Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 (Kamerstuk 36800-V-103)
36 800 V Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026
36 800
XVII
Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
(XVII) voor het jaar 2026
Nr. 105
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 23 juni 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een
aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
over de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 (onderwerpen op het terrein van Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking) (Kamerstuk 36 800 V, nr. 103). De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft deze vragen
beantwoord bij brief van 23 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Den Hollander
De griffier van de commissie, Van der Leeden
1
Kunt u de begrippen «gelijkwaardigheid» en «partnerschap» concretiseren? Hoe krijgt
dit in de praktijk vorm? Hoe wordt getoetst of partnerschappen inderdaad gelijkwaardiger
worden? Welke veranderingen in besluitvorming, financiering en machtsverhoudingen
zijn hiervoor nodig?
Antwoord
Zoals aangekondigd in de beleidsbrief is het kabinet voornemens partnerschappen te
verbreden en te versterken op basis van wederzijdse belangen. Het kabinet doet dit
aanvullend op partnerschappen die de EU aangaat. Het betreft partnerschappen met de
zogenaamde middenmachten, landen die in hun eigen regio richtinggevend zijn, inclusief
landen in het mondiale zuiden, of landen met een specifiek belang voor Nederland,
bijvoorbeeld vanwege nationale veiligheid, onze vrijheid of economische welvaart.
Het kabinet zet hierbij, nog meer dan voorheen, de invloed en het gehele instrumentarium
van het buitenland beleid samenhangend in. Het kabinet doet dit op basis van wederzijdse
belangen.
Het kabinet heeft het afgelopen jaar het brede begrip «gelijkwaardigheid» nader uitgewerkt.
Het beschouwt gelijkwaardigheid als een diplomatieke grondhouding waarbij Nederland
en partnerlanden samenwerken op basis van wederzijds respect, gedeelde belangen en
gezamenlijke verantwoordelijkheid, met expliciete erkenning van elkaars autonomie,
kennis en prioriteiten. Dit impliceert niet dat sprake moet zijn van gelijke sociaaleconomische
posities, volledige overeenstemming of het terzijde schuiven van het eigen nationale
belang. Wel vergt het van ons een voortdurende, kritische reflectie op houding, taalgebruik
en beleidspraktijk.
Een concreet voorbeeld van deze inzet is de institutionalisering van de jaarlijkse
toekomstdialoog met Zuid-Afrika. In deze dialoog verkennen Nederlandse en Zuid-Afrikaanse
beleidsmakers, onderzoekers en diplomaten gezamenlijk hoe beide landen zich kunnen
positioneren in een veranderende wereldorde op de lange termijn (vooruitblik 2040).
Door middel van gezamenlijke toekomstverkenning, open strategische gesprekken en gedeelde
agendasetting wordt invulling gegeven aan een relatie gebaseerd op wederzijds respect,
vertrouwen en erkenning van elkaars perspectieven en prioriteiten. De dialoog draagt
daarmee bij aan het versterken van Zuid-Afrika als strategische kernpartner en aan
de ontwikkeling van gelijkwaardige samenwerking tussen middenmachten met het oog op
een gedeelde toekomst.
2
Waarom ontbreekt beleidscoherentie voor ontwikkeling in de beleidsbrief? Wat is uw
inzet hierop?
Antwoord
Beleidscoherentie voor ontwikkeling zit besloten in gelijkwaardige partnerschappen.
Om een geloofwaardige samenwerkingspartner te zijn voor landen in het mondiale Zuiden,
moet Nederland zich bewust zijn van de negatieve effecten die nationale beleidskeuzes
elders kunnen hebben. Onze partners vragen daarnaast om het opheffen van handelsbelemmeringen,
en zullen dit ook verlangen in de onderlinge samenwerking die wij zoeken omwille van
onze veiligheid, vrijheid en toekomstige welvaart. De Minister voor BHOS heeft daarbij
een coördinerende rol, op hun beleidsterreinen zijn ook bewindspersonen op andere
departementen betrokken. Het is een Rijksbrede verantwoordelijkheid om via een samenhangend
beleid te werken aan oplossingen hiervoor.
3
Nu de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) is verzwakt en verder
afwijkt van de OESO-richtlijnen, hoe bent u voornemens om ervoor te zorgen dat alle
Nederlandse bedrijven alsnog de OESO-richtlijnen toepassen en naleven?
Antwoord
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij internationaal zakendoen in
lijn met de OESO-richtlijnen. Het kabinet bevordert de toepassing van deze richtlijnen
met een doordachte mix van verplichtende en vrijwillige maatregelen. Zo speelt het
Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen (NCP) een belangrijke rol in de voorlichting
over de OESO-richtlijnen en ook het MVO-steunpunt ondersteunt bedrijven hierbij. Sinds
vorig jaar is er met het subsidieprogramma verantwoord ondernemen mkb (SVOM) extra
ondersteuning voor bedrijven beschikbaar om de toepassing van de OESO-richtlijnen
verder te vergroten. De OESO-richtlijnen staan ook centraal in de BHOS-voorwaarden
op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) en
andere maatregelen om het bedrijfsleven te ondersteunen. In de CSDDD zijn de zes stappen
van gepaste zorgvuldigheid uit de OESO-richtlijnen wettelijk verankerd voor de allergrootste
bedrijven. Dit jaar wordt het IMVO-beleid geëvalueerd, waarbij mogelijk ook aanbevelingen
zullen worden gedaan over hoe het beleid effectiever en doelmatiger kan worden ingezet.
De evaluatie zal naar verwachting begin 2027 aan uw Kamer worden toegestuurd.
4
Wat voor maatregelen of instrumenten zult u inzetten om ervoor te zorgen dat het IMVO-beleid
positief doorwerkt op werkenden, gemeenschappen en producenten in het mondiale Zuiden?
Antwoord
Het gehele IMVO-beleid is erop gericht om bedrijven te stimuleren met de OESO-richtlijnen
aan de slag te gaan. Hiermee wordt nagestreefd dat zij risico’s voor mens en milieu
in de keten identificeren en, waar nodig, aanpakken. Daarnaast worden instrumenten
voor ontwikkelingssamenwerking, zoals het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen
(SPVO) en FairFOCUS on Trade (FFT, het nieuwe programma ter ondersteuning van maatschappelijk
middenveld in relatie tot handelsketens) ingezet om ook rechtstreeks in productielanden
te werken aan ketenverduurzaming en tot positieve impact te komen. De combinatie van
deze instrumenten beoogt positieve impact in waardeketens, inclusief het mondiale
Zuiden.
5
Kunt u toelichten in hoeverre de kritische waakhondfunctie van het maatschappelijk
middenveld zal worden ondersteund binnen het beleid aangaande partnerschappen met
maatschappelijk middenveld?
Antwoord
De kritische waakhondfunctie van het maatschappelijk middenveld is van essentieel
belang voor de democratische rechtsorde en sociaaleconomische verandering, óók in
Nederland. In het buitenlandbeleid ondersteunt het kabinet maatschappelijke organisaties
in hun verschillende rollen, inclusief die van kritische waakhond. Die steun kan bijvoorbeeld
bestaan uit financiering voor pleitbezorging, of uit het bieden van mogelijkheden
voor dialoog in beleidsvormingsprocessen, zowel in samenwerkingsverbanden als ad hoc.
6
Hoe bent u voornemens om ervoor te zorgen dat er ook buiten het mondiale Zuiden een
gelijk speelveld ontstaat voor de bedrijven die zich nu al inzetten voor verantwoorde
ketens en bedrijven die dat niet doen?
Antwoord
De CSDDD, die wordt geïmplementeerd in de Wet internationaal verantwoord ondernemen,
geldt ook voor bedrijven uit derde landen die binnen het toepassingsbereik vallen.
Zij krijgen dezelfde verplichtingen als EU-bedrijven, wat het mondiale gelijke speelveld
versterkt. Daarnaast zet Nederland zich in internationale fora zoals de OESO in voor
een gelijk speelveld. Zo komen bij het, mede door Nederland gefinancierde, OECD
Inclusive Platform on Due Diligence Cooperation beleidsmakers van over de hele wereld samen om IMVO-beleid en regelgeving beter op
elkaar af te stemmen.
7
Hoe bent u voornemens om binnen het IMVO-beleid ook de onderliggende oorzaken van
misstanden in internationale waardeketens, zoals de complexiteit van ketens en gebrek
aan ketentransparantie, structureel te lage inkoopprijzen en oneerlijke handelspraktijken,
aan te pakken?
Antwoord
Met de aankomende IMVO-wetgeving wordt ketenverantwoordelijkheid bij grote Europese
bedrijven structureel verankerd en naleving juridisch afdwingbaar. Dat is een fundamentele
verschuiving, gericht op het adresseren van onderliggende oorzaken van misstanden
in waardeketens. Bedrijven kunnen dit echter niet alleen oplossen. Daarom biedt de
overheid ondermeer via ontwikkelingssamenwerking ondersteuning aan Nederlandse en
lokale bedrijven, NGOs, vakbonden en andere stakeholders, om internationale standaarden
op het gebied van duurzaamheid, transparantie, traceerbaarheid en verbeterd bestuur
te implementeren.
8
Kunt u toelichten in hoeverre handel en Internationaal Maatschappelijk Verantwoord
Ondernemen (IMVO) onderdeel zullen zijn van de nieuwe internationale visie op ontwikkelingssamenwerking?
Antwoord
Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) kan niet ontbreken in
een visie op de toekomst van ontwikkelingssamenwerking waarin alle actoren zullen
moeten samenwerken om wereldwijd sociaaleconomische ontwikkeling te bevorderen. IMVO
is essentieel voor een weerbare Nederlandse economie, én voor de bescherming van mens
en milieu hier en nu, later en elders. Vanuit ontwikkelingssamenwerking is IMVO een
middel om bij te dragen aan de verduurzaming en versterking van handelsketens en zo
bij te dragen aan sociaaleconomische ontwikkeling in productielanden.
9
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit de rapporten van Draghi en Letta met het
oog op het vergroten van de brede en duurzame welvaart en vis-a-vis enkel economische
groei?
Antwoord
Een sterke, concurrerende EU is in het belang van Nederland. We hebben de EU nodig
voor onze welvaart, bestaanszekerheid en een aantrekkelijk ondernemingsklimaat. De
aanbevelingen van Draghi en Letta zie ik juist als steun voor een agenda die niet
alleen inzet op economische groei, maar op brede en duurzame welvaart. In de kabinetsvisie
op EU-concurrentievermogen staat hoe we daaraan werken: primair door sterke randvoorwaarden
te creëren, zodat de Europese markt aantrekkelijker wordt voor bedrijven en we de
benodigde innovatie en vaardigheden aantrekken. In de EU zet ik mij hiervoor in, met
als prioriteiten de versterking van de interne markt en het terugdringen van onnodige
regeldruk.
10
Hoe zal het IMVO-beleid worden geborgd binnen de nieuwe Nationale investeringsinstelling?
Antwoord
De OESO-richtlijnen vormen de basis van het Nederlandse IMVO-beleid. Zodoende zijn
zij verankerd als voorwaarden binnen het BHOS bedrijfsleveninstrumentarium. Het kabinet
heeft in het coalitieakkoord aangekondigd een nationale investeringsinstelling op
te richten. Deze instelling is bedoeld om de Nederlandse kapitaalmarkt te versterken
en het verdienvermogen op lange termijn te vergroten. Over de definitieve inrichting
van de nationale investeringsinstelling zijn nog geen besluiten genomen.
11
Op welke punten wilt u het beleid op ontwikkelingssamenwerking en IMVO beter op elkaar
aan laten sluiten?
Antwoord
IMVO wordt makkelijker naarmate arbeidsrechten en milieustandaarden in andere landen
beter worden gehandhaafd. Vanuit ontwikkelingssamenwerking is IMVO ook een middel
om bij te dragen aan de verduurzaming en versterking van handelsketens en uiteindelijk
het behalen van de SDG’s in productielanden. Internationale handel is voor de meeste
partnerlanden immers dé manier om geld te verdienen, in basisbehoeften te voorzien
en welvaart te verbeteren.
Meer synergie tussen de verschillende instrumenten die zich richten op IMVO en ontwikkelingssamenwerking
wordt nagestreefd, zodat deze instrumenten waar mogelijk en relevant doelstellingen
op beide terreinen versterken. Een mooi voorbeeld is het nieuwe subsidieprogramma
Fair Focus on Trade. Het doel van dit programma is het bevorderen van schone en eerlijke
handel door versterking van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden.
Deze organisaties kunnen bedrijven helpen bij het identificeren en aanpakken van risico’s
voor mens en milieu in waardeketens. Zo wordt de lokale impact vergroot, en is tegelijk
een positief effect mogelijk voor de implementatie van IMVO-wet- en regelgeving.
12
Hoe wordt binnen de EU Global Gateway strategie de uitgangspunten van het Nederlandse
IMVO-beleid, waaronder naleving van de OESO-richtlijnen, gestimuleerd en geborgd?
Antwoord
Met Global Gateway biedt de EU een waarden-gedreven aanbod aan partnerlanden, gebaseerd
op Europese standaarden en met aandacht voor mens en milieu. Naleving van de OESO-richtlijnen,
die de basis van het Nederlandse IMVO-beleid vormen, zijn voor Nederland integraal
onderdeel van partnerschappen en investeringen. Dit is ook uitgangspunt voor de Nederlandse
bijdrage aan de Global Gateway strategie, zowel bij uitvoering van projecten als inzet
op beleidsontwikkeling. Daarnaast speelt het maatschappelijk middenveld een belangrijke
rol in het controleren en verbeteren van de naleving van standaarden op het gebied
van mensenrechten en duurzaamheid bij de uitvoering van Global Gateway-projecten in
partnerlanden via het Civil Society and Local Authorities Platform (CSO/LA Platform). Het kabinet zet in op het goed betrekken van het maatschappelijk
middenveld bij de uitvoering van Global Gateway.
13
Aan welke juridische voorwaarden moet volgens u zijn voldaan om het voorgenomen sanctiebesluit
onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden weer op te heffen,
zodat er sprake van een rechtmatige situatie is waardoor er geen juridische basis
voor sancties meer bestaat? Kunt u hier zo specifiek en concreet mogelijk in zijn?
Antwoord
Het sanctiebesluit, behoudens eerdere intrekking, vervalt drie jaar na het in werking
treden, tenzij bij nadere wet anders wordt bepaald. Het kabinet geeft met het besluit
nadere invulling aan het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024
en aan aanbevelingen in verschillende VN-resoluties. Daarnaast dient dit sanctiebesluit
als reactie op de ontwikkelingen ter plaatse en als onderdeel van de inzet van de
regering om middels druk en dialoog de regering-Netanyahu van koers te laten veranderen
ten aanzien van de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogvlakte Tegen die achtergrond
zal het kabinet constant monitoren hoe de situatie zich verder ontwikkelt.
14
Omarmt u het gehele advies van de Internationaal Gerechtshof (IGH) 2024 inclusief
al haar conclusies? Neemt u de conclusies over als officieel kabinetsstandpunt? Zo
nee, welke conclusies die in het IGH worden geconcludeerd neemt u concreet niet over?
Antwoord
Ja. In overeenstemming met het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli
2024, erkent het kabinet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden
onrechtmatig is. Dit komt overeen met de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie
dat de nederzettingen en de uitbreiding daarvan, vernielingen of uithuisplaatsingen
in de bezette gebieden in strijd zijn met internationaal recht. Het advies van het
Internationaal Gerechtshof is gezaghebbend en geeft een beschrijving van het geldende
internationaal recht. Alle staten, inclusief Nederland en Israël zijn aan dit recht
gebonden.
15
Hoe verhoudt het voorgenomen sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door
Israël bezette gebieden zich tot de opstelling jegens producten uit de Westelijke
Sahara en Noord-Cyprus?
Antwoord
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat elke situatie op haar eigen merites moet
worden beoordeeld. De situaties in de door Israël bezette gebieden, de Westelijke
Sahara en het noorden van Cyprus zijn niet hetzelfde, waardoor het beleid ten aanzien
van deze gebieden ook niet op alle fronten identiek is. In die gebieden zijn bijvoorbeeld
geen nederzettingen. Met het sanctiebesluit ten aanzien van de onrechtmatige Israëlische
nederzettingen geeft het kabinet nadere invulling aan het advies van het Internationaal
Gerechtshof van 19 juli 2024, en aan aanbevelingen in verschillende VN-resoluties.
Daarnaast dient dit besluit als reactie op de steeds verder verslechterende ontwikkelingen
ter plaatse.
16
Klopt het dat het voorgenomen sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door
Israël bezette gebieden (niet de juro) alleen etnische joden raakt in de mogelijkheid
om goederen te exporteren? Zo nee, welke bevolkingsgroepen worden nog meer door deze
nationale maatregel geraakt? Kunt u dut uitsplitsen in directe en indirecte de facto
reikwijdte.
Antwoord
Met het besluit geeft het kabinet nadere invulling aan het advies van het Internationaal
Gerechtshof van 19 juli 2024 en aan aanbevelingen in verschillende VN-resoluties en
daarnaast dient dit besluit als reactie op de steeds verder verslechterende situatie
op de grond. Het besluit houdt verband met het verbod op overbrenging van (een gedeelte
van) de eigen burgerbevolking door Israël naar bezet gebied en is van toepassing op
goederen die geheel of gedeeltelijk verkregen zijn uit of geproduceerd zijn in een
onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden, genoemd in de EU-postcodelijst,
met uitzondering van goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling
in overeenstemming met artikel 64 van het Douanewetboek van de Unie.
17
Het kabinet wil de Europese Commissie aansporen tot het sluiten van nieuwe handels-
en investeringsverdragen inclusief afspraken over toegang tot grondstoffen. Kunt u
toelichten op welke manier maatschappelijke organisaties inclusief vrouwenrechtenorganisaties
betrokken zullen worden bij de onderhandelingen voor en monitoring van deze nieuwe
handels- en investeringsverdragen? Zullen afspraken over handel en gendergelijkheid
ook onderdeel zijn van uw inzet voor nieuwe Europese handels- en investeringsverdragen?
Antwoord
Afspraken van over handel en gendergelijkheid zijn onderdeel van de Nederlandse inzet
op afspraken over handel en duurzame ontwikkeling in handelsakkoorden. Deze inzet
draagt Nederland uit tijdens de onderhandelingen van handelsakkoorden.
Tijdens onderhandelingen over handelsakkoorden wordt het Nederlandse maatschappelijk
middenveld de kans geboden hun inzichten met het Ministerie van Buitenlandse Zaken
te delen tijdens het Breed Handelsberaad. Aan dit overlegorgaan nemen ook organisaties
deel die zich inzetten voor vrouwenrechten. Dit platform biedt ook ruimte aan het
maatschappelijk middenveld om zorgen te delen over de implementatie van de verschillende
handelsakkoorden.
In de handelsakkoorden zelf worden domestic advisory groups ingericht, dat zijn groepen zowel in de EU als in de verdragspartners van de EU, waarin
vakbonden, ngo’s en het bedrijfsleven vertegenwoordigd zijn om de implementatie van
het akkoord te monitoren. Hier kunnen ook vrouwenrechtenorganisaties aan deelnemen.
Middels het Single Entry Point kunnen Europese vrouwenrechtenorganisaties klachten indienen over het niet nakomen
van handel en duurzaamheidsafspraken onder handelsakkoorden bij de Europese Commissie.
18
Kunt u toelichten op welke manier de impact van het Nederlands internationaal handels-
en investeringsbeleid op mensenrechten wordt gemonitord en hoe daarin vrouwenrechten
en gendergelijkheid worden meegenomen? Is er een genderstrategie voor het Nederlands
handelsbeleid en welke rol spelen vrouwenrechtenorganisaties daarbij? Op welke wijze
worden bescherming en bevordering van vrouwenrechten meegewogen bij de plannen voor
diversificatie van handelspartners? Hoe wordt getoetst wat de impact op gendergelijkheid
en vrouwenrechten is van investeringen die lopen via Invest International?
Antwoord
Bij de onderhandelingen over een nieuw handelsakkoord wordt in opdracht van de Commissie
een Sustainability Impact Assessment uitgevoerd, waarin, onder andere, de impact van
het akkoord op vrouwen en andere minderheden meegenomen wordt.
Op het moment is er geen aparte genderstrategie voor het Nederlandse handelsbeleid
omdat vrouwenrechten en gendergelijkheid een integraal onderdeel zijn van het buitenlandbeleid
en van de inzet ten aanzien van handelsakkoorden.
Invest International betrekt gendergelijkheid en relevante sociale risico’s binnen
haar bredere investeringsbeoordeling, due diligence, monitoring en rapportage. In
de due diligence-fase voor nieuwe financieringen wordt onder meer gekeken naar arbeidsomstandigheden
en ontwikkelingsmogelijkheden, met waar relevant specifieke aandacht voor vrouwen.
Aandachtspunten kunnen worden vastgelegd in afspraken met de klant, bijvoorbeeld via
een Environmental and Social Action Plan, en worden gedurende de looptijd gemonitord.
Invest International werkt daarbij met internationale standaarden, waaronder de OESO-richtlijnen,
de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, ILO-standaarden en de IFC Performance
Standards. Daarnaast is Invest International gecommitteerd aan het Code-V-netwerk,
dat toegang tot financiering voor vrouwelijk ondernemerschap stimuleert. Binnen dat
netwerk wordt jaarlijks gerapporteerd over de specifieke impact op vrouwelijk ondernemerschap.
Verder publiceert Invest International impactresultaten en rapporteert het over de
bijdrage van investeringen aan de SDG’s, waaronder SDG 5 over gendergelijkheid. In
het Jaarplan 2025 rapporteert Invest International onder meer over directe banen buiten
Nederland, uitgesplitst naar gender. Daarbij gaat het om 23.181 ondersteunde directe
banen, waarvan 8.869 door vrouwen worden vervuld, oftewel 38%.1
19
Is er expliciet aandacht voor de positie en rechten van vrouwen die werken in productieketens
bij de ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven om de OESO-richtlijnen zo effectief
mogelijk toe te passen? (p. 5) Op welke manier krijgt aandacht voor vrouwenrechten
vorm in de versterking van deze ondersteuning die u zich voorneemt?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft de Sustainable Development Goals en ziet de Gender dimensions of the Guiding Principles on Business and Human Rights als belangrijk hulpmiddel voor bedrijven om gender-responsieve IMVO-processen in te
richten.
Het MVO-steunpunt biedt informatie en ondersteuning bij vragen over IMVO en gepaste
zorgvuldigheid, zo ook over gender-gerelateerde risico’s. Daarnaast heeft het kabinet
in de afgelopen jaren financiële steun geboden aan een OESO-project over gender-responsive due diligence. In het eindproduct zullen handzame tips en voorbeelden gegeven worden over hoe bedrijven
hun gepaste zorgvuldigheidsproces gender-responsief in kunnen richten. Deze handreiking
wordt later dit jaar gepubliceerd en verspreid.
20
Kunt u toelichten welke concrete stappen hij van plan is om ontwikkelingssamenwerking
en IMVO-beleid beter op elkaar aan te laten sluiten?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 11.
21
Hoe wordt gender-expertise binnen de Dutch Diamond aanpak geborgd en wat is daarbij
de rol van vrouwenrechten- en gendergelijkheidsorganisaties als relevante maatschappelijke
actor?
Antwoord
Binnen de Dutch Diamond aanpak werkt de Nederlandse overheid nauw samen met kennisinstellingen,
de private sector en NGO’s. Wanneer het komt tot formele samenwerking en gedeelde
financiering wordt er altijd gevraagd om gender expertise, speciale aandacht voor
de positie van vrouwen en meisjes en borging van hun rechten. Zie ook antwoord op
vraag 18 en 19.
22
Kunt u het tijdspad delen dat u voor ogen heeft om de internationale OESO-norm van
0,7% van het BNI te halen?
Antwoord
Met de intensivering uit het coalitieakkoord op ontwikkelingssamenwerking zet het
kabinet een stap richting de internationale OESO-norm. Daartoe stijgt de Nederlandse
ODA-prestatie.
Het kabinet rapporteert middels de BHO-begrotingsstukken en de HGIS-stukken over de
jaarlijkse ODA-prestatie. Meest recentelijk is de meerjarige ODA-prestatie gedeeld
in de Eerste suppletoire begroting 2026 van BHO (Kamerstuk 36 915 XVII, nummer 2). Op pagina 35 is de onderstaande ODA-prestatie in tabelvorm weergegeven.
In % van het BNI
2026
2027
2028
2029
2030
2031
ODA-prestatie bij 1e suppletoire begroting 2026
0,50%
0,48%
0,49%
0,50%
0,47%
0,44%
23
Wanneer kunt u de nieuwe visie op ontwikkelingssamenwerking met de Kamer delen?
Antwoord
Het kabinet heeft de AIV recent gevraagd om een advies over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking.
Het kabinet verwacht, mede op basis van dat advies, voor eind 2026 met een visie te
komen.
24
Komt in de nieuwe visie op ontwikkelingssamenwerking ook de samenwerking met religieuze
actoren, bijvoorbeeld op het gebied van humanitaire hulp en vredesopbouw?
Antwoord
De adviesaanvraag aan de AIV is gericht op elementen voor de Nederlandse visie en
inzet op ontwikkelingssamenwerking in 2040, als onderdeel van het buitenlandbeleid.
Daarbij is de AIV gevraagd om onder meer in te gaan op de doelstelling van ontwikkelingssamenwerking,
mogelijke bijdragen vanuit ontwikkelingssamenwerking aan democratie en rechtsorde,
de rol van de EU, en mondiaal bestuur. Het is aan de AIV om verder invulling te geven
aan het advies. Verwachting is dat de visie van het kabinet, mede op basis van het
AIV-advies, zich zal concentreren op de grote lijnen richting 2040.
25
Voor welke hervormingen van multilaterale organisaties zet Nederland zich in?
Antwoord
Voor Nederland is het van belang dat het multilaterale stelsel van samenwerking tussen
landen blijft bestaan en bestendigd wordt. In dat kader steunt Nederland ook het VN80-initiatief,
dat in maart 2025 door de Secretaris-Generaal is gelanceerd om de VN effectiever,
efficiënter en financieel gezonder te maken. Het VN80-initiatief richt zich op de
gehele VN en werkt langs drie lijnen aan een sterkere en meer slagvaardige VN; het
doorvoeren van kostenbesparingen. Een slanker en goedkoper VN-secretariaat, een kritische
herijking van de taken (mandaten) die lidstaten aan de VN hebben toevertrouwd, en
bredere hervormingen van het VN-stelsel als geheel. Daarbij zet Nederland in op het
bescherming van het VN-Handvest en de drie pijlers: vrede & veiligheid, mensenrechten
en duurzame ontwikkeling.
Veel efficiëntiewinst is te behalen door het tegengaan van overlap, onder meer door
gezamenlijke programmering, betere coördinatie op landenniveau en het samenvoegen
van organisatieonderdelen. Nederland geeft daarbij prioriteit aan zes onderdelen van
de VN-hervormingsagenda: 1) het vergroten van de effectiviteit van VN-vredesmissies,
2) een meer effectieve VN-inzet op grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme,
3) efficiëntere ontwapeningsarchitectuur, 4) bescherming van de mensenrechtenpijler,
5) versterken van de coherentie van ontwikkelingsprogramma’s op landenniveau en 6)
transitie van UNAIDS.
26
Wat zijn uw concrete plannen voor de voorgenomen intensivering op vrouwenrechten?
(p.8) Welke additionele financiële inzet is daarvoor voorzien? Het amendement Hirsch
voorziet in budget voor vrouwenrechten tot en met 2027, maar hoe regelt u dit daarna?
Hoe worden (lokale) vrouwenrechtenorganisaties betekenisvol betrokken bij deze intensivering?
Antwoord
Conform het Coalitieakkoord heeft het kabinet intentie om te intensiveren op onder
andere vrouwenrechten, zowel financieel als bijvoorbeeld diplomatiek. Bij de opstelling
van de begroting 2027 wordt gekeken naar de mogelijkheden.
In afwachting daarvan heeft het kabinet in de Voorjaarsnota voor zowel 2026 als 2.027
EUR 5 mln extra beschikbaar gemaakt voor deze inzet. Dit wordt onder andere gebruikt
voor de nieuwe bijdrage aan het Leading from the South Pooled Fund, alsmede een bijdrage
in 2026 van 2 miljoen euro aan het VN Trust Fund on the Elimination of Violence against Women (onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting 2026 en de eerste suppletoire begroting.
Beide fondsen ondersteunen rechtstreeks lokale vrouwenrechtenorganisaties in het mondiale
zuiden. Deze partners zijn een waardevolle bron van informatie over de realiteit en
behoeften van vrouwenrechtenorganisaties wereldwijd. Daarnaast is er op deze thema’s
doorlopend overleg met het maatschappelijk middenveld in en buiten Nederland. Toekomstige
intensiveringen zullen – zoals altijd – mede gebaseerd zijn op de inzichten die dit
deze organisaties brengen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. den Hollander, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
Drs. M.J. van der Leeden, griffier