Plenair verslag Tweede Kamer, 101e vergadering
Woensdag 6 juli 2022

  • Begin
    10:15 uur
  • Sluiting
    21:58 uur
  • Status
    Ongecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Nijboer

Aanwezig zijn 137 leden der Kamer, te weten:

Aartsen, Agema, Alkaya, Amhaouch, Arib, Azarkan, Van Baarle, Baudet, Becker, Beckerman, Belhaj, Van den Berg, Bergkamp, Van Beukering-Huijbregts, Bevers, Bikker, Bontenbal, Martin Bosma, Boswijk, Bouchallikh, Boucke, Boulakjar, Brekelmans, Bromet, Van Campen, Ceder, Dassen, Dekker-Abdulaziz, Tony van Dijck, Inge van Dijk, Jasper van Dijk, Eerdmans, El Yassini, Ellian, Ephraim, Eppink, Erkens, Van Esch, Geurts, Van Ginneken, De Graaf, Van der Graaf, Grinwis, Peter de Groot, Tjeerd de Groot, Gündoğan, Den Haan, Van Haga, Hagen, Hammelburg, Haverkort, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Heinen, Hermans, Hijink, De Hoop, Van Houwelingen, Idsinga, Jansen, Léon de Jong, Romke de Jong, Kamminga, Kat, Kathmann, Van Kent, Kerseboom, Klaver, Klink, Knops, Koekkoek, Koerhuis, Kops, De Kort, Kröger, Kuiken, Kuzu, Kwint, Van der Laan, Van der Lee, Leijten, Maatoug, Maeijer, Marijnissen, Markuszower, Van Meenen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Minhas, Mohandis, Van der Molen, Agnes Mulder, Edgar Mulder, Mutluer, De Neef, Nijboer, Van Nispen, Omtzigt, Palland, Paternotte, Paul, Paulusma, Peters, Piri, Van der Plas, Podt, Van Raan, Raemakers, Rahimi, Rajkowski, De Roon, Sahla, Segers, Chris Simons, Sylvana Simons, Sjoerdsma, Slootweg, Smals, Sneller, Van der Staaij, Stoffer, Van Strien, Strolenberg, Teunissen, Thijssen, Valstar, Verkuijlen, Vestering, Wassenberg, Van der Werf, Werner, Westerveld, Van Weyenberg, Van Wijngaarden, Wilders, Van der Woude en Wuite,

en mevrouw Heijnen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de heer Hoekstra, minister van Buitenlandse Zaken, de heer Jetten, minister voor Klimaat en Energie, de heer Van Ooijen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de heer Vijlbrief, staatssecretaris Mijnbouw, de heer Weerwind, minister voor Rechtsbescherming, en mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, minister van Justitie en Veiligheid.

De voorzitter:
Ik open de vergadering van woensdag 6 juli 2022.

Mededelingen

Mededelingen


Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Hoofdlijnenbeleid ministerie van Buitenlandse Zaken

Hoofdlijnenbeleid ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de orde is het tweeminutendebat Hoofdlijnenbeleid ministerie van Buitenlandse Zaken (CD 14/6).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Hoofdlijnenbeleid ministerie van Buitenlandse Zaken. De eerste termijn van de Kamer is geweest in een vijf uur durend debat. Ik heet de minister van Buitenlandse Zaken van harte welkom. Ik heet de collega's van harte welkom. Vandaag en morgen zijn er, voor nu, 30 tweeminutendebatten ingepland. Dat betekent dat wij proberen om alleen de moties te behandelen. Wij gaan dus geen lange inleidingen houden en wij stellen niet te veel vragen. De heer Kuzu is de eerste spreker, maar ik zie hem nog niet. Hij krijgt straks dus het woord.

Ik geef allereerst het woord aan mevrouw Agnes Mulder. Zij zal spreken namens het CDA.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Voorzitter, dank.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er op dit moment geen vredesonderhandelingen plaatsvinden tussen de Israëli's en de Palestijnen;

van mening dat het kabinet zich moet blijven inspannen voor het bijeenbrengen van de Israëlische en Palestijnse gemeenschappen om te bouwen aan vrede van onderop;

verzoekt de regering in kaart te brengen in hoeverre de steun voor verzoeningsprojecten waarbij Israëlische en Palestijnse jongeren nader tot elkaar worden gebracht, vanuit Nederland en internationale fondsen kan worden geïntensiveerd, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Agnes Mulder en Ceder.

Zij krijgt nr. 93 (35925-V).

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Voorzitter. Ik heb toch nog één vraag aan de minister. Die heeft te maken met de kwestie Shireen Abu Akleh. Zij is als journaliste doodgeschoten in mei. Ik wil graag weten hoe het gaat met het internationale onderzoek. Wij zagen afgelopen week dat de kogel is overhandigd. Misschien kan de minister daar nog op ingaan. Die zaak houdt ons namelijk heel erg bezig.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dank ook voor uw beknoptheid.

Het woord is aan de heer Kuzu. Hij spreekt namens DENK. We hebben het kerstregime vandaag: moties voorlezen en, als het moet, heel kort een vraag stellen. Meneer Kuzu kent dat nog wel.

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter, dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onderzoeken van onder andere Bellingcat, CNN, The Washington Post, The New York Times, de Palestijnse Autoriteit alsmede de VN-mensenrechtenrapporteur Israël als meest waarschijnlijke dader hebben aangemerkt voor de dood van Al-Jazeera-journaliste Shireen Abu Akleh;

constaterende dat sinds 2000 meer dan 40 andere Palestijnse journalisten door Israël zijn doodgeschoten;

roept de regering op alles in het werk te stellen dat de onderste steen boven komt in deze zaak en dat de verantwoordelijken zullen worden berecht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kuzu.

Zij krijgt nr. 94 (35925-V).

De heer Kuzu (DENK):
Ik heb een sprintje getrokken naar de zaal. Dat voel ik wel.

De voorzitter:
Ik hoor het. Neemt u vooral rustig de tijd voor uw moties.

De heer Kuzu (DENK):
Dank. Ik ga verder met mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de AIV al in 2013 schreef dat de verantwoordelijke actoren binnen de internationale gemeenschap er niet aan ontkomen om naast woorden van protest ook daden te laten volgen indien Israël niet bereid blijkt een einde te maken aan de groeiende kolonisering van de bezette gebieden;

roept de regering op om in EU verband te pleiten om concrete maatregelen te gaan nemen tegen het nederzettingenbeleid, zoals het opschorten van het EU-associatieverdrag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kuzu.

Zij krijgt nr. 95 (35925-V).

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter. De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Amnesty International, Human Rights Watch, B'Tselem, Al-Haq en vele anderen na jarenlang en uitgebreid feitenonderzoek hebben vastgesteld dat Israël zich schuldig maakt aan apartheid, een internationaalrechtelijk gedefinieerde misdaad tegen de menselijkheid;

spreekt uit dat Israël zich schuldig maakt aan apartheid en roept de regering op dit ook te doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kuzu.

Zij krijgt nr. 96 (35925-V).

Dank u wel. Neemt u vooral even rustig een slokje water.

Het woord is aan de heer Brekelmans. Hij zal spreken namens de VVD.

De heer Brekelmans (VVD):
Voorzitter. De eerste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland en de EU in aanzienlijke mate strategisch afhankelijk zijn van individuele landen voor essentiële grondstoffen, producten en technologie;

constaterende dat autocratische regimes als China en Rusland deze strategische afhankelijkheden inzetten als drukmiddel, en ook als tegenmiddel om zelf niet onder druk te kunnen worden gezet;

constaterende dat strategische afhankelijkheden van specifieke autocratische regimes zoals China groot blijven of zelfs toenemen, terwijl China zelf een strategie voert van asymmetrisch ontkoppelen;

constaterende dat het amendement-Brekelmans c.s. in de begroting Buitenlandse Zaken 2022 middelen heeft vrijgemaakt om voorbereidingen te treffen voor een taskforce om strategische afhankelijkheden te verminderen;

van mening dat Nederland en de EU de strategische afhankelijkheden van specifieke autocratische regimes (in het bijzonder China en Rusland) moeten verminderen, en tegelijkertijd juist moeten stimuleren dat anderen afhankelijk zijn van de EU;

overwegende dat het afbouwen van strategische afhankelijkheden acties vereist van het bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen en ministeries, zowel op nationaal als Europees niveau;

overwegende dat een overkoepelende strategie, concrete doelen en urgentie bij de nationale en Europese initiatieven nodig zijn om strategische afhankelijkheden daadwerkelijk te verminderen;

overwegende dat het afbouwen van strategische afhankelijkheden door onder andere diversificatie, friendshoring, near shoring, reshoring, en aanleg van strategische voorraden alle aspecten van het buitenlandbeleid raakt en actie vereist van alle diplomatieke posten;

verzoekt de regering een interdepartementale taskforce in te richten om strategische afhankelijkheden te verminderen, en de Kamer over de opzet en activiteiten van deze taskforce te informeren in het najaar van 2022 voor de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Brekelmans en Agnes Mulder.

Zij krijgt nr. 97 (35925-V).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van der Lee. Hij zal spreken namens GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Rusland jaarlijks miljarden euro's aan goud exporteert en daarmee een van 's werelds grootste goudexporteurs is;

overwegende dat de G7-landen recent hebben aangekondigd de import op Russisch goud te verbieden en dat de Europese Unie naar verluidt ook overweegt om tot een dergelijke sanctie over te gaan;

verzoekt de regering te bevorderen dat de EU zich als geheel aansluit bij de G7-landen en zo spoedig mogelijk overgaat tot een importverbod op Russisch goud,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Lee en Piri.

Zij krijgt nr. 98 (35925-V).

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Ik heb nog één vraag, over de illegalenederzettingenpolitiek van Israël. Er zijn nieuwe plannen om nederzettingen te plaatsen bij Masafer Yatta en E1. Dat zou kunnen leiden tot het echt in tweeën splitsen van de Westbank. Ik ben benieuwd of de regering Israël hier proactief op gaat aanspreken, want dat lijkt me hoogst noodzakelijk.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer De Roon. Hij zal spreken namens de PVV.

De heer De Roon (PVV):
Dank, voorzitter. Ik heb drie moties. De eerste luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de disproportionele aandacht voor Israël bij de VN-Mensenrechtenraad de spuigaten uitloopt, onder meer door toedoen van de speciaal tegen Israël opgerichte onderzoekscommissie;

overwegende dat voor mensenrechten desastreuze landen, zoals China, Saudi-Arabië en Pakistan, tegelijkertijd met fluwelen handschoenen worden aangepakt;

overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad geen enkele geloofwaardigheid meer kan worden toegedicht;

verzoekt de regering om uit de VN-Mensenrechtenraad te stappen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.

Zij krijgt nr. 99 (35925-V).

De heer De Roon (PVV):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland het initiatief neemt om met gelijkgestemde EU-lidstaten te spreken over de erkenning van genocides en onder welke voorwaarden dit moet gebeuren;

overwegende dat het al dan niet erkennen van genocides een nationale aangelegenheid moet blijven en niet afhankelijk mag worden van politieke afstemming met andere (EU-)landen;

verzoekt de regering de erkenning van genocides niet afhankelijk te maken van het oordeel van andere landen daarover,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.

Zij krijgt nr. 100 (35925-V).

De heer De Roon (PVV):
De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het onwenselijk is dat ons buitenlandbeleid steeds meer in handen komt van de Europese Unie en haar lidstaten;

verzoekt de regering om zich te verzetten tegen de plannen om vaker met gekwalificeerde meerderheid te besluiten en vast te houden aan besluitvorming bij unanimiteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.

Zij krijgt nr. 101 (35925-V).

Dank u wel.

De heer De Roon (PVV):
Dank, voorzitter.

De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Piri. Zij zal spreken namens de PvdA.

Mevrouw Piri (PvdA):
Dank, voorzitter. Ik heb geen inleiding.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat onze relatie met de Verenigde Staten van essentieel belang is, zowel op economisch, cultureel als veiligheidsterrein;

constaterende dat zich zorgelijke ontwikkelingen voordoen in het land, die zowel op korte als op lange termijn een grote impact kunnen hebben op het trans-Atlantisch partnerschap;

verzoekt de regering te komen met een VS-strategie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Piri en Van der Lee.

Zij krijgt nr. 102 (35925-V).

Mevrouw Piri (PvdA):
Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering een bilateraal actieplan is overeengekomen met Marokko met daarin onder andere afspraken over handel, migratie en justitiële samenwerking;

constaterende dat de mensenrechtensituatie, inclusief in het Rifgebied, in Marokko onder druk blijft staan;

verzoekt de regering in de relatie met Marokko de bescherming van mensenrechten actief te blijven uitdragen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Piri, Van der Lee en Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 103 (35925-V).

Mevrouw Piri (PvdA):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Ceder. Hij zal spreken namens de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Mulder heeft net mede namens mij een motie ingediend. Daarnaast heb ik er nog één.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Tweede Kamer reeds vanaf 2004 met de motie-Rouvoet de Armeense genocide unaniem heeft erkend, nadien gevolgd door de expliciete erkenning door het parlement door middel van de motie-Voordewind c.s. in 2018;

overwegende dat de motie-Voordewind c.s. uit 2021 die de regering heeft opgeroepen de Armeense genocide te erkennen, met steun van vrijwel de gehele Tweede Kamer is aangenomen;

overwegende dat in het coalitieakkoord afgesproken is dat Nederland samen met een representatief aantal gelijkgestemde EU-lidstaten de erkenning van genocides bekijkt, en onder welke voorwaarden gezamenlijk tot erkenning van genocides kan worden overgegaan;

verzoekt de regering om bij gelijkgestemde EU-lidstaten na te gaan of en hoe gelijktijdig met deze landen overgegaan kan worden tot erkenning van de Armeense genocide en de Oeigoerse genocide, en de Kamer hierover voor de behandeling van de begroting voor 2023 te berichten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Agnes Mulder en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 104 (35925-V).

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas. Zij zal spreken namens BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het opgeslagen graan dat nu vastzit in Oekraïne en het graan van de aankomende oogst cruciaal is om — voornamelijk armere — landen mee te voeden;

verzoekt de regering een internationale leiderschapsrol te spelen in het coördineren van de evacuatie van graan uit Oekraïne,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 105 (35925-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet, ook na de motie-Voordewind, de Armeense genocide niet omschrijft als genocide maar als "verschrikkelijke gebeurtenis";

verzoekt de regering, al dan niet in samenspraak met andere landen, de Armeense genocide voor 2023 te erkennen als zodanig,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 106 (35925-V).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Dijk. Hij zal spreken namens de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dank.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er op dit moment geen vredesonderhandelingen plaatsvinden tussen de Israëli's en de Palestijnen;

constaterende dat de door Nederland gewenste tweestatenoplossing steeds verder uit zicht raakt;

verzoekt de regering in Europees verband concrete maatregelen voor te stellen, met als doel Israël en Palestina tot onderhandelingen aan te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 107 (35925-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat journalisten in vrijheid hun werk moeten kunnen doen;

constaterende dat op 11 mei 2022 de journaliste Shireen Abu Akleh is gedood, wat neerkomt op een frontale aanval op de persvrijheid;

verzoekt de regering om zich voor deze zaak te blijven inspannen zodat de daders kunnen worden berecht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 108 (35925-V).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Meijeren. Hij zal spreken namens Forum voor Democratie.

De heer Van Meijeren (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Tijdens het commissiedebat heb ik de minister een aantal hele concrete vragen gesteld over de Bilderbergconferentie, waar hij samen met de minister-president en de koning aanwezig was, zoals over wat daar besproken is, of er afspraken zijn gemaakt, wat de gevolgen zijn voor Nederland; gewoon hele voor de hand liggende vragen. De minister heeft die vragen toen niet beantwoord, geen enkele, waarbij hij zich verschool achter de zogenaamde "Chatham House Rules". Ik heb hem er toen op gewezen dat die Chatham House Rules er alleen betrekking op hebben dat de identiteit van personen die bepaalde opvattingen uiten niet gedeeld mag worden, maar dat deelnemers uitdrukkelijk wél verslag mogen doen van wat er besproken is, zoals dat ook staat op de website van de Bilderbergconferentie. Toen heeft de minister mij beloofd ...

De voorzitter:
We dienen vandaag eigenlijk alleen moties in, omdat we 30 tweeminutendebatten hebben. Dat hebben alle collega's ook gedaan. Dus het gaat me niet om het onderwerp, maar gewoon om dat we 30 tweeminutendebatten hebben te behandelen in twee dagen.

De heer Van Meijeren (FVD):
Een tweeminutendebat waarbij ik, als het goed is, zelf mag bepalen hoe ik die twee minuten invul.

De voorzitter:
Maar om alle 30 tweeminutendebatten vandaag en morgen goed te laten verlopen, hebben we het regime vandaag en morgen om alleen de moties in te dienen, en een enkele noodzakelijke vraag.

De heer Van Meijeren (FVD):
Nou ja, ik heb geen moties, meneer de voorzitter.

De voorzitter:
Oké. Nou, stelt u dan uw vraag, omdat ...

De heer Van Meijeren (FVD):
En we hebben tijdens het commissiedebat ook geen tweede termijn gehad ...

De voorzitter:
Nee, en daarom stelt u nu uw vraag.

De heer Van Meijeren (FVD):
... dus ik ging ervan uit dat we nu wat meer ruimte zouden krijgen. En ik heb gewoon twee minuten volgens het Reglement van Orde. En over een kerstregime, of wat voor trucjes er ook uitgehaald worden, heb ik in het Reglement van Orde geen woord gelezen. Ik vervolg graag mijn betoog.

De voorzitter:
U spreekt uw tijd vol en stelt uw vragen.

De heer Van Meijeren (FVD):
Voorzitter. De minister heeft mij tijdens het commissiedebat beloofd die vragen vervolgens schriftelijk te beantwoorden, waarbij hij dubieus genoeg opmerkte: "Voor zover het kabinet het verstandig vindt om die antwoorden te geven". Mijn vraag aan de minister is: hoe verhoudt zich dat met artikel 68 van de Grondwet? Dat artikel bepaalt namelijk dat elk Kamerlid het individuele recht heeft op inlichtingen, en dat de minister alleen kan weigeren om informatie te verstrekken indien het belang van de Staat zich daartegen verzet; dus niet indien het kabinet dat niet wenselijk vindt. Daarom hierbij nogmaals het verzoek aan de minister om ofwel de vragen te beantwoorden, ofwel per vraag te beargumenteren waarom het belang van de Staat zich ertegen zou verzetten om die vraag te beantwoorden.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. De minister heeft maar enkele minuten nodig om zich voor te bereiden op de beantwoording, dus ik schors voor enkele minuten.

De vergadering wordt van 10.31 uur tot 10.38 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef de minister van Buitenlandse Zaken het woord.

Minister Hoekstra:
Voorzitter, dank u wel. Wat ik net buiten de microfoon tegen u zei, zal ik plenair herhalen, namelijk dat het me een genoegen doet om u in die stoel te zien zitten, gegeven ook onze eerdere gedachtewisseling.

Voorzitter. Ik doe in hoog tempo de verschillende moties. Ik begin bij de motie van mevrouw Mulder op stuk nr. 93. Die wil ik oordeel Kamer geven onder verwijzing naar het debat.

Dan de motie op stuk nr. 94 van de heer Kuzu. Hij heeft het over alles in het werk stellen. Dat heeft wat van een hyperbool, maar als ik daarvan mag maken dat we ons daarvoor zullen inspannen, kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Ik zie de heer Kuzu knikken. De motie op stuk nr. 94 krijgt oordeel Kamer.

Minister Hoekstra:
De motie op stuk nr. 95 moet ik onder verwijzing naar het debat ontraden. Dat zal de heer Kuzu misschien teleurstellen, maar ik denk dat hij het wel in lijn met het debat kan accepteren.

De motie op stuk nr. 96 gaat voor het kabinet echt te ver. Ik dacht even dat het een spreekt-uitmotie is, maar het is een spreekt-uit-, maar ook een oproepmotie, dus die moeten we ontraden.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 97 van de heer Brekelmans vind ik echt een verstandige motie. Ik ben het zeer eens met het belang van de vraag hoe we hier verder mee moeten. Dat heb ik ook geprobeerd aan te geven in het debat. Overigens zijn we als kabinet met veel van deze dingen bezig. Ik heb in het debat ook aangegeven dat we hier in de richting van de begrotingsonderhandelingen, begrotingsbesprekingen, op terug komen in de Kamer. Ik zou wel aan de heer Brekelmans willen vragen om de inrichting en de organisatie van de taskforce echt aan de betrokken ministeries te laten. Dus ik ben het zeer eens met het belang en de opmerkingen die hij maakt, maar het kabinet komt met een plan. Dan kan de Kamer daar uiteraard wat van vinden, maar ook in de verhouding van: wie gaat er over hoe je jezelf uiteindelijk organiseert? Die kanttekening wil ik er nog bij plaatsen. Daarbij laat ik de motie graag aan het oordeel van de Kamer.

De heer Brekelmans (VVD):
Dank voor de positieve woorden. Ik vind het aan het kabinet om in te richten waar zo'n taskforce valt, wie daarin zitten en hoe dat is opgehangen, maar ik zou wel echt willen voorkomen dat ministeries dit naar elkaar toe gaan schuiven. Als voor de begrotingsbehandeling duidelijk in een brief kan worden gezet hoe het kabinet dat inricht, vind ik het de verantwoordelijkheid van het kabinet om te bepalen welke minister het eerste aanspreekpunt is.

Minister Hoekstra:
Zonder meer. En om daar geen misverstand over te laten bestaan: ik vind in ieder geval dat daarbij ook een belangrijke rol voor mijn ministerie is weggelegd, gegeven de internationale dimensie.

Voorzitter. Dan de enige motie van de heer Van der Lee, op stuk nr. 98. Die wil ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 98 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 99.

Minister Hoekstra:
De motie op stuk nr. 99, van de heer De Roon, moet ik ontraden, onder verwijzing naar het debat. Het is echt niet verstandig om uit die Mensenrechtenraad te gaan. Dat zou ook niet in het Nederlandse belang zijn.

De motie op stuk nr. 100 van de heer De Roon moet ik ook ontraden, ook onder verwijzing naar het debat.

Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 101. Dat hebben we uitvoerig aan de orde gehad.

Dan de motie op stuk nr. 102 van mevrouw Piri. Ik vind het eerlijk gezegd ingewikkeld om dat te doen, omdat dat zou betekenen dat we richting een van onze belangrijkste bondgenoten een strategie zouden formuleren. Er is volgens mij in de Kamer een VS-contactgroep. Ik vind dat je je altijd moet afvragen hoe langetermijnrelaties met bondgenoten zich ontwikkelen, maar ik vind dit diplomatiek echt ingewikkeld, ook in de richting van een van onze allerbelangrijkste bondgenoten. Dus deze moet ik ontraden.

De tweede motie van mevrouw Piri, op stuk nr. 103, over het bilaterale actieplan, krijgt oordeel Kamer. Dan de motie …

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 103 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 104.

Minister Hoekstra:
Ja. Dan de motie op stuk nr. 104 van de heer Ceder. Daar moet ik wel een paar dingen bij zeggen. Daar moeten we echt goed naar kijken. Daar hebben we heel specifieke afspraken over gemaakt bij de totstandkoming van het kabinet. Conform het coalitieakkoord zal Nederland in overleg treden met gelijkgezinde landen. Dit overleg gaat over mogelijke gezamenlijke erkenning en over onder welke voorwaarden dat gebeurt. Dat luistert heel nauw ten aanzien van historici en internationale gerechtshoven die daar wat van te vinden hebben. We hebben het eerder gehad over gezamenlijk optrekken. Dat staat ook in het coalitieakkoord. De VN-Veiligheidsraad heeft er ook wat van te vinden. Omdat agreed language altijd helpt, verwijs ik hier nog naar bij de appreciatie van de motie, maar met die inkleuring kan ik de motie oordeel Kamer geven.

Dan de motie op stuk nr. 105 van mevrouw Van der Plas, over de leiderschapsrol en het graan. Dat is een zeer belangrijk thema. Ik wil de motie ook graag oordeel Kamer geven. Ik zeg er wel bij — dat zal mevrouw Van der Plas denk ik wel met mij eens zijn — dat we die leiderschapsrol van Nederland ook weer niet moeten overdrijven, want anderen, waaronder de VN, Turkije en de Verenigde Staten, zitten daar echt meer op de eerste rij. Maar met die inkleuring gaan wij door met het invulling geven aan onze rol om aan een oplossing bij te dragen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 105 krijgt oordeel Kamer.

Minister Hoekstra:
De motie op stuk nr. 106 zou echt aangehouden moeten worden omdat we op dit punt nog terugkomen later dit jaar. Als mevrouw Van der Plas de motie toch handhaaft, zou ik die onder verwijzing naar het eerdere debat moeten ontraden.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Van der Plas stel ik voor haar motie (35925-V, nr. 106) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Hoekstra:
Dan de motie op stuk nr. 107. Ook dat is een beetje van de categorie "een dubbeltje op z'n kant". Ik snap wat de heer Van Dijk wil. Ik wil mij ook blijven inzetten, ook in Europees verband, voor het dichterbij brengen in plaats van het verder weg laten drijven van een oplossing. "Concrete maatregelen" klinkt dan wel weer erg alsof wij een lijstje gaan indienen waar de EU het over eens moet worden. Dat wordt heel ingewikkeld. Als ik de motie zo mag lezen dat we ons best gaan doen om ook anderen te enthousiasmeren om zich te bezig te houden met dit thema, dan ben ik het ermee eens en geef ik de motie oordeel Kamer. Als ik het helemaal letterlijk lees, is het denk ik net een brug te ver. Dus met die inkleuring zou ik de motie oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
De heer Van Dijk knikt. De motie op stuk nr. 107 krijgt oordeel Kamer.

Minister Hoekstra:
Datzelfde oordeel, maar dan zonder inkleuring, geldt voor de motie op stuk nr. 108, want die kan het kabinet dragen.

De voorzitter:
Nog een enkele vraag.

Minister Hoekstra:
Dan nog drie vragen. In mijn appreciatie van de laatste motie van de heer Van Dijk heb ik eigenlijk ook de vraag van mevrouw Mulder beantwoord. Waar het gaat om alles wat journalisten overkomt, blijven wij ons inzetten voor een onafhankelijk onderzoek. Ik heb vaker gearticuleerd hoe essentieel de vrijheid van de pers is, juist op de plekken waar het ingewikkeld is in de wereld. Ook deze week kwamen er weer allerlei afschuwelijke berichten, overigens van de andere kant, naar boven over wat er niet in orde is qua persvrijheid. Dus daar blijven we ons voor inzetten.

De heer Van der Lee vroeg naar de nederzettingen. We zullen ons proactief en reactief blijven inzetten om aan te geven dat we dat niet in de haak vinden en ook niet in het belang vinden van het creëren van een oplossing.

Richting de heer Meijering wil ik nog zeggen dat alle vragen schriftelijk zijn beantwoord. Wellicht niet tot zijn tevredenheid, maar er is zowel mondeling als schriftelijk met de Kamer over van gedachten gewisseld. De optiek van het kabinet is dat zich dit ook ten volle verdraagt met het staatsrecht.

De voorzitter:
De heer Van Meijeren, een vraag.

De heer Van Meijeren (FVD):
Dat is dus feitelijk onjuist. Ik heb de beantwoording van de vragen gezien en in al die antwoorden wordt alleen maar verwezen naar de Chatham House Rule, terwijl ik juist uitdrukkelijk heb aangegeven dat op de website van de Bilderbergconferentie staat dat die Chatham House Rule zich er alleen tegen verzet om de identiteit van personen kenbaar te maken en niet in de weg staat om te vertellen wat er besproken is en welke standpunten er zijn gewisseld. Ik begrijp dat nu de tijd te kort is om al die veertien vragen te beantwoorden, maar ik zou toch wel graag de toezegging willen hebben van de minister dat hij die veertien vragen niet gebundeld maar per stuk beantwoordt ofwel dat hij uitlegt waarom het belang van de Staat zich daartegen verzet. Want dat is het criterium van artikel 68 van de Grondwet en niet andere ongeschreven diplomatieke gebruiken waar de minister zich op beroept. Dus ik kan er geen genoegen mee nemen dat de minister die vragen simpelweg weigert te beantwoorden omdat hij zegt dat het geheim is. Dan kan ik de regering niet controleren.

Minister Hoekstra:
Als daar geen genoegen mee wordt genomen, dan zal ik mij dat moeten laten aanleunen. In mijn herinnering heeft de heer Meijering ...

De voorzitter:
Van Meijeren, de heer Van Meijeren.

Minister Hoekstra:
De heer Van Meijeren, excuus. Volgens mij heeft de heer Van Meijeren zijn hele termijn besteed aan dit onderwerp en heeft hij vervolgens antwoord gekregen op de schriftelijke vragen aan de minister-president en mijzelf. Hij is ontevreden over het antwoord. Dat is zijn goed recht want het is zijn rol om wat te vinden van wat het kabinet doet, zegt of nalaat, maar ik kan het niet anders of mooier maken dan het is. Dus ik verwijs toch naar de gedachtewisseling die er is geweest. Ik houd echt staande dat het zich staatsrechtelijk helemaal verdraagt met de regelen der kunst zoals die gelden tussen kabinet en Kamer.

De voorzitter:
Ik zie aan de heer Van Meijeren dat dit ongetwijfeld wordt vervolgd, maar niet in dit tweeminutendebat.

Minister Hoekstra:
Dank, voorzitter.

De voorzitter:
Ik dank de minister van Buitenlandse Zaken voor de gezwinde beantwoording en ik dank de collega's voor de coöperatieve opstelling.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik schors voor een enkel ogenblik en daarna gaan we verder met een extra regeling van werkzaamheden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Regeling van werkzaamheden

Voorzitter: Bergkamp

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:
Aan de orde is een extra regeling van werkzaamheden. Ik geef het woord aan mevrouw Van der Plas van BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik denk dat we vannacht allemaal de beelden hebben gezien van de politie die op een boer heeft geschoten. Iedereen is daar enorm van geschrokken. We zien dat de protesten inderdaad zijn geëscaleerd. Dat is iets waar ik hier in de Kamer al heel lang voor waarschuw. Er mengen zich inmiddels ook andere groepen in de protesten. Boeren zeggen letterlijk: we hebben niks meer te verliezen; ik sterf liever. De woorden van de heer Segers dat we in een burgeroorlog kunnen belanden, lijken nu waarheid te worden. Hoe heeft dit zo ver kunnen komen? Ik wil graag een debat over de escalatie van de protesten, de gevolgen die die kan en zal hebben, en wat het kabinet gaat doen om te zorgen dat de rust en de veiligheid voor iedereen in ons land terugkeren. Als wij dit niet doen, vrees ik voor grote gevolgen. Morgen gaat de deur hier voor twee maanden op slot, maar dit kan niet wachten.

De voorzitter:
Met wie zou u een debat willen?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Met de minister-president en de minister van Justitie en Veiligheid.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Wilders (PVV):
Voorzitter. Ik kan op basis van de beelden niet beoordelen wat er precies is gebeurd, maar je schrikt je helemaal kapot als je ziet dat de politie met scherp schiet op boeren. Maar goed, er vindt nu een Rijksrechercheonderzoek plaats, dus we zullen de uitkomst daarvan zien. Boeren staan met de rug tegen de muur en weten niet meer welke kant ze op moeten. Gelet op die escalatie, vind ik dat we met het kabinet moeten praten voordat het reces begint. Ik denk dat mevrouw Van der Plas daar groot gelijk in heeft. Het kan niet zo zijn dat we dalijk acht weken weggaan. Als het niet vandaag is, heb ik dus graag uiterlijk morgen dat debat om inderdaad te praten over die escalatie in het kader van dat vreselijke stikstofbeleid.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter. We zitten op een vulkaan die op uitbarsten staat. Wat de politie heeft gedaan … De beelden zijn natuurlijk verschrikkelijk. Wat de boeren hebben gedaan, komt straks uit het onderzoek; daar moeten we nog niet op vooruitlopen. Maar we weten in ieder geval dat het kabinet keer op keer voor escalatie zorgt. Het is dus van groot belang dat we met het kabinet gaan praten, bij voorkeur inderdaad met de minister-president, om deze situatie te de-escaleren.

De voorzitter:
Dus u steunt het debat?

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Van harte steun.

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. Wat er gebeurt, is heel erg heftig. Er is heel veel woede en verontwaardiging bij de boeren. Maar van de politie wordt op dit moment ongelofelijk veel gevraagd. Als er geweldsmiddelen worden ingezet, als er zelfs wordt geschoten, wordt dat altijd onderzocht. Daar nu een debat over voeren, voegt daar niets aan toe. Het gaat, denk ik, ook niet helpen bij het bedaren van de gemoederen, dat zo hard nodig is.

Mevrouw Becker (VVD):
Voorzitter. Ik wil me daarbij aansluiten. Ik denk dat het in deze roerige tijden heel belangrijk is dat we ook met elkaar de rust bewaren. Speculaties dragen daar op dit moment niets aan bij. Het is heel goed dat de Rijksrecherche onderzoek doet. Voor nu dus geen steun voor dit debat. Dat zeg ik mede namens mevrouw Gündoğan. Zij heeft ons gevraagd om dat namens haar hier in te brengen.

Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik sluit mij van harte aan bij de woorden van collega Van Nispen. Ik denk ook dat het niet verstandig is om op basis van hele of halve filmpjes op internet hier debatten te gaan voeren. Ik wacht het onderzoek graag af.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter. Net als mijn collega's die hiervoor spraken, ben ik het ook eens met de woorden van de SP. Ik zou daar nog aan willen toevoegen dat ook de woorden van Kamerleden ertoe doen. Als we de rust willen bewaren, moeten we de boel dus ook niet verder opstoken.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Voorzitter. Ik zou graag een debat willen hebben over de bemiddelingspoging van de heer Remkes. Wij gaan hier namelijk inderdaad niet over het onderzoek. Dat doet de Rijksrecherche. Ik ga hier ook geen beelden beoordelen.

De voorzitter:
Dat is nu niet het voorstel.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Maar ik doe dus het voorstel om dat aan te passen. Ik wil het wel steun geven als ...

De voorzitter:
Dan moet u even een ander voorstel doen. Het is nu de bedoeling dat u reageert op het voorstel van mevrouw Van der Plas.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Dan wil ik zo een ander voorstel doen, want ik wil het niet over dit specifieke onderwerp hebben. Ik wil het wel hebben over hoe dit verbeterd kan worden.

De voorzitter:
Maar u steunt in ieder geval dit verzoek niet. En als u dat voorstel wilt doen, betekent dat dat er een nieuwe regeling moet komen.

De heer Bontenbal (CDA):
Voorzitter. Ik sluit me aan bij de woorden van collega Van Nispen. Volgens mij is de-escalatie inderdaad nodig. De Rijksrecherche kijkt er nu naar. Een brief zou nog mogelijk zijn, maar op dit moment geen debat.

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. Als we hier debatteren, moeten we debatteren op grond van de feiten en niet op grond van interpretaties. Ik stel dus ook voor om het onderzoek van de Rijksrecherche af te wachten.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Voorzitter. Ik sluit me aan bij de woorden van de SP en GroenLinks, dus geen steun voor dit debat.

De heer Eerdmans (JA21):
Voorzitter. Het lijkt erop alsof er nu twee dingen door elkaar lopen, namelijk enerzijds het Rijksrechercheonderzoek en uitzoeken wat er gisteravond is gebeurd, en anderzijds de de-escalatiepoging die mevrouw Van der Plas doet. Ik denk dat dat juist heel zinvol is. Hoe je ook in de stikstofcrisis of het stikstofdrama of het stikstofbeleid staat, we moeten eruit zien te komen. De weg waarop we nu beland zijn, werkt in ieder geval niet. Het gaat namelijk van kwaad tot erger. Dus graag steun voor dit verzoek.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik deel de zorgen van collega Van der Plas. Tegelijkertijd deel ik de inzet van collega Van Nispen. Daar sluit ik me bij aan. Dus geen steun voor dit debat.

De heer Dassen (Volt):
Ik denk dat we allemaal geschrokken zijn van de beelden, maar ik sluit me aan bij de woorden van de heer Van Nispen. Geen steun voor het debat.

Mevrouw Piri (PvdA):
Voorzitter. Meerdere collega's hebben het al gezegd: de heer Van Nispen heeft hele wijze woorden gesproken. We wachten het onderzoek af. Geen steun voor dit debat dus.

De heer Kuzu (DENK):
Wijzer dan de heer Van Nispen kan ik niet spreken; dat doe ik dan ook niet. Geen steun voor het debat.

De heer Van Meijeren (FVD):
Precies een week geleden stonden we hier omdat er een tweet was verstuurd door een Kamerlid dat bezoek gehad zou hebben. Toen had iedereen zijn oordeel klaar en wist iedereen precies wat er gebeurd was. Er zou sprake zijn van intimidatie en bedreiging en er móést een spoeddebat komen. Nu zien we video's, ooggetuigenverklaringen, waarin te zien is dat de politie gericht schiet — gericht schiet! — op een ongewapende burger. Die agent loopt waarschijnlijk nog steeds rond met zijn pistool en ...

De voorzitter:
Ik wil …

De heer Van Meijeren (FVD):
... nu is er geen steun omdat we ineens een onderzoek willen afwachten?

De voorzitter:
Kunt u reageren op het voorstel? Steunt u het voorstel?

De heer Van Meijeren (FVD):
Van harte steun. Wat hier nu gebeurt, is ... Ik kan geen ander woord gebruiken dan "corrupt". Het is echt te gek voor woorden.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u heeft geen meerderheid voor uw verzoek. U mag reageren, maar heel kort, zonder een debat uit te lokken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Neeneenee, zeker niet. Ik constateer alleen dat er verschillende opvattingen zijn over het doel van het debat. Ik heb niet gevraagd om een debat over het incident van gisteravond. Ik heb een debat gevraagd over de gevolgen die dit kan hebben voor de veiligheid van burgers in het algemeen, in het land, en wat het kabinet gaat doen om de geest terug in de fles te krijgen. Er is dus geen steun verleend aan een verzoek dat ik niet heb gedaan. Ik had gehoopt dat mensen het grotere plaatje hadden gezien, maar helaas. Het is jammer. Ik hoop dat het rustig blijft, maar ik vrees het ergste.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Daarmee zijn we aan het einde van deze extra regeling van werkzaamheden gekomen.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Voorzitter. Ik wilde dat verzoek hier doen, maar u zegt dat ik dan een extra regeling moet aanvragen.

De voorzitter:
Ja, dat is echt zo.

De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Maar ik wil hier toch …

De voorzitter:
Nee, sorry, ik vind het vervelend om u te moeten onderbreken, maar dit is echt een voorstel van mevrouw Van der Plas. Er was een meerderheid voor een extra regeling, dus dit is geen reguliere regeling. Wilt u een ander punt aandragen, dan moet u echt zorgen dat er een extra regeling komt. Neeneenee, die discussie gaan we echt niet voeren, want we hebben nog voldoende op het programma staan. Ik beëindig deze extra regeling van werkzaamheden en dan gaan we weer over tot het debat.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

(Internationale) Gasmarkt / Leveringszekerheid

Voorzitter: Nijboer

(Internationale) Gasmarkt / Leveringszekerheid

Aan de orde is het tweeminutendebat (Internationale) Gasmarkt / Leveringszekerheid (CD 09/06).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat (Internationale) Gasmarkt / Leveringszekerheid. We hebben vandaag het kerstregime. Er zijn al 30 tweeminutendebatten ingepland en het worden er nog meer vandaag en morgen. Dat betekent dat ik u vraag alleen uw moties in te dienen. Ik vraag ook aan de bewindspersoon, de minister voor Energie en Klimaat, die ik van harte welkom heet, om daar kort en bondig op te reageren. Als eerste geef ik het woord aan de heer Kops. Hij zal spreken namens de PVV.

De heer Kops (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet het advies van de Mijnraad, om de gasopslagen maximaal te vullen, negeert;

verzoekt het kabinet het advies van de Mijnraad te volgen en de gasopslagen maximaal te vullen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 313 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland op grond van "Europese solidariteit" gedwongen kan worden gas te exporteren naar buurlanden;

constaterende dat zelfs de gaskraan in Groningen verder kan worden opengedraaid om buurlanden van gas te voorzien;

spreekt uit dat ons gas van ons is;

verzoekt het kabinet te stoppen met het exporteren van gas,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 314 (29023).

De heer Kops (PVV):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Leijten. Zij zal spreken namens de SP.

Mevrouw Leijten (SP):
Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kolencentrales sinds 20 juni 2022 weer volop mogen draaien, maar dat tot die datum nadeelcompensatie gold voor de productiebeperking;

constaterende dat Uniper en RWE nog altijd via het internationaal energieverdrag ECT de Nederlandse Staat voor miljarden aanklagen vanwege de noodzakelijke sluiting van kolencentrales;

van mening dat het onrechtvaardig is dat de eigenaren van de kolencentrales forse winsten maken en de energierekening van huishoudens onbetaalbaar wordt;

verzoekt de regering geen nadeelcompensatie te verstrekken voor de periode tot 20 juni als blijkt dat de kolencentrales hun gebruikelijke winst maken over 2022,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Leijten en Van Raan.

Zij krijgt nr. 315 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door de liberalisering van de gasmarkt Nederlandse gasopslagen in handen zijn van buitenlandse bedrijven;

overwegende dat het ongewenst is dat er geopolitieke spelletjes worden gespeeld met zoiets cruciaals als onze energievoorziening;

spreekt uit dat de energievoorziening van publiek belang is en daarom niet aan de markt moet worden overgelaten;

verzoekt de regering de gasopslagen te nationaliseren, en de Kamer te informeren over de voortgang hiervan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten.

Zij krijgt nr. 316 (29023).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Erkens. Hij zal spreken namens de VVD.

De heer Erkens (VVD):
Voorzitter, één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Rusland elk moment de gaskraan dicht kan draaien en dat Duitsland zich daar al op voorbereidt;

constaterende dat er dan een groot probleem ontstaat met de leveringszekerheid van gas;

overwegende dat we nu de kans hebben om ons daar zo goed mogelijk op voor te bereiden;

verzoekt de regering de gewenste vulgraad van Bergermeer te verhogen naar 90% en om het beleid aan te scherpen om dit mogelijk te maken, onder andere door de inzet van EBN,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Erkens en Kröger.

Zij krijgt nr. 317 (29023).

Dank u wel. Mevrouw Leijten heeft nog een korte vraag over deze motie.

Mevrouw Leijten (SP):
Ik vind het eigenlijk een beetje een slappehapmotie omdat de minister dat heeft gezegd te willen doen. Maar hij heeft zo weinig middelen. We gaan er niet meer over. Zou je niet als je deze motie indient tegelijkertijd ook moeten zeggen: we pakken de zeggenschap over onze gasvoorraden en over onze gasopslag weer terug, zodat we niet hoeven te jengelen bij bedrijven die mássawinsten maken, of ze alsjeblieft onze gasopslag willen vullen?

De heer Erkens (VVD):
Het feit is dat het huidige beleidsdoel op 68% staat. Dat stond ook in de brief die deze week naar de Kamer is gestuurd. Wij willen dat vuldoel verhogen. Daarbij is de inzet van EBN volgens mij nu ook al onderdeel van dit plan. EBN is een deelneming van de Staat. Wij willen dat die ook meer ingezet wordt om hiermee aan de slag te gaan. Dus wij kijken inderdaad niet naar een marktmechanisme of iets dergelijks.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Kröger. Zij zal spreken namens GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Ik heb een drietal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de betrokkenheid van Gazprom een obstakel vormt bij het vullen van gasopslag Bergermeer;

overwegende dat het uitermate onwenselijk is dat Gazprom deel uitmaakt van zulke kritische energie-infrastructuur;

verzoekt de regering alle juridische mogelijkheden te onderzoeken om Gazprom uit het Nederlandse energiesysteem te weren en hierbij de randen op te zoeken van wat juridisch mogelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Erkens.

Zij krijgt nr. 318 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gezien de huidige energiemarkt en het besluit om de capaciteitsbeperking van kolencentrales los te laten de eigenaren van kolencentrales waarschijnlijk forse winsten zullen opstrijken;

overwegende dat het oneerlijk is dat de eigenaren van kolencentrales hierdoor indirect profiteren van de oorlog in Oekraïne;

verzoekt de regering de vrijstellingen in de kolenbelasting weer weg te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 319 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat energiebesparing een cruciaal onderdeel is van zowel de aanpak van klimaatverandering als het mitigeren van de huidige energiecrisis;

verzoekt de regering met een concreet noodpakket energiebesparing te komen bij de Miljoenennota,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 320 (29023).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter, er mogen geen vragen gesteld worden?

De voorzitter:
Heel kort, maar we proberen het echt te beperken.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik heb een informatieverzoek aan het kabinet. Ik wil weten of er sinds de inval in Oekraïne gesprekken zijn geweest met Gazprom over het vullen van Bergermeer, hetzij door EZK, hetzij door EBN, hetzij door TAQA in opdracht van EZK.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dat was een korte vraag. De heer Bontenbal namens het CDA.

De heer Bontenbal (CDA):
Voorzitter. Ik heb geen moties. Ik heb wel een korte vraag en ik heb een klein plannetje gemaakt. Op 11 juli gaat Nord Stream 1 dicht, voor onderhoud. Ik maak me er grote zorgen over, en met mij vele anderen, dat dit weleens de definitieve toevoer van gas naar Europa kan doen stokken. Hebben wij het plan klaar? Is er een draaiboek? Hebben wij een worstcasescenario uitgewerkt, zoals Duitsland? Ik maak me daar grote zorgen over.

Energiebesparing moet onderdeel zijn van het pakket van alle oplossingen. We moeten dus niet in de fossiele reflex trappen waar mevrouw Kröger het vaak over heeft. Collega Grinwis en ik zijn vanochtend vroeg uit bed gekomen. Wij hebben een aantal ideeën op papier gezet, waarmee we denken dat we energiebesparing concreet kunnen versnellen. Die ideeën willen we graag aanbieden. We hopen dat de minister die plannen meeneemt, als hij een noodpakket gaat maken.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Het wordt in handen gesteld van de bode en aan de minister en de collega's overhandigd.

Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De voorzitter:
Dan is het woord aan de heer Grinwis. Hij zal spreken namens de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Collega Bontenbal was nog vroeger wakker dan ik, dus veel credits gaan naar hem. Ik sluit mij zeer aan bij zijn urgente vraag.

Ik heb twee moties. De eerste gaat over energiebesparing.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat steeds meer gemeenten energiebespaarboxen voor snelle en eenvoudige energiebesparing beschikbaar stellen aan inwoners met een gering inkomen;

overwegende dat moeilijk door de overheid te bereiken groepen vaak extra kwetsbaar zijn voor energiearmoede;

overwegende dat tijdens de coronacrisis veel maatschappelijke vrijwilligersorganisaties, kerken en andere religieuze gemeenschappen een onmisbare rol hebben gespeeld in de zorg voor door de overheid moeilijk te bereiken groepen;

verzoekt de regering om bij het bevorderen van energiebesparing door huishoudens samenwerking te zoeken met vrijwilligersorganisaties en religieuze gemeenschappen die zich willen inzetten voor het tegengaan van energiearmoede, bijvoorbeeld door het gratis beschikbaar stellen van energiebespaarboxen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Bontenbal.

Zij krijgt nr. 321 (29023).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat op jaarbasis 700 miljoen kubieke meter gas extra gebruikt dreigt te worden in de glastuinbouw, doordat glastuinders, genoodzaakt door kostprijsbeheersing, terugschakelen van duurzame warmte op wkk's, omdat het voor hen rendabeler is om aardgas te gebruiken in plaats van de beschikbare duurzame warmte;

overwegende dat, doordat restwarmte die gegenereerd wordt met de wkk heel efficiënt is en een hoge opbrengst heeft door verkoop van elektriciteit, er tussen wkk en duurzame warmte in 2023 een prijsverschil ontstaat van, zoals het zich nu laat aanzien, €44 per megawattuur, omdat de SDE-referentie volledig is gekoppeld aan de gasprijs in plaats van aan de prijs van restwarmte, waardoor er in 2023 en verder nul euro SDE-subsidie op duurzame warmte wordt uitgekeerd;

verzoekt de regering te bezien wat nodig is om te voorkomen dat onnodig extra aardgas wordt verbrand en de warmtetransitie in de glastuinbouw stokt door bijvoorbeeld een tijdelijke correctieregeling duurzame warmte in het leven te roepen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Erkens.

Zij krijgt nr. 322 (29023).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Thijssen. Hij zal spreken namens de PvdA.

De heer Thijssen (PvdA):
Dank, voorzitter. Ook een korte vraag aan de minister. We hoorden dat er zorgen zijn dat Rusland de gaskraan dicht gaat gooien. Toch wil ik om een korte reactie van de minister vragen, en ook of de noodscenario's die hij maakt eerder naar de Kamer gestuurd kunnen worden. Het lijkt me heel urgent en snel te gaan gebeuren.

Dan twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Rusland vanaf 11 juli onderhoud pleegt aan de gaspijpleiding Nord Stream 1 en dat de kans aannemelijk is dat Rusland de gaskraan ook daarna dichthoudt;

overwegende dat dit tot nieuwe prijsstijgingen zou leiden en nog meer gezinnen in de financiële problemen zou storten;

verzoekt de regering om een noodpakket voor te bereiden om lage- en middeninkomensgroepen te beschermen tegen grote prijsstijgingen van gas, hetzij door vermindering van de vraag naar gas, hetzij door koopkrachtmaatregelen te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Thijssen en Kröger.

Zij krijgt nr. 323 (29023).

De heer Thijssen (PvdA):
Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Rusland vanaf 11 juli onderhoud pleegt aan de gaspijpleiding Nord Stream 1 en dat de kans aannemelijk is dat Rusland de gaskraan ook daarna dichthoudt;

overwegende dat dit tot nieuwe prijsstijgingen zou leiden en nog meer gezinnen in financiële problemen zou storten;

constaterende dat met relatief makkelijke maatregelen op korte termijn 15% tot 20% van het gasverbruik naar beneden gebracht kan worden, zoals bijvoorbeeld gebeurt in Amsterdam met de zogenaamde Fix It-brigades;

verzoekt de regering alle gemeenten in Nederland in staat te stellen om Fix It-achtige brigades op te richten, zodat zoveel mogelijk huishoudens in slecht geïsoleerde woningen geholpen zullen worden om gas te besparen en de energierekening te beperken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Thijssen en Kröger.

Zij krijgt nr. 324 (29023).

De heer Thijssen (PvdA):
Misschien wil het CDA er ook wel onder, want het past in het vijfstappenbeleid.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Jansen. Hij spreekt namens Forum voor Democratie.

De heer Jansen (FVD):
Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Mijnraad adviseert de Nederlandse gasopslagen maximaal te vullen en dat het kabinet dit advies vooralsnog negeert;

constaterende dat de Mijnraad waarschuwt dat Nederlandse huishoudens deze winter in de kou kunnen komen te zitten en dat de leveringszekerheid voor industriële gebruikers in het geding kan komen, met maatschappelijke ontwrichting tot gevolg;

overwegende dat in het Groninger gasveld nog vele honderden miljarden kubieke meters aardgas beschikbaar zijn;

constaterende dat de Mijnraad adviseert het Groningse aardgas te benutten voor het vullen van de gasopslagen;

roept de regering op de gaswinning in Groningen te hervatten en hiermee de gasopslagen maximaal te vullen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jansen.

Zij krijgt nr. 325 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het elektriciteitsnet in Limburg en Noord-Brabant dermate zwaar belast is dat nieuwe bedrijven voorlopig geen nieuwe aansluiting kunnen krijgen;

overwegende dat dit ook op veel andere plekken in Nederland het geval is geweest of dreigt te worden;

overwegende dat netbeheerders de overheid hebben opgeroepen "energieplanologie" toe te passen door de regie van gemeenten en provincies in de aanleg van wind- en zonneparken naar het Rijk te verschuiven;

overwegende dat de besluitvorming rondom de aanleg van wind- en zonneparken dan nog verder van de burger komt af te staan;

overwegende dat veel Nederlanders niet zitten te wachten op de aanleg van een wind- of zonnepark bij hen in de buurt;

roept de regering op te garanderen dat het Rijk de regie voor het aanleggen van wind- en zonneparken niet overneemt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jansen.

Zij krijgt nr. 326 (29023).

Dank u wel.

De heer Jansen (FVD):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dan is het woord aan de heer Boucke. Hij zal spreken namens D66.

De heer Boucke (D66):
Dank u wel, voorzitter. Drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de energiecrisis vraagt om een aanpak voor alle vormen van energie;

overwegende dat een tekort van gas een risico vormt voor de productie van op olie gebaseerde producten zoals brandstoffen;

verzoekt de regering de Kamer in september te informeren over de mogelijkheden, concrete randvoorwaarden en effecten waaronder de snelheid op de auto(snel)wegen kan worden verlaagd bij een ernstige verstoring van de olieaanvoer en daarbij de optie van een autoloze zondag te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boucke en Kröger.

Zij krijgt nr. 327 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een gastekort in Europa dreigt en het moment van volledige afsluiting niet te voorspellen is;

constaterende dat verschillende Europese landen signaleren de doorvoer van gas te beperken in geval van een ernstige verstoring ter bescherming van de nationale markt;

van mening dat een Europese aanpak gebaseerd op onderlinge solidariteit de voorkeur geniet boven een nationale aanpak;

verzoekt de regering in Europa het voortouw te nemen in een Europees gecoördineerde aanpak bij een ernstig gastekort en daarbij nationale doorvoerbeperkingen te minimaliseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boucke.

Zij krijgt nr. 328 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat buitenlandse partijen bereid zijn hun bezit van Nederlandse gasinfrastructuur voor (geo)politieke doeleinden aan te wenden;

constaterende dat dit grote gevolgen kan hebben voor de Nederlandse leveringszekerheid;

constaterende dat de gasopslag Bergermeer voor een groot deel in bezit is van een buitenlandse partij;

verzoekt de regering opties uit te werken hoe het aandeel van Gazprom in Bergermeer kan worden verminderd, rekening houdend met de financiële en juridische gevolgen;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe de betrokkenheid en zeggenschap van de rijksoverheid van de Nederlandse gasopslagen kan worden vergroot,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boucke, Kröger, Van Raan en Thijssen.

Zij krijgt nr. 329 (29023).

De heer Boucke (D66):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Eerdmans, die zal spreken namens JA21.

De heer Eerdmans (JA21):
Voorzitter, dank. De noodzaak om de Groningse gasvelden langer open te houden en intensiever te gaan gebruiken neemt met de dag toe. Zelfs nu de gaspaniek in Duitsland door het sluiten van Nord Stream 1 een hoogtepunt heeft bereikt, blijft het kabinet bij de weigering om het boren in Groningen te heroverwegen. JA21 vindt dit jammer en onbestaanbaar. Zelfs het opvoeren naar het volume van 8 miljard kuub, waarvan vele deskundigen en het TNO zeggen dat het veilig en zonder risico voor de Groningers kan, is geen optie voor het kabinet.

Voorzitter. Daarom hebben wij een motie voorbereid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de leveringszekerheid van gas steeds verder onder druk komt te staan;

constaterende dat gastekorten tot ernstige, ontwrichtende gevolgen kunnen leiden;

constaterende dat bij sluiting van het Groningenveld naar schatting zo'n 500 miljard kuub gas in de bodem blijft zitten;

overwegende dat sluiting van het Groningenveld onder de huidige omstandigheden onverantwoord is;

verzoekt de regering tot nader order af te zien van sluiting van het Groningenveld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Eerdmans.

Zij krijgt nr. 330 (29023).

De heer Eerdmans (JA21):
Daar is iedereen bij uitgenodigd om zich aan te sluiten.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Raan. Hij zal spreken namens de Partij voor de Dieren. Hij is de laatste spreker van de Kamer in dit tweeminutendebat.

De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter, dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet ervoor kiest om de gasopslag Bergermeer voor maximaal 68% te vullen;

constaterende dat dit gas bedoeld is voor niet-beschermde afnemers, en niet voor huishoudens;

overwegende dat belastinggeld niet moet worden verspild aan iets anders dan het borgen van leveringszekerheid voor primaire levensbehoeften, zoals warme huizen;

overwegende dat het juist belangrijk is dat er zo min mogelijk gas wordt verbruikt, zodat er, mochten er huishoudens wel in nood komen, nog steeds iets is wat, eventueel met behulp van omzetting, kan worden aangewend voor huishoudens;

verzoekt de regering om het in het Bescherm- en Herstelplan Gas het afschakelplan vanaf stap 2 in werking te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Raan.

Zij krijgt nr. 331 (29023).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de analyse van het FD van 4 juli dit jaar blijkt dat Uniper, RWE en Onyx Power profiteren van de hoge gasprijzen en miljoenenwinsten maken, maar desondanks een schadevergoeding eisen van de overheid voor een eerdere CO2-reductiemaatregel;

overwegende dat het moreel verwerpelijk is dat kolencentrales de samenleving proberen uit te knijpen;

constaterende dat er ook nog steeds een belastingvrijstelling op kolen zit waar kolencentrales ook van profiteren;

verzoekt de regering om de belastingvrijstelling op kolen af te schaffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Leijten, Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 332 (29023).

De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 11.26 uur. Dan gaan we door met de beantwoording van de minister.

De vergadering wordt van 11.21 uur tot 11.27 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik deel mee dat de heer Van Raan de motie op stuk nr. 315 van mevrouw Leijten meeondertekend heeft.

Ik geef het woord aan de minister voor Klimaat en Energie.

Minister Jetten:
Voorzitter. Laat ik beginnen met de paar vragen die zijn gesteld. Allereerst het informatieverzoek van mevrouw Kröger. Misschien mag ik dat op deze manier afdoen. Er is geen contact geweest tussen EZK en Gazprom. EBN heeft mij laten weten geen contact met Gazprom te hebben gehad. Van TAQA weet ik het niet, want dat is een privaat bedrijf.

Dan is door een aantal leden gevraagd naar de situatie in Duitsland en dan in het bijzonder het onderhoud van Nord Stream 1. Op 11 juli aanstaande start regulier jaarlijks onderhoud aan Nord Stream 1, de belangrijkste pijpleiding naar Europa, die een heel groot deel van het Russisch gas aan Europa levert. Ik deel met veel Kamerleden de inschatting dat het zomaar zou kunnen dat dit door Rusland wordt aangegrepen om na het onderhoud op 21 juli de levering niet of in beperkte mate op te starten. Om die reden hebben we intensief contact met de Europese Commissie en met Duitsland en andere buurlanden, om een inschatting te maken van deze risico's. Aan het eind van de onderhoudsperiode zullen wij direct met elkaar contact hebben, zodat we snel kunnen acteren in het geval dat de levering inderdaad niet mocht worden opgestart.

Ik verwacht ook dat er later deze maand een extra Energieraad wordt georganiseerd met alle Europese collega's om met elkaar over dit scenario door te spreken en eventueel aanvullende maatregelen te nemen. Wij houden dat natuurlijk zelf goed in de gaten. Ik heb eerder ook aan uw Kamer laten weten dat wij deze maand vanuit Nederland de verschillende scenario's simuleren. Zodra daar de informatie over bekend is, zal ik uw Kamer daarop een terugkoppeling geven.

Daarmee kom ik bij de moties die zijn ingediend. Ik zal proberen de moties conform het kerstregime kort af te handelen.

De heer Thijssen (PvdA):
Nog even kort. Ik denk dat het cruciale moment is als de levering weer zou moeten opstarten, maar dat niet gebeurt. Zijn de noodscenario's daarvoor dan klaar en kunt u die met de Kamer delen?

Minister Jetten:
Als op 21 juli de levering via Nord Stream niet opnieuw opstart, zal dat niet tot acute problemen leiden, maar wel grote risico's met zich meebrengen voor het halen van de vulgraden in de hele Europese Unie. Wat ik zelf voorzie, is dat de markt daar heel onrustig op zal reageren, waardoor de prijs, die op dit moment op een zeer hoog niveau ligt, nog verder kan stijgen.

De voorzitter:
We gaan naar de moties.

Minister Jetten:
Zodra die noodscenario's beschikbaar zijn, krijgt u die, maar ik denk dat in de zomer nog verder wordt gegaan met die simulaties. Omdat er geen acuut probleem is, is volgens mij de eerder toegezegde datum genoeg op tijd.

Voorzitter. Dan de moties. De motie op stuk nr. 313 van de heer Kops vraagt om de gasopslagen maximaal te vullen. Die motie geef ik oordeel Kamer.

In de motie op stuk nr. 314, eveneens van de heer Kops, wordt gevraagd om te stoppen met het exporteren van gas. Deze motie ontraad ik.

De motie op stuk nr. 315, ingediend door mevrouw Leijten en de heer Van Raan, ontraad ik, onder verwijzing naar het eerdere debat over de Wet productiebeperking.

In de motie op stuk nr. 316, ingediend door mevrouw Leijten, wordt verzocht de gasopslagen te nationaliseren. Deze motie ontraad ik.

De motie op stuk nr. 317, ingediend door de heer Erkens en mevrouw Kröger, geef ik oordeel Kamer. Zoals ik eerder heb aangegeven, zal ik mij samen met de staatssecretaris voor Mijnbouw maximaal inspannen om de gasopslagen zo veel mogelijk gevuld te krijgen. Daarbij zal de rol van EBN als staatsdeelneming relevant zijn. We kijken ook in hoeverre EBN in staat is om het aangegeven maximum in de komende tijd ook daadwerkelijk in te kopen en daarmee de gasopslagen te vullen. Na het reces zullen wij de Kamer weer informeren over de laatste stand van zaken. Op dit moment is EBN al volop bezig om naast de partijen die gesubsidieerd worden ook Bergermeer verder te vullen. Maar ik onderschrijf helemaal de oproep van de heer Erkens en mevrouw Kröger. Daarom geef ik de motie oordeel Kamer.

De heer Erkens (VVD):
Nog snel een verduidelijkende vraag. Gaat daarmee het beleidsdoel van 68% omhoog naar 90% of zelfs hoger? Wordt daar in ieder geval naar gestreefd?

Minister Jetten:
Ik zal de komende weken de verdere juridische risico's en consequenties in kaart brengen, maar ook de eventueel aanvullende financiën die nodig zullen zijn om nog verder te gaan met het vullen. Zodra ik de laatste stand van zaken daarover heb, zal ik de Kamer per brief informeren. Ik zie dit als een inspanning die wij moeten leveren om de opslagen maximaal te vullen. Ik informeer u per brief over het percentage dat wij daaraan koppelen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 317 krijgt oordeel Kamer. We komen bij de motie op stuk nr. 318.

Minister Jetten:
De motie op stuk nr. 318 is van mevrouw Kröger en de heer Erkens. Daarin wordt verzocht om Gazprom zo veel mogelijk te weren uit het energiesysteem. Die motie geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 320, van mevrouw Kröger, gaat over een noodpakket energiebesparing. Ik verwijs allereerst naar de publicatie van de aangescherpte energiebesparingsplicht voor grote bedrijven. Die aangescherpte energiebesparingsplicht is nu gepubliceerd en gaat op 1 januari om. Dat is wat mij betreft een heel belangrijk onderdeel van dit grotere pakket voor energiebesparing. En ik zei ook in het commissiedebat al: alle suggesties voor verdere maatregelen neem ik mee, waaronder dus het zojuist aangeboden actieplan van de heer Bontenbal en de heer Grinwis. Dus deze motie van mevrouw Kröger krijgt wat mij betreft oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 320 krijgt oordeel Kamer.

Minister Jetten:
Excuus, voorzitter, dit ging over de motie op stuk nr. 320. Ik moet nog reageren op de motie op stuk nr. 319. Daarin wordt verzocht om de kolenbelasting weer weg te nemen. Ik geef hier een kleine toelichting bij. Dit gaat over de korte termijn. We zetten er nu juist op in om de kolencentrales harder te laten draaien, zodat de gascentrales minder hard draaien of helemaal uitgaan. Daarmee kunnen we gas besparen. Wat er in deze motie wordt voorgesteld, zou een averechts effect kunnen hebben. Daarnaast lopen er, zoals u weet, ook allerlei rechtszaken met de genoemde partijen en kan dit ook het belang van de Staat in die zaken verder schaden. Staatssecretaris Van Rij heeft wel al meermaals aan uw Kamer toegezegd om voor de besluitvorming over de Miljoenennota in kaart te brengen welke aanvullende maatregelen er mogelijk zijn om meer geld op te halen. Hij is ook al volop bezig met dat in kaart te brengen. Welke aanvullende maatregelen zijn er mogelijk om meer geld op te halen zodat we andere maatregelen kunnen nemen? Maar zo specifiek als het in dit dictum staat, moet ik het ontraden. Dus de motie op stuk nr. 319 moet ik ontraden.

De voorzitter:
Mevrouw Kröger stelt daar één vraag over.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Eigenlijk wil ik een praktische opmerking maken, voorzitter. Deze motie is nagenoeg hetzelfde als de motie die het lid Van Raan heeft ingediend. Wij zullen deze twee moties samenvoegen en wat mij betreft toch gewoon in stemming brengen, ondanks dat dit wordt ontraden.

De voorzitter:
Oké. Ik sta alleen maar vragen toe van de leden die de motie hebben ingediend. We zijn bij de motie op stuk nr. 321.

Minister Jetten:
Ja. Die is van de heer Grinwis en de heer Bontenbal. Daarin wordt gevraagd om vrijwilligersorganisaties en religieuze organisaties te vragen om mee te helpen aan het beschikbaar stellen van energiebespaarboxen. Ik vind dit een sympathieke gedachte, die ik zal overbrengen aan de minister van VRO. De motie krijgt oordeel Kamer.

Bij de motie op stuk nr. 322, van de heer Grinwis en de heer Erkens, begrijp ik de gedachte erachter wel. Maar het probleem in de glastuinbouw is nu dat we eigenlijk alle prikkels zo verkeerd hebben staan dat de verduurzaming in de glastuinbouw wordt afgeremd, en er inderdaad nu een aantal installaties harder draaien omdat daar veel geld mee kan worden verdiend. Het lijkt mij echt onverstandig om, naast alle verkeerd staande financiële prikkels en de omzetten die daar worden gedraaid, ook nog een aanvullende subsidieregeling voor deze sector in het leven te roepen. Beter kan ik met de minister van Landbouw en de staatssecretaris voor Fiscaliteit eraan werken — dat doe ik ook — om zo snel mogelijk het integrale pakket voor de glastuinbouw gereed te hebben. Dat willen we dit jaar gereed hebben. Ik ontraad dus deze motie op stuk nr. 322.

Ik kom op de motie op stuk nr. 323, van de heer Thijssen en mevrouw Kröger. Daarin wordt gevraagd om extra inspanningen richting lage en middeninkomens. Dat is het kabinet ook aan het doen, richting de Miljoenennota. Deze motie op stuk nr. 323 krijgt dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 324, van de heer Thijssen en mevrouw Kröger, gaat over de fix-teams. Daarover heb ik eerder al gezegd dat we hiervoor de aanpak hebben vanuit het Nationaal Isolatieprogramma en de contacten met VNG. Dus op dit moment ontraad ik deze motie op stuk nr. 324.

De voorzitter:
De heer Grinwis wil nog iets vragen over zijn eigen motie op stuk nr. 322.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, dit gaat inderdaad over de motie op stuk nr. 322. De minister ging daar wel heel snel en gemakkelijk overheen. De minister kan zeggen dat de prikkels verkeerd staan, maar het gevolg is gewoon dat we de prikkels die er zijn, extra gaan belasten. Ik noem het afschaffen van het verlaagd tarief bij de energiebelasting, ik noem de elektriciteit die wordt opgewekt en die men zelf gebruikt. Maar hier gaat het over een ander aspect, namelijk dat er elektriciteit wordt opgewekt en wordt geleverd aan het net. Daarmee gaan we dus tot wel 700 miljoen kuub gas verliezen. In de motie wordt opgeroepen om dit te bezien. Dus wil de minister dat toch niet eens goed bekijken? Want hij kan wel in het algemeen zeggen dat we de prikkels verkeerd hebben staan, maar daarmee gaat wel straks 700 miljoen kuub gas in rook op. Dat zou zonde zijn.

Minister Jetten:
Dat snap ik. Maar het streven van mij en de minister van Landbouw is om dit najaar met de glastuinbouw langetermijnafspraken te maken, zodat de glastuinbouw in de komende vijftien jaar het doel van klimaatneutraliteit kan behalen. Ik zet liever nu al mijn efforts op het afronden van die gesprekken met de glastuinbouwsector, dan dat we nu een nieuwe regeling moeten gaan uitdenken en uitwerken. Dat is denk ik zonde van de tijd.

Voorzitter. Ik ontraad de motie op stuk nr. 325 van de heer Jansen over gaswinning in Groningen.

Ik ontraad ook de motie op stuk nr. 326 van de heer Jansen over geen coördinatie vanuit het Rijk op zonneparken.

Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 327 van de heer Boucke en mevrouw Kröger over mogelijke olietekorten. Ik zou de heer Boucke willen vragen om deze motie nog even aan te houden. Zoals eerder aangegeven, ben ik met de collega's van IenW in gesprek over eventuele oliebesparende maatregelen, mochten die nodig zijn, vanaf het moment dat het sanctiepakket in december ingaat. De komende tijd heb ik, samen met de minister van IenW, gesprekken met een aantal brancheorganisaties die mogelijk door dit sanctiepakket geraakt kunnen worden. Ik zal u later informeren over de stand van zaken van die gesprekken. Ik zou de heer Boucke dus willen vragen om de motie op dit moment aan te houden.

De heer Boucke (D66):
Ik dank de minister voor zijn reactie. Ik vraag mij af of hij dit niet gewoon zo kan meenemen. De motie kan dan gewoon in stemming gebracht worden. Die kan dan gewoon uitgevoerd worden. Volgens mij is de minister daar voor een deel ook al mee bezig.

Minister Jetten:
In de gesprekken die ik met de minister van IenW en met de brancheorganisaties voer, zijn er geen taboes qua mogelijke maatregelen. Deze motie sorteert daar echter wel een beetje op voor. Ik denk niet dat dat handig is voor de gesprekken. Als u de motie wel in stemming brengt, zal ik die dan ook ontraden.

De voorzitter:
Oké. De motie op stuk nr. 327 is ontraden. U kunt die altijd later nog aanhouden, meneer Boucke.

Dan gaan we verder met de motie op stuk nr. 328.

Minister Jetten:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 328 krijgt van mij oordeel Kamer. Ik wil daaraan toevoegen dat ik niet alleen brede afstemming zoek in de Europese Unie, maar ook in Pentaverband, dus met de landen in Noordwest-Europa. Bij een probleem op de gasmarkt zullen zij elkaar snel moeten helpen.

De motie op stuk nr. 329 over de afbouw en de betrokkenheid bij gasopslagen krijgt oordeel Kamer.

Ik ontraad de motie op stuk nr. 330 van de heer Eerdmans over gasproductie in Groningen.

De motie op stuk nr. 331 van de heer Van Raan gaat over het afschakelen van bedrijven in fase 2 van het Bescherm- en Herstelplan Gas. Zoals u weet, heb ik in fase 1 van de gascrisis al maatregelen naar voren gehaald. Ik dacht dat dat echt nodig was om de situatie op de gasmarkt te ontlasten. Ik vind het nu niet het moment om andere maatregelen uit fase 3 al naar voren te trekken. Daarom ontraad ik deze motie.

De motie op stuk nr. 332 van de heer Van Raan is gelijk aan de motie van mevrouw Kröger. Die zijn net samengevoegd. Daarmee is die ook al afgehandeld, denk ik.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 332 is dus ontraden. De heer Van Raan heeft nog een laatste vraag.

De heer Van Raan (PvdD):
Ja, over de motie op stuk nr. 331. Die appreciatie verbaast mij eigenlijk. Stap 1 is al in werking getreden. De adviezen over besparingen worden vrijwillig gegeven. De motie vraagt echter niet om stap 3, maar om stap 2. Geeft dat nog aanleiding tot een ander oordeel?

Ik kan met blijdschap vermelden dat mevrouw Kröger en de heer Thijssen als medeondertekenaars aan de motie op stuk nr. 332 toegevoegd kunnen worden.

De voorzitter:
Onder de motie op stuk nr. 332 komen de namen Kröger en Thijssen te staan.

Minister Jetten:
Ik wil nog even een reactie geven op de vraag van meneer Van Raan over de motie op stuk nr. 331. U noemt in de motie een hele specifieke maatregel, en vraagt om die al eerder in te zetten. Ik vind die maatregel op dit moment niet aan de orde; vandaar dat ik de motie ontraad.

De voorzitter:
Dank u wel, minister.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
De minister blijft nog even bij ons, want we gaan direct door met het volgende tweeminutendebat.

Klimaat en energie

Klimaat en energie

Aan de orde is het tweeminutendebat Klimaat en energie (CD d.d. 20/04).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Klimaat en energie. Ik geef als eerste het woord aan de heer Thijssen. Hij zal spreken namens de PvdA.

De heer Thijssen (PvdA):
Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een lijst van extra klimaatmaatregelen wordt voorbereid in het geval dat uit de KEV 2022 blijkt dat de klimaatdoelen niet in zicht zijn;

constaterende dat deze klimaatmaatregelen pas bij de Voorjaarsnota 2023 kunnen worden behandeld;

verzoekt de regering een groslijst van alle mogelijke extra klimaatmaatregelen, inclusief de minimum en maximum CO2-reductie per mogelijke maatregel, al voor Prinsjesdag naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Thijssen en Kröger.

Zij krijgt nr. 1065 (32813).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat reclames een grote invloed hebben op consumenten;

van mening dat reclames voor producten en diensten die tot veel uitstoot leiden, onverenigbaar zijn met de klimaatcrisis;

constaterende dat tabakslobby en tabaksreclames verboden zijn;

verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier een verbod op fossiele reclames en lobby kan bijdragen aan minder uitstoot van broeikasgassen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Thijssen en Kröger.

Zij krijgt nr. 1066 (32813).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Haga van de Groep Van Haga.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in de periode 2022-2026 56 miljoen euro extra beschikbaar wordt gesteld aan omgevingsdiensten voor toezicht op de energiebesparingsplicht voor bedrijven;

overwegende dat de overheid moet krimpen en niet moet groeien;

verzoekt de regering om niet extra miljoenen euro's uit te geven aan toezicht op de energiebesparingsverplichting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga.

Zij krijgt nr. 1067 (32813).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ongeveer een half miljoen huishoudens warmte in huis halen via een warmtenet;

overwegende dat het grootste deel van de kosten van leveranciers losstaat van de gasprijs;

verzoekt de regering om een tijdelijke regeling in te voeren waarbij de warmteprijs wordt losgekoppeld van de gasprijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga.

Zij krijgt nr. 1068 (32813).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet een warmtepomp verplicht stelt bij vervanging van de cv-ketel;

verzoekt de regering om de praktische haalbaarheid van deze verplichting te onderzoeken, zoals voldoende fabrikanten en installateurs, isolatie, subsidiëring en betaalbaarheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga.

Zij krijgt nr. 1069 (32813).

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Kröger. Zij zal spreken namens GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Een drietal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet de doelstelling van maximaal 1,5 graden opwarming nastreeft;

constaterende dat het CPB in zijn beschouwing van het "Fit for 55"-pakket schrijft dat een verdere aanscherping van het pakket nodig is voor consistentie met het 1,5 gradendoel;

overwegende dat de COP27 is bedoeld om de opgetelde klimaatdoelen in lijn te brengen met 1,5 graden opwarming;

verzoekt de regering om voorafgaand aan de COP27 vast te stellen welke klimaatdoelen voor Nederland en de EU in lijn zijn met 1,5 graden opwarming,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1070 (32813).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er sprake is van onderuitputting van het SDE++-budget, terwijl tegelijkertijd de urgentie tot het nemen van CO2-besparende maatregelen alleen maar groter wordt;

overwegende dat energiecoöperaties vanwege de huidige marktomstandigheden in de problemen dreigen te komen, terwijl energiecoöperaties essentieel zijn voor duurzame energieopwek met veel draagvlak;

verzoekt de regering actief in overleg te treden met energiecoöperaties en te bezien of hun beschikkingen uit het verleden dienen te worden herzien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1071 (32813).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het wegnemen van de productiebeperking van 35% van de kolencentrales zal leiden tot 10 megaton extra CO2-uitstoot;

overwegende dat het kabinet heeft aangegeven compenserende maatregelen te presenteren bij Prinsjesdag;

overwegende dat om de klimaatdoelen in 2030 te halen het nodig is om ieder jaar meer CO2 te reduceren en niet op het niveau van de Urgendadoelen te blijven hangen tot en met 2024;

verzoekt de regering om bij Prinsjesdag naast de compenserende maatregelen voor het aanzetten van de kolencentrales tevens vast te leggen hoeveel CO2 Nederland gaat reduceren additioneel aan het Urgendavonnis van 25% in 2020 de komende jaren, en hiervoor maatregelen vast te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1072 (32813).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
De heer Thijssen staat alleen nog niet onder de motie. Zijn naam moet ik er even bij zetten.

De voorzitter:
De heer Thijssen heeft deze motie dus mede-ingediend. Dank u wel.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Ik heb nog één hele korte concrete vraag aan de minister. Provincies zijn hard aan de slag met slimme oplossingen om vaart te krijgen in de netcapaciteit. De vraag aan de minister is of er een regeling komt om hen hier financieel in bij te staan.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Bontenbal. Hij spreekt namens het CDA.

De heer Bontenbal (CDA):
Voorzitter. Omdat andere collega's veel meer moties hebben ingediend dan commissie-Van der Staaij aanbeveelt, zie ik even af van mijn spreektijd.

De voorzitter:
Dank u wel. Daar doet u ons een plezier mee. De heer Erkens namens de VVD.

De heer Erkens (VVD):
Dank u, voorzitter. Om te compenseren voor collega Bontenbal, twee moties van mijn hand.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het mkb en specifiek de allerkleinste ondernemers meer geholpen moeten worden met verduurzamen;

constaterende dat er nog weinig aandacht is voor het kleine mkb in de verduurzamingsplannen van het kabinet;

verzoekt de regering om dit jaar een ontzorgingsprogramma met daarbij één loket voor alle verduurzamingsinstrumenten uit te werken voor het kleine mkb;

verzoekt de regering om het kleine mkb nog dit jaar toegang te geven tot het warmtefonds,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Erkens en Boucke.

Zij krijgt nr. 1073 (32813).

De heer Erkens (VVD):
Dan de tweede motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het elektriciteitsnet in Limburg en Noord-Brabant vastzit;

overwegende dat het al eerder bekend was dat deze provincies kampten met een groot tekort aan capaciteit maar dat er niet op tijd werd ingegrepen;

verzoekt de regering om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar hoe het elektriciteitsnet in Noord-Brabant en Limburg zo snel heeft kunnen vollopen en welke lessen uit deze crisis getrokken worden;

verzoekt de regering om specifiek in dit onafhankelijke onderzoek te laten bezien of de huidige marktordening (specifiek de taakverdeling en taakinterpretatie van overheden, regionale netbeheerders, TenneT, ACM en marktpartijen) nog wel geschikt is voor een meer flexibel en dynamisch elektriciteitsnet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Erkens en Grinwis.

Zij krijgt nr. 1074 (32813).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Boucke. Hij spreekt namens D66.

De heer Boucke (D66):
Dank je wel, voorzitter. We hadden zojuist een tweeminutendebat over de energiecrisis. Maar die andere crisis, de klimaatcrisis, raast ook op volle sterkte door. Dat betekent dat we keihard moeten werken om die 60% reductie in 2030 te halen. Het betekent dat elke megaton CO2 extra die de kolencentrales uitstoten, moet worden gecompenseerd. Voor mijn partij is het duidelijk ...

De voorzitter:
We hebben het kerstregime, hè. Dus probeert u zo weinig mogelijk inleiding en zo veel mogelijk moties.

De heer Boucke (D66):
Ja, ik kom bij mijn moties, voorzitter. Maar ik had twee minuten.

De voorzitter:
Als we dit twee minuten doen, komt niet iedereen aan bod. We doen moties.

De heer Boucke (D66):
Voorzitter. Zowel voor de energiecrisis als voor de klimaatcrisis is het van groot belang dat de grote energieverbruikers ook zo snel mogelijk duidelijkheid geven over hun verduurzamingsplannen. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de verduurzaming van de grootste industriële bedrijven in Nederland van cruciaal belang is voor het bestrijden van de klimaat- en energiecrisis;

overwegende dat ook deze verduurzamingsplannen grote impact hebben op de planning en processen van netbeheerders;

verzoekt de regering om de aanpak rond de maatwerkafspraken met de industrie te versnellen, een doel te stellen voor een minimumaantal joint letters of intent eind 2022, en de Kamer hierover voor het commissiedebat Verduurzaming industrie te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boucke.

Zij krijgt nr. 1075 (32813).

De heer Boucke (D66):
Nu heb ik nog 30 seconden, voorzitter.

De voorzitter:
Ja. Dank u wel. Mevrouw Kröger heeft nog een korte vraag.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik heb een vraag over deze motie. Ik begrijp de intentie, namelijk versnelling van de verduurzaming van de industrie, maar mijn zorg is dat we eigenlijk nog steeds niet concrete criteria hebben gezien, concrete randvoorwaarden voor dat maatwerk, vanuit de minister van Economische Zaken. Hebben we dat dan niet eerst nodig, zo vraag ik D66.

De heer Boucke (D66):
Nou, ik vind het belangrijk dat het kabinet gewoon heel snel aan de slag gaat. En ik vind het tempo gewoon te laag. Dat hebben we in het vorige debat ook besproken. Ik heb eerder samen met de heer Erkens een motie ingediend die wat specifieker was, over infrastructuur en een versnelling daarop. Ik vind het zaak dat het kabinet het signaal uit de Kamer krijgt dat we moeten versnellen op de maatwerkafspraken.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Dassen. Hij zal spreken namens Volt.

De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Ik zal snel door de moties heen gaan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de recente waarschuwing van het Internationaal Energieagentschap dat Europa zich erop moet voorbereiden dat Rusland de gastoevoer komende winter helemaal stopt, in Duitsland leidde tot de aankondiging van alarmfase 2;

overwegende dat hoe eerder we starten met besparen en voorbereiden, hoe beter we voorbereid zullen zijn op de uitdagingen waar we deze winter voor zullen staan;

verzoekt de regering om op te schalen naar alarmfase 2 en mensen actief voor te bereiden op deze winter door middel van een campagne waarvan positieve beloningen voor extra besparingen een onderdeel zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.

Zij krijgt nr. 1076 (32813).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het ontwerpbeleidsprogramma Klimaat staat dat er maatwerkafspraken komen met de twintig grootste industriële CO2-uitstoters;

constaterende dat er tussen die twintig grootste industriële CO2-uitstoters energiebedrijven zoals Eneco, Uniper, Vattenfall en Shell staan, die in de top tien van grootste gasverbruikers staan;

overwegende dat de energiebesparingsplicht in 2023 uitgebreid wordt naar ETS- en vergunningplichtige bedrijven;

verzoekt de regering om aan deze maatwerkafspraken per direct ook energiebesparingsafspraken toe te voegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.

Zij krijgt nr. 1077 (32813).

De heer Dassen (Volt):
Dan een lange motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een groep van 432 wetenschappers een open brief aan de regering heeft gestuurd waarin zij stellen dat het aanboren van nieuwe gasvelden haaks staat op de klimaatambitie om de aarde niet meer dan 1,5 graden te laten opwarmen;

overwegende dat het Internationaal Energieagentschap vorig jaar mei ervoor pleitte om vanaf eind 2021 geen nieuwe projecten voor het winnen van gas en olie te starten en om investeringen in geplande kolencentrales te staken om te kunnen komen tot een CO2-uitstoot van nul in 2050 en daarmee te voldoen aan de afspraken zoals die in 2015 zijn gemaakt in Parijs;

constaterende dat de producenten van Amerikaans lng al hebben aangegeven dat zij de productie en opslagcapaciteit voor lng pas vergroten bij contracten van ten minste twintig jaar;

constaterende dat Amerikaans lng voor ongeveer 80% uit schaliegas bestaat en dat methaan per molecuul een 30 tot 70 keer sterker broeikasgas is dan CO2 en de grootschalige productie van schaliegas in de VS en Canada bewezen de grootste veroorzaker is van de enorme toename aan methaan in de atmosfeer;

verzoekt de regering om zich er hard voor te maken om als Nederland én in EU-verband geen langetermijncontracten te sluiten met aanbieders van Amerikaans lng ter vervanging van Russisch gas om de uitbreiding van de productie van schaliegas te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen, Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1078 (32813).

Dank u wel. Dan schors ik de vergadering tot 12.01 uur. Dan gaan we verder met de beantwoording van de minister.

De vergadering wordt van 11.52 uur tot 12.01 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister voor Klimaat en Energie.

Minister Jetten:
Dank u wel, voorzitter. Allereerst een vraag van mevrouw Kröger. Zij vroeg mij of ik bereid ben om een regeling in het leven te roepen om provincies bij te staan die bezig zijn met slimmer netmanagement. Wij hebben een taskforce met de verschillende medeoverheden waarin we vooral kijken hoe we op korte termijn al die netcongesties zo veel mogelijk kunnen oplossen. Tot nu toe is er bij mij geen vraag vanuit de medeoverheden gekomen voor een financiële regeling om die rol beter te vervullen, maar na deze vraag zal ik dat de volgende keer dat we met de taskforce zitten met hen bespreken. Mocht daar een noodzaak zitten, dan gaan we gewoon serieus kijken of we dat kunnen faciliteren.

Voorzitter. Dan de moties. De motie-Thijssen/Kröger op stuk nr. 1065 moet ik ontraden. U krijgt van mij bij de Voorjaarsnota het totale pakket. Daarmee voldoe ik ook aan de Klimaatwet, waarbij we met meer rust in het klimaatdossier proberen op vaste momenten het klimaatbeleid bij te stellen.

Dan de motie op stuk nr. 1066, ook van de heer Thijssen en mevrouw Kröger, over een verbod op fossiele reclames. Ik heb u eerder al toegezegd dat we met gedragsexperts aparte sessies gaan organiseren voor een doorlichting van het klimaatbeleid en daarbij dus ook kijken naar gedragsbeïnvloeding. Die sessies vinden na de zomer plaats. Ik zal de Kamer daarna informeren over het vervolg. Op dit moment ontraad ik de motie.

De motie op stuk nr. 1067 van de heer Van Haga …

De voorzitter:
De heer Thijssen heeft er nog een vraag over.

De heer Thijssen (PvdA):
Toch nog over die eerste motie. Er was toch een werkgroep die kwam met al die additionele maatregelen? Dus die kan de minister toch met ons delen voor Prinsjesdag? Dan kunnen we, als bij de KEV blijkt dat het niet gehaald wordt, ook zien wat de mogelijkheden zijn om de doelstellingen wel te halen. Dan hebben we een goed geïnformeerd debat over de KEV.

Minister Jetten:
Die werkgroep is niet klaar voor Prinsjesdag. Ik heb het gevraagd: de werkgroep is klaar om op leveren op het moment dat het PBL de KEV publiceert. De volledige KEV komt later in het najaar. Dat haal ik dus gewoon niet in de tijd.

De voorzitter:
Tot slot, de heer Thijssen.

De heer Thijssen (PvdA):
Het kan dus wel bij de KEV? Bij de KEV kunnen we wel die groslijst van maatregelen …

Minister Jetten:
Daar ga ik naar kijken. We hebben dan een begrotingsdebat met elkaar en we hebben een debat over de KEV. Ik zal kijken hoe ik op dat moment zo veel mogelijk informatie aan u beschikbaar kan stellen. Dat lijkt me nuttig voor het debat.

De voorzitter:
Dat is een toezegging. De motie op stuk nr. 1065 blijft daarmee …

Minister Jetten:
Ja, die blijft daarmee ontraden.

De voorzitter:
Die blijft ontraden. Oké.

Minister Jetten:
Misschien kan de heer Thijssen de motie intrekken, gezien deze toezegging.

De voorzitter:
Dat kan altijd.

Minister Jetten:
Dan de motie op stuk nr. 1067 van de heer Van Haga. Ja, sorry hoor, ik vind het eigenlijk onbestaanbaar dat wanneer je wetten maakt in dit land zoals een aanscherping van de Wet energiebesparingsplicht en we hier de hele dag de mond er vol van hebben dat we energie moeten gaan besparen, hij mij nu verzoekt in een motie om een wet niet te handhaven. Dat lijkt mij niet passend, ook niet bij de ideologie van de heer Van Haga. Dus deze motie ontraad ik.

Dan de motie op stuk nr. 1068. Ik heb gekeken naar loskoppeling maar gebleken is dat dit helaas niet mogelijk is op korte termijn. Ik hoop de aangepaste Warmtewet zo snel mogelijk aan de Raad van State aan te bieden. Dus deze motie moet ik ontraden.

De motie op stuk nr. 1069 ontraad ik ook. We gaan juist nu over tot normering voor de warmtepomp, omdat ook de sector daarom heeft gevraagd, namelijk om heldere richtlijnen zodat de sector daarop kan voorsorteren.

De motie op stuk nr. 1070 van mevrouw Kröger gaat over de COP. Ik deel zeer met haar dat het belangrijk is dat de Europese Unie richting Sharm-el-Sheikh waar de COP plaatsvindt, extra inspanningen laat zien. Samen met de minister voor BuHa-OS zal ik de Kamer uiterlijk twee weken voorafgaand aan de COP informeren over de Nederlandse en Europese inzet. Bij de Energie- en Milieuraden en in mijn bilaterale gesprekken roep ik collega-ministers ook op om net als Nederland een aangescherpt beleidsprogramma te publiceren zodat we die Europese inzet kunnen versterken. Dus ik geef deze motie oordeel Kamer en u krijgt dus te zijner tijd van de minister voor BuHa-OS en mij de inzet.

De motie op stuk nr. 1071 over SDE++ moet ik ontraden omdat het juridisch ongewenst is om bestaande beschikkingen te herzien. Ik kan wel richting mevrouw Kröger aangeven dat ik vorige week met de energiecoöperaties om tafel heb gezeten — dat was een eerdere toezegging aan mevrouw Kröger — en dat we daar een tiental mogelijke acties met elkaar hebben uitgewisseld om de energiecoöperaties de komende tijd meer kans te geven om van subsidiemogelijkheden gebruik te maken. Dat werken we de komende tijd verder uit en ik zal ook de Kamer daar later over informeren.

De motie op stuk nr. 1072 van mevrouw Kröger en de heer Thijssen moet ik ook ontraden. Het beleidsprogramma dat we in het commissiedebat hebben besproken, ziet op 55% tot 60% reductie in 2030. In ben het helemaal eens dat er sprake moet zijn van een dalende lijn en dat elk jaar opnieuw 25% halen dus niet het punt is, maar we krijgen nog in de KEV de doorrekening van het PBL om na te gaan of we voldoende op koers liggen richting het doel van 2030.

De voorzitter:
Mevrouw Kröger heeft hier een vraag over.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
De KEV is geen antwoord op het vraagstuk dat voorligt. We moeten nu tien megaton extra doen om de kolencentrales te compenseren en we willen ervoor zorgen dat we niet stationair op het niveau van Urgenda blijven tot en met 2024. Ten aanzien van dat vraagstuk vraag ik de minister een plan. Dus hoe zorgen we ervoor dat we voor 2023 en 2024 boven die 25% uitkomen? Dan moet je iets additioneels doen boven die tien megaton.

Minister Jetten:
Dat is het beleidsprogramma Klimaat en Energie dat we in het commissiedebat uitgebreid met elkaar hebben besproken. Dat zal de komende jaren tot een forse daling moeten leiden, wil je in 2030 op 55% tot 60% uitkomen. Alleen, ik kan dat met dit beleidsprogramma niet jaar voor jaar helemaal voorspellen. Ik heb ook de KEV ervoor nodig om na te gaan hoe die dalende lijn er dan uit zal zien.

De voorzitter:
De motie blijft ontraden.

Minister Jetten:
Dan de motie op stuk nr. 1073 van de heer Erkens. Ik zou van de gelegenheid gebruik willen maken om iedereen te wijzen op twee websites, namelijk de website zetookdeknopom.nl/bedrijven en de website mkbdoetwat.nl die we de afgelopen tijd helemaal hebben geüpdatet. Op beide websites kunnen kleine mkb'ers nu veel makkelijker advies krijgen over energiebesparing en kunnen ze ook direct worden doorverwezen naar de loketten waar ze de subsidies kunnen aanvragen. Het is pas een paar dagen live, maar in goede samenwerking met MKB-Nederland hebben we dit proces dus al deels verbeterd. Dat wil overigens niet zeggen dat er niet nog meer werk te doen is. Ik doel dan ook op de oproep dat ook dit soort klein mkb meegenomen moet worden in de aanpak van de gebouwde omgeving en dat ook het Warmtefonds daar een goed middel voor is. Of het lukt om samen met de minister voor VRO de toegang tot het Warmtefonds nog dit jaar te regelen, kan ik nu niet zeggen maar ik ga met de minister voor VRO het gesprek hierover aan. Dus ik geef deze motie oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 1074 van de heren Erkens en Grinwis. Ik zou eigenlijk willen vragen om deze motie aan te houden. Zowel in de regio Amsterdam als in de regio Zuid-Nederland zijn nu twee speciale coördinatoren bezig om te bezien hoe op zo kort mogelijke termijn de netcongestieproblemen kunnen worden verlicht. Ik heb met hen afgesproken dat zij mij einde zomer verslag uitbrengen. Ik heb de vorige week en deze week nog met de heer Voorhorst gesproken over zijn eerste beeld van Zuid-Nederland. Daaruit komen veel concrete mogelijkheden naar voren die we op korte termijn kunnen inzetten om de situatie daar echt aanzienlijk te verbeteren. Ik ben ook van plan om de Kamer na de zomer te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de beide speciaal coördinatoren. Dat lijkt me eigenlijk een goed moment om te bekijken of je nog een aanvullend onafhankelijk onderzoek wilt op wat zij al in kaart hebben gebracht. Hier zitten wat suggesties in die echt verder gaan, over structurele marktordening en dat soort zaken. Maar ik zou eigenlijk aan de heer Erkens willen vragen om deze motie nog even aan te houden tot dat moment. Dan kan ik, aanvullend op deze motie, misschien zelf ook een aantal suggesties doen. Daar kan dan eventueel nog aanvullend onderzoek naar worden gedaan.

De voorzitter:
Ik probeer de heer Erkens te lezen.

Op verzoek van de heer Erkens stel ik voor zijn motie (32813, nr. 1074) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
We gaan naar de motie op stuk nr. 1075.

Minister Jetten:
De motie op stuk nr. 1075 gaat over de maatwerkafspraken. Namens de minister van Economische Zaken en Klimaat kan ik u melden dat de nieuwe brief over de maatwerkafspraken er elk moment aankomt. Ik zou dus ook de heer Boucke willen vragen om deze motie even aan te houden. Dit zit namelijk helemaal in de portefeuille van mijn collega, die u dus binnenkort uitgebreider gaat informeren.

De voorzitter:
Meneer Boucke, de motie op stuk nr. 1075. Ik begrijp dat hij de motie niet wil aanhouden. Wat is het oordeel dan?

Minister Jetten:
Dan moet ik haar ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1075 wordt ontraden. We gaan naar de motie op stuk nr. 1076.

Minister Jetten:
De motie op stuk nr. 1076 van de heer Dassen gaat over het nu opschalen naar alarmfase 2. Deze motie ontraad ik ook, omdat er op dit moment in Nederland gewoon geen aanleiding toe is. De gasmarkt in Nederland functioneert ondanks alle omstandigheden namelijk toch nog relatief goed. Het is echt een andere situatie dan die in Duitsland. We houden het natuurlijk wel echt nauwgezet in de gaten. Zeker aan het einde van de onderhoudsperiode van Nord Stream 2 zullen we een nieuwe weging moeten maken van welke fase bij de Nederlandse situatie past. Het tweede deel van het dictum is eigenlijk ondersteuning van het beleid, maar ik ben niet van plan om nu fase 2 aan te kondigen. Vandaar dat ik de motie moet ontraden.

De motie op stuk nr. 1077 wil ik oordeel Kamer geven, want bij alles wat we bij die grote bedrijven aan CO2-reductie moeten doen, komt ook energiebesparing kijken.

Voorzitter. Tot slot de motie op stuk nr. 1078. Ik heb in het commissiedebat ook aangegeven dat ik grote risico's zie bij langetermijncontracten, zeker als die gepaard gaan met winning waar veel andere schadelijke stoffen bij komen kijken. Maar ik vind ook dat een aantal van mijn collega's in Europa nu voor een hele grote taak staan om ook hun aandeel Russisch gas te vervangen. Ik vind het dan ook niet aan mij om me te bemoeien met de contracten die zij afsluiten. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 1078.

De heer Dassen (Volt):
Mevrouw Kröger en de heer Thijssen zouden graag onder de motie op stuk nr. 1078 staan.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van de minister, die ik heel hartelijk dank voor zijn spoedige beantwoording. De heer Dassen heeft nog een nabrander.

De heer Dassen (Volt):
Wat als ik de motie aanpas naar alleen Nederland?

De voorzitter:
De motie zal wel bijna in de papierbak liggen. Minister, wat als het naar alleen Nederland wordt aangepast?

Minister Jetten:
Ik heb de motie weer opgeborgen in mijn mapje.

De voorzitter:
Ik zei dat voor mijn eigen administratie, meneer Dassen. Elke motie is mij als voorzitter even lief.

Minister Jetten:
Ik sluit zelf als minister voor Klimaat en Energie geen contracten af, maar deze motie verzoekt de regering om zich hard te maken tegen langetermijncontracten. Ik kan natuurlijk in de gesprekken die ik voer met bedrijven in Nederland gewoon wijzen op de risico's die verbonden zijn aan langetermijncontracten.

De voorzitter:
En dan wordt het oordeel?

Minister Jetten:
Als dat is wat de heer Dassen van mij vraagt, dan wil ik dat doen. Dan is het: oordeel Kamer.

De heer Dassen (Volt):
Ik ga er even over nadenken.

De voorzitter:
We spreken het zo af: de motie op stuk nr. 1078 is ontraden. Als hij een gewijzigde motie indient, wil de minister dan nog een kort briefje sturen met het oordeel daarover?

Minister Jetten:
U stemt morgen, toch?

De voorzitter:
Of is het dan oordeel Kamer?

Minister Jetten:
Als u mij oproept om met Nederlandse bedrijven die gesprekken te voeren, dan is het oordeel Kamer. Mocht ik nou helemaal schrikken van de aangepaste motie, dan laat ik u dat weten.

De voorzitter:
Zo is 't. Als de heer Dassen de motie aanpast conform wat net is besproken, dan is het oordeel Kamer. Anders blijft de motie ontraden. We zien wel wat er gebeurt. Ik dank de minister nogmaals hartelijk, en ik dank de collega's hartelijk voor hun coöperatieve opstelling.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik schors voor een heel enkel moment. Dan gaan we verder met tweeminutendebat Gevangeniswezen en tbs.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Gevangeniswezen en tbs

Gevangeniswezen en tbs

Aan de orde is het tweeminutendebat Gevangeniswezen en tbs (CD 15/06).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Gevangeniswezen en tbs. Ik wijs de woordvoerders erop dat we vandaag en morgen het kerstregime hanteren. Dat betekent dat er alleen moties worden ingediend en de inleidingen achterwege kunnen blijven. We hebben deze twee dagen 30 tweeminutendebatten te doen; vooralsnog zijn het er 30, maar het worden er waarschijnlijk nog meer. Iedereen kan de moties indienen die zij of hij wil, maar dan wel in dit regime. Ik heet de minister voor Rechtsbescherming van harte welkom. Het woord is aan de heer Ellian. Hij zal spreken namens de VVD.

De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Ik ga meteen over tot het voorlezen van mijn motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de extra beveiligde inrichting (ebi) in Vught kopstukken van criminele organisaties en andere zeer (vlucht)gevaarlijke personen gedetineerd zijn;

overwegende dat in de ebi nu diverse kopstukken van de criminele organisatie van Ridouan Taghi zijn gedetineerd, die er alles aan doen om hun criminele organisatie vanuit detentie voort te zetten;

overwegende dat de criminele organisaties alleen ontmanteld kunnen worden als de gedetineerde kopstukken in de ebi geen contact kunnen hebben met hun criminele organisatie;

verzoekt de regering, gelet op bovenstaande ontwikkelingen, om per direct in de extra beveiligde inrichting te Vught de volgende nadere maatregelen in te voeren:

  • bellen terug te brengen van twee keer per week tien minuten naar één keer per week tien minuten;
  • bellen alleen toe te staan naar personen die zich op dat moment in een politiebureau of penitentiaire inrichting bevinden;
  • bij bezoek maximaal één persoon per bezoekmoment toe te staan;
  • bezoek met kinderen bestaat uit de begeleiding van maximaal één volwassene;
  • het niet langer toestaan van het spreken van een andere taal dan Nederlands of Engels, tenzij een gedetineerde evident beide talen niet machtig is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 844 (24587).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Markuszower. Hij zal spreken namens de PVV.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal ook gelijk mijn twee moties voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de reclassering pleit voor het afschaffen van het taakstrafverbod, zoals genoemd in artikel 22b Wetboek van Strafrecht, hetgeen betekent dat er voor alle misdrijven een taakstraf kan worden opgelegd;

overwegende dat de minister in continu overleg is met de reclassering;

verzoekt de regering om veroordeelden van gewelds- of zedenmisdrijven langdurig in de cel op te sluiten en nooit in gesprek te gaan met de reclassering of wie dan ook om dat niet te doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower.

Zij krijgt nr. 845 (24587).

De heer Markuszower (PVV):
Dan de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het jongetje Gino vermoord is door een dader die al jaren geleden voor eerdere delicten levenslang opgesloten had moeten worden;

overwegende dat er in Nederland helaas al heel veel slachtoffers zijn gemaakt door daders die in het vizier waren van de overheid en vast hadden moeten zitten maar toch vrij rondliepen;

verzoekt de regering in kaart te brengen hoeveel daders die zich schuldig maken of hebben gemaakt aan zedendelicten, vrij rondlopen en deze allemaal per direct vast te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower.

Zij krijgt nr. 846 (24587).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Nispen. Hij zal spreken namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de werkdruk enorm is in het gevangeniswezen, de onveiligheid toeneemt, het ziekteverzuim torenhoog is en onderzoek van adviesbureau PwC heeft aangetoond dat de komende jaren 400 miljoen euro extra nodig is voor het gevangeniswezen om de basis weer op orde te krijgen;

overwegende dat de samenleving erbij gebaat is als binnen de gevangenissen gewerkt wordt aan het voorkomen van recidive, maar medewerkers daar op dit moment onvoldoende aan toekomen en er bijvoorbeeld ook te weinig tijd is voor celinspecties en andere belangrijke taken die te maken hebben met het voorkomen van crimineel voortgezet handelen in detentie;

verzoekt de regering uit te sluiten dat bezuinigingen zullen worden doorgevoerd in het gevangeniswezen en er met concrete maatregelen of tijdelijke extra investeringen voor te zorgen dat de werkdruk juist omlaag gaat en DJI een aantrekkelijker werkgever wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Mutluer.

Zij krijgt nr. 847 (24587).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overheid soms zaken doet met forensische zorginstellingen die winsten maken op de zorg voor mensen met een psychische of psychiatrische stoornis die een strafbaar feit hebben gepleegd;

overwegende dat de geleverde zorg in sommige gevallen zwaar tekortschiet en bestuurders en aandeelhouders desalniettemin toch rijk worden van de winsten die deze instellingen maken;

van mening dat het uiterst onwenselijk is dat geld bestemd voor zorg en veiligheid in de zakken van bestuurders en aandeelhouders verdwijnt;

verzoekt de regering een verbod in te stellen op het uitkeren van winsten voor forensische zorginstellingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 848 (24587).

De heer Van Nispen (SP):
Ik heb nog moties meeondertekend. Die gaan over de sbf-problematiek in het gevangeniswezen, het pensioen van oud-gevangenismedewerkers en de motie die ertoe strekt om Bonjo te blijven subsidiëren.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Mutluer. Zij zal spreken namens de PvdA.

Mevrouw Mutluer (PvdA):
Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er volgens onderzoek van PwC een groot financieel tekort voor het gevangeniswezen dreigt;

van mening dat er structurele problemen binnen het gevangeniswezen zijn waaronder te hoge werkdruk en te grote onveiligheid voor het personeel;

van mening dat detentie nog te weinig zorgt voor het voorkomen van recidive, onder andere omdat er te slecht kan worden gezorgd voor een goede terugkeer van gedetineerden in de samenleving;

van mening dat bovenstaande problemen met elkaar samenhangen en reeds jaren bekend zijn maar niet worden opgelost;

verzoekt de regering naar het voorbeeld van de commissie-Schneiders bij de politie een onafhankelijke externe commissie te doen instellen om tot aanbevelingen te komen hoe het gevangeniswezen wel effectief, veilig en toekomstbestendig kan worden gemaakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.

Zij krijgt nr. 849 (24587).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Sneller. Hij zal spreken namens D66.

De heer Sneller (D66):
Kerst valt vroeg dit jaar, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 52% van alle detenties korter duurt dan een maand en 74% van alle detenties korter dan drie maanden, terwijl uit onderzoek blijkt dat korte detenties weinig effectief zijn in het bestrijden van recidive en wel detentieschade veroorzaken;

constaterende dat slechts 29% van de gedetineerden daadwerkelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf, terwijl 44% in voorlopige en 24% in vervangende hechtenis zit;

overwegende dat een taakstraf in sommige gevallen twee keer zo effectief is als detentie en de helft goedkoper is, terwijl ook elektronische detentie of met enkelband geschorste voorlopige hechtenis effectiever en goedkoper kunnen zijn dan detentie;

overwegende dat alternatieven voor detentie, zoals werkstraffen, leerstraffen of een enkelband bovendien zowel op korte als lange termijn een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van de financiële problematiek en capaciteitsproblemen bij de Dienst Justitiële Instellingen (DJI) waar de Kamer in september nader over zal worden geïnformeerd;

verzoekt de regering om slimmere straffen, zoals alternatieven voor korte detenties, uit te werken in de aangekondigde plannen voor de oplossing voor de financiële problemen bij DJI,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Sneller, Kops en Bikker.

Zij krijgt nr. 850 (24587).

Ik zie de heer Markuszower staan voor een vraag over deze motie.

De heer Markuszower (PVV):
Even zodat ik de reikwijdte van de motie begrijp. Vallen onder de categorieën die de heer Sneller noemt ook plegers van zedendelicten? Anders gesteld, als deze motie wordt aangenomen, is dan de intentie dat ook plegers van zedendelicten alternatieve straffen anders dan celstraf kunnen krijgen?

De heer Sneller (D66):
De intentie van de motie is vooral dat de minister kijkt welke onderdelen van dat slimmer straffen, die alternatieven voor celstraf, mogelijk zijn zodat hij die, als ze effectiever zijn en een bijdrage kunnen leveren aan de financiële problematiek zoals we die in het debat hebben bediscussieerd, dan kan opnemen in de plannen. Maar ik denk dat de voorstellen zoals de heer Markuszower die nu doet niet in de rede liggen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Bonjo, de belangenbehartiger van gedetineerden in Nederland, binnen de strafrechtketen een onmisbare functie vervult;

constaterende dat door de wijziging van de subsidieregeling vrijwilligerswerk bij de sanctietoepassing Bonjo per 2023 dreigt te verdwijnen;

overwegende dat het verdwijnen van Bonjo voor zowel gedetineerden als de samenleving ingrijpende gevolgen zou hebben;

verzoekt de regering Bonjo te laten voortbestaan door de aanstaande korting op het huidige jaarlijkse subsidiebedrag op een andere manier op te vangen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Sneller, Van Nispen, Mutluer en Azarkan.

Zij krijgt nr. 851 (24587).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Knops. Hij zal spreken namens het CDA.

De heer Knops (CDA):
Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het verleden DJl-personeel met een zogenaamde substantieel bezwarende functie (sbf) moest stoppen met werken en hun ouderdomspensioen moest aanspreken voor de pensioengerechtigde leeftijd en dat deze groep daardoor mogelijk pensioenschade heeft geleden;

van mening dat zo precies en snel als mogelijk, onafhankelijk onderzocht moet worden of en zo ja, welke oud sbf'ers pensioenschade hebben geleden en hoe groot die schade is;

verzoekt de regering onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de mogelijke pensioenschade die oud-sbf'ers hebben geleden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Knops en Van Nispen.

Zij krijgt nr. 852 (24587).

Dank u wel. Dan zijn we aan het einde van de termijn van de Kamer. Ik schors voor vijf minuten tot 12.26 uur en dan gaan we door met de beantwoording door de minister.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister voor Rechtsbescherming.

Minister Weerwind:
Voorzitter, dank u wel. U heeft mij meegegeven dat ik zo kort en kernachtig mogelijk moet zijn, dus met respect voor de inbreng van de Kamerleden: ik start met de motie-Ellian op stuk nr. 844. Laat ik vooropstellen dat ik de motie als zodanig waardeer. Ik begrijp ook de geest van de motie en ik ben het daarmee eens, maar ik wijs u erop dat ik nadrukkelijk het WODC-rapport afwacht en meeweeg en dan met een integraal pakket aan maatregelen kom. Dat wil ik eerst afwachten en daarom ontraad ik de motie.

Dan kom ik op de moties van de PVV. De motie op stuk nr. 845 ontraad ik. Ik wijs erop dat de rechter een straf oplegt. Ik voer die slechts uit.

De motie op stuk nr. 846, ook van de PVV, ga ik ook ontraden, eigenlijk met dezelfde argumentatie. De rechter legt een straf op, niet ik.

Dan de motie van de heer Van Nispen van de SP, mede namens de PvdA, over het PwC-rapport. In de motie wordt heel nadrukkelijk de werkdruk aan de orde gesteld. Laat ik vooropstellen dat ik die ook zie en dat ik dat deel met de SP. Laat ik ook vooropstellen dat ik het afgelopen weekeinde, zaterdag om precies te zijn, met de centrale ondernemingsraad, maar ook met de werknemersorganisaties aan tafel heb gezeten. Ik heb hun hetzelfde antwoord gegeven als ik in het commissiedebat heb gegeven. Dat wil heel nadrukkelijk zeggen dat ik eerst onderzoek doe en daarna met een maatregelenpakket kom. Gedurende het zomerreces blijf ik met de genoemde actoren in gesprek, heel nadrukkelijk. Dan neem ik voor Prinsjesdag een standpunt in. Ik heb u in het commissiedebat toegezegd dat ik dat zal delen met de Kamer. Dus ik ontraad de motie op stuk nr. 847.

Dan de motie op stuk nr. 848.

De voorzitter:
De heer Van Nispen heeft nog een korte vraag over de motie op stuk nr. 847.

De heer Van Nispen (SP):
Ik snap dat het de minister tegen de borst stuit dat de motie verzoekt om bezuinigingen uit te sluiten. De minister zegt: ik kom nog met een voorstel. Er zit een tweede deel in de motie, dus ik kijk even waar dan wel de ruimte zit. Er zouden concrete maatregelen of tijdelijke extra investeringen moeten komen om ervoor te zorgen dat de werkdruk omlaag gaat en DJI een aantrekkelijker werkgever wordt. Is de minister wel bereid om dat deel van het verzoek "oordeel Kamer" te geven? Dan kan ik erover nadenken om de motie aan te passen.

Minister Weerwind:
Ik laat de woorden die net gebezigd zijn even bezinken. Als ik de heer Van Nispen goed begrijp, zegt hij eigenlijk: ik wil de Dienst Justitiële Inrichtingen, het gevangeniswezen, weer een aantrekkelijke werkgever laten zijn als zodanig en ben op zoek naar maatregelen daarvoor. Interpreteer ik dat goed?

De voorzitter:
"Ja", zegt de heer Van Nispen.

Minister Weerwind:
Als dat de interpretatie is, kan ik daar natuurlijk niet tegen zijn, want ik ben ook voornemens om DJI aantrekkelijk te maken als werkgever. Ik kom wel met een integraal pakket aan maatregelen voor Prinsjesdag. Ik ga dus aan de voorkant geen bezuinigingen uitsluiten. Dat zeg ik met klem. Als ik de motie goed heb begrepen en zo juist heb geïnterpreteerd, kan ik haar oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
We doen het als volgt. De ongewijzigde motie wordt ontraden. Als de motie wordt aangepast in de zin van dit debat, krijgt zij oordeel Kamer. Mocht het nog weer anders zijn, kan de minister altijd een brief sturen en zeggen: de motie is niet goed gewijzigd. Zo gaan we het doen.

Eigenlijk sta ik geen vragen toe over moties die niet door uzelf zijn ingediend, meneer Knops, want dan krijgen we hier een heel debat, maar vooruit.

De heer Knops (CDA):
Mede namens een aantal andere fracties, voorzitter. Er staat: verzoekt de regering uit de sluiten ... Dat staat er gewoon. De minister zegt: dat kan ik niet beloven. Als de heer Van Nispen dat dan weghaalt, is het duidelijk. Maar oké.

De heer Van Nispen (SP):
De conclusie van de voorzitter was ook duidelijk: als ik de motie niet wijzig, krijgt zij oordeel "ontraden" en als ik haar wel wijzig, krijgt zij "oordeel Kamer". U ziet het wel.

De voorzitter:
Zo is het, en als de minister dan zegt "zoals dit is uitgelegd, zint het mij niet", kan hij altijd nog een brief sturen voor de stemmingen waarin staat dat de motie toch is ontraden. Zo gaan we het doen. We zijn bij de motie op stuk nr. 848.

Minister Weerwind:
De motie op stuk nr. 848 is de motie van de SP over forensische zorg. Laat ik vooropstellen dat het gaat om particuliere zorgaanbieders. Een consequentie van de motie zou een forse stelselwijziging zijn. Ik zou dan afspraken moeten maken met 170 zorgaanbieders, terwijl we juist het volgende doen. Laat ik concreet zijn: in september 2022 kom ik met allerlei kwaliteitskaders en afspraken om duidelijke en strakke afspraken met de sector te maken. Dat proces wil ik continueren. Derhalve kan ik deze motie alleen maar ontraden.

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 849 over de onafhankelijke externe commissie en het PwC-onderzoek. Ondanks het feit dat ik de motie zeer goed begrijp — resocialisatie en re-integratie heb ik ook hoog in het vaandel staan — ga ik de motie toch ontraden, met dezelfde argumentatie die ik bij een eerdere motie van de heer Van Nispen over het PwC-rapport heb gegeven.

De voorzitter:
Mevrouw Mutluer, één vraag.

Mevrouw Mutluer (PvdA):
Is de minister het met mij eens dat dit verder gaat en dat het echt om een onafhankelijk onderzoek gaat? De commissie-Schneiders heeft haar diensten bewezen voor de politie. Het kan hem helpen.

Minister Weerwind:
Ik denk daar anders over. We hebben een PwC-rapport, en het is aan ons om daar uitwerking aan te geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 849 blijft ontraden. De motie op stuk nr. 850.

Minister Weerwind:
Mag ik deze motie onder de noemer alternatieve straffen brengen? Mij wordt gevraagd dat mee te nemen met het pakket van maatregelen. Zo interpreteer ik de motie en kan ik die oordeel Kamer kan geven.

Dan de motie op stuk nr. 851 over Bonjo. In het commissiedebat hebben wij hier uitputtend over gesproken. Ik heb mijn hoofd er ook over gebroken. Na het zomerreces spreek ik met de vrijwilligersorganisaties, en ik begrijp ook dat u daar niet op wilt wachten. Ik heb uitputtend gekeken naar wat Bonjo is. Naast het blad hebben ze ook verschillende andere activiteiten. Dat brengt mij bij het volgende. Ik ga vragen om deze motie aan te houden, met dien verstande dat ik in 2023 middelen ga vinden binnen mijn JenV-begroting om het te continueren, dat ik in september 2022 een gesprek aanga met de vrijwilligersorganisaties en met Bonjo om echt goede afspraken te maken naar de toekomst toe, en te bekijken of ik het wel of niet kan continueren. Als de motie wordt aangehouden, zeg ik de Kamer nu toe dat het in 2023 geregeld is en Bonjo blijft bestaan. Maar ik wil vasthouden aan het subsidiestelsel zoals we hebben afgesproken en daar niet in gaan wijzigen. Zo kijk ik er nu naar.

De voorzitter:
De heer Sneller, wilt u uw motie aanhouden?

De heer Sneller (D66):
Ik zal hem aanhouden, maar ik onderschrijf de conclusie nog niet. Die discussie kunnen we in het najaar nog voeren.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Sneller stel ik voor zijn motie (24587, nr. 851) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
We zijn bij de motie op stuk nr. 852.

Minister Weerwind:
In het commissiedebat heb ik nadrukkelijk gesteld dat ik met de sbf'ers aan tafel ga zitten en dat ik mij nadrukkelijk buig over het dossier. Dat vind ik van belang. Die harde toezegging heb ik gedaan. Zie ik die motie dan niet als steun in de rug? Nee, ik ga die motie ontraden.

De voorzitter:
Dank u wel. We zijn aan het eind van de beantwoording van de minister. Hij heeft dat snel gedaan en daar ben ik blij om.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
We gaan direct door met het volgende tweeminutendebat. Dat gaat namelijk over adoptie en daar zijn dezelfde woordvoerders en bewindspersonen bij betrokken. Een schorsing van enkele ogenblikken.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Adoptie

Adoptie

Aan de orde is het tweeminutendebat Adoptie (CD 16/06).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Adoptie en ik geef het woord aan mevrouw Mutluer. Zij zal spreken namens de PvdA.

Mevrouw Mutluer (PvdA):
Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er in het verleden ernstige misstanden hebben plaatsgevonden met interlandelijke adoptie waarbij veel slachtoffers betrokken waren;

van mening dat deze slachtoffers op persoonlijke en individuele wijze invulling moeten kunnen geven aan hun herstelproces;

constaterende dat er een expertise centrum zal worden opgetuigd dat zich onder andere zal inzetten voor afstamming- en adoptiegerelateerde vraagstukken waar 36 miljoen ter beschikking voor wordt gesteld;

verzoekt de regering slachtoffers desgewenst door het expertisecentrum te laten ondersteunen bij het maken van persoonlijke herstelplannen (waarvan individuele reizen, DNA-onderzoek en therapie onderdeel kunnen zijn);

verzoekt de regering om binnen het budget van het expertisecentrum een jaarlijks gelimiteerd budget te oormerken om in die gevallen waar nodig de uitvoering van het opgestelde herstelplan te bekostigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Van Nispen.

Zij krijgt nr. 105 (31265).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Nispen. Hij zal spreken namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Dank u wel. De SP is geen voorstander van het hervatten van interlandelijke adoptie, maar nu deze hervat wordt en er een landenanalyse komt, vinden wij wel dat die serieus moet worden genomen. Daarom dienen wij de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering heeft uitgesproken niet langer adoptierelaties aan te willen gaan met landen van herkomst waar kwetsbaarheden zijn op het terrein van betrouwbaarheid en transparantie en met landen die zelf zouden moeten kunnen voorzien in adequate opvang van hun kinderen;

overwegende dat de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Ca IKA) per land waar de afgelopen jaren een adoptierelatie mee is onderhouden een analyse maakt van de kwetsbaarheden in dat land en beoordeelt of een adoptierelatie met deze landen ook nu en in de toekomst kan worden onderhouden;

tevens overwegende dat de logische consequentie hiervan kan zijn dat uit de landenanalyses kan blijken dat niet één land voldoet aan de gestelde randvoorwaarden en dat de consequentie dan ook kan zijn dat interlandelijke adoptie zou moeten worden stopgezet;

verzoekt de regering de uitkomsten van de landenanalyses in beginsel leidend te laten zijn in de beoordeling of interlandelijke adoptie al dan niet in de toekomst weer kan plaatsvinden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 106 (31265).

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. Ik heb tot slot nog een vraag. De minister heeft toegezegd te komen met een lijst van personen en organisaties waarmee is gesproken in aanloop naar dit besluit. Ik vind het van belang om die vrij specifiek te hebben, dus dat is ingevuld met wie er is gesproken, of dat met de minister zelf was of met zijn ambtenaren en wanneer dit was. Het gaat immers om het besluit van deze minister, dus een gesprek van bijvoorbeeld critici met de vorige minister is dan minder relevant. Maar ik wil dat dus ook in tijd kunnen beoordelen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dit was de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Ik schors voor een minuut of vijf, tot 12.45 uur, en dan gaan we verder met de beantwoording door de minister. Ik schors tot 12.45 uur.

De vergadering wordt van 12.41 uur tot 12.45 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister voor Rechtsbescherming.

Minister Weerwind:
Voorzitter, dank. Ik start met de motie van de PvdA. Ik ga deze motie ontraden. Ik ga de motie ontraden om veel redenen, 36 miljoen over tien jaar tijd, 3,6 miljoen. Ik heb er heel principieel naar gekeken, ook naar wat het expertisecentrum doet. Ze verlenen kosteloze dienstverlening. Dat beschouw ik op dit moment als voldoende. Het is een goed pakket, dat we kunnen bieden aan degenen die langskomen bij het expertisecentrum.

De volgende motie is van de heer Van Nispen.

De voorzitter:
Mevrouw Mutluer wil nog een vraag stellen.

Mevrouw Mutluer (PvdA):
Ik heb de afgelopen dagen zowel het expertisecentrum, adoptiebureaus als slachtoffers gesproken. Hiermee gaan we heel veel pijn wegnemen. Het is een gelimiteerd budget, het kost de minister geen geld en het is het expertisecentrum dat dat gaat afwegen samen met de slachtoffers. Hoe kan de minister dan tegen een dergelijke motie zijn?

Minister Weerwind:
Ik constateer dat we tegenstrijdige informatie hebben. Ik heb niet dezelfde informatie als mevrouw Mutluer. Ik blijf op het standpunt staan dat er kosteloos advies vanuit het expertisecentrum aan een individu gegeven kan worden. Daarom handhaaf ik mijn standpunt.

De voorzitter:
We gaan naar de motie op stuk nr. 106.

Minister Weerwind:
De heer Van Nispen. Ik lees de motie van de heer Van Nispen als volgt. Hij spreekt over een analyse per herkomstland als zodanig. Hij vraagt zich af: wat als geen van die herkomstlanden eraan voldoet? Er is al een beslissing genomen om interlandelijke adoptie door te laten gaan. Ik heb ook gesteld dat de criteria die we daarbij hanteren door de RSJ goed worden bekeken en aangescherpt. Vervolgens gaan ze dat analyseren per — zo noem ik het maar even — herkomstland. Dat kan tenslotte, methodologisch gezien, inderdaad uitkomen op nul. Dat heeft u goed. Dan bedoel ik per herkomstland, met dat accent. Methodologisch gezien heeft u gelijk. Met die uitleg en die interpretatie kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Ik zie de heer Van Nispen knikken, dus dat is de uitleg. De motie op stuk nr. 106 krijgt oordeel Kamer. Er was nog een vraag gesteld.

Minister Weerwind:
Zeker, meneer de voorzitter. Dat betreft een lijst van geïnterviewde actoren, die gesproken hebben met de minister of met de ambtenaren. Ik heb in het commissiedebat de toezegging gedaan dat ik met een dergelijke lijst zou komen, ook in de tijd geplaatst. Daar wordt hard aan gewerkt. Dus wanneer wij die lijst beschikbaar hebben, zal ik die beschikbaar stellen aan de Kamer.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank de minister hartelijk voor de beantwoording.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
De minister blijft nog een rondje bij ons. Wij gaan direct door met het tweeminutendebat Arbitrage, mediation en herstelrecht.

Arbitrage, mediation en herstelrecht

Arbitrage, mediation en herstelrecht

Aan de orde is het tweeminutendebat Arbitrage, mediation en herstelrecht (CD d.d. 22/06).

De voorzitter:
Van de zijde van de Kamer is als eerste het woord aan de heer Ellian. Hij spreekt namens de VVD.

De heer Ellian (VVD):
U hanteert een stevig tempo, voorzitter, maar dat is niet erg. Ik heb één motie, namens mijzelf en collega Knops.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mediation bijdraagt aan het duurzaam oplossen, de-escaleren en voorkomen van (dreigende) conflicten, waardoor gerechtelijke procedures kunnen worden voorkomen en relaties behouden blijven of kunnen worden hersteld;

constaterende dat mediation een belangrijke rol kan spelen bij het oplossen van geschillen en nog op allerlei punten (wettelijk) versterkt kan worden;

overwegende dat om mediation verder te brengen, het mediatorsveld overzichtelijk dient te worden georganiseerd met als uitgangspunt de professionaliteit van de beroepsgroep;

overwegende dat de Mediatorsfederatie Nederland heeft bewezen toezicht en kwaliteit te kunnen organiseren;

van mening dat mediation in enige mate regulering behoeft, zodat kwaliteit, transparantie en duidelijkheid voor de rechtzoekende gewaarborgd zal zijn;

verzoekt de regering om:

  • te bevorderen dat één centraal mediatorsregister (door)ontwikkeld wordt waarin ook de respectieve specialismen zichtbaar worden en als uitgangspunt hiervoor MfN te hanteren;
  • dit register onder een lichte vorm van publiekrechtelijke regulering te brengen;
  • de huidige opdracht in deze vorm aan de Raad voor Rechtsbijstand voor de toelating van registers te beëindigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ellian en Knops.

Zij krijgt nr. 724 (29279).

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Nispen. Hij zal spreken namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. De motie spreekt voor zich. Dat komt goed uit, want ik mag er toch niets bij vertellen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mediation in strafzaken een bewezen bijdrage levert aan de strafrechtspleging in Nederland;

overwegende dat het budgetplafond voor mediation in strafzaken al jaren de ambitie in de weg staat om mediation in strafzaken vaker toe te passen, terwijl er nu zelfs in het regeerakkoord is opgenomen dat meer ingezet moet worden op herstelrecht;

constaterende dat de vergoedingen van mediators in strafzaken al jaren niet meer zijn geïndexeerd, terwijl de zaken ingewikkelder worden, waar eigenlijk ook meer budget voor nodig is;

verzoekt de regering om het budget voor mediation in strafzaken structureel te verhogen vanaf de begroting voor 2023,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 725 (29279).

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Mutluer. Zij zal spreken namens de PvdA.

Mevrouw Mutluer (PvdA):
Voorzitter. Ik dien twee moties in. De eerste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ook de minister voor Rechtsbescherming van mening is dat er meer bekendheid moet worden gegeven aan herstelrecht om daarmee het gebruik van herstelrechtvoorzieningen ook in het strafrecht te vergroten;

overwegende dat het streven ook is om tot een betere samenwerking tussen de betrokken partners te komen;

van mening dat hierdoor de vraag naar herstelbemiddeling en naar mediation zal gaan toenemen en daarom het budget voor mediation dat vanaf 2018 niet veranderd is niet afdoende kan zijn;

van mening dat vergoedingen voor mediators in strafzaken die sinds 2010 gelijk zijn gebleven niet bijdragen aan het bewerkstellingen van deze ambities;

van mening dat in de weging van de kosten en baten herstelrecht met betrekking tot de gehele strafrechtketen een batig saldo zal opleveren;

verzoekt de regering inzichtelijk te maken en te onderbouwen hoeveel middelen er nodig zijn om de ambities ten aanzien van herstelrecht waar te maken en daarover bij de indiening van de komende begroting Justitie en Veiligheid te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.

Zij krijgt nr. 726 (29279).

Mevrouw Mutluer (PvdA):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat volgens WODC-onderzoek naar herstelrecht er bij de politie nog terrein te winnen valt op het gebied van kennis over herstelrecht en de mogelijke voordelen van de inzet hiervan;

van mening dat gebruik van herstelrecht door de politie voor de slachtoffers én daders een duurzamer oplossing oplevert en bovendien bij kan dragen aan het verder vastlopen van de strafrechtketen;

overwegende dat een pilot bij de politie genaamd "Wachttijd is hersteltijd" in 2017 in Amsterdam-Zuid eerder heeft aangetoond dat eenvoudige en veelvoorkomende strafzaken geschikt kunnen zijn voor afhandeling door middel van herstelrecht;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat de politie eenvoudige en veelvoorkomende strafzaken meer gaat beoordelen op "herstelrechtwaardigheid", en de Kamer te informeren over de aard en omvang van de resultaten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.

Zij krijgt nr. 727 (29279).

Dank u wel. Mevrouw Mutluer was de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Ik schors voor vijf minuten, tot 12.57 uur. Daarna gaan we door met de beantwoording van de minister.

De vergadering wordt van 12.52 uur tot 12.56 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister voor Rechtsbescherming.

Minister Weerwind:
Dank u wel, voorzitter. Ik start met de eerste motie, op stuk nr. 724. Die is van de VVD en het CDA. In het commissiedebat is nadrukkelijk afgesproken dat de mediationorganisaties vóór het einde van het jaar werkzaamheden gaan ontpoppen om te komen tot één centraal register. Ik beschouw het voorstel dat nu op tafel ligt in de motie eigenlijk als een doorkruising daarvan. Ik wil dat proces laten plaatsvinden.

In het tweede deel van het dictum gaat het over het beëindigen van de opdracht aan de Raad voor Rechtsbijstand. Ik heb gesproken met mensen van de Raad voor Rechtsbijstand. Ik heb hen gewezen op het commissiedebat. De Raad voor Rechtsbijstand wil ook werken naar één centraal register. Tegelijkertijd vind ik dat een rechtzoekende een duidelijk beeld moet hebben van waar hij of zij als rechtzoekende een mediator kan vinden die aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet. Daarom heb ik de Raad voor Rechtsbijstand gevraagd. En daarom vind ik eigenlijk dat de Raad voor Rechtsbijstand zijn opdracht niet moet beëindigen, maar moet continueren, met dien verstande dat dat allemaal moet leiden tot dat ene, centrale register. Gelet op deze argumentatie kan ik deze motie alleen maar ontraden.

De motie op stuk nr. 725 is van de heer Van Nispen van de SP. Ik ga die motie over mediation in strafzaken ontraden. Ik heb duidelijke toezeggingen gedaan, en ik ga nog even één punt toevoegen. Ik heb ook gekeken naar 2022. En ik kijk ook naar mediations in dat jaar. Ik zal hierover ook nadrukkelijk met de Landelijk Coördinator Mediation in gesprek zijn. Ik vind namelijk ook dat we wel degelijk moeten kijken naar de betaling, naar de bekostiging van de mediator bij een no-showmediation of bij heel complexe mediation. Die actie mag de Kamer dus van mij verwachten, maar ik ontraad de motie op stuk nr. 725.

Ik kom op de eerste motie van de PvdA, van mevrouw Mutluer, op stuk nr. 726. Daar kan ik kort over zijn: die motie krijgt oordeel Kamer.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 727. Die is ook van mevrouw Mutluer van de PvdA. Er wordt mij gevraagd om een aantal zaken in kaart brengen. In de motie werd mij ook gevraagd naar de pilot Wachttijd is hersteltijd bij de politie. Ik sta daar positief tegenover.

Ik wil toch eerst nog iets zeggen over de derde motie, over de motie op stuk nr. 726. Die beschouw ik eigenlijk als een steun in de rug. Ik wijs u op het volgende. Ik heb geen harde feitelijkheden en cijfers, maar ik kan daar wel een schatting van maken. Die kanttekening wil ik daarbij maken. Die motie krijgt dan oordeel Kamer.

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Mutluer knikken.

Minister Weerwind:
Laat ik kort zijn over de motie op stuk nr. 727. Die krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 727 krijgt ook oordeel Kamer. Dan hebben we de moties gehad.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik dank de minister voor Rechtsbescherming erg voor zijn snelle, spoedige en heldere beantwoording. Ik dank hem voor de drie debatten. Ik dank de collega's voor hun coöperatieve opstelling. Ik schors de vergadering voor de lunch. We gaan om 14.00 uur verder met het tweeminutendebat Duurzaam vervoer.

De vergadering wordt van 13.00 uur tot 13.59 uur geschorst.

Mededelingen


Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.


Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Aan de orde is regeling van werkzaamheden.

De voorzitter:
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van na het reces:

  • het tweeminutendebat Maritiem (CD d.d. 05/07), met als eerste spreker het lid Koerhuis van de VVD.

Ik stel voor de volgende wetsvoorstellen toe te voegen aan de agenda van na het reces:

  • Wijziging van de Havenbeveiligingswet in verband met de modernisering van de opleidingseisen voor personen die bij havenfaciliteiten beveiligingswerkzaamheden verrichten, de optimalisering van de veiligheidscontroles van schepen en een tweetal technische verbeteringen (36077);
  • Wijziging van de Wet elektriciteit en drinkwater BES (bevorderen uitvoerbaarheid), wijziging van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES en de Wet financiën openbare lichamen BES (uitbreiding van de zorgplicht voor afvalwater en verbreden heffingsgrondslag) en de Warenwet BES (afstemming drinkwaterwetgeving) (36050);
  • Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag ter uitvoering van de afbouw van de salderingsregeling voor kleinverbruikers (35594);
  • Wijziging van de Postwet 2009 in verband met de wijziging van de toegangsregulering van postvervoerders tot een landelijk netwerk voor postaanbieding, de borging van de continuïteit van de universele postdienst, de flexibilisering van de eisen aan de universele postdienst en de bescherming van de arbeidspositie van postbezorgers (35423);
  • Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022 (Zesde incidentele suppletoire begroting inzake vulmaatregelen gasopslag en waardevermeerderingsregeling) (36089).

Ik stel voor donderdag 7 juli aanstaande ook te stemmen over:

  • de aangehouden motie-Alkaya (32140, nr. 110);
  • de aangehouden motie-Kröger (32317, nr. 739);
  • de aangehouden motie-Agema (25295, nr. 1907).

Ik stel voor donderdag 7 juli aanstaande ook te stemmen over de volgende wetsvoorstellen:

  • Wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met het ongewijzigd laten van het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering (36135);
  • Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2022 (Tweede incidentele suppletoire begroting inzake de opvang van ontheemden uit Oekraïne) (36083);
  • Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2022 (Derde incidentele suppletoire begroting inzake de opvang van ontheemden uit Oekraïne) (36115);
  • Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IX) voor het jaar 2022 (Tweede incidentele suppletoire begroting inzake LNG invoercapaciteit in de Eemshaven) (36087);
  • Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2022 (Zesde incidentele suppletoire begroting) (36086);
  • Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022 (Vierde incidentele suppletoire begroting inzake IPCEI waterstof) (36035);
  • Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2022 (Tweede incidentele suppletoire begroting) (36143);
  • Wijziging van de begrotingsstaat van het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) voor het jaar 2022 (Tweede incidentele suppletoire begroting) (36144).

Ik stel voor donderdag 7 juli aanstaande ook te stemmen over de ingediende moties bij de wetgevingsoverleggen over Jaarverslag en slotwet van Koninkrijksrelaties voor het jaar 2021.

Ik stel aan de Kamer voor de Eerste Kamer te laten weten dat mevrouw Kuiken de plaats zal innemen van mevrouw Ploumen bij de verdediging van het Voorstel van wet van de leden Ellemeet, Ploumen, Paternotte en Van Wijngaarden tot wijziging van de Wet afbreking zwangerschap alsmede enkele andere wetten in verband met de legale medicamenteuze afbreking van de zwangerschap via de huisarts (34891).

Ik stel voor toestemming te verlenen voor het houden van een wetgevingsoverleg met stenografisch verslag:

  • aan de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken op donderdag 7 juli van 18.00 uur tot 21.00 uur over het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 5 juli 2022 te Brussel tot stand gekomen Protocollen bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (Trb. 2022, 58);
  • aan de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op maandag 12 september van 10.00 uur tot 17.00 uur over het wetsvoorstel Wijziging van de Pensioenwet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband met herziening van het pensioenstelsel, standaardisering van het nabestaandenpensioen, aanpassing van de fiscale behandeling van pensioen en enige andere wijzigingen ten aanzien van pensioen (Wet toekomst pensioenen) (36067);
  • aan de vaste commissie voor Digitale Zaken op maandag 26 september van 10.00 uur tot 14.00 uur over het wetsvoorstel Wijziging van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen in verband met de uitbreiding van de bevoegdheid van de Minister van Justitie en Veiligheid om dreigings- en incidentinformatie over de netwerk- en informatiesystemen van niet-vitale aanbieders te verstrekken aan deze aanbieders en aan organisaties die objectief kenbaar tot taak hebben om andere organisaties of het publiek te informeren over dreigingen en incidenten ten behoeve van deze aanbieders (36084);
  • aan de vaste commissie voor Digitale Zaken op maandag 7 november van 13.00 uur tot 18.00 uur over de begrotingsonderdelen die zien op digitalisering;
  • aan de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op maandag 5 december 2022 van 11.00 uur tot 15.00 uur over het begrotingsonderdeel Emancipatie.

Op verzoek van een aantal leden stel ik voor de volgende door hen ingediende moties opnieuw aan te houden: 24515-624; 32043-581.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Duurzaam vervoer

Duurzaam vervoer

Aan de orde is het tweeminutendebat Duurzaam vervoer (CD 29/06).

De voorzitter:
Dan is nu aan de orde het tweeminutendebat Duurzaam vervoer. De heer De Hoop van de PvdA vraagt de Kamer toestemming om mee te doen aan dit tweeminutendebat. Ik zie instemmende blikken, dus dat is bij dezen toegestaan. Ik heet de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Kamerleden van harte welkom. De eerste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Koerhuis van de VVD. Ik wil nog even benadrukken dat we in korte tijd 30 tweeminutendebatten hebben, dus ik wil de Kamerleden verzoeken om zo kort mogelijk te zijn, om alleen de moties voor te lezen en als het nodig is een of twee vragen aan de bewindspersoon te stellen.

Ik geef het woord aan de heer Koerhuis van de VVD.

De heer Koerhuis (VVD):
Voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de doelstelling is om 1,8 miljoen laadpunten te plaatsen in 2030;

overwegende dat gemeenten de ladder van laden kunnen gebruiken voor het plaatsen van laadpunten in de openbare ruimte;

overwegende dat bij huiseigenaren en huurders met een eigen garagebox en bij vve's met een parkeergarage de situatie anders kan zijn omdat de huidige brandveiligheidssituatie niet altijd voldoet aan de verplichte extra eisen om laadpunten te mogen plaatsen;

overwegende dat het voldoen aan deze verplichte extra eisen, zoals brandleidingen, sprinklers en hittesensoren, hoge kosten met zich meebrengt;

overwegende dat huiseigenaren, huurders en vve's deze hoge kosten niet altijd kunnen betalen;

verzoekt de regering om huiseigenaren en huurders met een eigen garagebox en vve's met een parkeergarage uit de ladder van laden te halen en gemeenten de ruimte te geven in deze situatie laadpunten op straat te plaatsen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Koerhuis.

Zij krijgt nr. 354 (31305).

Dank u wel, meneer Koerhuis.

De heer Koerhuis (VVD):
Zoals ik al in het commissiedebat heb gezegd, had ik ook een motie in voorbereiding om de ladder van laden af te schaffen. Maar omdat ik de toezegging heb gekregen dat een eerdere motie van mij en mevrouw Van Ginneken om in kaart te brengen of en hoe we de doelstelling van 1,8 miljoen laadpunten in 2030 gaan halen in september wordt uitgevoerd, wacht ik nog even met die motie. En ik ga er dan van uit dat we die doelstelling halen.

Nog één vraag. Nou heb ik mij ook verdiept in de tijd die het kost om laadpalen te plaatsen. Ik heb gezien in een verkeersbesluit dat je zes weken lang een bord ergens kunt plaatsen met "hier komt een laadpaal", omdat mensen bezwaar moeten kunnen maken. Ik vraag me af of dat echt zes weken moet duren, en of dat niet bijvoorbeeld een of twee weken kan zijn. Dit alles om die 1,8 miljoen laadpalen in 2030 te halen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Koerhuis. Dan geef ik het woord aan de tweede spreker van de Kamer, mevrouw Bouchallikh van de fractie van GroenLinks, voor haar twee minuten.

Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik dien zo meteen samen met de SP en de Partij van de Arbeid moties in over de beschikbaarheidsvergoedingen, een onderwerp waar we de afgelopen maanden veel aandacht voor hebben gevraagd vanuit de Kamer, maar ook vanuit het veld. Dus ik zou heel graag mijn waardering en dank willen uitspreken voor allen die zich in de afgelopen periode hebben laten horen, want een goed ov is superbelangrijk voor zowel mensen als klimaat.

Ik had nog één vraag aan de staatssecretaris. Ik ben blij dat er wat meer duidelijkheid is — laat ik daarmee beginnen. Zij gaf ook aan op de Dag van het OV dat er nog een weegmoment komt in de zomer. Kan zij daar iets meer over vertellen, over wat dat precies inhoudt, hoe wij dan als Kamer daarover geïnformeerd zullen worden? En welke informatie mist er nog om de afweging te maken? Want we praten hier al een aantal maanden over. Ik ben gewoon heel erg benieuwd hoe zij dit proces voor zich ziet.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bouchallikh. Dan geef ik het woord aan de heer Alkaya van de fractie van de SP.

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter, dank u wel. Ik zal volstaan met het indienen van één motie, een belangrijke motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tientallen vervoerders, vakbonden, milieuorganisaties en lokale bestuurders waarschuwen voor het verdwijnen van tot wel een derde van het openbaar vervoer in ons land, indien er geen nationaal vangnet komt voor het jaar 2023;

overwegende dat er nog voor het zomerreces van de Tweede Kamer een duidelijk politiek signaal nodig is om te voorkomen dat dienstregelingen ernstig verschralen, onder meer vanwege de planning van dienstregelingen;

spreekt uit dat ernstige verschraling van de dienstregeling in het openbaar vervoer onwenselijk is, evenals tariefsverhogingen en het verdwijnen van arbeidsplaatsen;

verzoekt de regering alles in het werk te stellen om dit te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Alkaya, Bouchallikh en De Hoop.

Zij krijgt nr. 355 (31305).

Dank u wel, meneer Alkaya. Dan geef ik als voorlaatste het woord aan mevrouw Van Ginneken van de fractie van D66.

Mevrouw Van Ginneken (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb één vraag en één motie. Een andere motie hoef ik niet in te dienen, met dank aan de staatssecretaris, die de toezegging deed om de zakelijkevlootnormering per 2024 te gaan versnellen. Dus dat scheelt weer een motie.

Mijn vraag gaat ook over het ov. We naderen de zomervakantie. Scholieren, senioren en forensen willen heel graag weten of ze na de vakantie nog met het ov bij hun werk, bij hun school of bij wie dan ook kunnen komen. Ik weet dat de staatssecretaris heel druk in overleg is met de regio's. Maar we zijn wel in blessuretijd. Dus daarom mijn vraag: kan de staatssecretaris toezeggen dat er eind deze week — want dat is volgens mij de eindtermijn van de blessuretijd — echt duidelijkheid komt over een goed vangnet voor het ov, zodat alle kinderen weer naar school kunnen, ouderen op bezoek kunnen gaan bij hun naasten en forensen weer gewoon met het ov naar het werk kunnen na de zomer?

Dan mijn motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het invoeren van zero-emissiezones een effectieve maatregel is in het terugdringen van schadelijke emissies;

constaterende dat in 2022 een hoop nieuwe gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders met groene ambities zijn geïnstalleerd;

verzoekt de regering om in gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en individuele gemeenten te inventariseren of meer gemeenten bereid zijn een zero-emissiezone in te voeren en de Kamer hierover bij de publicatie van de Klimaat- en Energieverkenning in 2022 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ginneken.

Zij krijgt nr. 356 (31305).

Dank u wel, mevrouw van Ginneken. Ik zie dat de heer Koerhuis nog een vraag heeft. Ik wil u wel vragen om zo beknopt mogelijk te zijn, want we moeten echt inlopen op de tijd.

De heer Koerhuis (VVD):
Ik hoor D66 beginnen over zakelijkevlootnormering. Dat is een moeilijk woord voor Nederlandse bedrijven verplichten om elektrisch te gaan rijden vanaf 2024. Ik heb D66 ook in het commissiedebat gevraagd of ze de gevolgen hiervan kunnen overzien, omdat we bijvoorbeeld in Brabant en Limburg al zien dat bedrijven geen laadpunten mogen plaatsen.

De voorzitter:
Wilt u uw vraag stellen?

De heer Koerhuis (VVD):
Pardon, voorzitter? In het commissiedebat gaf D66 aan die gevolgen niet te overzien. Nu brengen ze het punt weer op. De vraag is of D66 de gevolgen nu wel kan overzien.

Mevrouw Van Ginneken (D66):
De essentie van wat wij hiermee beogen, is dat wij een impuls geven aan elektrisch rijden, ook om voor heel Nederland meer elektrische auto's beschikbaar te krijgen. Natuurlijk speelt in de afweging of iemand met de elektrische auto of met de trein naar het werk gaat, en of iemand in een elektrische auto wil gaan rijden, ook een rol of er een laadpaal beschikbaar is in de buurt. Ik heb in het commissiedebat ook gezegd dat we de klimaatdoelen niet gaan halen als je eerst wacht tot heel Nederland vol staat met laadpalen voordat je gaat stimuleren dat er meer elektrische auto's verkocht worden. Dus je moet dingen naast elkaar doen. Ik weet dat de heer Koerhuis heel alarmerend en terecht aandacht heeft gevraagd voor de situatie in Noord-Brabant als het gaat om aansluitingen voor laadpalen. Dat is ook terecht, dus dat probleem moet ook opgelost worden. Maar ik wil niet met het ene op het andere wachten.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Ginneken. Ik sta geen vervolgvragen toe. Ik wil nu echt haast maken. Ik wil het debat niet opnieuw gaan doen, want daar lijkt het nu op uit te draaien. Ik geef het woord aan de laatste spreker van de zijde van de Kamer, de heer De Hoop van de fractie van de PvdA.

De heer De Hoop (PvdA):
Dank u, voorzitter. Ook dank aan de commissie voor de coulance dat ik toch twee moties in mag dienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de beschikbaarheidsvergoeding ov vanaf 2023 afloopt;

overwegende dat er per regio sterke verschillen zijn in de benodigde hoogte van aanvullende steun om de dienstregeling overeind te houden;

verzoekt de regering voor 1 oktober in kaart te brengen hoeveel steun er per regio nodig is om de dienstregeling overeind te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Alkaya en Bouchallikh.

Zij krijgt nr. 357 (31305).

De heer De Hoop (PvdA):
Dan nog een motie over het rekeningrijden, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet koerst op de invoering van betalen naar gebruik onafhankelijk van plaats en tijd;

overwegende dat bewoners van landelijke gebieden relatief veel autorijden, onder andere wegens eens gebrek aan openbaarvervoeropties;

verzoekt de regering om te voorkomen dat inwoners van landelijke gebieden onevenredig hoge kosten moeten betalen ten opzichte van het huidige systeem,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Alkaya.

Zij krijgt nr. 358 (31305).

Dank u wel, meneer De Hoop. Dan schors ik de vergadering voor zeven minuten. Zolang heeft de staatssecretaris nodig voor de appreciatie van de moties. Dus ik schors tot 14.20 uur.

De vergadering wordt van 14.13 uur tot 14.20 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 354 van de heer Koerhuis van de VVD verzoekt huiseigenaren en huurders met een eigen garagebox en vve's met een parkeergarage uit de ladder van laden te halen. Ik laat die motie graag oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 355 van de heer Alkaya cum suis over verschraling van de dienstregeling in het openbaar vervoer, evenals tariefsverhogingen en het verdwijnen van arbeidsplaatsen in het ov. Ik spreek heel intensief met de sector over de situatie in 2023. Ik deel de wens om ook volgend jaar een voldoende betrouwbaar en veilig openbaarvervoeraanbod te hebben. Ik ga echter niet over de prijs van de kaartjes en over het personeelsbeleid van de vervoerders. Daarom moet ik de motie helaas ontraden.

De voorzitter:
Dat roept een vraag op bij de heer Alkaya.

De heer Alkaya (SP):
De staatssecretaris valt over een onderdeel waarover ik een uitspraak van de Tweede Kamer vraag. Wij spreken uit dat bepaalde zaken onwenselijk zijn en de staatssecretaris kan dat voorkomen door een beschikbaarheidsvergoeding in te stellen of door op een andere manier een vangnet te creëren. Daar gaat ze wel over en de rest is een uitspraak van de Tweede Kamer. De motie is niet voor niets zo opgesteld zoals die is opgesteld.

De voorzitter:
Daar heeft u gelijk in, meneer Alkaya. De staatssecretaris kan reageren op het verzoek aan de regering en het "spreekt uit"-deel is gericht aan de Kamer.

Staatssecretaris Heijnen:
Maar er wordt aan mij verzocht om alles in het werk te stellen om al die zaken te voorkomen, terwijl ik over aantal zaken simpelweg niet ga. Dat is ook de reden waarom ik de motie moet ontraden. Dat neemt niet weg dat ik volop met de ov-sector in gesprek ben om ervoor te zorgen dat we ook voor 2023 en de periode daarna een degelijk, betrouwbaar en toegankelijk openbaar vervoer hebben.

De voorzitter:
Nog één vraag van de heer Alkaya.

De heer Alkaya (SP):
Laatste vraag, voorzitter. Het maakt mij niet zo heel veel uit als we over de tekst vallen, maar dan wil ik wel klip-en-klaar van de staatssecretaris horen dat het gaat om de tekst en dat zij dus wel met zo'n vangnet gaat komen. Als zij van mening is dat er niet zo'n vangnet moet komen, dan moet zij dat eerlijk zeggen, want die tekst, daar komen we wel uit. Het gaat erom of de staatssecretaris bereid is om voor 2023 een vangnet in te stellen dat ertoe zal leiden dat die zaken waar we bang voor zijn, worden voorkomen.

Staatssecretaris Heijnen:
Wij hebben een heel goed commissiedebat gehad. Daarin hebben de heer Alkaya maar ook andere commissieleden duidelijk laten weten aan mij dat er een opdracht voor mij ligt om ook het openbaar vervoer in 2023 en verder op een goede manier te garanderen. De sector heeft heel nadrukkelijk aangegeven dat er op bepaalde fronten een vangnet nodig is. De heer De Hoop wees erop dat er heel veel verschil is per regio. Ik denk dat het heel erg goed is dat we met elkaar het gesprek daarover hebben gehad. Ik heb ook goede gesprekken met de sector zelf over de ontwikkelingen op het gebied van openbaar vervoer en de eventuele steun die daarvoor nodig is. Vrijdag hebben we weer een vervolgoverleg en gisteren hebben we een heel goed overleg gehad met de sector. Uiteraard ben ik bereid te kijken naar wat wij kunnen doen. Ik heb ook al aangegeven dat vanuit het ov-budget ook de ambities moeten komen. Dus ik vond het ook heel belangrijk dat ik de informatie zo compleet mogelijk had voordat ik een bod deed. Dat hebben we inmiddels gedaan. Er is nog geen overeenstemming over maar we zijn wel een goed eind op weg. Ik heb de hoop dat we snel duidelijkheid kunnen bieden aan de sector en de regionale overheden teneinde wel wat hulp te kunnen bieden. Uiteindelijk is het wel zo — dat voorbehoud zal ik ook zeker maken richting de sector — dat de Kamer het budgetrecht heeft. Dus ik zal altijd nog naar de Kamer terug moeten komen om het voorstel voor te leggen, maar de Kamer gehoord hebbend, heb ik de indruk dat er een vrij breed draagvlak is voor een vangnet, met name gericht op een solide, goed toegankelijk openbaar vervoer, ook richting de toekomst. Coronasteun doen we niet meer, maar we kijken wel hoe we ze door deze lastige periode heen kunnen helpen.

De voorzitter:
Ik wil de heer De Hoop nu niet hierover een vraag laten stellen. Dat mag hij eventueel straks nog doen over zijn eigen motie, maar om het aantal interrupties te beperken, sta ik alleen toe dat degene die een motie heeft ingediend daarover een vraag stelt. Ik heb er nu twee toegestaan aan de heer Alkaya. Dus op dit onderwerp wil ik geen interruptie meer toestaan. Ik wil het hierbij laten. Ik wil het woord geven aan de staatssecretaris voor een verdere appreciatie van de moties.

Staatssecretaris Heijnen:
Ik zag dat de motie wel was ingediend door SP, GroenLinks en PvdA. Dat had ik er misschien nog even bij moeten vermelden.

Dan de motie op stuk nr. 356 van mevrouw Van Ginneken. Daarvan laat ik het oordeel graag aan de Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 357 van de heer De Hoop. Hij heeft mij verzocht om voor 1 oktober in kaart te brengen hoeveel steun er per regio nodig is. Ik wil die motie ontraden, omdat het voor mij niet volledig mogelijk is om dit in beeld te brengen. Het is ook niet zo wenselijk, omdat we niet naar het verleden willen kijken. We zijn ook met de sector met name heel erg bezig om naar de toekomst te kijken. De toekomst is natuurlijk onzeker, want we weten niet precies hoe snel reizigers het openbaar vervoer weer volledig terug weten te vinden. Bovendien is het zo dat de vervoerders andere prognoses hanteren dan het KiM. Inzoomen op de regio geeft in mijn ogen geen extra duidelijkheid. Het is natuurlijk wel zo dat we proberen om binnen de afspraken die we gaan maken zo veel mogelijk maatwerk toe te staan.

Dan had de heer De Hoop nog de motie op stuk nr. 358 met de vraag om de effecten voor inwoners van landelijke gebieden te onderzoeken met betrekking tot betalen naar gebruik. Ik vind het ook heel erg relevant om dat in beeld te hebben. Ik laat die motie dus graag oordeel Kamer.

Voorzitter. Dan had ik nog een aantal vragen. De eerste vraag was van de heer Koerhuis. Die ging over het verkeersbesluit en over dat er zes weken tijd is om bezwaar aan te tekenen tegen het plaatsen van een laadpaal. Ik heb in een Kamerbrief al aangekondigd dat ik de mogelijkheden aan het verkennen ben om de mogelijkheden met betrekking tot verkeersbesluiten te beperken, zodat we verkeersbesluiten voor meerdere toekomstige laadpalen tegelijk kunnen nemen, in plaats van bijvoorbeeld voor iedere paal. Dat zal ook de doorlooptijd verkorten. We zijn dus aan het kijken hoe we die looptijd kunnen verkorten, want ik vind hem zelf ook erg lang.

Dan had ik nog een vraag van mevrouw Van Ginneken. Zij vroeg mij of ik kon toezeggen dat er eind deze week een vangnet is voor het ov. Ik ben, zoals ik zojuist ook al aangaf, heel intensief in overleg met de sector. We delen de wens voor een voldoende en betrouwbaar ov in 2023, en ook voor de periode daarna. Ik zal u ook zo snel mogelijk informeren over de uitkomsten van de gesprekken die ik op dit moment heb met de sector. Ik zal zoals gezegd komende vrijdag ook weer een vervolggesprek hebben. Ik hoop uiteraard dat we op dat moment ook tot een goede afronding kunnen komen. Dan kan ik het, net op het randje van het reces, ook nog aan de Kamer laten weten. Anders wordt het wat mij betreft zo snel mogelijk na het reces. Ik heb een duidelijk bod neergelegd. Daar waren nog wat vragen over. Daar wordt nu naar gekeken door de vervoerders en door de regionale overheden. Ik heb goede hoop dat we vrijdag tot een afronding kunnen komen.

Dan was er nog een vraag van mevrouw Bouchallikh over de info die er nog mist voor een afspraak over het ov. We hebben het er in het commissiedebat over gehad dat ik graag nog bepaalde informatie wil hebben. Dat ging met name ook over de verschillen per regio en over wat het concreet betekent per regio qua afschaling van vervoer als we niks zouden doen. Die informatie is inmiddels allemaal ter beschikking gesteld. Ik ben dus ook nog intensief met iedereen in overleg over wat we vervolgens moeten doen. Gisteren heb ik daar een gesprek over gehad. Vrijdag is het vervolggesprek. Ik hoop dan ook tot een afspraak te komen.

Volgens mij heb ik dan alle vragen beantwoord, voorzitter.

De voorzitter:
Dan dank ik de staatssecretaris.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Over de moties zal morgenmiddag worden gestemd. Ik schors het debat voor een enkel moment, om zo meteen door te gaan met het tweeminutendebat Mijnbouw/Groningen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mijnbouw/Groningen

Mijnbouw/Groningen

Aan de orde is het tweeminutendebat Mijnbouw/Groningen (CD 02/06).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Mijnbouw/Groningen. Ik heet de staatssecretaris Mijnbouw van harte welkom. Ik wil de Kamerleden vragen om het zo kort mogelijk te houden, dus om hun moties in te dienen en zo mogelijk een of twee vragen te stellen aan de staatssecretaris. Ik hoop het aantal interrupties ook te beperken. Ik vraag ook de staatssecretaris vast om beknopt antwoord te geven op de vragen en om beknopt zijn appreciatie van de moties te geven. Waar het niet nodig is, bijvoorbeeld bij "oordeel Kamer", hoeft wat mij betreft geen uitgebreide uitleg te komen.

Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Beckerman. Zij spreekt namens de fractie van de SP.

Mevrouw Beckerman (SP):
Goedemiddag, voorzitter. Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veel gedupeerde Groningers nog steeds vastlopen in het bureaucratisch moeras dat de compensatie van de gevolgen van mijnbouw is geworden;

constaterende dat een overzicht van alle regelingen, batches, groepen, aanpakken, subsidies, commissies, enzovoorts, enzovoorts ontbreekt;

constaterende dat het Groninger Gasberaad in 2020 met Boudel op rieg wel een stand van zaken presenteerde;

verzoekt de regering een totaaloverzicht van de huidige stand van zaken te maken inclusief alle verschillende regelingen, subsidies, enzovoorts, inzicht te geven in wie wel en niet in aanmerking komt en of deze naar behoren werken, wat er per regeling is uitgegeven en welk deel daarvan apparaatskosten zijn;

verzoekt de regering voorts voorstellen te doen ter verbetering en versnelling, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Nijboer.

Zij krijgt nr. 1045 (33529).

Mevrouw Beckerman (SP):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat SodM in een ongevraagd advies aan de staatssecretaris heeft geconcludeerd dat het overlaadstation aardgascondensaat in Roodeschool niet veilig genoeg is en heeft geadviseerd het te verplaatsen;

constaterende dat de staatssecretaris, net als zijn voorganger, voorstander is van de verplaatsing, maar het hiermee nog niet geregeld is;

voorts constaterende dat omwonenden hoopvol zijn, maar zeggen "eerst zien dan geloven";

spreekt uit dat het overlaadstation aardgascondensaat in Roodeschool verplaatst moet worden;

verzoekt de regering alle noodzakelijke stappen hiervoor te zetten, en de Kamer direct na het zomerreces te informeren over de stand van zaken alsmede de eventuele financiële gevolgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Nijboer.

Zij krijgt nr. 1046 (33529).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de gasopslag bij Grijpskerk extra ingezet zal gaan worden;

constaterende dat omwonenden, waarvan velen al schade hebben, zich grote zorgen maken over de gevolgen;

verzoekt de regering dit najaar de noodzakelijke wetswijzigingen te presenteren om het bewijsvermoeden van toepassing te laten zijn en te zorgen dat dit door het IMG correct wordt toegepast;

verzoekt de regering voorts te zorgen voor een MER van de gasopslag en met omwonenden in gesprek te gaan over de door hen gewenste (frequente) metingen, zoals bodemdalingmetingen aan de randen van het veld, drukmetingen en tiltmetingen, en de Kamer daarover te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Nijboer.

Zij krijgt nr. 1047 (33529).

Mevrouw Beckerman (SP):
En de laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat vorig jaar april werd aangekondigd dat er een regeling zou komen voor ondernemers met waardedaling door de gevolgen van mijnbouw;

constaterende dat deze regeling nu weer stilligt, waardoor gedupeerden nog langer moeten wachten;

constaterende dat dit de zoveelste compensatieregeling is waarbij vertraging optreedt;

verzoekt de regering met het IMG in gesprek te gaan en te zorgen dat er nog dit jaar een goede regeling start, en de Kamer daarover voor de begrotingsbehandeling te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Nijboer.

Zij krijgt nr. 1048 (33529).

Dank u wel, mevrouw Beckerman; u kunt weer rustig ademhalen. Voor het geval het te snel ging: u kunt straks alles nog even op uw gemak nalezen.

Dan geef ik als tweede spreker van de zijde van de Kamer het woord aan mevrouw Agnes Mulder. Zij spreekt namens het CDA.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Dan is mijn bijdrage ineens heel kort.

Voorzitter. Van de bewoners rond de gasopslag van Norg hebben wij een terugkoppeling gekregen over lopende rechtszaken en zorgen over de hoogte van de vergoeding voor schade daar. Die zorgen betreffen de finale kwijting en de uitgangspunten waarop die gebaseerd is. Want de situatie bij de gasopslagen is natuurlijk niet een-op-een gelijk aan die van het Groningenveld. Het werkt dan ook niet om aardbevingen als uitgangspunt te nemen. De inwoners krijgen schade omdat de bodem gevuld wordt, leeggetrokken wordt en weer gevuld wordt. De bodem gaat letterlijk omlaag en omhoog. Dat kan voor mijnbouwschade zorgen. Het CDA wil dat die schade op een redelijke manier wordt vergoed. Kan de staatssecretaris reageren op deze zorgen? Kan hij hierop ingaan in zijn brief over onder andere de onuitlegbare verschillen, die aan het eind van de zomer toch al naar de Kamer komt?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Mulder. De derde spreker van de Kamer zou de heer Van Haga zijn, maar die is er niet. Mocht hij zich straks nog melden … Sorry, ik kijk verkeerd. De heer Van Haga is de derde spreker. Hij spreekt namens de Groep Van Haga; dat moet ik erbij zeggen.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter. Laat ik vooropstellen dat ik er ontzettend blij mee ben dat de staatssecretaris afgelopen donderdag heeft aangegeven dat we binnenkort de uitkomsten kunnen verwachten van technisch onderzoek naar waterinjectie en stikstofinjectie in het Groninger gasveld, waarvoor dank. Wij zijn ervan overtuigd dat we kunnen doorproduceren als we de druk in het veld op peil houden.

Voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat besloten is om, vanwege de seismische activiteit, de gasproductie van het Groninger gasveld te stoppen;

overwegende dat het strategisch verantwoord is om de installaties niet af te breken maar te blijven onderhouden;

overwegende dat de oorlog in Oekraïne heeft geleid tot een andere situatie op de gasmarkt;

verzoekt de regering minimaal een waakvlamscenario na te streven waarbij er genoeg gas geproduceerd wordt om de installaties en de infrastructuur in stand te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Haga en Smolders.

Zij krijgt nr. 1049 (33529).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de staatssecretaris Mijnbouw aangeeft dat alleen in het uiterste geval er extra gas gewonnen gaat worden uit het Groningenveld;

overwegende dat dit betekent dat in potentie vele bedrijven afgesloten kunnen worden;

overwegende dat dit voor een enorme economische schade kan zorgen;

verzoekt de regering extra gas te winnen uit het Groningenveld als blijkt dat bedrijven zonder extra gaswinning afgesloten dienen te worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Haga en Smolders.

Zij krijgt nr. 1050 (33529).

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Haga. Dan geef ik het woord aan mevrouw Kröger van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Twee moties en twee vragen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er afspraken zullen worden gemaakt over een afbouwpad van fossiele energiewinning;

overwegende dat tijdelijke winningscontracten een fossiele lock-in voorkomen;

overwegende dat tijdelijke winningscontracten ook de kans op eventuele toekomstige schadeclaims voorkomen;

verzoekt de regering het vergunningensysteem binnen de Mijnbouwwet zo aan te passen dat er slechts tijdelijke winningsvergunningen worden uitgegeven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1051 (33529).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er gesprekken komen met de sector over een transitieplan van fossiele energiewinning;

constaterende dat winning van fossiele energie tot 2050 niet in lijn is met het Akkoord van Parijs;

verzoekt de regering een wetenschappelijk onderbouwd afbouwpad voor fossiele winning vast te stellen voor bestaande en eventuele nieuwe vergunningen in lijn met het doel om temperatuurstijging tot 1,5 graden te beperken, en dit voor de begrotingsbehandeling EZK met de Kamer te delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1052 (33529).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Tot slot twee vragen. De eerste vraag is of de staatssecretaris kan toezeggen dat bij nieuwe gaswinning het SodM-advies rond veiligheid leidend is bij vergunningverlening. De tweede vraag gaat over de situatie in Woerden. Er is heel veel onrust over gaswinningsplannen op land. Ik kan me voorstellen dat de staatssecretaris daar wellicht schriftelijk op moet reageren, maar mensen zijn ongelooflijk ongerust.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kröger. Dan geef ik het woord aan de heer Boulakjar van de fractie van D66.

De heer Boulakjar (D66):
Dank u wel, voorzitter. Eén motie, die gaat over het betrekken van en perspectief voor jongeren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in 2019 in Groningen een succesvolle JongerenTop is georganiseerd met als focus perspectief voor Groningse jongeren;

constaterende dat deze JongerenTop mooie initiatieven heeft opgeleverd voor en door jongeren;

overwegende dat de JongerenTop in 2021 niet is doorgegaan vanwege corona en een gebrek aan financiering;

overwegende dat voor de toekomst van Groningen het perspectief en de ideeën van jongeren cruciaal zijn;

verzoekt de regering om de mogelijkheid te onderzoeken om de JongerenTop Groningen uit 2019 in 2023 opvolging te geven en hierover in gesprek te gaan met de organisatoren van de JongerenTop uit 2019,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boulakjar en Paulusma.

Zij krijgt nr. 1053 (33529).

Dank u wel, meneer Boulakjar. De heer Van Wijngaarden ziet af van zijn spreektijd. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris tien minuten nodig heeft voor de beantwoording. Ik schors tot om en nabij 14.50 uur.

De vergadering wordt van 14.41 uur tot 14.50 uur geschorst.

De voorzitter:
Er is iets misgegaan met de nummering van de moties. Tot en met de vierde motie gaat het goed. Dat is de motie-Beckerman/Nijboer, maar vanaf de motie-Van Haga/Smolders moet er één bij worden opgeteld. Dus de motie-Van Haga/Smolders is de vijfde motie, en niet de vierde. Dat gaat zo door tot het einde. Er zijn negen moties ingediend. Als we dat even in het achterhoofd houden, geef ik nu het woord aan de staatssecretaris voor een appreciatie. Ik verzoek hem om zo beknopt mogelijk te zijn en de moties als het even kan in een of twee zinnen te appreciëren. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Vijlbrief:
Voorzitter, dank u wel. De eerste motie, die van mevrouw Beckerman en de heer Nijboer op stuk nr. 1045, over het bureaucratisch moeras, mijnbouwschade en een overzicht van alle regelingen, krijgt oordeel Kamer. Dat zullen we graag doen.

Wat betreft de motie over Roodeschool ondersteun ik de wens van mevrouw Beckerman. Verplaatsing van het overslagstation is wenselijk en nodig. Ik kan het niet afdwingen, maar dat weet zij ook. Ik ben bezig met het aanpassen van de vergunning aan de nieuwe eisen. Alles overziende, dacht ik dat ik de motie-Beckerman/Nijboer op stuk nr. 1046 oordeel Kamer zou kunnen geven.

De motie-Beckerman/Nijboer op stuk nr. 1047 ligt ingewikkeld. Ik ben het met de geest van de motie wel eens, maar een paar dingen die daarin gevraagd worden, kan ik niet doen. Het voorstel gaat in het najaar naar de Raad van State. Gegeven de termijn die daarvoor staat, kan ik dit najaar niet de noodzakelijke wetswijziging aan de Kamer presenteren. Het tweede probleem dat ik heb met het dictum is dat ik sommige dingen heel snel ga doen. Ik ga volgende week al met omwonenden in gesprek, zeg ik tegen mevrouw Beckerman en de heer Nijboer, maar een MER voegt in onze ogen weinig toe aan het proces. Ik vermoedde al dat daar de kneep zat, dus ik houd even mijn mond.

De voorzitter:
Mevrouw Beckerman heeft daar een vraag over.

Mevrouw Beckerman (SP):
Ik wil de motie best aanpassen, maar dan zou ik moeten weten wat er in plaats van "najaar" moet staan. Een MER is eigenlijk een middel hierbij. De bewoners maken zich onder andere zorgen over het affakkelen, maar ook over andere zaken. Daar zouden ze graag meer duidelijkheid over willen hebben. Ik ben best bereid om de motie aan te passen en om het bijvoorbeeld mee te nemen in het gesprek en dan de Kamer te informeren hoe het wordt gedaan. Ik moet dan eigenlijk nog weten wat er in plaats van "najaar" moet staan, maar we vinden het wel heel erg belangrijk dat ernaar gekeken wordt, want omwonenden maken zich niet alleen zorgen over de opslag, maar ook over die kleine velden en over wat er op die locatie verder gebeurt. Ik zoek naar een formulering. Dat zou best kunnen door pas na "in gesprek te gaan" de opties te noemen, en "najaar" te veranderen in een ander moment.

De voorzitter:
De vraag is duidelijk.

Staatssecretaris Vijlbrief:
Volgens mij zijn mevrouw Beckerman en ik het eens over de geest van de laatste alinea. Als daar het woord MER niet staat, maar als daar de inhoud van de MER wordt bedoeld — dus bijvoorbeeld kijken naar de omgeving en naar andere dingen die er gebeuren — is dat geen probleem. De ambtenaren luisteren mee. Misschien willen zij mij zo meteen even appen over het tempo, wanneer het wel zou kunnen.

De voorzitter:
De staatssecretaris komt er misschien nog op terug. Dan past mevrouw Beckerman de motie aan.

Mevrouw Beckerman (SP):
Dat doen wij.

Staatssecretaris Vijlbrief:
De motie op stuk nr. 1048: oordeel Kamer. Ik beschouw deze motie als ondersteuning van mijn beleid. Ik ben doorlopend met het IMG in gesprek en ik ben het ermee eens dat dit zo snel mogelijk moet gebeuren.

Ik ben het eigenlijk nooit eens met de heer Van Haga over de winning op het Groningenveld. Als hij het woord "minimaal" niet noemt in zijn motie op stuk nr. 1049, maar gewoon "een waakvlamscenario na te streven" schrijft, kan ik er oordeel Kamer aan geven. Maar als er "minimaal" staat, dan impliceert dat dat er ook meer kan. Dat is niet de bedoeling.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Minimaal is minimaal, dus dat is het minste wat er kan. Dat impliceert helemaal niet dat er meer kan. Die hoop heb ik natuurlijk wel, maar ik schrap het woord "minimaal", om de staatssecretaris tegemoet te komen.

Staatssecretaris Vijlbrief:
Dan geef ik de motie oordeel Kamer, om de heer Van Haga tegemoet te komen. Verder is het natuurlijk volledig aan de Kamer wat zij met deze motie doet.

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 1050, vermoed ik.

De voorzitter:
Dat klopt.

Staatssecretaris Vijlbrief:
Die ga ik ontraden. Daar is geen toelichting bij; dat lijkt mij niet nodig.

Dat geldt niet voor de motie op stuk nr. 1051 van mevrouw Kröger waarin de regering wordt verzocht het vergunningensysteem zo aan te passen dat vergunningen tijdelijk worden verleend. Ja, vergunningen in de Mijnbouwwet worden voor bepaalde tijd verleend, maar ik denk dat de geest van deze motie is — ik was al van plan om dat in de contourennota op te nemen — dat de termijn waarop vergunningen worden verleend passen bij het afbouwpad. Dan vult mevrouw Kröger de rest zelf wel in van de 1,5 graden.

De voorzitter:
Wat betekent dat voor deze motie?

Staatssecretaris Vijlbrief:
Oordeel Kamer.

Dan de motie van Kröger en Thijssen op stuk nr. 1052. Dit was een lang gesprek in het commissiedebat over de 1,5 graden. De motie verzoekt de regering om een wetenschappelijk onderbouwd afbouwpad. Wat ik heb toegezegd aan de Kamer wil ik doen. Volgens mij is dat ook wat hier staat. Dan is de motie oordeel Kamer. We zijn in het kader van het Noordzeeakkoord bezig om onderzoek te doen hoe je binnen die 1,5 graad kunt blijven en hoe je ervoor zorgt dat je dan wel voldoende gas hebt. Dat is zo ongeveer wat wij met elkaar willen. Ik heb mevrouw Kröger al beloofd dat ik dat onderzoek zal doen. Als ik de motie zo lees — en volgens mij staat dat er — dan is de motie op stuk nr. 1052 ook oordeel Kamer.

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Kröger knikken, dus de motie op stuk nr. 1052 van Kröger en Thijssen krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Vijlbrief:
Dan de motie van de leden Boulakjar en Paulusma over de JongerenTop Groningen. Ik ga graag met hen in gesprek, dus die motie geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1053 van Boulakjar en Paulusma oordeel Kamer. Dan zeg ik dank aan de staatssecretaris ...

Staatssecretaris Vijlbrief:
Nee, ik heb nog een paar vragen, voorzitter.

De voorzitter:
Excuus, u hebt nog een aantal vragen. Ik ben te snel.

Staatssecretaris Vijlbrief:
Ik moet die vragen nog beantwoorden. De simpelste oplossing voor het probleem van de timing in de motie van mevrouw Beckerman en de heer Nijboer is om in dit najaar een niet-noodzakelijke wetswijziging aan de Raad van State aan te bieden. Dan is het opgelost.

Dan had ik nog een paar vragen. Laat ik beginnen met de vraag van mevrouw Mulder over de gasopslag Norg. Dat is een vrij technische vraag, zegt mevrouw Mulder, dus ik heb daar nu niet het afdoende antwoord op. Ik kom daarop terug, hetzij schriftelijk als ik toch de geschillennotitie aan de Kamer aanbied voor het volgende debat direct na het reces, ofwel ik maak daar een aparte brief over.

Dan de vraag die ik het moeilijkst vond omdat die dicht bij mijn eigen hart zit. Dat is de vraag: kan de staatssecretaris toezeggen dat het advies van het SodM leidend is bij gaswinning? Dat kan ik formeel niet toezeggen, want ik heb meerdere adviseurs. Maar mevrouw Kröger moet hebben gezien dat ik in de afgelopen tijd het oordeel van SodM steeds heel zwaar laat wegen. Dat kan ik er wel bij zeggen, maar leidend is volgens mij niet conform de wet. Ik heb meerdere adviseurs. Nou kan mevrouw Kröger wel zeggen "dan verander je de wet maar", maar goed. In de contourennota komt ook dit punt weer terug over hoe we omgaan met de verschillende adviseurs. Voor mij is het veiligheidsaspect belangrijk; dat kan ik wel zeggen. Als ik beoordelingen maak over Groningen, laat ik me wel leiden door het veiligheidsaspect.

De voorzitter:
Mevrouw Kröger heeft daar nog een vraag over.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Kan ik dit interpreteren als: als het SodM een negatief advies geeft over veiligheid, moet hier wel heel erg zwaarwegend en beredeneerd van afgeweken worden, dus dat de bewijslast behoorlijk zwaar de andere kant op ligt?

Staatssecretaris Vijlbrief:
Het eerste klinkt voor mij beter dan het tweede. Het is niet zo dat de bewijslast de andere kant op ligt, maar het is wel zoals het SodM zegt. Kijk naar wat ik zeg rond Groningen. Precies dit zeg ik rond Groningen. Er moet een andere veiligheidsreden zijn om te zeggen dat we Groningen openen, en niet simpelweg iets anders. Het is precies wat u zegt: bij mij is op dat moment het veiligheidsargument leidend. Over Groningen heb ik natuurlijk ook een advies van de Mijnraad liggen. Ik kan niet van tevoren zeggen dat ik daar geen rekening meer mee ga houden. Het is subtiel, maar dat zei ik al. Dan de andere vraag van mevrouw Kröger, die op een andere manier dicht bij mijn hart ligt. Dat is namelijk een vraag over Woerden, en ik woon niet ver van Woerden af. Ik zal me er ook eens in gaan verdiepen wat ik daar toch allemaal weer van plan ben. Maar daar krijgt mevrouw Kröger een brief over; daar kan ik nu geen antwoord op geven.

De voorzitter:
Er was nog één ding. Bij de motie op stuk nr. 1047 waren nog open eindjes. Het ging over de MER en over het najaar. De staatssecretaris zei "ik krijg daar nog een appje over", mogelijk van een ambtenaar. Dat suggereert dus dat dat allemaal nu nog beantwoord kan worden. Wil de staatssecretaris daar nu nog op terugkomen of gebeurt dat later?

Staatssecretaris Vijlbrief:
Dat heb ik net gedaan. Maar dat heb ik niet helder gedaan, want u heeft het niet gehoord. Ik zal het nog een keer doen. Als mevrouw Kröger, excuus, ik bedoel mevrouw Beckerman, het zou willen veranderen in "de noodzakelijke wetswijziging aan te bieden aan de Raad van State", dan is het najaar haalbaar. Dan is het dictum geworden "de noodzakelijke wetswijziging aan te bieden aan de Raad van State" in de eerste "verzoekt de regering"-alinea. In de volgende alinea heb ik niet een directe oplossing, behalve dat ik het woord "MER" liever niet wil zien. Dan laat ik dat verder aan de creativiteit. Ik ga geen aparte MER hierover houden, want dan maak ik het proces erg ingewikkeld. Maar ik ga in gesprek met de bewoners. Ik zal die aspecten allemaal meenemen, sterker nog, dat doe ik aanstaande dinsdag al. Ik zal al die aspecten meenemen.

De voorzitter:
Dan was er één vraag van de heer Van Wijngaarden.

De heer Van Wijngaarden (VVD):
Dank, voorzitter, want we hebben haast. Ik wil nog even een onduidelijkheid bij mijn fractie wegnemen ten aanzien van de motie op stuk nr. 1052 van mevrouw Kröger over het vaststellen van het afbouwpad. Daar gaf de staatssecretaris, als ik het goed begrijp, oordeel Kamer aan. En hij zei daar nog iets bij, wat hij misschien nog even kan herhalen, want het was voor ons niet helemaal duidelijk. Aan de ene kant willen we natuurlijk fossiele winning uiteindelijk wel afbouwen, maar tegelijkertijd willen we voorlopig ook onze onafhankelijkheid van bijvoorbeeld Rusland vergroten. Dus hoe verhouden die twee ambities zich tot elkaar, en waarom kwam hij nou tot oordeel Kamer bij deze motie, vraag ik de staatssecretaris.

Staatssecretaris Vijlbrief:
De reden dat ik hier tot oordeel Kamer kom, is dat hier niet staat — het is ook weer subtiel — dat we een wetenschappelijk onderbouwd afbouwpad moeten vaststellen en vervolgens moeten volgen. Er staat alleen maar: stel een wetenschappelijk vastgesteld afbouwpad vast en bereken dat. Ik lees haar — als ik haar verkeerd lees, moet de heer Van Wijngaarden me corrigeren — als: verzoekt de regering een afbouwpad vast te stellen. Maar dat wil niet zeggen dat de regering dat precieze afbouwpad moet volgen. De discussie die ik had met mevrouw Kröger ging over de vraag: meneer de staatssecretaris, past wat u doet qua vergunningverlening nou eigenlijk in de 1,5 graden? Daar kwamen we niet uit in het debat. Ik heb gezegd: ik denk van wel. Mevrouw Kröger zei: ik denk van niet; laten we daar nou wetenschappers naar laten kijken. Zo heb ik deze motie gelezen. Als deze niet zo bedoeld is, maar als "u kunt nooit boven dat pad uitkomen" — dat bedoelt de heer Van Wijngaarden — dan moet ik haar ontraden, want dat weet ik niet. Ik ga eerst dit laten uitrekenen.

De voorzitter:
Ik wil het debat niet opnieuw openen, meneer Van Wijngaarden. De staatssecretaris heeft aangegeven hoe hij het interpreteert.

De heer Van Wijngaarden (VVD):
Dus de staatssecretaris bedoelt het op de manier van "het is niet zo dat we het gaan vaststellen, we brengen het in kaart"?

Staatssecretaris Vijlbrief:
Ja. Het woord "vaststellen" is hier enigszins verwarrend. Maar zo heb ik het gelezen. Anders moet ik haar ontraden, want dan zijn we het niet eens.

De voorzitter:
Nogmaals, we gaan het debat niet heropenen. Ik sta nog één vraag toe, aan mevrouw Beckerman. Ze mag dus nog één vraag stellen, en dan wil ik dit tweeminutendebat echt beëindigen.

Mevrouw Beckerman (SP):
Mijn vraag was simpelweg of het handig is om mijn motie hier en nu te wijzigen, of via de mail, want ik ben er wel al uit.

De voorzitter:
Dat moet via de mail. Dat is het handigst. En dan komt er, als het nodig is, schriftelijk een appreciatie.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. Ik dank de Kamerleden. Ik schors voor een enkel moment, om zo meteen door te gaan met het tweeminutendebat Jeugdbeleid.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Jeugdbeleid

Jeugdbeleid

Aan de orde is het tweeminutendebat Jeugdbeleid (CD 18/05).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Jeugdbeleid. Ik heet de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van harte welkom. Ik heet ook de Kamerleden welkom. Ik heb een verzoek aan de Kamerleden en dadelijk ook aan de staatssecretaris. We hebben 30 tweeminutendebatten in korte tijd, dus ik wil de Kamerleden verzoeken om zo kort mogelijk te zijn, alleen de moties voor te lezen en mogelijk een of twee vragen aan de staatssecretaris te stellen. Ik wil hernieuwde debatten voorkomen. Ik zal de staatssecretaris dadelijk ook vragen om beknopt te reageren op de moties en de gestelde vragen.

Ik geef allereerst het woord aan mevrouw Westerveld. Zij spreekt namens de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Voorzitter. Om tijd te besparen spreek ik ook namens de fractie van de PvdA. Het debat dat wij hadden over het jeugdbeleid ging vooral over de plannen van het kabinet om een eigen bijdrage in te voeren voor jongeren die mentale hulp nodig hebben. Dat doen we nergens in de zorg. Ouders krijgen ook geen rekening op het moment dat hun kind met een gebroken been in het ziekenhuis ligt. Het kabinet is wel van plan om dat in de jeugdzorg te doen. In het debat werd wel duidelijk dat de oppositiepartijen allemaal fel tegen zijn, maar dat ook de coalitiepartijen dit helemaal niet zien zitten. Zij willen dat er eerst een verkenning komt. Maar wij weten allemaal dat die verkenning niets gaat opleveren. Dit is immers al eerder geprobeerd in de ggz. Daar was het ook geen goed idee en dat wordt het in de jeugdzorg ook niet. Daar dien ik zo een motie over in.

Ik heb ook nog een vraag over pleegzorg. In het debat zeiden we al dat het niet goed gaat met de pleegzorg. Inmiddels zijn er weer nieuwe cijfers naar buiten gekomen die ons verhaal bevestigen. Daaruit bleek dat er in 2021 13% minder nieuwe pleegouders bij zijn gekomen. En er was al een tekort. Dat tekort wordt dus alleen maar groter. Mijn vraag hierover aan de staatssecretaris is of hij die urgentie ziet en welke actie hij daarop onderneemt op de korte termijn. Wat gaat hij doen?

Dan mijn motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering 511 miljoen euro wil bezuinigingen op de jeugdzorg;

constaterende dat de regering gaat verkennen of dit mogelijk is door middel van het invoeren van een eigen bijdrage in de jeugdzorg;

overwegende dat het hele veld, van jongeren tot jeugdzorgmedewerkers, ervaringsdeskundigen, de jeugdbranches, cliëntenorganisaties en jeugdwethouders tegen dit plan zijn;

overwegende dat het ook in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, dat zegt dat een kind nimmer noodzakelijke zorg ontzegd mag worden omdat de ouders de eigen bijdrage niet kunnen betalen;

overwegende dat geprobeerd is om een eigen bijdrage in te voeren in de ggz en dat dit zo desastreus uitpakte dat er vanaf werd gezien;

verzoekt de regering om de plannen voor het invoeren van eigen bijdrage in de jeugdzorg te schrappen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Mohandis, Kwint, Den Haan en Sylvana Simons.

Zij krijgt nr. 858 (31839).

Dank u wel, mevrouw Westerveld. Dan geef ik het woord aan de heer Kwint. Hij spreekt namens de SP. Ik wil de Kamerleden toch verzoeken om als het even kan zo beknopt mogelijk te zijn, omdat we een heel klein beetje willen inlopen op de agenda.

De heer Kwint (SP):
Voorzitter. Ik had zeventien punten voorbereid. Maar de argumenten zijn meer dan voldoende gewisseld, dus omwille van de tijd dien ik een motie in over private equity en een motie over de professionele autonomie van de hulpverlener.

Sprinkhaankapitalisten hebben niks te zoeken in de jeugdzorg — wat mij betreft op een heleboel andere plekken ook niet, maar dat gaan we een volgende keer regelen. Voor nu beperk ik me tot de private equity.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de jeugdzorg private-equityfondsen actief zijn die de jeugdzorg een interessant verdienmodel vinden;

overwegende dat die sprinkhaankapitalisten niks te zoeken hebben in de zorg voor onze kwetsbare jeugd;

verzoekt de regering om een verbod op private equity in de binnenkort komende Wet integere bedrijfsvoering zorg op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kwint en Westerveld.

Zij krijgt nr. 859 (31839).

De heer Kwint (SP):
En dan de tweede motie. De behandelduur voor jeugdzorg dreigt ingeperkt te gaan worden door het kabinet. Daaruit spreekt een wantrouwen jegens de professional, want die weet echt wel hoeveel tijd hij nodig heeft om een jongere te helpen. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de Hervormingsagenda Jeugd het voornemen staat om de behandelduur voor jeugdzorg te maximeren;

constaterende dat dit getuigt van wantrouwen in de hulpverlener en dat dit een ernstige inperking van de professionele autonomie is;

verzoekt de regering om niet van bovenaf de professionele autonomie van hulpverleners in te perken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kwint.

Zij krijgt nr. 860 (31839).

De heer Kwint (SP):
Voorzitter. We zijn 52 seconden ingelopen.

De voorzitter:
Dat is heel goed. Dank u wel, meneer Kwint. Dan geef ik het woord aan de heer Raemakers. Hij spreekt namens de fractie van D66.

De heer Raemakers (D66):
Voorzitter, dank u wel. We hebben een goed commissiedebat gehad. We hebben daarin gediscussieerd over die eigen bijdrage. Áls er een eigen bijdrage in de jeugdzorg komt, dan komt die er wat D66 betreft niet voor de hoogcomplexe jeugd-ggz. De staatssecretaris heeft toegezegd dat deze optie ook wordt meegenomen in het onderzoek.

Ik heb één motie. Die gaat over onderwijs in de gesloten jeugdzorg.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 22% van de jongeren in de gesloten jeugdzorg geen onderwijs kreeg, 51% onderwijs op het verkeerde niveau kreeg en 76% vertraging opliep in het onderwijs;

overwegende dat onderwijs een grondrecht is voor jongeren, ook in de gesloten jeugdzorg;

overwegende dat de coronacrisis ons geleerd heeft dat onlineonderwijs een werkend alternatief is als fysiek onderwijs echt niet mogelijk is;

overwegende dat de staatssecretaris in het commissiedebat heeft toegezegd bij aanbieders van gesloten jeugdzorg te gaan vragen of onlineonderwijs niet nu al meer kan worden ingezet;

verzoekt de regering die gesprekken met aanbieders van gesloten jeugdzorg en de daarbij behorende onderwijspartners voor 1 november te voeren en daarbij te verzekeren dat zo veel als mogelijk wordt ingezet op het mogelijk maken van onlineonderwijs voor al die leerlingen waarbij fysiek onderwijs of onderwijs op niveau, gegeven de situatie, geen optie is, en de Kamer daarover te informeren voor het WGO Jeugd van dit najaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raemakers.

Zij krijgt nr. 861 (31839).

De heer Raemakers (D66):
Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Raemakers. Mevrouw Westerveld heeft nog een vraag voor u.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ja, ik heb een vraag. Want ik wil heel goed nadenken over de vraag of wij nou voor of tegen deze motie moeten gaan stemmen. De heer Raemakers kaart terecht een probleem aan, een probleem waar we in de afgelopen jaren heel vaak aandacht voor hebben gevraagd, namelijk dat er in gesloten jeugdzorginstellingen geen passend onderwijsaanbod is. Daar zijn toen ook uitgebreide onderzoeken naar gedaan door de inspectie, enzovoort. De heer Raemakers vraagt nu om onderwijs dan maar te vervangen door onlineonderwijs. Ik heb daar wel een probleem mee, omdat ik vind dat juist deze kinderen, die vaak geen onderwijs op eigen niveau krijgen, baat zouden hebben bij goede leraren daar. Zouden we niet dáárop moeten inzetten? Zou het niet beter zijn als de heer Raemakers deze motie zou intrekken en aan de staatssecretaris zou gaan vragen om te regelen dat de beste leraren in deze instellingen les gaan geven aan deze jongeren?

De heer Raemakers (D66):
Ja, fysiek onderwijs heeft absoluut wel mijn voorkeur. Dat staat ook duidelijk in de motie. Maar soms is fysiek onderwijs echt geen optie. Dat kan bijvoorbeeld doordat er een veiligheidsissue is met de jongere in de gesloten jeugdzorg. Dat kan ook komen doordat het niveau dat de leraar kan bieden niet aansluit bij het niveau dat de leerling graag krijgt. Dan is de allerlaatste optie onlineonderwijs; dat heeft de coronacrisis ons geleerd. Wij vinden dat onlineonderwijs dan in ieder geval overal uitgerold moet zijn. Maar dat staat ook fysiek onderwijs niet in de weg. We moeten ook fysiek onderwijs daar zo veel mogelijk en zo goed mogelijk gaan geven.

De voorzitter:
Mevrouw Westerveld stelt nog één korte vraag. Daarna wil ik door naar de volgende spreker.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik begrijp u, voorzitter, maar dit is wel een fundamenteel punt. Ik ben ook woordvoerder Onderwijs. Ik weet dat de kwaliteit inboet door het geven van onlineonderwijs. Daarom vind ik dat we hier in de Kamer toch met z'n allen het statement moeten maken dat deze kinderen goed fysiek onderwijs verdienen, in plaats van dat we nu naar een alternatief gaan. En natuurlijk is goed fysiek onderwijs mogelijk, op het moment dat die leraren goed beloond worden, op het moment dat hun arbeidsvoorwaarden goed zijn. Dus ik stel de heer Raemakers nog een keer de vraag: zouden we niet dáárop moeten inzetten?

De heer Raemakers (D66):
Daar zouden we zeker op moeten inzetten als dat haalbaar is. Maar ik zie nu gewoon dat heel veel leerlingen dat onderwijs niet krijgen. Ik zei al: 22% van de jongeren kreeg überhaupt geen onderwijs. Dan is voor mij de vraag wat je liever hebt: geen onderwijs of onlineonderwijs? Maar natuurlijk, in een ideale wereld zouden we fysiek onderwijs geven. Fysiek onderwijs is het allerbeste, dus laten we daar ook als volgende stap naartoe werken. En laten we deze staatssecretaris daar ook toe oproepen.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Den Haan. Zij spreekt namens de Fractie Den Haan.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de vijf partijen betrokken bij de Hervormingsagenda Jeugd de richting ondersteunen waarbij de triage bij jeugdhulpvragen wordt versterkt om onjuiste of onnodige verwijzingen zo veel mogelijk te voorkomen en de juiste zorg op de juiste plek te bieden voor de kinderen en gezinnen die dat het hardste nodig hebben;

overwegende dat deze beweging vereist dat er bij huidige samenwerkingen van lokale jeugdteams, huisartsen, jeugdartsen en andere deskundigen, meer ruimte komt voor het inzetten van zwaardere expertise en consultatie aan de voorkant van het proces;

overwegende dat het van belang is dat toegang tot de jeugdhulp via de huisarts, jeugdarts, kinderarts of andere medisch specialisten en gecertificeerde instellingen een belangrijk uitgangspunt blijft;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat in de komende jaren door het hele land lokale teams met voldoende expertise voor hoogwaardige triage worden ingericht, waarbij er bovendien geen belemmeringen zijn om consultatie toe te passen waarbij een beroep kan worden gedaan op aanvullende expertise,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Den Haan en Westerveld.

Zij krijgt nr. 862 (31839).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het voor patiënten binnen de jeugd-ggz van levensbelang kan zijn dat zij de juiste behandeling krijgen en, indien nodig, de juiste vervolgbehandeling;

overwegende dat hulpverleners binnen de jeugd-ggz op dit moment vaak niet weten welke vervolgbehandelingen er beschikbaar en passend zijn voor de patiënt, waardoor patiënten in een uitzichtloze situatie terechtkomen, en voor sommige patiënten zelfs de hulp te laat komt;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de hele integrale keten binnen de jeugd-ggz regionaal inzichtelijk wordt gemaakt, zodat hulpverleners sneller de weg weten te vinden naar passende zorg voor een patiënt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Den Haan en Westerveld.

Zij krijgt nr. 863 (31839).

Dank u wel, mevrouw Den Haan.

Dan geef ik het woord aan de heer Ceder. Hij spreekt namens de fractie van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een paar moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat als een kind niet thuis kan wonen, kleinschalige gezinsvormen, zoals pleegzorg van bekenden en onbekenden, deeltijd pleegzorg en gezinshuizen, te prefereren zijn boven opvang in een instelling;

overwegende dat daarnaast steungezinnen en buurtgezinnen een grote steun zijn voor kwetsbare gezinnen en een uithuisplaatsing kunnen voorkomen;

verzoekt de regering de werving van pleegouders en de ondersteuning van pleeggezinnen te intensiveren, daarbij de functie van het platform pleegzorg.nl mee te nemen, en de inzet van buurt- en steungezinnen te stimuleren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Raemakers.

Zij krijgt nr. 864 (31839).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een jeugdige gebaat is bij hulp en ondersteuning waar de eigen ouders en de sociale omgeving achter staan en een actieve rol in hebben;

constaterende dat jeugdzorgaanbieders en gecertificeerde instellingen op basis van artikel 4.1.2 van de Jeugdwet verplicht zijn om aan te bieden om een familiegroepsplan met de ouders en de jeugdige op te stellen;

verzoekt de regering bij de brancheorganisatie van de jeugdzorg erop aan te dringen dat aanbieders bij het opstellen van een familiegroepsplan aanbieden aan de ouders en de jeugdige het familiegroepsplan een plek te geven in de uitwerking van het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en ook ouders actief op deze mogelijkheid te wijzen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Maeijer.

Zij krijgt nr. 865 (31839).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het onderzoek "consequenties overheveling zorg voor ernstige enkelvoudige dyslexie naar het onderwijs" redeneert vanuit het bestaande stelsel en van daaruit adviseert niet over te gaan tot een volledige overheveling van dyslexiezorg naar het onderwijs;

overwegende dat de principiële keuze om ondersteuning rond dyslexie als onderwijstaak te beschouwen is gemaakt in de aangenomen motie-Peters c.s. (35570-XVI, nr. 60);

overwegende dat het genoemde onderzoek goede handvatten biedt om de overheveling zorgvuldig te realiseren;

verzoekt de regering de randvoorwaarden van het overhevelen van dyslexiezorg naar het onderwijs te identificeren en deze beleidsreactie voor de besluitvorming over de hervormingsagenda aan de Kamer toe te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Peters.

Zij krijgt nr. 866 (31839).

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder.

Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Maeijer. Zij spreekt namens de fractie van de PVV.

Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u, voorzitter. Uit het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd over de kwaliteit van het feitenonderzoek bij uithuisplaatsingen blijkt dat er bij spoeduithuisplaatsingen soms direct wordt gehandeld op aangeven van een derde, zonder dat de raadsonderzoeker of de jeugdbeschermer zelf bekijkt wat de ernst van de situatie is, zoals de richtlijn voorschrijft. Ook worden ouders en kinderen in slechts 60% van de spoeduithuisplaatsingen betrokken bij die beslissing.

Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat er geen spoeduithuisplaatsingen op basis van een melding van een derde plaatsvinden zonder dat de ernst van de situatie is bekeken en er contact is geweest met ouders en kind,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.

Zij krijgt nr. 867 (31839).

Mevrouw Maeijer (PVV):
Omdat wij het belang van het familiegroepsplan onderschrijven, heb ik de motie van de heer Ceder meeondertekend.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Maeijer.

Dan geef ik het woord aan mevrouw Sylvana Simons. Zij spreekt namens de fractie van BIJ1.

Mevrouw Sylvana Simons (BIJ1):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal gelijk ter zake komen. Ik heb namelijk twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat:

  • de Tweede Kamer op 29 november 2021 unaniem een motie heeft aangenomen om een plan voor de afbouw van gesloten jeugdzorg te maken, maar hierin geen datum is vermeld;
  • de voormalige minister van VWS in april 2018 in het actieplan Jeugdzorg al had beloofd dat er per 2021 niet meer gesepareerd zou worden in de gesloten jeugdzorg, maar deze belofte niet is nagekomen;

overwegende dat:

  • experts tijdens het rondetafelgesprek van 7 februari 2022 de noodzaak hebben aangegeven om zo snel mogelijk te stoppen met gesloten jeugdzorg;
  • de schadelijke gevolgen van gesloten jeugdzorg al sinds 2008 op de agenda staan, en de sector sindsdien al de kans heeft gekregen dit af te bouwen;
  • de Jeugdwet nu te veel ruimte biedt voor beperkende maatregelen;
  • zonder harde einddatum het stoppen van gesloten jeugdzorg te vrijblijvend blijft;

verzoekt de minister dit jaar zijn beloofde plan voor de afbouw van de gesloten jeugdzorg af te hebben, waarna de sector maximaal drie jaar krijgt om alternatieven op te bouwen, en de mogelijkheid om een gesloten machtiging af te geven uit de Jeugdwet te schrappen per 1 januari 2025,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Sylvana Simons.

Zij krijgt nr. 868 (31839).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat:

  • uit onderzoek van Het Vergeten Kind blijkt hoe schadelijk de gesloten jeugdzorg is voor jongeren;
  • ervaringsdeskundigen van ExpEx in hun position paper vragen om excuses aan alle jongeren die door nalatigheid van de overheid geen veiligheid en bescherming kregen, maar in een onveilige situatie terechtkwamen;

overwegende dat:

  • het ministerie stelselverantwoordelijk is, en dus ook verantwoordelijk is voor jongeren die beschadigd zijn door de gesloten jeugdzorg en jongeren die civielrechtelijk in de jji's zijn geplaatst;
  • zij de gevolgen hiervan dagelijks ondervinden door het niet hebben kunnen volgen van passend onderwijs, gebrek aan geschikte woonplek en behandeling;

verzoekt de minister excuses aan te bieden aan jongeren die in de gesloten jeugdzorg en jji's zijn opgesloten, en een op maat gemaakt plan tot herstel aan te bieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Sylvana Simons.

Zij krijgt nr. 869 (31839).

Dank u wel, mevrouw Simons. Dan geef ik als laatste spreker van de Kamer het woord aan de heer De Neef. Hij spreekt namens de fractie van de VVD.

De heer De Neef (VVD):
Dank u, voorzitter. Omwille van de tijd dien ik gelijk één motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Nederland verschillende laagdrempelige voorportalen zijn om met jongeren in gesprek te gaan over hun problemen en mogelijke oplossingen, zoals jongereninformatiepunten, onlineplatforms en buurthuizen;

overwegende dat één op de tien jongeren momenteel een vorm van jeugdhulp krijgt, waaronder veel lichte zorg die deels in deze laagdrempelige voorportalen aangeboden wordt;

overwegende dat de jeugdzorg lange wachtlijsten heeft die mede zijn ontstaan door een toenemend beroep op lichte zorg;

verzoekt de regering te onderzoeken welke laagdrempelige inloopvoorzieningen binnen verschillende gemeentes beschikbaar zijn voor jongeren;

verzoekt de regering tevens te onderzoeken of deze beschikbaarheid leidt tot betere maatschappelijke baten en tot minder kosten ten opzichte van de jeugdhulp of andere interventies, en of de inloopvoorzieningen afdoende hulp bieden om verdere doorverwijzing te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Neef.

Zij krijgt nr. 870 (31839).

Dank u wel, meneer De Neef. De staatssecretaris heeft aangegeven ongeveer vijf minuten nodig te hebben.

De vergadering wordt van 15.23 uur tot 15.29 uur geschorst.

De voorzitter:
De staatssecretaris kan nu de moties appreciëren en de vragen die aan hem gesteld zijn, beantwoorden. Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga eerst in op de vraag over de daling van het aantal pleegouders. Dat constateerde mevrouw Westerveld. Ik combineer het met de motie op stuk nr. 864 van de heer Ceder, die daar ook over gaat. Ik zou die motie in ieder geval oordeel Kamer willen geven. Wat doen we dan? We gaan de wervingscampagne die er al is, vernieuwen en opnieuw insteken. We gaan financiële barrières om pleegouder te worden, wegnemen. Dat gaat dus over de vergoedingen. Ten slotte zijn we bezig met het verbeteren van de ondersteuning die pleegouders krijgen, maar dat is iets algemener. Maar concreet gaan we er met de campagne alles aan doen om meer pleegouders te werven.

Voorzitter. Dan ga ik naar de moties.

De voorzitter:
Ja. En de motie op stuk nr. 864 heeft alvast oordeel Kamer gekregen.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Ja, zo is dat. De motie op stuk nr. 858 gaat over de eigen bijdrage. Volgens mij is daar lang over gesproken in het debat. Ik moet de motie ontraden.

Ik snap heel goed waar de motie op stuk nr. 859 over private equity vandaan komt. Tegelijkertijd zet u het allemaal wel heel straf neer in deze motie. Bovendien is ook nog even de vraag hoe we dit precies vorm kunnen geven in de Wibz. Geef me dus even de ruimte om dit goed te onderzoeken. Daarom moet ik deze motie, ook door hoe die nu geformuleerd is, ontraden.

De voorzitter:
De heer Kwint heeft daar nog een vraag over.

De heer Kwint (SP):
Ja. Het verzoek is nou net om het op te nemen in die wet. En als de staatssecretaris zegt "geef me de ruimte", dan ben ik daar natuurlijk, zo redelijk als ik ben, in de basis altijd toe bereid, maar hoe heb ik dan de garantie dat het in die wet terechtkomt?

Staatssecretaris Van Ooijen:
Nou, die garantie heeft u niet, simpelweg omdat we echt even goed moeten kijken hoever we kunnen gaan binnen die wetgeving zonder dat het dermate schuurt met de Europese wetgeving dat het niet meer zou kunnen of mogen. De vraag is ook: hoe kan je het dan vormgeven, zodat het ook daadwerkelijk effectief is? Dus kortom, u zegt hier: verzoekt een verbod op te nemen. De vraag is bijvoorbeeld ook of je via het beperken van de excessieve winstuitkeringen eigenlijk de pas afsnijdt van het private equity. Maar nogmaals, ik snap heel goed wat u zegt. We zijn bezig met die Wibz en we proberen dit daarin mee te nemen, maar ik kan het gewoon niet op deze manier overnemen.

De voorzitter:
Afsluitend de heer Kwint.

De heer Kwint (SP):
Nou ja, excessieve winstuitkeringen, dat helpt nou net juist niet. Dat is nou net een van die dingen bij die private-equityfondsen waarbij de verdienmodellen vaak net even wat anders in elkaar zitten. Nee, ik zie geen andere oplossing dan een wettelijk kader, en hoop dan maar op de steun van de Kamer.

De voorzitter:
Staatssecretaris, heeft u hier een reactie op, of is het gewoon: ontraden?

Staatssecretaris Van Ooijen:
Volgens mij is het ... Nogmaals, en zoals ik ook heb gezegd, ik ga gewoon even goed kijken wat we binnen de wet kunnen.

De voorzitter:
Prima. De motie op stuk nr. 859: ontraden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dan de motie op stuk nr. 860. Die eerste constatering, "dat in de Hervormingsagenda Jeugd het voornemen staat", klopt niet. De Hervormingsagenda Jeugd is er nog niet. Bovendien, dat zou onderdeel kunnen worden van de Hervormingsagenda, maar het is daar niet per definitie onderdeel van. Bovendien ben ik het oneens met de constatering dat het per definitie uitgaat van wantrouwen in de hulpverlener. Dus om die redenen zou ik de motie in ieder geval willen ontraden. En bovendien, als we tot iets overgaan wat de behandelduur inderdaad maximeert, dan doen we dat altijd in samenspraak met de professionals.

De voorzitter:
Dus de derde motie, die op stuk nr. 860: ontraden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 860 wordt ontraden.

Dan de vierde motie, die op stuk nr. 861. Het is inderdaad wel terecht wat mevrouw Westerveld daarover zei, in het kader van het fysieke onderwijs. Maar zoals het hier geformuleerd is, kunnen wij er in ieder geval goed mee uit de voeten, dus zou ik deze motie heel graag oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 861: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dan de vijfde motie ...

De voorzitter:
Mevrouw Westerveld heeft daar nog een vraag over. Nou, een hele korte, want ik wil eigenlijk alleen vragen over de eigen motie, niet over de moties van anderen. Ik sta nu één vraag toe.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ja, voorzitter. Ik heb hier grote problemen mee, want de afgelopen vier jaar hebben we voortdurend bij de minister van Onderwijs en de minister voor Jeugd aangegeven dat dit een probleem was. Ik zou dan deze staatssecretaris willen vragen waarom deze motie oordeel Kamer krijgt in plaats van dat de staatssecretaris hier toezegt: dit is een groot probleem; ik ga er hard aan werken om alle jongeren in jeugdzorginstellingen goed en passend onderwijs te geven.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Ik kom deze week, of misschien uiterlijk volgende week — dat zal ik zo meteen ook tegen mevrouw Simons zeggen als het gaat om haar moties — nog met een brief over de gesloten jeugdzorg. Dan zal ik ook specifiek ingaan op een aantal knelpunten die er nu zijn rondom onderwijs. Want die zijn er daar; daar heeft u helemaal gelijk in. Daar moeten we ook een verandering doorvoeren, die ook past bij de grotere hervorming van de jeugdzorg. Maar dat daar inderdaad soms fysiek onderwijs niet mogelijk is en je in die gevallen tot digitaal onderwijs over zou kunnen gaan, dat is in feite wat deze motie impliceert. En dat is waar wij hier ruimte voor geven.

De voorzitter:
De staatssecretaris ontraadt de vierde motie, die op stuk nr. 861, maar daar komt nog een brief over.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Neenee ...

De voorzitter:
Sorry. Excuus, ik vergis mij helemaal. De vierde motie, die op stuk nr. 861, krijgt oordeel Kamer, en de staatssecretaris komt nog met een brief over de vraag die mevrouw Westerveld heeft gesteld. Nu de vijfde motie.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Nou, ik kom in de brief onder andere terug op de vraag die mevrouw Westerveld heeft gesteld, om het nog even precies te formuleren.

Dan de vijfde motie. Dat is in lijn met wat ik heb gestuurd. En het is een hartstikke goede beweging, dus ik zou die graag oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 862: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De zesde motie, die op stuk nr. 863, lijkt mij toch wel een verzwaring van de bureaucratie, dus ik zou daar echt terughoudend in zijn. Bovendien vind ik het ook iets wat de regio's zelf moeten oppakken, en waar de expertteams en de bovenregionale expertnetwerken primair een rol in hebben, en niet wij van bovenaf. Dus kortom, die zou ik willen ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 863 is ontraden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 864 heb ik al gehad.

Dan de motie op stuk nr. 865 over het familiegroepsplan. Het is ook al in de wet verankerd, dus we kunnen ermee door. Die krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 866 idem dito. De besluitvorming moet natuurlijk nog plaatsvinden, maar met deze randvoorwaarden kunnen we natuurlijk verder op het ingeslagen pad, dus die kan ik ook oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
De moties op stukken nrs. 865 en 866 krijgen oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 867 van mevrouw Maeijer idem dito. Die krijgt wat mij betreft ook oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 867 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dan heb ik nog de motie op stuk nr. 868. Ik heb al gezegd dat ik uiterlijk deze week — ik ga ervan uit dat het gaat lukken — met een brief kom over de aanpak van de gesloten jeugdzorg. Dat is dus al eerder dan voor het einde van het jaar, zou ik willen zeggen. Dat heb ik eerder ook beloofd, dus ik kom die belofte ook na. Dan kunt u wegen wat u van het plan vindt en van de brief zoals ik die dan neerleg. Maar die wijkt op een aantal punten wel iets of meer af van wat u in deze motie zegt, dus deze motie ga ik ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 869. Volgens mij is daar uitgebreid over gesproken, of in ieder geval bij stilgestaan tijdens het debat. Dus onder verwijzing naar het debat zou ik die willen ontraden.

De voorzitter:
De moties op stukken nrs. 868 en 869 zijn ontraden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dan de motie op stuk nr. 870. Volgens mij is het zelfs al fors meer dan een op de tien. Volgens mij zitten we ondertussen op een op de acht of een op de zeven, maar desalniettemin is het zeer terecht wat u aankaart. Die motie zou ik dan ook graag oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 870 krijgt oordeel Kamer. Dan dank ik de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik dank de Kamerleden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Morgen, 7 juli, zullen we over deze moties stemmen. Ik schors voor een enkel moment, om daarna door te gaan naar het tweeminutendebat Medische preventie / Verslavingszorg / Drugspreventie. Dat is ook met de staatssecretaris, dus die zien we zo meteen weer.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Medische preventie / Verslavingszorg / Drugspreventie

Medische preventie / Verslavingszorg / Drugspreventie

Aan de orde is het tweeminutendebat Medische preventie / Verslavingszorg / Drugspreventie (CD 07/06).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Medische preventie / Verslavingszorg / Drugspreventie. Ik heet welkom de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik heet de Kamerleden welkom. Ik vraag de Kamerleden om beknopt te zijn in hun inbreng. We hebben 30 tweeminutendebatten vandaag en morgen. Waar het kan, zou ik hun willen vragen om zich te beperken tot het indienen van de moties en het stellen van een of meer vragen aan de staatssecretaris. Ik verzoek de staatssecretaris ook om dadelijk beknopt te antwoorden op de gestelde vragen en een korte appreciatie van de moties te geven. Dan wil ik als eerste het woord geven aan de heer Mohandis. Hij spreekt namens de fractie van de PvdA.

De heer Mohandis (PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Tijdens het commissiedebat over medische preventie is er onder andere gesproken over het rotavaccin. Er ligt een amendement, dat ontraden is, om het z.s.m. te regelen. Nu ligt hier een motie om de staatssecretaris iets meer ruimte te geven. We zijn heel benieuwd hoe deze motie gaat landen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er gemiddeld 3.600 jonge kinderen per jaar worden opgenomen in het ziekenhuis vanwege een rotavirusinfectie en enkelen zelfs overlijden;

constaterende dat het rotavaccin dit leed kan voorkomen;

constaterende dat de Gezondheidsraad adviseert om het rotavaccin in het Rijksvaccinatieprogramma op te nemen, en het kabinet dit advies niet opvolgt;

van mening dat het onwenselijk is dat dit vaccin nu alleen toegankelijk is voor ouders die het zich kunnen veroorloven;

verzoekt de regering om het advies van de Gezondheidsraad op te volgen en in september met een plan van aanpak te komen over hoe het rotavaccin vanaf 2023 daadwerkelijk in het Rijksvaccinatieprogramma kan worden opgenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mohandis.

Zij krijgt nr. 617 (32793).

De heer Mohandis (PvdA):
We hebben het ook gehad over het proefbevolkingsonderzoek, afgekort als CEM. Ook hierover heb ik een motie, gezien een eerdere Kamermotie die wij in 2021 hebben ingediend.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bij vrouwen met zeer dicht borstweefsel op een mammografie borstkanker vaker gemist wordt en dat een mammografie met contrastvloeistof (CEM) voor deze vrouwen een goed alternatief kan zijn;

constaterende dat het proefbevolkingsonderzoek CEM nog niet is opgestart, omdat ZonMw onvoldoende onderzoeksbudget beschikbaar heeft gesteld bij de subsidieoproep;

constaterende dat er sinds sluiting van de subsidieoproep op 8 maart 2022 nog geen herziening van de oproep heeft plaatsgevonden en de minister hier pas in 2023 op wil terugkomen;

van mening dat CEM zo snel mogelijk aan vrouwen met zeer dicht borstweefsel moet worden aangeboden;

verzoekt de regering om CEM zo snel mogelijk aan te bieden, en de Kamer voor het eind van het jaar hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mohandis en Westerveld.

Zij krijgt nr. 618 (32793).

Dank u wel, meneer Mohandis. Dan geef ik als volgende spreker het woord aan mevrouw Den Haan. Zij spreekt namens de Fractie Den Haan.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het gemiddeld negen jaar duurt vanaf het moment dat EMA een vaccin goedkeurt voordat het in Nederland toegankelijk is voor de burger, onder meer doordat het gemiddeld zes jaar duurt voordat een vaccin op de werkagenda van de Gezondheidsraad terechtkomt;

overwegende dat al in 2019 de motie van de leden Veldman en Renkema werd aangenomen waarin zij de regering vragen om een wettelijke regeling die erin voorziet dat geregistreerde vaccins direct worden voorzien van een advies;

constaterende dat in het advies "Het vaccinatiestelsel in Nederland nader verkend" van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving waar de voormalig staatssecretaris de uitvoering van deze motie bij betrok, geen spoor meer is te vinden van eerdergenoemde motie of de uitvoering daarvan;

verzoekt de regering zo spoedig mogelijk in overleg met veldpartijen tot voorstellen te komen die de doorlooptijd voor vaccins van EMA-goedkeuring tot inzet in de praktijk in Nederland drastisch omlaag brengt, waaronder het uitvoeren van de motie-Veldman/Renkema,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Den Haan en Rudmer Heerema.

Zij krijgt nr. 619 (32793).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat beroertes in de top tien van de duurste ziektes staan in Nederland en dat de zorgkosten als gevolg van beroertes worden geschat op 1,7 miljard euro;

constaterende dat het krijgen van een beroerte veel leed met zich meebrengt;

overwegende dat door preventieve opsporing veel beroertes voorkomen kunnen worden;

verzoekt de regering om in gesprek te gaan met huisartsen, medisch specialisten, trombosediensten, patiënten, verzekeraars en leefstijladviseurs over hoe beter ingezet kan worden op preventieve opsporing van beroertes, en de Kamer te informeren over de concrete vervolgstappen die voortkomen uit die gesprekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Den Haan en Kuzu.

Zij krijgt nr. 620 (32793).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gemiddeld een op de vier tot vijf patiënten in ziekenhuizen, zorginstellingen en de thuiszorg is ondervoed;

overwegende dat ondervoeding bij patiënten vaak niet wordt opgemerkt, waardoor herstel langzamer gaat en het risico op vallen toeneemt;

verzoekt de regering in gesprek te gaan met de verschillende beroepsgroepen en ervoor zorg te dragen dat de screening op en dieetbehandeling van ziektegerelateerde ondervoeding onderdeel wordt van de intakegesprekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Den Haan en Kuzu.

Zij krijgt nr. 621 (32793).

Dank u wel, mevrouw Den Haan. Dan geef ik nu het woord aan de heer Kuzu. Hij spreekt namens de fractie van DENK.

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter. Mijn fractie vindt dat er in Nederland te veel softdrugs worden geconsumeerd. Tijdens de coronaperiode zagen we dat heel duidelijk: lange wachtrijen voor de coffeeshops. En daar moet wat aan gedaan worden. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens de Nationale Drug Monitor 2021 het aantal mensen dat "in het afgelopen jaar" geblowd heeft tussen 2016 en 2020 is gestegen;

constaterende dat over de verkoop van cannabis geen omzetbelasting wordt geheven vanwege EU-jurisprudentie, evenals dat er geen accijns wordt geheven op softdrugs;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe via belastingen en heffingen het gebruik van softdrugs kan worden ontmoedigd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu en Den Haan.

Zij krijgt nr. 622 (32793).

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter. De tweede motie handelt over de rookvrije generatie. Dat is op dit moment een belangrijke inzet van het kabinet, maar om daadwerkelijk een rookvrije generatie te creëren verwijs ik naar het voorbeeld van Nieuw-Zeeland.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in Nieuw-Zeeland met succes een wet is aangenomen, die het voor iedereen die in 2008 of later is geboren verbiedt om tabaksproducten te kopen;

overwegende dat met een dergelijke wet geen enkele sigaret wordt afgepakt van reeds rokende burgers en in plaats daarvan wordt gezorgd dat de volgende generatie de sigaret gewoonweg nooit krijgt;

overwegende dat hiermee daadwerkelijk het begin wordt ingezet van een rookvrije generatie;

verzoekt de regering om, naar het voorbeeld van Nieuw-Zeeland, wetgeving voor te bereiden die het voor iedereen die in 2010 of later is geboren verbiedt om tabaksproducten te kopen vanaf het moment dat zij 18 jaar zijn geworden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu, Den Haan en Mohandis.

Zij krijgt nr. 623 (32793).

De heer Kuzu (DENK):
Ik zou de staatssecretaris willen meegeven om niet alleen naar het jaar 2010 te kijken. Het jaar kunnen we aanpassen. Maar het idee om een rookvrije generatie te creëren door middel van een verbod op roken voor een nieuwe generatie, is het voorstel dat op tafel ligt.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kuzu. Dan geef ik het woord aan mevrouw Bikker. Zij spreekt namens de fractie van de ChristenUnie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Omwille van uw kerstregime, dat vroeg valt dit jaar, lees ik alleen de motie voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de vorig jaar aangenomen motie-Bikker c.s. de regering verzocht onderzoek te laten doen via welke kanalen jonge mensen aan synthetische drugs komen en met preventieve voorstellen te komen om dit aanbod en daarmee het gebruik van deze drugs terug te dringen;

overwegende dat de uitvoering van deze motie blijkens de brief van 6 juli vooral zo is opgevat dat bekeken is wat al mogelijk is;

voorts overwegende dat hieruit blijkt dat er veel handelingsverlegenheid is en dat een maatregelenpakket om het aanbod en daarmee het gebruik van deze onveilige drugs terug te dringen, zeker onder minderjarigen, nodig is;

verzoekt de regering alsnog samen met politie en verslavingszorg uitvoering te geven aan de aangenomen motie, onderzoek te laten doen welke aanvullende maatregelen preventief kunnen bijdragen en daaropvolgend met een maatregelenpakket te komen om het aanbod en daarmee het gebruik van synthetische drugs terug te dringen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Slootweg en Mohandis.

Zij krijgt nr. 624 (32793).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bikker. U hebt gelijk: kerst valt inderdaad vroeg dit jaar. Dan geef ik het woord aan de heer Rudmer Heerema. Hij spreekt namens de fractie van de VVD.

De heer Rudmer Heerema (VVD):
Voorzitter. Van mijn kant geen moties. Ik heb alleen een vraag aan de staatssecretaris; dat scheelt ook weer in de stemmingslijst. We hebben in het commissiedebat gesproken over longkanker. We zien dat er bevolkingsonderzoeken plaatsvinden naar borstkanker, darmkanker en baarmoederhalskanker. Longkanker is een vorm van kanker die drie keer zoveel doden veroorzaakt als deze drie genoemde kankers bij elkaar, maar daar doen we geen bevolkingsonderzoek naar. Mijn vraag aan de staatssecretaris is welke ruimte hij ziet om bevolkingsonderzoek op het gebied van longkanker te kunnen faciliteren. Wat zijn zijn argumenten om het niet te doen?

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Heerema. Dan geef ik het woord aan de heer Slootweg. Hij spreekt namens de fractie van het CDA.

De heer Slootweg (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is een goed debat geweest. Het was hier en daar ook een pittig debat. Dat leidde bij ons toch wel tot wat vragen over hoe het nu precies zit met gezondheidswinst, rekenmodellen en vaccinaties. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland momenteel een van de weinige landen is dat vanuit het Rijksvaccinatieprogramma een vaccin aanbiedt dat slechts bescherming biedt tegen twee typen humaan papillomavirus (HPV);

constaterende dat de meeste andere landen in hun vaccinatieprogramma's kiezen voor vaccins die bescherming bieden tegen vier of negen typen HPV;

overwegende dat er aanwijsbaar meer gezondheidswinst geboekt wordt, waaronder bescherming tegen enkele vormen van kanker, door de inzet van deze polyvalente HPV-vaccins;

constaterende dat in 2024 een nieuwe aanbesteding start voor HPV-vaccins;

verzoekt de regering om in de nieuwe aanbesteding bij het RIVM aandacht te vragen voor maximale gezondheidswinst en de mogelijke rol daarbij van polyvalente HPV-vaccins,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Slootweg.

Zij krijgt nr. 625 (32793).

De heer Slootweg (CDA):
Het tweede deel van de discussie ging over drugspreventie. Vandaar de volgende motie, die ik samen met mevrouw Bikker indien.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Utrechtse studentenverenigingen de noodbel hebben geluid over de normalisering van het drugsgebruik onder hun leden;

overwegende dat deze verenigingen geholpen worden wanneer al aan de keukentafel gesprekken plaatsvinden tussen ouders en jongeren over de schadelijke gezondheidseffecten van drugsgebruik;

verzoekt de regering om in overleg met verslavingszorg de voorlichting ook te richten op ouders, zodat ze handvatten hebben om hun kinderen beter te beschermen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Slootweg en Bikker.

Zij krijgt nr. 626 (32793).

Dank u wel, meneer Slootweg. Dan geef ik als laatste spreker van de Kamer het woord aan mevrouw Agema. Zij spreekt namens de PVV.

Mevrouw Agema (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik probeer al een paar jaar aandacht te vragen voor de bestrijding van de teek. Dat lukt niet goed. Daarom ga ik daar nu voor de eerste keer een motie over indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering in een landelijke tekenaanpak de bestrijding van de teek via vogels die ze graag eten en schimmels waar ze niet tegen kunnen, uit te breiden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Agema.

Zij krijgt nr. 627 (32793).

Kort maar krachtig. Dank u wel, mevrouw Agema. De staatssecretaris heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben, dus ik schors de vergadering voor tien minuten. Dat betekent dat we iets over 16.00 uur verdergaan.

De vergadering wordt van 15.51 uur tot 15.58 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de appreciatie van de moties en de beantwoording van de vragen die zijn gesteld. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één vraag gehad, van de heer Heerema, over een bevolkingsonderzoek naar longkanker en de screening daarvoor. Daar is op 8 juli 2020 door mijn voorganger, de heer Blokhuis, een brief over gestuurd. Daarin is aangegeven dat het niet zo logisch is om dit te doen, omdat de uitsnede nogal moeilijk te bepalen is. Ik verwijs u, ook vanwege de tijd, even naar de brief waarin dit uitgebreider is onderbouwd.

Dan ga ik naar de moties. De motie op stuk nr. 617 gaat over het rotavirus. Ik heb de Kamer uitstekend gehoord, ook in het debat. Volgens mij is er ook een stevige toezegging naar voren gekomen. Ik heb aangegeven dat ik ga kijken of het haalbaar is en wat er haalbaar is. Ik kom daar voor de begrotingsbehandeling op terug. Ik kijk dan ook nog, zoals de fractie van D66 had aangegeven, naar wat er te behalen is door goedkopere vaccins. Uiteraard zal er dan altijd een dekkingsvraagstuk overblijven. Ik zal dus nog eens elke steen omdraaien om te kijken of er een mogelijkheid is. Het is dus niet volledig in lijn met de motie zoals die hier voorligt en daarom moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 617 wordt ontraden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dan de motie op stuk nr. 618, over het proefbevolkingsonderzoek CEM. De minister is hiervoor verantwoordelijk. CEM is inderdaad veelbelovend. De minister wil graag aan de slag met het bevolkingsonderzoek, maar we moeten wel kijken of het financieel allemaal rond is. De motie kan in ieder geval uitstekend door, dus ik zou zeggen: oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 618 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 619 is in lijn met de stelselaanpak, met het vaccinatiestelsel, waarover ik afgelopen week informatie naar de Kamer heb gestuurd, dus die motie kan oordeel Kamer krijgen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 619 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 620 gaat over beroertepreventie. Daar is eerder een motie over aangenomen. Dat gesprek is ook gevoerd met de sector. Wij constateren nog steeds dat hier een professionele verantwoordelijkheid ligt. Daarom moet ik deze verdergaande motie ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 620 wordt ontraden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 621 …

De voorzitter:
Mevrouw Den Haan heeft daar nog een vraag over.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Ik begrijp dat er een gesprek is geweest met de vereniging voor cardiologen, maar dat dat niet specifiek over dit onderwerp is gegaan.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dat gaan we dan nog ophelderen; dat kan ik mee terugnemen.

De motie op stuk nr. 620 hadden we gehad. Dan de motie op stuk nr. 621, over ondervoeding. We bekijken dit heel goed. Het is een terecht punt dat mevrouw Den Haan hier aanstipt. Wij doen dat met name via de landelijke stuurgroep die hiervoor is ingericht. Dat is net even anders dan hoe het in de motie geformuleerd is. Daarom moet ik ook deze motie ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 622. Dat is nog steeds de illegale markt en over illegale producten worden uiteraard geen belastingen geheven, dus ontraden.

De motie op stuk nr. 623 gaat over een interessant model. Dat volgen we ook uitstekend. In de brief over de verdere tabaksmaatregelen kom ik terug op dit model. Daarmee ontraad ik ook deze motie.

De voorzitter:
De heer Kuzu heeft daar nog een vraag over.

De heer Kuzu (DENK):
De staatssecretaris weet dat er coffeeshops bestaan in Nederland.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Is dat zo?

De heer Kuzu (DENK):
Ja, misschien is het verrassend voor hem, maar die bestaan wel. Op de producten die daar worden verkocht, wordt geen accijns of omzetbelasting geheven. Het enige wat betaald wordt, is inkomstenbelasting, waardoor het gebruik voor consumenten binnen handbereik is. Het is gewoon goedkope stuff die je kan kopen. Waarom is de staatssecretaris er dan op tegen om te onderzoeken hoe je via de aanscherping van belastingen en heffingen het gebruik verder kan ontmoedigen? Want dezelfde staatssecretaris wil een pakje sigaretten €40 maken.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Omdat het een illegaal product is dat gedoogd wordt, maar nog steeds een illegaal product is.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 622 wordt ontraden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 624 zou ik graag samen met de minister van Justitie en Veiligheid verder willen oppakken. Daarmee zou ik hem graag oordeel Kamer willen geven.

Over de motie op stuk nr. 625 hebben we het ook in het debat natuurlijk uitgebreid gehad. Volgens mij is het goed om dit mee te wegen in de volgende aanbestedingsronde. Daarmee zou ik hem oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
De moties op stukken nrs. 624 en 625 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
De motie op stuk nr. 626 idem dito. Volgens mij heel terecht dat we hiermee aan de slag gaan, dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 627 neem ik mee in een brief na de zomer waarin wij dit ook meenemen, dus ik zou zeggen dat deze motie dan overbodig is.

De voorzitter:
Betekent dit dat u zegt dat de motie is overgenomen, of moet zij worden aangehouden?

Staatssecretaris Van Ooijen:
Ik neem de tekenaanpak en de bestrijding ervan na de zomer in een brief mee, en of dat dan uiteindelijk uitmondt in een landelijke tekenaanpak met allerlei vogels weet ik nog niet. In ieder geval kom ik op de tekenaanpak in de zomer terug, en daarmee zou ik zeggen dat deze motie overbodig is.

De voorzitter:
Ja, maar de vraag is: is de motie daarmee ontraden?

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dan ontraad ik de motie.

Mevrouw Agema (PVV):
Dit is nou zo ontzettend flauw, want hier hebben we het ook in onze strategische procedurevergadering over gehad. Als bij mijn collega's een motie ondersteuning van beleid is en overbodig is, dan is het oordeel Kamer, maar bij mij is het dan ontraden. Dus alstublieft, doe niet zo flauw. Bij de anderen is het als het ondersteuning van beleid is ook oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Ja, maar daar zit helemaal niks flauws achter, eerlijk gezegd. Ik wil er wat ruimte in hebben hoe we de tekenaanpak vormgeven in die brief na de zomer. Daarom ontraad ik de motie omdat we de tekenaanpak zelf meenemen na de zomer. Volgens mij maken we hier een punt dat niet nodig is.

De voorzitter:
Ik geef mevrouw Agema nog één mogelijkheid om hierop te reageren.

Mevrouw Agema (PVV):
Ja, maar de staatssecretaris kan de motie prima zo lezen. Dan zegt hij "gehoord de beraadslaging" en zeg ik "neem het mee, oordeel Kamer".

Staatssecretaris Van Ooijen:
Ik heb hier volgens mij mijn opvatting over gegeven.

De voorzitter:
Dan blijft het oordeel over motie op stuk nr. 627 ontraden. Ik sluit hiermee dit tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ik dank de Kamerleden. Over de moties zal morgen, op 7 juli, worden gestemd. Dan schors ik de vergadering voor een enkel moment en gaan we zo meteen verder met het volgende tweeminutendebat met dezelfde staatssecretaris. Dat zal zijn het tweeminutendebat Onderzoek veiligheidsbeleving onder jongeren in jeugdzorg met verblijf.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Onderzoek veiligheidsbeleving onder jongeren in jeugdzorg met verblijf

Onderzoek veiligheidsbeleving onder jongeren in jeugdzorg met verblijf

Aan de orde is het tweeminutendebat Onderzoek veiligheidsbeleving onder jongeren in jeugdzorg met verblijf (31015, nr. 258).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Onderzoek veiligheidsbeleving onder jongeren in jeugdzorg met verblijf. Ik heet de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opnieuw welkom, evenals de Kamerleden. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Westerveld. We kennen intussen de spelregels: als het kan zo kort mogelijk. Dat geldt ook voor de staatssecretaris. Mevrouw Westerveld spreekt namens de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
En namens de PvdA.

Voorzitter. Jongeren in jeugdzorginstellingen moeten veilig zijn. Dat vinden we allemaal, maar we weten dat in de praktijk niet elke jongere veilig is. Dat horen we uit hun verhalen, maar dat blijkt ook uit de dikke rapporten van onder meer de commissie-De Winter en de commissie-Samson. Deze beide commissies deden ook de aanbeveling om in de toekomst herhalend prevalentieonderzoek te doen naar seksueel misbruik en naar vormen van geweld in jeugdzorginstellingen. Helaas kunnen we constateren dat deze aanbevelingen niet zijn opgevolgd. Ik vind daar iets van, helemaal omdat er vorige week een rapport uitkwam van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld. Die deed onderzoek naar wat er nou eigenlijk is gebeurd met de aanbevelingen van deze commissies. Uit dat rapport bleek dat de overheid vaak veel te weinig doet met die aanbevelingen, maar ook dat er onvoldoende gebeurt om jongeren te beschermen tegen seksueel geweld.

Nu is er wel een onderzoek gedaan, maar dat is geen prevalentieonderzoek. Er zijn veel te weinig respondenten voor. De onderzoekers zelf, maar ook de staatssecretaris, zeggen dat dit onderzoek te mager is om er conclusies uit te trekken. Daarom dien ik daarover een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een van de aanbevelingen van commissie-De Winter was om onderzoek te doen naar de prevalentie van geweld in de huidige jeugdzorg;

constaterende dat er naar aanleiding van deze aanbeveling een onderzoek is gedaan naar de veiligheidsbeleving van jongeren in jeugdzorg met verblijf;

overwegende dat dit onderzoek zo weinig respondenten had dat er terughoudendheid geboden is bij het trekken van conclusies;

overwegende dat dit onderzoek niet voldoet aan de maatstaven van prevalentieonderzoek zoals aanbevolen door de commissie-De Winter;

verzoekt de regering om de aanbevelingen van commissie-De Winter en de commissie-Samson op te volgen en een prevalentieonderzoek uit te voeren naar geweld, inclusief seksueel geweld, in residentiële jeugdzorg en pleeggezinnen, om blijvend te kunnen monitoren hoe de omvang van deze problematiek zich ontwikkelt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.

Zij krijgt nr. 260 (31015).

Dank u wel, mevrouw Westerveld. Dan geef ik het woord aan de heer De Neef. Hij spreekt namens de fractie van de VVD.

De heer De Neef (VVD):
Dank, voorzitter. Ik heb geen motie, maar ik zou wel graag aan de staatssecretaris willen vragen of hij een scherp oog houdt voor serieus fysiek geweld gedurende verblijf. Een jongere moet goed weten waar hij of zij naartoe kan gaan als er iets gebeurt. De VVD wil graag dat de staatssecretaris zich ervoor inspant om deze duidelijkheid te vergroten en hierbij nauw op te trekken met het AKJ, oftewel het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg. Dank u.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Neef. De motie moet nog op papier worden rondgedeeld, maar de staatssecretaris heeft aangegeven dat hij direct kan antwoorden.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dank u wel, voorzitter. Een kort overleg, maar over een extreem belangrijk onderwerp: veiligheid in de jeugdzorg en de veiligheidsbeleving van jongeren in de jeugdzorg. Het luistert even heel precies en heel nauw als het gaat om de motie van mevrouw Westerveld. Ik zou er graag op een goede manier met mevrouw Westerveld uit willen komen. Een aantal van de constateringen en overwegingen deel ik, bijvoorbeeld dat er te weinig respondenten waren voor de conclusies en ook dat wij de aanbevelingen van de commissie-De Winter willen uitvoeren. De vraag is alleen: op welke manier doe je dat op een manier die effectief is en ook voorspellende waarde heeft? Het gaat er dus om dat je niet alleen in retroperspectief iets constateert, maar dat een en ander ook voorspellende waarde heeft. Daarvoor hebben we nu een nieuw onderzoek uitgezet, waarvan prevalentie ook een onderdeel is. Ik wil best met u kijken hoe we het prevalentiedeel daar zo in meenemen dat mevrouw Westerveld zegt: op deze manier is het inderdaad volgens de lijn die De Winter insteekt. Maar ik zou geen losstaand onderzoek willen doen naar prevalentie, want daarmee verlies je de voorspellende kracht ervan. Dat doen we juist in het bestaande onderzoek dat uitgezet is. Als ik het op deze manier zou mogen bekijken en overnemen, is het net iets anders dan wat hier staat, maar begrijpen we elkaar wel goed. Dan kunnen we daarmee vooruit.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik ben blij met deze handreiking van de staatssecretaris. Het is goed om hier samen uit te komen. Vorige week kwam het rapport uit waaruit heel duidelijk bleek dat de overheid te weinig doet om kinderen te beschermen, maar ook dat er te weinig gebeurt met de aanbevelingen van commissies die daar uitvoerig onderzoek naar hebben gedaan. Ik zou de staatssecretaris willen vragen wat zijn toezegging precies zou zijn. Ik heb hier de aanbevelingen voor me van zowel Samson als De Winter, die aangeven dat je zo'n prevalentieonderzoek juist om de paar jaar moet doen om te kunnen monitoren hoe het zit. Dat lijkt me ook belangrijk in het licht van de plannen die hij in het vorige tweeminutendebatje aankondigde over jeugdzorghervorming. Het is wel belangrijk dat we straks weten of die hervormingen bijdragen aan minder geweld.

Staatssecretaris Van Ooijen:
Ja, heel terecht. Ik zou het volgende willen zeggen. Er is een onderzoek door mij aangekondigd waarin het onderzoek dat u op de korrel heeft opnieuw en beter gedaan moet worden, en daarin wordt ook de prevalentie meegenomen. Dat prevalentiedeel gaan we nog wat scherper bekijken. We gaan scherper kijken of we de maatstaven van de commissie De Winter van nog langer geleden daarin voldoende hebben geborgd. Dat leidt hoogstwaarschijnlijk tot een aanpassing van het bestaande aangekondigde onderzoek op basis van wat u hier aan mij vraagt. Wat ik niet doe is een apart prevalentieonderzoek, want daarmee koppel je het los van de voorspellende waarde. Dat zou mijn toezegging zijn, en daarmee komen we iets voorbij de tekst van de motie, maar zo zou ik het graag met mevrouw Westerveld willen afspreken.

De voorzitter:
Dat betekent, even voor de goede orde, dat u met deze uitleg zegt dat u de motie oordeel Kamer wilt geven?

Staatssecretaris Van Ooijen:
Hier staat heel specifiek "een prevalentieonderzoek uit te voeren naar geweld". Dat maakt dat ik bij deze motie wat twijfels heb, dus het liefst zou ik hebben dat u deze motie intrekt wanneer u met mijn uitleg uit de voeten kunt. Ik wil deze motie ook niet ontraden, want daarmee lijkt het alsof ik een beeld schets alsof wij de aanbevelingen van De Winter niet willen uitvoeren. Dat is absoluut niet aan de orde.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Laten we afspreken dat wij nog even naar deze motie kijken en na dit debat hierover contact zoeken met de staatssecretaris en zijn ondersteuning.

De voorzitter:
Uitstekend. Dat betekent dat de staatssecretaris op dit moment zegt: ik wil haar liever niet ontraden, maar dan moet die toch nog even ontraden worden. Mevrouw Westerveld komt er nog op terug en we zullen kijken of en hoe die motie morgen in stemming wordt gebracht. Was nog een vraag niet beantwoord?

Staatssecretaris Van Ooijen:
Dat was volgens mij een oproep van de heer De Neef over de samenwerking met het AKJ, en die hebben we goed gehoord.

De voorzitter:
Uitstekend. Dan sluit ik daarmee dit tweeminutendebat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dank voor de drie tweeminutendebatten aan de staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik zeg dank aan de Kamerleden en ik schors de vergadering voor een enkel moment om zo meteen door te gaan met het volgende tweeminutendebat.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Ontwikkeling inzake de tarieven van tolken en vertalers

Ontwikkeling inzake de tarieven van tolken en vertalers

Aan de orde is het tweeminutendebat Ontwikkeling inzake de tarieven van tolken en vertalers (29936, nr. 63).

De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Ontwikkeling inzake de tarieven van tolken en vertalers. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Ik heet ook de Kamerleden welkom. Ik doe een beroep op de Kamerleden: probeer het, als het even kan, zo kort mogelijk te houden. We hebben 30 tweeminutendebatten in korte tijd, dus beperk u, als het kan, tot het indienen van de moties, en mogelijk een of twee vragen aan de minister. Ik zal dadelijk ook aan de minister vragen om, als het kan, zo kort mogelijk de vragen te beantwoorden en de moties te appreciëren. Ik geef als eerste het woord aan de heer Van Nispen, namens de fractie van de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. De tolken en vertalers zijn cruciaal in onze rechtsstaat, maar worden al jaren uitgeknepen, met veel te lage tarieven. Ze zijn overgeleverd aan de grillen van de markt, maar marktwerking gaat deze problemen niet oplossen. Eigenlijk moeten we de multinationals ertussenuit gooien en de tolken en vertalers rechtstreeks vanuit de overheid opdrachten verstrekken en eerlijk belonen.

Voorzitter. Maar voor vandaag dien ik de volgende moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gemiddelde duur van tolkdiensten bij rechtbanken kort is, waardoor met name gerechtstolken getroffen worden door de lage tarieven van tolkdiensten en de recente plannen van de minister hier geen oplossing voor bieden;

verzoekt de regering het minimumuurtarief van de gerechtstolken te verhogen en de voorrijkosten niet af te schaffen, om er zo voor te zorgen dat er voldoende gekwalificeerde gerechtstolken beschikbaar zijn, nu en in de toekomst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 66 (29936).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er geen voorstellen liggen om ook maar enigszins tegemoet te komen aan de te lage tarieven van de vertalers, en dat opdrachtgevers nu bijvoorbeeld het lettergrootte kunnen verkleinen om het aantal regels kunstmatig laag te houden;

verzoekt de regering om zo spoedig mogelijk een aanvullend onderzoek op de vertaalmarkt uit te voeren en daarbij ook te kijken naar de situatie in andere landen met als doel objectief vast te stellen hoe een redelijke vergoeding voor vertalers kan worden bereikt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 67 (29936).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat organisaties die verplicht zijn om tolken en vertalers op C1-niveau af te nemen in maar liefst 18% van de gevallen uitwijken naar tolken en vertalers van een lager niveau;

overwegende dat dit dus jaarlijks om vele duizenden zaken gaat, waarbij het risico groot is dat niet de wenselijke kwaliteit wordt geleverd;

verzoekt de regering met voorstellen te komen voor hoe op korte termijn de afname van tolken en vertalers op C1-niveau kan en zal toenemen en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.

Zij krijgt nr. 68 (29936).

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. Het zijn slechts zeer bescheiden voorstellen die ik hier doe vandaag, maar ik kijk ook naar draagvlak en politieke realiteit. Ik doe een beroep op de collega's, want gerechtstolken en gerechtsvertalers verdienen het om een eerlijke vergoeding te krijgen. Dat is van belang voor onze rechtsstaat.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Nispen. Ik wilde het woord geven aan de heer Ellian, maar hij schudt van nee. De tweede en laatste spreker van de zijde van de Kamer zal dan de heer Sneller zijn. Hij spreekt namens de fractie van D66.

De heer Sneller (D66):
Ik heb één motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gerechtstolken een bijzondere positie innemen, omdat de lengte van de tolkdiensten die zij verlenen bij rechtbanken vaak relatief kort is;

overwegende dat door deze specifieke kenmerken gerechtstolken bovengemiddeld benadeeld worden door het niet langer vergoeden van de voorrijkosten;

verzoekt de regering in het licht van hun bijzondere positie bij het uitschrijven van de aanbesteding voor gerechtstolken het inschrijftarief zodanig te verhogen en de voorwaarden dusdanig aan te passen dat het schrappen van de voorrijkosten geen nadeel meer oplevert voor de gerechtstolken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Sneller en Ellian.

Zij krijgt nr. 69 (29936).

Dank u wel, meneer Sneller. Ik hoor dat de minister drie minuten nodig heeft. We wachten nog even tot de moties komen. Dat zal niet heel lang meer duren. Als ik schors tot 16.25 uur, dan hebben we drieënhalve minuut; dat moet ruim voldoende zijn.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
De minister had geen drieënhalf minuten nodig, maar slechts twee minuten. Ik geef het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid voor haar appreciatie van de moties.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dank u wel, voorzitter. Het waren overzichtelijke moties. We hebben lang gesproken over dit onderwerp, en terecht. Ik begrijp ook waarom deze moties zijn ingediend. Ik zie de heer Sneller niet, maar hij luistert vast mee.

Ik begin met de moties van de heer Van Nispen. In de eerste motie van de heer Van Nispen, de motie op stuk nr. 66, wordt gevraagd het minimumtarief anders in te richten dan we nu hebben gedaan. De heer Van Nispen weet dat ik die motie ga ontraden. Zijn andere twee moties, de motie op stuk nr. 67 en de motie op stuk nr. 68, krijgen allebei oordeel Kamer. Die vragen om het uitvoeren van een gedegen onderzoek naar de vertaalmarkt en om ons heen te kijken naar andere landen. Dat lijkt mij echt een goed idee. Dat geldt ook voor het op korte termijn komen met voorstellen om de afname van C1-niveau-tolken te voorkomen en dat aantal te laten toenemen, en de Kamer hierover te informeren. Ik maak nu een rommeltje van het dictum van zijn motie, maar dat dictum is wel heel overzichtelijk. Die motie krijgt dus zeker oordeel Kamer.

De voorzitter:
De heer Van Nispen heeft daar nog een vraag over? Even kijken, de motie op stuk nr. 66 is in elk geval ontraden en de beide andere moties van de heer Van Nispen krijgen oordeel Kamer. De heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Ik constateer inderdaad dat de moties op stuk nr. 67 en op stuk nr. 68 oordeel Kamer krijgen. Dat stel ik op prijs. Ik hoop dat de collega's daar dan ook voor stemmen. Maar ik heb wel een vraag over de motie die is ontraden. Ik vind dat toch teleurstellend. De minister weet volgens mij inmiddels prima hoe die markt in elkaar zit. Het is helaas een markt van gerechtstolken. De gerechtstolken is in feite onrecht aangedaan. Al die jaren hebben zij een veel te lage vergoeding gekregen. De verhoging die de minister heeft voorgesteld, pakt voor heel veel tolken goed uit, maar voor gerechtstolken absoluut niet, omdat zij slechts een halfuurtje kunnen tolken op een rechtbank, als het meezit. De stijging van het tarief komt voor hen dus niet aan, omdat tegelijkertijd de voorrijkosten worden afgeschaft. Er is verschil tussen de betaling die per minuut plaatsvindt, met uitzondering van het eerste halfuur. Kortom, de optelsom makend, gaan zij er 35% op achteruit. Dat is natuurlijk onacceptabel. Deze motie probeert daar iets aan te doen. Ik begrijp niet goed waarom deze motie vanwege het grote belang van de gerechtstolken in onze rechtsstaat niet oordeel Kamer krijgt.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik begrijp de problematiek die wordt aangekaart. Ik wilde net de overstap maken naar de motie op stuk nr. 69, waarin dezelfde problematiek wordt aangehaald. Die motie wilde ik oordeel Kamer geven, waarbij ik denk dat die dichter ligt bij de elementen die wij met elkaar hebben afgesproken, waarvan ik weet dat de heer Van Nispen een deel deelt en een deel niet. Dat weet ik. Daarom zei ik ook dat we dit uitvoerig hebben besproken, maar dat ik denk dat we er niet helemaal uitkomen. Door de motie op stuk nr. 69 het oordeel Kamer te geven, hoop ik ook voor een deel tegemoet te komen aan wat de heer Van Nispen beoogt.

De voorzitter:
Nog een opmerking of vraag van de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Dat zou ook een mooie stap kunnen zijn. Dus dat is goed. Maar dan nog zijn we er nog lang niet. Dan is het reparatiewerk van iets wat eigenlijk al die jaren verkeerd is gegaan. Dat komt mede door de marktwerking. Wat mij opvalt — en daarmee rond ik deze vraag af — is dat de marktwerking in de antwoorden van de minister gepresenteerd wordt als een oplossing voor alles. Maar die tolk of vertaler moet het als een kleinduimpje opnemen tegen de multinationals. Dat is geen doen. De marktwerking gaat niet werken op dit terrein. We weten ook dat de marktwerking niet moet. Dat bleek uit het advies van de parlementair advocaat. Ik roep de minister echt op om na dit debat het zomerreces te gebruiken om dit te laten bezinken en om in gesprek te gaan met de mensen die hier in groten getale op de publieke tribune zitten, om ervoor te zorgen dat de marktwerking uit het systeem gesloopt wordt. De marktwerking zorgt voor geldverspilling en voor oneerlijke behandeling van de tolken en vertalers. Alstublieft, minister, doe daar wat aan.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik heb al gesprekken gehad. Die blijf ik ook graag voeren. Het is een heel belangrijke beroepsgroep voor onze samenleving en voor onze rechtsstaat, als fundering voor de rechtsstaat. Ik begrijp ook heel erg goed waarom wij op dit moment dit debat hebben en waarom deze moties worden ingediend. Het gaat uiteindelijk om het inkomen van deze mensen en van een veel grotere groep. Dat is ook heel belangrijk.

Ik hoop dat ik de heer Van Nispen in voorgaande debatten heb kunnen laten zien dat ik niet een soort van blind vertrouwen heb dat het allemaal wel goed komt. Ik denk dat de stappen die we zetten verstandige stappen zijn, maar we zullen met elkaar blijven monitoren en goed in de gaten blijven houden wat de uitwerking van de stelselherziening is. Daar zijn we allemaal zelf bij. Ik weet dat de heer Van Nispen, maar ook de aanwezige woordvoerders van andere partijen ons daar scherp op zullen houden. Om die goede resultaten uit de monitoring te kunnen halen, is het wel belangrijk dat we nu kunnen doorgaan met het afronden van de aanbestedingsprocedures zodat we die stappen vooruit kunnen zetten. En we zullen het op die manier met elkaar in de gaten houden. Nogmaals, ik hoop door op de motie op stuk nr. 69 oordeel Kamer te geven het ongemak wat er specifiek bij deze tolken was, enigszins te kunnen wegnemen.

De voorzitter:
Dank.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik dank de minister van Justitie en Veiligheid. Ik dank de Kamerleden. Ik dank de mensen op de publieke tribune. Ik schors de vergadering voor een enkel moment en dan gaan we zo meteen verder met de behandeling van de Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wvb.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wet verplaatsing bevolking

Voorzitter: Van Meenen

Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wet verplaatsing bevolking

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Regels over het voortduren van de werking van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking en tot wijziging van die wet (Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wvb) (36081).

De voorzitter:
Aan de orde is de behandeling van de Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wvb. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom, zo ook de collega's.

Het is een wetsbehandeling. Er zijn indicaties van spreektijden. U zult, denk ik, van mij verwachten dat ik probeer u daar een beetje binnen te houden. Als we dat met elkaar kunnen afspreken en u ook een beetje rustig omgaat met de interrupties, kunnen we snel van start.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:
Ik geef als eerste het woord aan de heer Markuszower van de PVV. Gaat uw gang.

De heer Markuszower (PVV):
Voorzitter, dank u wel. We hebben als Tweede Kamer vandaag toch wel een nieuw dieptepunt bereikt. Want wie had er ooit kunnen denken dat een oude noodwet, bedoeld om Nederlanders te beschermen in geval van rampspoed — denk aan Duitsers die ons land weer komen bezetten — zou worden afgestoft en zou worden ingezet tegen Nederlanders? Een wet om Nederlanders te beschermen wordt nu ingezet om Nederlanders te pakken.

Vandaag behandelen wij de Voortduringswet artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking. Artikel 2 zegt dat deze wet van toepassing is op volksverplaatsingen op grote schaal. Artikel 4 belast de burgemeester met de uitvoering en de minister kan dwingende aanwijzingen geven. Met het activeren van deze noodwet laat het kabinet zijn meest lelijke, dictatoriale, enge gezicht zien. Het activeren van deze wet in deze situatie is een oorlogsverklaring van dit kabinet aan onze democratie. Het opent de doos van Pandora en geeft de meest vergaande bevoegdheden aan de meest onbetrouwbare bestuurders die Nederland ooit heeft gekend.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, ik heb een punt van orde. We behandelen hier een wet. Daar kun je van alles van vinden, maar dat geeft er al uiting aan dat hier geen dictatoriaal regime is of whatever, zoals meneer Markuszower zegt, maar dat we in ons parlement een wet behandelen. Ik hecht eraan om afstand te nemen, maar ook om dit punt van orde te maken. Dit soort woorden bezigen we hier niet over een wetsbehandeling.

De voorzitter:
Ja, we zijn een halve minuut bezig. Ik begrijp uw bezwaar. Ik ga nu de heer Markuszower het woord nog niet ontnemen. U mag hierop reageren, maar ik wil wel dat u verdergaat met uw verhaal. Wilt u erop reageren?

De heer Markuszower (PVV):
Ik heb geen punt van orde gehoord. Ik heb alleen kritiek gehoord en dat beschouw ik als een interruptie. Ik wil mevrouw Bikker zeggen dat ook democratieën, ook parlementen, dictatoriale wetten kunnen aannemen.

De voorzitter:
Goed, gaat u verder met uw betoog.

De heer Markuszower (PVV):
De leden van de Tweede Kamer die, zoals misschien wel mevrouw Bikker, maar dat moet nog blijken, vandaag zeggen dat het allemaal wel meevalt omdat niet alle artikelen van deze noodwet zijn geactiveerd, kunnen beter volksvertegenwoordiger in Noord-Korea worden. Want dit soort wetten en bevoegdheden activeren in vredestijd is dictatuur, is machtsmisbruik, is het vertrappen van onze grondrechten en het heeft niets meer met democratie en burgerrechten te maken. Als namelijk de artikelen 2c en 4 onnodig en zonder echte aanleiding geactiveerd kunnen worden, kan deze enge ministerploeg ook makkelijk de andere artikelen van deze noodwet activeren.

De voorzitter:
Nee, meneer Markuszower, zo gaan we het niet doen. We gaan niet beledigen. "Enge ministerploeg" moet u echt terugnemen. Anders kunt u wat mij betreft meteen vertrekken. Dus dat neemt u terug. We hebben hier geen enge ministerploeg. Zegt u het maar.

De heer Markuszower (PVV):
Ik neem het niet terug.

De voorzitter:
Oké, dan ontneem ik u het woord.

De heer Markuszower (PVV):
Dan een punt van orde over de voorzitter. Dan moet u het debat staken.

De voorzitter:
Niks punt van orde. Ik ben de voorzitter. Ik heb u gezegd wat de sanctie daarop is. Ik ga het woord geven aan mevrouw Bikker. We staken het debat helemaal niet. Ik heb u duidelijk een keuze gegeven, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
Dat is aan de Kamer. Ik heb niks gezegd wat niet kan.

De voorzitter:
Nee, u kunt alles zeggen, maar ik ga over de orde hier. Ik vind dat wij ons kabinet hier niet voor een enge ministersploeg moeten uitmaken. Dat vind ik een belediging. Op grond van — ik pak het er even bij — artikel 8.17 kan ik u het woord ontnemen, want u bent aan het beledigen. Als u dat doet, kan ik u het woord ontnemen.

De heer Markuszower (PVV):
Ik wil eerst de rest van de Kamer horen.

De voorzitter:
U kunt van alles willen, maar ik ga hier over de orde. Ik weet niet wat u zich ermee komt bemoeien, meneer Van Haga. Ik ga hier over de orde. U mag zo, maar eerst mag ik eventjes. Ik wil even aan meneer Markuszower duidelijk maken op grond waarvan ik hem het woord ontneem, tenzij hij die woorden terugneemt. Dit kan gewoon niet. Dit moeten we niet doen. We staan hier voor een publieke tribune. Mensen kijken mee en verwachten van ons een fatsoenlijke omgang met elkaar. Ik ben als uw collega hier aangesteld om daarop te letten en dat doe ik. Ik hoop dat u mij dat niet kwalijk neemt. Nu ga ik eerst naar meneer Markuszower en dan kom ik misschien bij u.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Een punt van orde.

De voorzitter:
U kunt van alles een punt van orde maken. Dit is geen punt van orde, dit is de orde handhaven. Dat is wat ik doe. Ja, het gaat zeker ver wat meneer Markuszower zegt. Dat ben ik met u eens. Ik kom zo bij u. Zegt u het maar.

De heer Markuszower (PVV):
Meneer de voorzitter, als u mij even de ruimte geeft om wat langer te reageren? Wij hebben al vaker debatten samen gehad en het is duidelijk dat u als persoon niet erg ingenomen bent met de manier waarop ik debatten aanvlieg en met het taalgebruik dat ik bezig. Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat, als ik in het kader van zo'n vergaande wet zou zeggen "enge ministersploeg", u mij daarop zou afhameren. Dat was niet mijn intentie. Ik vind het onderwerp te belangrijk en mijn inbreng eerlijk gezegd ook — ik ben de eerste spreker en ik kan een aantal punten inbrengen die belangrijk zijn — dat ik het zonde zou vinden om mij het woord te laten ontnemen omdat ik heb gezegd "enge ministersploeg". Helemaal terugnemen gaat heel ver, maar mag ik er dan van maken dat ik een ministersploeg die dit soort noodwetten wil activeren, eng vind? Als ik dat niet mag zeggen, dan hebben we samen een probleem. Dan beperkt u wel heel erg mijn ruimte. Het is ook niet … Kunt u motiveren waarom het beledigend is als een minister eng is?

De voorzitter:
Ja, laten we het daar eens over hebben. Laten we eens een debatje hebben over wat beledigend is. Lieve mensen, luister eens even. Ik ben hier de voorzitter. Ik ben gewoon jullie collega. Ik doe dit de hele dag voor jullie. De orde handhaven, dat is wat ik doe, niets meer en niets minder. Het heeft niets met u te maken, meneer Markuszower. Alleen gebruikt de een steviger woorden dan de ander. Er is een grens aan en die grens ligt bij mij.

De heer Markuszower (PVV):
Misschien moet u de minister vragen of …

De voorzitter:
Nee, ik ga helemaal niks aan de minister vragen. Ik heb u allemaal helemaal niet nodig om de orde te handhaven. Dat kan ik gewoon zelf doen op basis van artikel 8.17. Gaat u het allemaal maar even nalezen bij punt b. Als er belediging plaatsvindt, kan ik u het woord ontnemen. Dat wil ik nu gaan doen, tenzij u het terugneemt. U kunt allerlei zinsconstructies bedenken, maar zolang het woord "eng" erin staat, zijn dit uw laatste woorden achter het spreekgestoelte. Ik ben nu nog steeds aan het woord; u mag straks. Verzint u maar iets anders, maar met "eng" gaan we niet verder. Dit ís een punt van orde.

De heer Markuszower (PVV):
Weet u, voorzitter, wat u doet vind ik eigenlijk nog veel enger. Dus misschien moet u maar de ordehandhavers vragen om mij van het spreekgestoelte te halen. Ik accepteer dit helemaal niet. Haalt u mij er maar af. Ik ga niet weg, in ieder geval.

De voorzitter:
Moeten we u weg laten halen?

De heer Markuszower (PVV):
Ja, haalt u me maar weg.

De voorzitter:
Oké, dan verzoek ik de bodes om …

De heer Markuszower (PVV):
Voor dit moet u me maar weghalen. Het is krankzinnig wat u doet!

De voorzitter:
Het zal wel. Meneer Van Haga.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Ik vind het toch wel heel erg ver gaan. Ik denk dat het ook heel jammer is als dit debat op deze manier ontspoort, doordat er ogenschijnlijk een verschil van inzicht is over wat subjectief gezien betamelijk is. Die grens ligt bij de voorzitter duidelijk anders dan bij mij of bij de heer Markuszower. Als u het dan toch over fatsoen heeft: de manier waarop u mij toespreekt, van "komt u zich er nog even mee bemoeien en misschien geef ik u straks het woord" vind ik ook niet fijn. Maar binnen deze zaal moeten wij allemaal kunnen zeggen wat we willen. Ik hoop dat u dat respecteert. Ik vind ook dat de heer Markuszower gewoon zijn gang moet gaan. Ik hoop dat hij blijft staan en zijn woorden niet terugneemt, want het is zijn goed recht.

De voorzitter:
Dat is dan fijn, dan weten we dat van u. Mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil ook een punt van orde maken. Ik verzoek om dit debat even te schorsen en in het Reglement van Orde te kijken wat toelaatbaar is in deze zaal. Dat lijkt mij voor nu even het beste, want de emoties lopen op dit moment heel hoog op. Er worden dingen gezegd die ook niet mijn woordkeuze zouden zijn, zeker niet, maar ik denk dat het wel beter is om heel even te schorsen en te overleggen hoe we hiermee verdergaan.

De voorzitter:
Ik waardeer uw poging, maar ik ga niet bij elke orde-ingreep die ik doe met de Kamer overleggen of het allemaal goed is. Dan moet u gewoon een andere voorzitter zoeken. Een die alles prima vindt. Dat is prima, maar dan heeft u met mij echt de verkeerde getroffen. Dat heeft niets met de heer Markuszower te maken, want ik zal het bij eenieder van u doen. Voorlopig ga ik er niet op in.

De heer Brekelmans (VVD):
Meneer Markuszower heeft welgeteld een minuut gesproken. Daarin heeft hij het kabinet beschuldigd van een oorlog te ontketenen, of een burgeroorlog …

De heer Markuszower (PVV):
Nee, dat is niet waar! Lieg nou niet!

De heer Brekelmans (VVD):
Hij heeft het in ieder geval expliciet vergeleken met Noord-Korea en hij heeft het kabinet eng genoemd. Daar heeft de voorzitter hem op aangesproken. Hij heeft hem gewaarschuwd. Wij hebben de voorzitter aangesteld om de orde te handhaven. Hij maakt een inschatting namens ons. De ene keer zal een partij daar blij mee zijn en de andere keer niet. Maar ik vind dat wij ons politieke debat en onze democratie overeind houden als wij het gezag van de voorzitter hierin respecteren. Ik zou de steun hiervoor willen uitspreken, zeker omdat de voorzitter meerdere keren hiervoor heeft gewaarschuwd, en aansluiten bij de inschatting die de voorzitter op zo'n moment maakt.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Stoffer. Nee, de heer Van Dijk was eerst. Neem me niet kwalijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
De gemoederen lopen op. Het wordt tijd voor reces. Nog één etmaal, geloof ik, dan kan iedereen uitrusten. Ik ben het helemaal eens met wat net gezegd werd. De voorzitter is door onszelf aangesteld, dus die leidt de vergadering en die kan dit soort besluiten nemen. Sterker nog, hij heeft het artikel voorgelezen waarop hij zich beroept. Dan moeten we dat in principe steunen. Vervolgens kunnen we natuurlijk allemaal de discussie aangaan over "op grond waarvan dan?". Ik constateer ook dat de heer Markuszower een toenaderingspoging deed, want hij veranderde zijn zin naar: ik vind een kabinet dat zoiets doet, eng. Nou, dat vind ik al een stuk minder heftig dan wat hij daarvoor zei. Dus dat vind ik wel het overwegen waard. En dan wil ik best even schorsen om hiernaar te kijken, want volgens mij komen we hier wel uit.

De heer Eerdmans (JA21):
Ik kan me vinden in wat de SP zegt. Laten we dat doen, laten we even een adempauze nemen en tot elkaar komen. Anders wordt het volgens mij nog gênanter dan het al is.

De heer Stoffer (SGP):
De rol van de voorzitter is dat hij of zij of voorzitter is. We hebben zojuist gehoord wat er in het Reglement staat. Maar volgens mij kun je iets eng vinden en kun je dingen eng vinden, máár mensen eng vinden, dat moet je volgens mij niet doen. Ik begreep dat meneer Markuszower wat dat betreft ook van toon veranderde. Maar ik denk dat het het verstandigste is om te doen wat de heer Van Dijk zei en voor hem mevrouw Van der Plas: misschien moeten we eerst even een kwartiertje rustig met elkaar bekijken hoe we hiermee om moeten gaan. Ik denk dat dat het meest verstandig is.

De voorzitter:
Goed, als er nog andere geluiden zijn dan dat ... En die zijn er blijkbaar. Wilt u nog iets anders zeggen, meneer Van Meijeren? Wilt u nog iets anders zeggen, mevrouw Bikker, of iets toevoegen? Dan gaan we eerst naar mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Steun, ook voor de voorzitter, die hier namens ons allen zit. Ik sluit aan bij wat de SP zei en ik zou de heer Markuszower willen verzoeken om richting collega's en ook richting mij ... Wij hebben al heel vaak een fittie gehad, en dat vind ik helemaal niet erg als het op de inhoud is. Zelfs in de Eerste Kamer konden we dat uitstekend, meneer Markuszower. Daar waarderen we elkaar ook wel voor, maar laten we elkaar niet uitmaken voor "dictatoriaal" of "Noord-Koreaans". Dat doet u ook in mijn richting en dat vind ik echt nergens op slaan. Wij weten beter en u weet beter. De heer Markuszower is eigenlijk best een slim Kamerlid, en hij kan dat dus ook beter.

De heer Van Meijeren (FVD):
Naar mijn mening gaat het veel te ver om een parlementariër het woord te ontnemen wanneer hij beargumenteerd uitlegt waarom hij een ontwikkeling die wordt opgelegd, eng vindt. We bespreken vandaag zeer ingrijpende noodwetgeving die hij eng vindt en daarom noemt hij de regering ook eng. Ik wil even heel graag in herinnering roepen dat in het jaar 1933 een volksvertegenwoordiger het woord werd ontnomen toen hij Adolf Hitler een boef noemde. We hebben allemaal gezien dat hier later toch heel anders over gedacht werd. Ik vind dat we hier in het parlement álle ideeën moeten kunnen bespreken en zeker ook de zeer zorgwekkende tirannieke ontwikkelingen die we vandaag de dag zien. Dus ik pleit ervoor dat de heer Markuszower ruimte krijgt om zijn verhaal af te maken.

De voorzitter:
Dat begrijp ik, maar dat ga ik niet doen. Ik ga wel gehoor geven aan het geluid dat meerdere Kamerleden hebben geuit en dat is dat ik de vergadering voor vijf minuten schors.

De vergadering wordt van 16.48 uur tot 16.56 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik hervat de vergadering. Meneer Markuszower, ik vind dat wij dit debat op de inhoud moeten voeren. Dit punt is ontstaan toen u de ministersploeg eng vond. Ik heb ook geluisterd naar enkele verstandige mensen. Die hebben mij op de gedachte gebracht dat uw aanpassing wellicht binnen de regels van het Reglement valt. Dus die accepteer ik en die wordt onderdeel van de beraadslaging.

Ik verzoek u om uw bijdrage voort te zetten. Het woord is aan u.

De heer Markuszower (PVV):
Hele gebieden, steden, gemeenten of, misschien wat relevanter anno 2022, boerenbedrijven kunnen als deze wet geactiveerd of verder geactiveerd wordt, op last van de overheid ontruimd worden. Bevolkingen kunnen verplaatst worden. De overheid kan dan gedragsregels aan de bevolking opleggen. U moet denken aan gebiedsverboden, avondklokken, samenscholingsverboden, quarantaineverplichtingen, werkverboden. De overheid kan dan mensen uit hun woningen zetten, hun bezit afpakken. De lijst is eindeloos en doodeng. Nederlanders kunnen worden verplicht om hun zolder of logeerkamer aan Mohammed of Ahmed af te staan. Goed idee hoor. Dan heb je twee jonge kinderen thuis wonen en zegt de minister of staatssecretaris Van der Burg — u weet wel, de man wiens lijfspreuk is: hoe meer islamitische asielzoekers in Nederland hoe beter — "neem deze twee gevechtsklare jongemannen uit Afrika maar in je huis".

Als deze wet in zijn geheel zou worden geactiveerd, is Nederland niets meer dan een politiestaat waar de overheid alles bepaalt en de burger 0,0 rechten heeft.

Mevrouw Podt (D66):
Het zou kunnen. Het zou kunnen. Het zou kunnen. Er kunnen heel veel dingen in het leven. Maar we hebben hier al heel veel over gesproken en de minister en de staatssecretaris hebben keer op keer aangegeven dat er geen sprake van is dat een van de scenario's die de heer Markuszower hier schetst, gaat gebeuren. Ik hecht eraan om dat even te zeggen, zodat mensen die nu zitten te kijken, niet denken dat dat klopt.

De heer Markuszower (PVV):
Nou, we zouden aan de minister kunnen vragen of zij kan uitsluiten, of dat het kabinet kan uitsluiten dat het een verder beroep doet op de enge bepalingen uit de wet of dat in de generieke wet straks ook deze bevoegdheden nog komen te staan. Ik heb zelf namelijk wel een keer eerder "kunt u het uitsluiten?" gevraagd. Daar kwam toen geen positief antwoord op. Het wordt dus niet uitgesloten.

De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.

De heer Markuszower (PVV):
Álles wat Hugo de Jonge ons al heeft aangedaan tijdens corona en dan nog erger. Want op basis van deze wet hebben …

De voorzitter:
Ogenblik. Ogenblik, meneer Markuszower. We spreken hier niet over "Hugo de Jonge"; we spreken hier over "de minister".

De heer Markuszower (PVV):
Álles wat minister Hugo de Jonge ons al heeft aangedaan tijdens corona, maar dan nog erger. Want op basis van deze wet hebben dat soort mensen nog veel meer bevoegdheden. Eigenlijk ónbeperkte bevoegdheden.

Voorzitter. Waarom gebeurt dit nou? Waarom moest deze noodwet nou geactiveerd worden? Nogmaals, deze noodwet ligt sinds 1952 ergens in een la verstopt, om slechts gebruikt te worden in geval van een extreme noodsituatie. U moet dan echt denken aan een gigantische natuurramp of aan een derdewereldoorlog-achtige situatie, waarin Nederland door België, Frankrijk en natuurlijk Duitsland simultaan wordt aangevallen en burgers verplaatst, geëvacueerd, moeten worden omdat ze anders door Duitse tanks worden verpletterd en met tactische kernwapens worden bestookt. De mensen, de Nederlanders, die dán in acuut gevaar zouden verkeren, zouden dán op basis van deze wet gered kunnen worden.

Deze wet is natuurlijk níét gemaakt om Nederlanders uit hun huizen te jagen voor de Oekraïners. Of laten we eerlijk zijn: eigenlijk voor de Afrikanen en de Arabieren. Want dat is er aan de hand: dit land is prop- en prop- en propvol met de verkeerde mensen. En elke week komen er 1.000 nieuwe asielzoekers uit Afrika en het Midden-Oosten bij. Sinds januari van dit jaar zijn er bijna 170.000 mensen ons land binnengekomen. 50.000 daarvan zijn niet-westerse allochtonen. Per jaar komt er dus een stad als Venlo, Deventer, Emmen of Delft bij aan niet-westerse allochtonen. Door de bank genomen werken zij niet, trekken zij heel veel uitkeringen, wonen zij praktisch gratis en krijgen zij alles van de Staat. In plaats van dankbaar te zijn, plegen zij in grote oververtegenwoordiging heel veel misdrijven. De Nederlander ziet zijn stad of wijk ten onder gaan aan islamisering en criminaliteit en onveiligheid; het logische gevolg van decennia opengrenzenbeleid. Dát is pas crisis.

De heer Brekelmans (VVD):
We kennen dit verhaal van de heer Markuszower onderhand wel. Maar is hij het toch in ieder geval met mij eens dat deze wet niets te maken heeft met reguliere asielzoekers, en dat het kabinet meermaals heeft aangegeven dat deze wet alleen om Oekraïners gaat, omdat zij buiten het asielsysteem vallen en deze wet daarom voor hen kan worden geactiveerd? Meneer Markuszower mag natuurlijk zeggen wat hij wil over de asielinstromen en over de asielcrisis, maar in feite is dat in dit debat totaal irrelevant.

De heer Markuszower (PVV):
Daarover verschillen wij van mening. Allereerst. Dit kabinet heeft de smaak te pakken, want er komt nu ook noodwetgeving om asielzoekers op te vangen. Dus het een leidt tot het ander. Maar het tweede punt is natuurlijk: als je 50.000 bedden aan Afrikanen en Arabieren geeft, dan heb je weinig bedden meer over, hè? Dus omdat we iedereen toelaten binnen de asielopvang, hebben we geen bedden meer over voor die paar Oekraïense vrouwen en kinderen, die we tijdelijk zouden kunnen opvangen.

De heer Brekelmans (VVD):
Als je kijkt naar hoeveel ruimte er is om mensen op te vangen en naar hoeveel Oekraïners hiernaartoe komen, ben ik het met de heer Markuszower eens dat er natuurlijk minder ruimte overblijft voor reguliere asielzoekers, en vice versa. Maar het gaat om deze wet. De heer Markuszower wekt een bepaalde indruk rond de bepalingen die in deze wet staan. Het kabinet heeft heel duidelijk gezegd dat het helemaal niet van plan is om die te activeren. Dat hebben we de afgelopen maanden ook gezien. Deze wet wordt al vier maanden ingezet en het kabinet heeft geen enkele indicatie gegeven voor, of geen enkele stap gezet richting, verdere activering van andere artikelen. Dus voor het grote doemscenario dat de heer Markuszower schetst, is in ieder geval in de afgelopen vier maanden geen enkele indicatie. Maar dan nog zullen de extreme maatregelen die hij noemt nooit van toepassing zijn op reguliere asielzoekers of de opvang daarvan, omdat dat niet is waar deze wet over gaat. Kan hij dat in ieder geval bevestigen?

De heer Markuszower (PVV):
Deze wet is inderdaad niet voor asielzoekers. Ik heb net gezegd dat daar een nieuwe noodwet voor komt. Dit kabinet heeft dus de smaak te pakken om noodwetgeving te creëren om problemen die ze zelf hebben gecreëerd op te lossen. Maar ik blijf zeggen — en daarover was meneer Brekelmans het met me eens — dat als onze bedden niet bezet waren door Afrikanen en Arabieren, het kabinet deze wet nu natuurlijk niet nodig had gehad om die Oekraïners op te vangen.

De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog. Nou, nog één keer dan, meneer Brekelmans.

De heer Brekelmans (VVD):
De heer Markuszower kent de getallen net zo goed als ik. Hij weet dat we 30.000 plekken hadden voor asielzoekers. Dat loopt nu op naar 50.000. Dat vind ik te veel. Daarom heb ik ook eerder gepleit om iets aan de instroom te doen. Maar als het gaat om Oekraïners, dan gaan we inmiddels al over de 60.000, zelfs richting de 70.000. Dus het idee dat, als er minder mensen in de azc's zouden zitten, het voldoende zou zijn geweest om Oekraïners op te vangen, klopt gewoon qua aantallen en getallen niet. Ik zie de heer Markuszower knikken. Kan hij bevestigen dat het bij Oekraïners om aantallen gaat die de capaciteit van het asielsysteem, ook al was dat helemaal leeg, te boven zouden gaan?

De heer Markuszower (PVV):
Dat klopt deels. Daarom heeft de PVV gezegd dat de staatssecretaris en het kabinet ruimte moeten maken door al die Syriërs die hier verblijven terug te sturen, door de grenzen voor alle nieuwe asielzoekers te sluiten, door zich misdragend asieltuig en hun familie het land uit te zetten, door alle illegalen ons land uit te knikkeren, door statushouders en hun familie die misdrijven plegen op te sluiten en uit te zetten, door terroristen die afreizen naar ISIS-gebied niet terug te halen. Als we dat allemaal doen, meneer Brekelmans, dan hebben we zo veel ruimte in Nederland! Dan hebben we 200.000 plekken. Dan hebben we 100.000 huizen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Markuszower (PVV):
Voor de goede mensen is dus nu geen ruimte. In plaats van dat dit kabinet ruimte maakt, eerst maar eens voor de gewone Nederlander, kiest het ervoor om Nederlanders uit hun huizen, wijken, steden en zelfs land te jagen. Ja, er is oorlog in Oekraïne en ja, daardoor zijn er miljoenen mensen op de vlucht. Die miljoenen mensen worden voornamelijk opgevangen in hun regio, in hun buurlanden, maar ook vooral in de veilige delen van hun eigen land. Gelukkig maar, want zo hoort het.

Dit kabinet creëert zijn eigen crisis en vervolgens piept het dat het crisis is en wordt gegrepen naar noodwetgeving. In plaats van de geconstateerde en zelf gecreëerde crisis op te lossen kiest het kabinet ervoor om burgerrechten af te pakken en de Nederlanders de prijs te laten betalen. Hieraan zie je de haat van dit kabinet voor de gewone Nederlander. Want waarom wel een crisis uitroepen voor de Oekraïners maar niet voor de Nederlanders?

Mevrouw Podt (D66):
Ik vraag me af of de heer Markuszower een voorbeeld kan geven of een paar voorbeelden misschien, omdat hij daar nogal empathisch over was, van mensen wier burgerrechten zijn afgepakt door deze wet.

De heer Markuszower (PVV):
Ik heb het natuurlijk steeds over de situatie waarin de artikelen 4 en 7 kunnen worden geactiveerd. Dit kabinet is blijkbaar in staat om in deze situatie, waarin er nog helemaal geen nood is, deze wet, die helemaal niet bedoeld is voor Oekraïners maar om Nederlanders in nood te redden, uit de la te pakken en nu al de artikelen 2c en 4 te activeren. Dat is een soort opmaat naar verdere beperkende maatregelen. We hebben het eerder gezien bij het vorige kabinet met corona. Zodra ze de macht hebben, zullen ze die middelen gebruiken. Het activeren van deze wet — en overigens ook het de Kamer pas drie maanden na activeren erover laten beslissen of het moet voortduren, dus de Kamer toch drie maanden erop laten wachten, terwijl in de wet staat "onverwijld" — laat gewoon zien dat deze mensen niet in staat zijn om prudent met dit soort wetgeving om te gaan. Ik ben heel erg bang, en dat is ook voorzienbaar, dat ze ook die andere artikelen zouden kunnen activeren. En dan is er van burgerrechten geen sprake meer.

Mevrouw Podt (D66):
Nou, dat waren een heleboel woorden om geen antwoord te geven op mijn vraag. Want mijn vraag was welke burgerrechten er worden afgenomen met de wet die nu voorligt, met de artikelen die daarin geactiveerd worden, die ook heel duidelijk beschreven staan in de memorie van toelichting van de wet en in alle uitingen van het kabinet daarover. Welke burgerrechten worden er afgenomen met de wet waar we het vandaag over hebben?

De heer Markuszower (PVV):
Mevrouw Podt verwijst naar de memorie van toelichting. Als je kijkt naar die memorie van toelichting, dan weet je toch dat deze wet nóóít geactiveerd had mogen worden, ook niet de artikelen 2c en 4, voor een situatie waarin we nu verkeren? Alleen al het feit dat ze deze wet uit de la hebben getrokken en nu al die twee artikelen hebben geactiveerd en dus de dreiging boven ons allen hangt dat ze ook die andere artikelen activeren, moet toch alle noodklokken en bellen doen gaan rinkelen? Dan moeten we toch als Kamer zeggen: "Nee, kabinet, u bent echt uw boekje te buiten gegaan. Deze wet was niet bedoeld om Oekraïners te helpen. Deze wet was bedoeld om Nederlanders in hoge nood, in het geval van oorlog of gigantische milieurampen, overstromingen, enorme rampen, te beschermen"? Daar is deze wet namelijk voor bedoeld.

De voorzitter:
Dank u wel, dank u wel.

De heer Markuszower (PVV):
Voor het feit dat ze deze wet uit de la hebben gepakt, waardoor dus de dreiging van het activeren van de artikelen 4 en 7 in de lucht hangt, moeten we allemaal heel erg bang zijn.

De voorzitter:
Mevrouw Podt, afrondend, kort. Dat geldt ook voor meneer Markuszower. Het moet echt korter. We vervallen in herhalingen.

Mevrouw Podt (D66):
Ik constateer dat de heer Markuszower geen antwoord heeft op mijn vragen over burgerrechten. Het hele verhaal, alle doemscenario's die hij schetst: dat is allemaal helemaal niet aan de hand. Ik registreer dat hij gewoon helemaal geen antwoord heeft op die vragen.

De voorzitter:
Ik ga naar meneer Brekelmans.

De heer Brekelmans (VVD):
Ik wil toch nog twee feitelijke punten ophelderen. De heer Markuszower zegt: waarom spreken wij hier pas na drie maanden over? Wij als Kamer gaan over de agenda, en niet het kabinet. Op verzoek van een van de collega's, was er het idee om eerst zelf een technische briefing te organiseren met experts en om daarna pas het debat te voeren. Dus als meneer Markuszower de schuld daarvoor nu bij het kabinet legt, denk ik: hij zou als parlementariër, die hier al enige tijd rondloopt, toch beter moeten weten. Het tweede punt is: ik ben zelf ook kritisch over de inzet van deze wet. Alleen, de heer Markuszower zegt: het kabinet had deze wet nooit mogen inzetten voor de inzet van vluchtelingen. Dan wijs ik hem toch even op wat er in de memorie van toelichting over artikel 24 staat. Daar staat letterlijk, en dat is maar één zin: "Er kunnen zich omstandigheden voordoen, zoals bij het overschrijden van onze grenzen van grote groepen van vluchtelingen, waarin het gewenst is gebruik te kunnen maken van de in het ontwerp neergelegde regeling". Is de heer Markuszower het dan feitelijk met mij eens dat deze wet hier wel de mogelijkheid toe geeft, maar dat de vraag is of je het wenselijk vindt? Maar als je zegt dat dit nooit gekund had, dan klopt dat feitelijk niet.

De heer Markuszower (PVV):
Nee, ik heb de memorie van toelichting goed gelezen. Inderdaad, in de artikelsgewijze toelichting van artikel 24 staat zo'n klein zinnetje. Maar als je de hele memorie van toelichting - ik heb het ook gemarkeerd — leest, dan staat er "voor de bescherming van de bevolking". Die hele memorie van toelichting is dus geschreven in het licht van het beschermen van de Nederlandse bevolking. Ik kan dus ook niet anders dan concluderen dat de toelichting bij artikel 24 ook moet gaan over de bescherming van de Nederlandse bevolking. Je kunt het dus heel breed lezen, wat de heer Brekelmans doet — misschien is meneer Brekelmans van huis uit ook geen jurist; dat weet ik niet — maar als je het gewoon leest zoals juristen het behoren te lezen, dan wijst alles erop dat ook dat artikel 24 ingezet kan worden als het de Nederlandse bevolking beschermt. Dit punt dat ik maak, wordt ook ondersteund door heel veel rechtsgeleerden; daar zijn ook artikelen over geschreven. We hebben geen technische briefing gehad, waar wel om gevraagd was. Er is uiteindelijk ook geen rondetafelgesprek geweest. Dus we konden als Kamer de staatssecretaris hierop niet bevragen. Maar een beetje jurist die de memorie van toelichting tot zich neemt, weet dat het gaat om de bescherming van de Nederlandse bevolking.

De heer Brekelmans (VVD):
Een beetje jurist zou weten dat je nooit een vluchteling in eigen land kunt zijn.

De heer Markuszower (PVV):
O nee?

De heer Brekelmans (VVD):
Nee, dan ben je een ontheemde. Volgens iedere juridische definitie ben je pas een vluchteling als je een grens oversteekt. Dus de heer Markuszower kan nu net doen alsof ik juridisch niet onderlegd ben op het terrein van de asielproblematiek, maar hij zou moeten weten dat als er wordt gesproken over een vluchteling, het altijd gaat om iemand die een grens is overgestoken. In dat geval kan het dus per definitie niet gaan om Nederlanders als het gaat om wetgeving hier in eigen land.

De voorzitter:
Meneer Markuszower, kort.

De heer Markuszower (PVV):
Dan wordt er dus nog steeds niet goed gelezen. Dat artikel 24 gaat over het volgende. Er kunnen rondom de grens van Nederland grote groepen vluchtelingen ontstaan. Voor de bescherming van de Nederlandse bevolking zou dan deze wet kunnen worden ingezet, niet voor de bescherming van andere bevolkingsgroepen. Daarom zeg ik dat je dat artikel moet lezen in de context van die hele memorie van toelichting en dan kan je niet anders dan concluderen dat ook als er sprake is van grote vluchtelingenstromen om ons heen, die wet kan worden ingezet om de Nederlanders te beschermen.

De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.

De heer Markuszower (PVV):
Ja, waar was ik nou? Voorzitter, waarom wel een crisis uitroepen voor de Oekraïners, maar niet voor de Nederlander? Ik heb het over de Nederlander die niet of amper rondkomt, de Nederlander wiens kinderen zonder boterhammen naar school worden gestuurd, omdat simpelweg het geld op is. Ik heb het over de Nederlander die bezwijkt onder de torenhoge gas- en energierekening, de Nederlander die nergens meer kan wonen; woningen zijn er niet of zijn onbetaalbaar geworden. Ik heb het over de Nederlander die zich gedwongen ziet zorg te mijden, die de benzine of diesel niet meer kan opbrengen, de Nederlander die zijn boerenbedrijf afgepakt ziet worden, de Nederlander wiens kinderen, in ieder geval in het toeslagenschandaal door de overheid, zijn ontvoerd. De pijn in zo veel Nederlandse huishoudens is zo groot; dát is pas crisis. Maar daarvoor is dit kabinet horende doof en ziende blind. Aan al die problemen en aan al dat leed bij de gewone Nederlander doet dit kabinet niets. Het is zelfs zo dat een Oekraïens gezin meer bijstand ontvangt dan een Nederlandse bijstandstrekker. De discriminatie van dit kabinet richting de gewone Nederlander is schaamteloos. Kabinetsleden die zo veel haat tegen de gewone Nederlander tentoonspreiden, krijgen nu, via deze noodwetgeving, ook nog eens de juridische middelen om die haat te kunnen botvieren.

Wij als Kamer moeten vandaag dit kabinet stoppen. Wij moeten tegen hen zeggen dat zij crisissen die ze zelf hebben veroorzaakt, zelf moeten oplossen en dat ze niet via dwang- of drangmaatregelen de Nederlander voor hun wanbeleid de prijs moeten laten betalen. Afgezien van het feit dat deze wet niet bedoeld is voor dit soort situaties en dus onrechtmatig is geactiveerd, is het nu activeren van deze wet ook niet proportioneel. Dat weet het kabinet zelf dondersgoed. Daarom heeft het kabinet onlangs aangekondigd om een nieuwe, reguliere wet te maken, zodat deze noodwet weer in een la terug kan. Tegen die mensen die nu opgelucht ademhalen en zeggen dat die reguliere nieuwe wet alles vast en zeker netjes zal gaan regelen, zeg ik: pas op. Want die reguliere wet geldt dan altijd. En die wet zal opvang afdwingen. Iedere gemeente kan dan op basis van een reguliere wet worden gedwongen tot opvang. Zolang dit kabinet zegt dat er voor alle echte vluchtelingen ruimte is in Nederland, zolang dit kabinet zegt dat buitenlanders in Nederland meer rechten hebben dan Nederlanders, zolang dit kabinet bereid is onze welvaart weg te geven aan buitenlanders en bereid is onze veiligheid op te geven en zolang dit kabinet de asielloketten openhoudt voor iedereen, dus ook voor nepvluchtelingen, blijft Nederland volstromen totdat we overstromen. Maar dan helpt geen enkele wet meer.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Markuszower (PVV):
Het was gezellig, voorzitter.

De voorzitter:
Ja, we hebben weer genoten. Het woord is aan mevrouw Bikker van de ChristenUnie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Sinds februari is een op de vijf Oekraïners het eigen land ontvlucht. Meer dan 8 miljoen mensen, kinderen zijn op de vlucht. Dat is onvoorstelbaar. Een klein gedeelte daarvan heeft zich in Nederland laten registreren: naar schatting 65.000 mensen. Dat zijn ongeveer evenveel mensen als er in de stad Assen wonen. Die mensen vluchten voor oorlogsgeweld. Daarvan denk ik: zullen we ervoor zorgen dat juist deze mensen, iedereen die vlucht voor een oorlog en die alles moet verlaten, een veilig heenkomen vinden? Zullen we ervoor zorgen dat we internationale afspraken die we hebben gemaakt over hoe je zorgt voor vluchtelingen en hoe je omgaat met mensen die vluchten voor oorlogsgeweld, nakomen? Dat is in ieder geval wel mijn inzet: dat we met andere landen, de omliggende landen, verantwoordelijkheid nemen voor het lot van deze mensen.

Voorzitter. Deze minister is een inwoner van Amsterdam. Ik moest denken aan een van de kruisen in het wapen van de stad Amsterdam, barmhartigheid. Dat past juist ook als we het hebben over vrouwen en kinderen die op de vlucht zijn en die uit een gruwelijke situatie komen.

Vanavond behandelen … Nou, vanmiddag nog; dat was eigenlijk best optimistisch van degene die hielp met deze bijdrage. Vanmiddag behandelen wij de Voortduringswet artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking. Dat is al een spannende naam; dat is ook gebleken. Maar waar gaat het feitelijk om? We leggen bij burgemeesters de taak neer om zorg te dragen voor de opvang en verzorging van ontheemden, van vluchtelingen uit Oekraïne. Zo heb ik het wetsvoorstel gelezen. Dat is de reikwijdte. Ik zou de minister om een klip-en-klare bevestiging willen vragen dat dat ook het enige is waarover deze wet gaat. Het is heel goed dat de minister in de nota naar aanleiding van het verslag stelt dat er bijvoorbeeld geen panden kunnen worden gevorderd op basis van de wet, al is er een collega die beweert van wel, en dat hier op dit moment ook geen sprake van is. Ziet mijn fractie het juist in dat de Kamer, in het onwaarschijnlijke geval dat zoiets nodig zou zijn, daarover ook weer eerst een procedure zou moeten doorlopen voordat de minister daarin actie zou ondernemen? In welke situatie zou de minister zich dat dan eventueel voor kunnen stellen?

Voorzitter. Tegelijkertijd wordt hier wel het staatsnoodrecht geactiveerd. Dat is niet niks, want dat vraagt om een hele stevige onderbouwing van de subsidiariteit, de tijdelijkheid en de proportionaliteit. Ook de ChristenUnie wil ervoor waken dat we te snel naar dit instrument grijpen, want hoe vaker je dat doet, hoe gewoner het wordt. Maar dat willen we ook om de verantwoordelijkheid daar te houden waar die hoort: allereerst bij het COA, dat gewoon verantwoordelijk is voor de opvang van vluchtelingen. Daarnaast willen we ook dat burgemeesters, als we hen aanspreken op de bevoegdheid die zij hebben, dat met hun gemeenteraad proberen waar te maken, zonder dat er vanuit Den Haag een regeling moet komen die zegt: ga het zo doen. Kan de minister daarom aangeven waarom er op dit moment naar haar inzicht geen minder vergaand alternatief beschikbaar was, aangezien ik ook juist zie dat de maatschappelijke bereidheid om te helpen enorm groot is? Ik kom op allerlei plekken vrijwilligers en kerken tegen die actief zijn om Oekraïense vluchtelingen te helpen. Was er echt geen route mogelijk zonder activering van deze wet?

Voorzitter. De beëindiging van dit wetsvoorstel kan plaatsvinden wanneer Oekraïners opvang kunnen krijgen door middel van de reguliere wettelijke structuren, zo schrijft de regering. Dat klinkt logisch, maar eerlijk gezegd doemen dan de andere problemen op die we verder in de asielketen zien. Daarom lijkt het vervolgens verder weg. Maar kan de minister aangeven hoe zij dat nu voor zich ziet en hoe we voorkomen dat het een het ander in de weg gaat zitten? Wat gaat er eigenlijk mis op het moment dat deze wet niet meer geactiveerd zou zijn?

Voorzitter. De toestroom van Oekraïense vluchtelingen past dus in een breder verhaal van een asielketen die al langer piept en kraakt, en waarin mensen veel te lang op menswaardige opvang moeten wachten. In antwoord op onze vragen stelt de minister dat voor deze wet is gekozen omdat de bestaande structuren niet voorzien in de benodigde opvang van Oekraïners, maar dat is toch het geval voor heel veel vluchtelingen uit andere landen? We zien dat nu eerlijk gezegd bijna elke week concreet bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Het gaat ons allemaal aan het hart als we daar mensen buiten zien zitten op stoelen. Er is nota bene een Ministeriële Commissie Crisisbeheersing ingesteld. Graag een reflectie van de minister, in het bijzonder op de opmerkingen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid, die een brandbrief schreven over de positie van kinderen in de huidige crisis in de asielopvang, en het spanningsveld tussen die situatie en wat we hier nu doen voor de opvang van de Oekraïense vluchtelingen. Daarbij is voor mij heel duidelijk dat ze allebei opgevangen moeten worden. Zullen we zorgen dat we op een hele goede manier gaan zorgen voor die kinderen?

Voorzitter. Ik kom op mijn laatste punt. Mijn fractie is geen voorstander van een lichtvaardige omgang met het staatsnoodrecht. Ik doe hier ook niet het voorstel om dat te activeren voor andere ontheemden of vluchtelingen, maar mijn fractie wil echt waken voor een onjuist onderscheid in de activering van het staatsnoodrecht. Vandaar ook de vraag aan de minister om daar precies op in te gaan. Er is ontzettend veel op poten gezet voor de opvang van vluchtelingen, bijvoorbeeld door Utrechtse kerken, maar ook op tal van andere plekken in het land. Ik zou daar eigenlijk op deze plek gewoon mijn waardering voor uit willen spreken. We hebben het hier namelijk over een noodoplossing die het kabinet zoekt, maar we zien ook heel veel mensen die, los van die noodoplossing, de schouders eronder zetten. Wat is dat veel waard.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Er is nog een interruptie van meneer Brekelmans voor u.

De heer Brekelmans (VVD):
Ik heb een korte opmerking richting mevrouw Bikker, want zij stelt ook vragen over de asielopvang van kinderen. We hebben vandaag een heel debat gehad over asielopvang en we hebben dat vorige week gehad. Daarin zijn al deze thema's aan de orde gekomen. We spreken nu met de minister van Justitie over een wet die niet gaat over de opvang van asielzoekers. Dus wellicht kan de minister kort op die vragen antwoorden, maar ik zou toch aan mevrouw Bikker willen bevestigen dat deze wet daar niet over gaat, ook om te voorkomen dat dit een breed asieldebat wordt. We hebben namelijk allemaal vragen over asiel, maar we hebben het nu over de wet die van toepassing is op Oekraïense vluchtelingen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Hier staat een woordvoerder uit de commissie Justitie, die iets meer is toegelegd op het staatsnoodrecht dan de woordvoerder Asiel. Juist daarom, omdat ik zie dat er nu twee wettelijke stelsels ontstaan, namelijk de wet die tegen het COA zegt "regel de opvang van vluchtelingen" en deze wet, die voor de Oekraïense vluchtelingen zegt "we gaan het zo doen", had ik daar mijn zorgen bij. Ik dacht: hoe zou dat opgelost zijn? Ik ging daarover lezen. Ik zag juist de reacties van de beide inspecties die ik noemde en de uitdrukkelijke wens richting het kabinet om daar regie op te voeren, niet alleen voor het korte moment — waar ik de overweging echt snap; daar hoort u mij niet over klagen — maar ook op de langere termijn. Ik vind het een belangrijk onderscheid en daarom benoem ik het hier wel, zonder de wens om een breed asieldebat te ontketenen. Breed werd het debat sowieso al, verheffend was het nog iets minder, maar misschien neemt dat toe in de loop van de tijd.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik het woord geven aan meneer Eerdmans van JA21. Gaat uw gang.

De heer Eerdmans (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Wij spreken vandaag dus inderdaad over de wet uit 1952, oorspronkelijk bedoeld voor ontruimingen en wat al dies meer zij. Nu gaat het over het van toepassing verklaren van een aantal artikelen op de Oekraïense vluchtelingencrisis. Door middel van artikel 4 krijgen burgemeesters de wettelijke taak om de opvang te bewerkstelligen. Kortom, het is de noodwetgeving aan de hand waarvan het kabinet de verplichting voor gemeenten om Oekraïense vluchtelingen op te vangen een wettelijk kader heeft gegeven. Dat is iets waar JA21 zich om een aantal reden bezwaard bij voelt en waar het bedenkingen bij heeft.

Vooropgesteld: JA21 voelt — dat hebben we ook vanaf het begin af aan gezegd — dat Nederland zijn rol moet oppakken in de Oekraïense vluchtelingencrisis. In de eerste plaats natuurlijk door de landen in de directe regio, zoals Polen en Hongarije, te ondersteunen op logistiek en financieel vlak. Maar hoe dichter de Oekraïners bij huis kunnen worden opgevangen, hoe beter dat is, zeker ook voor henzelf. Tevens hebben wij aangegeven dat als de buurlanden het allemaal niet meer kunnen behappen, ook Nederland zijn verantwoordelijkheid zal moeten dragen in de opvang van Oekraïense vluchtelingen; dat zijn veelal vrouwen en kinderen.

Maar het is wel verbonden aan een aantal voorwaarden. Het moet realistisch, beheersbaar, expliciet tijdelijk en altijd als sluitstuk zijn, niet als doel op zich. Het aantal geregistreerde Oekraïense vluchtelingen in Nederland bedraagt volgens de meest recente cijfers van de rijksoverheid inmiddels zo'n 68.000. Dat is inclusief de particuliere opvang. Het aantal bezette bedden in de noodopvang bedraagt bijna 48.000 van de totaal beschikbare 52.658. Ik dacht dat de staatssecretaris ons vanmiddag vertelde dat we op 92% van de capaciteit zitten. Het is een zeer groot aantal, kan je zeggen, waardoor onmogelijk kan worden gesteld dat wij als Nederland te weinig hebben gedaan. De gemeenten hebben hier volop en loyaal aan meegewerkt.

Maar ook nu geeft het kabinet geen limiet aan. Ook hier is er weer geen punt waarvan het kabinet zegt: het absorptievermogen is een keer bereikt. Het antwoord op een verregaande instroom is alleen: opschalen. Daarmee wordt opvang ook nu weer een openeinderegeling, vrezen wij, met een stok in de vorm van een wettelijke verplichting achter de deur. Deze werkwijze lijkt dan ook vooral een voorbode van wat het kabinet ook met de reguliere asielopvang van plan is.

De inwerkingtreding van deze wet is wat JA21 betreft dan ook niet alleen ongepast, omdat de opvang door gemeenten wat ons betreft vrijwillig zou moeten zijn en de bevoegdheid van gemeenten zelf, en disproportioneel, want er was al meteen heel veel opvang geregeld, maar het biedt tevens een gevaarlijk precedent, denken wij.

In de memorie van toelichting staat over de duur van inwerkingstelling van deze twee artikelen geschreven dat zij weer buiten werking zullen worden gesteld wanneer de omstandigheden dit toelaten. Dat is het geval wanneer blijvend op een verantwoorde wijze middels de reguliere, niet-noodrechtelijke wettelijke structuren weer in alle benodigde opvang is te voorzien en daardoor de noodzaak vervalt om het toedelen van die taak en de uitvoering ervan via de onderhavige noodwetgeving te reguleren. In de nota naar aanleiding van het verslag blijft echter onduidelijk wanneer dit moment dan toch bereikt is volgens het kabinet en welke concrete criteria hiervoor worden gehanteerd. Heel graag een reactie.

Hoe rijmt het kabinet nou het inkleden van allerlei nieuwe reguliere structuren met het tijdelijke karakter dat de opvang van de Oekraïense vluchtelingen zou moeten hebben? Het besef daalt in dat het conflict in Oekraïne nog lange tijd zal duren. Daarmee neemt ook de terugkeer van de Oekraïners die hun land eerder zijn ontvlucht gelukkig toe. Volgens recente cijfers van de UNHCR lijkt het erop dat inmiddels ongeveer één op de drie personen die Oekraïne waren ontvlucht, inmiddels weer is teruggekeerd naar Oekraïne. Graag een reactie, ook in het licht van het commentaar van de Raad van State. Die geeft namelijk expliciet aan dat er met het staatsnoodrecht zeer terughoudend zou moet worden omgegaan.

Voorzitter. Daarnaast bevindt zich onder de Oekraïense vluchtelingen ook een fors aantal niet-Oekraïners. We kennen het voorbeeld van het Friese Twijzel, waar de helft van de personen in de opvang voor Oekraïners bestond uit Afrikaanse jonge mannen. Op 19 mei stond de teller landelijk op 3.020 niet-Oekraïners in totaal, zo lezen we in de stukken. Hoeveel zijn dat er nu? Veelal gaat het om personen die ten tijde van de inval in Oekraïne gestudeerd zouden hebben. Ons bereiken ook geluiden van directbetrokkenen dat de controles in de praktijk wat weinig om het lijf hebben. Graag een reactie daarop.

Maar ook als alles klopt, dan nog hebben deze mensen natuurlijk een thuisland — dat is dan niet Oekraïne — waarnaar zij hopelijk wel kunnen terugkeren. Dit doen ze echter niet, zo lazen we bijvoorbeeld in het artikel van De Telegraaf over Twijzel, omdat ze graag in Nederland willen studeren. Een vraag aan de minister: erkent ze dat het hier niet om vluchtelingen, maar eigenlijk om migranten gaat? En welke conclusies verbindt ze hieraan?

Tot slot, voorzitter. Een andere bron van zorg zijn de maatregelen die nu nog niet van kracht zijn. We hebben het dan onder andere over het vorderen van panden. Het kabinet geeft zowel in de memorie van toelichting als in het antwoord op de schriftelijke vragen aan dat het zich inspant om de inwerkingstelling van dergelijke aanvullende bevoegdheden te voorkomen, en tevens dat het op het moment niet proportioneel is. Het blijft daarmee natuurlijk wel boven de markt hangen. Wanneer het kabinet van mening is dat de omstandigheden ertoe nopen, namelijk wanneer de beschikbare opvang knelt en andere mogelijkheden zijn uitgeput, kan het echter wel gedaan worden. De Kamer krijgt een brief en klaar. Dat het kabinet deze mogelijkheid niet wil uitsluiten, baart ons grote zorgen.

Ik rond af. We kennen het kabinet als het kabinet van drang en dwang. Rutte IV wordt ook wel "dwang I" genoemd. Dan gaat het om warmtepompen — daar weet de minister ook alles van, gezien haar vorige functie — om van het gas af, en, momenteel, om het onteigenen van boeren en het wettelijk verplichten van asielopvang door gemeenten. De vandaag voorliggende wet past in dat rijtje. JA21 zal hier dan ook niet mee instemmen. Zoals in de memorie is aangegeven, verplicht artikel 2, lid 3 van de Wet verplaatsing bevolking de regering ertoe om bij een verwerping van het voorliggende wetsvoorstel per direct over te gaan tot het buiten werking stellen van de artikelen 2c en 4. De Kamer weet dus wat haar te doen staat.

Dank u wel.

De voorzitter:
Ik dank u. Het woord is aan de heer Van Haga van de Groep Van Haga. Gaat uw gang.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter. Tijdens de coronaperiode zagen we een verschuiving van de rol van de Staat. De Staat eigende zich steeds meer macht toe en schond op grote schaal onze grondrechten, zogenaamd in het belang van het collectief. Want we moesten het samen doen en de overheid werd dader. Je mocht je huis niet meer uit vanwege de publieke gezondheid. En nu komt er een nieuwe schending van grondrechten aan, namelijk het onteigenen van bezit en het schenden van het eigendomsrecht. We zien het ook bij het stikstofbeleid van dit kabinet, waarbij boeren gedwongen uitgekocht dreigen te worden. Met de inwerkingstelling van de Wet verplaatsing bevolking doet het kabinet het opnieuw: noodwetgeving invoeren om bedrijven en huizen af te pakken vanwege een zogenaamde noodsituatie, namelijk voor de opvang van asielzoekers.

Voorzitter. De Wet verplaatsing bevolking is een wet uit 1952, die van stal wordt gehaald om noodopvang voor asielzoekers te realiseren. Maar de wet heeft vergaande gevolgen voor burgers en bedrijven. De minister verplicht gemeenten indirect om asielzoekers op te vangen. De gemeenteraden worden buitenspel gezet. In plaats van de migratiekraan dicht te draaien en het minder aantrekkelijk te maken om naar Nederland te komen, faciliteert dit kabinet het episch falen van het asielbeleid via het schenden van grondrechten.

Volgens noodrechtspecialist Adriaan Wierenga van de Rijksuniversiteit Groningen kunnen er onder de Wet verplaatsing bevolking leegstaande panden worden gevorderd, en kan zelfs een tweede woning van mensen worden afgenomen voor asielopvang. Het eerste zien we al gebeuren: ondernemers worden gedwongen om hun pand op te geven. BVNL vindt het absurd dat het eigendom van de Nederlandse bevolking moet wijken voor dit probleem, voor de asielzoekers. De overheid moet van onze eigendommen afblijven. Mijn vraag aan de minister is dan ook: hoeveel asielzoekers moeten er Nederland binnenkomen, wil het kabinet huizen gaan afpakken?

En klopt het dat de bedragen …

De voorzitter:
Er is een interruptie. Wilt u uw vraag nog even afmaken?

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Ja, laat ik mijn vraag even afmaken. Klopt het dat de bedragen die de gemeenten van het Rijk krijgen via de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne gemeenten meer opleveren dan wanneer de panden verhuurd worden aan bedrijven? Klopt het dus dat het Rijk de gemeenten feitelijk stimuleert om bedrijven weg te jagen?

De heer Brekelmans (VVD):
De heer Van Haga wekt hier twee suggesties die niet kloppen. De eerste is dat hij steeds spreekt over "asielzoekers". Kan hij in ieder geval bevestigen dat deze wet gaat over Oekraïense ontheemden en dat Oekraïners op dit moment geen asiel aanvragen, dus dat de term "asielzoekers" hier dus niet helemaal klopt? Het gaat uitsluitend om Oekraïners en niet breder om asielzoekers. Dat is namelijk wel de suggestie die de heer Van Haga wekt.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Daar heeft u helemaal gelijk in.

De heer Brekelmans (VVD):
Ik ben blij dat hij daarmee instemt. Het tweede is dat hij zegt: het leidt er nu al toe dat bedrijven hun panden moeten opgeven. Maar op basis van deze wet en de twee artikelen die zijn geactiveerd, is heel duidelijk dat het alleen maar gaat om het neerleggen van een verantwoordelijkheid bij een burgemeester en dat dit niks te maken heeft met privaat eigendom, laat staan individuele panden. Kan de heer Van Haga dus in ieder geval duidelijk aangeven dat de suggestie die hij wekt niet het geval is bij wat het kabinet tot nu toe, en in de afgelopen vier maanden, heeft gedaan?

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Ik denk dat de heer Brekelmans het precies goed zegt. Het is een suggestie. Het hangt boven de markt. Dat zei de heer Markuszower daarnet. De heer Eerdmans zei dat ook. Het hangt boven de markt. Artikel 7 wordt in de week gelegd. Als we verdergaan, een dreiging die we inderdaad boven de markt zien hangen, kan het zover komen. Het is een vergaande wet. Ik ben het helemaal met u eens dat artikel 2c en artikel 4 daar nog geen aanleiding toe bieden. Maar het ligt in het verlengde van deze wet. De artikelen op basis waarvan dat wel kan, staan er ook in. De zorg van BVNL is ook dat het zover gaat komen. Maar wat u zegt is waar.

De heer Brekelmans (VVD):
Dat is helder. De heer Van Haga zegt: het hangt boven de markt en is een dreiging, alsof het kabinet voornemens is om hier morgen of binnen een week toe over te gaan. Maar het kabinet heeft meermaals en heel duidelijk gezegd dat het op dit moment geen enkele indicatie of aanleiding ziet om dat te doen. Die wet is al vier maanden van kracht. Met de instroom van Oekraïners in de afgelopen vier maanden heeft het kabinet heel duidelijk aangegeven dat er geen aanleiding of indicatie is om dat te gaan doen. Bovendien werken we aan een tijdelijke wet, die deze wet gaat vervangen. Het beeld alsof er een dreiging zou zijn en boven de markt hangt dat dit morgen gebeurt, is misschien een angst die de heer Van Haga heeft. Dat is aan hem. Maar het is niet op basis van wat het kabinet zegt en tot nu toe heeft laten zien. Is hij dat met mij eens?

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Mijn vertrouwen in wat het kabinet doet of zegt, is in de coronatijd tot het absolute nulpunt gedaald. Als ik in de memorie van toelichting lees dat het op dit moment niet proportioneel is en dat er op dit moment geen aanleiding toe is, dan lees ik eigenlijk: op dit moment niet, maar pas op, op een later moment wellicht wel. Dat is precies mijn angst, en ik denk dat die terecht is. We hebben gezien hoe de panelen schuiven, bijvoorbeeld in coronatijd en nu ook weer op het stikstofdossier en het energiedossier en door de Oekraïense oorlog. U kunt mij echt niet kwalijk nemen dat mijn gevoel van vertrouwen in dit kabinet echt heel laag is. In deze memorie van toelichting lees ik grote zorgen.

De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter. Bovendien is noodwetgeving er voor noodsituaties. De Wet verplaatsing bevolking is er voor acute dreiging, zoals overstromingen en oorlogssituaties. Met de inwerkingstelling van artikel 2c per koninklijk besluit is het nu ook van toepassing op grote stromen asielzoekers. Dit valt niet onder acute dreigingen zoals bedoeld in de wet. Toen het koninklijk besluit en daarmee de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking in werking traden op 31 maart waren er nog 10.000 opvangplekken vrij. En ook nu zijn er nog duizenden plekken vrij. En ja, de massale immigratie is een groot probleem, een overigens door de overheid gecreëerd probleem doordat zij de asielstromen niet reguleert, maar het is een probleem dat binnen de reguliere wettelijke kaders makkelijk kan worden opgelost.

Voorzitter. Noodrecht moet met de grootst mogelijke terughoudendheid worden ingezet wanneer reguliere maatregelen geen oplossing kunnen bieden. Voor BVNL is de oplossing heel erg simpel. De ongecontroleerde asielstroom kan gemakkelijk een halt toegeroepen worden: sluit de grenzen, stap uit internationale vluchtelingenverdragen en zet in op uitzetting van veiligelanders. Op die manier houden we meer dan voldoende ruimte om oorlogsvluchtelingen tijdelijk op te vangen. Gelukkig hebben we nog een waslijst aan alternatieven voor de Wet verplaatsing bevolking. Het kabinet zou ook leegstaande rijksgebouwen kunnen gebruiken voor opvang, het zou vakantieparken en hotels kunnen huren, het zou in overleg ander particulier bezit kunnen huren, het zou uitgeprocedeerde asielzoekers uit azc's kunnen zetten om opvangplekken voor Oekraïners vrij te maken, en het zou illegalen uit de opvangplekken van de landelijke vreemdelingenvoorziening kunnen zetten. Graag een uitgebreide reactie van de minister op elk van deze voorstellen. Hoe zijn de alternatieven voor de verregaande Wet verplaatsing bevolking afgewogen en waarom is tóch besloten het noodrecht van stal te halen?

Voorzitter. Dan heb ik nog een aantal vragen over de termijn van de zogenaamde noodtoestand. Op welke termijn is de minister van plan de noodtoestand te beëindigen? Wordt deze pas beëindigd wanneer gemeenten gedwongen worden migranten op te vangen met de nieuwe wet die er aankomt?

Voorzitter, tot slot. BVNL zal tegen de inwerkingstelling van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking stemmen. Gemeenteraden ofwel burgers worden buitenspel gezet en krijgen asielzoekers opgedrongen. Onze democratie en onze grondrechten zijn opnieuw in gevaar met de inwerkingstelling van de Wet verplaatsing bevolking. BVNL pleit in dit kader voor uitzetdwang in plaats van opvangdwang. Het echte probleem is een uit de hand gelopen overheid die zich steeds meer permitteert, steeds meer grondrechten schendt. Of het nu gaat om boeren, vissers, mkb'ers of eigenaren van woningen en bedrijfsruimten, BVNL heeft één oproep aan deze collectivistische Staat: blijf met uw tengels van onze eigendommen af, in het belang van Nederland.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik het woord geven aan de heer Brekelmans van de VVD.

De heer Brekelmans (VVD):
Dank, voorzitter. In de eerste weken na de Russische invasie in Oekraïne kwamen grote aantallen Oekraïners in korte tijd naar Nederland: vluchtelingen uit onze regio op zoek naar een veilige plek. Van de miljoenen Oekraïners die de grens met de EU overstaken, wisten we niet hoeveel er naar Nederland zouden komen. Het was geen makkelijke taak om in korte tijd tienduizenden opvangplekken voor Oekraïners te regelen. Dit vroeg om snel handelen van het kabinet, de veiligheidsregio's, gemeenten en nog heel veel meer betrokkenen. De asielketen kon deze tienduizenden Oekraïners niet aan. De taken en verantwoordelijkheden moesten daarom snel bij burgemeesters worden belegd.

Het is begrijpelijk dat het kabinet gebruik heeft gemaakt van noodwetgeving om dit van een juridische grondslag te voorzien. Wel heeft de VVD bedenkingen bij de juridische oplossing die is gekozen. De Wet verplaatsing bevolking was oorspronkelijk met name bedoeld voor andere situaties, zoals een oorlog of een overstroming in Nederland. De wet wordt nu toegepast op een situatie waarin een oorlog buiten Nederland leidt tot vluchtelingenstromen naar Nederland. Hier biedt de wet enige ruimte voor. Volgens de Raad van State is deze interpretatie en toepassing uitlegbaar. Toch neemt dat de bedenkingen van mijn fractie niet weg. Ik vraag aan de minister of het wel wenselijk is om zo'n oude wet te gebruiken die, als je naar alle artikelen kijkt, in potentie zeer ingrijpend is, en of het wenselijk is om de interpretatie van deze wet zo ruim toe te passen. Hoe kijkt het kabinet hiernaar? En zijn dezelfde bedenkingen voor het kabinet de reden geweest om aan te kondigen dat er nieuwe tijdelijke wetgeving wordt opgesteld? Indien dit het geval is, wil de VVD het kabinet steunen in dit initiatief om tot nieuwe tijdelijke wetgeving te komen. Het is begrijpelijk dat een juridische oplossing soms nodig is in een crisissituatie. Wanneer er meer tijd lijkt te zijn, is het wenselijk om dit van een meer gedegen en meer gerichte juridische onderbouwing te voorzien. Kan de minister al iets zeggen over de reikwijdte van deze tijdelijke wet? Bevat deze dezelfde maatregelen als de artikelen in de Wet verplaatsing bevolking of is de reikwijdte hiervan een stuk beperkter?

Verder heb ik nog een vraag over de korte termijn, want op dit moment vangt Nederland ruim 68.000 Oekraïners op, waarvan ruim 47.000 Oekraïners gebruikmaken van gemeentelijke opvang. We zien dat dit aantal nog wekelijks oploopt, met name omdat Oekraïners doorreizen vanuit Polen en Duitsland. Er zijn bijna 52.000 plekken beschikbaar, wat betekent dat de buffer van ongeveer 5.000 plekken binnen enkele weken vol zou kunnen zitten als gemeenten geen aanvullende plekken realiseren. Door alleen de artikelen 2c en 4 te activeren heeft inzet van de Wet verplaatsing bevolking tot nu toe beperkte consequenties met zich meegebracht. Wil de minister nogmaals heel duidelijk toezeggen dat als het kabinet overweegt om ook andere artikelen uit de wet te activeren, de Kamer hierover tijdig zal worden geïnformeerd zodat wij hierover kunnen debatteren?

Ten slotte wil ik benadrukken dat het inzetten van noodrecht met ingrijpende bevoegdheden een uiterst redmiddel moet zijn. Dit vereist een duidelijke noodzaak en een solide juridische onderbouwing. We zien dat het kabinet de laatste jaren vaker naar noodrecht heeft moeten grijpen. Het kabinet heeft eerder aangegeven te werken aan een actualisatie van het noodrecht. Ik vraag de minister wat hiervan de stand van zaken is. Wanneer kunnen we hierover iets richting de Kamer verwachten? Wat zou zo'n update van het noodrecht in de toekomst betekenen voor een crisissituatie zoals we die de afgelopen maanden hebben ervaren met Oekraïense vluchtelingen?

De voorzitter:
Is dat het einde van uw betoog?

De heer Brekelmans (VVD):
Ja.

De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie voor u van de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Als ik de heer Brekelmans goed beluister, dan aarzelt hij of hij deze wet wel of niet moet steunen. Ik kan me daar best iets bij voorstellen. Als de Kamer deze wet zou verwerpen en de tijdelijke wet er nog niet is, wat doet hij dan met het punt dat dan onmiddellijk de grondslag wegvalt voor burgemeesters en gemeenten om Oekraïners op te vangen?

De heer Brekelmans (VVD):
Ik heb gezegd dat ik begrijp dat in de noodsituatie waar we in zaten het kabinet tot een snelle oplossing moest komen. En ik begrijp dat het kabinet tot deze wet is gekomen, zeker omdat alleen die twee artikelen zijn geactiveerd, burgemeesters deze taken hebben gekregen en de activering in de praktijk beperkte consequenties heeft. Wat mij betreft, kunnen deze twee artikelen actief blijven totdat er een tijdelijke wet is. Als nu wordt gevraagd om die wet niet te laten voortduren, zal ik daartegen stemmen. Ik vind het wel een juridische pleister die is geplakt en daarom vind ik het goed dat het kabinet met een andere oplossing komt. Ik heb een aantal vragen gesteld over wat de tijdelijke wet inhoudt en wanneer we die kunnen verwachten.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is er nog een vraag van de heer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):
De heer Brekelmans spreekt over nood als aanleiding voor deze wet. Zoals ik het heb begrepen, zijn er nog 10.000 lege bedden. Over welke nood hadden we het dan op dat moment?

De heer Brekelmans (VVD):
Er waren zeker geen 10.000 lege bedden. Op het moment dat de oorlog uitbrak op 24 februari, zagen we dat binnen een paar weken er duizenden Oekraïners naar Nederland kwamen. Dat werden er al snel tienduizenden. Eigenlijk hebben de veiligheidsregio's dat vanaf dag één gerealiseerd. Er waren op dat moment geen bedden bij het COA voorhanden of een ander type bedden. We zagen dus in de praktijk dat de burgemeesters dit deden zonder een juridische onderbouwing. We hadden kunnen zeggen: er is geen juridische onderbouwing voor wat er nu in de praktijk gebeurt. Ik vind het goed dat er een juridische onderbouwing bij is gezocht, want het waren de burgemeesters al die de bedden heel snel realiseerden.

De heer Stoffer (SGP):
Mag ik dan concluderen dat het juridische nood was, maar geen praktische nood?

De heer Brekelmans (VVD):
Er was een praktische nood om heel snel bedden te realiseren. We hebben gezien dat het voor gemeenten heel veel moeite heeft gekost om dat te doen. We zien in de zomermaanden dat het aantal bedden langzaam terugloopt, omdat veel vakantieparken, hotels en andere dingen nu in de zomer voor andere doeleinden nodig zijn. Er was dus zeker een praktische nood om bedden te regelen. Toen we zagen dat veiligheidsregio's en burgemeesters dat snel oppakten, was er ook een juridische nood om die praktijk juridisch te onderbouwen.

De voorzitter:
Afrondend, meneer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):
Maar was deze wet dan nodig om überhaupt die bedden voor elkaar te krijgen? Dat was zonder deze wet toch ook prima gelukt? Met alle respect zie ik niet in wat er praktisch gezien anders was geweest zonder deze wet.

De voorzitter:
Meneer Brekelmans, ook kort.

De heer Brekelmans (VVD):
Dan was het in de praktijk anders geweest. Wij vragen inmiddels vier maanden, maar waarschijnlijk langer, van burgemeesters om de verantwoordelijkheid te nemen voor het realiseren van deze bedden. Daar worden ze op aangesproken. Op het moment dat burgemeesters en veiligheidsregio's niet die 1.000 en vervolgens 2.000 bedden leveren die gevraagd zijn, worden ze daarop aangesproken. Als wij dat maandenlang hadden gedaan zonder enige juridische onderbouwing, had ik dat een onwenselijke situatie gevonden. Dan had meneer Stoffer waarschijnlijk een keer tegen het kabinet gezegd: we zijn het nu al maanden met elkaar aan het doen en het gaat om serieuze aantallen; wat is de juridische onderbouwing? Want die is er niet. Dat had ik een onwenselijke situatie gevonden.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga het woord geven aan de heer Jasper van Dijk van de Socialistische Partij.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dank, voorzitter. Deze wet gaat over de opvang van bijna 70.000 vluchtelingen uit Oekraïne, dit als gevolg van de brute inval van Poetin in Oekraïne op 24 februari. Al snel werd de beschermingsrichtlijn ingevoerd. Daarmee konden vluchtelingen uit Oekraïne snel worden opgevangen. De regering was er destijds op tegen. Hoe kijkt u daarop terug? De regering moest met noodoplossingen komen. Het was snel schakelen om voldoende plekken te vinden. Dat is gelukt. Ik heb het gezien in Amsterdam en dat zag er goed uit.

Tegelijkertijd moeten we terughoudend zijn met noodrecht. Daarom was ik verbaasd over het activeren van de Crisiswet, terwijl er ruim 10.000 bedden beschikbaar waren. Hoe rechtvaardigt de regering het inzetten van het noodrecht terwijl er op dat moment geen tekort was aan plekken? Was het hanteren van dit noodrecht en de Wet verplaatsing bevolking werkelijk nodig? In de schriftelijke inbreng stelde ik al de vraag waarom spoedwetgeving nodig was. Er waren immers bedden beschikbaar. Er leek dus nog wel wat tijd om een wet op te stellen. Dus waarom niet de reguliere weg overwogen? Nu is het toch een beetje alsof wij een stempelmachine zijn die achteraf iets mag goedkeuren. Dat is niet zo fraai, zeker als de staatssecretaris alsnog met een reguliere wet komt. Is het dan niet helemaal mosterd na de maaltijd?

Voorzitter. Dan de inhoudelijke vragen. De essentie van de wet is dat gemeenten wettelijk verantwoordelijk worden voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Maar hoe worden de gemeenten hiertoe door het Rijk in staat gesteld? Het is bekend dat gemeenten worstelen met een tekort aan materieel en aan bouwmaterialen. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten worstelt met de uitvoerbaarheid en de financiën. Dat de regering daarbij verwees naar het Leger des Heils en het Rode Kruis, was best een beetje beschamend. Hoe ziet u dat zelf?

Wat gaat de regering eraan doen om op korte termijn 75.000 bedden te realiseren? De oorlog duurt voort, maar we lezen over afnemend draagvlak bij gastgezinnen om mensen op te vangen. Hoe stelt u gemeenten in staat om aan de wettelijke verplichting van de wet te voldoen? Wat gaat er gebeuren als vluchtelingen uit Oekraïne een verblijfsvergunning krijgen? Dan zal de vraag naar woningen toenemen. Graag een reactie. Wanneer komt deze wet nu precies ten einde? Dat is nog niet helemaal helder. De staatssecretaris komt nog met een reguliere wet. Op welke termijn kan de Kamer deze verwachten?

Nog een zorgpunt: de samenhang met de beschermingsrichtlijn. De huidige constructie bestaat namelijk omdat vluchtelingen uit Oekraïne geen asiel hoeven aan te vragen. Wat houdt het in als die beschermingsrichtlijn niet wordt verlengd? De ontheemden zullen dan toch alsnog een asielaanvraag moeten indienen? Vallen ze dan wel of niet onder het COA? Graag helderheid.

Het laatste punt, voorzitter. Het verschil tussen de opvang van Oekraïners en de zogenaamde reguliere asielzoekers. Terwijl er duizenden bedden leegstaan, slapen de reguliere asielzoekers in Ter Apel op stoelen. Hoe kijkt u hiernaar, nu er aan twee wetten wordt gewerkt: eentje voor de Oekraïners en eentje voor de aanwijsplicht voor reguliere asielzoekers? Is dit onderscheid houdbaar? Of kun je de wetten beter combineren? Ook de VNG pleit daarvoor.

Voorzitter. We moeten bescherming bieden aan de mensen die daar recht op hebben, bij voorkeur met een wettelijke grondslag die daarbij past.

De voorzitter:
Ik dank u. Ik ga het woord geven aan de heer Stoffer van de SGP.

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Ik vervang vanmiddag mijn collega Bisschop, die wegens ziekte verstek moet laten gaan.

Het heeft onze fractie verbaasd dat het kabinet het nodig vond om het staatsnoodrecht in te zetten voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Op 1 april zijn de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking in werking gesteld. Burgemeesters kregen daarmee de wettelijke taak zorg te dragen voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Dat we goed voor mensen in nood moeten zorgen, staat voor de SGP als een paal boven water. Het draagvlak voor de opvang was en is nog steeds groot. De opvang verliep dan ook vrijwel probleemloos. Gemeenten, gezinnen en kerken zetten allemaal hun deuren en harten open. Ik wil van hieruit onze enorme waardering uitspreken.

Eind maart waren daardoor in ons land 31.820 bedden beschikbaar voor gevluchte Oekraïners. Ruim 10.000 daarvan waren niet eens bezet op dat moment. Niemand hoefde in de vrieskou te slapen. Van onmenselijke toestanden kunnen we dus niet spreken. Waarom is er toch naar dit machtsmiddel gegrepen? In de schriftelijke ronde heeft de SGP een groot aantal vragen gesteld. Ook na beantwoording blijven we nog met veel vraagtekens achter. Dat de minister op ons voornaamste punt, dat ik zojuist benoemde, niet ingaat, vind ik veelzeggend. Volgens mij is de Wet verplaatsing bevolking helemaal niet bedoeld voor de omstandigheden die wij hier hadden.

Voorzitter. Over wat voor wet hebben we het eigenlijk? De Wet verplaatsing bevolking werd in het leven geroepen om de eigen bevolking te evacueren. Volgens de wetgever is deze wet bedoeld voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, als de dijken doorbreken en daaraan verwante of daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden. De wet kan worden gebruikt voor de verplaatsing van de bevolking in het belang van haar veiligheid, voor de instandhouding van het maatschappelijk leven of voor de uitoefening van de taak van de krijgsmacht. Ook de behandeling in het parlement maakt duidelijk dat de wet nadrukkelijk ziet op een oorlog of acute noodsituatie. Hoewel de opvang van Oekraïense vluchtelingen een gevolg is van oorlog, is binnen onze landsgrenzen daarvan gelukkig geen sprake. Er staan geen vijandige tanks aan onze landgrens en ook onze dijken staan niet op doorbreken. Tenminste, voor zover onze informatie reikt natuurlijk. Van dat laatste heb ik meer verstand dan van het eerste, als civiel ingenieur.

De voorzitter:
Dat is een andere commissie.

De heer Stoffer (SGP):
Dat is een andere commissie, dus daar gaan we het niet over hebben. Maar de minister voert aan dat de wetgever expliciet heeft gewezen op het gebruik van de Wet verplaatsing bevolking in geval van een grote instroom van vluchtelingen. Alleen staat ook dat in het kader van de doelstelling van de wet. Dus: in geval van oorlog of een noodsituatie. De enige conclusie die moet worden getrokken is dat de Wet verplaatsing bevolking nu niet van toepassing is.

Een paar vragen hierover zijn de volgende. Ik wil graag een reflectie van de minister op de achtergrond en de doelstelling van deze wet. Deelt zij de conclusie dat inzet van deze wet beperkt moet blijven tot situaties van oorlog of acute nood en dat daar nu geen sprake van is? En welke alternatieven heeft het kabinet overwogen en waarom is niet voor een van die alternatieven gekozen?

Voorzitter. Waarom maak ik hier nu eigenlijk een punt van? Dat is omdat we naar onze mening heel zorgvuldig om moeten gaan met wetgeving, zeker wanneer wetgeving een forse inbreuk kan maken op wezenlijke basisvrijheden. En de Wet verplaatsing bevolking maakt dwang mogelijk. Het kabinet ziet er op dit moment weliswaar geen aanleiding toe en er zal opnieuw een voortduringswet voor nodig zijn, maar op termijn behoren dwangmaatregelen wel degelijk tot de mogelijkheden. De burgemeester zou inwoners kunnen dwingen om zich te verplaatsen of om te vertrekken. En een kantoorpand of een woonhuis zou in beslag genomen kunnen worden. Nu akkoord gaan met de inzet van deze wet breng de inzet van dergelijke dwangmaatregelen dichterbij en volgens mij moeten we dat niet willen. Om die reden vraag ik de minister nogmaals om een escalatieladder voor de inzet van deze wet. Wanneer en onder welke voorwaarden behoort dwang volgens de minister tot de mogelijkheden?

De redenatie van het kabinet gaat naar onze mening op meer punten mank, want de minister lijkt namelijk niet goed te kunnen onderbouwen waarom de wet wel kan worden ingezet voor Oekraïense vluchtelingen en niet voor reguliere asielzoekers. In de schriftelijke ronde werd door de ChristenUnie terecht gevraagd waarom de Wet verplaatsing bevolking niet bij eerdere asielcrises is ingezet. De regering antwoordt dat de huidige zeer plotselinge toestroom van Oekraïense vluchtelingen zodanig groot is dat met de bestaande structuren niet in de benodigde opvang kon worden voorzien. Maar, is mijn vraag dan, was daar in 2015-2016 bij de vorige asielcrisis dan geen sprake van? Het water stond het COA toen ook tot over de lippen. En nog steeds is de opvang van asielzoekers totaal niet op orde.

En dat is het grote onderliggende probleem dat hiermee aan het oppervlak komt. Nu instemmen met de inzet van deze wet, zonder onderbouwing waarom dit wel voor Oekraïners en niet voor de opvang van asielzoekers zou gelden, brengt ook dwang bij de opvang van reguliere asielzoekers dichterbij. En dat vindt de SGP riskant. Laten we in blijven zetten op het bouwen van draagvlak in plaats van dat eigenhandig af te breken!

Voorzitter. Wat opvalt, is dat ook de argumentatie van de minister gewijzigd is. Bij de activering van de Wet verplaatsing burgerbevolking werd er voornamelijk op gewezen dat er voldoende opvangplekken moesten worden gerealiseerd voor het zeer grote aantal vluchtelingen, terwijl, als wij de staatjes bekijken, er nog 10.000 lege bedden klaarstonden. Inmiddels lijkt de regering in te zien dat dat argument onvoldoende steek houdt. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt daarom vooral benadrukt dat de opvang en verzorging van ontheemden een wettelijke grondslag moest krijgen. Maar dat maakt mijn verbazing alleen maar groter, want daar is het staatsnoodrecht toch niet voor bedoeld. We hebben het nog steeds over de Wet verplaatsing burgerbevolking en niet over de wet opvang en verzorging van vluchtelingen. Heel graag daarop een reactie van de minister.

Ook het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de VNG zijn kritisch over de inzet van de wet. Burgemeesters werden een uitvoeringsloket van de landelijke overheid, die door middel van regels bepaalt wat de burgemeester moet doen. Door deze wet kwamen ook de gemeenteraden buitenspel te staan, zodat ze hun rol als democratisch controleur niet meer konden waarmaken. De regering geeft aan dat deze taak tijdelijk bij burgemeesters is belegd, maar ja, hoelang is "tijdelijk"? Er is nu een bestuurlijk afsprakenkader met gemeenten, maar het kabinet houdt nog wel vast aan noodrecht. Waarom is alleen dit kader onvoldoende?

Er wordt gewerkt aan een tijdelijke wet die deze voortduringswet moet vervangen. Mijn vraag is of de minister in elk geval kan toezeggen dat de democratische controle daarin de ruimte krijgt, zodat gemeenteraden niet langer buitenspel staan.

Voorzitter. Het kabinet lijkt tegenwoordig steeds gemakkelijker naar crisismaatregelen te grijpen. Deze wet werd geactiveerd bij koninklijk besluit en het parlement werd gepasseerd. Mijn fractie heeft daar grote moeite mee. Het klopt dat de Wet verplaatsing bevolking de mogelijkheid biedt per direct maatregelen te treffen, zonder dat de Kamer zich daarover heeft uitgesproken, en dat is logisch in scenario's als die waar de wet voor bedoeld is: acute nood. Dan moet er direct gehandeld worden. Maar zoals gezegd: daar was onzes inziens geen sprake van.

Inmiddels staat de Kamer voor een voldongen feit en kunnen we ons alleen nog uitspreken over deze voortduringswet. De ambtenaren gaven aan dat voorafgaande sondering bij het parlement gewenst was, zoals bijvoorbeeld bij de avondklok wel is gebeurd. Maar het kabinet heeft de keus gemaakt om het parlement niet te sonderen en daarmee te omzeilen. En mijn vraag is: waarom? En hoe wordt teruggekeken op de gang van zaken bij deze voortduringswet? En vooral: welke lessen trekt het kabinet richting de toekomst?

Voorzitter, concluderend. Alles overziend vindt mijn fractie de inzet van de Wet verplaatsing bevolking staatsrechtelijk onjuist, politiek-bestuurlijk onhandig maar uiteindelijk vooral schadelijk voor het vertrouwen van burgers in de overheid. Volgens mij moeten we daar met elkaar nog goed over spreken deze avond.

Dank u wel.

De voorzitter:
Ik dank u. Ik zie dat er nog een interruptie voor u is van de heer Brekelmans.

De heer Brekelmans (VVD):
De heer Stoffer heeft veel kritiek op de werkwijze van het kabinet. Waar ik het niet mee eens ben, is dat hij zegt dat er geen sprake was van een crisissituatie. In de eerste weken van maart, april ging het al heel snel om tienduizenden mensen in heel korte tijd. Normaal gesproken komen er ongeveer 30.00 asielzoekers in een jaar hiernaartoe, misschien wat meer: 40.000. Dat aantal werd nu al binnen een maand à anderhalve maand bereikt en we wisten niet hoeveel het er nog zouden worden. Dus eigenlijk moest het kabinet in een maand het aantal opvangplekken realiseren, in een asielsysteem dat al overvol was, waar het normaal gesproken een jaar de tijd voor heeft. En dat zonder dat het wist hoeveel het daarna nog zouden worden. Er was dus wel een acute noodzaak om heel snel op allerlei manieren opvangplekken te realiseren. Dat kan het kabinet niet praktisch door het hele land doen, dus daar zijn de burgemeester voor ingezet.

Als de heer Stoffer in ieder geval onderkent dat er op dat moment wel een noodsituatie was, omdat er iets geregeld moest worden wat er nog niet was, op heel korte termijn en op grote schaal. Als hij onderkent dat we dat wel van een juridische onderbouwing wilden voorzien, omdat anders burgemeesters zullen zeggen, als je ze daarop aanspreekt: ja maar, wat is nou de juridische grondslag hiervoor? Als hij dat onderkent, welke oplossing zou de heer Stoffer, de SGP, dan hebben aangedragen, als hij zo kritisch is op wat het kabinet nu doet?

De heer Stoffer (SGP):
Twee dingen. Een. Als je dit wil, zou ik eerst het parlement hebben gebeld. Dat had gekund. Twee. Ik zei al dat ik invaller ben voor collega Bisschop, maar ik heb wel even naar de getallen in de staatjes gekeken. Ik heb daarin nooit gezien dat er praktisch gezien één bed tekort was. Was dat anders geweest, hadden er mensen buiten gelegen, dan had ik gezegd: oké. Maar praktisch gezien heeft onze Nederlandse samenleving gezegd: wij nemen onze verantwoordelijkheid; wij zien wat er aan de hand is. Op de meest ongedachte plekken kwamen huizen en van alles en nog wat vrij. Dat is wat mij betreft prima gegaan. Dus de juridische grondslag was hier naar onze beleving niet nodig. Het is gewoon praktisch heel goed opgelost.

De heer Brekelmans (VVD):
We kunnen dat allebei niet zeggen, want de juridische grondslag is gecreëerd waardoor burgemeesters in het hele land de wettelijke taak hadden om niet alleen de eerste 25.000 plekken te realiseren. Ik ben het eens met de heer Stoffer dat die er vrij snel waren, maar het realiseren van de tweede 25.000 was al een heel stuk moeilijker. Er zijn veiligheidsregio's die tot op de dag van vandaag niet aan de 2.000 komen. Eigenlijk ieder extra bed of iedere 1.000 extra bedden die je moet realiseren, zijn nog steeds moeilijk. Burgemeesters hebben echt tot het uiterste moeten gaan om die te realiseren. Maar ze hadden dus de wettelijke taak om dat te doen. Of ze dat ook hadden gedaan zonder die wettelijke taak, dat weet de heer Stoffer niet en dat weet ik ook niet. Maar ik vind het opvallend dat hij zegt dat de SGP het goed zou vinden als er geen enkele juridische grondslag zou zijn voor die grote operatie die we vragen van burgemeesters door het hele land. Dat betekent dat het kabinet dan morgen van alles kan doen zonder dat daar een juridische grondslag voor is. Dat kan toch niet een houdbaar standpunt van uitgerekend de SGP zijn?

De heer Stoffer (SGP):
Een. Natuurlijk zit er een kern van waarheid in wat de heer Brekelmans aangeeft. Maar het was niet acuut, dus het had gewoon eerst hier in het parlement behandeld kunnen worden, zonder dat er daardoor praktisch iets misging. En dat had ook heel snel gekund. Nu is er gegrepen naar noodrecht, noodstaatsrecht terwijl het naar onze beleving gewoon regulier had gekund, met een snelle behandeling hier in de Kamer. Want er was geen praktisch tekort. Er lag niemand op straat. Natuurlijk lag er een grote opgave. Die is praktisch gelukt. En dan duurt het ook nog heel lang voordat we de wet hier behandelen. Dus wat ons betreft zeggen we: het parlement is terzijde gesteld. Die vraag stel ik aan het kabinet; ik wil weten waarom. Wat zijn de overwegingen geweest? Naar onze beleving had het anders gekund en gemoeten. Nu is het achteraf, nu sta je erbij en kijk je ernaar.

De voorzitter:
Hier gaan we het bij laten, meneer Brekelmans. Kom, het is wel helder; u gaat het niets eens worden.

De heer Brekelmans (VVD):
Wat ik ook niet helemaal zuiver vind, is dat de heer Stoffer zegt dat wij het nu pas behandelen. Want het is uitgerekend de SGP geweest die vroeg om een technische briefing met experts. Vervolgens konden een aantal van die experts op het laatste moment niet en heeft ook de SGP gezegd dat de technische briefing dan niet meer hoefde. Daarom staan wij hier nu pas om deze wet te behandelen. We hadden dat ook twee maanden eerder kunnen doen, als wij dat als Kamer hadden gevraagd. Als de SGP daarom had verzocht, dan was het misschien ook wel eerder ingepland geweest. Dus wat betreft het beeld dat het parlement maandenlang buitenspel is gezet door het kabinet weet de heer Stoffer ook: als wij hier eerder over hadden willen spreken en we niet op verzoek van de SGP op die technische briefing hadden gewacht, dan hadden we dit veel eerder met elkaar kunnen bespreken.

De voorzitter:
Meneer Stoffer, kort.

De heer Stoffer (SGP):
Op zich is dat natuurlijk een terecht punt. Mijn punt van kritiek is een ander. Er was geen noodsituatie, maar er is gegrepen naar noodstaatsrecht. Dat had anders gekund. Natuurlijk hadden we het hier ook een maand of anderhalve maand eerder over kunnen hebben, maar daarmee ligt het principiële punt niet anders. Daar wegen wij het net een klein beetje anders, denk ik. Het was anders geweest als de mensen buiten op straat hadden gelegen. Dan hadden we gezegd dat je dat ook moet doen. Maar er lag niemand op straat; er waren permanent voldoende bedden beschikbaar. Waarom? Omdat we een krachtige Nederlandse samenleving hebben, die heeft gezegd: wij nemen de handschoen op. Je ziet dat er overal op plekken door particulieren met een enorme inzet is opgevangen. Op die kracht in de Nederlandse samenleving moeten we heel zuinig zijn. Die moeten we niet door wetgevingen die je er telkens als een soort noodmaatregel doorheen zet gaan verlammen, want dan halen we de kracht uit onze Nederlandse samenleving. Dat moeten we niet willen.

Het is een beetje langer, voorzitter, maar het zit me best wel hoog. Dank u wel.

De voorzitter:
Ik begrijp het. Ik dank u. Ik ga het woord geven aan mevrouw Van der Plas van BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Voorzitter. Burgers van Nederland. De mensen op de publieke tribune die dit belangrijke debat volgen, ook welkom. De ravage, de vernietiging en de brutaliteit van deze oorlog hebben tienduizenden Oekraïners gedwongen om massaal op de vlucht te slaan. Oekraïners hebben onze hulp nog steeds hard nodig. Als er geen opvang mogelijk is in de eigen regio, moet Nederland deze mensen op een fatsoenlijke manier kunnen opvangen. Alleen is dit nu eenmaal vanwege de grote aantallen mensen een bijzonder lastige opgave gebleken. Niet alleen omdat ons asielsysteem nu compleet is verstopt, want dat was het ook al voor de oorlog. Daarom heeft de regering geopperd om dit als een landelijke crisis te bestempelen, waardoor er in de ogen van het kabinet gebruikgemaakt moet worden van noodwetgeving. Het zijn, aldus het kabinet, buitengewone omstandigheden die afwijking van bestaande structuren noodzakelijk maken.

De Wet verplaatsing bevolking staat hier nu centraal, specifiek de artikelen 2c en 4. Om deze wetten te kunnen aanwenden is het staatsnoodrecht nodig. Dit is op 31 maart al ingegaan en we hebben er nu pas een debat over. Zegt dat niet genoeg? Als een debat over de inwerkingstelling van dit noodrecht drie maanden en zes dagen kan wachten, dan zegt dat erg veel over de noodzaak: er is geen noodzaak. Het is mij niet duidelijk waarom dit nu een noodsituatie is. Waarvoor is de noodwetgeving geactiveerd terwijl die fundamentele grondrechten kan schenden? Dit mag wat mij betreft alleen toegelaten worden als ons land door grote bedreigingen ontwricht wordt: gewelddadige revoluties of oorlogshandelingen tegen het Koninkrijk der Nederlanden of grootschalige rampen. Dat is hier niet het geval.

Zit Nederland in een gespannen situatie? Zit Nederland in een lastige periode? Is Nederland op dit moment niet meer een gaaf landje? Absoluut. Zijn er problemen? Zeker. Maar om dit op te lossen is het staatsnoodrecht volstrekt niet nodig. Sterker nog, het is buitenproportioneel. Het staatsnoodrecht moet de allerlaatste reddingsboei zijn waar de Staat zich aan kan vastklampen ter bescherming tegen bedreigingen waardoor het voortbestaan van onze Staat in het geding komt. Dat betekent dat eerst alle andere opties bekeken moeten worden voordat we het überhaupt over het staatsnoodrecht mogen hebben. Heeft het kabinet dit geprobeerd? Nee. Althans, ik heb het niet gezien of gemerkt. Kan de minister ons uitleggen welke opties allemaal zijn doorlopen om tot zo'n rigoureuze beslissing te komen en, zo nee, waarom niet?

De kabinetten-Rutte hebben onze asielprocedure de afgelopen jaren laten vastlopen. Dit heeft geleid tot onvoldoende doorstroom van asielzoekers. Afgewezen asielzoekers uit veilige landen die niet in hun bestaan worden bedreigd, worden niet teruggenomen door de landen van herkomst. Wat heeft de regering ondernomen waardoor dit verholpen of in ieder geval verlicht kon worden? Ik heb het nog niet gezien. Om deze doorstroom te forceren had de regering met een harde vuist op tafel moeten slaan in de onderhandelingen met landen als Marokko. Wij hebben die macht en hadden die al lang geleden moeten gebruiken. De regering heeft ook geen landelijke kaders opgesteld. De regering heeft niet of nauwelijks actief het voortouw genomen om voldoende asielopvang te creëren. Vliegveld Lelystad staat al jaren leeg en de komende jaren ook. Richt dat in voor veiligelanders die niet in hun bestaan worden bedreigd maar wel voor overlast zorgen in dorpen als Budel. Zoveel overlast dat burgers daar niet meer de straat op durven. Ze durven niet meer te pinnen bij een pinautomaat en durven hun dochters niet meer alleen op de fiets naar hun bijbaantje bij de Jumbo te laten gaan. Buschauffeurs rijden de halte bij een azc voorbij als ze deze overlastgevers zien wachten, omdat ze bang zijn voor hun eigen veiligheid en die van hun passagiers. Deze overlastgevers houden nu de plekken van de echte vluchtelingen bezet: gezinnen met kinderen. De voorbeelden die ik noem uit Budel, verzin ik niet. Ik ben daar deze week samen met de heer Eerdmans op werkbezoek geweest. We hebben uitgebreid met de bevolking in Budel, met de ondernemers in Budel gesproken. Zij hebben al deze voorbeelden aangegeven, en ik begreep dat D66 en SP ook een uitnodiging hebben geaccepteerd om daarnaartoe te gaan.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, er is een interruptie van de heer Brekelmans. Ik wil meneer Brekelmans wel vragen om nu echt af te gaan ronden met interrupties. Ik begrijp dat het wetgeving is, maar dit is uw dertiende. U moet een ander ook een kans geven.

De heer Brekelmans (VVD):
Zeker. Ik ben het met mevrouw Van der Plas eens dat we er alles aan moeten doen om mensen uit Marokko, die hier niet mogen blijven, terug te sturen en dat we overlast hard moeten aanpakken. Alleen, er wordt hier steeds een suggestie gewekt die feitelijk niet klopt. Het aantal Marokkanen, veiligelanders, dat hier jaarlijks naartoe komt, betreft enkele duizenden. Vervolgens komen er in hele korte tijd 30.000, 40.000 tot 70.000 Oekraïners hiernaartoe. Het beeld dat we het hadden opgelost als we nou met de vuist op de tafel hadden geslagen en we die Marokkanen allemaal hadden kunnen uitzetten, klopt niet. Dat had in de opvang 2.000 à 3.000 plekken gescheeld, terwijl we nu in hele korte tijd met 40.000 Oekraïners te maken hadden. Dus is mevrouw Van der Plas het met mij eens dat dat niet als dé oplossing kan worden neergezet voor de situatie waar we de afgelopen maanden mee te maken hebben gehad?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb het niet alleen over Marokkanen. Ik noem Marokko als voorbeeld.

De voorzitter:
Een ogenblik, mevrouw Van der Plas. Heren, wilt u de conversatie buiten voortzetten? Gaat u verder.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb niet gezegd dat het alleen om Marokkanen gaat. Het gaat om veiligelanders. Dan heb ik het specifiek over veiligelanders die niet in hun bestaan worden bedreigd. Want je hebt natuurlijk ook veiligelanders uit andere landen die op de een of andere manier wel in hun bestaan worden bedreigd. Ik heb het ook over veiligelanders uit andere landen: uit Algerije of Tunesië of noem maar op. Het is ook niet of-of. Het is en-en. Ik noem dit als een voorbeeld. Ik heb nog wat spreektekst, waarin ik nog andere voorbeelden noem.

De voorzitter:
Ik stel voor dat we daar eerst naar gaan luisteren, meneer Brekelmans.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Afrondend ...

De heer Brekelmans (VVD):
Ook als je alle veiligelanders bij elkaar optelt, kom je niet boven de 10.000 uit. Mevrouw Van der Plas zegt: deze situatie was geen crisissituatie, er was geen acute noodzaak. Welke groepen je ook uit de asielpopulatie pakt, die is een stuk kleiner dan de 30.000, 40.000 mensen waarmee we in één maand te maken hadden. Er moest dus op de hele korte termijn acuut iets gebeuren, even los van alles wat in het asielsysteem beter kan.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is dan de mening van de heer Brekelmans. Ik vind dat deze wet wel ontzettend ver gaat. Fundamentele grondrechten kunnen worden afgenomen. Ik heb overigens geen last van het gelach in de gang. Maakt mij verder niet uit, laat ze maar lekker lachen. Er wordt veel te weinig gelachen in de wereld, dus prima. Ik vind dat deze wet gewoon veel te ver gaat als je kijkt naar de situaties waarin je 'm eigenlijk zou moeten gebruiken. In het begin hadden we een hele grote instroom van Oekraïners. Dat maakt natuurlijk wel dat er iets moet gebeuren om die mensen allemaal onderdak te bieden. Dat snap ik ook wel. Je kan niemand op straat laten slapen. Maar dat vind ik van iedereen. Ik vind het ook vreselijk dat mensen dakloos op straat rondlopen of in een auto moeten slapen omdat ze geen woning hebben.

De voorzitter:
Dank u wel.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Maar goed, ik vind deze wet ... Maar dat ga ik hier nog verder uitleggen. Dat zal ook mijn slotconclusie zijn.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De regering heeft verder laakbaar gehandeld bij het hanteren van onhaalbare stikstofdoelen die woningbouw belemmerden. De regering heeft de voorgaande jaren veel te weinig woningen laten bouwen. Een regering die nu boeren en burgers tegen elkaar uitspeelt door te zeggen dat de stikstofruimte van boeren nodig is om nu de woningbouw vlot te trekken. Die geluiden hoor je ook vanuit de Kamer. "Koeien of huizen", heeft een Kamerlid van GroenLinks meerdere malen getwitterd. Dus zeg niet dat boeren en burgers níét tegen elkaar worden uitgespeeld. Ik wil hierbij even een kleine nuance maken. Het Kamerlid dat twittert over koeien of huizen, heeft het over de stikstofruimte en heeft het niet over de grond. Daar bestaan nog weleens misverstanden over, dat dat om de grond zou gaan. Dus laat ik die nuance ook maken. Desalniettemin speel je wel burger en boer tegen elkaar uit.

Voorzitter. Concluderend zeg ik dat dit staatsnoodrecht naar mijn oordeel enkel in werking wordt gesteld omdat de regering de basis voor een goed functionerende asielketen niet op orde heeft gebracht. Ook wil ik opmerken dat ik het staatsrechtelijk onkies vind om bij de activering van noodwetgeving ook gelijk een aantal wetswijzigingen voor te stellen. In dit parlement wijzigen we wetten volgens mij niet op de nood, maar zorgvuldig en doordacht; althans, dat hoop ik. Het gaat hier om een wet die de regering veel macht geeft. Als de duur en het doel van het gebruik van dit staatsnoodrecht beter ingekaderd zouden zijn, waren er bij mij al wat minder zorgen geweest; nog steeds heel veel, maar ietsje minder. Alleen staat er nu een crisis ter discussie die eigenlijk tot in het oneindige uitgerekt kan worden, waardoor het gebruik van het staatsnoodrecht tot in het oneindige goedgepraat kan worden. Dat vind ik gevaarlijk. Graag hoor ik dan ook van de minister wanneer of onder welke voorwaarden deze noodsituatie dan weer ten einde zou zijn. Ook hoor ik graag hoeveel Oekraïense vluchtelingen nu, op dit moment, in Nederland zijn en hoeveel alweer besloten hebben terug te keren en alweer zijn teruggekeerd, en wat de prognoses zijn van de terugkeerders voor dit jaar. En hoe weten we zeker dat gemeenten de wet straks allemaal volgens de regels gaan uitvoeren? Bij veel onderwerpen zien we immers al dat er veel willekeur is in gemeenten bij de uitvoering van andere regels.

Voorzitter, dan mijn laatste vraag. Wat is erop tegen om de noodwet per vannacht 0.00 uur te deactiveren? Want zoals het nu voorligt, dragen de inwerkingtreding van het staatsnoodrecht en de mogelijke aantasting van het eigendomsrecht van Nederlanders bij aan een verdere polarisatie rond asiel- en vluchtelingenvraagstukken. Het zorgt voor angst, onrust, onbegrip, onduidelijkheid en onzekerheid. Op school … Dat weet de heer Van Meenen waarschijnlijk ook wel. De heer Van Meenen komt uit het onderwijs; niet dat ik bij hem in de klas heb gezeten …

De voorzitter:
Dat had zomaar gekund.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat had zomaar gekund. Dan hadden we ook nog wel wat discussietjes gehad, vermoed ik zo, meneer Van Meenen; voorzitter, sorry. Op school heb ik altijd geleerd: alles waar "on" voor staat, behalve het woord "ons", is niet goed. De noodwet creëert een tegenstelling waarin Oekraïense vluchtelingen bij aantasting van het eigendomsrecht van Nederlanders de schuld krijgen van een asielketen die compleet is vastgelopen onder verantwoordelijkheid van de regering. Dit beschouw ik als zeer schadelijk voor het maatschappelijk debat en het draagvlak voor de opvang van echte oorlogsvluchtelingen. Kortom, BBB is tegen deze wet en roept bij dezen ook op de wet te deactiveren.

De voorzitter:
Ik dank u zeer. Ik ga het woord geven aan mevrouw Kröger van GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Zoals verscheidene sprekers al hebben gezegd, vloeit dit wetsvoorstel voort uit de activatie van de Wet verplaatsing bevolking. Eind maart, begin april — het is toch alweer even geleden — moesten we rekening houden met een grote, gigantische stroom Oekraïense ontheemden, op de vlucht voor de verschrikkelijke oorlog met Rusland; ik moet zeggen: de inval door Rusland. Op dat moment hadden we het hier in de Kamer volgens mij over getallen zoals 300.000 mogelijke ontheemden of misschien wel meer. Gelukkig is dat tot op heden niet bewaarheid geworden. Nederland is erin geslaagd om tienduizenden ontheemden een warm welkom te geven. Dankzij gastgezinnen, gemeenteambtenaren, een heleboel organisaties zoals VluchtelingenWerk en het Rode Kruis kunnen we Oekraïense ontheemden de veiligheid bieden die hen in eigen land bruut ontnomen wordt.

Inmiddels zijn we die drie maanden verder. Het aantal Oekraïense vluchtelingen neemt toe, maar op dit moment niet in aantallen die ons in problemen zouden brengen. In de afgelopen periode waren het juist de reguliere asielopvangvoorzieningen — beter gezegd: het gebrek daaraan — waar totale chaos troef is. Ook vannacht sliepen weer 30 asielzoekers in de buitenlucht en we vangen gezinnen met kleine kinderen op in voorzieningen die trauma's veroorzaken, zoals de instanties waarschuwen. Uitgerekend dat soort situaties laten zich wat mij betreft kwalificeren als een noodsituatie, waarvoor je echt alle obstakels zou willen slechten om ervoor te zorgen dat mensen onder aanvaardbare omstandigheden kunnen worden opgevangen. Maar die gevallen vallen juist niet onder deze wet. Dit bezorgt mij op dit moment een bijzonder ongemakkelijk gevoel. Aan de ene kant hebben we een wet, een noodwet, en dreigden we op het moment dat die werd ingesteld, te maken te krijgen met een hele grote toestroom, maar is die situatie op dit moment beheersbaar. Aan de andere kant geldt dit allemaal niet voor juist de groep die echt kwetsbaar is en waar het echt misgaat.

Voorzitter. Voor de groep waarbij de situatie uiteindelijk beheersbaar is, is een ruimhartig politiek en publiek draagvlak. Er zijn op dit moment genoeg opvangplekken. Daarvoor hecht de minister nu de activatie van het staatsnoodrecht af met deze plenaire behandeling, terwijl het kabinet zich sinds het begin van de oorlog eigenlijk in allerlei bochten heeft gewrongen om geen oplossing te kiezen voor die hele groep van mensen die recht hebben op opvang. Dat wringt met elkaar en geeft mij een ongemakkelijk gevoel. Wij hebben eigenlijk vanaf het begin van de crisis opgeroepen om te zorgen dat de maatregelen die je treft en de afspraken die je maakt met gemeenten gelden voor de hele groep die recht heeft op opvang.

De redenering van het kabinet om dat niet te doen overtuigt mij ook niet. In de ambtelijke voorbereidingsstukken stuitte ik op een intrigerende passage: "Het is van belang de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne niet te vermengen met de reguliere opvang van asielzoekers. Daarmee zou de inzet van noodbevoegdheden voor de crisis met betrekking tot de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne worden benut om tegelijkertijd de reguliere knelpunten in de asielopvang op te lossen. Daarvoor is het noodrecht, waarbij grondrechten in het geding zijn, niet bedoeld." Maar waarom is het noodrecht niet bedoeld voor reguliere knelpunten die zich als noodsituatie zouden laten kwalificeren? En waarom zijn bij die reguliere knelpunten geen grondrechten in het geding?

Mensen hebben twee weken geleden in het aanmeldcentrum in Ter Apel moeten vechten voor eten en drinken en kinderen zijn getraumatiseerd door de Nederlandse opvang. Ik wijs dus graag op de gedegen juridische analyse van Lieneke Slingenberg. Zij is hoogleraar migratierecht aan de VU. Ik citeer: "Hoewel de structurele problemen bij het COA op zichzelf de inzet van staatsnoodrecht niet kunnen legitimeren, kan dat mijns inziens wel het geval zijn als die problemen worden bezien in combinatie met de onvoorziene aankomst van een groot aantal vluchtelingen uit Oekraïne, aan de ene kant omdat deze structurele problemen ervoor zorgen dat de in 2004 afgesproken oplossing voor de opvang van grote groepen personen met tijdelijke bescherming op dit moment niet beschikbaar is, en aan de andere kant omdat het, nu gemeenten zijn belast met de opvang van Oekraïners, voor het COA nog lastiger is geworden om nieuwe opvangcentra te kunnen openen en het voor gemeenten nog lastiger is geworden om te voldoen aan hun verplichting om statushouders te huisvesten, waardoor de komst van een groot aantal asielzoekers uit Oekraïne ook de reguliere opvang van asielzoekers nog verder onder druk zet." Er is dus wel degelijk een verband tussen de opvang van die twee groepen die allebei recht op opvang hebben. Ik ontvang heel graag een reactie van de minister hierop.

Ik ben blij dat de minister in de brief kenbaar maakt dat zij echt tegemoetkomt aan het gevoel in de Kamer dat het noodrecht niet langer dan strikt noodzakelijk van kracht zou moeten zijn. Ik maak me wel zorgen over het gebrek aan urgentie, want ik veronderstel dat we, als we het tempo van de minister volgen, wellicht een keer voor het kerstreces gaan spreken over de wettelijke vervanging van de Wet verplaatsing bevolking. Ik hoor dus heel graag hoe de minister het tijdpad voor zich ziet. Ik hoop echt dat het kabinet ervoor kiest om met één wetsvoorstel te komen, dat de opvang regelt van zowel Oekraïners als andere vluchtelingen die recht op opvang hebben, en dat dus ook regelt welke bevoegdheden bij de gemeenten komen te liggen en welke verantwoordelijkheid bij het COA. Om de staatssecretaris, excuus, de minister op weg te helpen lijkt het me goed als zij kennisneemt van het tot in de puntjes uitgewerkte voorstel van de heer Grütters, van de Radboud Universiteit. Hij stelt voor om in de Huisvestingswet de gemeentelijke taakstelling voor statushouders ook van toepassing te verklaren op asielzoekers. Dat zou dan ook voor Oekraïners kunnen gelden. Ik ben heel benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.

Voorzitter. Ik rond af.

De voorzitter:
Dat is ... Daar dank ik u voor; laat ik het zo zeggen. Dan ga ik het woord geven aan de heer Slootweg, van het CDA.

De heer Slootweg (CDA):
Dank u wel, voorzitter. De oorlog in Oekraïne heeft tot een enorme vluchtelingenstroom geleid. Miljoenen mensen uit Oekraïne hebben een veilig heenkomen gezocht vanwege het oorlogsgeweld, de Russische bezetting, en raketten en granaten die inslaan. Een groot menselijk drama. Van die miljoenen zijn er enkele duizenden naar Nederland gekomen. Volgens de UNHCR zijn dat er op dit moment zo'n 66.000, van de heer Brekelmans begrijp ik dat het er 68.000 zijn en de heer Van Dijk heeft het over bijna 70.000 mensen.

Om dit in Nederland in goede banen te leiden, heeft het kabinet besloten om de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking als juridisch instrument in te zetten met als doel de veiligheidsregio's met hun burgemeesters in staat te stellen om de gemeentelijke opvang te regelen. De inwerkingstelling van het noodrecht, zoals per 1 april ingevoerd, is tijdelijk. De regering heeft aangegeven dat dit niet langer moet voortduren dan strikt noodzakelijk, en wil na de zomer dan ook met een soort uitwerking komen. Ik wil vandaag duidelijk krijgen waarom het kabinet heeft gekozen voor een noodwet in plaats van gebruik te maken van huidige wetten en regelgeving, en of het klopt dat als gevolg van de noodwet er toch nog iets van een aparte status voor deze groep Oekraïense ontheemden is en hoe zich die verhoudt tot andere. Ten slotte heb ik een aantal losse punten, zoals een doorkijkje naar de toekomst, de samenwerking in de EU en hoe we een aantal praktische problemen voor Oekraïense vluchtelingen kunnen oplossen.

En nu, voorzitter, zou ik ongeveer een verhaal gaan houden dat overeenkomt met dat van mevrouw Kröger. Want ook ik wil van de minister horen hoe zij ingaat op de punten van hoogleraar Slingenberg. Zij geeft aan dat als je heel goed kijkt, je ziet dat het niet alleen om de plotselinge instroom gaat, maar ook om een aantal bestaande, structurele problemen. Nederland heeft in 2004 bij de implementatie van de Europese tijdelijke beschermrichtlijn ervoor gekozen, anders dan andere EU-landen, geen aparte verblijfsstatus te creëren voor personen die tijdelijke bescherming zoeken. Een aantal andere EU-landen hebben dat wel gedaan. Ze dienen dan behandeld te worden als asielzoeker. Een consequentie is dat deze groep opgevangen zou moeten worden door het COA. Bij de implementatie was het uitdrukkelijk de bedoeling dat bij een massale toestroom van ontheemden het COA verantwoordelijk zou zijn voor de opvang. Dat het dit nu niet kan, komt door de combinatie van een plotselinge onvoorziene aankomst van een hoog aantal vluchtelingen uit Oekraïne en al langer bestaande, structurele problemen, dus niet door het enkele feit van massale toestroom. Maar als dat de oorzaak is, incidentele toestroom plus structurele problemen, waarom is er dan toch een onderscheid gemaakt? Ik hoop dat de minister dat duidelijk kan maken.

Voorzitter. Door deze tijdelijke noodwet creëer je een nieuwe categorie op te vangen personen waarvoor nieuwe regels, rechten, verplichtingen en overlegstructuren gelden. Had het dan toch niet meer voor de hand gelegen de huidige regelgeving optimaal te benutten? Met mevrouw Kröger wil ik dan ook verwijzen naar wat de heer Grütters van het Radboud heeft gezegd: pas bijvoorbeeld de Huisvestingswet aan, waardoor gemeenten verplicht worden middels een halfjaarlijkse taakstelling structureel meer opvangcapaciteit te creëren. Zou dit niet sneller zijn geweest en een minder groot beroep hebben gedaan op de capaciteit van gemeenten? Kan de minister uitleggen waarom men hier toch niet voor heeft gekozen?

Voorzitter. Dit leidt dus tot een aparte status. Over die aparte status heb ik toch een tweetal vragen. Met de Oekraïense ontheemden zijn er ook een aantal derdelanders gekomen: mensen die geen Oekraïner zijn, maar wel in Oekraïne werkten of studeerden. Waarom heeft men ervoor gekozen om deze groep toch onder de Richtlijn tijdelijke bescherming te brengen?

Het tweede. Er was ook al een groep Oekraïners die in Nederland leefden of werkten. Ook hierbij is ervoor gekozen om deze groep onder de bescherming van die richtlijn te brengen. Die passen mijn inziens toch niet helemaal bij de reden waarom de noodwet is ingeroepen, maar wellicht zie ik dat verkeerd.

Voorzitter. Het kabinet heeft bij de inwerkingtreding van de wet in de brief van 30 maart aangegeven dat de wettelijke taak van de burgemeesters op dit moment niet gepaard gaat met de activering van verdergaande noodwettelijke bevoegdheden, zoals het vorderen van gebouwen. Dus daar is geen sprake van. Bij activering van dergelijke noodbevoegdheden kunnen ook grondrechten in het geding zijn. Het kabinet geeft aan dat dit op 30 maart niet proportioneel was. In hoeverre is de situatie gelijk gebleven of veranderd sinds eind maart? Zou de minister daarop willen ingaan?

Voorzitter. Het opvangen van ontheemden is in de reguliere situatie geen taak van gemeenten. Ingevolge artikel 2, vierde lid van de Wvb is de regering dan ook verplicht om de artikelen 2c en 4b van de Wvb weer buiten werking te stellen zodra de omstandigheden het toelaten. In dit verband wordt gewerkt aan een landelijk gecoördineerde programmatische aanpak van de opvang van ontheemden uit Oekraïne, zo lees ik in de brief. Kan de minister toch al enkele contouren schetsen van wat de meer structurele wijze van opvang van Oekraïners gaat inhouden? En wordt in de programmatische aanpak ook rekening gehouden met het reeds bestaande tekort aan woningen en de bestaande situaties die zich bij opvanglocaties voordoen?

Voorzitter. Natuurlijk is er niet alleen in Nederland een enorme druk gekomen door de Oekraïense ontheemden. Veel andere landen, denk aan Polen, Hongarije en Roemenië, kennen nog een veel groter aantal Oekraïense ontheemden. Daarom heeft de Europese Unie via het programma REACT-EU 3,5 miljard beschikbaar gesteld voor de opvang van gevluchte Oekraïners. In hoeverre maakt Nederland daar gebruik van, zou ik de minister willen vragen.

Ten slotte, voorzitter. We zien dat veel Oekraïense vluchtelingen met gezondheidsproblemen kampen, soms fysiek, soms mentaal. Het is begrijpelijk dat het voor hen niet eenvoudig is om de weg te vinden. Velen van hen zijn het Nederlands of het Engels niet machtig. Hoe kijkt de minister aan tegen het idee om informatie over de Nederlandse gezondheidszorg toegankelijk te maken door deze bijvoorbeeld te vertalen in het Oekraïens? Ik stel die vraag vanwege het volgende. We hebben nu natuurlijk veel zaken op het terrein van de veiligheidsrisico's gebracht, maar ik kan me ook voorstellen dat een aantal taken zich wat meer lenen voor landelijk beleid.

Mijn allereerste vraag. Naast lokale overheden hebben ook artsen een project opgezet, namelijk huisartsvoorvluchteling.nl. Kent de minister dit project? En hoe kijkt zij ertegenaan om de ondersteuning van dit project voor Oekraïense vluchtelingen te bevorderen en dit beter vindbaar te maken?

Dank u wel.

De voorzitter:
Ik dank u. Ik geef het woord aan mevrouw Podt van D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Podt (D66):
Dank u wel, voorzitter. Sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne eind februari zijn inmiddels ruim 6 miljoen Oekraïners de grens naar de EU overgestoken, ruim 6 miljoen mensen die alles hebben moeten achterlaten en nog steeds in grote onzekerheid leven. Van die 6 miljoen hebben meer dan 60.000 Oekraïners de weg naar Nederland gevonden. We hebben met elkaar, met de gemeenten, organisaties en heel veel vrijwilligers door ons hele land, op een snelle en menswaardige manier kunnen regelen dat al deze mensen een plek hebben gekregen. Ik wil vanaf hier dan ook een groot compliment geven aan iedereen die hier een bijdrage aan heeft geleverd, of je nou staatssecretaris — hij is er niet, zie ik — gemeenteambtenaar, gastgezin of vrijwilliger bent: dank je wel.

Voorzitter. We spreken vandaag over een wet die elke burgemeester een wettelijke taak geeft in het opvangen van Oekraïense ontheemden. Vanuit de VNG krijgen we het signaal dat deze wettelijke grondslag nodig is. D66 ziet dan ook het nut en de noodzaak van het activeren van deze decennia oude wet. Het is wel van belang dat er voorzichtig wordt omgegaan met een zwaar instrument als het noodrecht, en dat we zo snel mogelijk een nieuwe tijdelijke wet ontvangen die we kunnen behandelen voordat deze van kracht wordt. Kan het kabinet reflecteren op de inzet van het noodrecht? En denkt het dat er met de kennis van vandaag andere opties waren die niet zijn uitgeput, voordat werd overgegaan tot het activeren van de Wet verplaatsing bevolking? Zoals gezegd heeft D66 begrip voor de inzet van de wet, maar we willen nooit een kans laten liggen om te leren.

Voorzitter. Ik kom bij een onderwerp dat voor mij nog steeds ingewikkeld is, en waarover het vandaag al een paar keer is gegaan, namelijk het onderscheid dat gemaakt wordt tussen de Oekraïense ontheemden en reguliere asielzoekers. We hebben hierover al vaak met elkaar gewisseld, ook in deze zaal. We zien verschillende meningen over de manier waarop de opvang van beide groepen juridisch wordt geregeld. D66 heeft al eerder opgeroepen tot een juridisch instrumentarium voor de opvang van reguliere asielzoekers. Wat mijn fractie betreft laat de manier waarop we met de voorliggende wet zijn omgegaan extra goed zien dat dat echt kan werken, en dat we tot heel veel in staat zijn als we samen verantwoordelijkheid nemen. Samen hadden we binnen no time duizenden plekken gerealiseerd. Ik hoop dat we beseffen dat we dankzij de inzet van vrijwel alle gemeenten bijna 50.000 opvangplekken voor Oekraïners hebben gerealiseerd, terwijl slechts een zesde van de gemeenten verantwoordelijk is voor de 41.000 plekken voor reguliere asielzoekers.

Daarom vraag ik aan het kabinet welke lessen er worden getrokken uit de invoering van het noodrecht, en hoe die worden meegenomen naar de ontwikkeling van zowel de tijdelijke wet voor de opvang van Oekraïners als het juridisch instrument voor de opvang van reguliere asielzoekers. En is het echt noodzakelijk om daar nou twee aparte wetstrajecten voor op te zetten? Zou het bijvoorbeeld niet mogelijk zijn om het samen te voegen, bijvoorbeeld door in de wet die eraan komt voor reguliere asielzoekers een bepaling op te nemen voor de omgang met ontheemden die onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn vallen? Dan hebben we meteen een wettelijke grondslag gecreëerd voor de toekomst.

Voorzitter. Voor D66 is het vrij simpel: een vluchteling is een vluchteling, waar zij of hij ook vandaan komt. En voordat de staatssecretaris, of in dit geval de minister, begint over verschil in draagvlak, zeg ik het nog maar een keer: draagvlak is geen natuurfenomeen. We creëren dat zelf door de uitvoering op orde te hebben.

Tot slot wil ik graag stilstaan bij wie nu welke verantwoordelijkheid zal gaan dragen. Want in de Wet verplaatsing bevolking zijn de burgemeesters verantwoordelijk. In zijn interview met De Telegraaf zei de staatssecretaris dat de provincies verantwoordelijk zullen worden voor reguliere asielzoekers. Klopt dat? Zo ja, waarom is er niet voor gekozen de werkwijze bij de opvang van Oekraïners over te nemen voor reguliere asielzoekers?

De voorzitter:
Bent u bijna klaar?

Mevrouw Podt (D66):
Ik heb nog een zinnetje.

De voorzitter:
Dan gaan we eerst naar mevrouw Kröger, die een interruptie voor u heeft.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik weet dat we het vaak hebben gehad over het pijnlijke, wrange en wat ons betreft ook onnodige onderscheid dat er gemaakt wordt tussen Oekraïners en andere mensen die recht hebben op opvang. Het argument was altijd: er was nood, we hadden noodrecht nodig en dit moest zo. Nu is de situatie anders. De situatie rond Oekraïners is relatief gecontroleerd, terwijl juist in de asielopvang alles helemaal uit de hand loopt. Is mevrouw Podt het met mij eens dat we in ieder geval het kabinet moeten vragen om te zorgen dat nieuwe wetgeving voor beide groepen geldt, en niet het ene veel sneller en het andere veel langzamer moeten gaan? Daardoor zou de ene groep nog langer moeten wachten op wetgeving en krijgt de andere groep al heel snel een of andere wet over zich heen.

Mevrouw Podt (D66):
Ik zat even heel goed te luisteren naar wat mevrouw Kröger zei. Ik denk dat we het sowieso met elkaar eens zijn over het doel. Ik denk dus ook dat ik ja kan zeggen op haar laatste vraag, die eigenlijk ging over de vraag om te zorgen dat dit gelijk opgaat. Dat ben ik eigenlijk met haar eens. Ik vind niet dat de ene groep veel langer zou moeten wachten dan de andere groep, of eigenlijk gewoon überhaupt niet langer. Ik weet niet of ik het helemaal met haar eens ben. Daarom stel ik ook de open vraag aan het kabinet of je dat zou moeten samenvoegen. Ik zie daar zeker voordelen in. Ik weet niet precies of dat nou ook juridisch en praktisch de meest geëigende weg is. Het zijn twee verschillende groepen, waar ook andere dingen voor gelden. Het gaat mij uiteindelijk om het doel, namelijk te zorgen dat beide groepen goed gehuisvest worden, op een fatsoenlijke manier. We kunnen volgens mij vaststellen dat dit op dit moment niet het geval is, maar volgens mij moet het daarom gaan.

De voorzitter:
We gaan luisteren naar de rest van uw betoog.

Mevrouw Podt (D66):
Dit is eigenlijk nog een beetje een staartje van wat ik zei voor de wisseling met mevrouw Kröger. Het voelt een beetje alsof we voor reguliere asielzoekers het wiel opnieuw gaan uitvinden, terwijl de opvang van Oekraïense vluchtelingen eigenlijk heel snel van de grond kwam.

Voorzitter, ik rond af. Zoals gezegd vindt D66 het van belang dat we voorzichtig omgaan met het noodrecht. Maar mijn fractie heeft begrip voor de inzet ervan. Laten we zorgen dat we met de komende wetstrajecten een stabiele wettelijke grondslag kunnen creëren waarmee alle betrokkenen weten waar ze aan toe zijn.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Van Meijeren van Forum voor Democratie.

De heer Van Meijeren (FVD):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Nederland lijkt sinds een aantal jaren in een staat van permanente, chronische crisis te verkeren. We hobbelen van crisis naar crisis naar crisis, van klimaatcrisis naar coronacrisis naar stikstofcrisis naar asielcrisis. De ene crisis is nog niet voorbij of de volgende crisis dient zich alweer aan. Nooit is er eens een dag zonder crisis. Als de ene crisis even het momentum heeft verloren, dan wordt de focus gelegd op de andere crisis, maar een dag zonder crisis wordt ons al jaren niet gegund.

Deze zogenaamde crisissen hebben een paar dingen met elkaar gemeen. We moeten vooral allemaal heel erg bang zijn. We moeten ons allemaal heel erg schuldig voelen. En we moeten allemaal onze complete manier van leven drastisch veranderen om die crisis het hoofd te bieden. Onderaan de streep is de uitkomst vrijwel altijd dat gewone burgers meer moeten betalen, vrijheden kwijtraken en in hun grondrechten worden beperkt. De elite daarentegen krijgt dankzij al die crisissen juist steeds meer geld, meer macht en vooral meer controle. Steeds meer controle over alle aspecten van het leven. Controle over wat we eten. Controle over waar we werken, hoe we ondernemen, waar en met wie we mogen afspreken, aan welke eisen we moeten voldoen voor het sociaal-maatschappelijk leven, hoe en waarmee we moeten betalen. Controle over onze eigendommen, over de grond die we bezitten, over de energie die we gebruiken, over wat onze kinderen wel en niet mogen leren op school, zelfs over welke gifstoffen we in ons lichaam dienen te laten injecteren.

Maar waag het niet om ervoor te waarschuwen dat we ons bewegen in de richting van een totalitaire controlestaat. Sterker nog, wie überhaupt enige vorm van kritiek heeft op de overheid, wie openlijk twijfelt aan de goede bedoelingen van de Staat, wordt weggezet als complotdenker. Wie twijfelt aan het nut en de noodzaak van al die vrijheidsbeperkende maatregelen zou de wetenschap ontkennen. Wie zich afvraagt of er überhaupt wel sprake is van een crisis, is al snel een wappie, een klimaatontkenner, een stikstofontkenner, een racist, maar vooral heel erg egoïstisch, een slecht mens. Je moet en zal meegaan in de angstpropaganda, meegaan in het narratief, meegaan in de leugens, of anders zorgen de politiek en de media er wel voor dat je wordt uitgesloten door de maatschappij, en je sociale leven of zelfs je baan kwijtraakt.

Never waste a good crisis. Een bekende uitspraak die al decennia wordt aangehaald om tot uitdrukking te brengen dat crisissen vaak misbruikt worden door de zittende macht om impopulaire beleidsmaatregelen door te drukken. Maar wat we de laatste jaren zien gebeuren, gaat nog een stap verder. Als zich geen geschikte crisis voordoet om te misbruiken, dan wordt er wel een crisis gecreëerd. Ook de crisis die de aanleiding is voor het voorstel dat we vandaag bespreken, is overduidelijk gecreëerd. Er komen zo veel mensen uit andere landen naar Nederland, dat we simpelweg geen plek meer hebben om ze op te vangen. Een aantal decennia geleden kon je er nog over van mening verschillen, maar inmiddels kan eigenlijk niemand nog ontkennen dat Nederland vol is. Daarom heeft het kabinet de crisistoestand uitgeroepen. Er wordt gedaan alsof deze immigratiecrisis volledig te wijten is aan het conflict tussen Rusland en Oekraïne. Dat is natuurlijk aantoonbaar onjuist. Die massale immigratie is al decennia aan de gang en is de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt. Onze bevolking groeit explosief, puur en alleen als gevolg van de massale immigratie. In 1990 woonden er nog minder dan 15 miljoen mensen in Nederland. Inmiddels zijn het er meer dan 17,4 miljoen. Volgens prognoses van het CBS zullen er de komende tien jaar nog eens 1 miljoen mensen bij komen en groeit onze bevolking de komende decennia door tot 23,8 miljoen mensen in het jaar 2070. 23,8 miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde! Allemaal als gevolg van de massale immigratie. Zonder immigratie zou er zelfs überhaupt geen sprake zijn van bevolkingsgroei.

En nee, die massa-immigratie is geen natuurverschijnsel waar we geen invloed op hebben. Het is een politieke keuze om miljoenen mensen uit andere landen Nederland binnen te laten. Een politieke keuze die uitstekend past binnen de globalistische agenda die uiteindelijk moet leiden tot een nieuwe maatschappelijke en politieke orde waarin de beslissingsbevoegdheden van nationale staten verdwijnen en politieke en economische besluiten worden genomen door een wereldregering. Een wereldregering kan immers alleen succesvol zijn als er geen nationale staten, dus geen landsgrenzen, en ook geen nationale volkeren meer bestaan. Onze nationale cultuur, onze nationale tradities, onze gemeenschappelijke geschiedenis, onze gemeenschappelijke taal, onze onderlinge solidariteit, alles moet kapot en de omvolkingsagenda draagt daaraan bij.

De voorzitter:
U laat een veelbetekenende stilte vallen, want er is een interruptie voor u van mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):
Dat klopt, voorzitter. Ik was even benieuwd. We weten natuurlijk van Forum voor Democratie dat ze vaak van dit soort bijzondere verhalen hebben. Wat heeft dit in hemelsnaam te maken met de wet die we vandaag behandelen?

De heer Van Meijeren (FVD):
We bespreken vandaag de Voortduringswet voor de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking. Het in werking stellen van die bepalingen heeft ertoe geleid dat we nu in Nederland geen plek meer hebben om mensen uit Oekraïne op te vangen. Ik denk dat Forum voor Democratie zich inderdaad van alle andere partijen onderscheidt doordat wij ons niet blindstaren op een wetsvoorstelletje dat nu wordt besproken, maar ook kijken naar de aanleiding van een wetsvoorstel. Wat heeft ertoe geleid dat we in deze situatie terecht zijn gekomen? Wat is het nut en de noodzaak van de maatregelen? Hoe kunnen we deze crisis die nu door het kabinet is uitgeroepen — het kabinet heeft de asielcrisis uitgeroepen — tot een einde brengen? Daarom zijn deze inleidende opmerkingen uiterst relevant. Ik kom zo nog nadrukkelijk te spreken over het concrete voorstel dat we nu behandelen.

De voorzitter:
Daar zien we naar uit. Gaat u verder.

De heer Van Meijeren (FVD):
Het is niet zo vreemd, het is vanzelfsprekend dat die explosieve bevolkingsgroei als gevolg van de massa-immigratie tot grote problemen leidt. Het ontwricht alles: onze zorg, ons onderwijs, onze arbeidsmarkt en natuurlijk ook de woningmarkt. Er is simpelweg geen plek meer om al die mensen op te vangen. In ieder geval niet, en dat blijkt, zonder de rechten en vrijheden van de mensen die nu al in Nederland wonen, ernstig in te perken. Daarom bespreken we vandaag de inzet van een noodwet om deze immigratiecrisis het hoofd te bieden. Om de massale komst van tienduizenden Oekraïners naar Nederland mogelijk te maken, heeft de regering het nodig gevonden om de Wet verplaatsing bevolking uit de kast te trekken, een noodwet uit het jaar 1952, die bij mijn weten nooit eerder is gebruikt. Een zeer ingrijpende noodwet, die vergaande inbreuk op onze meest fundamentele grondrechten mogelijk maakt. De Wet verplaatsing bevolking maakt het in het uiterste geval mogelijk dat woningeigenaren verplicht worden om een ruimte in hun huis beschikbaar te stellen aan vreemdelingen en deze vreemdelingen zelfs te onderhouden. Dat staat in artikel 7, eerste lid, van de Wet verplaatsing bevolking. Op grond van het tweede lid betekent het dat de vreemdelingen moeten worden ondergebracht in een ruimte die wordt verwarmd, verlicht en is voorzien van meubilair. Onder "onderhouden" wordt volgens deze bepaling mede verstaan het verstrekken van spijs en drank.

Gelukkig is het nu nog niet zover, maar bij ongewijzigd beleid, als de regering doorgaat met haar allesverwoestende immigratiebeleid, is het een kwestie van tijd voordat we verplicht worden om vreemdelingen in ons eigen huis op te vangen en nog voor hen te koken ook. Is de regering bereid om eens te onderzoeken hoeveel Nederlanders hier eigenlijk op zitten te wachten?

Maar het gaat nog verder. Indien het noodzakelijk zou zijn voor de veiligheid of voor de instandhouding van het maatschappelijk leven, kan de minister verplichten dat een deel van de bevolking verplaatst moet worden. Vervolgens kan de burgemeester — en ik citeer letterlijk uit artikel 6: "voor elk transport van de af te voeren bevolking een of meer transportleiders aanwijzen die zijn belast met het handhaven van de orde in het transport en met het oog daarop bevelen kunnen geven". Het ging er net al even over toen de heer Markuszower aan het woord was. Hij noemde een aantal van deze vergaande bevoegdheden uit de Wet verplaatsing bevolking. Het klopt dat hier op dit moment nog helemaal geen sprake van is. Maar de regering kijkt wel vooruit. De regering schrijft zelf in de toelichting bij het besluit dat de inzet van deze noodmaatregelen op dit moment nog niet nodig is, maar dat, als de omstandigheden veranderen, dat opnieuw gewogen zal worden.

We horen hier in de Kamer aan de lopende band dat mensen allerlei rillingen over de rug hebben lopen of dat mensen ergens een nare smaak van in de mond krijgen. Als je ziet welk beleid hier wordt gevoerd en waar dat onvermijdelijk toe gaat leiden als het immigratiebeleid niet drastisch wordt aangepast, lopen bij mij ook de rillingen over de rug. De heer Markuszower hechtte hier eerder vandaag het woord "eng" aan, dat door u, voorzitter, niet werd toegestaan. Ik heb het woordenboek er nog even op nageslagen. Het woord "eng" betekent niet meer dan akelig, vervelend of een licht gevoel van angst gevend. Eigenlijk is "eng" dus nog heel voorzichtig uitgedrukt. Zelfs zou ik eerder kiezen voor het woord "tiranniek".

De voorzitter:
Meneer Van Meijeren, ik wijs u erop dat ik de heer Markuszower niet heb gecorrigeerd op het woord "eng" als het ging over het beleid, maar over een persoon. Dat is het verschil. Gaat u verder.

De heer Van Meijeren (FVD):
Nou, de heer Markuszower had het over een ambt, niet over de persoon. Hij noemde de ministers. Zij voeren het beleid uit. Zij gedragen zich in mijn bewoordingen op tirannieke wijze. Als de heer Markuszower daar het woord "eng" passender voor vindt, dan is dat zijn goed recht. Dat hem daarvoor het woord wordt ontnomen, is een dieptepunt uit de parlementaire geschiedenis.

De voorzitter:
Dat is dan goed om te weten als u eenmaal in deze stoel zit. Dan weten we dat we onze gang kunnen gaan. Maar zover is het nog niet. Gaat u verder.

De heer Van Meijeren (FVD):
Die Wet verplaatsing bevolking, die de regering nu uit de kast heeft getrokken, dateert van het jaar 1952. Ik noemde het al even. Die wet is destijds in het leven geroepen voor het geval van absolute noodsituaties, zoals wanneer in Nederland oorlog uitbreekt of een dijk doorbreekt. In zulke gevallen van absolute nood valt er nog iets voor te zeggen dat Nederlanders verplicht kunnen worden om andere Nederlanders te helpen. Sterker nog, ik denk dat Nederlanders in zulke omstandigheden niet eens verplicht hoeven te worden, omdat ze maar wat graag landgenoten in nood willen helpen en solidair zullen zijn. Maar zoals eerdere sprekers al hebben opgemerkt, is er op dit moment geen enkele sprake van een noodsituatie die de inzet van het staatsnoodrecht rechtvaardigt. Ook de Raad van State merkt in zijn advies op dat volstrekt onduidelijk is waarom in de huidige omstandigheden gebruikgemaakt zou moeten worden van staatsnoodrecht, omdat daar zeer terughoudend gebruik van moet worden gemaakt. Voeg daar ook nog eens aan toe dat het staatsnoodrecht altijd restrictief moet worden geïnterpreteerd. De regering trekt zich van deze kritiek echter niets aan, raast maar door en waant zich volstrekt onaantastbaar. Het gemak waarmee deze regering grijpt naar noodmaatregelen, waarmee onze grondrechten en vrijheden steeds verder worden ingeperkt, hoort niet bij een democratisch systeem. Deze regering moet ophouden met het creëren en misbruiken van crisissen om al maar meer macht en controle naar zich toe trekken, want zolang deze regering en haar globalistische opdrachtgevers niet gestopt worden, is er maar sprake van één crisis en dat is een fundamentele systeemcrisis.

Dank u wel.

De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik ga de vergadering schorsen voor het diner.

De vergadering wordt van 18.53 uur tot 19.42 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van de minister van Justitie en Veiligheid. Ik geef haar graag het woord daarvoor.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Veel dank, voorzitter. Eind februari werden we geconfronteerd met de Russische inval in Oekraïne. Als gevolg daarvan is een groot aantal Oekraïners op de vlucht geslagen voor het Russische geweld. Er is sprake van een grote volksverplaatsing naar verschillende Europese landen, waaronder ook ons land. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers is wettelijk de aangewezen organisatie om te voorzien in de opvang van asielzoekers en dus van de ontheemden in ons land. Echter, de plotselinge en zeer hoge instroom van ontheemden uit Oekraïne naar Nederland kon niet binnen de reguliere structuren worden opgevangen. Het is de afgelopen weken opnieuw duidelijk gebleken en bevestigd. Deze taak moest dus feitelijk en wettelijk ergens anders worden belegd.

Op 1 april van dit jaar zijn daarom de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking geactiveerd. Sinds die datum hebben burgemeesters de wettelijke taak zorg te dragen voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Het in werking gestelde staatsnoodrecht is beperkt tot het beleggen van deze opvangtaak bij de burgemeesters en tot het geven van regels over de uitvoering van deze wettelijke taak. Er zijn dus geen andere noodwettelijke bepalingen of bevoegdheden geactiveerd. Er is daarom geen situatie waarin het gebruik van panden kan worden gevorderd. De activering van dergelijke verregaande noodbevoegdheden is op dit moment niet noodzakelijk, en ook daarom dus niet proportioneel.

Het beleggen van de opvangtaak bij burgemeesters is in twee gevallen niet meer nodig: ten eerste als het COA kan voorzien in de opvang van ontheemden uit Oekraïne en ten tweede als de ontheemden uit Oekraïne terug naar huis kunnen en geen opvang in Nederland meer nodig hebben. Beide gevallen lijken voorlopig niet aan de orde te zijn.

De voorzitter:
Een ogenblik. Het woord is voor een interruptie aan de heer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
De minister gebruikt op twee momenten twee woorden. Eén keer is dat: op dit moment is het niet nodig om die artikelen te activeren en om dus bijvoorbeeld onroerend goed te onteigenen of om bevolkingen te verplaatsen of om mensen hun zolderruimte af te nemen en Oekraïners of andere vluchtelingen daar neer te leggen. "Op dit moment" gebruikt ze en nog een woord van gelijke strekking. Kan de minister hier toezeggen dat dit ook nooit zal gebeuren? Hoeveel vluchtelingen er ook naar Nederland komen, het kabinet zal niet overgaan tot het activeren van noodwetgeving die het mogelijk maakt onroerend goed van burgers, van Nederlanders, af te nemen of om zolders te vorderen of om leegstaande woningen van burgers te vorderen, zodat op die plekken vluchtelingen gehuisvest kunnen worden.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik kan zeer zeker uitsluiten dat wij zolders van mensen thuis, van burgers, zullen vorderen om daar noodgedwongen mensen neer te zetten. Verder, wat we nu doen en welke wetten nu voorliggen ... En indien er andere noodwetgeving nodig zou zijn, dan komen we eerst terug naar de Kamer. Daar kom ik uitgebreid op terug, want daar zijn heel veel vragen over gesteld. En die begrijp ik ook. Maar de heer Markuszower had het in zijn inbreng inderdaad onder andere over voorbeelden waarbij zolderkamers noodgedwongen werden afgenomen van mensen thuis. Dat gaat niet gebeuren. En op de rest kom ik zo terug.

De heer Markuszower (PVV):
Laten we het scenario nemen dat er morgen 1 of 2 miljoen Oekraïners naar Nederland willen komen. Hoe gaat de minister die dan opvangen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik kom straks terug op allerlei scenario's. Ik constateer wel twee zaken, waarvan van het goed is om ze bij deze interruptie te benoemen. Aan de ene kant hebben duizenden en duizenden Nederlanders vanaf het begin van de oorlog tot nu gezegd: ik stel mijn huis beschikbaar. Dan gaat het om een kamer, een verdieping of wat dan ook. Ook dat is denk ik mooi om te benoemen en te omarmen, want dat is hoe wij Nederlanders zijn. Tegelijkertijd zeg ik erbij: al staan er weet ik veel hoeveel mensen voor de deur, wij gaan als het aan het kabinet ligt niet zeggen "uw woning, uw zolder, wordt hierbij in beslag genomen door het kabinet".

De voorzitter:
Afrondend.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Op de rest kom ik straks terug. Ik kom ook zeker terug op de scenario's, want daarover zijn terecht vragen gesteld. Maar als u mij de gelegenheid zou willen geven om die goed te beantwoorden, kunnen we er dan verder over praten.

De voorzitter:
Dan zie we meneer Markuszower misschien weer terug. Afrondend dan, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
Misschien kom ik dan zo weer terug, maar afrondend op dit punt. Waarom zegt de minister dan, ook in de schriftelijke beantwoording, steeds dat woordje "op dit moment"? "Op dit moment is er geen noodzaak om dat te doen." "Op dit moment is dat nog niet nodig." "Voorlopig is dat nog niet nodig." Waarom steeds die beperkende ... Waarom zeg maar steeds die escape inbouwen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Nu stelt de heer Markuszower de vraag over artikel 7, iets wat nu niet voorligt, onderstreep ik nogmaals. We hebben in voorgaande debatten en in brieven aan uw Kamer, ook in reactie op moties, aangegeven dat het vorderen van gebouwen op zich een optie zou kunnen zijn. Dat kunnen ook leegstaande gebouwen van bedrijven zijn of andersoortige gebouwen. Ik zal straks op verzoek van verschillende Kamerleden toelichten dat we dan altijd eerst naar de Kamer terug zullen komen. En we hebben in voorgaande inhoudelijke debatten uitvoerig met elkaar gedeeld wat we allemaal doen — ik zal een aantal elementen hier weer benoemen; hoewel het niet per se het onderwerp van dit debat is, snap ik wel dat ernaar wordt gevraagd — om dat moment te voorkomen, om het voor te zijn dan wel zo veel mogelijk uit te sluiten. 100% uitsluiten gaat niet, maar wat in de betogen van enkele Kamerleden zat en de mensen thuis konden horen, in de trant van "jij moet je logeerkamer afstaan": daar gaat het echt niet over.

De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog. Pardon: met uw beantwoording.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja, voorzitter. Ik zei net al dat er twee opties zouden kunnen zijn waarbij we zeggen dat de opvangtaak bij de burgemeesters niet meer nodig is. Dat is als het COA het aan zou kunnen of als de situatie in Oekraïne verandert — iets wat we, denk ik, met zijn allen hier echt hopen — zodat Oekraïners weer terug kunnen naar hun veilige huis. Beide opties zien we op dit moment niet als realiseerbaar op korte termijn. Dat betekent dat we nu hier staan en ik straks ga vertellen hoe we van noodrecht overgaan op een tijdelijke wet.

Met de Kamer vindt het kabinet dat de inwerkingstelling van noodrecht slechts van tijdelijke duur kan zijn. Het moet zo snel mogelijk worden teruggedraaid naar een situatie waarin we zonder noodrecht in de opvang kunnen voorzien. Zoals zojuist gezegd werk ik daarom aan een tijdelijke wet waarmee gemeenten langer met deze taak worden belast. Daar kom ik straks ook op terug, want er zijn vragen over gesteld. Met de inwerkingtreding van de tijdelijke wet zal het staatsnoodrecht direct worden beëindigd. Aan deze tijdelijke wet wordt nu hard gewerkt. U begrijpt, dat doen we natuurlijk ook graag met de VNG, alle andere burgemeesters en het Veiligheidsberaad. We willen dit ook zo snel mogelijk doen, maar het moet wel echt zorgvuldig en in samenspraak met medeoverheden gebeuren. Dat kost enige tijd. Ik zal het wetsvoorstel zo snel mogelijk na het zomerreces bij de Tweede Kamer indienen, zodat ook het staatsnoodrecht, op dat moment ook direct, kan worden beëindigd. Dit was een vraag van GroenLinks; ik kom er straks nog op terug.

Voorzitter. Ik heb heel veel vragen gehad. Die heb ik ingedeeld. De eerste set gaat over de keuze voor en de werking en de reikwijdte van de wet waar we het vandaag over hebben. Dat is ook het meest uitgebreide deel. Dan heb ik nog enkele vragen liggen over de tijdelijke wet. Daar komen we natuurlijk nog uitgebreid over te spreken, maar ik zeg er nu ook het een en ander over. Dan de praktijk, de opvangcapaciteit, financiën en de reguliere asielzoekers. Als laatste heb ik nog het mapje met andere heel belangrijke vragen.

De voorzitter:
Dank u wel. Helder. Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dan begin ik met het eerste onderdeel. Dat is ook meteen het meest uitgebreide, want dat gaat over de wet. De heer Markuszower vroeg of de inwerkingstelling van het noodrecht niet veel te ver gaat. We hebben het er daarnet in de interruptie al over gehad; hij had ook andere voorbeelden zoals gedragsregels en noem maar op. Ik zal het nu niet helemaal voorlezen, want we hebben dit daarnet al behandeld, maar er is dus niets meer geactiveerd dan de artikelen 2c en 4. De hele Wet verplaatsing bevolking is dus niet geactiveerd. We hebben alleen de taak bij de burgemeesters belegd om zorg te dragen voor de opvang van ontheemden. Niets meer. Het is dus niet zo dat er gebieden worden ontruimd, gedragsregels worden opgelegd of zolders worden gevorderd. Dat is allemaal niet aan de orde en daar is ook geen enkele aanleiding toe. Wat we vandaag bespreken, is alleen de taak bij de burgemeesters om de opvang van ontheemden uit Oekraïne op te kunnen pakken.

Dan vraagt de heer Markuszower of er straks ook noodrecht wordt toegepast voor reguliere asielzoekers. Aan welke kant van het debat je ook staat, we zien allemaal dat de problemen in Ter Apel echt heel groot zijn en opgelost moeten worden. Dat is wel iets anders dan de inzet van staatsnoodrecht. Staatsnoodrecht kan slechts worden ingezet als er sprake is van buitengewone omstandigheden. Dat is een juridisch begrip. In staatsnoodrechtelijke zin is van buitengewone omstandigheden geen sprake als het gaat om problemen van structurele aard, zoals de knelpunten in de reguliere opvang van vreemdelingen. Die moeten via de reguliere weg, desnoods met wijziging van wetgeving, worden aangepakt. Daar wordt hard aan gewerkt. Ik weet dat u daar vanmiddag nog een debat over had en dat u daar regelmatig over spreekt met mijn collega, de staatssecretaris van JenV.

De heer Markuszower (PVV):
Het is dan misschien geen noodwetgeving, maar de staatssecretaris is toch wel bezig met wetgeving die het mogelijk maakt om opvang van asielzoekers aan gemeenten op te leggen? De minister refereerde daar misschien al zijdelings aan. Nu kunnen gemeenten niet door het Rijk worden gedwongen om asielzoekers op te nemen. Volgens mij werkt het kabinet, de staatssecretaris die onder deze minister fungeert, aan dwangwetgeving die ervoor zorgt dat burgemeesters wel degelijk gedwongen kunnen worden asielzoekers op te nemen in hun gemeente.

De voorzitter:
Ik ben even een beetje voorzichtig. Ik heb dat debat vanmiddag ook voorgezeten. Dat duurde drie uur. Daar waren verschillende Kamerleden bij aanwezig. Daar was u niet bij. Ik heb niet de behoefte om dat debat hier over te gaan doen. Dat lijkt me zonde van de tijd van iedereen die er wel bij was. Maar de minister kan kort antwoorden.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja, ik kan daar kort op reageren. Op dit moment wordt inderdaad door de staatssecretaris verkend welke mogelijkheden er zijn om te komen tot een opvangtaak van medeoverheden en tot een dwingend juridisch instrumentarium. Dat is ook eerder gecommuniceerd en daar zijn al vele debatten over geweest. Dat is dus iets heel anders dan staatsnoodrecht. Dat wordt ook via reguliere processen voorbereid en dat zal ook naar uw Kamer komen. Daar kan hier dan natuurlijk alles van gevonden worden.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Mevrouw Bikker vroeg: kunt u bevestigen dat de reikwijdte van deze wet is beperkt tot een taak voor burgemeesters?

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik heb toch ook iets op dit punt, want dit is natuurlijk de hele tijd de analyse geweest van het kabinet: alleen voor de Oekraïners deden we dat staatsnoodrecht, want dat was een onvoorzien grote groep; dat was geen regulier knelpunt. Ik ben dan toch benieuwd hoe de minister kijkt naar de analyse van hoogleraar Slingenberg, die zegt: nee, door de komst van een grote groep Oekraïners is er druk gekomen op alle opvang van mensen die recht op opvang hebben, dus ook op die van reguliere asielzoekers. Dus je had net zo goed het staatsnoodrecht van toepassing kunnen verklaren op de opvang van mensen die recht op opvang genieten.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Volgens mij zegt niemand dat die twee zaken elkaar in de praktijk volledig niet raken. Dat is natuurlijk niet zo; die raken elkaar wel. Maar "staatsnoodrecht" is echt een juridisch begrip. Dat is niet geschikt voor problemen van structurele aard. Dat zien we eigenlijk ook wel aan wat de Raad van State zegt over wat we vandaag voorleggen. Dus ik denk dat we dat uit elkaar moeten trekken. In ieder geval leggen wij dit hier ook voor om dat uit elkaar te houden.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Het is mij wel bekend dat het kabinet het uit elkaar wil houden en dat dat voorligt, maar dat is niet mijn vraag. Juridisch gezien gaat het om de vraag of het feit dat er veel Oekraïners kwamen, een zodanige situatie heeft gecreëerd dat er noodrecht van toepassing was op mensen die recht op opvang genieten. Er is gekozen om dat alleen op Oekraïners van toepassing te verklaren en niet op alle mensen die recht op opvang genieten. Dat is een politieke keuze. Dat kan, maar noem het dan ook … Is de minister het met mij eens dat dit een politieke keuze is?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Niet echt. Niet echt, want het heeft een juridische onderbouwing. Het heeft er ook mee te maken dat het reguliere orgaan dat hiervoor zou moeten zorgen, het COA, dat op dat moment niet aankon en nog steeds niet aankan. We hebben het over bijna 70.000 mensen die er in de afgelopen paar maanden extra bij zijn gekomen. Dat is de onderbouwing voor wat we hier neerleggen. Dat wordt ook gesteund door de verschillende adviezen die we binnen hebben gekregen. Dus ik ga er niet in mee dat er een politieke afweging is gemaakt waardoor de suggestie gewekt kan worden dat de ene groep relevanter wordt geacht dan de andere. Dat is niet aan de hand. Het gaat over juridische onderbouwingen. Ik denk — en daarom sta ik hier ook — dat wat wij nu voorleggen, de meest zuivere wijze is om het allebei zo goed mogelijk te regelen.

De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Nu zegt de minister dat het COA die 60.000 extra mensen niet aankon, maar het feit dat die 60.000 of 50.000 mensen zijn gekomen, heeft wel degelijk impact op de vraag of het COA zijn normale taak wel of niet aankan. Het feit dat er een noodsituatie is gekomen door de komst van Oekraïners was de reden om staatsnoodrecht te activeren. Dan is het een politieke keuze of je dat van toepassing laat zijn op alle mensen die recht op opvang genieten of alleen op Oekraïners. Ik heb geen louter juridisch argument gezien — ik heb ook alle onderliggende stukken opgevraagd — dat die analyse voedt. Dan blijft over dat dat gewoon een politieke keuze is. Dat wil voor de rest niet zeggen dat de ene groep belangrijker is dan de andere, maar het is in ieder geval een politieke keuze om die scheiding te maken.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Die scheiding was nodig omdat we de burgemeesters die formele taak wilden geven. We hadden iedereen onder staatsnoodrecht moeten scharen, zo begrijp ik dat de suggestie van GroenLinks is, en die taak bij het COA weg moeten halen en bij de burgemeesters moeten neerleggen. Ik denk ook niet dat dat werkbaar was geweest. Dit gaat ook over hoe je het formeel regelt om ervoor te zorgen dat degene die die wettelijke taak krijgt er vervolgens ook naar kan handelen. Voor het COA en de asielopvang — ik weet dat u daar uitvoerig over heeft gedebatteerd — hebben we wel de crisisstructuur ingeschakeld. Dat staat weer los van wetgeving, maar dat hebben we wel ingeschakeld omdat we het er, volgens mij allebei, over eens zijn dat we de beelden die we daar in Ter Apel zien, niet willen zien. We willen niet dat mensen buiten slapen in tenten en noem maar op. We vinden dat daar echt een doorbraak plaats moet vinden en daarvoor hebben we een crisisstructuur, maar dat is weer iets anders dan staatsnoodrecht. Dus ik ben bang dat we het op dat punt niet eens gaan worden.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Mevrouw Bikker vroeg of ik kan bevestigen dat de reikwijdte van deze wet beperkt is tot een taak voor burgemeesters. Ja, absoluut. Ik heb ook richting de heer Markuszower onderstreept dat op 1 april alleen de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking zijn geactiveerd. Dat betekent dat de burgemeesters die wettelijke taak hebben gekregen voor de zorg en dat we daar regels aan hebben kunnen toevoegen, zoals "hoe richt je je leefgeld in", en dat soort elementen.

Mevrouw Bikker vroeg verder nog in welke situatie er wordt overwogen om panden te vorderen. Wordt de Kamer er dan bij betrokken? Zoals zojuist gezegd, is er op dit moment geen aanleiding om het vorderen van het gebruik van panden te overwegen. Ik wil niet veel herhalen. Laat ik nog maar wel even voor de duidelijkheid zeggen dat het vorderen van bewoonde woningen niet aan de orde is wat het kabinet betreft. Dat zal écht nooit aan de orde zijn. Het lijkt mij heel goed om hier met de Kamer vandaag ook af te spreken en om vanuit mijn rol dus toe te zeggen dat, mochten de omstandigheden zodanig veranderen dat we in een heel ander debat met elkaar terechtkomen, de Kamer hierover vooraf wordt geïnformeerd. Dan hebben we het hier ook duidelijk over. Daar zitten dan ook al die escalatiestappen en -modellen en alles in waar ik ook verschillende Kamerleden over heb gehoord.

Mevrouw Bikker vroeg ook of het niet toch bij het COA had kunnen blijven; waren er geen andere methoden geweest, die minder vergaand zijn dan het noodrecht? Laat ik hier nogmaals zeggen: als dat zo was geweest, dan hadden we dat gedaan. Er is echt niemand, ook niet binnen mijn ministerie, bezig met de vraag: fijn, wanneer kunnen we dit soort wetten uit de kast halen? Maar het is echt onmogelijk om, gelet op deze plotselinge en ongekend hoge instroom van ontheemden, met de bestaande structuren in de benodigde opvang te kunnen voorzien.

Een aantal leden, zoals mevrouw Van der Plas en mevrouw Bikker, vroeg: wat gaat er nou mis als de vorderingswet vandaag van tafel gaat? Want dat kan de Kamer inderdaad besluiten. Dan is die niet meer geactiveerd, dus wat dan? In dat geval is de regering verplicht het noodrecht buiten werking te stellen. Zonder het noodrecht bepaalt elke gemeente voor zichzelf of, en zo ja, hoe ze in de opvang van ontheemden voorziet. Elke gemeente bepaalt dat dan zelf bij al die Oekraïners die nog steeds ons land binnenkomen. Er is geen garantie dat alle gemeenten die nu opvang bieden, dat zonder wettelijke grondslag zullen blijven doen. Zij kunnen ook een ander niveau van opvang aanbieden dat niet voldoet aan de regels die vanuit Europa voor de opvang van ontheemden gelden. Dan komen we in die fase behoorlijk met elkaar in de knel. De opvang kan dan ook per gemeente enorm verschillen. Ik kan me zomaar voorstellen dat mijn collega-staatssecretaris hier dan ook in de Kamer staat. Ook is het COA dan weer juridisch verantwoordelijk voor de opvang van ontheemden. Ik zeg u, en dat is ook eerder gedeeld: het COA is daartoe nu gewoon niet in staat. Als u het mij vraagt, en dat doet u, ontstaat er dan een acuut probleem.

De voorzitter:
Is dit het einde van dit punt?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja, van deze vraag.

De voorzitter:
Oké. Dan ga ik eerst meneer Markuszower de gelegenheid geven.

De heer Markuszower (PVV):
Dit is misschien aanleiding om naar de kern te gaan van waarom dit kabinet nou zo'n totalitaire wet wilde activeren. De minister schetst eigenlijk scenario's wat er allemaal mis zou kunnen gaan, maar eigenlijk is er geen garantie dat het mis zou zijn gegaan. De vraag is dan of het proportioneel is, zeker als je het volgende bedenkt. De VVD roept aan de ene kant hard in de krant dat de grenzen eigenlijk dicht moeten. Vervolgens heb je een minister en een staatssecretaris, alle twee van VVD-huize, die noodwetgeving activeren zodat de grenzen niet dicht hoeven en zodat eigenlijk alle waarden waar een liberale partij voor moet staan, vertrapt worden. Hoe kan de minister nou aan zichzelf en aan Nederland verkopen dat ze met zo'n vergaande wet is gekomen, zonder dat dat eigenlijk echt noodzakelijk was?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Wellicht even terug naar hoe dit begon. Dit begon met de brute inval van Rusland in Oekraïne, waarbij mensen, onze buren, van maar ietsje verder weg in Europa, gebombardeerd werden. Opeens stond hun hele leven op de kop. Zij moesten vluchten. We hebben allemaal die beelden gezien. Ik heb gezien hoe duizenden en duizenden Nederlanders zich meteen opgaven om te zeggen: ik wil zorgen voor opvang en wil alles doen wat ik kan doen. Zo begon dit. Inmiddels zitten we al op bijna 70.000 mensen en we zien helaas allemaal dat na al die maanden de situatie in Oekraïne niet beter wordt. We zien dat heel veel mensen in de landen eromheen worden opgevangen en we weten niet hoelang dat houdbaar is. Dat betekent dat je als land dus kiest. Ben ik een goede buur, in Europa? Is dit de regio en vangen we mensen op? Of ben ik dat niet? Als je zegt dat je dat wel bent — heel eerlijk: ik heb ook de inbreng van de heer Markuszower gehoord; hij was scherp, maar ik denk dat ik hem ook ken als iemand die er staat voor mensen die echt vluchten voor oorlog — dan vind ik dat wij er ook moeten zijn. Dan vind ik echt dat je niet de gok kan nemen dat we dat in dit land dan maar zouden regelen zonder enige grondslag. Daarbij hebben we doordat we dit allemaal hebben kunnen opzetten, ook voor al die gemeenten kunnen regelen dat de financiën in orde kwamen en dat we de gemeenten erbij helpen. Het is niet zo dat we het over de schutting hebben gegooid bij gemeenten aan de hand van een wet en dan zeggen: zoek het uit. Zeker niet; dit doen we dan samen en daar helpt wetgeving bij.

Misschien mag ik daar nog twee dingen aan toevoegen. Ik denk niet dat de heer Markuszower "de grenzen dicht" bedoelt voor Oekraïners die vluchten. Op dat moment was dat wel even waar we voor stonden. Dus ik vind het prima om alles en iedereen erbij te halen, maar daar gaat het vandaag over. En als laatste over "totalitaire wet": dit is een wet uit ons eigen pakket, dat we zelf hebben. We zijn een democratische rechtsstaat; ik denk dat we die allebei zeer koesteren en verdedigen daar waar nodig. De Kamer kon ons terugfluiten vanaf het eerste moment dat we de brief stuurden waarin stond dat we dit in werking hadden gesteld. We staan hier voor een debat. Dit is allesbehalve totalitair. U hoeft het er niet mee eens te zijn, maar laten we wel onze democratische rechtsstaat koesteren.

De voorzitter:
Dank voor het antwoord, maar het moet wel korter, zeg ik voor het vervolg. Het woord is nu aan de heer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel voor het antwoord, maar ook de PVV heeft gezegd dat er voor de Oekraïense vrouwen en kinderen beperkte ruimte gemaakt moet worden. Maar die ruimte is niet gemaakt. Tegelijk met dat de PVV dat heeft gezegd, zijn de grenzen wagenwijd opengezet voor 1.000 asielzoekers per week. Die bedden hadden natuurlijk tijdelijk en beperkt gebruikt kunnen worden voor de Oekraïense vrouwen en kinderen, die overigens voor het grootste gedeelte in de buurlanden van Oekraïne zijn opgevangen.

De voorzitter:
Meneer Markuszower, geen hele betogen meer; gewoon een vraag stellen als u wilt.

De heer Markuszower (PVV):
De kern van mijn vraag was, en die is niet beantwoord, hoe het nou kan dat onder een minister van VVD-huize, van liberale huize, deze noodwet, die bedoeld was om de Nederlandse bevolking te beschermen, op dat moment is ingezet. Dat was toen niet nodig en dus niet proportioneel en bovendien is er een wet gepakt die niet bedoeld was voor dit doel.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik kom er straks op. In de wet staat — in de toelichting — dat die juist ook voor dit doel gebruikt kan worden. Ik ben blij dat de Raad van State dat ook heeft onderstreept. Deze minister van VVD-huize, die ook ooit heeft moeten vluchten voor onderdrukking, weet ook hoe belangrijk het is — vanuit haar werk als minister van JenV, maar ook vanuit haar eigen verleden — dat je een veilige haven biedt aan degenen die dat nodig hebben. Op een moment dat een land niet zo ver van ons vandaan zo bruut wordt aangevallen, zou ik niet de gok willen nemen dat de gemeenten wel regelen dat het er is. Daarvoor is echt een juridische grondslag nodig geweest en die hebben we hier.

De voorzitter:
Ik wil naar mevrouw Van der Plas. O, wilt u nog door?

De heer Markuszower (PVV):
De laatste zin.

De voorzitter:
Nou, echt heel kort dan.

De heer Markuszower (PVV):
Ik gun de minister dat zij die ruimte had willen maken. Zij had de wetgeving op orde moeten hebben, maar het is en blijft onacceptabel dat er gegokt is op een scenario … Dat eigenlijk de makkelijkste route is genomen: we pakken noodwetgeving, die activeren we even en dan kunnen we lekker aan de slag. Als het de minister en het kabinet echt zo aan het hart was gegaan, hadden de minister en het kabinet misschien wat langer na moeten denken en misschien andere regelingen kunnen bedenken. Maar het gebruiken van deze noodwetgeving vind ik echt een grove schending van de bevoegdheden van dit kabinet.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
We staan hier in de Kamer. Het is aan de Kamer om te bepalen of ze dit een goed idee vindt of niet. We hebben natuurlijk overal adviezen gevraagd, zoals bij de Raad van State, zoals dat hoort. Laat ik ook voor onze juristen bij mijn ministerie zeggen dat er niemand is die denkt dat dit een makkelijke weg is. We zagen dit wel als de enige optie. Zo vaak hebben we niet meegemaakt van dat een van onze buren in een brute oorlog terechtkomt en dat je vervolgens klaar moet staan voor mensen. Het is dus gelukkig niet zo dat dit iets is wat we elke paar jaar meemaken. We beseffen dus dat dit een uniek moment is.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas. Ik wijs ook de andere leden erop dat interrupties niet in drieën hoeven. U staat bekend om uw snedige kortheid. Ik daag u dus uit. O, wacht, zal ik uw microfoon aanzetten? Dat helpt wellicht.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dat helpt zeker. We kunnen overal noodwetten voor maken. We hebben een noodwet gemaakt voor de avondklok, voor corona. Een spoedwet is heel snel gemaakt. Waarom kunnen we geen noodwet maken om ervoor te zorgen dat de woningbouw vlot getrokken wordt? Dat kan namelijk ook. Ook daar kun je een noodwet voor maken, zodat je vanwege het stikstofbeleid even niet aan de huidige regels hoeft te voldoen. Je maakt gewoon een noodwet, zodat je de bouw snel vlot kan trekken. Mijn vraag is dan ook waarom we dat niet doen, want het gaat eigenlijk om bouw om mensen op te vangen, al dan niet met een woning. Waarom wordt daar dan niet op ingezet?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Mijn collega voor Volkshuisvesting, minister De Jonge, is er druk mee bezig te kijken op welke manier hij dat kan versnellen. Ik heb daar straks een paar antwoorden over, maar ik zou mevrouw Van der Plas wel willen vragen om daar met hem dat debat over aan te gaan, want hij is daar juist druk mee bezig. Het gaat vandaag wel over staatsnoodrecht, wat dus in ons reguliere wettenpakket als optie zit voor zoiets. Dat ging echt over acuut, snel opvang bieden. En op dat moment wisten we niet hoelang dit zou duren, en eigenlijk is dat vandaag nog steeds zo. Het heeft dus ook te maken met goede opvang voor nu, en niet met mensen die in huizen moeten gaan wonen. Naarmate dit langer duurt — daar heb ik ook wat vragen over gehad en daar kom ik nog op — kan dat natuurlijk weer een ander verhaal worden. Dan is mijn collega, minister De Jonge, denk ik echt aan zet.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat was ook mijn vraag in mijn inbreng: welke opties zijn er allemaal doorlopen voordat het kabinet tot dit besluit kwam? Ik heb eerlijk gezegd zelf niet het idee dat echt naar alle andere opties is gekeken voordat er zo'n rigoureuze maatregel als deze noodwet genomen gaat worden. Daarover zou ik toch graag meer verduidelijking willen hebben, want met de huidige onrust in de samenleving, die ons allemaal niet is ontgaan — dat gaat niet alleen om boeren die boos zijn; in de samenleving zelf sluimert er ook heel veel — vraag ik mij eerlijk gezegd af hoe proportioneel en verstandig het is om dan ook nog met zo'n wet te komen boven op alles wat eigenlijk al speelt. Is die afweging ook gemaakt: nemen we het risico daarop en is dit proportioneel genoeg?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Zeker, absoluut. Het is ook ons werk om dat te doen, en niet alleen om dat gedegen voor te bereiden, maar ook om het antwoord te hebben als we vervolgens hier staan. Vier maanden geleden lijkt heel lang geleden, maar dat is het niet. Nog steeds komen er overigens mensen ons land in vanuit Oekraïne. Toen zagen we echt op grote schaal mensen vluchten. Je kunt dan niet anders. De enige andere optie op dat moment is dan dat het COA, zoals het COA dat doet, zorgt voor ontheemden en asielzoekers. Maar ik kan echt zeggen dat het geen optie was voor het COA om binnen vier maanden 70.000 mensen extra op te vangen. Toen wisten we overigens ook niet hoeveel het er zouden worden; dat weten we vandaag nog steeds niet. Ik ben er dus van overtuigd dat we snel moesten schakelen. We zagen ook — dat is ook aangehaald in de verschillende inbrengen — dat veel gemeenten zeiden: wij hebben hier nu plekken. Maar ook omdat we niet wisten hoeveel er nodig zouden zijn, konden we die gok niet nemen. Er is dus zeker gekeken. We hebben adviezen gehad, bijvoorbeeld van de Raad van State, waarin men zei: we begrijpen waarom je hiervoor kiest en daarvoor is het ook geschikt. Ik denk dat we daarmee in die afwegingen bevestigd zijn door mensen die daar ook behoorlijk wat verstand van hebben. En die zeggen: ja, dit was op dat moment de beste optie.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas nog afrondend, kort.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, nog afrondend. In het eerste deel van het antwoord van de minister gaf zij antwoord op mijn vraag: wat is dan het gevolg daarvan en hoe erg is het? Ik heb wel gehoord wat er zou kunnen gebeuren als we die wet zouden deactiveren, maar ik heb niet gehoord hoe erg dat dan zou zijn. Met permissie, voorzitter, zeg ik nog even twee zinnen. Bijvoorbeeld in Budel, waar ik afgelopen week ben geweest, zegt de gemeente namelijk juist: laat het aan ons en ga dat niet van bovenaf opleggen, want wij weten beter wat hier aan de gang is en hoe het inwerkt op de samenleving. Ik weet dus niet of die gemeenten er allemaal wel op zitten te wachten om dat straks onder dwang te moeten doen.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik denk dat hier twee dingen door elkaar lopen, want met deze wet zeggen we juist tegen de gemeenten: u heeft de wettelijke bevoegdheid en taak om dit te doen. Dan kijken we met de gemeenten in overleg hoe ze dat doen. Als ik mij niet vergis, heeft mevrouw Van der Plas het ook over de andere wetgeving, voor de reguliere asielstroom, die mijn collega, de staatssecretaris van JenV, aan het voorbereiden is. Maar dat komt later dit jaar. Die dingen lopen op deze manier niet door elkaar. We geven met deze wet juist de gemeenten de verantwoordelijkheid. Op het moment dat die vannacht zou vervallen, zou dat betekenen dat die taak teruggaat naar het COA. Dan ga je het dus landelijk, vanuit hier, centraal aansturen. Nog los van het feit dat het COA dat niet kan, haal je het dan dus juist weg bij de gemeenten. Dus ik denk dat het verstandig is om die twee dingen ook apart te houden, ook al begrijp ik heel goed dat ze in de praktijk en in de gemeenten door elkaar lopen.

Misschien mag ik daar één ding aan toevoegen. Ik begrijp namelijk heel goed dat mevrouw Van der Plas zegt dat ons land niet in de meest rustige tijd zit. Daar ben ik het totaal mee eens. Dit is in mijn beleving wel een van de onderwerpen waar behoorlijk consensus over was en nog steeds is, ook als je kijkt naar het draagvlak onder de Nederlandse bevolking, omdat wij wel een veilige haven bieden aan de Oekraïners die vluchten. De enige manier om dit goed te regelen, was door die gemeenten de taak te geven. Dat is het enige wat we hebben gedaan met deze twee artikelen van de wet.

De heer Slootweg (CDA):
Ik wil toch nog even heel goed scherp hebben of ik de minister goed begrijp. Zegt ze: als we deze noodwet niet hadden ingeroepen, hadden we eigenlijk nooit zo veel plekken kunnen realiseren als we nu hebben gedaan? Klopt die analyse?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Wat helemaal klopt, is dat ik dat niet weet. Want dan had je het aan alle gemeenten vrijwillig gelaten. Dan weet ik niet hoe de afgelopen vier maanden eruit hadden gezien. Daarbij had het COA de wettelijke taak gehad en hadden we niet voldaan aan de Europese regels rondom wat je moet bieden; neem bijvoorbeeld de regels rondom leefgeld en dergelijke. Daar is ook een bepaalde standaard — we kunnen natuurlijk zelf ook heel veel bepalen — waar we ook niet aan hadden kunnen voldoen. Dus dan had je per gemeente grote verschillen gehad, van nul opvang tot opvang op een heel andere manier tot verschillende niveaus. Dat weet ik dus niet. Dat risico had je in het begin en nu niet kunnen nemen, vind ik.

De heer Slootweg (CDA):
Is dat dan ook het antwoord op de vraag die ik in mijn eigen inbreng had gesteld? Er is een professor aan de Radboud Universiteit die aangaf: je had ook de Huisvestingswet in kunnen zetten, waarin je vanuit hier direct zegt dat de opdracht aan gemeenten wordt verhoogd. Dan heb je geen onderscheid tussen statushouders en mensen uit Oekraïne. Begrijp ik het dan goed dat de minister zegt: ja, maar vanuit Europa is de vraag aan ons geweest om op een andere manier de rechten van Oekraïense ontheemden te waarborgen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Bijna. Ook hier lopen er dan weer twee zaken door elkaar. Ontheemden uit Oekraïne hebben niet dezelfde status als statushouders. Statushouders hebben inmiddels gehoord dat ze hier mogen blijven, dus die zijn nu veelal aan het wachten om uit te mogen stromen naar een woning. Dat is weer een andere uitdaging; laat ik het zo zeggen. Je kunt dit vergelijken met andere asielzoekers, waarbij Oekraïners op dit moment niet als asielzoekers worden gekenmerkt. Het klopt: het zijn regels vanuit Europa die nu gelden voor de opvang van ontheemden. Daarbij zeg ik nog een keer: dan had je die taak ook volledig bij het COA moeten laten en dat is op dit moment echt niet wijs.

De voorzitter:
Meneer Stoffer. Ik ga echt vanaf nu proberen om de interrupties in tweeën te houden, want we zijn nog bij het eerste blokje en we hebben er nog vier te gaan. Maar omdat het u overvalt, zal ik u er nog drie gunnen en niet halverwege het spel de regels veranderen. Maar vanaf het volgende rijtje gaan ze wel veranderen.

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, als u zegt in tweeën, dan doe ik het maximaal in tweeën, hoor.

De voorzitter:
Kijk.

De heer Stoffer (SGP):
Als was in uw handen.

Wat bij mij echt nog wel blijft zitten, en ik hoop dat de minister daar een antwoord op wil geven, is het volgende. Als je die Wet verplaatsing bevolking ziet en als je de memorie van toelichting leest, dan zie je dat die echt gericht is op de situatie waarin de eigen bevolking, de Nederlandse bevolking, verplaatst moet worden omdat er een acute situatie, een noodsituatie is vanwege oorlog, echt hier aan onze grenzen, of als er een dijk doorbreekt, zoals bijvoorbeeld in 1993 en 1995. Voor dat soort situaties is die volgens mij bedoeld. Er was hier naar mijn beleving op dat moment geen tekort aan een wet. Niemand lag buiten. Dus ik blijf nog steeds met het punt zitten: waarom is gekozen voor deze wet op dat moment, en niet — laat ik gelijk maar het alternatief erbij noemen, want ik heb helemaal niet de indruk dat het kabinet verkeerde bewegingen of bedoelingen had — voor een snelle, tijdelijke wet?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Om meteen met dat laatste te beginnen: het staatsnoodrecht zoals dat voorlag, zoals het in ons reguliere pakket zit — het is noodrecht, maar het behoort wel tot de mogelijkheden — was er al en is hier geschikt voor. Ik denk dat ik in herhaling val, maar ik ga het toch zeggen. Dit was inderdaad ook een expliciete vraag van de heer Stoffer. Daar was ik zo bij gekomen, maar ik heb die even naar voren gehaald. Het noodrecht in de Wet verplaatsing bevolking is mede voor deze situatie bedoeld. Dus het was dan gek geweest om een aparte tijdelijke wet te maken die je op dat moment meteen nodig had gehad. Want ik vind — en dat ben ik echt met de heer Stoffer niet eens — dat op het moment dat Rusland Oekraïne binnenvalt en we geen flauw idee hebben wat ons overkomt en hoe dat eruit gaan zien, we aan het begin daarvan niet kunnen zeggen: we zien dat er wat bedden vrijstaan, dus het zal wel loslopen. Als ik dat had gedaan en er vervolgens meer mensen waren binnengekomen — dat is ook het geval, want er zijn er op dit moment zeven keer meer — dan had de Kamer denk ik hele andere vragen gesteld. Ik denk dat de SGP mij niet had laten wegkomen met die gok. De Wet verplaatsing bevolking was niet alleen bedoeld voor een watersnoodramp, een oorlog of een andere ramp, maar ook voor de situatie van een vluchtelingenstroom. Ik citeer uit de door de wetgever gegeven toelichting: "Er kunnen zich omstandigheden voordoen, zoals bij het overschrijden van onze grenzen van grote groepen vluchtelingen, waarin het gewenst is te kunnen gebruikmaken van de in het ontwerp neergelegde regeling." Hij is dus specifiek ook voor dit soort gevallen bedoeld. Ik denk dat we ons, als ik het zo mag formuleren, gelukkig mogen prijzen dat we die tot nu toe niet uit de kast hebben hoeven halen. Maar wat we in Oekraïne zien — vier maanden geleden waren we daar nogal nadrukkelijk en luid over; ik hoop vandaag nog steeds — is zó heftig, zó schokkend en zó dichtbij dat dit … De wet was er al. Ik vind wel — daar zou ik op komen bij de vragen van bijvoorbeeld de heer Eerdmans — dat …

De voorzitter:
Dat gaan we zo doen. Neemt u het maar alvast mee, maar …

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Een kleine opmerking. Ik vind wel — dat zit ook in het noodrecht — dat die zo snel mogelijk weer buiten werking gesteld moet worden. Ik kom straks terug op de vraag hoe je dat dan doet. Ik ben er dus van overtuigd dat die snel nodig was, maar ik ben er ook van overtuigd dat die snel weer moet worden ingetrokken.

De voorzitter:
Afrondend, meneer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):
Ja, afrondend. Ik hou het dan nog steeds in tweeën. Ik ben eigenlijk benieuwd naar het verdere betoog van de minister. We komen er dan wellicht later nog op terug.

De voorzitter:
Zeker. Daar gaan we zo meteen naar luisteren, maar eerst heeft meneer Van Haga nog een interruptie. Gaat uw gang.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Wat mij opvalt, is dat de meeste collega's vragen waarom er niet is gekozen voor een alternatief. De heer Stoffer vroeg daarnaar en wees op een snelle, tijdelijke wet. Mevrouw Van der Plas vroeg net ook: waarom is er niet gekozen voor allerlei andere opties? Ik heb daar ook naar gevraagd. Ik had het over leegstaande rijksgebouwen, vakantieparken, ander particulier bezit. Dat was ook een optie geweest. Waarom dan toch kiezen voor de nucleaire optie van dit staatsnoodrecht?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik denk dat de heer Van Haga een aantal zaken door mekaar haalt. Ten eerste heb ik een antwoord gegeven. Ten tweede geef je juist de gemeenten de mogelijkheid om binnen een gemeente dit soort opties te kunnen verkennen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dat lijkt me helder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Als je dat landelijk moet organiseren, dan ga je dus over tot zaken als vorderen, en ik weet zéker dat de heer Van Haga dat niet bedoelt.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Maar het ligt in het verlengde van deze wet. Het staat nota bene in deze wet. Oké, het zijn de artikelen die nog niet zijn ingevoerd, maar het ligt om de hoek. Ik vind het toch een nucleaire optie. Ik verbaas me erover dat er niet naar andere opties wordt gekeken, nog steeds. Ik heb het in mijn bijdrage gevraagd, dus ik neem aan dat de minister daarop terugkomt in haar beantwoording. Misschien nog een laatste vraag: wanneer eindigt dit?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Daar kwam ik net op. De vraag van de heer Van Haga en de heer Eerdmans die hier voor mij ligt, was inderdaad: wanneer wordt het noodrecht weer buiten werking gesteld? Het noodrecht kan slechts een tijdelijke oplossing zijn. Ook daar is de wetgever trouwens heel helder over; dat is vanaf dag één ook onze inzet geweest. Ik deel dat ook volledig. Het is bedoeld voor een noodsituatie. Zoals in mijn brief van 10 juni gemeld, blijft het voorlopig nog noodzakelijk om de opvangtaak langer dan verwacht bij gemeenten te beleggen, omdat de oorlog gaande is en het COA de stroom ook nog steeds niet aankan. Zolang deze omstandigheden gelden, moet er een juridische basis zijn die deze opvangtaak bij gemeenten belegt. In een ander geval kom je inderdaad uit op zaken vanuit het Rijk vorderen en dergelijke, zoals de heer Van Haga net aangaf. Daarom werken we aan een voorstel voor een tijdelijke wet. Daar wordt nu hard aan gewerkt, in hoog tempo. Die willen we ook zo snel mogelijk bij uw Tweede Kamer indienen. Met die tijdelijke wet worden gemeenten via een normale wetgevingsprocedure, zoals dat hoort, langer met de opvang van ontheemden belast. Die wet geven we ook vorm samen met gemeenten. Dan wordt het noodrecht direct beëindigd.

De voorzitter:
Mevrouw Kröger, we doen het in tweeën. Dus straks krijgt u uw antwoorden en komt u weer terug. Mevrouw Kröger?

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik wil toch even doorgaan op de vraag van de heer Slootweg: waarom is er niet gekozen voor de Huisvestingswet? Daarin staat namelijk al een artikel dat regelt dat gemeenten de opvang regelen voor statushouders. Daar kan gewoon een artikel aan worden toegevoegd over Oekraïense ontheemden, of over mensen die onder de tijdelijke richtlijn bescherming onze opvang genieten. Is deze optie überhaupt juridisch verkend, en waarom is daar niet voor gekozen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Er is natuurlijk gekeken naar de status van ontheemden. Ook al is het vanuit Europa anders geregeld voor alle Europese landen, het is eerder vergelijkbaar met asielzoekers. Het gaat dus over opvang, op hetzelfde niveau als we asielzoekers hier kunnen bieden. Een van de antwoorden is dat je vervolgens niet bekijkt hoe je mensen kunt opvangen zoals Nederlanders die hier regulier wonen en leven, of statushouders. In die zin is deze groep vergelijkbaar met asielzoekers.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dat is echt nog geen begin van een antwoord op mijn vraag. De Huisvestingswet regelt op dit moment een taakstelling vergunninghouders. Er kan net zo goed een artikel worden toegevoegd over een taakstelling voor opvang, dus niet huisvesting, inclusief alle achterliggende regelingen, die er net zoals de noodwetgeving zijn voor de opvang van Oekraïense ontheemden. Dat is een ander juridisch instrumentarium. Dat is geen staatsnoodrecht. De Kamer zegt heel duidelijk dat er ongemak over is dat het kabinet in deze situatie grijpt naar noodrecht. Waarom is er dus niet gekozen voor een aanpassing van de Huisvestingswet?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik snap dat er bij sommige partijen ongemak is. Ik had ook zeer veel ongemak toen ik de oorlog in Oekraïne zag. Maar dat is een noodsituatie, waarvoor we noodwetgeving hebben, die daar direct voor in gebruik genomen kan worden. Dat wordt ook onderstreept door de Raad van State, die ook zegt: je zet het in voor het juiste doel. Mij wordt gevraagd waarom ik niet met een tijdelijke wet kom of de wetgeving niet aanpas. Dan zeg ik: als je alles afweegt en overweegt, zie je dat er al een wet is die precies hiervoor bedoeld is. Ik heb zelfs nog de toelichting die erbij hoort voorgelezen. Het gaat letterlijk hierover. Je zou anders de tijd hebben genomen om een wet aan te passen terwijl je die wet al tot je beschikking had. Het duurt zo kort als mogelijk. Precies hiervoor is er al een tijdelijke wet. Dat is op de juiste manier omgaan met de tools die je hebt.

De voorzitter:
Nee, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Maar dit was geen antwoord.

De voorzitter:
U heeft straks een tweede termijn. Gaat u verder, minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Even kijken. De heer Brekelmans vroeg nog: wilt u toezeggen dat de Kamer wordt geïnformeerd, mocht het zover komen dat andere noodbevoegdheden worden ingesteld? Ik heb al gezegd: ja, we zorgen ervoor dat we dan vooraf naar de Kamer komen.

De heer Van Dijk stelde een vraag die raakt aan de vraag die ik zojuist van GroenLinks kreeg: waarom is er geen reguliere wet opgesteld of een aanpassing gedaan? Met de activatie van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking is gebruikgemaakt van specifiek voor deze situatie bedoelde noodwetgeving. Daarom was het ook niet nodig om bijvoorbeeld een aparte spoedwet op te stellen. Alle andere wetten aanpassen zou ook veel te lang hebben geduurd voor de Oekraïense ontheemden die op dat moment opeens onze kant op kwamen en dat nog steeds doen.

De heer Van Dijk vroeg ook of ontheemden terugvallen op het COA als de EU de tijdelijke beschermingsstatus beëindigt. De werking van de Richtlijn tijdelijke bescherming is niet vereist voor de werking van de wet zoals we die hier voorleggen. Ontheemden die het conflict in Oekraïne ontvluchten, krijgen op grond daarvan tijdelijke bescherming in de lidstaten van de Europese Unie en daarmee ook in Nederland. Als deze bijzondere status eventueel komt te vervallen, heeft dat geen juridische consequenties voor de huidige inwerkingstelling van de artikel 2c en 4 van de wet zoals die nu voorligt. De richtlijn is niet vereist voor de werking.

De heer Stoffer, mevrouw Van der Plas en mevrouw Podt vroegen welke alternatieven zijn overwogen. Ik denk dat ik daar al veel over heb gezegd. Het COA was en is niet in staat om 70.000 extra mensen op te vangen. Op 6 mei heb ik uw Kamer stukken toegezonden waarin de verschillende mogelijkheden zijn verkend. Daarin wordt al het een en ander uitgelegd. Uit het overzicht blijkt dat de keuze grofweg bestond uit het activeren van het beschikbare staatsnoodrecht of het creëren van een nieuwe tijdelijke wet. Omdat de Wet verplaatsing bevolking bij buitengewone omstandigheden in een juridische grondslag voorzag en er van buitengewone omstandigheden sprake was, lag deze optie ook voor. De Raad van State heeft deze toepasselijkheid van de wet inmiddels bevestigd.

De heer Stoffer vroeg wanneer en onder welke voorwaarden dwang mogelijk is. Volgens mij zou dat een herhaling zijn van wat ik zojuist zei. Ik denk dat hij doelde op vorderen. Als het gaat over vorderen, is dwang echt niet aan de orde. Er zijn geen andere bepalingen dan 2c en 4 geactiveerd. Ik denk dat de heer Stoffer doelde op artikel 7, maar dat is niet in werking gesteld. Mocht dat ooit om wat voor reden dan ook veranderen, komen we eerst terug naar de Tweede Kamer, zoals ik ook al heb toegezegd aan de heer Brekelmans. Dan kunnen we hopelijk goed schetsen waarom we er dan staan, maar het is nu dus allemaal niet aan de orde.

Ik heb de vraag van SGP, GroenLinks, CDA, D66 en andere partijen waarom deze wet niet voor andere situaties wordt ingezet. Ik probeer niet te veel in herhaling te vervallen, maar ik wil wel antwoord geven. U heeft het er vanmiddag ongetwijfeld ook uitvoerig over gehad: de problemen in de reguliere asielopvang zijn groot en moeten worden opgelost. Zoals gezegd, staatsnoodrecht kan je niet inzetten voor problemen van structurele aard. Dat moet op een andere manier. We hebben de crisisstructuur ervoor in werking gesteld, maar dat staat los van wetgeving. Daar komt niet automatisch wetgeving bij.

De heer Stoffer vroeg waarom niet vooraf met de Tweede Kamer is overlegd voordat het noodrecht in werking werd gesteld. De Kamer is bij verschillende brieven voor 1 april gemeld dat de inzet van het noodrecht werd onderzocht. Het is waar dat de noodbevoegdheden kunnen worden geactiveerd bij koninklijk besluit. Zo is het geregeld. Dat is dus zonder parlement. Het is de wettelijke procedure, omdat je snel moet kunnen schakelen. Daarvoor is er noodwetgeving in een noodsituatie. Wel moet onverwijld een voortduringswet worden ingediend. Dat is hier ook echt gebeurd. Die doorloopt dezelfde procedure als een gewone wet. Zo brengt de Raad van State advies uit, waar we het vandaag ook over hebben. Uw Kamer had na de indiening van het voortduringswetsvoorstel meteen kunnen zeggen dat zij geen toepassing van het noodrecht wilde. Het zou dan meteen weer buiten werking zijn gesteld. In al die opties, ook al is het noodrecht waardoor je sneller kunt handelen, is geregeld dat het parlement daarna weer heel snel kan handelen.

De heer Stoffer vroeg hoe ik terugkijk op de inzet van het staatsnoodrecht in dit geval. Volgens mij heb ik dat aan de hand van verschillende interrupties benadrukt. De reguliere wettelijke kaders moeten worden gevolgd. In dit geval bleek dat onmogelijk als je kijkt naar de situatie waarin wij belandden. Daarom was het nodig om deze wet te activeren. Dat is wat mij betreft gepast. Het is voor mij ook gepast dat we kijken hoe snel we er weer van af kunnen, want noodrecht is niet voor een hele lange tijd.

Mevrouw Van der Plas vroeg: hoe kan het dat we nu pas een debat over staatsnoodrecht hebben, drie maanden en zes dagen na de aanwending ervan? In de interruptie is al met elkaar besproken dat dit door de planning van de Tweede Kamer komt. Daar ga ik niet over. Mevrouw Van der Plas vroeg ook waarom er in de voortduringswet ook andere wijzigingen in de Wet verplaatsing bevolking zijn doorgevoerd. De voortduringswet is vooral bedoeld zodat de Tweede Kamer zich kan uitspreken over de inzet van noodrecht. De voortduringswet is ook een gewone wet, dus is het mogelijk in een voortduringswet wijzigingen voor te stellen. Dat is gebeurd voor bijvoorbeeld artikel 12 van de wet. Dat artikel verplicht tot een nieuwe algemene maatregel van bestuur over de compensatie van gemeenten. Dat zat er al in. Dit is een bepaling uit 1952 en die zou nu, in onze tijd, slechts leiden tot overbodige wetgeving, want we hebben dat allang op een andere manier geborgd. In dit geval heet dat de Financiële-verhoudingswet, maar die is er dan al. Je hebt dan wetgeving waar je niks mee kan. Ook wordt artikel 15 gewijzigd. Dat artikel vereist een of meer commissarissen verplaatsing bevolking per provincie, maar die commissarissen zijn er helemaal niet. Die zijn ook in 2022 niet meer nodig, want we doen dat nu via de veiligheidsregio's. Dus op de onderdelen die niet meer van toepassing zijn op ons huidige systeem, is de wet aangepast.

De heer Slootweg had nog de vraag waarom geen reguliere regelgeving is toegepast. Dat heb ik al toegelicht.

De laatste vraag in dit mapje is de vraag van de heer Slootweg waarom Oekraïners die voor de oorlog al in Nederland waren ook onder de regeling vallen. Het Raadsbesluit dat is genomen naar aanleiding van dit allemaal moedigt de lidstaten aan om de tijdelijke bescherming uit te breiden tot personen die Oekraïne kort voor 24 februari 2022 hebben verlaten. Het kabinet heeft besloten dit gewoon op te volgen, omdat het een moeilijk grensmoment is om te bepalen wanneer wat nou precies is begonnen en wanneer mensen zijn gaan bewegen, vluchten of veiligheid zijn gaan zoeken. De datum van 7 november 2021 sluit aan bij de visumvrije periode van 90 dagen. Het is in die zin een technisch verhaal.

Dan ben ik bij het volgende mapje. Die gaat over de tijdelijke wet, waarover we nog uitgebreid komen te spreken. De heer Brekelmans vroeg wat de reikwijdte van de tijdelijke wet wordt. Gaat die lijken op waar we het vanavond over hebben? Het is goed om te benadrukken dat op dit moment met de VNG, het Veiligheidsberaad en gemeenten wordt gesproken over de invulling ervan om te zorgen dat we het met elkaar zo kunnen vormgeven dat het iets wordt waar ze echt mee verder kunnen. Mijn inzet is dat de tijdelijke wet zeer nauw zal aansluiten bij het noodrecht zoals we dat vandaag ook bespreken, dus bij die artikelen die we hebben geactiveerd. In de tijdelijke wet zal een taak voor gemeenten komen te staan voor opvang van ontheemden, precies wat we ook de afgelopen maanden hebben gedaan met de artikelen 2c en 4. Verder zal de wet een grondslag bevatten voor het stellen van regels voor opvang, precies zoals we nu hebben gedaan met artikel 4. Je kunt dan denken aan eisen zoals de hoogte van leefgeld en dat soort elementen. Daar zetten we nu volledig op in.

De heer Brekelmans vroeg waarom voor een tijdelijke wet is gekozen en welke bedenkingen daar aanleiding toe gaven. Er zijn twee aspecten. Een. Ik heb net al uitvoerig gezegd dat het staatsnoodrecht in werking kan blijven zolang de buitengewone omstandigheden die tot de activering daarvan noopten, voortduren. Dit betekent: zolang de oorlog daar gaande is of zolang het COA deze stroom niet aankan. Op dit moment zijn ze allebei waar. Je ziet dat dit voorlopig waarschijnlijk niet gaat veranderen. Voor beide elementen helaas, maar vooral als je kijkt naar de oorlog in Oekraïne. Het kabinet is van mening dat de inzet van het noodrecht maar tijdelijk mag duren. Dat is ook echt de omschrijving. We moeten zo snel mogelijk naar een situatie waarin we weer buiten het noodrecht in de opvang kunnen voorzien. Dat is de reden dat we werken aan een tijdelijke wet. Zodra die in werking is gesteld, vervalt de activatie van het noodrecht.

De voorzitter:
Een interruptie van de heer Brekelmans.

De heer Brekelmans (VVD):
Een hele korte, verduidelijkende vraag, want de beantwoording van de minister was helder. Ze wil zo nauw mogelijk aansluiten bij artikel 2c en artikel 4. In het debat zijn enkele artikelen uit de Wet verplaatsing bevolking aangehaald en is het doembeeld geschetst als zou het kabinet die willen gaan gebruiken. Zegt de minister daarmee ook dat ze die artikelen niet zal opnemen in die tijdelijke wet? De angst dat ze ooit ingezet zouden worden, zou met die tijdelijke wet van de baan zijn.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Klopt. Dat zit nu niet in de tijdelijke wet. Het zit ook niet in de gesprekken die we met de gemeenten hebben. Zoals zojuist toegezegd aan de heer Brekelmans en andere Kamerleden, komen we, op het moment dat de situatie zodanig verandert dat je andere zaken zou moeten doen, eerst terug in de Kamer. Dat zou kunnen betekenen dat je dan bijvoorbeeld de tijdelijke wet moet aanpassen, maar dat je eerst naar de Kamer komt met een verhaal over het hoe en wat. Dat is de procedure. Wat ik zojuist heb toegelicht over 2c en 4, staatsnoodrecht en waarom we hier staan, geldt net zo voor de tijdelijke wet.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dan zei de heer Stoffer dat de VNG en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters kritisch zijn over de inzet van noodrecht. Hij vraagt of de minister kan toezeggen dat democratische controle weer mogelijk wordt en dat gemeenteraden niet buitenspel staan. Met de inwerkingstelling van deze wet is gebruikgemaakt van een bestaande bevoegdheid, zoals gezegd voor deze situatie bedoeld. Omdat deze wet bepaalt dat de burgemeester bevoegd orgaan is, was er geen ruimte om hier een heel andere keuze in te maken. De burgemeester is dan in the lead. Maar het is niet buiten de gemeenten om gegaan. Met de VNG is intensief gesproken, voordat het noodrecht werd geactiveerd. Ook bij de tijdelijke wet is aandacht voor democratische legitimatie. Dat is ook de reden waarom we deze tijd nu moeten nemen. We moeten juist met de VNG, met het Veiligheidsberaad en met alle gemeenten zo breed mogelijk proberen te komen tot een kader waarvan men zegt: hier kan ik mee verder, dit kan ik goed uitleggen.

Zoals in de brief van vandaag is aangekondigd, is er een bestuurlijk afsprakenkader vastgesteld. Daar is de staatssecretaris met al die gemeenten druk mee bezig. Daarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een tijdelijke wet, waarbij de bevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders wordt belegd, met de normale democratische rol van de gemeenteraad. Op het moment dat we met de tijdelijke wet aan de slag kunnen en het staatsnoodrecht vervalt, komen we dankzij het bestuurlijk afsprakenkader veel meer in een regulier proces terecht. De heer Stoffer was daar volgens mij ook naar op zoek.

Mevrouw Kröger heb ik net al geantwoord over het tijdpad van de tijdelijke wet: zo snel mogelijk. Maar juist om de elementen die ik richting de heer Stoffer aangaf, namelijk dat we het goed moeten invullen, hebben we nu deze tijd nodig. Er wordt in heel hoog tempo aan gewerkt. Het moet zo snel mogelijk ingediend worden. Ik hoop dat het wetsvoorstel zo snel mogelijk na het zomerreces naar de Tweede Kamer kan. Dat is de inzet. De hele zomer is erop ingericht om daarop uit te komen. Mocht er iets anders gebeuren, dan komen we natuurlijk terug naar de Kamer. Vooralsnog heb ik het idee dat we dat vlak na de zomer kunnen doen.

Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Kröger. Die is eigenlijk net al behandeld. Het ging over de Huisvestingswet. Ik heb aangegeven dat de tijdelijke wet sowieso de opvolger is van het noodrecht. Het noodrecht, de beschikbare wetgeving, was specifiek voor deze situatie. Als er nog nadere vragen over de Huisvestingswet zijn en over de toekomst, ben ik ervan overtuigd dat minister De Jonge daar graag op ingaat.

De voorzitter:
Dan gaan we naar het derde blokje, als ik het goed bijgehouden heb.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja, dat is het blokje praktijk, opvang, capaciteit, hoe zaken nu zijn.

De voorzitter:
Ja.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Mevrouw Bikker zei: wat is nou precies op poten gezet voor de opvang van vluchtelingen, voor noodopvang? Zij ziet dat heel veel maatschappelijke organisaties en kerken allemaal opspringen en zeggen: wij willen graag helpen. Zij sprak haar waardering uit en die deel ik. Ik ben het daar heel erg mee eens. Dat is heel breed in de samenleving. Vier maanden geleden lijkt heel lang geleden, maar je zag hoe de Nederlandse bevolking heel breed, en ook vanuit maatschappelijke organisaties, zei: natuurlijk bieden wij een veilige haven voor Oekraïners die nu opeens moeten vluchten. Ik denk dat we heel trots mogen zijn op wat we in ons land voor elkaar hebben gekregen. Er is door gemeenten, veiligheidsregio's, ngo's en vrijwilligers heel veel gedaan om opvang voor ontheemden vorm te geven. Daarnaast zijn er heel veel particuliere initiatieven, waarvan wij met name die van RefugeeHomeNL steunen. Dat is een consortium van het Rode Kruis, VluchtelingenWerk, Leger des Heils en Takecarebnb, dat door het ministerie financieel wordt ondersteund om particuliere opvang zo veilig en zorgvuldig mogelijk te faciliteren en te coördineren. RefugeeHomeNL informeert, screent, koppelt en begeleidt gasthuishoudens en ontheemden.

De heer Van Dijk zei: gemeenten zijn wel verantwoordelijk voor opvang van ontheemden, maar hoe doen ze dat eigenlijk? Ook zij hebben immers te maken met een tekort aan bouwmaterialen, aan mensen en aan financiën. De realisatie van opvangplekken vraagt om bovenmatige inspanning van gemeenten en veiligheidsregio's. We zien dat dit met name geldt voor de kleinere gemeenten. In afstemming met het Veiligheidsberaad inventariseert de regering continu de knelpunten in de opvang van ontheemden. Er wordt echt intensief met de veiligheidsregio's samengewerkt om de belemmeringen vervolgens zo veel mogelijk weg te nemen. We dragen er ook zorg voor dat na het aanbieden van een locatie binnen 72 uur uitsluitsel kan worden gegeven over de dekking van de kosten van de opvang. Dat vonden de gemeenten terecht heel belangrijk. Zij kunnen heel snel schakelen. Binnen een heel korte tijd hebben ze meteen een reactie. Als gemeenten tegen andere knelpunten aanlopen, zoals tekort aan bouwmaterialen of bemensing van opvanglocaties, zorgen we ervoor dat we met elkaar kijken hoe we daarbij kunnen helpen. Behalve dat we een DG Oekraïne hebben, wat hier ook uitvoerig is besproken, hebben we bovendien een nationale opvangorganisatie opgericht. Die inventariseert de opvangmogelijkheden en biedt die ter ondersteuning aan bij de gemeenten. We faciliteren dus zo veel als we kunnen.

De voorzitter:
Bent u bijna aan het eind van dit blokje?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Nee.

De voorzitter:
Goed. Dan gaan we nu naar de interruptie van mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Herkent de minister dat er vanuit het perspectief van een gemeente heel veel behoefte is om met het Rijk in één keer afspraken te maken over opvang van zowel Oekraïners, als statushouders, als asielzoekers? Wat kan er in wetgeving gedaan worden om aan die behoefte van gemeenten tegemoet te komen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat herken ik zeker. Dat zie ik ook. Voor Oekraïne hadden we de crisisstructuur ingeschakeld. Die is nu weer afgeschakeld, maar nu hebben we het voor asiel. Eigenlijk zijn dat dezelfde mensen die aan tafel zitten en die dat ook aangeven. Waar mogelijk doen we dat. We zien ook dat niet alleen de problematiek — terecht dat we het daarover hebben — maar ook de groep in de praktijk dichter bij elkaar komt. Wat was de vraag precies? Sorry.

De voorzitter:
Gaat uw gang.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Excuus.

De voorzitter:
Pardon, sorry.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
De vraag was of de minister het herkende en in hoeverre er in wetgeving aan tegemoet gekomen kan worden.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja, natuurlijk. Deze vraag is meerdere keren gesteld volgens mij. Daar waar het kan, kijken we naar slimme verbanden. Wetgeving helemaal op één lijn brengen, gaat niet. Dat zei ik al in mijn betoog helemaal aan het begin van de avond. We worden het misschien niet helemaal eens, maar als je wetgeving op één lijn zou brengen, betekent dat dat het COA verantwoordelijk wordt voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Dat is iets wat gewoon niet gaat. Er zijn dus redenen om aparte trajecten te hebben, zoals de tijdelijke wet. Er wordt door gemeenten heel hard gewerkt aan het bestuurlijk afsprakenkader. Men ziet de behoefte voor een aparte tijdelijke wet. Ondertussen wordt er door mijn collega, de staatssecretaris van JenV, ook gewerkt aan andere wetgeving. Die bij elkaar brengen, zou betekenen dat je de bevoegdheden bij een andere partij neerlegt en dat gaat niet.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Je hebt de Huisvestingswet voor statushouders, we krijgen de tijdelijke wet voor Oekraïense ontheemden en dan weer een andere wet voor de aanwijzing aan gemeenten voor asielzoekers. Het feit dat het kabinet kiest om dit in drie verschillende wetten te beleggen, is voor gemeenten volstrekt niet logisch. Er is toch behoefte aan een soort eenduidig kader. Herkent de minister dat?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Deels. Deels is die behoefte er zeker. Maar het zijn ook drie aparte groepen. Daar moeten we ook eerlijk over zijn. Daar zijn de gemeenten ook heel duidelijk over. Statushouders hebben heel andere rechten. Er is ook een heel andere juridische grondslag op basis waarvan je die mensen opvangt, dan asielzoekers en ontheemden. Als je alles bij elkaar zou doen, doe je geen recht aan de verschillen. Het zijn echt verschillende bevoegdheden, zaken waar de gemeenten verantwoordelijk voor zijn en zaken waar het Rijk verantwoordelijk voor is. Dan krijg je weer een heel ondoorzichtige situatie. Waar het slim bij elkaar kan, doen we dat. Waar het niet kan, maak je het zo overzichtelijk en duidelijk mogelijk waarom het niet kan en wat per kader de mogelijkheden zijn.

De voorzitter:
Gaat u verder. O, er is een interruptie van mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):
Ik borduur nog even voort op mevrouw Kröger. Wij hadden net een interruptiedebatje over doel en middelen, hè. Ik hoor de minister heel goed en zij zegt: het lijkt me nou niet zo verstandig om die twee wetten samen te plakken. Tegelijkertijd wordt er natuurlijk inderdaad wel erkend dat gemeenten behoefte hebben aan iets meer eenduidigheid en iets meer duidelijkheid over wat er nou eerst komt, wat u belangrijker vindt en wat er precies van hen wordt verwacht. Dat in de eerste plaats. Maar dat geldt natuurlijk ook voor de mensen die daar uiteindelijk mee te maken krijgen, of ze nou asielzoeker zijn of Oekraïner of statushouder. Is de minister het met mij eens dat het voor met name die eerste twee groepen belangrijk is om voor het doel, het realiseren van tijdige opvang voor iedereen, te zorgen dat we die wetstrajecten zo laten lopen dat het een beetje gelijk oploopt? Nu is het soms immers wel heel schrijnend.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik denk ook hier weer: deels. Ik begrijp wel de vraag. Laat ik het even heel erg zakelijk uit elkaar trekken. De wetgeving, het staatsnoodrecht, waar we het vandaag over hebben, willen we, in ieder geval ik maar ik denk de Kamer ook, zo kort mogelijk laten duren. Dat betekent dat ik zo snel mogelijk met een tijdelijke wet wil kunnen komen. Daar gaan we de hele zomer aan werken. Tegelijkertijd wordt er de hele zomer natuurlijk ook doorgewerkt aan de wetgeving voor regulier asiel, wetgeving waar de staatssecretaris mee bezig is. Maar dat kan wel wat langer duren, omdat dat een heel ander traject is en het veel complexer is. Wij proberen nu om het staatsnoodrecht te gieten in een tijdelijke wet met democratische legitimatie, iets waar bijvoorbeeld de heer Stoffer naar vroeg. Waar het gelijk op kan gaan, doen we dat graag. Maar tegelijkertijd wil ik het staatsnoodrecht zo snel mogelijk weer van tafel halen, omdat het er daarvoor niet is.

Voorzitter. Het is misschien goed om aan te geven waar de burgemeesters ook om vragen, want ik snap wel waarnaar gezocht wordt. Zij geven, ook in de gesprekken die ik hierover met hen heb in het Veiligheidsberaad, vooral aan dat ik met een rond verhaal moet komen. Kom met een rond verhaal! Dat wil zeggen dat je zorgt dat je mensen die hier niets te zoeken hebben, aan de voorkant kunt weren en sneller uit kunt zetten. Zorg ook dat de mensen die je hier binnenlaat, weten dat ze hier mogen zijn. Zorg dat je de opvang in de regio goed regelt. En zorg er dan voor dat je mij helpt om de mensen hier te huisvesten die daar recht op hebben of om de mensen opvang te bieden die daar weer recht op hebben. En zorg ook voor de mensen die tijdelijke opvang verdienen, zoals bijvoorbeeld de Oekraïners. Dat ronde verhaal is wel wat de burgemeesters nadrukkelijk van ons vragen. Nou, daar is de staatssecretaris ook druk mee bezig. Maar dat betekent: én aan de voorkant de stroom kunnen beheersen én het hier in ons land goed kunnen borgen.

Mevrouw Podt (D66):
Het was natuurlijk niet mijn bedoeling om te suggereren dat we de wet voor de Oekraïense evacués maar een beetje moeten gaan vertragen, zodat het gelijk oploopt met de rest. Dat lijkt me niet de bedoeling. Tegelijkertijd vraag ik me dan wel af: wat maakt nou die wet voor reguliere asielzoekers zo veel complexer? Dat is namelijk wel wat de minister schetst. En wat zouden we eventueel kunnen leren van het traject dat we nu doorlopen voor de Oekraïners om dat andere ook een beetje te versnellen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dat is een goede vraag van mevrouw Podt, maar daar heb ik ook niet direct een antwoord op, omdat het vooral de staatssecretaris is die hier druk mee bezig is. Maar als mevrouw Podt het goedvindt, geleid ik deze vraag graag door. Ik weet namelijk zeker dat hierover natuurlijk op korte termijn met de commissie nader wordt gesproken. Het lijkt me heel goed dat de staatssecretaris het traject waar we nu in zitten, de bestuurlijke afspraken en een tijdelijke wet, daarbij betrekt en kijkt welke elementen we daarvan wel of niet kunnen toepassen. Ik zal dat graag aan hem doorgeven.

De voorzitter:
We verwachten nog een aantal brieven van de staatssecretaris en daar kan het wellicht in meegenomen worden.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Kijk! Er is vast ergens nog een pagina bij te verzinnen. Top.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
De heer Eerdmans had het over een fors aantal niet-Oekraïners onder de mensen die opgevangen worden. Dat kunnen mensen zijn die zeggen dat ze hier of daar waren om te studeren. Maar hoe gaat dat nou? Zijn dat allemaal vluchtelingen of zijn het misschien migranten? En zo ja, welke consequenties verbinden we dan daaraan?

Wanneer een naar eigen zeggen ontheemde uit de Oekraïne zichzelf niet kan identificeren, wordt diegene voorlopige opvang verleend en wordt hij tegelijkertijd doorverwezen naar de Oekraïense ambassade. Als de Oekraïense ambassade vaststelt dat diegene inderdaad de Oekraïense nationaliteit heeft, wordt de opvang voortgezet, conform zoals vanavond besproken.

Wanneer de Oekraïense ambassade de identiteit niet kan vaststellen of wanneer het een gestelde derdelander uit Oekraïne betreft, kan middels een triageproces door de IND de identiteit mogelijk alsnog worden vastgesteld. Als de identiteit niet aannemelijk kan worden gemaakt en als we er gewoon niet uit komen, dan kan de gemeente de toegang tot de opvang ontzeggen. In dat geval kan betrokkene een asielaanvraag indienen middels het reguliere asielproces. We zagen mensen die Oekraïens van nationaliteit zijn. We zagen dat mensen daar met een verblijfstatus waren. En er zullen ook mensen tussen zitten die dat allebei niet hebben. Die kunnen dan of teruggeleid worden naar het land van herkomst of de asielprocedure in.

De voorzitter:
Dat roept een vraag op bij de heer Slootweg.

De heer Slootweg (CDA):
Ik had een soortgelijke vraag als de heer Eerdmans, maar net iets anders geformuleerd. Begrijp ik uit de woorden van de minister dat de beslissing min of meer bij de gemeente ligt?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Nee. Nee, het gaat echt om de vraag of je jezelf kunt identificeren. Zo niet, dan kan de IND het mogelijk. Als dat ook niet kan, hoeft ook de gemeente niet op te vangen. Zo bedoelde ik het meer.

De heer Slootweg (CDA):
Even kijken of we misschien tot iets praktisch kunnen komen. Stel, er is iemand uit een veilig land. Laten we het maar even "land A" noemen, dan hebben we het minste gedoe, denk ik. Die persoon heeft daar gestudeerd en komt hier en geeft ook helemaal aan: ik zat in Oekraïne, ik ben gevlucht vanwege oorlogsgeweld, ik ben naar Nederland gekomen. Wordt die persoon op dat moment naar de IND gestuurd en zegt de IND of die persoon een asielaanvraag hier kan doen of niet?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Iemand verbleef dus met een geldige verblijfstatus in Oekraïne?

De heer Slootweg (CDA):
Ja, maar hij komt uit land A.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik ga u het antwoord geven, maar ik ga tegelijkertijd checken of wat ik zeg, klopt, want dit is de expertise van de staatssecretaris. Op het moment dat je daar een geldige verblijfstatus had, kom je hier in de ontheemdenaanpak zoals we die hebben. Maar mensen zonder verblijfstatus niet. Maar ik ga dit even checken. Ik zie geknik, dus het klopt in de basis. Ik heb zo meteen het antwoord voor de heer Slootweg, denk ik, en anders kom ik er in de tweede termijn nadrukkelijker op terug. Want het luistert nauw, dus ik wil niet iets zeggen wat niet klopt.

De voorzitter:
Fijn, dank u wel. Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dan ga ik verder met de vraag van de heer Van Haga. Hij vroeg: klopt het dat de bedragen die gemeenten van het Rijk krijgen via de speciale regeling voor panden deze gemeenten meer opleveren dan wat bedrijven betalen aan gemeenten? Het Rijk vergoedt de gemeentelijke kosten voor de opvang op basis van een ministeriële bekostigingsregeling. De middelen worden via een specifieke uitkering aan gemeenten verstrekt. Het uitgangspunt is dat gemeenten achteraf een vergoeding krijgen op basis van de gerealiseerde kosten. Gemeenten en veiligheidsregio's ontvangen een normbedrag van €700 per week per gerealiseerde gemeentelijke opvangplek. Dit normbedrag evalueren we nu met de VNG door middel van een onafhankelijk monitoringsonderzoek. Daarin kijken we of het bedrag moet worden bijgesteld of niet. Dat wordt dus onafhankelijk bekeken. Volgens de specifieke uitkeringsregeling moeten gemeenten zich achteraf verantwoorden. Hierin kan het zijn dat een uitkeringsbedrag terug wordt gevorderd wanneer het niet rechtmatig is uitgegeven. Op deze manier kan er ook een lager bedrag worden uitgekeerd. Het bedrag dat wordt overgemaakt is, kort gezegd, dus niet vrijblijvend.

Dan de heer Van Dijk. De regering verwijst naar het maatschappelijk middenveld, zoals het Rode Kruis, voor het bieden van ondersteuning aan gemeenten. Hoe ziet de minister dit? Moeten we daar wel naar verwijzen? Het kabinet probeert op heel veel verschillende manieren gemeenten te ondersteunen in deze taak, administratief en ook financieel. Daarnaast heeft het kabinet heel graag gebruikgemaakt van het aanbod van meerdere ngo's en partijen in het maatschappelijk middenveld om een rol te spelen. Dat geldt ook voor kerken en kerkelijke instellingen. Wij zijn deze actoren daar enorm erkentelijk voor. Overigens is dit wel hoe wij van oudsher in ons land asielopvang hebben geregeld en hebben ingericht. We vallen dus ook met enige regelmaat terug op bijvoorbeeld kerken. Maar dat betekent niet dat we gemeenten vragen om zomaar klakkeloos mensen door te verwijzen naar deze ngo's. Zeker niet. Waar mogelijk biedt het Rijk ook ondersteuning bij vragen van gemeenten. Maar de inzet van ngo's en andere is wel een heel warm welkome aanvulling.

Mevrouw Van der Plas had de vraag hoeveel Oekraïense vluchtelingen er nu in Nederland zijn, hoeveel er hebben besloten om terug te keren en ook al zijn teruggekeerd. Mevrouw Van der Plas, het aantal ontheemden uit Oekraïne in Nederland is op dit moment 68.280. In totaal hebben 8,4 miljoen ontheemden uit Oekraïne hun land ontvlucht. Het klopt dat er mensen weer terug zijn gegaan. Bij terugkeer dienen zij zich uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen en zitten zij ook niet meer in deze cijfers. Op dit moment hebben zich 4.090 mensen uitgeschreven uit die basisregistratie. Er zijn ongeveer 250 vertrekprocedures opgevoerd voor Oekraïners met een terugkeerwens en 120 Oekraïners zijn ook met hulp van de Dienst Terugkeer en Vertrek vertrokken. Assistentie bij terugkeer vindt plaats op basis van behoefte en vrijwilligheid. Aan de aantallen kunt u zien dat er ook een heleboel mensen op eigen gelegenheid zijn teruggekeerd. Dit zijn de getallen.

Dan de heer Van Dijk.

De voorzitter:
Ogenblik, mevrouw Van der Plas heeft daar nog een vraag over. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat klopt. Bedankt voor het uitzoeken. Dat roept nog wel even een vraag bij mij op. Ik vroeg ook of we de prognoses van de terugkeerders van dit jaar weten, behalve dan dat er 250 vertrekprocedures zijn opgestart. Die vertrekprocedure triggerde mijn aandacht eventjes. Wat is een vertrekprocedure? Ik begrijp dat als "gewone" asielzoekers — dat zeg ik maar even kort door de bocht — het land moeten verlaten, zij bijvoorbeeld nog weleens geholpen worden met geld of met materieel. Mij is uitgelegd dat het op zich heel goed voor te stellen is dat bijvoorbeeld jongens uit Afrika, die met grote dromen hiernaartoe zijn gegaan, een schande zijn voor de familie als ze weer terugkeren. Dus die krijgen dan ook nog eens een keer ietsje mee. Of nou ja, ze worden er in ieder geval bij geholpen. Maar wat is hier dan een vertrekprocedure? Worden Oekraïners dan ook geholpen of krijgen ze dan geld mee? Hoe moet ik dat zien?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Als mevrouw Van der Plas het goedvindt, dan kom ik daar straks even op terug. Dan vraag ik het even na, want ook dat is natuurlijk iets waar mijn collega, de staatssecretaris, inhoudelijk druk mee bezig is. Maar dat kan ik ongetwijfeld in de tweede termijn wat nauwkeuriger vertellen. De prognoses hangen helemaal af van de scenario's die zich in Oekraïne ontwikkelen. Er worden vanuit deze invalshoeken, ook militair-maatschappelijk, wel scenario's gemaakt, maar daar is niet in die zin wat op te zeggen. We volgen het. We volgen ook wat er in de landen om ons heen gebeurt, maar dit zijn de cijfers. Eigenlijk moeten we daar steeds op terugvallen om te zien hoe het dan feitelijk is. Maar specifiek op die vertrekprocedures hoop ik straks in de tweede termijn al terug te kunnen komen.

De voorzitter:
Ja, dat gaan we even noteren. Dat komt zo terug. Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dan vroeg de heer Van Dijk: wat gaat er gebeuren als Oekraïners een verblijfsvergunning krijgen? Dan moeten ze ook woningen krijgen en allerlei andere zaken; hoe gaat dat? Als Oekraïners een verblijfsvergunning krijgen, dan moeten ze ook een woning en dergelijke krijgen. Dan kom je in die categorie mensen terecht, maar dat is nu nog niet aan de orde. Op dit moment vallen zij nog onder de Richtlijn tijdelijke bescherming, die zoals gezegd door Europa is ingesteld. In eerste instantie is tijdelijke bescherming vastgesteld voor de duur van precies één jaar. Deze bescherming kan, indien nodig, verlengd worden tot maximaal drie jaar. Dus daar zijn we nog niet. Ik denk dat we met z'n allen voor de Oekraïners hopen dat er dan een hele andere situatie is en dat zij veilig terug naar huis kunnen.

Mevrouw Van der Plas vroeg: kunnen gemeenten de wet nou wel uitvoeren of gaan we willekeur zien? De realisatie van opvangplekken vraagt om een bovenmatige inspanning van gemeenten en veiligheidsregio's, met name van kleinere gemeenten. In afstemming met het Veiligheidsberaad inventariseren wij steeds de knelpunten in de opvang. Als er knelpunten zijn, handelen we zo snel mogelijk om daar weer in tegemoet te kunnen komen. Dat betekent dat we intensief met de veiligheidsregio's samenwerken om al die belemmeringen weg te nemen. Wij streven er bij de opvang van ontheemden uit Oekraïne naar voorzieningen zo veel mogelijk gelijk te houden aan die voor reguliere asielzoekers. Daarmee wordt ook ingezet op een uniforme opvang en uniform voorzieningenniveau in alle gemeenten. Als de voortduringswet het vanavond niet zou halen of de komende dagen zou komen te vervallen, dan krijg je een andere situatie. Dan kan elke gemeente zelf bepalen hoe ze dat inricht. Dan kom je mogelijk in een sfeer van willekeur, waarbij je grote verschillen kunt zien. Dat is door de juridische grondslag die we nu hebben geregeld, veel minder het geval of eigenlijk niet mogelijk.

De heer Slootweg vroeg: kunt u de contouren schetsen van de programmatische aanpak en houdt u ook rekening met de bestaande wooncrisis? Dat zijn hele redelijke vragen. Die snap ik heel goed. Onder de verantwoordelijkheid van mijn collega, de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, is onlangs de Taskforce versnelling tijdelijke huisvesting gestart met als doel projecten in gemeenten maximaal te versnellen gericht op huisvesting van Oekraïners door middel van flexwoningen en transformatie van bestaande gebouwen. Vanuit deze taskforce vindt het gesprek plaats met de woningbouwcorporaties en het bedrijfsleven om het aanbod van dergelijke woningvormen maximaal op te schalen. Een aantal gemeenten heeft het initiatief genomen om op de voor hen passende schaal, gegeven de ruimtelijke en logistieke mogelijkheden, tijdelijke huisvestingsprojecten te realiseren. De taskforce ondersteunt de gemeenten in het aanscherpen van de businesscase.

De Nationale Opvang Organisatie, die weer onder het DG OEK valt binnen mijn ministerie, en de genoemde taskforce ondersteunen gemeenten hierbij op verschillende punten, bijvoorbeeld bij het gereedmaken van een project voor besluitvorming, bij het opstellen van businesscases en bij juridische procedures. Mochten gemeenten trouwens — dat is misschien wel goed om toe te voegen — financiële tekorten op de businesscase overhouden, dan is daarvoor 100 miljoen beschikbaar gesteld om de gemeenten daarin te kunnen ondersteunen.

De heer Slootweg had nog gevraagd in hoeverre Nederland nou gebruikmaakt van het programma REACT-EU, waarmee 3,5 miljard beschikbaar is gesteld voor de opvang van gevluchte Oekraïners. Het kabinet onderstreept het belang van een eendrachtige en solidaire Europese respons op de invasie in Oekraïne en de enorme gevolgen die dit heeft, niet alleen in Oekraïne maar ook, zoals we het vanavond bespreken, in de lidstaten. Daarom verwelkomt het kabinet de maatregelen om lidstaten te ondersteunen bij het geven van noodhulp aan mensen die uit Oekraïne zijn gevlucht. Vanwege de uitzonderlijke situatie steunt Nederland het voorstel om meer voorfinanciering uit te betalen voor de middelen uit REACT-EU, om zo lidstaten, met name die met de hoogste vluchtelingenaantallen, extra liquiditeitsmogelijkheden te bieden voor de omgang met deze enorme crisis. Het voorstel sluit aan bij de inzet van het kabinet om Europese financiering voor crisisbestrijding te vinden binnen bestaande instrumenten en reeds beschikbare middelen. Het kabinet verkent de mogelijkheid om hier gebruik van te maken, maar het exacte bedrag kan ik u nog niet vertellen. Dat is nog niet bekend.

De heer Slootweg vroeg ook nog hoe ik naar het idee kijk om informatie over de Nederlandse gezondheidszorg te vertalen naar het Oekraïens. Daar sta ik positief tegenover. Daar wordt ook naar gekeken, want ontheemden uit Oekraïne hebben ook recht op medische zorg in ons land. Vanaf 1 juli worden de kosten hiervoor gedekt door de Regeling Medische zorg Ontheemden. Dat zorgpakket is ook gelijk aan de Regeling Medische zorg Asielzoekers. Het lijkt mij goed om te kijken of we het ook wat toegankelijker kunnen maken.

Dan mijn laatste vraag in dit mapje. De heer Slootweg vroeg naar zorgprojecten voor huisartsen. Hij vroeg of we huisartsvoorvluchteling.nl kennen en hoe we ertegen aankijken om dit project beter vindbaar te maken, ook voor Oekraïense vluchtelingen. Ik ben op de hoogte van het initiatief, en ieder initiatief dat bijdraagt aan zorg voor ontheemden is heel erg belangrijk. Particuliere initiatieven zoals deze waarderen we zeer. Het is wel heel complex om zicht te houden op de vele particuliere initiatieven die er zijn. Dat is ook wat ons land natuurlijk zo mooi maakt. Het is mooi dat er zo veel mensen zijn opgestaan en hebben gezegd: ik ga hier een betekenisvolle rol in spelen. In het kader van particuliere initiatieven is op vrijdag 18 maart refugeehelp.nl officieel gelanceerd. Dat is een platform voor samenwerking van VluchtelingenWerk Nederland, SparkOptimus, NAVARA en vele andere maatschappelijke partners. Daar wordt dan voor en door Oekraïense vluchtelingen met elkaar gedeeld wat er allemaal is en wat er beschikbaar is om het zo toegankelijk mogelijk te maken.

Dan heb ik een kort mapje reguliere asielzoekers. Dat valt buiten de scope van dit debat, maar ik begrijp natuurlijk dat er wat vragen over zijn gesteld. Mevrouw Bikker vroeg mij om een reflectie te geven op de crisisstructuur voor de opvang van gewone asielzoekers en een reflectie op rapporten van de inspecties; ook bij de reguliere opvang gaat er toch een heleboel nog niet goed. De crisisnoodopvang en de noodopvang voor reguliere asielzoekers zijn op vele onderdelen niet voldoende, ondermaats. De staatssecretaris heeft hier volgens mij in het debat van vanmiddag ook uitvoerig bij stilgestaan en ook aangegeven zich ten volle in te zetten voor het normaliseren van deze situatie. Uw commissie heeft ook uitgebreid met de staatssecretaris gesproken.

De heer Van Dijk zei dat er een verschil is tussen Oekraïense opvang en de reguliere opvang; is dit onderscheid houdbaar? Daar hebben we het vanavond eerder ook al over gehad. Hij had het over hoe de praktijk is en over die beide wetten. Ik zal het nog een keer zeggen, maar dan kort: wij zien ook liever geen onderscheid tussen de opvang van ontheemden uit Oekraïne en overige asielzoekers. Maar het gaat er wel om wie wie moet opvangen. We zagen dat we buiten de reguliere structuren van het COA het een en ander moesten regelen. Bij de opvang wordt er wel steeds naar gestreefd om het voorzieningenniveau gelijk te stellen.

Voorzitter. De heer Stoffer zei dat het inzetten van dwangmaatregelen voor de opvang van reguliere asielzoekers riskant is, in ieder geval niet wenselijk; moeten we niet op zoek blijven naar draagvlak? Ik denk dat dat een heel belangrijk punt is. Het is ook het uitgangspunt van het kabinet, meer in het bijzonder van de staatssecretaris, die eerder aan de Kamer heeft aangegeven dat een juridisch instrumentarium ook echt een uiterst middel is. We hopen ook dat het eigenlijk niet nodig is, maar op een gegeven moment moet je wel gaan verkennen wat nog meer mogelijk is als je op dat punt zou komen. Maar ik ben het ermee eens dat draagvlak ontzettend, ontzettend belangrijk is.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik hoor de minister zeggen dat zij ook het liefst helemaal geen onderscheid zou zien in de opvang van verschillende mensen die recht op opvang hebben en vervolgens hoor ik weer een juridische argumentatie. Dan snap ik toch iets niet. Die crisisnoodopvang ligt bij de gemeenten, dus dat is hetzelfde als de opvang van Oekraïners. Dus daar geldt niet dat argument dat het COA verantwoordelijk is. Het voorzieningenniveau is absoluut niet hetzelfde, laat staan dat dat, zeg maar, op dezelfde manier geregeld wordt. Dus waarom kiezen we er dan niet voor om in de afspraken met de gemeenten te zeggen dat crisisnoodopvang en opvang van Oekraïners gewoon één taak zijn?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Daar is nog steeds wel een juridische grondslag voor nodig. Daar zijn we nu mee bezig. Dat is nu staatsnoodrecht en dat wordt straks de tijdelijke wet. Dan zullen er verschillende vormen zijn, maar dan ligt het allemaal wel bij de gemeenten. Het is niet zo dat je dat zomaar kunt zeggen en dat je het daarmee geregeld hebt. Daar is wel een juridische grondslag voor nodig en dat is precies waarom we hier staan.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Zeker. Die juridische grondslag ligt er nu in het staatsnoodrecht en zo direct in die tijdelijke wet. Op dit moment is de noodcrisisopvang van asielzoekers volstrekt anders. Ik ben in Leeuwarden geweest; hoe mensen daar opgevangen worden, is volstrekt anders dan hoe Oekraïners worden opgevangen. Als de minister zegt dat ze wil dat die mensen samen opgevangen worden, waarom worden er dan geen afspraken met de gemeenten gemaakt om die mensen gewoon gelijk te behandelen en ze samen op te vangen?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Wat we nu hebben gedaan met de reguliere asielopvang, is ondermaats; het is niet goed hoe dat gaat. Daar heeft mevrouw Kröger natuurlijk helemaal gelijk in; dat heb ik ook gezegd. Daarom hebben we ook de crisisstructuur ingesteld en daarom kijken we nu ook naar crisisnoodopvang, naar tussenwoningen, naar tussenoplossingen en naar het uit laten stromen van de mensen die kunnen uitstromen, zoals statushouders. Dat is een enorme, enorme opgave en tegelijkertijd blijven er Oekraïners binnenkomen. Was er maar een scenario waarbij je tegen de gemeenten kon zeggen: we voegen het nu samen en dan is het opgelost. Dat is niet aan de hand. Er zijn overal tekorten, dus er is overal plek nodig. Er zijn plekken gereserveerd voor Oekraïners. Dat werd net al aangegeven en het is volgens mij vanmiddag ook gedeeld door de staatssecretaris. We zijn al over de 90%. Dus het is niet zo dat er nu heel veel ruimte is en dat er een oplossing ontstaat als je het samenvoegt.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dan kom ik nog bij mevrouw Van der Plas. Zij had het over de vastgelopen asielketen en vroeg zich af wat we doen om daar ruimte te creëren. Ze had het bijvoorbeeld over gesprekken met Marokko. Volgens mij is dat vanmiddag aan bod gekomen; daar is de staatssecretaris van JenV druk mee bezig. Hij gaf volgens mij vanmiddag ook aan dat er recent verschillende ontmoetingen op politiek niveau hebben plaatsgevonden, alsmede hoogambtelijke consultaties tussen Marokko en Nederland. Dus dat waar mevrouw Van der Plas naar op zoek is, daar zijn wij ook naar op zoek en daar zijn we ook druk mee bezig. Marokko zet ook stappen vooruit in het meewerken aan terugkeer en we zien ook positieve stappen waar de komende tijd door ons stevig op ingezet wordt. Het is belangrijk om dat vervolgens verder vorm te geven. Laat ik meteen zeggen — dat heeft de staatssecretaris ongetwijfeld vanmiddag ook al gezegd — dat het natuurlijk pas een succes is als we zien dat de eerste laissez-passers zijn verstrekt. Maar er is wel reden om positief te zijn, want die gesprekken lopen. Tegelijkertijd wil ik het beeld wegnemen dat dit direct relevant zou zijn voor het opvangvraagstuk van nu, dus voor waar we het nu over hebben. Ik denk ook niet dat mevrouw Van der Plas het zo bedoelde. Maar het is natuurlijk wel relevant voor het ronde verhaal waar ik het over had en waar ook burgemeesters om vragen: regel ook dat mensen die hier niets te zoeken hebben, teruggaan. Sterker nog, zorg dat zij het land überhaupt niet in komen, dat je strakke procedures hebt en dat de mensen die ons wel nodig hebben, ook in de regio opgevangen kunnen worden. Met dat hele verhaal is de staatssecretaris druk bezig.

Mevrouw Van der Plas had nog een andere vraag over de landelijke kaders die ontwikkeld moeten worden voor het creëren van voldoende asielopvang. Volgens mij heeft mevrouw Van der Plas vorige week in het commissiedebat Asiel en Vreemdelingenbeleid een vergelijkbare vraag gesteld. Daar heeft de staatssecretaris gisteren op geantwoord. Daarin geeft hij onder meer aan dat hij de suggestie meeneemt in de zoektochten naar een procesbeschikbaarheidslocatie. Volgens mij ging dat specifiek over Lelystad, waar mevrouw Van der Plas het toen over had. Maar dat is ook een breder vraagstuk. Hij neemt dat ook mee bij het zoeken naar manieren om sobere opvang te realiseren voor asielzoekers die uit veilige landen van herkomst komen.

Dan mijn laatste vraag in dit mapje. Daarna heb ik nog alleen de andere hele belangrijke vragen. De heer Slootweg en volgens mij ook mevrouw Podt vroegen waarom er geen andere wetgeving … O, die hebben we al uitvoerig behandeld. Dan zou ik wel erg in herhaling vervallen.

De voorzitter:
Dan komen we bij het laatste blokje, overige.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ja, hele belangrijke vragen. Als Kamerlid zat ik vaak in het mapje overige. Dat vond ik heel irritant. Ik noem het dus anders.

De voorzitter:
Ja, daar kan ik me alles bij voorstellen.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Voorzitter. Ik heb een vraag van de heer Markuszower. Hij zei dat we eigenlijk met z'n allen in een algehele crisis zitten en vroeg waarom we geen crisis uitroepen voor — volgens mij noemde hij het zo — de gewone Nederlander. Hij bedoelde in ieder geval: voor iedereen in het land. Het uitroepen van een crisis doen we niet zomaar. Dat doen we als er onvoorziene omstandigheden zijn en wanneer dingen gebeuren die niet binnen de reguliere gang van zaken passen. Ik zal meteen richting de heer Markuszower zeggen dat er veel gaande is in ons land. Het is echt niet zo dat mensen het allemaal even makkelijk hebben, zeker niet. Wat er in Oekraïne gebeurd is, is anders. Daar was echt sprake van onvoorziene omstandigheden in het conflict daar. Het mag duidelijk zijn dat dat een uitzonderlijke, andere situatie is. Sinds het uitbreken van het conflict hebben inmiddels bijna 70.000 mensen in ons land een veilige haven moeten zoeken. Dat is een situatie die we, denk ik, niemand gunnen.

De heer Markuszower (PVV):
Nee, zeker niet. Wij gunnen natuurlijk niemand oorlog en geweld. De minister zegt dat we niet konden bevroeden wat er allemaal zou gaan komen, maar we kunnen wél bevroeden dat er in Nederland 40.000 daklozen zijn. We weten wél dat in een donker scenario meer dan 1 miljoen huishoudens hun rekeningen niet meer kunnen betalen, en dat nu al ongeveer de helft van dat aantal dat niet kan. Er zijn dus gigantisch veel mensen in Nederland die in armoede leven. We weten wél dat de gewone Nederlander amper aan een woning komt. Die zijn onbetaalbaar of ze zijn er gewoon niet. In sommige gemeenten sta je zeventien jaar op een wachtlijst. In de gemeente van de minister zal dat niet heel veel minder zijn.

De voorzitter:
En uw vraag is?

De heer Markuszower (PVV):
Mijn vraag is: begrijpt de minister dat zij minister is in Nederland, primair voor de Nederlanders? En waarom doet ze niet veel meer haar best voor de gewone Nederlander, zoals ze nu voor de Oekraïners haar best doet?

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik denk dat ik daar twee zaken op kan zeggen. De eerste is dat ik hoop dat de heer Markuszower geen groepen tegenover elkaar zet. Dit is niet of-of. Wij zijn een land. Wij kunnen veiligheid bieden aan Oekraïners, die opeens overvallen werden door een brute agressor, namelijk Rusland. Ik ben er dus trots op dat we dat doen en ik ben er trots op dat we dat samen met duizenden en duizenden particulieren doen. En ik zou daarnaast het volgende willen zeggen. Voor mensen die dit debat volgen, zou namelijk weleens het beeld kunnen ontstaan dat we inderdaad alleen maar met dit soort onderwerpen bezig zijn, voor mensen die van buiten ons land hiernaartoe komen en voor wie ik graag een veilige haven bied. Maar ik zit bijna wekelijks met de heer Markuszower in een debat, waarin ik hem ook laat zien wat ik bijvoorbeeld vanuit mijn rol doe voor de veiligheid en vrijheid van Nederlanders en van alle mensen hier in ons land. Ik denk dat de voorzitter míjn microfoon uitdoet als ik dat allemaal opnoem. Dan hebben we de cirkel rond vanavond. Dat is een lang verhaal. Maar volgens mij is het heel verstandig om, zeker in deze tijd, groepen niet tegenover elkaar te zetten en ervoor te zorgen dat we aan Nederlanders de ruimte bieden om hun leven goed te kunnen leiden, en ook aan mensen die acuut moeten vluchten voor oorlog.

Dan had mevrouw Bikker nog de volgende vraag. Ze haalde daarbij de andreaskruisen van Amsterdam aan en de barmhartigheid, waarvoor bijvoorbeeld Amsterdam staat, maar waarvoor mensen in ons land ook veel breder staan. Zij zei: zullen we zorgen dat we internationale afspraken nakomen en mensen op de vlucht opvangen? En: hier past barmhartigheid. Ik denk dat ze daar helemaal gelijk in heeft. Ik denk ook dat we dat hebben laten zien, zeker aan het begin van de oorlog, toen we acuut met elkaar zeiden: dit kan echt niet en wij bieden een veilige haven. Dat zie je ook echt in de praktijk.

Dan nog een vraag van de heer Brekelmans. Die heb ik al beantwoord. Nee, die heb ik nog helemaal niet beantwoord. Excuus. Deze gaat over de modernisering van het noodrecht. Ook dat speelt. Dat is een heel omvangrijk traject. We willen het noodrecht moderniseren. Dat moeten we ook doen. Ook als je naar deze wetgeving kijkt, zie je dat het noodrecht oud is. Het is bruikbaar, maar er zijn ook elementen die helemaal niet meer van toepassing zijn. Er zijn wel heel veel noodwetten, veel meer dan ik dacht dat we hadden, die op verschillende wijzen op elkaar ingrijpen. Dus wil je dat goed kunnen moderniseren, dan zal je dat ook echt geprioriteerd, gefaseerd en zorgvuldig moeten doen. Daar zijn we nu mee bezig. Ik verwacht dat we het kader waarin we dat gaan doen, na de zomer gereed zullen hebben en naar de Kamer zullen sturen. Dan zullen daar nog wel wat stappen tussen zitten, maar dat heeft er dus mee te maken dat we wel heel veel verschillende noodwetten hebben, die erg met elkaar verbonden zijn.

Dan heb ik nog één vraag, van de heer Van Meijeren. Die is er niet meer. Hij zei: door allesverwoestende massa-immigratie en allerlei andere ellende die wij hier allemaal hebben, worden we verplicht om vreemdelingen in eigen huis op te vangen. En hij vroeg: is de regering bereid te onderzoeken hoeveel Nederlanders hierop zitten te wachten? Nogmaals, het is goed om te melden, zeg ik zeker tegen de heer Van Meijeren, die dit ongetwijfeld terug zal kijken en er misschien een mooi filmpje van maakt, dat ongeveer 20.000 ontheemden uit Oekraïne onderdak hebben gevonden bij Nederlandse burgers die meteen hebben gezegd: ik stel mijn huis beschikbaar. Daar heb ik zeer veel respect voor. Dat is wat Nederland is. Dat is op geheel vrijwillige basis. Laat ik herhalen waar ik dit debat mee begon: het vorderen van het gebruik van woningen is op enkele manier aan de orde.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is er nog een vraag van meneer Stoffer. Zie ik dat goed? Ja. Gaat uw gang.

De heer Stoffer (SGP):
Ik ga ervan uit dat de minister aan het eind van haar eerste termijn is. Dan blijft er bij mij nog één ding over waar we al heel kort even met elkaar over van gedachten wisselden, en dat is de vraag: waarom is er naar dit machtsmiddel gegrepen? We zijn het erover eens dat op het moment dat het hier oorlog zou zijn en de veiligheidsdienst of de CDS aangeeft dat er een risico is dat er bommen vallen enzovoorts, je dan bevolking moet verplaatsen. Daar zijn we het volgens mij over eens. Op het moment dat je, bijvoorbeeld zoals in 1995, weet dat er dijken doorbreken in de Betuwe, of bijna, heb je een crisisorganisatie die aangeeft: dit wordt zo gevaarlijk; de kans is heel groot dat het echt misgaat. Dan moet je acuut handelen.

De minister en ik zijn het niet helemaal eens — maar goed, de Raad van State heeft erover geadviseerd en dan moet je het met elkaar erover eens zijn — over de toepassing waar nu gebruik van wordt gemaakt: die grote instroom van vluchtelingen. Maar nu staat er volgens mij bij: als het gaat om grote groepen vluchtelingen die onze grenzen overtrekken. Daar zit volgens mij juist het punt. Op het moment dat deze wetgeving in werking trad op 1 april, was er geen acuut probleem, naar mijn beleving. Er waren genoeg opvangplekken. Er waren nog heel veel lege bedden. Juist door datgene waarvan de minister zojuist benoemde "daar ben ik ook zo trots op", door al die plekken bij mensen die particulier hun huizen beschikbaar stelden en ga zo maar door — voorzitter, u wil mij laten doorgaan, maar ik heb niet zo veel interrupties gepleegd, dus ik neem rustig even de tijd — is voor mij dan de vraag: wat is nu het acute punt geweest waarop dit moest? Want deze wetgeving ga je niet zekerheidshalve maar inzetten. Ik kan alleen maar vinden: het COA kon het wellicht niet aan, dan moeten we die bevoegdheid bij burgemeesters neerleggen. Maar dan moet je toch gewoon een acute situatie hebben? Die was er naar mijn beleving niet. Dus ik hoor graag van de minister wat het acute was waarom het op dat moment moest en het niet weg kon worden gelaten. Volgens mij ging het namelijk vanzelf goed.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik heb een beetje de indruk dat de SGP aanvankelijk heeft gezegd "wij steunen dit niet", en het nu graag niet wil steunen. Maar de heer Stoffer kan het volgende niet aan mij vragen. Vier maanden geleden zagen we dat dorpen, gemeenten, huizen, scholen, van alles acuut gebombardeerd werd door Rusland, opeens, uit het niets. Mensen die lijken op mij en de heer Stoffer moesten alles achterlaten en vluchten. We zagen die stroom. Het duurde even voor ze bij ons kwamen; dat is waar. Er zit namelijk een continent tussen; ze moeten van de ene kant naar de andere kant. Maar we zagen mensen in paniek vluchten voor bommen van Rusland. Dat is nogal een acuut probleem. Ik weet honderd procent zeker dat als wij toen hadden gezegd "nou, we hebben een aantal bedden; we kijken even aan hoelang het duurt voordat die stroom hier is", de heer Stoffer hier dan had gezegd: ben je wel goed bij je hoofd; er is daar opeens een oorlog gaande bij onze buren, dus waarom heb je niks opgericht en ingericht om ervoor te zorgen dat je mensen degelijk kunt opvangen? En dit is allesbehalve een machtsmiddel. We geven juist burgemeesters de bevoegdheden om te zeggen: oké, ik kan opvangen. We helpen ze daarbij met financiën, met kaders, om ervoor te zorgen dat ze dat goed kunnen. Ik ben ontiegelijk trots dat we bijna 70.000 mensen op die manier hebben kunnen opvangen. Een acuut probleem? Er was acuut een oorlog op het Europese continent, naast ons.

De heer Stoffer (SGP):
Eén ding wil ik hier wegnemen. Ik heb vanochtend gehoord dat ik deze wetsbehandeling doe. Ik heb me daarvoor er niet al te druk over gemaakt, want het lag bij mijn collega, dus hoe het toen was, weet ik niet. Ik heb nu gewoon oprechte vragen. Ik vind dat je met deze noodwetgeving — voorzitter, dit is echt gewoon een serieus punt — en met noodstaatsrecht heel, heel zuinig moet zijn, en dus zuiver met elkaar moet behandelen waarom je die inzet. Dat moet je hier tot op het laatste bot afkluiven, wat mij betreft. Dan kunnen we het oneens zijn, maar uiteindelijk zeggen we: nou, dit is het dan. Ik bedoel, van mij hoeft het kabinet er echt niet om te vertrekken; zo zit de SGP al 100 jaar niet in elkaar. Maar het klinkt mij toch in de lijn van: het is zekerheidshalve ...

De voorzitter:
Meneer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):
… want die grote stromen komen onze kant op. Dit kun je namelijk iedere dag doen. Dat had je op 3 april kunnen doen, of op 5 april of 10 april. Dat had je dan direct kunnen doen. "Om te voorkomen dat"; volgens mij is daar nu juist deze wetgeving niet voor bedoeld. Als er hier te veel waren en je een maatschappelijk ontwrichtende situatie of mensonterende omstandigheden had, dan kun je zeggen: op dit moment. Daar zit het verschil tussen de minister en mij. Als de minister mij niet kan zeggen "ik had exact deze informatie dat het op dat moment, direct, binnen 24 uur, ontwrichtend zou worden" dan worden we het er niet over eens. Dat kan zo zijn, maar dat wil ik hier dan wel nadrukkelijk neerleggen.

De voorzitter:
Ten slotte, de minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Op het moment dat je deze wet in werking stelt, moet je daarna ook de gemeenten en de burgemeesters de ruimte gunnen om daar iets mee te kunnen doen. Als je wacht tot de laatste paar uur en de wet dus pas in werking stelt als mensen deze kant opkomen en net de grens overgaan — nu chargeer ik, want zo heeft meneer Stoffer het niet gezegd — dan zou dat wel behoorlijk onredelijk zijn richting de burgemeesters. We hebben analyses en zien wat er door Rusland in Oekraïne gebeurt, wat voor stromen dat in beweging brengt, en ook wat de landen eromheen aankunnen, dus dat het een kwestie van tijd is voordat mensen hiernaartoe komen. Dan wil je een gedegen juridische grondslag hebben gecreëerd, en die hadden we. Dit is de tweede keer sinds 1952 dat de wet wordt ingezet, en de eerste keer landelijk. Het is dus echt niet zo dat we de wet te pas en te onpas uit de la halen omdat we denken: nou, dit is een noodsituatie. Zeker niet. Hij is één keer eerder gebruikt, in 1960 of 1962 meen ik, vanwege hoogwater in Amsterdam. Toen is die dus lokaal gebruikt en ook nog eens in specifieke delen van Amsterdam. Het is dus juist zeer zorgvuldig.

Misschien tot slot nog het volgende. Ondanks dat de situatie niet is veranderd, aangezien het COA het nog steeds niet aankan en de oorlog doorgaat, betoog ik ook dat het zo kort mogelijk moet duren, want het staatsnoodrecht is ook niet voor langer bedoeld, ook al kan ik het onderbouwen als ik het langer in stand zou houden. Maar dat gaan we niet doen. Daarom zijn we ook bezig met een tijdelijke wet. Ik denk eigenlijk dat we al die elementen die de heer Stoffer begrijpelijkerwijs aanhaalt — ik vind het trouwens knap dat hij, als hij het vanochtend heeft gehoord, dit debat zo kan doen, dus dank daarvoor — hebben gewogen en hier ook verdedigen. We laten ook meteen zien waarom we er zo snel mogelijk weer mee willen stoppen.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga de vergadering schorsen tot 21.25 uur, om persoonlijke redenen. Niks bijzonders, maar ik ben nou eenmaal een oude man.

De vergadering wordt van 21.22 uur tot 21.27 uur geschorst.

De voorzitter:
Beste collega's, kunt u allen weer plaatsnemen? Dank voor het begrip. We gaan naar de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik ga als eerste het woord geven aan de heer Markuszower. Meneer Markuszower ziet af van een tweede termijn. Mevrouw Bikker is hier niet meer, net als de heer Eerdmans. Dan is het woord aan de heer Van Haga. Ja, dat schiet op. Time flies when you are having fun. Gaat uw gang, meneer Van Haga.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de opvang van Oekraïense vluchtelingen geen probleem zou zijn als het reguliere asielbeleid op orde zou zijn;

verzoekt de regering topprioriteit te maken van het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers en illegalen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga.

Zij krijgt nr. 8 (36081).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om gemeenten niet te dwingen om asielzoekers op te vangen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga.

Zij krijgt nr. 9 (36081).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om te voorkomen dat mensen door gemeenten gedwongen worden om hun tweede woning tijdelijk af te staan vanwege de asielopvang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga.

Zij krijgt nr. 10 (36081).

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dank u wel.

De voorzitter:
Ik dank u zeer. Dan is het woord aan de heer Brekelmans. Nee, die heeft daar geen behoefte aan. De heer Van Dijk is inmiddels ook elders. Meneer Stoffer, SGP?

De heer Stoffer (SGP):
Nu ik een keer in deze commissie ben, maak ik er ook gebruik van.

De voorzitter:
Zeker. Geniet ervan. Gaat uw gang.

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Ik zal eerst twee moties indienen en dan kort afronden. De eerste motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet het staatsnoodrecht heeft ingezet voor de opvang en verzorging van Oekraïense ontheemden;

overwegende dat de Wet verplaatsing bevolking werd geactiveerd op het moment dat er nog ruim 10.000 opvangplekken voor Oekraïense ontheemden beschikbaar waren en er dus geen sprake was van een acute noodsituatie;

overwegende dat de Raad van State aangeeft dat staatsnoodrecht "terughoudend moet worden ingezet en restrictief moet worden uitgelegd";

verzoekt de regering uiterst terughoudend om te gaan met de inzet van staatsnoodrecht en bijbehorende verregaande maatregelen, en de inzet hiervan te beperken tot (acute) noodsituaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.

Zij krijgt nr. 11 (36081).

De heer Stoffer (SGP):
De volgende motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door de activering van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking burgemeesters worden verplicht zorg te dragen voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen;

constaterende dat het kabinet daarnaast onderzoek doet naar de inzet van een dwingend juridisch instrumentarium voor de opvang van asielzoekers;

overwegende dat het inzetten van dwang bij de opvang van vluchtelingen onwenselijk is en niet bijdraagt aan het draagvlak voor opvang;

verzoekt de regering af te zien van iedere vorm van dwang bij de opvang van Oekraïense vluchtelingen en reguliere asielzoekers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.

Zij krijgt nr. 12 (36081).

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Dit was toch wel een beetje een principieel debat. Zeker mijn laatste interruptie was misschien wat aan de scherpe kant, maar ik deed dat welbewust omdat we het hier hebben over staatsnoodrecht en dan moet je met elkaar tot op het bot gaan. We kunnen constateren dat de minister, het kabinet, iets anders aankijkt tegen de toepassing hiervan dan de SGP. Ik denk dat het goed is om dat met elkaar hier in de Handelingen vast te leggen, vooral gericht op de toekomst. Het komt hopelijk nooit, maar misschien ooit weer één of twee keer in de komende 50, 60 jaar aan de orde. En dan moet je met elkaar die argumenten heel scherp hebben: waarom wel of waarom niet? Dat is de reden dat ik hier scherp in ben gegaan. Ik zit er heel kritisch in. Dat laat onverlet dat ik heel goed snap dat een kabinet dat acute keuzes moet maken, dat ook doet en dat die soms in mijn ogen verkeerd kunnen uitvallen. Ik had eigenlijk verwacht dat er iets meer ruiterlijkheid was in de zin van: het was niet nodig geweest; we hadden ook een andere keuze kunnen maken. Dat heb ik niet gehoord, maar dat kan in tweede termijn nog gebeuren. Voor de rest is het zoals het is.

De voorzitter:
Dat gaan we zien. Voor dat moment is er nog een interruptie van de heer Markuszower voor u.

De heer Markuszower (PVV):
Meer in de vorm van een ondersteuning. Het is inderdaad belangrijk om in de Handelingen vast te leggen dat dit niet de weg is die wij als democratie hadden moeten bewandelen. Dat wil ik graag ondersteunen.

De voorzitter:
Meneer Stoffer, wilt u daar nog op reageren?

De heer Stoffer (SGP):
Dank voor de steunbetuiging, maar ik heb geen vraag gehoord.

De voorzitter:
Nee, ik ook niet. Ik ga naar mevrouw Van der Plas. Nou, ik ga niet naar haar toe, maar zij komt naar mij. En als beloning geef ik haar dan het woord.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik zeggen dat het mij eerlijk gezegd een beetje verrast. Ik ga niet over andermans agenda. Ik ga er ook niet over oordelen dat mensen weg zijn of er niet zijn. Maar ik vind dit een heel belangrijk debat. Hier worden gewoon echt fundamentele dingen gedaan. Ik zeg niet dat het gebeurt, maar mogelijk worden fundamentele grondrechten aangetast. Ik zeg niet dat het gebeurt, maar het kan. En dan sta ik voor een bijna lege zaal. Ik wil dit gewoon even delen. Gaan we hier dan straks nog een keer staan als het misschien wél misgaat? Hadden we dan dingen kunnen voorkomen? Het zijn mijn gedachtespinsels. Soms kom ik bij debatten en dan denk ik dat er een paar mensen zullen zijn en dan zit de hele zaal vol. En hier had ik dat echt verwacht. Maar goed, genoeg gepraat. Dat wilde ik gewoon even delen. U heeft er helemaal niks aan, maar …

De voorzitter:
De cursus …

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik had tweeënhalve minuut, dus ik dacht: laat ik mijn gedachten eens delen met de Kamer.

De voorzitter:
De cursus omgaan met teleurstellingen is vanavond helaas afgelast. Gaat u verder.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Hoe dan ook heb ik een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat activering van het staatsnoodrecht zeer ingrijpend is en de proportionaliteit altijd gewaarborgd moet blijven;

verzoekt de regering op maandelijkse basis de proportionaliteit van het noodrecht onder de Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wvb te analyseren, en deze analyse de Tweede Kamer toe te laten komen, zodat ook burgers in Nederland goed kunnen volgen wat de ontwikkelingen zijn rond deze ingrijpende wet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 13 (36081).

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dat was het, dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Ik blijf na dit debat toch ook zitten met een beetje een dubbel en toch ook onaangenaam gevoel. Ik snap enerzijds dat op het moment dat wij dachten dat Kiev ging vallen en er honderdduizenden of meer mensen naar Nederland zouden komen, het staatsnoodrecht is geactiveerd. Ik snap niet dat in de periode daarna niet veel eerder is gekozen voor andere wetgeving. Ik begrijp ook niet waarom er niet serieus is gekeken naar een aanpassing van de Huisvestingswet. Ik hoor de minister daarvoor ook geen goede juridische argumentatie geven. Ik heb niet in de beslisnota en de onderliggende stukken een juridische analyse gezien als verklaring voor de keuze voor het langdurig staatsnoodrecht. En ik snap ook niet waarom er niet veel eerder is gekozen voor zowel in het praktische de afspraken met de gemeenten over de opvang van zowel asielzoekers als Oekraïners als in het juridische het vastleggen van afspraken. Het is volgens mij al heel vroeg in een debat een politieke keuze geweest. Ik herinner me nog het debat waarin de VVD zei: we kunnen toch wel garanderen dat gemeenten altijd mogen kiezen of ze Oekraïners opvangen of niet en dat asielzoekers en Oekraïners niet gemengd worden? Volgens mij is dit een politieke keuze geweest. Dat kan, maar dan moeten we daar wel open en eerlijk over zijn. Nu wordt er een juridische argumentatie opgetuigd.

Dat gezegd hebbende, dien ik graag de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het staatsnoodrecht dat op dit moment wordt ingezet voor de opvang van Oekraïense ontheemden niet van toepassing is op mensen in de asielprocedure;

overwegende dat gemeenten voor opvang van zowel asielzoekers, statushouders als Oekraïense ontheemden aan de lat staan;

verzoekt de regering om de opvang van ontheemde Oekraïners en asielzoekers verder in samenhang te bezien, zowel in de afspraken met de VNG als in de verdere wetgevingstrajecten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger.

Zij krijgt nr. 14 (36081).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan kom ik bij meneer Slootweg, CDA.

De heer Slootweg (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister bedanken voor de uitgebreide beantwoording van de vragen en voor een aantal toezeggingen om toch te kijken hoe je vanuit het landelijke perspectief zaken wat toegankelijker kunt maken, zeker als het gaat om gezondheidsvoorzieningen.

Vanmiddag kreeg de staatssecretaris ook al een niesaanval toen ik hier stond, net als de minister nu. Ik begin nu toch te denken dat die allergische reactie voor CDA'ers iets teweegbrengt, maar goed, ik ben zo weer weg, dus dat is niet zo'n probleem.

Ik ben deze inbreng begonnen, omdat ik de gronden duidelijk wilde hebben. Het is voor ons belangrijk dat duidelijk is geworden dat een aantal zaken, waaronder de Oekraïense ontheemden, op een aparte status is behandeld, die is gelegen in de afspraken die we rond Europa hebben gemaakt. Ik vind dat eigenlijk ook wel heel logisch als je ziet wat er allemaal is gebeurd en wat er in lidstaten als Polen, Hongarije en Roemenië is gebeurd, want dat zijn natuurlijk geweldige aantallen. Bij ons gaat het dan nog om een redelijk overzienbaar aantal vluchtelingen. Dus die aparte status, dat begrijp ik wel. Binnen die aparte status en wat er ineens allemaal op ons af komt, begrijp ik ook dat het onderscheid moet worden gemaakt tussen wat het COA gaat doen en wat de gemeenten moeten doen. Dat vind ik er heel fundamenteel in. Dan zit ik wel met het punt dat je rond die aparte status heel zuiver moet wezen. Wie moeten er wel toe worden gerekend en wie niet? Ik kan het kabinet niet helemaal volgen als het over derdelanders die veilig zijn, gaat zeggen dat ze min of meer onder die tijdelijke bescherming vallen. Daarover heb ik een vraag gesteld en die hoeft niet vanavond beantwoord te zijn. Ik denk wel dat je er heel zuinig op moet wezen, ook omdat het heel belangrijk is om het draagvlak in de samenleving groot te houden. Als je heel zuinig op die status moet zijn, moet je ook heel zuinig op die noodwet zijn. Ik begrijp waarom die gemaakt is, want je hebt die plekken nodig. Dat was wellicht niet op een andere manier te doen. Maar ik denk wel dat je in de toekomst zowel bij het COA als bij wetgeving moet kijken wat je moet doen op het moment dat je een flinke influx hebt. Er zijn allerlei spanningen in de wereld. Ik hoop met de heer Stoffer dat het 50 tot 60 jaar gaat duren, maar het kan ook sneller zijn. Wat hebben wij nodig om dat te kunnen doen? Het is heel goed dat wij hier een zeker ongemak hebben als het gaat over noodwetgeving. Soms heb je het nodig. Ik ben blij dat het repertoire het heeft. Ik ben ook dankbaar dat de minister ons stapje voor stapje heeft kunnen meenemen in waar de besluiten komen. Het zou fijn zijn als we in de toekomst sneller kunnen opschakelen langs de huidige wetgeving. Ik denk dat versterking van het COA daarvoor nodig is.

De voorzitter:
Ik dank u. Ik kijk of mevrouw Podt nog gelegenheid wil. Dat is niet het geval. De heer Van Meijeren heeft ons inmiddels verlaten. Ik schors de vergadering tot 21.50 uur en dan gaan we luisteren naar de minister.

De vergadering wordt van 21.41 uur tot 21.50 uur geschorst.

De voorzitter:
Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van de minister. Ik geef haar daartoe graag het woord.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik heb zeven moties en ik heb twee vragen waar ik op terug zou komen. De eerste vraag is van mevrouw Van der Plas, over de vertrekprocedures. Oekraïense ontheemden worden bij vrijwillig vertrek ondersteund op gelijke wijze als andere vreemdelingen. Dat betekent dat zij hulp kunnen krijgen als zij erom vragen bij het eventueel verkrijgen van documenten en, indien relevant, bijvoorbeeld vliegtickets. Daarnaast ontvangen zij bij gecontroleerd vertrek een ondersteuningsbijdrage van €200 per persoon. Zo ziet het eruit.

Het is inderdaad zoals ik het richting de heer Slootweg vertelde: bij mensen die uit Oekraïne hiernaartoe komen heb je drie categorieën. Je hebt mensen die Oekraïners van nationaliteit zijn. Zij worden hier als ontheemden ontvangen, zoals we vanavond hebben besproken. Dan heb je mensen die daar een verblijfsvergunning hadden. Zij kunnen hier worden opgevangen, want zij mochten daar verblijven en moeten daarvandaan vluchten. En je hebt mensen van wie je de identiteit niet kunt vaststellen of die daar geen verblijfsvergunning hadden. Als zij zich bij de gemeente melden met de vraag om opgevangen te worden, zal de gemeente zeggen: je moet je melden bij de IND en dan ga je de asielprocedure in of terug naar het land van herkomst. Dat zijn de drie groepen.

Dan ga ik naar de moties. De motie van de heer Van Haga op stuk nr. 8 verzoekt de regering topprioriteit te maken van het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers en illegalen. Ik beperk mij even tot het dictum van de motie. Ik kan aangeven dat terugkeerbeleid topprioriteit is van het kabinet. Daarom krijgt de motie, met het oog op het dictum, oordeel Kamer.

De voorzitter:
Even. Daar gaat u over, maar als het al beleid is, zou de motie op stuk nr. 8 overbodig kunnen zijn.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik wil de motie ook overnemen, hoor.

De voorzitter:
Ja, maar die kan ook overbodig zijn. Nee? U neemt de motie over. Ik kijk even of daar bezwaar tegen is.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Daar is bezwaar tegen, hoor ik. Maar het is absoluut een ondersteuning van hoe we erin staan.

De voorzitter:
Goed, oordeel Kamer. Een interruptie van mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):
Ik vind het een beetje wonderlijk dat de minister gewoon over de overweging heen springt. We hebben daarover vanavond verschillende debatten gehad, waarbij we van alle kanten te horen kregen dat daar niets van klopt. Ik vind het raar dat het oordeel Kamer of overnemen wordt, terwijl er feitelijke onjuistheden in het verhaal staan.

De voorzitter:
De minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik begrijp deze interruptie. We hanteren wel vaker een interpretatie of een uitleg. Ik geef de uitleg aan de motie. Met de eerste overweging ben ik het natuurlijk niet eens, maar het dictum met het verzoek is gewoon onderdeel van beleid. Het is topprioriteit om uitgeprocedeerde asielzoekers en illegalen zo snel mogelijk het land uit te zetten. Daar kan ik moeilijk tegen zijn. Om die reden kan ik de motie overnemen, en anders krijgt zij oordeel Kamer.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Ik denk dat we dit debat in goede harmonie moeten afsluiten. Ik neem het voorstel aan. Ik heb nog nooit een motie gehad die overgenomen is, dus laten we de motie gewoon laten overnemen.

De voorzitter:
Ja, maar dan moet ik even naar de anderen kijken. Er is geen overeenstemming over, dus we gaan de motie gewoon in stemming brengen.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
We hebben het geprobeerd, meneer Van Haga. Misschien was dit ons enige moment, maar ja …

De voorzitter:
De tijd zal het leren. Meneer Markuszower, over deze motie?

De heer Markuszower (PVV):
Het is een korte interruptie, want het is de tweede termijn. Ik heb nu wel een probleem met deze minister. Als de minister echt van mening is dat de regering een topprioriteit maakt van het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers en illegalen, laat de regering een enorm brevet van onvermogen zien. Er worden geen of amper illegalen uitgezet en er worden geen of amper asielzoekers uitgezet. Twee derde blijft sowieso in Nederland. Als dit nou echt een topprioriteit is, hebben we toch met z'n allen wel een probleem.

De voorzitter:
Ik heb geen vraag gehoord.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Het is een absolute uitdaging. Daarom wordt alles op alles gezet. Het nieuwe coalitieakkoord, nog maar een halfjaar jong, laat allerlei andere stappen zien die we daarvoor zetten. Het blijft ontzettend belangrijk om draagvlak te behouden voor mensen die hier wel een veilige haven verdienen.

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 9. Die verzoekt de regering om gemeenten niet te dwingen asielzoekers op te vangen. Gemeenten hebben een wettelijke taak voor opvang, dus ik moet deze motie ontraden.

Dan de motie van de heer Van Haga op stuk nr. 10. Die verzoekt de regering om te voorkomen dat mensen door gemeenten gedwongen worden om hun tweede woning, al dan niet tijdelijk, af te staan vanwege de asielopvang. Die krijgt oordeel Kamer. Er is geen scenario dat we woningen vorderen. Laten we het oneens zijn op onderdelen waarop we het oneens zijn, maar niet steeds hetzelfde herhalen. We gaan geen woningen vorderen.

De motie van de heer Stoffer op stuk nr. 11 is eigenlijk hetzelfde, zeg ik richting mevrouw Podt. Er staat een overweging waar ik het absoluut niet mee eens ben. Er wordt gesteld dat er geen sprake was van een acute noodsituatie. Dan vind ik dat de SGP de inval van Rusland in Oekraïne wel iets te kort door de bocht formuleert. Maar de motie verzoekt de regering wel uiterst terughoudend om te gaan met de inzet van staatsnoodrecht. Met de rest van het dictum kan ik het alleen maar eens zijn. Dit is kabinetsbeleid, dus ik zou de motie graag willen overnemen, als dat mag, met de kanttekening dat ik het niet eens ben met de overweging. Mag ik de motie overnemen? Top!

De voorzitter:
Dat moet ik even vaststellen. Ik kijk even of er bezwaar is tegen het overnemen van de motie op stuk nr. 11 door het kabinet. Ik zie dat er geen bezwaar is, dus de motie is overgenomen.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
De motie op stuk nr. 12 wordt ontraden, vanwege dezelfde reden als bij de motie van de heer Van Haga.

De motie op stuk nr. 13 is van mevrouw Van der Plas. De motie vraagt of het monitoren van wat wij nu inzetten, nog steeds voldoet. De analyse of het staatsnoodrecht nog steeds van toepassing is, doen we continu. Dat zijn we ook min of meer verplicht, want ik moet het u kunnen uitleggen als we het over twee maanden nog hebben. De motie krijgt in die zin oordeel Kamer. We bekijken het altijd. Niemand wil het langer laten voortduren dan echt nodig is. Omdat we de hele zomer zo hard doorwerken aan het bestuurlijk afsprakenkader en de tijdelijke wet, en ik van plan ben om redelijk snel na de zomer terug te komen, zou ik aan mevrouw Van der Plas willen vragen om het niet maandelijks te doen. Zodra er een verandering is, of als ik na de zomer zeg dat we het nog niet kunnen veranderen om die en die reden, kom ik er actief op terug. Dan kunnen we in de zomer doorwerken aan het rondmaken van de tijdelijke wet. De motie krijgt oordeel Kamer op basis van de inzet die ik zo lees: zorg dat je continu scherp bent, zodat het niet langer duurt dan noodzakelijk. Dat is absoluut de inzet.

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Van der Plas knikken, dus ze is het met uw interpretatie eens. Gaat u verder.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Heel veel dank daarvoor.

Dan heb ik nog de laatste motie, op stuk nr. 14, van mevrouw Kröger. Die verzoekt de regering om de opvang van ontheemde Oekraïners en asielzoekers verder in samenhang te bezien, zowel in de afspraken met de VNG als in verdere wetgevingstrajecten. Mag ik de motie zo lezen zoals ik net heb toegelicht, namelijk dat we het absoluut in samenhang zien, maar dat het wel aparte trajecten zijn om de redenen die ik net gaf? Als de samenhang hier extra mee onderstreept wordt, krijgt de motie oordeel Kamer. Als ik de motie zo moet lezen dat de wetgevingstrajecten volledig geïntegreerd moeten worden, dan moet ik zeggen dat het niet kan. Dat heb ik net toegelicht. In dat geval moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
We gaan even horen wat mevrouw Krögers bedoeling is.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Zoals ik al aangaf, is het voor mij heel belangrijk dat in de afspraken met de VNG gewoon plannen komen voor de hele groep. Als de minister juridische gronden heeft voor aparte wetgevingstrajecten, dan ga ik zien of zij mij overtuigt als die wetgevingstrajecten voorliggen. Ik denk dat het in één wet te regelen is. Ik zou de samenhang daarin zoeken. De minister kiest daar wellicht niet voor. Zolang we maar wel de gemeenten benaderen met de boodschap dat het één opgave is.

De voorzitter:
Ik kijk even naar de minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Ik zie de samenhang, als het gaat om de ontheemde Oekraïners en asielzoekers. We hebben met de gemeenten dat gesprek. Het zijn ook dezelfde mensen die aan tafel zitten. Ik denk dat het goed is om het steeds terug te laten zien, waarna mijn collega of ik zal terugkomen met aparte wetgevingstrajecten. Ik vermoed dat we er dan een discussie over zullen hebben.

De voorzitter:
Dat gaan we zien. Ik constateer dat de motie op stuk nr. 14 oordeel Kamer heeft gekregen van de minister, met de toelichting die erbij gegeven is.

Dan komen we bij de heer Brekelmans.

De heer Brekelmans (VVD):
Ik wil toch echt even opmerken dat gemeenten niet voor asielzoekers aan de lat staan. Dat is het COA. Als het gaat om de crisisnoodopvang, is het inderdaad zo dat het bij gemeenten wordt neergelegd. Deze motie zal, zelfs met de toelichting van de minister, gelezen worden als dat gemeenten verantwoordelijk worden voor iedereen. Daar ligt nu ook een adviesrapport over. De suggestie dat gemeenten aan de lat staan voor asielzoekers, klopt gewoon niet. Dat is het COA.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Zo heb ik de inbreng van mevrouw Kröger niet gehoord en zo heb ik de motie ook niet gelezen. Ik vind dit een heel fijne verduidelijking. Het is niet de bedoeling dat we met één motie ineens de bevoegdheden helemaal gaan reshuffelen. Dat is zeker niet aan de orde. De bevoegdheden zijn zoals we ze vanavond hebben besproken en zoals ik voorstel dat we ze houden: de Oekraïners bij de gemeenten en de rest bij de COA. Dat blijft zo. Daar ligt een grote opgave voor ons en daar hebben we het met de gemeenten over in samenwerkingsverbanden als de VNG en het Veiligheidsberaad. We zullen dat altijd in samenhang en op die manier behandelen, maar die lijnen en die verantwoordelijkheden houden we absoluut apart. Maar zo heb ik mevrouw Kröger ook verstaan. Ik zie haar knikken. En voor de Handelingen: volgens mij leest iedereen 'm op dezelfde manier.

De voorzitter:
Dus u heeft geen behoefte aan een gewijzigde motie? Ik vraag het toch even voor de helderheid, want ...

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Het zou het kunnen ophelderen, maar ik denk zelf dat we er door deze echt uitgebreide interpretatie in de Handelingen van drie mensen in deze zaal wel samen uitkomen. Er komen aparte wetgevingstrajecten ...

De voorzitter:
Goed, dan laten we het daarbij.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:
... en de bevoegdheden blijven apart. Maar ik snap dus de intentie.

De voorzitter:
Met deze uitleg heeft de motie op stuk nr. 14 oordeel Kamer gekregen.

Dat was het! Ik dank u zeer. Rest mij niets anders dan de minister te bedanken en haar ambtenaren, de leden en onze onvolprezen ondersteuning in alle denkbare gedaanten. Ik bedank verder de mensen op de publieke tribune, waaronder twee heren die hier de orde mede bewaakt hebben. Samen met mij! Verder wens ik een andere meneer ook al het goede. Ten slotte bedank ik iedereen die het debat elders gevolgd heeft.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dat gezegd hebbende sluit ik de vergadering en wens ik iedereen nog een mooie avond.

Sluiting

Sluiting 21.58 uur.

Naar boven