Brief regering : Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof
36 800 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026
Nr. 87
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 juni 2026
Nederland wil vooruit. Daarom presenteert het kabinet een maatregelpakket om Nederland weer in beweging
te brengen. Zodat boeren duidelijkheid krijgen, de natuur zich herstelt, bouwers weer
kunnen bouwen en we weer vergunningen kunnen verlenen. Want ons land zit op slot.
Plannen en vergunningverlening lopen vast, en iedereen verlangt naar een doorbraak.
Direct vanaf mijn aantreden als Minister ben ik gaan praten met allerlei partijen,
door heel het land. Met boeren, natuurbeheerders, maar ook bijvoorbeeld met mensen
in de Rotterdamse haven. Waar ik ook kom, proef ik één ding: urgentie.
Stuk voor stuk willen mensen de mouwen opstropen en aanpakken. Na jaren stilstand
eindelijk weer in beweging. Die bereidheid om samen de schouders eronder te zetten
heeft Nederland ver gebracht: zó groeide onze landbouw tijdens de wederopbouw uit
tot de absolute wereldtop.
Ik besef dat de keuzes in deze brief veel vragen van boeren en andere ondernemers.
Tegelijk ben ik ervan overtuigd dat de keuzes noodzakelijk zijn. Als één samenhangend
geheel werkt dit pakket aan vergunningverlening en natuurherstel, zo komt er weer
perspectief voor boeren, natuur en bouw. Het kabinet legt dit pakket met volle overtuiging
aan uw Kamer voor en roept u op om constructief en in gezamenlijkheid snel de noodzakelijke
stappen te zetten om tot uitvoering te komen.
Nederland verdient weer ruimte. Want Nederland wil vooruit.
Van stilstand naar beweging
Boeren, maatschappelijke partijen en medeoverheden hebben de afgelopen jaren hun nek
uitgestoken om plannen te maken om meer stikstof te reduceren, de natuur te herstellen
en de vergunningverlening weer op gang te krijgen. Denk daarbij onder andere aan het
Versnellingsakkoord1 en de bouwstenen2, en aan alle gebiedsprocessen. Het kabinet erkent deze inspanningen en concrete initiatieven,
en presenteert een stevige aanpak die daarop voortbouwt. Om al die inspanningen van
het land te ondersteunen en de vergunningverlening weer los te krijgen.3
Wanneer gaat Nederland van het slot?
Het kabinet trekt met dit maatregelpakket de vergunningverlening los:
• In oktober 2026 dient het kabinet een spoedwet in met een programma van maatregelen
waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen.
• In januari 2027 komt het kabinet met instructieregels met voorschriften die gaan gelden
in de zoneringsgebieden en komt er structureel geld vrij voor natuurbeheer. Deze stappen
zijn van belang voor het stoppen van verslechtering van de natuur.
• Zo snel mogelijk, en uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, wil het kabinet een
juridisch houdbare rekenkundige ondergrens invoeren waarmee overal activiteiten met
kleine deposities mogelijk worden.
De provincies kunnen per direct per gebied starten met het opstellen van een plan
waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur
niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern
worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los.
Met een ambitieus pakket, ontwikkeld met de inbreng van medeoverheden en maatschappelijke
partners, gaat de stikstofuitstoot omlaag en worden andere drukfactoren, zoals verdroging,
aangepakt. Dit biedt een basis voor additionaliteit. De natuur krijgt kans zich te
herstellen, waardoor weer ruimte voor vergunningverlening voor heel Nederland ontstaat,
en wordt toegewerkt naar een sterke en robuuste natuur en een toekomstbestendige landbouw.
Via gebiedsprocessen kan een aanpak tot stand gebracht worden om de drukfactoren op
het nabijgelegen Natura 2000-gebied substantieel weg te nemen en toe te werken naar
een goede staat van instandhouding. Er kan concreet gewerkt worden aan de verduurzaming
van de industrie en mobiliteit, aan infrastructuur en nieuwe woningbouw en aan projecten
voor onze nationale veiligheid. Boeren kunnen naar duidelijke doelen toewerken met
ondersteuning van de overheid. Jonge ondernemers kunnen met meer vertrouwen naar de
toekomst van hun bedrijf kijken en het kabinet zet alles op alles om een oplossing
te vinden voor PAS-melders en interimmers. En via natuurherstel stellen we onze unieke
Nederlandse flora en fauna veilig voor toekomstige generaties. Al dit jaar zetten
we de eerste betekenisvolle stap om die beweging in te zetten.
Eén samenhangend pakket voor vergunningverlening
De aanpak van het kabinet creëert weer ruimte voor vergunningverlening: op steeds
meer plekken wordt verlening van vergunningen weer mogelijk. Het pakket bestaat uit
generieke maatregelen, een gebiedsgerichte inzet, maatwerk waarmee wordt ingespeeld
op kenmerken van een gebied, en natuurherstel. Deze combinatie van maatregelen is
cruciaal om vergunningverlening weer mogelijk te maken en de natuur te herstellen.
Met duidelijke doelen en normen wordt helder waar agrarisch ondernemers, overheden
en andere sectoren en betrokkenen op moeten sturen. Het kabinet biedt in oktober van
dit jaar het wetvoorstel aan om de huidige op de kritische depositiewaarde (KDW) gebaseerde
doelen te vervangen door wettelijke emissiedoelen. En uiterlijk in het vierde kwartaal
van 2027, en zo mogelijk sneller, voert het kabinet een juridisch houdbare en wetenschappelijk
onderbouwde rekenkundige ondergrens (RKO) in; dat helpt veel PAS-melders en interimmers,
de woningbouw en andere projecten met een stikstofdepositiebijdrage onder de RKO.
Essentieel onderdeel van de aanpak is de ondersteuning van boerenbedrijven bij het
nemen van maatregelen. Het gaat om brede ondersteuning bij innoveren, extensiveren,
omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen («trappetje van Remkes»4). Ook investeert het kabinet extra in het platteland.
Wil de aanpak slagen, dan moet iedereen bijdragen. Naast de agrarische sector leveren
ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten. Overheden
staan naast de boerenbedrijven en helpen bij het innoveren, om te schakelen, vrijwillig
te verplaatsen of te stoppen. Supermarkten en andere partijen in de keten pakken hun
verantwoordelijkheid door boerenbedrijven te helpen verduurzamen en samen op te trekken.
Natuurorganisaties zorgen dat onze natuur goed beheerd wordt en werken aan herstel.
Rijk, provincies, waterschappen, gemeenten, sectorpartijen en andere partners slaan
ook de handen ineen. En alle Nederlanders kunnen helpen door vaker te kiezen voor
lokaal en duurzaam geproduceerde boodschappen.
Het is van groot belang de balans in dit pakket te behouden. Zo werken de bedrijfsspecifieke
emissienormen in de landbouw alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak
rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt.
De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch
loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat
alleen als de natuur op orde komt. Delen van het pakket kunnen dus niet zonder consequenties
worden afgezwakt of weggelaten. Met de balans tussen de verschillende onderdelen van
dit pakket beschouw ik de motie Goudzwaard5 als afgedaan.
De aanpak in vogelvlucht
I. Vervangen KDW-doelen door emissiereductiedoelen stikstof
• De stikstofuitstoot wordt structureel en geborgd verlaagd: 42–46% (NH3) in de landbouw, 50% (NOX) in de mobiliteit, en 50% (NH3) in de industrie in 2035 ten opzichte van 2019.
• Het kabinet gaat er vanuit dat deze emissiedoelen voor 2035 met het pakket worden
gehaald.
• Het kabinet presenteert eind oktober 2026 een wetsvoorstel en programma met maatregelen
om de op KDW gebaseerde omgevingswaarden te vervangen door sectorale emissiereductiedoelen.
II. Maatregelen
• Het kabinet gaat met doelsturing via afrekenbare emissienormen in 2035 per bedrijf
sturen op de emissies in de melkveehouderij en de intensieve veehouderij. Voor de
melkveehouderij stelt het kabinet deze vast op basis van wat technisch mogelijk is
met stal- en managementmaatregelen. Voor de intensieve veehouderijsectoren worden
de normen in het eerste kwartaal van 2027 vastgesteld. Het kabinet ondersteunt met
financiële middelen boeren bij investeringen of aanpassingen in stallen en bedrijfsvoering.
• Veldemissies worden teruggedrongen door aanscherping van middelvoorschriften.
• Niet de hele landbouwopgave kan via het verlagen van emissies op bedrijven worden
gerealiseerd. Het kabinet vult de restopgave in met extensivering, vrijwillige beëindiging
en afroming van dier- en fosfaatrechten bij overdracht buiten familieverband.
• Het kabinet introduceert een norm voor grondgebondenheid in de melkveehouderij. Daarmee
doet het kabinet de verplichting gestand die Nederland is aangegaan in het kader van
het addendum 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
• In zones rond kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden zet het kabinet in op verdere
extensivering van de landbouw, reductie van stikstofdepositie, systeemherstel en de
aanpak van andere drukfactoren. Het kabinet ondersteunt boeren bij aanpassing van
hun bedrijf.
• Voor de aanpak van kwetsbare watergebieden komt het kabinet met medeoverheden tot
de selectie van gebieden en de te nemen maatregelen.
• Voor industrie en mobiliteit zet het kabinet in op bovenwettelijke ammoniakreductie
in industrie, verduurzaming van scheepvaart, bouwmaterieel en wegverkeer.
• Het kabinet investeert de komende jaren in herstel en beheer van natuur. De eerste
concrete acties en projecten gaan dit jaar al van start.
• In het Ontwerp-Natuurplan is uitgewerkt hoe de natuur kan worden hersteld in het kader
van de Natuurherstelverordening. Het definitieve plan wordt uiterlijk 1 september
2027 ingediend bij de Europese Commissie.
III. Financiën
• Voor de inzet op landbouw, natuur en stikstof is € 20 miljard (cumulatief tot en met
2035) en € 435 miljoen structureel gereserveerd (zie tabel 1).6 Het kabinet werkt de maatregelen verder uit en beziet aan de hand van de uitwerking
of deze invulling nog aanpassingen behoeft. Zo kan bijvoorbeeld de verdere uitwerking
van stal- en managementmaatregelen ertoe leiden dat de beschikbare € 2 miljard anders
verdeeld wordt.
• Het kabinet zal bij de Miljoenennota 2027 en Voorjaarsnota 2027 al vervolgstappen
zetten, op basis van het maatregelpakket. Het kabinet doet dit uiteraard samen met
medeoverheden, natuurorganisaties en sectorpartijen.7
• De beschikbare middelen moeten ook daadwerkelijk leiden tot doelbereik in de vorm
van stikstofemissiereductie, natuurherstel en het op gang komen van de vergunningverlening.
Periodieke adviezen en oordelen van PBL en kennisinstellingen zijn een belangrijke
toetssteen bij verdere uitwerking van maatregelen en overhevelingen van middelen naar
het bestedingsartikel. Ook is van belang dat relevante borgende wetgeving draagvlak
krijgt in het parlement.
IV. Borging aanpak
• Voor de borging van het effect van het pakket consulteert het kabinet provincies en
maatschappelijke partijen met als doel om een borgingsinstrument vast te leggen in
het programma bij de «Spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof». Indien daarbij
geen consensus wordt bereikt, kiest het kabinet als ultieme remedie voor een korting
op productierechten in 2035.
• Voor de landbouw geldt voor 2030 een sectorale streefwaarde van 23–25% (NH3). Indien deze niet wordt gehaald, worden aanvullende maatregelen getroffen. Een eerste
moment van monitoring vindt plaats in 2027/2028. Het kabinet verkent mogelijkheden
voor een passend borgingsmechanisme in 2030.
• Met terreinbeherende organisaties, provincies en Rijkswaterstaat worden afspraken
gemaakt over heldere verantwoording en verplichtingen, bijvoorbeeld op kwaliteit van
beheer, doelmatigheid en type maatregelen. Voor het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen
maakt het kabinet bindende afspraken met medeoverheden.
• De emissiereductie in de industrie en mobiliteit wordt geborgd via bestaand klimaat-
en milieubeleid; bij onvoldoende voortgang worden tijdig aanvullende maatregelen getroffen.
• Met deze aanpak geeft het kabinet voor zover mogelijk in dit tijdpad maximaal uitvoering
aan het Greenpeace-vonnis, rekening houdend met de uitvoerbaarheid, benodigde zorgvuldigheid
en maatschappelijke draagkracht.
V. Vergunningverlening
• Het kabinet voert zo snel mogelijk, uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, een
juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in. Dit kan alleen met een voldoende en
geborgd pakket met aanvullende specifieke beheersmaatregelen. Het komende jaar werkt
het kabinet, samen met provincies, deze maatregelen verder uit.
• Het kabinet heeft het Programma Maatwerk PAS-melders vastgesteld om de komende jaren
alle PAS-melders naar een oplossing te helpen. Verder verkent het kabinet hoe andere
ondernemers («interimmers») zonder toereikende vergunning in een legale situatie kunnen
komen.
• Met dit brede pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen trekt het kabinet
de vergunningverlening weer los.
– Met dit pakket kunnen handhavings- en intrekkingsverzoeken (bij onder andere PAS-melders)
worden voorkomen.
– Provincies kunnen per direct per gebied starten met een plan opstellen waarmee zij
additionaliteit onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert
en behoud wordt geborgd, kan bij deze gebieden intern en extern worden gesaldeerd.
Soms is al meer mogelijk, bijvoorbeeld met ecologische onderbouwing.
– Vergunningverlening wordt mogelijk voor emissiereductie (verduurzaming) bijvoorbeeld
via een passende maatregel.
• Ook zet het kabinet zich op Europees niveau in om verduurzaming gericht op stikstofemissiereductie
te vergemakkelijken
VI. Uitvoering en sterk platteland
• Het kabinet heeft incidenteel € 100 miljoen gereserveerd voor het versterken van uitvoeringskracht
in het kader van de gebiedsgerichte aanpak. Daarnaast voorziet het budget voor maatregelen
ook in uitvoeringskosten.
• In prioritaire gebieden werken overheden met de uitvoering en levert het Rijk samen
met de Rijksuitvoeringsorganisaties extra capaciteit.
• Het kabinet maakt middelen vrij voor de sociaaleconomische ondersteuning op het boerenerf
en breder op het platteland, om de vitaliteit van het platteland te behouden en zo
mogelijk te versterken.
Tabel 1: indicatieve verdeling stikstoffonds
Totaaloverzicht (bedragen x € 1 mln.)
Incidenteel
2026–2035
Structureel
vanaf 2036
Managementmaatregelen en innovatie
2.000
Stalmaatregelen
1.200
Managementmaatregelen1
500
Doelsturing
300
Gebiedsgerichte aanpak/zonering
9.000
Zonering2
8.258
Impulsbudget prioritaire gebieden
500
Grondfaciliteit3
142
Versterken uitvoeringskracht
100
Vrijwillige beëindigingsregeling
2.750
Natuurherstel4
2.200
200
Agrarisch Natuurbeheer
1.200
165
KRW/Water
1.250
Extensivering beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden
1.000
Gewasbescherming
250
Flankerend beleid en overig
1.350
70
PAS-melders
350
Sterk platteland
100
Opvolging jonge boeren
170
Grondgebondenheid flankerende maatregelen
215
Investeringsfonds Duurzame Landbouw
43
Biologische landbouw (aanvullend op ondersteuning in de zones)
43
9e actieprogramma Nitraatrichtlijn
35
Fieldlabs
50
Veenweide en bossenstrategie
50
Overige
294
70
Industrie en mobiliteit
250
Industrie5
125
Mobiliteit6
125
Totaal
20.000
435
X Noot
1
O.a. subsidies stalmaatregelen, vergroten aantal uren weidegang, verlagen ruw eiwitgehalte
voer en bedrijfsplanvouchers.
X Noot
2
O.a. compensatie herwaardering grond, biologische landbouw, zaakbegeleiding, inrichtingsmaatregelen
hydrologie en natuur t.b.v. natuurherstel.
X Noot
3
O.a. verplaatsing en extensivering.
X Noot
4
O.a. natuurherstel, beheersubsidies SNL en monitoring.
X Noot
5
BAIP en zoneringsmaatregelen industrie.
X Noot
6
Versnellingsimpuls voor stikstofreductie in de binnenvaart, stimulering elektrificatie
van havenmaterieel en kleine schepen in de havens, intensivering van het programma
Schoon en Emissieloos Bouwen, het wettelijk mogelijk maken van een milieuzone voor
oudere dieselpersonenauto's met compensatie.
Een robuust pakket: 5 hoofdlijnen
Per hoofdlijn wordt geschetst wat het doel is, welke besluiten en maatregelen het
kabinet neemt, en wat de vervolgstappen zijn. Voor hoofdlijn 1 tot en met 4 is een
verdieping van de besluiten en maatregelen bijgevoegd («verdiepingsbijlagen hoofdlijn
1 t/m 4»). De belangrijkste vervolgstappen en mijlpalen per hoofdlijn zijn te vinden
in bijlage I («Overzicht belangrijkste vervolgstappen») en bijlage II («Wetgevingsagenda
voor landbouw, natuur en stikstof»).
HOOFDLIJN 1 – Emissiereductie in de landbouw, industrie en mobiliteit
De boer aan zet met bedrijfsspecifieke emissienormen
Met doelsturing zijn agrarische ondernemers weer aan zet. Met bedrijfsspecifieke emissienormen
krijgen ondernemers duidelijkheid over wat er van hen wordt verwacht. Daarmee wordt
ook invulling gegeven aan de motie Van Campen en Van der Plas8. Deze normen zijn gebaseerd op wat technisch haalbaar is op basis van BBT (Beste
Beschikbare Technieken). Dit vraagt in de aanpassing van de bedrijfsvoering wel veel,
maar niet het onmogelijke. De verdiepingsbijlage hoofdlijn 1 geeft invulling aan de
motie Wiersma en Vermeer die betrekking heeft op de maatvoering van de bedrijfsspecifieke
emissienormen.9 De normen bepalen hoeveel emissie nog is toegestaan in 2035. Bedrijven die al stappen
hebben gezet naar een duurzame bedrijfsvoering hoeven zich minder in te spannen om
aan deze normen te voldoen, hetgeen in lijn is met motie Flach en Van Campen10. Voor de melkveehouderij stelt het kabinet een norm per fosfaatrecht voor. Het kabinet
onderzoekt aan welke voorwaarden het functioneren van de fosfaatrechtenmarkt moet
voldoen. Het kabinet ondersteunt agrarische ondernemers bij toepassing van managementmaatregelen
en bij investeringen in integraal duurzame stallen uit de hiervoor gereserveerde middelen
van € 2 miljard. Daarmee ontstaat de komende jaren al beweging.
Bedrijfsspecifieke emissienormen in het kort
Het kabinet stelt een bedrijfsspecifieke emissienorm voor van 0,164 kg NH3 en 92 kg CO2-eq uit stallen en mestopslag per fosfaatrecht voor de melkveehouderij in 2035. De
intensieve sectoren krijgen emissienormen per dierplaats. De hoogte van deze normen
wordt in het eerste kwartaal van 2027 vastgesteld op basis van inzichten in het technisch
reductiepotentieel (Beste Beschikbare Technieken). Bij de uitwerking zal het kabinet
de ervaringen die worden opgedaan in de aanpak Veluwe betrekken.
Het kabinet zal de bestaande milieuregelgeving onder de Omgevingswet benutten om verouderde
stallen te verduurzamen. De verdere uitwerking volgt de komende tijd, in samenhang
met de uitwerking van bedrijfsspecifieke emissienormen. Hierbij is het streven een
generieke aanpak en eenduidigheid. Hierover voert het kabinet het gesprek met sectorpartijen
en met provincies, die al stappen vooruit hebben gezet, zoals Gelderland en Noord-Brabant.
De bedrijfsspecifieke emissienormen sturen op emissiereductie uit stallen en opslagen,
maar niet op emissiereductie bij het aanwenden van mest. Hiervoor scherpt het kabinet
voorschriften voor het emissiearm aanwenden aan.
Aanvullende reductie in de landbouw
De reductieopgave kan niet volledig worden gerealiseerd met de hiervoor beschreven
emissiereducerende maatregelen. Voor de aanvullende reductie reserveert het kabinet
€ 2,75 miljard voor regelingen gericht op vrijwillige bedrijfsbeëindiging. Op basis
van de 2e kwartaalcijfers 2026 van het CBS in augustus over de mestproductie zal het kabinet
ook besluiten over het opnieuw introduceren van afroming van varkensrechten die buiten
familieverband worden verhandeld. Dit is aan de orde als blijkt dat het sectorale
mestproductieplafond voor de varkenshouderij in 2026 naar verwachting wordt overschreden.
Afgaande op de 1e kwartaalcijfers van het CBS lijkt herintroductie van afroming in de pluimveesector
niet aan de orde.
In de wet waarin de bedrijfsspecifieke emissienormen worden vastgelegd, komt een passend
en proportioneel sanctioneringsregime voor bedrijven die in 2035 niet aan deze bedrijfsspecifieke
emissienormen voldoen. Daarmee is het doelbereik van doelsturing als onderdeel van
de totale opgave (42–46%) geborgd.
Het kabinet acht het reëel dat met het voorliggende pakket de emissiereductie van
42–46% in 2035 ten opzichte van 2019 wordt gehaald. Voor de borging van het effect
van het totale pakket consulteert het kabinet provincies en maatschappelijke partijen
met als doel om een borgingsinstrument vast te leggen in het programma bij de spoedwet
vervangen omgevingswaarde stikstof. Indien daarbij geen consensus wordt bereikt, kiest
het kabinet als ultieme remedie voor een korting op productierechten in 2035. Dit
voorstel stuur ik eind oktober naar uw Kamer. Het kabinet verbreedt de juridische
basis van de huidige stelsels van productierechten. Zo kan er in de toekomst ook op
productierechten worden gestuurd door verbrede toepassing van het afromen van productierechten
bij verhandeling.
Het kabinet legt een nationaal emissieplafond voor ammoniak en emissieplafonds per
dierlijke sector vast. Uitgangspunt is evenredigheid, met oog voor het reductiepotentieel
in de verschillende sectoren.
Een slimme koppeling tussen stikstof, natuur, water en andere opgaven
In de uitwerking zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat
boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen,
waaronder voor integraal duurzame stallen. Het kabinet zoekt in de aanpak naar synergie
met andere opgaven, zoals klimaat, gewasbescherming, dierwaardigheid, gezonde leefomgeving
en de verplichtingen op het gebied van waterkwaliteit (KRW). Dit is ook in lijn met
de motie Ouwehand11 waarin wordt verzocht om dierwaardigheid bij de aanpak te betrekken.
Invoering van grondgebondenheidsnorm
Voor een toekomstbestendige melkveehouderij die in balans is met de leefomgeving en
een bijdrage levert aan de verbetering van de waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang
en biodiversiteit kiest het kabinet voor de invoering van een eenvoudige grondgebondenheidsnorm.
Hiervoor hanteert het kabinet een ingroeipad met tussenstappen (in 2030 een eerste
stap en een tweede stap in 2032) en een eindnorm in 2035.
Dit gaat gepaard met een pakket flankerende maatregelen, gezien de impact van deze
maatregel, waaronder ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke effecten. Hiervoor is
€ 215 miljoen beschikbaar. De grondgebondenheidsnorm heeft het meest impact in veedichte
gebieden. Hier zal bij de besteding van de middelen rekening mee worden gehouden.
Het komende halfjaar werkt het kabinet het voorstel voor grondgebondenheid verder
uit en wordt een wetsvoorstel voorbereid. Het streven is het wetsvoorstel eind 2026
ter internetconsultatie voor te leggen, zodat het in 2027 kan worden ingediend bij
de Tweede Kamer.
Grondgebondenheid
Het kabinet voert een grondgebondenheidsnorm in de melkveehouderij van 2,6 gve per
hectare als eindnorm in 2035. Om aan die norm te voldoen, kunnen melkveehouders gebruikmaken
van samenwerkingsovereenkomsten met akkerbouwers binnen een straal van 25 kilometer.
Voor melkveehouders in uitspoelingsgevoelige gebieden, te weten zand- en lössgronden,
geldt een grasland/rustgewassenverplichting van 85%.
Waterkwaliteit (KRW) en 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn
Om te voldoen aan de doelen van de KRW zijn extra inspanningen nodig. Dit raakt het
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten afkomstig van de landbouw. Het
kabinet maakt in het convenant gewasbeschermingsmiddelen met partijen afspraken om
het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen fors terug te dringen (op basis
van onder andere milieubelastingpunten). Het kabinet reserveert hiervoor € 250 miljoen.
Afhankelijk van het afgesproken ambitieniveau in het convenant en de bijdrage daarvan
aan de KRW kan het beschikbare bedrag hoger of lager uitvallen. Het kabinet informeert
de Kamer voor de zomer over de uitkomsten van het convenant op hoofdlijnen, dit zal
in het najaar van 2026 worden uitgewerkt in deelconvenanten.
De maatregelen in dit pakket, zoals de grondgebondenheidsnorm, dragen ook bij aan
het verbeteren van de waterkwaliteit. Hierdoor is er samenhang met de (aanvullend)
te nemen maatregelen in het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn, voor zover het nutriënten afkomstig van de landbouw
betreft. Het tijdpad van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn is daarom aangesloten op de planning van de Taskforce.
Het actieprogramma zal uiterlijk 1 juli 2027 worden vastgesteld.12
Alle sectoren dragen bij
Industrie en mobiliteit leveren ook hun bijdrage om Nederland van het stikstofslot
te halen en de natuur te herstellen. In deze sectoren zijn de stikstofemissies en
-deposities de afgelopen jaren fors gedaald. Deze daling zet volgens het PBL gestaag
door als gevolg van bestaand effectief klimaat- en milieubeleid. Zo wordt bijvoorbeeld
via de Europese emissiehandelsystemen ETS1 en ETS2 gestuurd op CO2-emissiereductie via de beprijzing van broeikasgasemissies in de sectoren industrie
en mobiliteit. Dit zorgt ook voor reductie van stikstof. Het stelsel van CO2-emissienormen voor voertuigen stuurt op elektrificatie van het Europese wegtransport.
Daarnaast stuurt de Richtlijn Industriële Emissies, en Europese emissienormen voor
stikstofoxiden (NOx) voor nieuwe voertuigen en motoren (Euronormen, NRMM/Stage-normen) op uitstoot van
NOx in deze sectoren. Het effect van al deze instrumenten is een geborgde daling van
de NOx-uitstoot.
Ook deze sectoren moeten een extra stap zetten. Het kabinet maakt in totaal € 250
miljoen vrij voor stikstofbronmaatregelen, gericht op een reductie van 50% van NH3-emissies in de industrie en 50% NOx-emissies in de mobiliteit, in 2035 ten opzichte van 2019. Het gaat om maatregelen
die effectief bijdragen aan stikstofreductie in de Natura 2000-gebieden, die snel
uitvoerbaar zijn en die waar mogelijk integraal bijdragen aan andere opgaven, zoals
klimaat en luchtkwaliteit. In de mobiliteit is de inzet gericht op de scheepvaart,
op bouwmaterieel en op wegverkeer. Hiervoor wordt in totaal € 125 miljoen ingezet.
Hiermee wil het kabinet onder andere intensiveren op het programma Schoon en Emissieloos
Bouwen. In de industrie wordt ingezet op bovenwettelijke ammoniak- en NOx-reductie met in totaal € 125 miljoen. Zo is het kabinet voornemens de stikstofimpact
van bedrijven in de vastgestelde zones rond Natura 2000-gebieden te verminderen middels
een tenderregeling. In de zones bevinden zich enkele tientallen industriële bedrijven.
HOOFDLIJN 2 – Samen met boer, keten en regio vooruit
Ondersteuning van (jonge) boer en sector
Doelsturing geeft agrarische ondernemers helderheid over de normen voor stikstof-
en broeikasgasemissies. Dit vraagt van de boer vaak (grote) investeringen en soms
hoge structurele kosten om aan deze normen te voldoen. De boer staat er niet alleen
voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen:
innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging (het «trappetje van
Remkes»). Het gaat daarbij om voortzetting van bestaande instrumenten en om het ontwikkelen
van nieuwe instrumenten, waarbij ook de mogelijkheden binnen het Gemeenschappelijk
landbouwbeleid (GLB) benut zullen worden.
Het kabinet ondersteunt ondernemers bij stalaanpassingen en managementmaatregelen.
Voor managementmaatregelen wordt de nieuwe Stimuleringsregeling Managementmaatregelen
Veehouderij voor emissiereductie (SMV) ontwikkeld. Voor de ondersteuning bij investeringen
in integraal duurzame stallen worden verschillende instrumenten verkend, zowel subsidies
als, waar mogelijk, fiscale instrumenten en instrumenten gericht op financiering.
Daarmee wordt ook invulling gegeven aan motie van de leden Flach en Den Hollander13, en de motie van de leden Den Hollander c.s.14 Daarnaast zet het kabinet in op de ontwikkeling van kennis en innovatie, bijvoorbeeld
via het ondersteunen van extra experimenteerlocaties (fieldlabs). Het kabinet ontwikkelt
voor de bredere inzet op innovatie een Agrofood Innovatieagenda, die later dit jaar
aan de Kamer wordt aangeboden.
De komende jaren stimuleert het kabinet de productie van groen gas via mestvergisting
in combinatie met de opschaling van Renure. Dit draagt bij aan reductie van methaan-
en ammoniakemissies. Het kabinet werkt samen met betrokken partijen aan een versnelling
van deze ontwikkeling, waaronder de vergunningverlening en betrekt daarbij LTO, NVDE,
Rabobank en anderen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Den Hollander c.s.15 betreffende de inzet op mestverwerking en mestvergisting.
Extensiveren kan een belangrijke ontwikkelroute zijn, met name voor bedrijven in de
zones. Boeren worden hierbij ondersteund, onder andere via het ANB, een transitieregeling
en actief grondbeleid. Het kabinet verkent hoe, naast een subsidieregeling, het proces
van verplaatsing ook op andere wijzen kan worden gefaciliteerd, bijvoorbeeld door
de inzet van zaakbegeleiders die kunnen ondersteunen bij de start op de nieuwe locatie.
Voor een integrale omschakeling komt gunstige financiering beschikbaar voor investeringen
via het Investeringsfonds Duurzame Landbouw. Het kabinet blijft via het Nationaal
Groeifonds-project inzetten op de transitie naar rendabele regeneratieve landbouw.
Bedrijven die willen stoppen, kunnen gebruik maken van een vrijwillige beëindigingsregeling.
In verdiepingsbijlage hoofdlijn 1 geeft het kabinet invulling aan de motie Koorevaar
die betrekking heeft op de vormgeving van de vrijwillige beëindigingsregeling.16
Bij de uitwerking van het instrumentarium heeft het kabinet oog voor de positie van
de jonge boer. Het kabinet zet ook specifiek in op generatievernieuwing en reserveert
€ 170 miljoen voor de regeling vestigingssteun. Dit ondersteunt jonge boeren en zij-instromers
in de bedrijfsopvolging en helpt in het opbouwen en ontwikkelen van toekomstbestendige
agrarische bedrijven. Dit ondersteunende beleid levert de komende jaren een belangrijke
bijdrage aan de stikstofemissiereductie.
Impuls voor een sociaal en economisch sterk platteland
Een sterk platteland, een toekomstbestendige agrarische sector en het behoud van een
gezonde natuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarom is een impuls voor
een sociaal en economisch sterk platteland integraal onderdeel van de aanpak. Het
kabinet stelt in totaal € 100 miljoen beschikbaar om, samen met inwoners en maatschappelijke
partijen, de krachten en kansen van het platteland te versterken en benutten. Dit
omvat een landsbreed actieprogramma Sterk Platteland en een sociaaleconomisch investeringsprogramma
voor specifieke regio’s. Het kabinet werkt dit de komende periode uit met medeoverheden,
maatschappelijke partijen zoals P10 en de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen,
en lokale stakeholders. Deze ondersteuning moet direct ten goede komen aan lokale
gemeenschappen, zodat deze worden versterkt en nieuwe economische kansen worden bevorderd.
De keten draagt bij
Ketenpartijen en consumenten moeten ook een bijdrage leveren. De vraag wordt grotendeels
door ketenpartijen bepaald en boeren handelen daarnaar. Ketenpartijen kunnen de afzet
van duurzaam geproduceerd voedsel vergroten. Het kabinet ontwikkelt daarom stappen
naar een juridisch kader voor een duurzamere voedselomgeving, zodat de keten niet
vrijblijvend bijdraagt aan de opgaven en de verduurzaming van de primaire sector en
het voedselsysteem. Het kabinet zet ook in op het creëren van een Uitgebreide Keten
Verantwoordelijkheid (UKV), naar het voorbeeld van de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid.
De keten wordt daarmee (mede)verantwoordelijk voor de verduurzaming en het verdienmodel
van (omschakelen naar) biologische productie wordt ondersteund.
Motie Bromet: aanbod biologisch vergroten
Een intensievere inzet op biologische landbouw biedt kansen voor stikstofreductie,
verbetering van de bodem- en waterkwaliteit en versterking van de biodiversiteit.
Het kabinet versnelt het actieplan «Groei van biologische productie en consumptie»
om deze vorm voor een groter deel van de Nederlandse boeren een aantrekkelijk toekomstperspectief
te maken. Dit wordt gekoppeld aan de gebiedsgerichte en zoneringsaanpak, waarmee de
motie Bromet17 is afgedaan. Om biologische productie te stimuleren en het verdienmodel te verbeteren,
geeft het kabinet onder andere rechtstreekse steun aan boeren om naar biologische
bedrijfsvoering om te schakelen. Daarbij heeft het kabinet oog voor een evenwichtige
ontwikkeling van de aanbodzijde van de markt.
De vraag naar biologisch vergroten
Boeren die een omschakeling naar biologisch overwegen of al gemaakt hebben, hebben
vertrouwen nodig dat de vraag naar biologische producten groeit, daarom worden er
met ketenpartijen, zoals supermarkten en verwerkers, voor 1 april 2027 harde afspraken
gemaakt. Als het niet lukt om tot afspraken te komen, treft het kabinet wettelijke
maatregelen, met een beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2029. De voorbereidingen
voor het treffen van mogelijke wettelijke maatregelen worden alvast in gang gezet.
De Rijksoverheid geeft het goede voorbeeld
De Rijksoverheid geeft het goede voorbeeld door biologisch en duurzaam voedsel in
te kopen en te zorgen dat omschakeling loont en de afzet groeit, zodat andere sectoren
volgen. Het kabinet streeft ernaar de ambitie binnen de Rijkscatering van het inkooppercentage
met het keurmerk EU-biologisch te verhogen naar minimaal 50% en er oog is voor afname
van Nederlandse producenten. Het kabinet informeert uw Kamer voor het einde van 2026
hierover. Het Rijk gaat in gesprek met provincies, waterschappen, gemeenten en (semi-)overheidsinstellingen
om deze ambitie over te nemen. Binnen de categorie catering van het Rijk wordt ook
breder ingezet op een integrale uitwerking voor een ambitieuzer en duurzaam inkoopbeleid,
bijvoorbeeld voor dierwaardigheid en voedselverspilling. Naast de eigen inzet doet
het kabinet ook een appèl op grote bedrijven om meer biologisch en duurzaam voedsel
in te kopen.
HOOFDLIJN 3 – Inzet in en rond kwetsbare natuur- en watergebieden
A. Zones rond Natura 2000-gebieden
Nederland kan niet van het slot zonder gerichte maatregelen rond kwetsbare natuur.
Het kabinet zet daarom in op een zonering rond Natura 2000-gebieden die zich richt
op meerdere drukfactoren, waarmee de natuur de kans krijgt zich te herstellen. In
de zones zullen boeren naar een volwaardige extensieve vorm van landbouw moeten bewegen,
waarmee agrarische activiteiten en grondgebruik in lijn worden gebracht met het herstel
van het Natura 2000-gebied. Door rondom een selectie Natura 2000-gebieden te kiezen
voor een extensievere landbouw, blijft er in de rest van Nederland meer perspectief
voor hoogproductieve landbouw. Het kabinet realiseert zich dat er met deze aanpak
veel op boeren afkomt. Daarom wil het kabinet nadrukkelijk naast de boer staan met
ondersteuning.
Selectie gebieden
Niet voor elk van de 121 (zie verdiepingsbijlage hoofdlijn 3) stikstofgevoelige Natura
2000-gebieden op land is een zone nuttig of nodig. Het kabinet verwacht na afstemming
met provincies en maatschappelijke partijen te komen tot een zonering in en rondom
ca. 100 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In de overige stikstofgevoelige Natura
2000-gebieden is op basis van de natuuropgave naar verwachting geen zonering nodig
als dit onvoldoende meerwaarde heeft gezien de kenmerken en agrarische structuur van
het gebied, of als met generieke emissiereductie, het terugbrengen van de overige
drukfactoren en natuurherstelmaatregelen voldoende wordt bereikt. Naar verwachting
gaat voor circa 85 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden een zone gelden van 500
meter vanaf de rand van het Natura 2000-gebied. Voor 15 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden
met een hoge stikstofoverbelasting uit de zone is een zone van 1.000 meter passender
(zie verdiepingsbijlage hoofdlijn 3). Rond de Veluwe wordt met de provincie Gelderland
naast de zonering 65–69% emissiereductie over een groter gebied afgesproken, dus ook
buiten de zones. Tenslotte wordt provincies gevraagd een passend werkingsgebied voor
regels met betrekking tot hydrologisch systeemherstel te bepalen, dat mogelijk breder
dan de zone is.
Maatregelen in de zone
Het kabinet kiest voor aanvullende maatregelen in zones rond Natura 2000-gebieden
die zich richten op meerdere drukfactoren (o.a. stikstof, hydrologie, gewasbescherming
en versnippering). Deze maatregelen moeten in de zones een aanvullende emissiereductie
opleveren van landelijk gemiddeld 20 procentpunt. De precies benodigde emissiereductie
per gebied wordt later dit jaar vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de
aard van het gebied, de mate waarin agrarische activiteiten reeds extensief zijn en
de staat van de natuur. Een gebied kan tot uiterlijk 1 januari 2028 een eigen aanpak
tot stand brengen om de drukfactoren op het nabijgelegen Natura 2000-gebied substantieel
weg te nemen en toe te werken naar een goede staat van instandhouding.
Lukt het niet om via deze weg de drukfactoren substantieel weg te nemen, dan zullen
de door het kabinet vastgestelde regels en normen op bedrijfsniveau gaan gelden. Deze
regels worden in januari 2027 gepubliceerd en zullen uiterlijk per 1-1-2035 in werking
treden. De regels hebben betrekking op plantaardige teelten en grondgebonden veehouderij
systemen. De regels zien in ieder geval toe op beperkte mestplaatsingsruimte, vee-bezetting
en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Om de drukfactoren in het gebied in voldoende
mate weg te nemen zullen vrijwel altijd langerlopende gebiedsprocessen nodig zijn,
gericht op kavelruil en herverkaveling. Bij het instellen van de regels en normen
krijgen ondernemers de komende jaren de mogelijkheid om stapsgewijs de bedrijfsvoering
aan te passen, waarbij zij zelf beslissen welke aanpassingen naar extensieve bedrijfsvoering
nodig zijn om aan deze normen en regels te voldoen. De aanpak via de gebiedsprocessen
moet eenzelfde mate van borging en doelbereik kennen, met hetzelfde financiële beslag,
als de Rijksregels op bedrijfsniveau die januari 2027 worden gepubliceerd.
Voor de uitwerking van de gve-bezetting wordt de inpasbaarheid van de norm voor biologische
bedrijven en de gevolgen voor natuurherstel bezien. De regels voor gewasbeschermingsmiddelen
in het traject van het convenant gewasbeschermingsmiddelen worden uitgewerkt met de
convenantspartijen. Indien hierbij onvoldoende wordt bijgedragen aan de natuuropgave,
zal de Rijksoverheid zelf regels opstellen. Deze normen en regels worden in instructieregels
gevat. Rondom veel gebieden zal het daarnaast nodig zijn om systeemherstelmaatregelen
te nemen die gericht zijn op natuurherstel. Bijvoorbeeld door het verbeteren van de
hydrologische condities, waterkwaliteit en verbinding tussen gebieden. Dat kan onder
meer gaan om het verhogen van het grondwaterpeil of het aanleggen van groenblauwe
dooradering. Andere sectoren wordt ook gevraagd om bij te dragen aan het verminderen
van drukfactoren op Natura 2000-gebieden. Dit verloopt via andere trajecten, zoals
de zoneringsaanpak van NOx-bronnen vanuit de industrie. Aanvullend gaat het kabinet in gesprek met buurlanden
over hun inzet op natuurherstel.
B. Kwetsbare watergebieden
De aanpak voor kwetsbare watergebieden richt zich op een aantal beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden
met een KRW-opgave voor de landbouw om uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen
naar het grond- en oppervlaktewater te verminderen.18,
19 Voor deze gebieden zal een vergelijkbare set aan regels worden ontwikkeld als bij
de zoneringsaanpak. De aanpak richt zich hiermee op extensiever agrarisch grondgebruik,
waarbij minder nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Dit wordt
uitgewerkt in samenhang met de afspraken in het Convenant Gewasbeschermingsmiddelen.
Indien hierbij onvoldoende wordt bijgedragen aan het terugdringen van het gebruik
van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen (op basis van onder andere milieubelastingpunten)
zal de Rijksoverheid zelf regels opstellen. De verdere uitwerking van de aanpak vindt
het komende jaar in samenwerking met medeoverheden plaats (zie verder verdiepingsbijlage
hoofdlijn 3).
C. Gebiedsspecifieke ondersteuning aan ondernemers
De impact van de benodigde extensivering op de bedrijfsvoering zal verschillen per
bedrijf. Juist in de zones hebben veel bedrijven al stappen gezet, waardoor voor hen
de opgave kleiner kan zijn, maar het eveneens onrechtvaardig kan voelen dat er toch
nog meer wordt gevraagd. Bovendien zal het zo zijn dat niet alle boeren binnen de
kaders door willen, of er voor alle bedrijven ruimte blijft, ofwel omdat de benodigde
grond voor extensivering schaars is, ofwel omdat het geschetste toekomstperspectief
in specifieke gevallen niet passend te maken is. Het Rijk ondersteunt samen met de
provincies de gevraagde beweging in en rondom kwetsbare natuur- en watergebieden met
een pakket van bestaande en nieuw te ontwikkelen instrumenten. Deze ondersteuning
komt bovenop de generieke ondersteuning (hoofdlijn 2) en wordt de komende jaren al
beschikbaar gesteld om boeren voldoende tijd te geven. Daarbij is het gehele trappetje
van Remkes beschikbaar (innoveren (via het generieke spoor) extensiveren, omschakelen,
verplaatsen en stoppen).
Onderdeel van deze ondersteuning zijn onder andere een actief grondbeleid om zo ook
de grondpuzzel goed te kunnen leggen en een transitieregeling die ondernemers helpt
richting een extensieve bedrijfsvoering met toekomstperspectief. Dat kan onder andere
via de inzet van de nationale grondbank, pachtuitgifte, vrijwillige kavelruil en wettelijke
herverkaveling (voorheen WILG). Het kabinet kijkt onder andere naar de inzet van extensiveringsregelingen
zoals de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM), de Samenwerkingsregeling
melkvee-akkerbouw, afwaardering en zaakbegeleiding. Een uitgebreider overzicht is
opgenomen in verdiepingsbijlage hoofdlijn 3.
Boeren kunnen alleen extensiveren als naast betaalbare grond ook voldoende beloning
komt voor publieke diensten zoals agrarisch natuurbeheer en als de markt een meerprijs
betaalt. Via het ANB worden boeren beloond voor het versterken van natuur op landbouwgrond
en kan worden bijdragen aan het realiseren van een extensiever verdienmodel. Het kabinet
heeft hiervoor € 1,2 miljard extra vrijgemaakt tot en met 2035 en daarna € 165 miljoen
per jaar structureel.
Boeren worden ook ondersteund middels grondeigendom en toegang via pachtgronden. Het
kabinet werkt aan de herziening van de pachtregelgeving die duurzaamheidsafspraken
tussen pachters en verpachters vergemakkelijken. Daarbij wordt aansluiting gezocht
bij de initiatiefnota van de leden Bromet en van Campen over «De wijsheid in pacht»20. Ook faciliteert het kabinet, waar mogelijk, de verplaatsing van bedrijven. Het faciliterend
pakket zal met de concretisering van de regels verder worden uitgewerkt. Daarbij is
nadrukkelijk oog voor de toereikendheid van het pakket en de (tijdige) toegankelijkheid
daarvan. Voor medeoverheden is een cruciale rol weggelegd bij deze ondernemersgerichte
ondersteuning, bijvoorbeeld voor een nieuwe of aangepaste vergunning of de ruimtelijke
inpassing van de nieuwe functie.
Agrarisch ontwikkelperspectief rond kwetsbare natuur- en watergebieden
In deze gebieden werken we toe naar extensief agrarisch landgebruik van grondgebonden
veehouderijen en grondgebonden plantaardige teelten. Boeren kiezen zelf voor de ontwikkelrichting
waarmee zij daaraan kunnen voldoen. Voorbeelden van aanpassingen die boeren in hun
bedrijfsvoering kunnen doen zijn:
• Het kiezen voor aan ander bedrijfsmodel dat past bij de regels in de zone. Denk hierbij
aan natuurinclusieve landbouw, kringlooplandbouw, biodynamische landbouw, regeneratieve
landbouw, agroforestry, permacultuur of precisielandbouw.
• Het biologisch laten certificeren van het bedrijf.
• Het aanpassen van de bedrijfsvoering met een nadruk op (zwaar) agrarisch natuurbeheer
met langjarige beheercontracten.
• Inzet op lokale marktinitiatieven zoals korte ketens en boer-naar-bord.
• Het verbreden van hun bedrijfsmodel binnen de geldende kaders. Denk hierbij aan een
zorgboerderij, voedselbos, landwinkel, kinderdagopvang of kleinschalig wonen.
D. Volgende stappen in de uitwerking
Zones rond Natura 2000-gebieden
Het kabinet realiseert zich dat deze aanpak voor individuele bedrijven in deze gebieden
nog veel vragen kan oproepen. Het komende halfjaar gaat het kabinet in samenwerking
met medeoverheden en maatschappelijke partijen concrete en definitieve keuzes maken
over de invulling. De provincies en de koepels van medeoverheden (IPO, VNG en UvW)
ontvangen hierover zo snel mogelijk een begeleidende brief.
Het kabinet wil de zoneringsaanpak in 2027 vaststellen en vastleggen in instructieregels
voor de omgevingsverordening, al dan niet in combinatie met algemene Rijksregels.
Met de instructieregels geeft het Rijk aan provincies de opdracht om de zones vast
te leggen en regels te stellen. Ook kan het Rijk ervoor kiezen om bepaalde regels
zelf te stellen, als die landelijk gelijk moeten gaan gelden. In beginsel gaan voor
alle zones dezelfde regels gelden, met afwegingsruimte voor provincies binnen de kaders
die het Rijk meegeeft om de regels passend te maken. Het kabinet biedt, zoals beschreven,
ook ruimte aan alternatieven gebiedseigen maatwerk-oplossingen voortkomend uit gebiedsprocessen.
Daarmee is de inzet in de tweede helft van 2026 voor de zones:
1. In afstemming met provincies tot een definitieve selectie gebieden komen waarvoor
het aanwijzen van een zone nuttig en nodig is;
2. In afstemming met provincies en maatschappelijke partijen de normen, regels en ingroeipad
binnen de zones te concretiseren, inclusief de afwegingsruimte.
3. In afstemming met provincies te onderzoeken onder welke voorwaarden er mogelijkheden
zijn om het ingroeipad regionaal te versnellen en daarmee eerder vergunningverlening
los te trekken;
4. Met provincies en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheden voor gebiedseigen
(collectieve) maatwerkoplossingen te verkennen om af te wijken van Rijkskaders voor
de zoneringsaanpak en bijvoorbeeld nauwer aan te sluiten op provinciale plannen;
5. Aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning aan boeren in zones rond Natura 2000-gebieden
verder vormgeven.
Gebiedsprocessen
De aanpak zal in veel regio’s een gebiedspuzzel opleveren; voor sommige ondernemers
is meer grond nodig om duurzaam te kunnen blijven produceren, kavelruil is nodig voor
boeren die willen verplaatsen, en grond die vrijvalt moet gericht ingezet kunnen worden
voor andere boeren of voor natuur. Deze puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies
hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor de gebiedsgerichte coördinatie
en zullen in de meeste situaties als gebiedsregisseur moeten optreden om die gebiedspuzzel
te leggen. Gebiedsprocessen zijn daarmee een essentieel onderdeel van de zoneringsaanpak
en de aanpak voor kwetsbare watergebieden.
Met prioriteit aan de slag met de uitvoering
Om de gebiedsspecifieke inzet tot uitvoering te brengen is het nodig om de uitvoeringskracht
te versterken. Het Rijk wil hier regie op voeren in vijf gebieden en twee economische
clusters (Veluwe, Peel, Noordwest-Overijssel, Hart van het Noorden en Groene Hart,
en Brainportregio en Rotterdamse Haven). Voor de Veluwe en de Peel is reeds € 600
miljoen gereserveerd. Om ook in de andere gebieden met prioriteit aan de slag te gaan,
is het kabinet voornemens een impulsbudget beschikbaar te stellen van € 500 miljoen.
Uiterlijk eind 2026 worden er voor deze gebieden adaptieve en interbestuurlijke uitvoeringsplannen
en samenwerkingsovereenkomsten opgesteld. Voor de Peel en de Veluwe heb ik op 17 juni
jl. namens het kabinet reeds de samenwerkingsovereenkomsten en uitvoeringsplannen
ondertekend. Na de zomer geven we besluitvorming voor de Veluwe verder vorm. Ook ontwikkelen
we een afwegingskader voor de Rijksinzet, waarmee we bepalen in welke gebieden we
snel maatregelen treffen om van het slot te komen.
HOOFDLIJN 4 – Aan de slag met natuurherstel
Om de natuur in Nederland weer vitaal en robuust te maken, is het nodig aan de slag
te gaan met natuurherstel en -beheer, en verslechtering tegen te gaan. Een ambitieuze
en langjarige extra inzet is nodig om onze natuur weer gezond te maken en onze doelen
binnen bereik te brengen. Alleen via natuurherstel komt de vergunningverlening weer
op gang.
Het kabinet investeert incidenteel € 2,2 miljard en structureel € 200 miljoen in natuurmaatregelen,
waarvan het grootste deel voor natuurbeheer. Hier komen volgend jaar al middelen voor
beschikbaar. Daarbij zal het kabinet sturen op het verhogen van de vergoedingen voor
de terreinbeherende organisaties. Bij de besteding hiervan benut het kabinet waar
mogelijk ook kansen voor veenweiden en de landelijke bossenstrategie.
Concreet natuurherstel op korte termijn
De natuurherstelmaatregelen zijn per direct nodig. Om die reden is voor 2026 al circa
€ 100 miljoen vrijgemaakt voor het uitvoeren van concrete projecten, onder meer door
Staatsbosbeheer. Komende weken zal ik overeenkomsten tekenen om hier verdere invulling
aan te geven. De € 100 miljoen wordt gebruikt voor:
• Samenwerking Staatsbosbeheer en boeren. Boeren en natuur kunnen elkaar juist versterken. Al langer werkt Staatsbosbeheer
met succes samen met boeren die grond van Staatsbosbeheer pachten. Het kabinet stelt
€ 5 miljoen beschikbaar voor het intensiveren van deze samenwerking.
• Hydrologisch herstel Bargerveen. Verdroging is een van de belangrijkste drukfactoren voor Natura 2000-gebieden. Het
Bargerveen is één van de laatste grote Hoogveengebieden in Nederland. Om het unieke
karakter van het Bargerveen te behouden, investeert het kabinet € 12 miljoen om de
interne waterhuishouding op orde te krijgen.
• Aanpak invasieve exoten. Invasieve exoten vormen een steeds groter probleem voor de Nederlandse natuur. Ze
verdringen soorten die hier van nature voorkomen en beschadigen belangrijke infrastructuur.
Het kabinet stelt € 6,5 miljoen extra beschikbaar voor de bestrijding van invasieve
waterplanten.
• Aanpak bestuivers. Het aantal bijen en vlinders in Nederland neemt jaar-op-jaar af. Deze soorten staan
aan de basis van ons ecosysteem en zijn cruciaal voor bijvoorbeeld de voedselvoorziening.
Daarom geeft het kabinet met € 6 miljoen een extra impuls in bijenlandschappen. Door
extra leefgebieden en ecologische verbindingen wordt een divers landschap gecreëerd
met voldoende voedselaanbod en nestelgelegenheid voor bijen en andere bestuivers.
• Verbetering waterkwaliteit. De Weerribben-Wieden is een van de grootste moerasgebieden van West-Europa met veel
unieke soorten. Het kabinet stelt € 6 miljoen extra beschikbaar voor verbetering waterkwaliteit,
zodat het areaal aan veenmosrietlanden en trilvenen zowel kan uitbreiden en de kwaliteit
kan verbeteren.
• Herstelmaatregelen Polder Westzaan. Gelegen in de achtertuin van Zaanstad en Amsterdam ligt een belangrijk veenweidegebied.
Het kabinet stelt hier € 3 miljoen extra beschikbaar zodat de provincie versneld inrichtings-
en herstelmaatregelen kan nemen.
Natuurherstel
Natuurherstelmaatregelen bestaan bijvoorbeeld uit het verbeteren van hydrologische
omstandigheden in de omgeving van natuurgebieden, het voorkomen en bestrijden van
invasieve exoten en het gezonder maken van bossen. Het uitvoeren van deze herstelmaatregelen
doet het kabinet zoveel mogelijk in samenhang met andere maatschappelijke opgaven,
zoals natuurbrandbeheersing. Het kabinet geeft hierbij bovendien invulling aan de
ambities voor een natuurinclusieve samenleving, waarbij bestaande overheidsgronden
maximaal worden benut, zoals bij het ecologisch beheren van wegbermen en dijklichamen.
Het kabinet werkt dit verder uit, inclusief de mogelijkheden dit te financieren.
Aan de Natuurherstelverordening (NHV) geeft het kabinet invulling door op uiterlijk
1 september 2026 een Ontwerp-Natuurplan en op 1 september 2027 een definitief Natuurplan
in te dienen bij de Europese Commissie. De focus ligt in het Ontwerp-Natuurplan op
de doelen voor 2030. Als bijlage bij deze brief is het Concept Ontwerp-Natuurplan
opgenomen (bijlage VI).
De internetconsultatie voor de omgevingswetswijziging ten behoeve van de NHV start
vandaag, op 26 juni 2026. Deze wijzigingen gaan over het toedelen van taken en bevoegdheden
om uitvoering te geven aan de NHV. De meest relevante en nieuwe maatregelen die onderdeel
uitmaken van dit pakket krijgen waar nodig een uitvoeringstoets, plan MER en consultatieproces.
Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Flach.21 De relevante maatregelen landen in het definitieve Natuurplan. Onder de noemer «Sterker
met natuur» werken het Rijk, provincies en andere partners aan het vergroten van het
bewustzijn en begrip voor natuurherstel en de maatregelen die daarvoor nodig zijn.
Het kabinet realiseert zich dat er ook na 2030 nog een flinke opgave ligt. In het
Natuurplan is een doorkijk opgenomen richting 2040 en 2050. Dit krijgt een plek in
de actualisatie van het Natuurplan in 2032.
Natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer
Het kabinet investeert structureel in natuurbeheer. Het kabinet zet erop in om concrete
afspraken te maken met provincies en natuurbeheerders over structurele (en incidentele)
financiering van het beheer, inclusief afspraken over heldere verantwoording en verplichtingen,
bijvoorbeeld op kwaliteit van beheer, doelmatigheid en type maatregelen. Daartoe worden
dit najaar de eerste stappen gezet. Naast natuurbeheer investeert het kabinet ook
structureel in agrarisch natuurbeheer. Dit draagt bij aan het doelbereik voor natuur,
water (KRW), klimaat én aan het verdienvermogen van agrariërs, op vrijwillige basis
en op een manier die goed past bij hun bedrijfsvoering. Het doel is onder meer om
de regeling Agrarisch natuur- en landschapsbeheer uit te breiden van 130.000 hectare
naar 280.000 hectare en het te versterken, door beheer te verzwaren en ruimtelijk
te clusteren. Hierover ontvangt uw Kamer kort na de zomer een brief met nadere uitwerking.
Borgen natuurherstel en -beheer
Het duurzaam herstellen en effectief beheren van onze natuur is van groot belang om
stappen te zetten op weg naar een robuuste natuur en vergunningverlening, zoals ook
opgenomen in de Bouwsteen Natuur van de koepels van decentrale overheden en van natuurbeheerders.22 Daarbij vindt het kabinet het van belang om het zicht op de resultaten van natuurherstel
en -beheer te versterken.
Voor de vergunningverlening is het belangrijk dat de maatregelen gericht op natuurbeheer
en -herstel tot resultaat leiden. Ten aanzien van natuurbeheer is in het coalitieakkoord
afgesproken dat er, naast extra structurele financiering, afspraken worden gemaakt
over heldere verantwoording en verplichtingen, bijvoorbeeld op kwaliteit van beheer,
doelmatigheid en type maatregelen. Hierover maakt het kabinet na de zomer nadere afspraken
met provincies, terreinbeherende organisaties en organisaties zoals Rijkswaterstaat.
Voor het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen worden met medeoverheden bindende
afspraken gemaakt zodat deze geborgd zijn. Deze inzet sluit goed aan bij de Bouwsteen
Natuur.
Het kabinet investeert ook in het versterken en uitbreiden van natuurmonitoring: meten
is weten. In het coalitieakkoord is opgenomen dat Nederland elke twee jaar de landelijke
en regionale voortgang op het gebied van natuur, bodem en water monitort, en indien
nodig bijstuurt.
Areaaluitbreiding
Van de in het Natuurpact met de provincies afgesproken uitbreiding van het Natuurnetwerk
Nederland (NNN) met minimaal 80.000 ha, resteerde op 1 januari 2025 nog circa 30.000
ha.23 Uiterlijk begin 2027 maakt het kabinet geborgde afspraken met provincies over een
zo snel mogelijke afronding van deze resterende opgave, onder meer in samenhang met
de opgave in de zones rondom Natura 2000-gebieden. Vooruitlopend daarop voert het
kabinet nog dit jaar samen met provincies een verkenning uit van deze restantopgave.
Uitbreiding draagt bij aan een robuustere natuur en daarmee ook aan het stapsgewijs
op gang brengen van vergunningverlening. Een deel van deze uitbreiding zal landen
in zones rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden, omdat dit bijdraagt aan het verminderen
van de drukfactoren op het natuurgebied. Het kabinet is zich ervan bewust dat na het
afronden van het NNN er een aanvullende areaalopgave is richting 2050 om natuurdoelen
te bereiken. Het daadwerkelijk bepalen van de langetermijnopgave en invulling daarvan
vraagt de komende jaren nog aanvullend onderzoek, uitwerking en weging in de toekomst.
Randvoorwaarden en governance
Natuurbeheerders en provincies zijn cruciaal om resultaten te bereiken. Het kabinet
is met provincies in gesprek om te komen tot nieuwe langjarige bestuurlijke afspraken
over de inrichting en invulling van het natuurbeleid in Nederland (Natuurpact 2.0).
Het traject hiervoor is al gestart. Hierbij worden de resultaten van het recente onderzoek
naar het gedecentraliseerde natuurbeleid meegenomen.24 In verdiepingsbijlage hoofdlijn 4 bij deze brief zijn de kabinetsreactie op dit rapport
en de beoogde procesaanpak voor het Natuurpact 2.0 opgenomen.
HOOFDLIJN 5 – Ruimte voor vergunningverlening
Nederland moet van het slot voor PAS-melders en interimmers, voor verduurzaming van
de landbouw, voor infrastructuur, energietransitie, woningbouw, het versterken van
dijken en voor defensie. Voor het stapsgewijs op gang brengen van vergunningverlening
zijn borging en onafhankelijke toetsing van belang. Deze toetsing van het effect van
de maatregelen is voor eind 2026 voorzien. Dan is het mogelijk voor concrete projecten,
die nu stil liggen, meer juridische zekerheid te bieden. Het kabinet zorgt verder
voor borging door in oktober 2026 het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer te sturen
met de sectorale emissiereductiedoelstellingen. Dit wetsvoorstel voorziet in een gefinancierd
en onafhankelijk getoetst programma van maatregelen, waarmee het kabinet er zorg voor
draagt dat voor een aanzienlijk deel van de Natura 2000-gebieden verslechtering stopt
en behoud wordt geborgd. Met een onderbouwing van dit programma is het mogelijk om
de effecten van de maatregelen ook te gebruiken voor het verlenen van vergunningen.
Voorwaarde hiervoor is dat de noodzakelijke maatregelen en wetgeving op voldoende
draagvlak kunnen rekenen.
Rekenkundige ondergrens invoeren
Het kabinet voert zo snel mogelijk, uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, een
wetenschappelijk onderbouwde rekenkundige ondergrens (RKO) in die standhoudt bij de
rechter. Om dit op verantwoorde wijze te doen is een voldoende en geborgd pakket met
aanvullende specifieke beheersmaatregelen een voorwaarde. Het komende jaar werkt het
kabinet, samen met provincies, deze maatregelen verder uit.
Het gevolg van de RKO daarvan is dat veel PAS-melders, interimmers, woningbouw en
andere projecten met een stikstofdepositiebijdrage onder de RKO worden geholpen, omdat
zij geen vergunning meer nodig hebben. De inschatting is dat invoering in 2027 op
een verantwoorde wijze mogelijk is met het pakket en aanvullend enkele specifieke
beheersmaatregelen. Met de invoering van de RKO verschuift de verantwoordelijkheid
voor de depositiebijdragen onder de RKO van de initiatiefnemer naar de overheid. Alle
depositiebijdragen onder de RKO tellen bij elkaar op en dragen ook bij aan de totale
stikstofbelasting. Met het pakket dat wordt toegelicht in deze brief geeft het kabinet
invulling aan de algemene verplichting die die de overheid heeft om een goede staat
van instandhouding te bereiken. De aanvullende beheersmaatregelen zijn nodig om te
voorkomen dat lokaal en regionaal extra depositie als gevolg van invoering van de
RKO kan leiden tot (dreigende) verslechtering in specifieke gebieden, waardoor de
opgave juist verzwaard wordt.
Deze benodigde beheersmaatregelen zijn aanvullend op het pakket en het voorgenomen
zoneringsbeleid. Er wordt onder andere gekeken naar mogelijkheden om ruimtelijk te
sturen op het voorkomen van emissiestijging. Het kabinet werkt de borging van deze
beheersmaatregelen met spoed verder uit. Vanuit de bevoegdheid van provincies is een
snellere route mogelijk, indien zij dit gezamenlijk en tegelijkertijd doen. Door provinciale
gebiedsverordeningen aan te passen kan ruimtelijk gestuurd worden, ook voordat dat
het rijk dit in een AMvB heeft vastgelegd. Met provincies bespreek ik de praktische
uitwerking mogelijkheden hiervan.
Parallel wordt er gewerkt aan de techniek van de invoering. Specifiek gaat hierbij
aandacht uit naar de mogelijkheden voor intern en extern salderen met een RKO. Een
advies van de Landsadvocaat hierover is bijgevoegd bij deze brief. Hierin wordt aangegeven
dat dit vooral een vraag aan de wetenschap is. Daarom wordt deze vraag nu bij deskundigen
voorgelegd om mee te nemen in de wetenschappelijke onderbouwing. Van belang daarbij
is dat enerzijds recht wordt gedaan aan de wetenschappelijke onderbouwing van de RKO
en anderzijds rekening wordt gehouden met de praktische uitvoerbaarheid en het effect
op de vergunningverlening in de agrarische sector, andere ondernemers en infrastructuur.
Als de beheersmaatregelen eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet
gaan inzetten op de invoering van gebiedsspecifieke drempelwaardes. Zodat, daar waar
het mogelijk is, Nederland toch verder van het slot kan totdat de beheersmaatregelen
voldoende zijn vastgelegd om de RKO te kunnen invoeren.
Spoedwet vervangen Kritische Depositiewaarde (KDW)
Een belangrijke ambitie van het kabinet is het vervangen van de huidige op de KDW
gebaseerde omgevingswaarden door een juridisch houdbaar alternatief in de vorm van
wettelijke sectorale emissiereductiedoelstellingen. Het uit de wet halen van de KDW
als omgevingswaarde sluit aan bij de wens van het kabinet om de omslag te maken van
depositiedoelen naar emissiedoelen.
Daarvoor is een overtuigend maatregelpakket noodzakelijk om zeker te stellen dat de
wettelijke doelstellingen worden gehaald. In het wetsvoorstel («Spoedwet vervangen
omgevingswaarde stikstof») worden emissiedoelen voor 2035 opgenomen voor de sectoren
landbouw, industrie en mobiliteit. Het maatregelpakket in deze brief wordt mede met
het oog op borging vastgelegd in een wettelijk verplicht programma. Het wetsvoorstel
en het ontwerpprogramma worden eind oktober 2026 aan uw Kamer aangeboden. Op dat moment
opent ook de zienswijzeprocedure voor het ontwerpprogramma. Het kabinet zal verzoeken
om het wetsvoorstel met spoed te behandelen.
Verduurzaming als vliegwiel
Het kabinet gaat met voorrang waarborgen dat verduurzaming gericht op stikstofemissiereductie
door kan gaan. Activiteiten die leiden tot stikstofreductie, zoals verduurzaming in
industrie of een nieuwe stal, lopen nu vaak vast op het additionaliteitsvereiste.
Terwijl dit een effectieve manier is om de drukfactor stikstof te verminderen. We
identificeren verschillende routes. Vergunningverlening is mogelijk voor projecten
met effect op gebieden waar door dit pakket behoud is geborgd. Daarnaast is er de
route van de passende maatregel. Die kan nu al, maar het kabinet gaat hier ook samen
met provincies uitvoering aan geven. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke
routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming
weer een onderdeel van de oplossing. Bij de Europese Commissie zet het kabinet zich
ervoor in om verduurzaming te vergemakkelijken.
Natuurinformatie op orde
De provincie neemt in veel gevallen het voortouw voor Natura 2000-gebieden en is het
bevoegd gezag voor de natuurvergunningverlening. Voor vergunningverlening wordt gewerkt
aan interbestuurlijke afspraken over het verbeteren van de kenbaarheid en bruikbaarheid
van natuurinformatie. Daarnaast zet het Rijk erop in dat voortouwnemers per Natura
2000-gebied komen tot een gebiedsanalyse en -plan. Hierin wordt onderbouwd dat de
maatregelen uit dit pakket en eventuele extra gebiedsmaatregelen verslechtering voorkomen
of stoppen en perspectief bestaat op het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.
Het Rijk zal daartoe met provincies afspreken dat dit met de grootst mogelijke spoed
op wordt gepakt in de tweede helft van 2026. Dit geeft de basis voor de onderbouwing
van additionaliteit per gebied. Ook via een aantal gebiedsgerichte processen wordt
gekeken naar onderbouwen van additionaliteit. Daarnaast worden andere manieren verkend
om additionaliteit aan te tonen, zoals met een meer generieke onderbouwing.
Een geschikte oplossing voor PAS-melders
Het kabinet voelt zich verantwoordelijk om alle PAS-melders weer in een legale situatie
te brengen en stelt met een besluit ook de definitieve opvolger van het legalisatieprogramma
PAS-melders vast: het Programma Maatwerk PAS-melders (PMP). Het programma heeft als
doel om PAS-meldingen op te lossen, zodat PAS-melders in een legale situatie kunnen
komen. Het kabinet is en blijft ervoor verantwoordelijk om deze ondernemers, die buiten
hun schuld in een illegale situatie zijn gekomen, te helpen. Het programma bestaat
uit begeleiding, juridische instrumenten, inzet van innovatieve technieken en financiële
oplossingen. Het kabinet wil hiervoor € 350 miljoen reserveren. Het Rijk werkt nauw
samen met het bevoegde gezag om zoveel mogelijk ondernemers van een passende oplossing
te voorzien. Het maatregelpakket dat in deze brief wordt aangekondigd gaat ook meer
perspectief bieden voor PAS-melders, als op basis van het maatregelpakket additionaliteit
kan worden aangetoond.
Vanuit artikel 22.21a Omgevingswet ligt daarnaast een taak voor andere ondernemers
(interimmers) die door onrechtmatig overheidshandelen geen toereikende Natura 2000-vergunning
hebben. Het kabinet voert een verkenning uit om deze opgave goed in beeld te krijgen
en om te bekijken welke maatregelen effectief kunnen zijn. Voor deze verkenning zal
Bart Krol als verkenner optreden. Over de verdere vormgeving van de verkenning zal
uw Kamer na de zomer worden geïnformeerd.
Daarnaast verkent het kabinet of het mogelijk is en zo ja, onder welke voorwaarden,
de systematiek van natuurvergunningverlening in lijn te brengen met de vergunningverlening
onder milieuregelgeving (Omgevingswet). Uiterlijk eind dit jaar zal het kabinet de
Kamer hierover informeren.
In deze periode zullen we samen met de provincies, enkele auteurs van het WUR-rapport
en de agrarische partijen (o.a. LTO en NAJK) verkennen voor welke gebieden de aanpak
vanuit het WUR-rapport praktisch uitvoerbaar zou kunnen zijn (inclusief het idee van
een nieuwe referentiesituatie). Onderzocht wordt of, en zo ja hoe, door aanpassing
van beleidsregels voor vergunningverlening een permanente vergunningsoplossing voor
PAS-melders en interimmers zou kunnen worden geboden. Uiterlijk eind dit jaar zal
het kabinet de resultaten van deze verkenning aan de Kamer presenteren, hiermee wordt
de motie Grinwis beschouwd als afgedaan.25
Het pakket is effectief
De maatregelen zijn geborgd
Het maatregelpakket is gericht op het stapsgewijs en per gebied op gang brengen van
vergunningverlening, onder andere door het bereiken van de sectorale emissiedoelen
voor de landbouw, industrie en mobiliteit. Het kabinet heeft diverse geborgde maatregelen
opgenomen voor zekerheid op het behalen van de doelen. Voor de sectoren industrie
en mobiliteit leiden de bestaande normerende maatregelen in het klimaat- en milieubeleid
tot geborgde emissiereductie. Om de inzet voor de landbouw te borgen, is onder meer
gekozen voor afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen, een norm voor grondgebondenheid
en de verplichte afroming van productierechten bij verhandeling.
Tabel 2 geeft voor de maatregelen gericht op de landbouwsector weer wat de verwachte
emissiereductie (NH3) is op basis van ambtelijke inschattingen. Het kabinet acht het op basis van de cijfers
in deze tabel reëel dat met het voorliggende pakket de emissiereductie van 42–46%
in 2035 ten opzichte van 2019 in de sector landbouw wordt gehaald. Dat komt neer op
45–50 kton emissiereductie ten opzichte van 108 kton aan ammoniakemissie in 2019.
In de periode 2019–2024 is hiervan 13,1 kton gerealiseerd.
De stikstofreductie die wordt gehaald in de zones telt ook mee voor dit nationaal
geldende percentage. Voor de reductie in de zone geldt daarnaast dat deze in het bijzonder
van groot belang is om vergunningverlening weer op gang te brengen. Het PBL komt in
september met een reflectie op de ambtelijke inschattingen in tabel 2.
Monitoring en bijsturing
Om de voortgang richting doelbereik bij te houden, gebruiken we de bestaande monitoringssystematiek,
waarin de realisatiecijfers jaarlijks worden gerapporteerd en de ramingen iedere twee
jaar worden geactualiseerd. Waar nodig actualiseren we deze bestaande systematiek
en richten we aanvullende monitoring in. Daarnaast zal het PBL voorafgaand aan de
begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer, een reflectie op het maatregelpakket publiceren.
Het kabinet gebruikt deze reflectie bij de verdere uitwerking van de verschillende
maatregelen en besluiten. Met deze reflectie op het maatregelpakket, dat ook ziet
op de synergie tussen de verschillende opgaven, wordt ook invulling gegeven aan de
motie Bromet.26
Het is van belang om inspanningen die door ondernemers worden geleverd, mee te nemen
in de nationale monitoringscijfers. Dit is nog niet voor alle inspanningen het geval.
Emissiereductie wordt momenteel op nationaal niveau gemonitord met het model NEMA
(National Emission Model for Agriculture). De inzet is om NEMA te actualiseren met de recente emissiereducerende maatregelen.
Emissieregistratie opent een loket waar initiatiefnemers maatregelen kunnen voorleggen.
Als op termijn tóch blijkt dat de sectorale emissiedoelen in 2035 niet worden gehaald,
worden aanvullende maatregelen getroffen. Dit krijgt ook een plek in het ontwerpprogramma.
Voor de industrie en mobiliteit geldt dat het eerdergenoemde Europese klimaat- en
milieubeleid voor een geborgde reductie van de NOx-emissies in deze sectoren en is het NH3-industriedoel met een extra inzet van de Aanpak Piekbelasting binnen bereik. Als
blijkt dat het doel voor de industrie (NH3) en/of mobiliteit (NOx) voor 2035 niet wordt gehaald, worden tijdig aanvullende maatregelen getroffen.
Met het voorliggend pakket acht het kabinet het reëel dat de reductiedoelen worden
gehaald. Voor de borging van het effect van het pakket consulteert het kabinet provincies
en maatschappelijke partijen met als doel om een borgingsinstrument vast te leggen
in het programma bij de spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof. Indien daarbij
geen consensus wordt bereikt, kiest het kabinet als ultieme remedie voor een korting
op productierechten in 2035. Voor de streefwaarde in 2030 maakt het kabinet in het
najaar afspraken met de sector gericht op hoe via publiek-privaat stimulerings- en
beloningsbeleid. Hiertoe wordt de opgave verdeeld over de deelsectoren en worden er
op bedrijfsniveau voor de melkveehouderij streefwaarden vastgesteld.
Ook voor het streefdoel van 2030 acht het kabinet borging van belang. Een passend
borgingsmechanisme draagt bij aan de houdbaarheid van de aanpak en verkent mogelijkheden
daartoe. Voor het einde van 2026 komt het kabinet met een borgingsmechanisme, waarbij
op basis van monitoring tijdig aanvullende maatregelen kunnen worden genomen wanneer
blijkt dat (deel)sectorale doelen niet binnen bereik zijn.
De eerste monitoring vindt plaats in 2027/2028. Indien nodig, wordt dan ook bijgestuurd.
Bijsturing vindt plaats nadat een analyse is uitgevoerd van de oorzaken van het achterblijven
van de emissiereductie of het niet halen van de streefwaarde. Daarbij kan het bijvoorbeeld
gaan om aanpassingen van het stimulerings- en beloningsbeleid. Maar ook om het na
overleg met relevante partijen treffen van aanvullende maatregelen, juist om daarmee
een eventuele korting op dierrechten achteraf te voorkomen.
Uitvoerbaarheid is essentieel
Het maatregelpakket leidt alleen tot het gewenste resultaat en ruimte in vergunningverlening
als de maatregelen ook daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd. In dit kader hebben
de Rijksuitvoeringsorganisaties een aantal aanbevelingen gedaan gericht op uitvoerbaarheid,
die zijn gebruikt bij de vormgeving van dit pakket. Overheden voeren daarnaast een
uitvoeringstoets uit. In het kader van uitvoerbaarheid gaat het kabinet ook verder
het gesprek aan met de medeoverheden over de Uitvoeringsaanpak Landelijk Gebied die
zij begin juni hebben gepresenteerd. Het kabinet wil ook de uitvoeringskracht van
de sector vergroten. Daarom start het kabinet met de oprichting van een nieuwe publiek-private
structuur (productschappen 2.0). De SER brengt begin juli een advies uit waarin ook
dit onderwerp wordt betrokken. Die inzichten worden meegenomen in de verdere uitwerking
van deze ambitie.
De uitvoering is al gestart
In maart is uw Kamer geïnformeerd over de uitgangspunten en belangrijkste onderdelen
van de aanpak.27 Sindsdien is het kabinet verdergegaan met de uitvoering van de reeds lopende maatregelen
en besteding van de middelen die al in de Voorjaarsnota beschikbaar zijn gekomen.
Om u mee te nemen in de voortgang hiervan is de Uitvoeringsrapportage Maatregelen
stikstofreductie meegestuurd met deze brief (Bijlage III). Via deze rapportage wordt
uw Kamer ook op de hoogte gehouden van de uitvoering van de nieuwe maatregelen.
Tabel 2. Voorziene maatregelen en te verwachten emissiereductie in de landbouw
Voorziene maatregelen
Kton reductie NH3 in 2035 t.o.v. 2019
Toelichting
Generieke maatregelen gericht op emissies op alle bedrijven (ook in de zones)
30 – 33 kton
• Beperken van stal- en opslagemissies in melkvee-, pluimvee-, varkens- en kalverhouderij
via bedrijfsspecifieke emissienormen (doelsturing).
• Beperken veldemissies door verlies van derogatie en een systeem van dagontmesting,
vergisten en strippen van melkveemest dat bijdraagt aan emissiereductie bij het uitrijden
van dierlijke mest. Daarnaast wordt ingezet op een combinatie van stimulering en (op
termijn) middelvoorschriften voor het verder beperken van veldemissies. Dit betreft
onder andere een verplichting tot emissiearm uitrijden van ureumhoudende minerale
meststoffen en verder onderzoek naar emissiereductie door het emissiearm aanwenden
op bouwland en onderzoek naar mogelijkheden van aanzuren mest op grasland op zandgronden.
Aanvullende generieke maatregelen (ook in de zones)
15 kton
• Al gerealiseerde krimp sinds 2019, waaronder die door beëindigingsregelingen en
afromen rechten bij overdracht.
• Beëindiging (via beëindigingsregelingen).
• Extensivering (via extensiveringsregeling melkveehouderij).
• Afroming van rechten bij overdracht buiten familieverband.
Aanvullende gebiedsgerichte maatregelen (aanvullend op reducties in de generieke maatregelen)
1 – 2 kton1
• Onder voorbehoud van nadere concretisering aanpak:
° Extensivering van veebezetting
° Verlaagde mestplaatsingsruimte
° Omzetting landbouwgronden naar natuur
° Verplaatsen en beëindigen bedrijven
Totaal
46 – 50 kton
X Noot
1
Emissiereductie in de zones is 2,5 – 3 keer effectiever dan buiten de zones. Daarom
worden extra maatregelen in de zoneringsaanpak bovenop de generieke maatregelen in
de zones genomen.
Samenwerking en vooruitblik
Samen met maatschappelijke partijen en de wetenschap
Bij de totstandkoming van de aanpak en het maatregelpakket heeft het kabinet lessen
getrokken uit diverse rapporten van kennisinstellingen en voorstellen van medeoverheden
en maatschappelijke partijen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de voorstellen «Een stabiele
route uit de stikstofcrisis», de Bouwsteen Emissiereductie Landbouw, de Bouwsteen
Natuur en de Bouwsteen Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer. De gewijzigde motie-Bromet28 om de voorstellen van VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuurmonumenten en Natuur & Milieu
mee laten wegen in de nationale stikstof-aanpak is hiermee afgedaan.
In aanloop naar deze brief heb ik veel gesproken met maatschappelijke organisaties:
tijdens het brede maatschappelijke overleg (zeventien organisaties onder leiding van
onafhankelijk voorzitter Elbert Dijkgraaf), de bilaterale gesprekken, en de werkbezoeken.
Uit de gesprekken bleek het gezamenlijke belang dat al deze partijen voelen om nu
daadwerkelijk stappen te zetten. Vrijwel iedereen benadrukte de noodzaak van natuurherstel
en urgentie om de vergunningverlening weer vlot te trekken.
Met deze aanpak zijn we er nog niet. De uitwerking vraagt nog veel en daarbij zijn
al deze partijen nodig. In samenspraak met de deelnemende partijen heb ik daarom besloten
het maatschappelijk overleg voort te zetten. Daarnaast worden ook de gesprekken over
de diverse onderdelen voortgezet. Ik vertrouw erop ook in het vervolg te kunnen rekenen
op hun constructieve bijdrage en betrokkenheid.
In lijn met het rapport «Van verwarring naar verbinding» is ervoor gekozen om de milieukundige,
ecologische en juridische uitdagingen parallel aan te pakken met 1) een robuust en
(deels gebiedsgericht) emissiereductiebeleid met doelsturing en zones rondom Natura
2000-gebieden, 2) behoud en herstel van de kwaliteit van de natuur in Natura 2000-gebieden,
en 3) vergunningverleningsinstrumenten als een integraal onderdeel. Ik verken ook
de mogelijkheden om een aantal wetenschappers, zoals bijvoorbeeld betrokkenen bij
het WUR-rapport, via een expertpool actief te blijven betrekken bij de vervolguitwerking,
om reflecties op te halen, de aanpak te toetsen en waar mogelijk aan te scherpen met
goede ideeën. Vanuit diezelfde optiek zal het kabinet ook de landsadvocaat betrekken
bij de verdere uitwerking.
Samen als één overheid werken aan de opgaven
Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten staan als overheden voor de uitdaging
om invulling te geven aan de opgaven. Dat kunnen Rijk en medeoverheden alleen samen.
Iedere overheidsinstantie vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheden. In goede
afstemming en overleg. Het Rijk steunt daarom waar mogelijk stappen van medeoverheden,
neemt goede plannen over en bouwt voort op de energie in de regio.
Over het pakket aan maatregelen vindt uitvoerig overleg plaats met de Europese Commissie.
Ook bij verdere uitwerking is consultatie van en uiteindelijk toestemming voor een
aantal regelingen van de Europese Commissie noodzakelijk.
Tot slot
Met dit pakket komt er weer ruimte voor vergunningverlening. Het is de sleutel voor
wat al zo lang op slot zit. Samen met uw Kamer, medeoverheden, boeren, ondernemers
en anderen in de samenleving kunnen we die sleutel omdraaien. We kunnen de vergunningverlening
weer lostrekken. Daarmee werken we concreet aan verduurzaming van de landbouw, oplossingen
voor PAS-melders en interimmers, de verduurzaming van de industrie en mobiliteit,
aan infrastructuur en nieuwe woningbouw, en projecten voor onze nationale veiligheid.
Kortom, zo krijgen we Nederland weer in beweging. Dan steeds steviger op gang. En
uiteindelijk in volle vaart, vol vertrouwen vooruit.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
VERDIEPINGSBIJLAGEN
• Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 1 – Emissiereductie in de landbouw, industrie en mobiliteit
• Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 2 – Samen met boer, keten en regio vooruit
• Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3 – Inzet in en rond kwetsbare natuur- en watergebieden
• Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 4 – Aan de slag met natuurherstel
BIJLAGEN
• Bijlage I: Overzicht belangrijkste vervolgstappen
• Bijlage II: Wetgevingsagenda
• Bijlage III: Uitvoeringsrapportage maatregelen stikstofreductie 2026
• Bijlage VI: Reactie essay «Van stikstof naar systeemfout»
• Bijlage V: Advies Landsadvocaat op consequenties invoering RKO
• Bijlage VI: Concept Ontwerp-Natuurplan
PARALLEL VERSTUURDE KAMERBRIEVEN
• De appreciatie van het rapport «De Nederlandse stikstofcrisis: Van verwarring naar
verbinding.»
• Een nadere toelichting op het programma legalisatie PAS-melders en het definitieve
programma.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur