Brief regering : Verslag JBZ-Raad 4 en 5 juni 2026 en overige JBZ-ontwikkelingen
32 317 JBZ-Raad
Nr. 1014
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
EN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2026
Hierbij bieden wij, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
uw Kamer het verslag aan van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) van
4-5 juni 2026 in Luxemburg.
Daarnaast ontvangt uw Kamer een appreciatie van het Staat van Schengenrapport 2026
alsmede een reactie op de Opinie van de Commissie over de noodzakelijkheid en proportionaliteit
van de herinvoering van de binnengrenscontroles.
Ook informeren wij uw Kamer hieronder over een aantal aanvullende onderwerpen op het
terrein van JBZ- en internationale samenwerking.
Bijeenkomsten en marge van de JBZ-Raad
28ste regime (EU Inc.)
En marge van de JBZ-Raad vond op 5 juni jl. een werkontbijt plaats met tien lidstaten,
georganiseerd door Duitsland, ter bespreking van het recent gepubliceerde Commissievoorstel
voor een 28ste regime (EU Inc.).
De deelnemende lidstaten waren het eens dat het voorstel voor een 28ste regime een belangrijke bijdrage levert aan het versterken van het concurrentievermogen
en de innovatiekracht van de Europese Unie. Er werd benadrukt dat het belangrijk is
dat de doelstellingen van het voorstel in balans worden gebracht met sociale rechten
en in dat verband wees een enkele lidstaat op het belang van medezeggenschap en het
waarborgen van respect voor nationale stelsels.
Nederland bracht het standpunt naar voren zoals opgenomen in het BNC-fiche dat op
24 april jl. met uw Kamer is gedeeld1 en heeft aandacht gevraagd voor het Benelux non-paper.2
Kopgroep operationaliseren terugkeerhubs
En marge van de JBZ-raad kwam een kopgroep, bestaande uit Denenmarken, Duitsland,
Griekenland, Oostenrijk en Nederland en de Europese Commissie, voor een derde keer
bijeen om concrete afspraken te maken over de verkenning naar de gezamenlijk ontwikkeling
van een terugkeerhub. In dit kader sprak de Minister van Asiel en Migratie namens
Nederland en de andere aanwezigen waardering uit voor het politiek akkoord wat is
bereikt op de terugkeerverordening op 1 juni jl.3 Dit politiek akkoord creëert bij implementatie een explicietere grond voor de terugkeerhub.
Ten aanzien van de gezamenlijke verkenning van een terugkeerhub benadrukte de lidstaten
dat zij de gecoördineerde dialogen met mogelijke partnerlanden continueren, met als
doel voor het einde van het jaar concrete voortgang te kunnen laten zien. Ook herhaalde
de aanwezigen nogmaals het belang van het vroeg betrekken van internationale organisaties
waaronder IOM en UNHCR. Uw Kamer wordt doorlopend geïnformeerd over de voortgang van
de gesprekken met de landen in deze kopgroep. Daarmee geeft het kabinet invulling
aan de toezegging van de Minister van Asiel en Migratie4 om de Kamer te informeren over de gesprekken met de landen uit de kopgroep over terugkeerhubs.
Naar aanleiding van de toezeggingen van de Minister van Asiel en Migratie5 om de Kamer(s) te informeren over welke landen vanuit Europees perspectief kansrijk
zijn om mee samen te werken ten aanzien van terugkeerhubs het volgende: de verkenning
naar mogelijke partnerlanden betreft een sensitief en diplomatiek vertrouwelijk proces.
Om dit diplomatieke proces te bewaken en voortgang te kunnen waarborgen, is het van
belang dat in dit stadium niet in het openbaar benoemd wordt om welke landen het gaat.
De Minister heeft eveneens een vertrouwelijke technische briefing toegezegd over de
voortgang rondom terugkeerhubs en migratiepartnerschappen. Deze wordt momenteel gepland
– daarmee zullen de toezeggingen gestand worden gedaan, net als de motie Eerdmans
over een concreet plan voor het operationaliseren van terugkeerhubs.6
Moties en toezeggingen
Motie van Nispen over handhaving op het vertrek na het verstrijken van de termijn
van visumvrije reizen7
Bij effectief grensbeheer en bestrijding van onrechtmatig verblijf zijn goedwerkende
Europese (grens)informatiesystemen en interoperabiliteit essentieel. Hierbij is zowel
de informatie-uitwisseling tussen nationale en Europese informatiesystemen, als tussen
verschillende Europese informatiesystemen van belang. Lidstaten, waaronder Nederland
werken hard aan de implementatie van grootschalige EU-informatiesystemen. In het bijzonder
zullen het European Entry and Exit System (EES) en het European Travel Information
and Authorisation System (ETIAS) eraan bijdragen dat Nederland en de EU in den brede
haar grip op wie de EU in- en uitreist vergroten. In het EES wordt de in- en uitreis
van derdelanders geregistreerd wat bijdraagt aan betere controle van hun identiteit
en eventuele overstay. ETIAS maakt mogelijk om visumvrije derdelanders die niet aan
de toegangsvoorwaarden voldoen, bijvoorbeeld omdat zij een risico vormen op illegaal
verblijf of een gevaar zijn voor de openbare orde of nationale veiligheid, te weren
om naar het Schengengebied te reizen. Het EES wordt sinds 10 april aan alle doorlaatposten
op de buitengrenzen toegepast. Volgens de reeds geldende Europese planning is de implementatie
van ETIAS voorzien in Q4 2026. Hiermee beschouwt het kabinet de motie Van Nispen als
afgedaan.
Motie Boomsma en Ellian aangaande overleg met andere EU-lidstaten over terugkeer van
Syriërs8
Nederland onderhoudt in Europa een actief netwerk op verschillende asiel en migratie
thema’s, zo ook ten aan zien van de vraagstukken op migratie rondom Syrië. Op dit
thema vindt op verschillende niveaus overleg plaats met landen die een vergelijkbare
opgave hebben als Nederland waaronder ook Duitsland. Nederland zal hierover, inclusief
herbeoordelingen en de terugkeer van Syriërs, de komende periode actief in nauw overleg
blijven met andere EU-lidstaten. Daarnaast streeft de Europese Commissie, op aandringen
van Nederland, een meer gecoördineerde en integrale EU-aanpak ten aanzien van Syrië
na, waar migratiesamenwerking inclusief terugkeersamenwerking onderdeel van uitmaakt.
Het kabinet beschouwt de motie Boomsma en Ellian hiermee afgedaan.
Reactie op het bericht «Mensensmokkel naar Ter Apel ontrafeld, één mobieltje legde
enorm netwerk bloot»
Tijdens het ordedebat van 12 mei 2026 werd door het lid Keijzer om een reactie gevraagd
op het artikel «Mensensmokkel naar Ter Apel ontrafeld: één mobieltje legde enorm netwerk
bloot»9 en om daarbij in te gaan op de verschillende feiten in het artikel en of die kloppen.
Mensensmokkel is een vorm van grensoverschrijdende criminaliteit waarbij mensensmokkelaars
en de criminele netwerken daarachter vaak vanuit winstbejag opereren en daarbij geregeld
misbruik maken van de kwetsbare situatie van de mensen die op hen een beroep doen.
Volgens Europol maakt 90% van de irreguliere migranten op enig moment in hun reis
gebruik van mensensmokkelaars.10 Dit wijst op een wijdverspreid verschijnsel en onderstreept de realiteit dat mensensmokkel
ook in Nederland voorkomt. Zo komen verbanden met Nederland bijvoorbeeld naar voren
in strafrechtelijke onderzoeken naar mensensmokkelnetwerken, wordt Nederland soms
gebruikt als plaats voor voorbereidingshandelingen voor mensensmokkel11 en vonden er volgens de Koninklijke Marechaussee in 2025 220 geregistreerde incidenten
en 140 aanhoudingen aan de buitengrenzen en bij MTV controles plaats in verband met
mensensmokkel.
Hoewel hier niet in detail op de in het artikel aangehaalde strafrechtelijke zaken
kan worden ingegaan onderstreept het artikel volgens het kabinet het belang van de
aanpak mensensmokkel, zoals ook uiteengezet in het Beleidskader aanpak mensensmokkel
2023–2026 en de verschillende facetten daarvan.12 Zo zijn financieel onderzoek en de «follow the money» benadering door actief in te zetten op het volgen van geldstromen en de winsten van
de smokkelaars af te nemen, het belang van de samenwerking met vervoerdersmaatschappijen,
en de samenhang van mensensmokkeldynamieken met zaken als het terugkeer- en visumbeleid
zoals ook uiteengezet in het barrièremodel mensensmokkel van groot belang.13 Ook het potentieel van de telefoons van irreguliere migranten heeft de aandacht van
de opsporingsdiensten, en derhalve wordt momenteel verkend of de mogelijkheden tot
het uitlezen van gegevensdragers in het kader van mensensmokkel verruimd kunnen worden.
Daarnaast kunnen sancties bij de aanpak van internationale mensensmokkelnetwerken,
die soms buiten het bereik van het strafrecht vallen, van toegevoegde waarde zijn.
Hoewel er continu moet blijven worden gekeken hoe de laatste modi operandi en gebruikte
routes van mensensmokkelnetwerken kunnen worden tegengegaan, en er bij het ontmantelen
van netwerken weer nieuwe structuren kunnen opstaan, wordt binnen de aanpak van mensensmokkel
op operationeel niveau niet zonder successen ingezet om mensensmokkel aan te pakken
en daders verantwoordelijk te houden. De aanpak van mensensmokkel wordt daarnaast
op Europees en nationaal niveau verder versterkt. Het kabinet kijkt uit naar de voorstellen
voor mensensmokkelsancties als onderdeel van het aangekondigde Europese sanctieregime
inzake georganiseerde misdaad. Nederland steunt het idee voor een sanctieregime op
mensensmokkel, zoals ook benoemd in de daarmee verband houdende motie van de leden
Brekelmans en Veldkamp14, al langer en riep hiertoe in 2024 op in een non-paper aan de Europese Commissie.15 Ook zal de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel16 dat de extraterritoriale rechtsmacht voor mensensmokkel beoogt uit te breiden en
de strafmaxima beoogt te verhogen – maar tijdelijk stillag gezien de parallelle bespreking
van de nieuwe EU richtlijn over mensensmokkel – dit najaar aan uw Kamer worden verzonden.
Tevens wordt er de komende jaren meer geld uitgetrokken voor de bestrijding van mensensmokkel,17 en zal dit jaar worden aangevangen met het opstellen van het nieuwe Beleidskader
aanpak mensensmokkel dat de laatste ontwikkelingen in het mensensmokkellandschap zal
meenemen.
Aanpak afgifte Russische visa in het Schengengebied
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft een gezamenlijke brief op initiatief van
Zweden, over restrictieve en uniforme toepassing van het EU-visumbeleid ten aanzien
van Russische burgers, medeondertekend. Andere landen, die de brief hebben medeondertekend,
zijn Denemarken, Estland, Finland, IJsland, Letland, Litouwen, Noorwegen, Polen en
Tsjechië. In 2025 werden er 477.878 Schengenvisa verleend aan Russische staatsburgers
voor toerismedoeleinden. Dit staat in scherp contrast met de richtsnoeren van de Commissie
van 30 september 2022 voor de algemene afgifte van visa aan Russische aanvragers,
waar lidstaten worden opgeroepen om een restrictieve aanpak te hanteren bij de beoordeling
van de redenen voor de reis. De huidige, uiteenlopende toepassing van de Commissie-richtsnoeren
door lidstaten leidt tot fragmentatie, «visa shopping door Russische staatsburgers», ongelijke economische posities en verhoogde veiligheidsrisico’s. Ook roept de brief
de Commissie op om passende maatregelen voor te stellen om (voormalige en huidige)
Russische strijders te identificeren en hun toegang tot het Schengengebied te verhinderen.
De ondersteuning van de gezamenlijke brief sluit aan bij het Nederlandse beleid en
de inzet van het kabinet. De Nederlandse visumafgifte aan Russische burgers is in
aantal, geldigheidsduur en reisdoelen beperkt, en in lijn met de EU-richtsnoeren inzake
de afgifte van visa met betrekking tot Russische aanvragers. Ondersteuning van de
gezamenlijke brief is tevens in lijn met de Motie van Campen en Boswijk18 waarin wordt verzocht de toegang van Russen tot EU-landen verder te beperken en de
Motie van de leden Dassen en Brekelmans19 over zich aansluiten bij de oproep om te onderzoeken hoe Russische militairen en
veteranen een Schengenverbod opgelegd kunnen krijgen.
Entry-Exit System (EES) op Amsterdam Airport Schiphol – Fase 2
Voor fase twee van de invoering van het Entry Exit Systeem op Amsterdam Airport Schiphol
wordt een rijksbijdrage ingezet. Middels deze brief informeert het kabinet uw Kamer
over dit besluit.20 Het besluit is bijgevoegd (bijlage A).
Overige onderwerpen
Declaration of Intent Nederland en Italië
Als onderdeel van een werkbezoek aan Italië ondertekende de Minister van Asiel en
Migratie en de Italiaanse Minister van Binnenlandse Zaken op 3 juni jl. een Declaration of Intent (zie bijlage B). Middels deze verklaring spraken Nederland en Italië de intentie uit
om de samenwerking op het gebied van migratie verder te versterken. Onderdeel hiervan
is het samenwerken op de volledige en goede implementatie van het Europese asiel en
migratiepact, inclusief de uitvoering van de asielgrensprocedure en het bieden van
adequate opvang aan asielzoekers. Daarnaast zijn de landen ook gecommitteerd aan nauwer
samenwerken op het bevorderen van de samenwerking met landen buiten de Europese Unie.
Hierbij wordt het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer, het verminderen
van de instroom richting de EU en de bescherming van vluchtelingen en migranten nagestreefd.
Italië en Nederland gaan verkennen hoe zij meer kunnen samenwerken om vrijwillig vertrek
vanuit Noord-Afrika naar landen van herkomst te ondersteunen en om de operationalisering
van innovatieve oplossingen te bevorderen.
Overdrachten onder de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV) naar Italië
Sinds december 2022 zijn er geen asielzoekers naar Italië teruggestuurd op grond van
de Dublinverordening. Aanleiding hiervan was een unilaterale opschorting door Italië
wegens plotseling gebleken technische redenen die verband houden met opvangfaciliteiten.
Hieruit concludeerde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in een
uitspraak van april 2023, dat asielzoekers die op grond van de Dublinverordening worden
teruggestuurd naar Italië, niet worden opgevangen door de Italiaanse autoriteiten.
Daarmee komen asielzoekers in een situatie terecht waarin zij niet beschikken over
hun belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water.
Vanaf 12 juni is de Dublinverordening overgaan op de Asiel- en Migratiebeheerverordening
(AMbV) als onderdeel van het Europese Asiel en migratiepact. In de AMbV is er een
gelijksoortig systeem voor de verplichte terugkeer van asielzoekers naar de verantwoordelijke
lidstaat. Tijdens het gesprek tussen de Minister van Asiel en Migratie van Nederland
en de Minister van Binnenlandse Zaken van Italië op 3 juni jl., heeft de Italiaanse
Minister bevestigd richting Nederland dat Italië het pact per ingang van 12 juni jl.,
waaronder ook de AMbV, volledig zal implementeren. De Italiaanse inzet is net zoals
de Nederlandse inzet gericht op het goed laten werken van het pact. In dat kader benoemde
de Italiaanse Minister expliciet dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden.
Deze informatie van de verantwoordelijke Italiaanse Minister is voor het kabinet aanleiding
om overdrachten van asielzoekers op grond van de AMbV per direct weer te hervatten,
omdat deze informatie voldoende verzekert dat Italië de eenzijdige blokkade vanaf
12 juni heeft opgeheven en adequate opvang zal bieden aan deze doelgroep en hiermee
wordt voorzien in de meest elementaire behoeften van de terugkerende asielzoeker.
Verslag International Migration Review Forum
Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingssamenwerking, wordt uw Kamer via deze weg geïnformeerd over de uitkomsten
van het vierjaarlijkse International Migration Review Forum (IMRF) dat heeft plaatsgevonden van 5 tot en met 8 mei bij de Verenigde Naties in New York.
De Minister van Asiel en Migratie heeft namens Nederland deelgenomen aan het IMRF.
Tijdens het IMRF is er gesproken over de gemaakte voortgang in de wereldwijde samenwerking
op het gebied van migratie in het kader van het Global Compact for Safe, Orderly and
Regular Migration (GCM), wat in 2018 is aangenomen. Deze voortgang is vastgelegd in
een Progress Declaration, die op 20 mei jl. met een meerderheid van stemmen door de Algemene Vergadering van
de Verenigde Naties aangenomen Net zoals het GCM is de Progress Declaration niet-juridische bindend. De Verenigde Staten heeft om stemming verzocht, waardoor
landen zich individueel uit moesten spreken in plaats van de declaratie met consensus
aan te nemen21. Omdat de Progress Declaration daarmee de Nederlandse beleidsprioriteiten reflecteert heeft Nederland voor aanname
gestemd met een stemverklaring. In deze gezamenlijke stemverklaring, namens Cyprus,
Estland, IJsland, Malta, Nederland, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden,
wordt benadrukt dat de Progress Declaration in lijn is met bestaand EU en Nederlands beleid. Ook benadrukte de stemverklaring
nogmaals de prioriteiten van op het gebied van migratiesamenwerking.
Het kabinet zet zich in voor meer grip op migratie onder meer via internationale samenwerking.
Nederland is een voorvechter van het multilaterale systeem en gelooft dat de samenwerking
met derde landen noodzakelijk is voor het verbeteren van migratiemanagement. Nederland
heeft daarom het IMRF gebruikt om samen met derde landen te werken aan onder andere
het tegengaan van irreguliere migratie, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig
verblijf, het tegengaan van mensenhandel en – smokkel en aandacht voor mensenrechten
en de bescherming van migranten. In de Progress Declaration is daarom, door de inzet van Nederland en gelijkgezinden landen, de verantwoordelijkheid
van staten herbevestigd om hun burgers in derde landen te helpen identificeren en
van documentatie te voorzien, en om mee te werken aan terugkeer. Ook is er in de Progress Declaration erkenning gegeven van het belang van nauwere internationale samenwerking op het gebied
van migratiemanagement, inclusief innovatieve oplossingen, zoals terugkeerhubs. Ook
nam Nederland een actieve rol aan tijdens het IMRF, zo leidde de Minister van Asiel
en Migratie de ronde tafel over terugkeer, grensmanagement en mensenhandel- en smokkel
voor en organiseerde Nederland samen met Syrië en marge van het IMRF samen een besloten
gesprek over wederopbouw in Syrië en terugkeer naar Syrië. Hierbij sloten lidstaten
uit de regio en diverse VN-organisaties aan. Daarnaast heeft Nederland en marge van
het IMRF gesproken met een aantal belangrijke landen van herkomst-, transit- en bestemming,
waaronder Algerije, Turkije, Ierland, Denemarken, Marokko, Moldavië, evenals IOM en
ICMPD en de VN speciaal rapporteur voor mensenrechten van migranten, over migratiesamenwerking.
Non-paper nieuwe EU-wetgeving georganiseerde criminaliteit
Tevens treft uw Kamer in de bijlage een non-paper van Frankrijk aan inzake nieuwe
EU-wetgeving omtrent de bestrijding tegen georganiseerde criminaliteit (bijlage C),
dat Nederland steunt. Eind 2026 wordt een richtlijn verwacht van de Commissie over
georganiseerde criminaliteit. Het wetgevingsvoorstel betreft in ieder geval de herziening
van het Kaderbesluit georganiseerde criminaliteit. Dit Kaderbesluit bevat een definitie
van het begrip criminele organisatie en schrijft voor welke gedragingen die verband
houden met een criminele organisatie strafbaar moeten worden gesteld. Ook bevat het
minimumvoorschriften inzake de strafmaxima voor deze gedragingen. Het voorstel zal
daarnaast mogelijk ook andere onderwerpen betreffen die raken aan de strafrechtelijke
aanpak van georganiseerde criminaliteit.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Verslag van de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, 4 en 5 juni
2026
I. Binnenlandse Zaken
Belangrijkste resultaten
• De JBZ-Raad stemde in met de prioriteiten van de Schengencyclus voor 2026 en 2027,
zijnde 1) het verbeteren en versnellen van de implementatie van grootschalige IT-systemen;
2) het versterken van de buitengrenzen en terugkeer; 3) het verbeteren van de interne
veiligheid, en tegelijkertijd het waarborgen van vrijheid van beweging in een gebied
zonder binnengrenscontroles, en nam Raadsconclusies aan ter verbetering van de Schengengovernance.
• De Raadsconclusies over de operationalisering van de EU-drugsstrategie en het EU-actieplan
tegen drugshandel werden aangenomen. Lidstaten onderstreepten het belang van een geïntegreerde
aanpak van drugscriminaliteit en versterkte samenwerking tussen lidstaten, EU-agentschappen
en derde landen.
• Tijdens de bespreking van de juridische status van Oekraïense ontheemden bleek brede
steun voor eventuele verlenging van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn met één jaar.
• In de discussie over de toekomstige Europese Veiligheidsstrategie benadrukten lidstaten
het belang van een geïntegreerde benadering van interne en externe veiligheid, met
aandacht voor georganiseerde criminaliteit, terrorisme en hybride dreigingen, alsook
een sturende rol van de JBZ-Raad in de totstandkoming en implementatie.
1. Algemene staat van het Schengengebied
a. Verslag van de Commissie over de toestand van Schengen 2026
b. Prioritaire acties voor de Schengenraad-cyclus 2026-2027
Tijdens dit agendapunt bespraken de Commissie en lidstaten de Staat van het Schengengebied
en de prioriteiten voor de Schengencyclus voor het komende jaar. De prioriteiten zijn:
1) het verbeteren en versnellen van de implementatie van grootschalige IT-systemen;
2) het versterken van de buitengrenzen en terugkeer; en 3) het verbeteren van de interne
veiligheid, terwijl wordt gestreefd naar het waarborgen van vrijheid van beweging
in een gebied zonder binnengrenscontroles. De Commissie stond stil bij de voortgang
die is gemaakt ten aanzien van migratiebeheer EU-breed. Dit is terug te zien in de
daling van irreguliere migratie en de stijging van de terugkeercijfers. Met betrekking
tot de prioriteiten riep de Commissie lidstaten op tot implementatie van de Screeningverordening
en asielgrensprocedure onder het Pact, het versterken van noodplannen en optimaal
gebruik van informatiesystemen om informatie-uitwisseling te bevorderen, maar benadrukte
tegelijkertijd dat er veel positieve ontwikkelingen zijn, zoals invoering van het
Entry Exit Systeem en het politiek akkoord op de Terugkeerverordening.
Lidstaten omarmden de prioriteiten voor de Schengencyclus. Een groot aantal lidstaten
omarmde daarbij ook de aanname van de Terugkeerverordening en stond stil bij de inwerkingtreding
van het Pact en bijbehorende wetgeving. Nederland vroeg daarbij, net als enkele andere
lidstaten, specifiek aandacht voor implementatie van de Screeningverordening en de
asielgrensprocedure, die, mede door de inzet van Nederland, onderdeel zijn van de
prioritaire acties van de Schengencyclus. Met het oog op het Staat van Schengenrapport
verwezen verscheidene lidstaten, waaronder Nederland, naar de brief over restrictieve
en uniforme toepassing van het EU-visumbeleid ten aanzien van Russische burgers, die
Nederland mede heeft ondertekend. Ook uitten enkele lidstaten zich kritisch ten aanzien
van de herinvoering van binnengrenscontroles. Een aantal lidstaten riep op tot een
verlenging van de Schengencyclus met het oog op effectieve implementatie van de prioriteiten
en daarbij behorende acties. Cyprus benadrukte zijn wens voor zo snel mogelijke Schengentoetreding.
Tijdens de JBZ-Raad zijn ook Raadsconclusies over de Schengengovernance22 aangenomen. De Raadsconclusies beogen de Schengengovernance zowel op nationaal als
Europees niveau te versterken om tekortkomingen ten aanzien van de implementatie van
het Schengenacquis te adresseren, onder andere door meer strategisch gebruik van monitoringsmiddelen
en het voeren van discussies op politiek niveau over tekortkomingen in de implementatie
van het Schengenacquis. Dit is van belang om buitengrensbeheer te versterken, interne veiligheid te verbeteren
en secundaire migratie en instrumentalisering aan te pakken. Nederland heeft daarom
ingestemd met de Raadsconclusies.
2. Implementatie van interoperabiliteit
De JBZ-Raad besprak de implementatie van interoperabiliteitssystemen. Het Voorzitterschap
stelde dat de lancering van het Entry/Exit System (EES) een belangrijke mijlpaal vormt voor de interne veiligheid en het beheer van
de buitengrenzen van de Unie. Het Voorzitterschap stelde vast dat alle lidstaten er
hard aan werken om het EES volledig operationeel te laten zijn.
De Commissie wees lidstaten erop dat tot 6 september a.s. gebruik kan worden gemaakt
van de mogelijkheid biometrie achterwege laten in geval van grote drukte. De Commissie
gaf aan dat het systeem in de korte periode dat het operationeel is (sinds 10 april
jl.) reeds zijn meerwaarde heeft bewezen in de strijd tegen illegale inreis en identiteitsfraude.
In de daaropvolgende discussie werd door verschillende lidstaten gevraagd om flexibiliteit
ten aanzien van de biometrieverplichting na 6 september zodat lidstaten meer tijd
hebben om het systeem op een verantwoorde manier te implementeren. Nederland sloot
zich hierbij aan, waarbij het aangaf hard te werken aan een stabiele tenuitvoerlegging
van EES, en wees op operationele uitdagingen tijdens drukke periodes. De Commissie
stelde naar de zorgen van de lidstaten te luisteren en opties hiertoe verder te onderzoeken.
Daarnaast werd benoemd dat de start van ETIAS momenteel wordt voorbereid als een belangrijke
stap in de interoperabiliteit.
3. Toekomstige juridische status van ontheemde personen uit Oekraïne
Tijdens een besloten lunch wisselden de lidstaten van gedachten over een eventuele
verlenging van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voor Oekraïense ontheemden,
alsook een eventuele scopebeperking van de RTB voor mannen die in Oekraïne dienstplichtig
zijn. Nederland heeft verlenging van de RTB van maart 2027 tot maart 2028 gesteund.
De verlenging kon rekenen op brede steun onder de lidstaten. Verder heeft Nederland
aangegeven open te staan voor een eventuele scopebeperking en heeft daarbij aandacht
gevraagd voor de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid, evenals de betrokkenheid
van Oekraïne bij een dergelijk voorstel. Deze aandachtspunten werden door een groot
aantal lidstaten benadrukt, waarbij de meeste lidstaten aangaven open te staan voor
de scopebeperking. Enkele lidstaten benadrukten het belang van de scopebeperking.
Het kabinet is in afwachting van het voorstel van de Commissie alvorens een positie
in te nemen. Daarnaast heeft Nederland ook het belang van zorgvuldige identiteitscontrole
door middel van het Temporary Protection and Registration Platform (TPP) onderstreept. Over de verdere inzet op dit terrein wordt u in de Kamerbrief
Opvang Oekraïense Ontheemden, die voor het zomerreces met uw Kamer wordt gedeeld,
nader geïnformeerd.
4. Uitvoering van het Asiel- en Migratiepact (Pact)
De Commissie informeerde de JBZ-Raad over de stand van zaken van de implementatie
van het Pact in aanloop naar de inwerkingtreding van het Pact op 12 juni jl. De Commissie
benadrukte de omvang van de implementatie voor alle lidstaten, maar markeerde dat
er in de afgelopen periode significante vooruitgang is geboekt bij de implementatie
en stelde dat de belangrijkste elementen van het Pact geïmplementeerd zijn op het
moment dat het Pact in werking treedt. De Commissie stond verder stil bij de aandachtspunten
die ook benoemd zijn in het voortgangsrapport van 8 mei jl. Ten aanzien van nationale
wetgeving stelde de Commissie dat lidstaten vergevorderd zijn en er dagelijks voortgang
wordt geboekt. Op extern grensbeheer stelde de Commissie dat intussen voortgang is
geboekt op het realiseren van de adequate capaciteit in de asielgrensprocedure, waaronder
ook voldoende faciliteiten en personeel, maar dat er in enkele lidstaten nog praktische
uitdagingen zijn met betrekking tot infrastructuur, IT en het tegengaan van ontduiking.
Andere aandachtspunten zijn het voorzien in voldoende opvangcapaciteit en het wegwerken
van achterstanden in de procedure. Ten aanzien van de implementatie van Eurodac gaven
zowel de Commissie als eu-Lisa aan dat er belangrijke voortgang is geboekt met de
implementatie. Zowel de Commissie als eu-Lisa blijven lidstaten ondersteunen met het
oog op volledige implementatie van Eurodac op 12 juni. De Commissie blijft de voortgang
op alle onderdelen nauw monitoren. Nederland heeft tijdens de JBZ-Raad de Commissie
hier ook nogmaals toe opgeroepen. Ook heeft de Minister van Asiel en Migratie en marge
van de JBZ-Raad en tijdens het werkbezoek aan Italië op 3 juni jl., richting de landen
aan de buitengrens en de Commissie de noodzaak van de volledige implementatie van
het Pact inclusief de asielgrensprocedure benadrukt en aangegeven dat nauwe monitoring
en gecontinueerde inzet cruciaal zijn. Hiermee beschouwt het kabinet de motie van
Dijk en Boomsma als afgedaan.23
5. Externe dimensie van migratie: samenwerking met Somalië
Onder dit agendapunt werd de samenwerking met Somalië besproken, zowel op het gebied
van terugkeer als op de aanpak van mensensmokkel. De discussie focuste zich met name
op het punt van terugkeersamenwerking. Hoewel de samenwerking van Nederland met Somalië
ten aanzien van terugkeer de afgelopen periode voorzichtige tekenen van verbetering
toonde, bleek dat andere Europese landen wel aanhoudende uitdagingen ervaren met terugkeer
van afgewezen asielzoekers naar Somalië. De Commissie vroeg daarom lidstaten om steun
om aanvullende instrumenten in te zetten om de terugkeer met Somalië te verbeteren.
Een groot aantal lidstaten riep in dat kader op tot het nemen van visummaatregelen
onder artikel 25bis van de Visumcode. Enkele lidstaten stelden dat er ook gekeken
moest worden naar additionele maatregelen als hefboom om het verbeteren van de terugkeersamenwerking
te stimuleren, waaronder het gebruik maken van de conditionaliteit van ontwikkelingsgelden
en handelspreferenties (GSP+). Enkele lidstaten, waaronder Nederland, stelden vragen,
met het oog op de voorzichtige recente verbeteringen in de terugkeersamenwerking met
Somalië. Deze landen gaven de voorkeur aan investeringen in de brede relaties, waarbij
de inzet van visummaatregelen een laatste redmiddel blijft.
6. Migratiesituatie in het Kanaalgebied
In afwachting van het door de Commissie aangekondigde actieplan werd er onder dit
agendapunt kort stilgestaan bij de belangrijkste ontwikkelingen t.a.v. de situatie
op het Kanaal. De Commissie benadrukte dat de irreguliere oversteek op het kanaal
een Europese uitdaging is, die druk legt op de volledige Europese grens, alsook bijdraagt
aan mensensmokkel. Het actieplan van de Commissie zal daarom aandacht schenken aan
de samenwerking met derde landen, het ondermijnen van mensensmokkel en het versterken
van het grensbeheer, waaronder door inzet van Frontex. Ook vroeg de Commissie aandacht
voor de samenwerking met het VK, waaronder op operationele samenwerking en informatie-uitwisseling.
Enkele lidstaten gaven aan uit te kijken naar het Actieplan, onderstreepten het belang
van een Europese aanpak voor de aanpak van de problematiek op het Kanaal en riepen
op tot een gecoördineerde inzet.
7. Raadsconclusies over de gezamenlijke operationalisering van de EU-drugsstrategie
De JBZ-Raad besprak de operationalisering van de EU-drugsstrategie naar aanleiding
van Raadsconclusies over de gezamenlijke operationalisering van de EU-drugsstrategie
die voorlagen. Het Voorzitterschap benadrukte dat de prioriteiten uit de EU-drugsstrategie
moeten worden vertaald naar concrete maatregelen en dat overeenstemming nodig is over
de prioriteiten uit het EU-actieplan tegen drugshandel. Daarbij wees het Voorzitterschap
op het belang van een evenwichtige benadering van zowel de vraag- als aanbodzijde
van de drugsproblematiek.
De Raadsconclusies die ter goedkeuring voorlagen bevatten een uitvoeringskader om
de nieuwe EU-drugsstrategie en het EU-actieplan tegen drugshandel operationeel te
maken. De EU-strategie wordt daarbij gezien als een richtinggevend instrument dat
een gedeeld beeld creëert en aansluit bij een gezamenlijke aanpak van het probleem.
De Raadsconclusies bevatten voorstellen rondom de volgende doelen: i.) het aanvullen
van het EU-actieplan tegen drugshandel met gerichte werkstromen; ii.) het zo volledig
mogelijk benutten van bestaande mechanismen, hulpmiddelen en processen, met name op
het terrein van vraagvermindering en schadebeperking; en iii.) het ontwikkelen van
innovatieve samenwerkingsprojecten die de samenwerking tussen lidstaten, EU-agentschappen
en andere relevante actoren bevorderen.
Nederland sprak steun uit voor de Raadsconclusies en benadrukte dat een duidelijk
antwoord op EU-niveau nodig is. Daarnaast vroeg Nederland aandacht voor het belang
van samenwerking met derde landen bij het opsporen van verdachten van georganiseerde
drugscriminaliteit. Daarbij verwees Nederland naar het belang van samenwerking via
de European Ports Alliance.
Het Voorzitterschap stelde vast dat de Raadsconclusies zijn aangenomen.
8. Impact van de huidige geopolitieke context op de EU
De gedachtewisseling over de impact van de huidige geopolitieke situatie, meer specifiek
de ontwikkelingen in Iran, op de interne veiligheid van de EU vond plaats in besloten
setting. Nederland gaf aan voorstander te zijn van voortdurende uitwisseling van informatie
via de bestaande rechtshandhaving- en inlichtingenkanalen, bijvoorbeeld als het gaat
om dreigingsbeoordeling en attributie. Ook benadrukte Nederland dat het belang hecht
aan het versterken van de samenwerking op EU-niveau als het gaat om de uitwisseling
van inlichtingen tussen EU-lidstaten onderling en met de EU instellingen via EU INTCEN.
Tot slot moedigde Nederland aan om best practices uit te wisselen, specifiek met betrekking tot beschermings- en beveiligingsmaatregelen
voor Joodse locaties en objecten.
9. Tegengaan van veiligheidsuitdagingen – Europese Veiligheidsstrategie
De Commissie stond stil bij een aantal doorkruisende thema’s die van belang zijn voor
de interne veiligheid van de Europese Unie en de verdere uitwerking van de Europese
Veiligheidsstrategie (EVS) waar de Commissie momenteel aan werkt. Daarbij wees de
Commissie op vijf ontwikkelingen: i.) de toenemende rekrutering van jongeren voor
terrorisme en georganiseerde criminaliteit; ii.) de toename van geweld tussen criminele
bendes; iii.) drugscriminaliteit; iv.) hybride dreigingen; en v.) het gebruik van
kunstmatige intelligentie, ook voor opsporingsdoeleinden. Daarnaast benadrukte de
Commissie dat de verwachte EVS moet voortbouwen op bestaande strategieën, waaronder
de ProtectEU strategie.
In de daaropvolgende gedachtewisseling werd breed benadrukt dat interne en externe
veiligheid in samenhang moeten worden bezien. Daarbij werd veelvuldig gewezen op het
belang van informatie-uitwisseling, de aanpak van terrorisme en georganiseerde criminaliteit,
samenwerking met derde landen en een goede implementatie van de NIS2-richtlijn en
de richtlijn inzake de weerbaarheid van kritieke entiteiten (CER) ter versterking
van de weerbaarheid tegen hybride dreigingen. Tevens werd benadrukt dat de EVS in
samenhang moet worden bezien met bestaande initiatieven op het terrein van interne
veiligheid. In een enkel geval werden institutionele kanttekeningen geplaatst bij
de ontwikkeling van de EVS en de verantwoordelijkheid van lidstaten voor hun nationale
veiligheid benadrukt. Daarnaast werd gewezen op het belang van een duidelijke afbakening
tussen dreigingsanalyses van inlichtingendiensten en andere informatiebronnen.
Nederland onderstreepte het belang van de rol van de JBZ-Raad bij zowel de ontwikkeling
als de implementatie van de EVS. Nederland gaf aan dat de JBZ-Raad richting moet geven
aan de interne veiligheidsdimensie van de strategie en sprak steun uit voor de genoemde
prioriteiten, onder meer op het gebied van drugshandel. Daarnaast benadrukte Nederland
het belang van versterkte samenwerking op het gebied van inlichtingen, waaronder binnen
de Single Intelligence Analysis Capacity (SIAC), de NAVO en tussen lidstaten onderling. Ook wees Nederland op het belang van
versterking van de crisisbeheersingscapaciteit van de Europese Unie op basis van een
all-hazard en whole-of-government benadering.
10. Overige punten
a. AOB Weerbaarheidscoalitie
Tijdens een AOB-punt lichtte Finland het werk van de Europese Weerbaarheidscoalitie
toe en de laatste ministeriële bijeenkomst van de coalitie. Van 15-16 april jl. vond
op uitnodiging van Finland de derde ministeriële bijeenkomst van de weerbaarheidscoalitie
plaats in Helsinki. Deze coalitie, die op initiatief van Nederland is opgericht, richt
zich op het versterken van de civiele weerbaarheid en paraatheid binnen de Europese
Unie. Tijdens de laatste coalitiebijeenkomst is onder andere gesproken over het belang
van lessen uit Oekraïne voor de versterking van de Europese paraatheid, van voldoende
financiering voor niet alleen de militaire paraatheid, maar ook het civiele element
van weerbaarheid, en van versterkte civiel-militaire samenwerking. Voorts werd benadrukt
dat het essentieel is dat weerbaarheid en paraatheid regelmatig ook in de JBZ-Raad
worden besproken, als gremium dat gaat over de civiele weerbaarheid en de relatie
met de interne veiligheid van de EU.
II. Justitie
Belangrijkste resultaten
• Tijdens de bespreking van de Verordening inzake de grensoverschrijdende totstandbrenging
en erkenning van ouderschap bleek brede steun voor het doel om vastgesteld ouderschap
EU-breed te erkennen, zodat kinderen hun rechten behouden bij reizen of verhuizen
binnen de Unie. Tegelijkertijd werd duidelijk dat het bereiken van de vereiste unanimiteit
tussen lidstaten nog uitdagingen kent.
• De JBZ-Raad bereikte een gedeeltelijke algemene oriëntatie over het Justitieprogramma
binnen het MFK voor de periode 2028–2034. Daarbij benadrukten lidstaten het belang
van voldoende ondersteuning voor justitiële samenwerking, digitalisering van justitie,
toegang tot het recht en de betrokkenheid van lidstaten bij de uitvoering van het
programma.
• De JBZ-Raad besprak de verdere inspanningen om straffeloosheid voor internationale
misdrijven in verband met de Russische agressie tegen Oekraïne tegen te gaan. Daarbij
werd steun uitgesproken voor de oprichting van het Agressietribunaal en aandacht gevraagd
voor de handhaving van EU-sancties.
• Lidstaten bespraken de mogelijke opname van hate crime en hate speech in de lijst van EU-misdrijven op grond van artikel 83 VWEU. Daarbij bleek dat de
standpunten over Europese bevoegdheden op dit terrein nog uiteenlopen.
1. Verordening inzake de grensoverschrijdende totstandbrenging en erkenning van ouderschap
Het Voorzitterschap vroeg politieke sturing over het voorstel voor een verordening
ter verbetering van de erkenning van ouderschap tussen de lidstaten. Besluitvorming
over dit voorstel vereist unanimiteit en na 3,5 jaar onderhandelen over dit voorstel
is duidelijk geworden dat het bereiken van unanimiteit ingewikkeld zal zijn.
De Commissie benadrukte dat dit voorstel een essentieel dossier is voor de bescherming
van gezinnen en gelijkheidsbeginselen binnen de EU. Volgens de Commissie moet de erkenning
van ouderschap in de ene lidstaat ook in andere lidstaten gelden, ongeacht de wijze
waarop een kind is geboren en ongeacht het type gezin. Daarnaast wees de Commissie
erop dat het belang van het kind voorop moet staan.
In de daaropvolgende gedachtewisseling sprak een meerderheid van de lidstaten steun
uit voor voortzetting van de onderhandelingen op technisch niveau. Daarbij werd gewezen
op het belang van verdere inspanningen om tot een breed gedragen oplossing te komen.
Nederland sprak steun uit voor het doel van de verordening, zodat kinderen hun rechten
behouden wanneer zij reizen of verhuizen binnen de Europese Unie. Voor Nederland is
een ruime reikwijdte essentieel: alle kinderen moeten onder de verordening vallen,
ongeacht gezinssamenstelling en de wijze waarop het kind is verwekt of geboren. Daarnaast
benadrukte Nederland het belang van een tijdige afronding van de onderhandelingen.
Indien verdere onderhandelingen niet tot een oplossing leiden, kan volgens Nederland
worden gekeken naar versterkte samenwerking.
Er werd geconcludeerd dat op een aantal punten meer convergentie is bereikt, maar
dat op kernonderwerpen nog steeds grote meningsverschillen bestaan. Het Voorzitterschap
zal onderzoeken of een tekst kan worden gevonden die brede steun kan krijgen en kondigde
aan binnenkort een volledig herziene werkversie van de verordening te verspreiden.
2. Verordening tot vaststelling van het Justitieprogramma voor de periode 2028-2034
en tot intrekking van Verordening (EU) 2021/693
De JBZ-Raad bereikte een gedeeltelijke algemene oriëntatie op het Justitieprogramma,
dat onderdeel is van het EU Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034. Het Voorzitterschap
lichtte toe dat het nieuwe programma een voortzetting vormt van het huidige programma
en dat daarbij een sterkere nadruk zal liggen op digitalisering.
Nederland gaf aan de tekst te kunnen steunen en acht het van belang dat het Justitieprogramma
voldoende ruimte biedt voor versterking van justitiële samenwerking, digitalisering
van justitie (e-Justice), toegang tot het recht en capaciteitsopbouw binnen de Europese
Unie. Nederland hecht daarnaast groot belang aan het behoud van de comitologieprocedure,
zodat lidstaten betrokken blijven bij de jaarlijkse werkprogramma’s en flexibiliteit
behouden blijft in de allocatie van middelen, met name voor digitalisering en interoperabiliteit.
Nederland benadrukte tevens dat, binnen de algemene Nederlandse inzet voor een lager
en gemoderniseerd MFK-budget, het van belang is dat het Justitieprogramma tot stand
komt en dat JBZ-agentschappen over adequate middelen beschikken.
3. Europees Openbaar Ministerie (EOM)
De JBZ-Raad sprak over de ontwikkelingen rondom het Europees Openbaar Ministerie (EOM).
Het Voorzitterschap en de Commissie wezen daarbij op het belang van de tijdige benoeming
van Europese aanklagers om de continuïteit van het EOM te waarborgen. Dit is nodig
met het oog op het mandaat van Europese aanklagers uit een aantal lidstaten waarvan
het mandaat in juli afloopt zonder dat er een opvolger is benoemd. De Commissie benadrukte
dat spoedige benoeming van kandidaten van belang is voor het goed functioneren van
het EOM. Daarnaast wees zij op de voorgenomen herziening van de verordening 904/2010
(Eurofisc), die dient om het EOM en OLAF toegang te geven tot bepaalde btw-informatie.
De Raad heeft daarover op 5 mei jl. een algemene oriëntatie bereikt. De Commissie
wees daarnaast op de lopende evaluatie van de EOM-verordening, waarvan het verslag
medio juli wordt verwacht.
De Europese hoofdaanklager stond stil bij de resultaten van het EOM als eerste grensoverschrijdende
openbaar ministerie. Daarbij werd gewezen op de meer dan 4.000 lopende zaken en de
omvang van de opgespoorde schade. Tegelijkertijd benadrukte zij dat aanvullende middelen
noodzakelijk zijn om het toenemende werk aan te blijven kunnen. Ook wees zij op het
belang van verdere versterking van het juridische kader waarbinnen het EOM opereert,
dat wordt beoogd met de aanstaande herziening, waarvoor eind dit jaar een voorstel
zal verschijnen.
Ten slotte informeerden Hongarije en Ierland de JBZ-Raad over de voorbereidingen die
worden getroffen om deel te nemen aan het EOM. Daarbij gaven zij aan dat de benodigde
nationale wetgeving wordt voorbereid en dat verdere stappen richting deelname worden
gezet.
4. De Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne: bestrijding van straffeloosheid
De JBZ-Raad sprak over de strijd tegen straffeloosheid in het kader van de Russische
agressieoorlog tegen Oekraïne. Het Voorzitterschap benadrukte de voortdurende steun
van de Europese Unie aan Oekraïne en stond stil bij de stappen die reeds zijn gezet
op het gebied van accountability en rechtsherstel.
De Commissie benadrukte dat verantwoording voor de gepleegde misdrijven prioriteit
blijft en verwelkomde de verdere stappen die zijn gezet bij de oprichting van en toetreding
tot het Speciaal Tribunaal voor het misdrijf van agressie tegen Oekraïne. Daarnaast
wees de Commissie op de voortgang bij de internationale schadecommissie en de werkzaamheden
van de freeze-and-seize taskforce. Tevens meldde de Commissie dat achttien lidstaten zijn aangesproken op het niet
tijdig implementeren van de richtlijn inzake de aanpak van het ontwijken van sancties
en riep zij op tot volledige en tijdige omzetting.
Tijdens de gedachtewisseling ging het onder meer over de gevolgen van sancties tegen
functionarissen van het Internationaal Strafhof en werd door een paar lidstaten gewezen
op de mogelijkheid van inzet van het Blocking Statute. Nederland wees op het belang van nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen
in de strijd tegen straffeloosheid. Nederland verwelkomde de verdere stappen richting
de oprichting van het Speciaal Tribunaal en meldde dat een veelbelovende locatie in
Den Haag is geïdentificeerd voor de voorbereidende fase van het tribunaal. Daarnaast
wees Nederland op een recent gezamenlijk initiatief met Europol om vermiste Oekraïense
kinderen in Rusland en Belarus te lokaliseren op basis van openbroninformatie.
5. De aanpak van hate crime and hate speech
Tijdens de werklunch werd gesproken over de vraag of hate speech en hate crime kunnen worden opgenomen in de lijst van artikel 83 van het Verdrag betreffende de
Werking van de Europese Unie (VWEU), waarmee een bevoegdheid voor de Commissie zou
worden gecreëerd om op dit terrein richtlijnvoorstellen te doen.
In de gedachtewisseling bleek dat de standpunten hierover uiteenlopen. Een aantal
lidstaten verzocht de Commissie om een impactanalyse uit te voeren, zodat op basis
daarvan een afgewogen besluit kan worden genomen. Andere lidstaten zagen geen toegevoegde
waarde in opname van hate speech en hate crime in de lijst van artikel 83 VWEU. Unanimiteit over dit onderwerp lijkt daarmee nog
niet in zicht.
Nederland sprak steun uit voor opname van hate speech en hate crime in de lijst van artikel 83 VWEU. Daarnaast stelde Nederland zich positief op ten
aanzien van maatregelen ter versterking van de aanpak van hate speech en hate crime in het online domein, waarbij de voorkeur werd uitgesproken voor versterking van
bestaande wettelijke kaders, waaronder de Digital Services Act.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie -
Mede ondertekenaar
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid