kijken of het Huis voor Klokkenluiders daarvoor voldoende is of dat we dat op een andere manier, bovenop wat er al georganiseerd is, zouden kunnen doen. We kunnen dat in ieder geval meegeven aan de onderzoekers.

De heer Van Nispen (SP):
Ik heb op dit punt een vervolgvraag. Er is in het verleden een motie aangenomen van de leden Van Raak en Van der Molen, die de regering verzocht om een pilotproject te starten voor de ondersteuning van klokkenluiders op de ministeries en in de diensten, in de vorm van een bijzondere vertrouwenspersoon. Die motie is aangenomen. Daar is helaas nog niets mee gebeurd. Er ligt een heel concreet plan op het ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat zou in dit soort zaken echt een oplossing kunnen zijn, zo is mij verzekerd. Mensen met dossierkennis zouden dan die bijzondere vertrouwenspersoon kunnen zijn. Er zou dan ook sprake kunnen zijn van een gelijke kennispositie. En er zou dan ook direct psychosociale ondersteuning geboden kunnen worden. Dat hele concrete plan ligt er, maar daar is nog te weinig mee gebeurd. Als er dus teruggekomen wordt op de vragen van mevrouw Van der Werf van zojuist, kan er dan ook worden teruggekomen op dit specifieke punt en op die aangenomen motie, die eigenlijk uitgevoerd zou moeten worden? Dat kan dan volgens mij in één keer. Daar ben ik erg benieuwd naar.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik zal me sowieso laten informeren over deze specifieke motie, die ik niet ken. Ik zal even kijken of ik daar in tweede termijn op terug kan komen, al dan niet met een inhoudelijke reactie of met een procesvoorstel, zoals net bij mevrouw Van der Werf. Dan kunnen we het ergens beleggen, zodat wij ook goed advies krijgen over hoe we daar in deze ingewikkelde context mee om kunnen gaan.

Mevrouw Van der Plas vroeg: is er een angstcultuur bij Werken Onder Dekmantel? Uit het inspectierapport over de Dienst Specialistische Operaties blijkt dat medewerkers van het team Werken Onder Dekmantel een giftige en manipulatieve werksfeer ervaren. Dat is heftig, dat is fors en dat is absoluut onacceptabel. Medewerkers moeten zich veilig voelen en zich sociaal veilig voelen. Uit het inspectierapport blijkt dat deze werksfeer onder meer heeft kunnen ontstaan door een grote span of control van leidinggevenden, onduidelijke sturing, het ontbreken van goede psychologische begeleiding en het werken in afgeschermde eilandjes. Dit sluit aan bij de constateringen van de commissie-Brouwer. Omdat de professionaliteit van de organisatie als geheel ernstig te wensen overlaat en de personeelszorg tekort is geschoten, treft de korpschef urgente maatregelen om het team Werken Onder Dekmantel te professionaliseren. Er is ook een cultuurverandering nodig. Er moet echt meer ruimte komen voor tegenspraak en voor open overleg. De nieuwe eenheidschef neemt het voortouw bij het inzetten van deze cultuurverandering. Ik kom terug op de vraag van mevrouw Van der Plas: is daar een zeer onwenselijke cultuur? Ja, dat is uit de rapporten naar voren gekomen en er wordt nu hard gewerkt om dat op alle mogelijke manieren aan te pakken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik begreep het niet helemaal. Ik begrijp het verhaal wel, maar aan het einde begreep ik van de minister dat het team wordt geprofessionaliseerd. Maar wie gaat dat team dan precies professionaliseren? Ik neem aan dat er dan nieuwe mensen komen om dat te professionaliseren en niet de oude mensen die in de oude cultuur zitten.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Er is een nieuwe eenheidschef. Daarnaast hebben we bijvoorbeeld nog de commissie-Sorgdrager, die ons vervolgens ook weer adviseert over hoe dat gaat. Maar wij — ik in ieder geval zeker niet — gaan niet over wie daar op welke plek komt. Maar ik kan u zeggen dat er in dit geval sprake is van een nieuwe eenheidschef.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan neem ik ook aan dat de minister of het ministerie erop toeziet dat niet de oude mensen uit de oude giftige cultuur daarbij betrokken zijn, want dat lijkt mij niet wenselijk.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat is aan de korpschef en de nieuwe eenheidschef. Dat vul ik vanuit deze plek niet in. Maar naar mijn beleving, hoe ik het allemaal zie en lees — ik spreek natuurlijk ook veel mensen — zie ik dat iedereen deze opdracht, deze taak, echt heel serieus oppakt. Men ziet in dat als je zo'n cultuur moet veranderen, je dan ook echt moet durven veranderen.

Voorzitter. Dan heb ik nog één vraag in het eerste mapje, een vraag van de heer Knops: in hoeverre is de politie in staat om informatie te delen? Ik wil eerst even kijken of ik de vraag helemaal goed heb begrepen. Hij is nu al niet echt onder de indruk, maar laat me eens een antwoord proberen te geven. Het delen van informatie door de politie is aan regels gebonden. Die regels bestaan om ervoor te zorgen dat gevoelige informatie die de politie verzamelt, alleen onder strikte voorwaarden naar buiten komt. Dat ligt natuurlijk vast in de Wet politiegegevens. Binnen die regels is er heel veel mogelijk om ervoor te zorgen dat samenwerken in het veiligheidsdomein mogelijk is. Uiteraard moet van geval tot geval beoordeeld worden in hoeverre dat op dat moment wenselijk is.

De heer Knops (CDA):
Mijn vraag was inderdaad vanuit een iets andere context gesteld, namelijk: hoe zorgen we ervoor dat politiemensen binnen de politieorganisatie hun werk kunnen doen? Het lijkt soms of het alleen maar gaat over regels en protocollen en weet ik wat allemaal — dan ben je de hele dag bezig om vinkjes te zetten op de goede plek — maar het gaat ook om houding. Dat was de kern van mijn betoog: leiderschap, houding. Hoe zorg je ervoor dat er een goede cultuur ontstaat? Daarbinnen heeft de politie steeds meer te maken met grote stromen aan geclassificeerde informatie die gedeeld moet worden. Wij hebben ook de taak om ervoor te zorgen dat de politie daarmee kan werken. Mijn vraag aan de minister was: hoe kijkt zij daartegen aan, tegen de achtergrond van wat hier allemaal gebeurd is?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Het komt erop neer — dat blijkt natuurlijk uit al die rapporten — dat hier niet geldt: one size fits all, dus bij heimelijke operaties als Werken Onder Dekmantel moet je ook maar werken zoals andere afdelingen en zoals wij dat ooit hebben bedacht. Dat is misschien een iets te simpel geformuleerde samenvatting van al die onderzoeken, maar daar komt het wel op neer. Dan ga je volledig voorbij aan de gevoeligheden die in zulke operaties spelen. Ik denk dus dat de heer Knops daar een heel goed punt heeft. Hoe zorg je ervoor — dat vroeg hij ook in zijn betoog — dat wij nu niet met z'n allen de andere kant opschieten en volop met nieuwe regels en zaken komen? Volgens mij zijn vooral nieuwe waarborgen belangrijk, zodat mensen die in die operaties en bij die afdelingen werken, weten: er wordt voor mij gezorgd en er wordt uitgekeken voor mijn veiligheid en welzijn. Dat ontbrak echt. Daarbinnen moet je je werk goed kunnen doen. Dat vraagt dus ook iets van ons hier. Wij moeten inderdaad niet de andere kant op schieten en denken dat we dit met een nieuw afvinklijstje kunnen regelen. Dit is een fundamentele cultuurverandering. Dit zal ook een belangrijk onderdeel zijn van de vervolgonderzoeken die plaatsvinden en van de manier waarop wij dit volgen: hebben wij er nou echt voor gezorgd dat mensen hun werk veilig kunnen doen of hebben we het alleen maar ingewikkelder en complexer gemaakt?

De heer Knops (CDA):
Ik word heel blij van dit antwoord. Ik kijk uit naar de bespreking van de rapporten die nog gaan komen, want ik vind dat we met die bril op naar die rapporten moeten kijken. Juist voor de mensen die dit moeilijke werk moeten doen, ook na dit vreselijke incident, waar we hopelijk wel van leren, vind ik dat we dit op een goede manier moeten oppakken, dus niet alleen maar met protocollen, die hinderend gaan werken, want daar is niemand bij gebaat.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Helemaal mee eens. En daar zijn we zelf bij. Ik denk dat we elkaar daar ook scherp op moeten houden. Ik denk dat dit een hele waardevolle bijdrage is; die zullen we ook de komende tijd nodig hebben.

Dan heb ik van een aantal Kamerleden, onder wie de heer Bisschop en mevrouw Van der Werf, de vraag gekregen wat er nou bekeken is bij de doorlichting van de heimelijke trajecten. Daar hadden we het net even over, maar ik kom er nu op terug, want het is een heel belangrijk onderwerp. Want op hetzelfde moment dat wij het er hier over hebben en terugkijken, zijn er politiemensen in heimelijke trajecten aan de slag. Die trajecten zijn doorgelicht op onverantwoorde risico's. Daarbij is concreet gekeken naar de haalbaarheid van de trajecten en de veiligheid en belastbaarheid van de betrokken medewerkers. Op die manier is dat getoetst. Ook is er gekeken of er sprake is van ethische of morele dilemma's die moeten worden meegenomen in de afwegingen over het voortzetten van de trajecten. De uitgevoerde beoordeling op risico's is complementair aan de juridische beoordeling. Ik heb het al een keer gezegd, maar ik herhaal het toch even, want het betreft een ongemak waar we allemaal mee zitten: gelet op de vertrouwelijkheid van de trajecten kan ik niet verder in detail treden dan dit, maar dit zijn wel de elementen die zorgvuldig zijn afgewogen over die onverantwoorde risico's, als die er al waren geweest.

Dan heb ik nog één vraag en dan ga ik over naar het volgende mapje. De heer Van Nispen en de heer Bisschop hadden een vraag over het ethische aspect, specifiek: waarom is er geen toestemming gevraagd voor de inzet van kinderen? Hoe werkt dat? De constateringen van de commissie hierover zijn echt zeer pijnlijk, dus dat is een hele terechte vraag. De commissie-Brouwer doet geen uitspraak over het punt of er al dan niet toestemming is gevraagd voor de inzet van kinderen tijdens deze operatie, maar hoe dan ook, de constateringen die in het rapport staan, zijn pijnlijk genoeg. Ik ben het met de commissie eens dat ethische aspecten van operaties voortaan absoluut beter gewogen moeten worden. Daarom heb ik de commissie onder voorzitterschap van Winnie Sorgdrager gevraagd om een verdiepend onderzoek te doen en mij te adviseren over de vormgeving van een sluitend stelsel van waarborgen. Dat gaat specifiek over Werken Onder Dekmantel en dit soort elementen, waar terecht vragen over zijn gesteld. Daarbij zal de commissie ook aandacht hebben voor die ethische aspecten en voor de vraag hoe deze kunnen worden gewaarborgd in de besluitvorming voor en tijdens de operatie. Dus dat komt ook terug in de commissie-Sorgdrager.

Dan ben ik bij het mapje over de CTC, de Centrale Toetsingscommissie. Mevrouw Michon vroeg: welke criteria zijn er eigenlijk voor de Centrale Toetsingscommissie en hoe verloopt het onderzoek? Ze verwees ook naar een recent artikel van vandaag, meen ik. Op grond van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht is toestemming van het College van procureurs-generaal verplicht in twee gevallen, namelijk bij burgerinfiltratie en bij het geven van een bevel tot het doorlaten van bijvoorbeeld een partij drugs in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. In de aanwijzing voor de opsporing van het OM staat verder dat ook voor politie-infiltraties toestemming nodig is van het College van procureurs-generaal. De Centrale Toetsingscommissie is een intern adviesorgaan van het OM. Deze commissie adviseert het College van procureurs-generaal over de toestemming. De Centrale Toetsingscommissie heeft geen eigen toetsingscriteria. De toetsingscriteria voor de inzet van de bevoegdheden waar we het vandaag over hebben, staan op verschillende plekken in de wet zelf. De commissie-Sorgdrager kijkt nog specifiek naar de werking van de Centrale Toetsingscommissie en de mogelijkheid en wenselijkheid van uitbreiding van die toetsende rol. Ik wacht ook op dit punt het rapport van de commissie-Sorgdrager af, maar daar zal dit dus ook echt in terugkomen.

Mevrouw Michon had nog een vraag over de rol van de officier van justitie en het welzijn van de informant. Zij vroeg of daar sprake is geweest van rolvermenging. De commissie-Brouwer heeft onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden rond de inzet en de suïcide van de politie-infiltrant. De commissie-Brouwer heeft geconstateerd dat er te weinig oog was voor de risico's voor het mentale welzijn van de infiltrant in deze zaak. Dit ontbrak bij de politieorganisatie als werkgever, maar zou volgens de commissie ook moeten meewegen in de afweging met betrekking tot inzet van het middel infiltratie. De commissie adviseert daarom om een sluitend stelsel van waarborgen in te richten, waarin ethische elementen zoals het welzijn van medewerkers en juridische en organisatorische overwegingen in samenhang kunnen worden bezien. Wederom zal de commissie-Sorgdrager onderzoek doen naar hoe een dergelijk stelsel vorm zou kunnen krijgen. Ik kan hier dus niet heel specifiek ingaan op de casuïstiek, maar ik begrijp dat de achterliggende vraag van mevrouw Michon is: hoe ziet dat stelsel eruit en hoe bouw je waarborgen in, zodat je dit soort onduidelijkheden en rolvermenging bijvoorbeeld niet kan krijgen? Zo heb ik de vraag althans gehoord. Dat is precies waar de commissie-Sorgdrager nu onderzoek naar doet.

De heer Van Nispen vroeg: hoe staat het nou met het toezicht op dit soort onderzoeken? Zijn die methodes houdbaar? De inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden is geregeld en genormeerd in het Wetboek van Strafvordering. Het College van procureurs-generaal beslist over de toestemming voor de inzet van bepaalde bijzondere opsporingsbevoegdheden. Daar heb ik het zojuist over gehad in de antwoorden richting mevrouw Michon. Bij de lopende herziening van het Wetboek van Strafvordering zijn de regeling van heimelijke bevoegdheden en de rol van het College van procureurs-generaal een duidelijk onderdeel. Ik weet dat de heer Van Nispen ook de woordvoerder bij dat dossier is, dus hij is daar zelf ook goed bij aangehaakt. Zoals al gezegd, kijkt de commissie-Sorgdrager verder naar de verbetering, de werkwijze en de daarbij passende waarborgen in het heimelijke domein. Nogmaals, voor de volledigheid: daar zit ook de adviserende rol van de Centrale Toetsingscommissie in.

De heer Bisschop vroeg: waarom is er bij deze operatie dan niet getoetst door die toetsingscommissie? Wat is daar dan gebeurd? De operatie is niet begonnen als operatie van een infiltrant. Het is begonnen als een stelselmatige informatie-inwinning. Het is dus op een andere manier begonnen en heeft zich op een andere manier ontwikkeld. Een van de belangrijke lessen die we hiervan leren, is dat we dit aan de voorkant anders en beter moeten regelen. Dat wordt nu meegenomen in de onderzoeken die nog gaande zijn. Daarin wordt precies gekeken hoe dat geborgd kan worden.

Dan ben ik bij het laatste mapje, waarin een aantal zaken bij elkaar zijn gevoegd. Mevrouw Helder en de heer Van Nispen hebben gevraagd naar de inspanningen voor de nabestaanden. Dat is een hele belangrijke vraag. De politie beschouwt het overlijden als een dienstongeval. De politie is momenteel in gesprek met de nabestaanden en verwacht een passende overeenkomst te kunnen bereiken. Ik ben het met de Kamerleden eens dat dat een ruimhartige vergoeding zou moeten zijn. Die gesprekken zijn op dit moment dus gaande. Om tot een schadevergoeding te komen is het niet noodzakelijk dat de politie formeel aansprakelijk wordt gesteld.

Mevrouw Van der Plas vroeg of er in het kader van de bestuurscultuur waar we het hier over hebben bij de politie, niet een orgaan moet komen dat de kwaliteit en onafhankelijkheid van ingestelde commissies toetst. Nederland kent een hoog vertrouwen in zijn officiële instituties, zoals de politie en de rechterlijke macht. Dat blijkt ook uit internationale onderzoeken waarin Nederland met andere landen wordt vergelijken. Vanuit dat perspectief zie ik geen noodzaak om een extern orgaan in te stellen om de onafhankelijkheid en kwaliteit van ingestelde commissies te toetsen. Naar mijn bescheiden mening is dat ook niet de discussie, de zoektocht die we hier met elkaar hebben. Volgens mij willen we kunnen doorgronden wat er is gebeurd. Daar helpen heel veel inspectie- en commissierapporten ons bij. Het is ongemakkelijk dat niet alles transparant gedeeld kan worden, omdat het over heimelijke operaties gaat. Vervolgens zijn we op zoek naar hoe we met elkaar borgen dat het in de toekomst wel goed gaat. Als het formele commissies betreft, zijn over het algemeen de opdracht en samenstelling openbaar en kenbaar en worden de uitkomsten ook openbaar gedeeld. Alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals een deel van datgene waarover we het hebben, kan dat niet. Dat heeft dan echt te maken met de veiligheid van betrokkenen. Er is dan dus ook altijd de mogelijkheid om de uitkomsten te toetsen in het publieke debat.

Volgens mij heb ik deze vraag al gedaan. Dat was het dan.

De voorzitter:
Dit was uw termijn?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja.

De voorzitter:
Heel goed. Tot zover de termijn van de regering. Ik kijk of er belangstelling bestaat voor een tweede termijn. Dat is het geval. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Helder. Ik ga ervan uit dat u het allemaal in twee minuten weet te redden.

Het woord is aan mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):
Voorzitter. Ik heb vrij lange moties, dus ik maak mijn inleiding niet te lang. Ik ben inmiddels ruim elf jaar Kamerlid en sinds 2015 woordvoerder politie. Al die tijd kwam je bij de leiding van diverse onderdelen en bij de korpsleiding dezelfde mensen tegen. Daar zag ik eerst geen probleem, maar nu wel. Deze mensen gaan het echt niet oplossen. Ze hebben de minister al twee keer verkeerd geïnformeerd, en daarmee de Kamer ook. Ze schofferen de nabestaanden. Ik ben heel blij met de toch forse bewoordingen van alle collega's hier en de ruime steun voor dit debat.

Dat brengt mij meteen tot de moties, want die zijn door meerdere collega's ondertekend. Daar dank ik ze bij voorbaat al voor. Ik begin gewoon met de moties, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de officier van justitie die heeft besloten tot de inzet van de undercoveragent, dezelfde officier van justitie is die het feitenonderzoek naar het niet-natuurlijk overlijden van de undercoveragent heeft uitgevoerd;

van mening dat dit volstrekt ongebruikelijk is en ook in strijd met de voorwaarden voor een onafhankelijk en objectief onderzoek;

van mening dat dit feitenonderzoek door deze officier van justitie onvoldoende is voor de gemoedsrust van de nabestaanden, maar ook onvoldoende om er lering uit te trekken ten behoeve van het belangrijke werk dat undercoveragenten doen;

van mening dat er een nieuw dan wel aanvullend onderzoek moet komen naar de dood van de undercoveragent;

verzoekt de regering om zeker te stellen dat de onafhankelijkheid en rolzuiverheid in dit onderzoek beter geborgd worden en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Helder, Van Nispen, Michon-Derkzen en Bisschop.

Zij krijgt nr. 1056 (29628).

Mevrouw Helder (PVV):
Voorzitter. Laten we de trieste aanleiding voor dit debat niet vergeten. De nabestaanden moeten ruimhartig worden gecompenseerd. Het zal nooit genoeg zijn, maar ik vind het echt abject dat de politie zegt moreel verantwoordelijk te zijn, maar niet juridisch. Daarom een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de commissie-Brouwer in haar rapport Uit het zicht heeft geconcludeerd dat er een relatie is tussen het overlijden van de infiltrant en zijn werk en dit een "een harde maar onvermijdelijke conclusie" noemt;

constaterende dat de politie heeft bevestigd de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Brouwer geheel over te nemen;

constaterende dat de politie desondanks jegens de nabestaanden heeft aangegeven wel moreel maar niet juridisch aansprakelijk te zijn voor het overlijden van de infiltrant (undercoveragent);

van mening dat deze conclusie in strijd is met hetgeen de commissie-Brouwer heeft vastgesteld;

tevens van mening dat dit een enorme schoffering is van de nabestaanden en postuum ook van de overleden infiltrant;

verzoekt de regering om zich maximaal in te spannen voor de erkenning van de aansprakelijkheid door de politie voor het overlijden van de infiltrant zodat daarmee een of meerdere mogelijke jarenlange juridische procedure(s) wordt of worden voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Helder, Van Nispen, Michon-Derkzen, Van der Werf, Bisschop en Kathmann.

Zij krijgt nr. 1057 (29628).

Mevrouw Helder (PVV):
Daarmee heeft de motie gelukkig een meerderheid, voorzitter.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Michon.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter, dank. Dank aan de minister voor de heldere antwoorden. Dank ook dat zij de kritiek deelt die er toch van links tot rechts in de Kamer is en dat zij daar ook aan werkt. Dat vertrouwen heb ik.

Ik zit nog erg te puzzelen over de rol van het college en de rol van de Centrale Toetsingscommissie, de CTC. Ik ben het ook eens met ik meen de heer Knops van het CDA, die zei dat we nu niet in een kramp moeten schieten waarin we om nieuwe regels vragen, ons groot maken en bureaucratie optuigen. Tegelijkertijd zie je juist in het debat dat deze operaties eigenlijk zo geheim zijn en dat we het er zo erg niet over kunnen hebben — en dat is heel terecht — dat ik juist wil weten of die waarborgen goed zijn. Het gaat erom dat je regels stelt waarbinnen men zijn gang kan gaan, terwijl je toch het vertrouwen hebt dat het goed zit. Daarin heeft de minister mij met haar antwoorden nog niet helemaal gerustgesteld. Zij heeft het over criteria van de CTC, maar ik kan niet anders dan concluderen dat er sinds 2014 juist geen criteria meer zijn opgenomen in de aanwijzingen, de interne regels, van het OM. Waar zijn die dan gebleven?

Ik refereerde ook aan het artikel van mevrouw Naber in het NJB vandaag, die zegt: juist die toetsingscriteria zijn nodig; die moeten openbaar zijn, zodat we weten waar we aan toe zijn. Ik wil deze procedure dus graag wettelijk beter vastgelegd zien. Daarnaast wil ik ook dat die CTC niet langer alleen bestaat uit een afvaardiging van politie en justitie, maar breder wordt samengesteld, met bijvoorbeeld een advocaat en een psycholoog erin. Dat heeft de commissie-Brouwer ook geadviseerd. Toestemming vooraf blijft noodzakelijk, maar mijn voorstel zou zijn om het dan elke drie maanden te herbevestigen. Vandaar de volgende moties. Ik begrijp goed dat de commissie-Sorgdrager bezig is met een sluitend stelsel van waarborgen. Wellicht kunnen mijn moties ter inspiratie dienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de inzet van undercoverbevoegdheden een belangrijke bijdrage kan leveren bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit en het oplossen van cold cases;

overwegende dat infiltratie de zwaarste undercovervariant is met veel risico's en gevaren voor undercoveragenten;

overwegende dat de wetgever extra waarborgen heeft ingebouwd voordat de bevoegdheid tot infiltratie kan worden ingezet, waaronder toestemming van het College van procureurs-generaal en een voorafgaand advies door de Centrale Toetsingscommissie;

overwegende dat de criteria waar de CTC aan toetst en haar adviezen op baseert waren opgenomen in de OM-aanwijzing Opsporingsbevoegdheden, maar dat deze criteria sinds 2014 niet meer zijn opgenomen in deze aanwijzing;

overwegende dat het essentieel is dat de procedure voorafgaand aan en gedurende de infiltratie zorgvuldig wordt uitgevoerd en dat de proportionaliteit, subsidiariteit en afbreukrisico's nauwkeurig moeten worden getoetst;

verzoekt de regering de wettelijke grondslag voor de inzet van undercoverinfiltratie te verduidelijken in artikel 126h, zodat bij algemene maatregel van bestuur de toetsingscriteria van de CTC kunnen worden vastgelegd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en Van der Werf.

Zij krijgt nr. 1059 (29628).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik durf de voorzitter niet aan te kijken, dus ik ga snel door met mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de inzet van undercoveragenten een mogelijk langdurige en ingrijpende inbreuk betekent op de persoonlijke levenssfeer van verdachten en op undercoveragenten;

constaterende dat voorafgaand aan de inzet van undercoveragenten de Centrale Toetsingscommissie advies geeft aan het College van pg over het inzetten van de bevoegdheid tot infiltratie;

constaterende dat de CTC enkel bestaat uit leden van de politie en het Openbaar Ministerie;

verzoekt de regering om in overleg met het College van procureurs-generaal de CTC uit te breiden met bijvoorbeeld rechters of rechters-plaatsvervangers, psychologen of advocaten, zodat multidisciplinaire betrokkenheid is gewaarborgd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.

Zij krijgt nr. 1058 (29628).

Dank u wel. Perfect binnen de vier minuten. Mevrouw Van der Werf van D66.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank aan de minister voor haar heldere en ook zeer binnen de tijd vallende antwoorden vanavond. Het viel mij ook op dat we hier een zeer eensgezinde Kamer hadden. Dat is in deze commissie ook weleens anders geweest, dus laten we dit vasthouden.

We hebben natuurlijk herhaaldelijk kritische rapporten gezien met zeer ernstige conclusies. Volgens mij is er nog een lange weg te gaan als we die cultuurverandering echt willen. Die gaat niet vanzelf komen. Ik denk dat het goed is dat wij als Kamer daarbij een vinger aan de pols kunnen houden. Uit dit debat bleek ook hoe lastig het is om daar daadwerkelijk grip op te krijgen en op te kunnen acteren.

Daarom wil ik de volgende motie indienen, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de onderzoeken van onder andere KPMG, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de commissie-Brouwers aanleiding geven voor structurele verandering in zowel de organisatie als de cultuur binnen de Landelijke Eenheid;

constaterende dat de Tweede Kamer beperkt inzicht heeft in wat er zich binnen de Landelijke Eenheid afspeelt, wat het uitoefenen van haar controlerende taak belemmert;

verzoekt de regering de voortgang van de hervormingen bij de Landelijke Eenheid structureel te laten monitoren door onafhankelijke experts, en deze rapportage standaard onderdeel uit te laten maken van de politiehalfjaarberichten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Helder, Michon-Derkzen en Van Nispen.

Zij krijgt nr. 1060 (29628).

Dank u wel. De heer Van Nispen van de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Dank, voorzitter. Helemaal niemand wilde dat er gebeurde wat er gebeurd is. Het is een ramp! Wat dat betreft is het natuurlijk ook geen zwaar politiek debat geweest. En toch vond ik het wel een beetje een ongemakkelijk debat. Dat lag niet aan de beantwoording van de minister, maar natuurlijk wel in de eerste plaats aan de aanleiding voor dit debat: die enorm verdrietige gebeurtenis. Maar het lag ook een beetje aan het debat, omdat het over geheime organisaties gaat. Juist daardoor, door dat geheime karakter, kunnen we zaken niet goed controleren. Daarover gaat de eerste motie. Ik heb één motie, voorzitter, en daarna nog drie vragen. Zo moet ik het zeggen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er door zowel de commissie-Brouwer, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de politiebonden vragen worden gesteld over het handelen van de Rijksrecherche;

constaterende dat er op het handelen van de Rijksrecherche in zaken waarbij geheimhouding en heimelijk werken een grote rol speelt minder mogelijkheden zijn voor openbare verantwoording over dat wat er zich heeft afgespeeld;

overwegende dat het boven elke twijfel verheven moet zijn dat de Rijksrecherche integer, onafhankelijk en goed functioneert;

verzoekt de regering de rol van de Rijksrecherche in brede zin te evalueren en daarbij in ieder geval mee te nemen hoe het toezicht op het onderzoek beter en transparanter vormgegeven kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Helder.

Zij krijgt nr. 1061 (29628).

De heer Van Nispen (SP):
Dan heb ik een vraag over de Centrale Toetsingscommissie. Ik begrijp de minister zo dat de commissie-Sorgdrager nog bezig is en dat ik daarom nu nog niet een beeld kan krijgen van hoe het moet veranderen en wat het gaat worden in de toekomst. Maar zou dat nou zoiets kunnen worden als een permanente commissie die gevraagd en ongevraagd in de gaten kan houden hoe de zaken gaan? Zullen incidenten en operationele, strategische en ethische dilemma's daar kunnen worden voorgelegd? Is dat nou een beetje de richting waarin die Centrale Toetsingscommissie zich zou kunnen begeven? Wordt die optie nadrukkelijk onderzocht?

In een interruptie heb ik een vraag gesteld over de pilot met die bijzondere vertrouwenspersoon. Daar ligt al een aangenomen Kamermotie over. Ik neem het de minister helemaal niet kwalijk dat ze dat niet scherp had. Dat had ik zelf ook niet, maar ik werd er attent op gemaakt dat dat in dit soort zaken mogelijk zeer behulpzaam zou kunnen zijn. Ik zou het dus een goede zaak vinden als de minister dit heel serieus betrekt bij de opties die verkend worden.

Mijn laatste vraag, voorzitter. Ik heb begrepen dat in het verleden het uitgangspunt was dat infiltratie alleen maar voor kortetermijnprojecten bedoeld was. Daar is nu inderdaad geen sprake meer van. Dus of ik heb het mis en dat uitgangspunt is er nooit geweest of dat uitgangspunt is in het verleden verlaten. Hier lijkt immers nadrukkelijk sprake te zijn van infiltratie op de lange termijn. Sinds wanneer is dat dan het geval? Daar ben ik benieuwd naar, want het zijn natuurlijke hele, hele, hele ingrijpende opsporingsmethodes. De vraagt blijft toch of het niet te ingrijpend is, juist omdat we de veiligheid van de mensen die dit belangrijke werk doen, wel moeten kunnen waarborgen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Knops van het CDA.

De heer Knops (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Eerder is al unisono afgekeurd wat hier gebeurd is en het verdriet dat daardoor is aangericht.

Naar aanleiding van de interruptie die ik heb gepleegd, heb ik de behoefte om te benadrukken dat mij, wanneer ik de rapporten lees die wij ter kennisname en ter informatie hebben ontvangen, toch een beetje het gevoel bekruipt dat we dat cultuuraspect en dat leidinggevende aspect niet moeten veronachtzamen. Het kan namelijk niet verhullen dat alles wat je met procedures regelt, nog geen garantie is dat het dan goed gaat. Ik zei daarom al eerder dat het om de houding gaat, want je moet acteren wanneer je ziet dat er dingen fout gaan. Het gaat om houding, om zien dat er dingen fout gaan en daarop acteren. Dat vraagt iets van mensen in een hoogprofessionele organisatie, die onder grote druk moeten werken. Ik ben dan ook blij met de conclusie van de commissie-Brouwer dat je dit soort organisaties totaal anders moet organiseren, niet zoals andere politieorganisaties. Maar dat alleen is niet voldoende. Ik zou in de rapporten die we nog krijgen, die nog besproken gaan worden en waar we het debat nog over gaan hebben, nadrukkelijk ook dat aspect willen meenemen. Het is prima dat er waarborgen komen, maar bedenk dat het werkbaar moet blijven. Leg ook de nadruk op de wat zachtere factoren in plaats van alleen op de keiharde regels. Dat moet vanuit de leiding komen.

Ik ben blij met de toezegging van de minister dat zij ook met die bril naar de rapporten gaat kijken. Zo ga ik dat rapport ook bestuderen als dat de Kamer bereikt. Ik heb dus geen motie, omdat ik die rapporten wil afwachten om t.z.t. te kijken wat we daar precies mee kunnen doen en wat er wel of niet nodig is om dit in de toekomst te voorkomen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Simons van de fractie van BIJ1.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u wel. Ik wilde eventjes refereren aan hetgeen hier al een paar keer is uitgesproken door mede-Kamerleden, namelijk dat het zo fijn was om vandaag een Kamer te treffen die zo goed als eensgezind is in haar afwijzing van wat er gebeurd is, in wat we hier vandaag bespreken. Ik zou dezelfde collega-Kamerleden willen vragen of zij die solidariteit ook willen opbrengen als wij dezelfde misstanden bespreken bij de politie met wellicht andere slachtoffers. Want dat er in dit geval iets is misgegaan, staat niet op zichzelf. Het is onderdeel van een patroon. Het is onderdeel van een cultuur. Dat is gelukkig vandaag ook al door velen benoemd: het gaat niet goed binnen ons politiekorps.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat recente onderzoeken en openbaringen binnen enkele afdelingen van de Landelijke Eenheid concluderen dat er sprake is van onder andere gebrekkige sturing, gebrekkig leiderschap, vriendjespolitiek en het ontmoedigen van het bespreken van knelpunten en dilemma's;

overwegende dat de politie een veilige organisatie dient te zijn voor iedereen, voor zowel de medewerkers als burgers op straat, en dat dergelijke gebreken binnen leidinggevende functies hier een negatieve bijdrage aan leveren;

van mening dat de gehele organisatie baat kan hebben bij een organisatiebreed onderzoek naar dergelijke gebreken;

verzoekt de regering vergelijkbare onderzoeken in te stellen binnen de gehele politieorganisatie en de bevindingen met de Kamer te delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Simons.

Zij krijgt nr. 1062 (29628).

Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Van der Plas van de fractie van BBB. Zij is de laatste spreker van de zijde van de Kamer.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u zeer, voorzitter. Allereerst wil ik mevrouw Helder bedanken voor het aanvragen van dit debat. Zonder haar hadden wij hier vanavond niet gezeten. Heel belangrijk. Ook dank aan de minister voor de antwoorden, die zij kort en duidelijk heeft gegeven. En ik hoop dat de nabestaanden van de agent er iets aan hebben gehad, al was het alleen maar dat zij erkenning en waardering voelen voor hun geliefde.

Nog even over de onderzoekscommissies. Er is groot vertrouwen in de instituties, begreep ik — dat is hartstikke mooi — maar dat vertrouwen moet ook geborgd blijven in mijn optiek. Daarom dien ik daar toch een motie over in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de integriteit bij invulling van onderzoekscommissies van de rijksoverheid cruciaal is;

overwegende dat twijfels aan deze integriteit het vertrouwen in de overheid schaden;

verzoekt de regering om bij het aanstellen van onderzoekscommissies een extern orgaan te vragen om een advies uit te brengen over de integriteit van de leden van zo'n onderzoekscommissie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1063 (29628).

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Tot slot. Aandacht voor de mentale gezondheid van de politieagenten is cruciaal. Zoals wij zien en hebben gehoord in gesprekken met politiekorpsen, is daar in de opleiding veel aandacht voor, maar vervlakt dat tijdens het werk en is daar nog te weinig aandacht voor. Het is natuurlijk wel belangrijk dat er ook tijdens het werk aandacht voor blijft. Daarom heb ik een motie daarover.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mentale gezondheid en weerbaarheid cruciaal zijn voor het veilig functioneren van agenten;

overwegende dat mentale gezondheid en weerbaarheid na de politieopleiding minder vaak onder de aandacht van agenten worden gebracht, juist wanneer de druk op agenten toeneemt;

verzoekt de minister om in overleg te treden met de vakbonden, korpsleiding en politieopleidingen om te bezien hoe mentale gezondheid en weerbaarheid tijdens de carrière van een agent regelmatig onder de aandacht kunnen worden gebracht;

verzoekt de minister om de Kamer te informeren over de uitkomsten van dit overleg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1064 (29628).

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 20.10 uur en dan gaan we luisteren naar de minister.

De vergadering wordt van 19.57 uur tot 20.11 uur geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de minister. Ik neem aan dat we binnen tien minuutjes buiten staan.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik denk het wel, voorzitter. Ik ga zonder een lange inleiding meteen door naar de moties. Meneer Knops, mevrouw Helder en ik maken er een snel debat van.

Ik begin bij de motie op stuk nr. 1056 van mevrouw Helder en collega's. Ik moet hierbij een interpretatie meegeven. Ik hoop dat de indieners zich kunnen vinden in die interpretatie. Het onderzoek van de Rijksrecherche was uitsluitend gericht op het vaststellen van de doodsoorzaak. Het College van procureurs-generaal heeft mij verzekerd dat zij instaan voor de betrouwbaarheid van het Rijksrechercheonderzoek naar de doodsoorzaak. Dat is al gezegd, maar ik geef even mijn lezing, zodat mevrouw Helder kan toetsen of ze zich daarin kan vinden. Naar het oordeel van het college laat het onderzoek geen enkel twijfel bestaan over de conclusie dat er sprake is van zelfdoding. Voor mij is die conclusie van het onderzoek daarmee een gegeven. Ik vertrouw op het oordeel van het college. Ik heb eerder gezegd dat ik het wel met mevrouw Helder en haar collega's eens ben dat in de toekomst bij dit soort onderzoeken elke schijn van vooringenomenheid voorkomen moet worden. Daarover ga ik in gesprek met het OM. De feiten en omstandigheden van de suïcide zijn uitvoerig onderzocht door de commissie onder leiding van een onafhankelijke voorzitter: de heer Oebele Brouwer. Het rapport van de commissie is eenduidig.

In die zin is er geen aanleiding voor nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden. Maar als ik de intentie van de motie, dus de motie, zo mag lezen dat het betekent dat ik in gesprek ga met het OM om te kijken hoe in de toekomst elke schijn van vooringenomenheid voorkomen kan worden, dan kan ik daarin meegaan. Als de indieners het anders bedoelen, dan wordt de motie lastig uitvoerbaar. Misschien moet ik er wellicht nog bij zeggen waarom dat zo is. Als ik de motie letterlijk uitvoer, betekent dat vervolgens feitelijk dat ik een aanwijzing moet geven aan het OM. Mevrouw Helder weet nog veel beter dan ik dat dat om heel veel redenen onwenselijk en ook niet gangbaar is. Dat is al decennia niet gebeurd, volgens mij.

Mevrouw Helder (PVV):
Dezelfde officier van justitie beide onderzoeken laten doen, is ook niet gangbaar. Ik begrijp dat een geheel nieuw onderzoek inderdaad lastig is, maar dat betekent niet dat we het zo moeten laten en dat we in de toekomst gaan kijken hoe we dit voortaan tegen kunnen gaan. Dan blijft er namelijk een gat vallen. Ik heb dit debat aangevraagd, mede ten behoeve van de gemoedsrust van de nabestaanden. Ik vind aanvullend onderzoek nog steeds heel belangrijk. Het staat niet in het dictum. In de overweging staat wel: nieuw dan wel aanvullend onderzoek. Dat "nieuw" wil ik nog wel schrappen, maar het dictum blijft toch zoals het is.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Het gaat dan over het onderzoek in het dictum. Dat maakt het lastig. Daardoor moet ik de motie ontraden. Ik hoor wat mevrouw Helder zegt, dus laat ik het nog één keer ter overweging meegeven. Ik begrijp echt wel waar ze naar op zoek is. Mocht ze er uiteindelijk "een toekomstig onderzoek" van maken, dan ga ik er graag mee aan de slag en dan kom ik er nog op terug. Ik heb sowieso op korte termijn een gesprek met het OM, dus ongeacht wat er met de motie gebeurt: mevrouw Helder, en de rest van de Kamer, krijgt sowieso te horen hoe mijn gesprek met het OM was en hoe we dit in de toekomst gaan voorkomen. Ik begrijp waar ze naar zoekt, maar als het specifiek over dit onderzoek gaat, dan moet ik de motie ontraden op basis van de redenen die ik net noemde.

Dan de tweede motie van mevrouw Helder en een paar collega's ...

De voorzitter:
Mevrouw Michon wil nog wat zeggen over deze motie.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik hoor goed wat de minister zegt en ik snap haar worsteling, maar we hebben gisteren een brief gekregen waarin ze de rol van de officier uitlegt. Er zijn nu ontwikkelingen gaande, juist in dit onderzoek. Kunt u niet ...

De voorzitter:
Kan de minister niet ...

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Kan de minister niet een vervolgbrief schrijven op de brief van gisteren over hoe we nu verdergaan in het onderzoek naar dit specifieke geval? Want de brief van gisteren vraagt om een vervolg. Hoe gaat het nu verder?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Er komt nog iets bij. De brief van gisteren ging daar niet over, maar dat is wel een aspect. De heer Oebele, de onafhankelijke voorzitter, heeft natuurlijk niet specifiek onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak, maar hij heeft wel onderzoek gedaan naar de context, de omstandigheden en de feiten rond de suïcide. Ik heb echt geen aanleiding om te zeggen dat het eerste onderzoek naar de doodsoorzaak niet objectief was. Ik heb wel in mijn inleidende tekst gezegd dat je elke schijn van vooringenomenheid moet vermijden. Daarom begrijp ik heel goed waarom we dit gesprek nu hebben en daarom ga ik ook het gesprek aan met het OM. Ik zal vragen om dit in de toekomst anders in te richten, want dit is gevoelig en heftig. Ik hoop dat we dit soort zaken niet meer zullen hebben, maar ik wil wel dat daar zorgvuldig en anders mee omgegaan wordt. Maar dat is een gesprek over de toekomst. Ik heb ook te maken met het onderzoek van de heer Oebele Brouwer, waaruit blijkt dat we vooruit kunnen met die bevindingen. Dat is dus waar ik specifiek bij deze motie op vastloop.

De motie op stuk nr. 1057, ook van mevrouw Helder, en een aantal collega's, kan ik oordeel Kamer geven. De motie vraagt de regering om zich maximaal in te spannen voor de erkenning van de aansprakelijkheid door de politie voor het overlijden van de infiltrant, de undercoveragent, zodat daarmee mogelijke jarenlange juridische procedures en toekomstige ellende worden voorkomen. Ik geef de motie oordeel Kamer, want het is ook volledig míjn inzet. Ik weet ook dat de politie het overlijden als een dienstongeval beschouwt en in gesprek is. Ik interpreteer deze motie als een oproep tot een passende en ruimhartige vergoeding, zoals ik ook in mijn eerste termijn aangaf. Dat vind ik belangrijk en daar zal ik ook vanuit mijn rol op toezien. De rest heb ik eigenlijk al in de eerste termijn gezegd, dus oordeel Kamer.

Dan heb ik de motie op stuk nr. 1058 van mevrouw Michon en mevrouw Van der Werf. Die krijgt oordeel Kamer. De motie verzoekt de regering de wettelijke grondslag voor de inzet van undercoverinfiltratie te verduidelijken in artikel 126h. Dit zijn elementen die … Zeg ik het niet goed? O, dit is de motie op stuk nr. 1059? Excuus. Zal ik dit antwoord even afmaken? Dan doe ik de moties net andersom. Dank voor de correctie. De motie ziet op elementen die nog onderzocht worden door de commissie-Sorgdrager, zoals de indiener ook aangaf. Ik interpreteer de motie zo dat ik de elementen moet doorgeleiden naar de commissie om aan te geven dat het een duidelijk signaal is dat dit leeft.

Dan ben ik bij de motie die bij mij stuk nr. 1059 heeft en bij u stuk nr. 1058.

De heer Knops (CDA):
Ik wil dit debat niet verstoren, maar ik had eigenlijk verwacht dat de minister zou zeggen: hou deze motie aan. Want als we het werk van de commissie nu serieus nemen, dan is het handiger om dat signaal af te geven met een aangehouden motie. Dan kunnen we de commissie vervolgens in alle vrijheid haar taak laten uitoefenen. Ik ben dus een beetje in verwarring over wat ik na dit oordeel van de minister nu met die motie moet.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Aanhouden was zeker ook een optie geweest. Ik begrijp hier de intentie. Ik ben het volledig met de heer Knops eens dat de commissie met deze motie, of die nou aangehouden of aangenomen is, alsnog in volle vrijheid het onderzoek moet kunnen doen en de aanbevelingen moet kunnen formuleren. Maar zo interpreteer ik de motie ook. Ik interpreteer haar niet zo dat de indieners zeggen: dit moet er in ieder geval in terugkomen en dit is hoe wij het eisen. Ze zeggen: dit zijn belangrijke elementen. Het is goed dat de heer Knops nog tegen mij zegt: benoem nou eens goed hoe je het interpreteert. Ik interpreteer het als elementen die daarin terug kunnen komen. Ik ga ze doorgeleiden naar de commissie, maar volgens mij gaan wij hier niet een commissie vertellen wat de uitkomsten moeten zijn. Nooit.

Dat zou dan ook voor de volgende motie gelden. Dat is de motie op stuk nr. 1058 op uw lijstje, voorzitter. Die vraagt de regering om in overleg met het College van procureurs-generaal de Centrale Toetsingscommissie uit te breiden met bijvoorbeeld rechters, psychologen en advocaten om een multidisciplinaire betrokkenheid te waarborgen. Ik geef de motie oordeel Kamer, met dezelfde kanttekening die de heer Knops net maakte en die ik nu ook weer benoem. Ik zal dit doorgeleiden richting de commissie-Sorgdrager. We geleiden dit dus door, maar gaan de commissie niet voor de voeten lopen en niet voorschrijven wat er vervolgens mee gedaan moet worden. We beschouwen het als een signaal vanuit de Kamer.

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 1060.

De voorzitter:
Eerst mevrouw Michon.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik kan die lijn van de minister steunen, want ik kan mij voorstellen dat het kabinet met een reactie op het advies van de commissie-Sorgdrager komt. Als de commissie er niet mee komt, kan dan in ieder geval het kabinet ingaan op de wens uit deze moties? Nogmaals, als het al niet in het rapport van Sorgdrager zelf staat.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Misschien kunnen we het stap voor stap doen. Ik zal het doorgeleiden als elementen die in ieder geval meegewogen worden. Dan kijken we waar de commissie-Sorgdrager mee komt. Als ik daar nu nog stelliger dingen over zeg dan loop ik de commissie misschien wel voor de voeten, en ook dat moet niet. Dus ik geleid het door als elementen die gewogen kunnen worden.

De motie op stuk nr. 1060, van mevrouw Van der Werf, verzoekt de regering om de voortgang van hervormingen bij de Landelijke Eenheid door experts te laten monitoren. Die krijgt oordeel Kamer.

De heer Van Nispen vraagt in zijn motie op stuk nr. 1061 naar een algehele evaluatie van de rol van de Rijksrecherche. Die ontraad ik, omdat ik echt geen enkele reden heb om te twijfelen aan de rol van de Rijksrecherche en de betrouwbaarheid van het functioneren ervan. De Rijksrecherche voert zijn onderzoek uit in opdracht van het OM. Het OM geeft ook leiding aan de onderzoeken. Als het gaat om strafrechtelijke onderzoeken door de Rijksrecherche toetst de rechter ook de rechtmatigheid daarvan. Dus er zit echt al een toets in. Daarmee is volgens mij ook het toezicht voldoende geregeld. Een evaluatie bovenop de toets die de rechter doet naar de rechtmatigheid ervan, lijkt mij dus te veel en ook niet nodig. Ik ontraad de motie.

De heer Van Nispen (SP):
Ik begrijp ergens wel wat de minister zegt. De motie is niet zo bedoeld dat zij gelezen moet worden in de zin van: er is wantrouwen en niks deugt van de Rijksrecherche. Als de minister de motie zo begrijpt, dan heb ik het onhandig geformuleerd. Maar ik zou de minister willen vragen om naar die tweede constatering, die tweede alinea, te kijken. Want het is in dit soort zaken, juist waar het gaat om geheimhouding — daar zit ook een beetje mijn ongemak met dit debat — heel moeilijk om toezicht te houden op wat er precies gebeurd is, juist vanwege dat geheime en vertrouwelijke karakter. Dat wil ik ergens wel begrijpen, en toch vind ik het dan ongemakkelijk dat we met deze conclusie en met dit toezicht blijven zitten. Het doel van die motie is dus dat er toch beter gekeken wordt hoe we juist het onafhankelijke karakter ervan beter en transparanter vorm kunnen geven in de toekomst. Dat is eigenlijk waar ik naar op zoek ben.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Die zoektocht begrijp ik. Wellicht kunnen we … "We" kunnen niks, maar ik wil het volgende ter overweging meegeven. De invulling van deze motie is volgens mij niet helemaal de insteek van de heer Van Nispen, maar ik moet de motie ontraden. Wellicht kunnen we zeggen dat we dit onderwerp … Er komen nog een aantal rapportages aan, zoals van de commissie-Sorgdrager maar ook de tussenrapportages en de eindrapportage van de commissie-Schneiders. Wellicht kunnen we kijken wat daaruit komt. Op het moment dat de heer Van Nispen zegt "maar ik heb hier nog vraagtekens bij; hier ben ik het niet mee eens, want ik denk dat het anders kan, anders moet" — die optie is er natuurlijk; we krijgen adviezen en aanbevelingen van commissies, maar daarna is het aan ons hier hoe we ermee omgaan — dan kunnen we specifiek daarop ingaan. Sorgdrager zal ook naar dit soort elementen kijken en ons daarover adviseren. Dan zou ik zeggen: ontraden, maar als ik mag adviseren: liever nog aanhouden of eigenlijk intrekken. Want de formulering past voor mijn gevoel niet helemaal bij waar de heer Van Nispen naar op zoek is. Laten we kijken waar Sorgdrager mee komt en dat dan bespreken. Dan is er natuurlijk alle vrijheid om wederom moties in te dienen.

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 1062 van mevrouw Simons. Die vraagt of we ook vergelijkbaar onderzoek binnen de gehele politieorganisatie kunnen doen. Deze motie ontraad ik. De Landelijke Eenheid was heel specifiek, maar ik zie geen aanleiding om dat voor de hele politie te doen. Ik sta ook voor de politie. Deze motie ga ik dus ontraden.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Het voert een beetje te ver om tijdens dit specifieke debat met deze treurige aanleiding alle misstanden die we de laatste tijd vanuit de Landelijke Eenheid hebben meegemaakt op te gaan noemen, maar ik ben wel een beetje verbaasd als ik de minister hoor zeggen dat ze geen enkele aanleiding ziet om deze organisatie nog eens verder te bekijken. We hebben de laatste jaren — zo zou ik het haast willen zeggen — een slinger aan berichten gekregen over falend leiderschap en momenten waarop niet werd ingegrepen bij wangedrag. Ik wil het eigenlijk niet allemaal opnoemen, maar ik kan me moeilijk voorstellen dat deze minister zegt: ik neem liever het risico dat er wel wat speelt dan dat ik preventief ga onderzoeken op basis van het feit dat er duidelijke signalen binnen verschillende geledingen en afdelingen van de politie zijn en dat er zelfs al onderzoeken lopen. Ik zou zeggen: waarom neemt deze minister niet het zekere voor het onzekere en waarom neemt ze deze treurige aanleiding niet als moment om ervoor te zorgen dat we straks kunnen uitgaan van een veilige politieorganisatie, zowel voor degenen die daarbinnen werken als voor degenen die daar op straat mee geconfronteerd worden?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik denk dat we twee dingen apart moeten trekken. Ik voel ook wel met mevrouw Simons mee. We kunnen het hier volgende week ook nog eens over hebben in het commissiedebat Politie. Misschien is het makkelijker om hier dan uitgebreider bij stil te staan.

In het betoog van mevrouw Simons zat ook iets waar ik me niet helemaal in kan vinden. Ik heb heel veel vertrouwen in onze politieorganisatie en ik sta ook voor al die agenten. Tegelijkertijd is het een hele grote organisatie met tienduizenden medewerkers en komen er ook misstanden voor. Mevrouw Simons zei net in haar interruptie richting mij dat er al onderzoeken plaatsvinden op het moment dat er misstanden zijn. Er zijn al waarborgen en er wordt ook getoetst. Als er dingen gebeuren die niet horen te gebeuren, onderzoeken we die en kijken we daarnaar. Dan zorgen we ook dat we alles op alles zetten om te voorkomen dat het weer kan gebeuren.

Het is dus niet zo dat ik zeg dat we nooit naar andere misstanden moeten kijken. Ik zeg alleen dat het bij de Landelijke Eenheid zo specifiek was. Het is een heel specifiek onderzoek en daar komt ook uit naar voren waarom dat zo specifiek nodig is. Ik zou niet een soort algehele motie van wantrouwen … Dat zijn mijn eigen woorden; dat is niet wat mevrouw Simons zei, maar het voelt als een soort algehele motie van wantrouwen richting de politieorganisatie als je zegt: dan maar in zijn geheel, want het functioneert niet. Nogmaals, dat is niet wat mevrouw Simons zei, maar dat is dus ook echt niet wat ik zou willen uitstralen.

Hier zie ik dus geen concrete aanleiding om te zeggen wat de motie vraagt, namelijk "in zijn geheel". Maar naar onderdelen, daar waar dingen niet goed gaan, waar incidenten plaatsvinden of breder dan dat, moet altijd onderzoek plaatsvinden omdat de politieorganisatie, net als elke andere organisatie, een lerende organisatie is en moet zijn om veiligheid te bieden voor al die vrouwen en mannen die elke dag op pad gaan voor uw en mijn veiligheid.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Ik ga de komende minuten gebruiken om na te denken over wat ik met de motie doe, omdat we inderdaad binnenkort een debat hebben. Dan kan ik de motie eventueel opnieuw indienen. Daarbij spreek ik er wel mijn teleurstelling over uit dat we toch altijd wachten totdat misstanden zich hebben voorgedaan, om dan met terugwerkende kracht onderzoek te gaan doen en te kijken hoe we het in het vervolg beter kunnen doen. Ik denk dat we met een dergelijk onderzoek, als dat niet geïnterpreteerd wordt als een motie van wantrouwen maar eerder als een kleine aanzet tot verbetering, aan de voorkant misschien dingen kunnen oplossen voordat ze gebeuren. Want als er dingen gebeuren, als er zaken misgaan bij een dergelijke organisatie, zijn de gevolgen vaak zodanig zwaar dat het jammer is dat we gewacht hebben, terwijl we aan de voorkant misschien maatregelen hadden kunnen nemen.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Daar ben ik het helemaal mee eens. Wellicht kunnen we bij het commissiedebat en de vervolgdebatten — we gaan nog heel vaak over de politie spreken — samen stilstaan bij alle zaken en elementen die de politie zelf op de agenda zet. De politie agendeert die om te zeggen: wij zien wat er gebeurt, wat er in de samenleving verandert en wat voor lerende organisatie wij zijn, dus dit zijn onze verbetertrajecten. Ik heb dus niet de indruk dat de Tweede Kamer, het kabinet of de politie wacht totdat er misstanden zijn en dan allerlei commissies instelt of onderzoeken gaat doen. De politie is juist een lerende organisatie. Mijn zoektocht is elke keer, nu en destijds ook als Kamerlid, hoe we naast de agenten kunnen staan en hen helpen in hun zoektocht.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 1063 van mevrouw Van der Plas. Zij verzoekt om een extern orgaan te vragen om advies uit te brengen over leden van een onderzoekscommissie. Die motie ontraad ik. Zoals ik heb aangegeven, gaat het om een formele commissie. Die is al vaak openbaar. De instelling is duidelijk. Vaak doen externe, onafhankelijke commissies ergens onderzoek naar. Het wordt misschien iets te ingewikkeld om bovenop een externe, onafhankelijke commissie een onafhankelijk toezichthouder te zetten. Dat wórdt te ingewikkeld, laat ik het zo zeggen. Om die reden ontraad ik de motie.

Vervolgens had mevrouw Van der Plas een andere motie, namelijk die op stuk nr. 1064. Die vraagt om met de korpsleiding, de bonden en het politieonderwijs overleg te voeren over de wijze waarop het geestelijke welzijn en de mentale gezondheid tijdens de loopbaan kunnen worden ondersteund. Dat doen we. Ik geef deze motie oordeel Kamer. Ik neem de motie graag mee als ondersteuning van het beleid en als een extra duw om dit vooral te blijven doen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als ik een toezegging kan krijgen van de minister, dan is dat voor mij ook goed. Dan hoef ik daar niet speciaal een motie over in te dienen. We zijn in de Kamer bezig om de motiediarree in te dammen. Als de minister de toezegging doet dat zij de Kamer uiteindelijk hierover gaat informeren ...

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Gaat dit over de motie op stuk nr. 1064, de laatste?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Jazeker, natuurlijk, dit is wat wij doen. Ik neem sowieso in de halfjaarsrapportages mee hoe dit er dan uitziet en ook hoe het in bredere zin is, want zo lees ik de motie ook. Het is breder. We moeten dit op verschillende plekken aandacht blijven geven.

De voorzitter:
En dus?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als die toezegging er is en wij daar ook over worden geïnformeerd, dan wil ik de motie wel intrekken. Dat scheelt weer.

De voorzitter:
Aangezien de motie-Van der Plas (29628, nr. 1064) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Van Nispen (SP):
In het kader van de huishoudelijke mededelingen zeg ik, na overleg met mijn mede-indiener, dat wij de motie op stuk nr. 1061 graag willen aanhouden.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Nispen stel ik voor zijn motie (29628, nr. 1061) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Zijn er nog meer huishoudelijke mededelingen? Mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):
Jazeker, want tot mijn vreugde kan ik ook nog aangeven dat de motie op stuk nr. 1057 medeondertekend wordt door mevrouw Kathmann van de PvdA.

De voorzitter:
Dan voegen wij de naam van mevrouw Kathmann daaraan toe.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dan heb ik nog twee vragen van de heer Van Nispen. Daarna ben ik klaar, voorzitter.

De heer Van Nispen en mevrouw Van der Werf hadden het over de klokkenluiders en de motie die onder de aandacht werd gebracht. Ik stel voor dat ik die motie even pak en bekijk of wij daar volgende week in het commissiedebat op terug kunnen komen. Anders neem ik dit ook mee in het bredere verband van dingen die ik richting mevrouw Van der Werf heb toegezegd. Ik hoop dus dat ik in ieder geval volgende week even tijdens het commissiedebat kan stilstaan bij hoe we daar verder mee omgaan. Maar die motie wordt er nu natuurlijk druk bij gepakt door de ambtenaren. Zij bekijken hoe we daarmee aan de slag kunnen.

Was infiltratie niet bedoeld voor kortere trajecten, vroeg de heer Van Nispen nog. Het is niet zo dat infiltratietrajecten van korte duur moeten zijn. Dat is niet noodzakelijk. Het College van procureurs-generaal moet elke drie maanden instemmen met een besluit tot verlenging van een infiltratietraject. Daarbij worden steeds proportionaliteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid van het infiltratietraject getoetst. Ook dit is een aspect dat meegenomen wordt door de commissie-Sorgdrager. Die zal bekijken hoe dat nu opgebouwd is en of dat ook de meest wijze manier is van daaraan vorm blijven geven.

De voorzitter:
Heel goed. Dank aan de minister voor haar eerste echt grote debat hier in de Kamer.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen wij over de moties. Ik dank alle aanwezigen en alle deelnemers aan het debat. Ik sluit de vergadering van 8 februari 2022.

Sluiting

Sluiting 20.33 uur.

Naar boven