De plenaire zaal bij avond, gezien vanaf de Hofplaats in Den Haag.

Nacht van Kersten

In de nacht van 10 op 11 november 1925 diende SGP-fractievoorzitter Gerrit Kersten rond half één een amendement voor de opheffing van het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan. Hij noemde de diplomatieke post ‘een krenking van het calvinistische karakter van de Nederlandse natie’. Het kwam die nacht niet tot een stemming, omdat er op dat moment onvoldoende parlementariërs in het Kamergebouw aanwezig waren.

Pas de volgende dag werd er over het amendement gestemd. Hierbij wist Kersten een Kamermeerderheid achter zijn voorstel te krijgen. Ook werd het amendement gesteund door drie leden van CHU (Christelijk-Historische Unie). Doordat deze partij lid was van de coalitie, kwamen de politieke verhoudingen op scherp te staan. Fractievoorzitter Willem Nolens van de Roomsch-Katholieke Staatspartij, eveneens vertegenwoordigd in het kabinet, liet onmiddellijk weten dat alle katholieke ministers hun ontslag zouden indienen als het amendement door een Kamermeerderheid gesteund zou worden. Op woensdag 11 november viel daardoor het eerste kabinet-Colijn.

Nacht van Schmelzer

Het is de nacht van donderdag 13 op vrijdag 14 oktober 1966. De nacht die de boeken in ging als de ‘Nacht van Schmelzer’, de nacht dat het kabinet-Cals viel. Op de agenda staat het slot van de algemene beschouwingen over de begroting van 1967. In de fractie van de Katholieke Volkspartij (KVP) bestond argwaan tegen de manier waarop de nieuwe minister van Financiën, Anne Vondeling, het gat in zijn begroting wilde dichten. Dit gat had een omvang van 900 miljoen gulden. Daarop diende KVP-fractievoorzitter Norbert Schmelzer een motie in. Deze motie werd vervolgens met 75 tegen 62 aangenomen. Behalve de oppositiepartijen VVD, CHU, SGP, GPV (Gereformeerd Politiek Verbond), steunde ook de overgrote meerderheid van de KVP-fractie de motie. Onmiddellijk na de stemming, vroeg minister-president Cals de Tweede Kamervoorzitter om het debat te schorsen. Het kabinet was gevallen, het was inmiddels 4.40 uur.

De Nacht van Schmelzer kan worden gezien als het begin van een periode van polarisatie in de Nederlandse politiek. Ook ontstond er na deze nacht een goede voedingsbodem voor een nieuwe partij: D’66 (opgericht op 30 april 1966, vanaf 1981 D66 genoemd), de partij die pleitte voor staatkundige vernieuwing.

Nacht van Bolkestein

In de nacht van 4 op 5 maart 1997 diende VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein een motie in waarin hij stelt dat de NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie) alleen onder voorwaarden uitgebreid mag worden. De drie voorwaarden zijn: waarborging van de stabiliteit in Europa, geen onnodige beschadiging van de relatie met Rusland en geen nieuwe scheidslijn door Europa. De motie was het vervolg op een artikel van Bolkestein in de Volkskrant van 8 februari 1997 waarin hij stelt dat er geen uitbreiding moest komen van de NAVO met landen als Polen, Hongarije en Tsjechië. Zijn ‘niet doen’ moest van kabinet en coalitiepartijen PvdA en D66 van tafel, waarop Bolkestein die nacht reageerde met een motie.

De motie van Bolkestein werd gezien als een aanval op het paarse kabinet, inclusief ministers van zijn eigen partij onder wie Joris Voorhoeve, destijds minister van Defensie. Het stelde de politieke verhoudingen op scherp. Premier Kok werd ’s nachts naar de Tweede Kamer geroepen om een kabinetscrisis te voorkomen. De motie kreeg uiteindelijk onvoldoende steun en werd afgewezen. Daarmee keerde de rust terug. Toch zaaide Bolkesteins NAVO-koers veel onrust bij de liberalen. Bovendien konden PvdA, D66 en het CDA de conclusie trekken dat zij elkaar het beste konden vinden wanneer het ging over het buitenlandse beleid. Iets wat een mogelijk tweede paarse kabinet (wat er uiteindelijk kwam: 1998-2002) in de weg zou kunnen staan.