Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 843 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 april 2026
Met belangstelling heeft de regering kennisgenomen van de vragen van de leden van
de fracties van het CDA, de PVV, D66, GroenLinks-PvdA, de SP, de ChristenUnie en de
VVD over dit wetsvoorstel. De regering dankt de leden voor hun inbreng.
In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen en opmerkingen
van de leden van de fracties. Bij de beantwoording van de vragen is de volgorde van
het verslag aangehouden. De oorspronkelijke tekst van het verslag is daarbij integraal
overgenomen in deze nota en cursief weergegeven. Na de passages met de vragen en opmerkingen
volgt telkens de reactie van de regering. In een enkel geval zijn vragen gegroepeerd
en gezamenlijk beantwoord.
Inhoudsopgave
Algemeen
2
1.
Inleiding
2
2.
Implementatiewetgeving
4
3.
Hoofdlijnen van het voorstel
5
4.
Nadere uitwerking vergunningsplicht in het Arbeidsomstandighedenbesluit
11
5.
Verhouding tot hoger recht
16
6.
Verhouding tot nationale regelgeving
16
7.
Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
16
8.
Uitvoering
16
9.
Toezicht en handhaving
20
10.
Financiële gevolgen
21
11.
Evaluatie
22
12.
Advies en consultatie
22
13.
Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
23
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben een aantal vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog een aantal vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet in verband met de invoering van een vergunningplicht voor
bepaalde asbestwerkzaamheden. Deze leden onderschrijven het belang van een hoog beschermingsniveau
voor werknemers die met asbest werken en erkennen de noodzaak om Richtlijn (EU) 2023/2668
zorgvuldig te implementeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet,
waarin een nieuwe vergunningplicht voor bepaalde asbestwerkzaamheden wordt geïntroduceerd
ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 en treden daaromtrent nog in het ongewis
over enkele zaken, daaruit voortvloeiend hebben zij de volgende vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben naar aanleiding
van dit wetsvoorstel nog enkele vragen.
De regering waardeert de gestelde vragen zeer. Dat geldt ook voor het onderschrijven
van het belang van een hoog beschermingsniveau voor werknemers die met asbest werken
en de erkenning van de noodzaak om de Richtlijn zorgvuldig te implementeren.
Goede arbeidsomstandigheden zijn van cruciaal belang voor een gezonde samenleving.
We moeten zorgen dat werkenden nu, maar ook later, gezond blijven en niet ziek worden
van of zelfs doodgaan door werk. De regering streeft naar nul doden door werk («zero
death») en zo weinig mogelijk arbeidsongevallen en zieken door werk. In het najaar
van 2023 heeft het kabinet daarom de Arbovisie 2040 uitgebracht. De voorgenomen wijzigingen
in de wet- en regelgeving voor het werken met asbest, dragen bij aan deze ambitie.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de nieuwe situatie wordt beoogd «een aanzienlijke verbetering in het
naleefgedrag te bewerkstelligen: geen slecht presterende bedrijven meer die herhaaldelijk
zware overtredingen begaan en het minimaliseren van het aantal matig presterende bedrijven».
Deze leden vragen de regering hoe deze doelstelling wordt geoperationaliseerd en op
welke wijze het naleefgedrag wordt gemonitord. Deze leden vragen tevens of extra stappen
worden overwogen als de doelstellingen niet worden gehaald.
De beoogde verbetering in het naleefgedrag wordt voor een belangrijk deel geoperationaliseerd
via de vergunningplicht. Een vergunning kan worden geweigerd, geschorst of ingetrokken,
bijvoorbeeld als een bedrijf herhaaldelijk zware overtredingen begaat. Een dergelijk
bedrijf heeft dan geen toegang meer tot de markt. Als bedrijven de regelgeving goed
naleven, kunnen zij dergelijke consequenties voorkomen. De Arbeidsinspectie houdt
risicogericht toezicht en heeft informatie over het naleefgedrag. Een jaar na inwerkingtreding
voert de regering een invoeringstoets uit op de gewijzigde regelgeving. De regering
zal op dat moment besluiten welk moment zich het beste leent voor een evaluatie. Die
evaluatie zal zich onder andere richten op ontwikkelingen in het naleefgedrag. De
regering verwacht de evaluatie twee tot drie jaar na inwerkingtreding te starten.
Mocht de doelstelling niet worden gehaald, dan zullen extra stappen worden overwogen.
Of extra stappen nodig zijn en welke dan effectief zijn, hangt uiteraard af van de
uitkomsten van de evaluatie.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de overweging geen nadere kwantificering te geven van de
doelstelling om het aantal matig presterende bedrijven te minimaliseren. Deze leden
begrijpen dat het lastig is een doelstelling te formuleren, aangezien de genoemde
naleefcijfers betrekking hebben op de bedrijven die momenteel gecertificeerd zijn
en dus niet op de bedrijven die ook onder de doelgroep gaan vallen vanwege de vergunningplicht.
Deze leden zijn wel van mening dat het goed is een doelstelling te formuleren, zodat
in de toekomst beter geëvalueerd kan worden over de mate waarin bedrijven goed presteren
en vragen de regering of zij een streefcijfer kan formuleren wat betreft het percentage
goed, matig en slecht presterende bedrijven.
In de memorie van toelichting staat dat wordt beoogd dat er geen slecht presterende
bedrijven meer zijn die herhaaldelijk zware overtredingen begaan.
Het is de bedoeling dat deze bedrijven geen vergunning krijgen of behouden en dus
niet op de markt mogen opereren. Het streefcijfer voor slecht presterende bedrijven
is dus 0. Het is inderdaad lastig daarnaast een kwantitatieve doelstelling te formuleren
voor de goed en matig presterende bedrijven. In de memorie van toelichting is daarom
geschreven dat het streven is dat de meeste bedrijven goed gaan presteren. Bij voorkeur
is het aandeel goed presterende bedrijven dus 100% en dat is in principe ook het streefcijfer.
Daarnaast constateren de leden van de ChristenUnie-fractie dat dit wetsvoorstel voorziet
in een grondslag om in de toekomst voor het bewerken van asbest een vergunning te
kunnen verplichten. Deze leden vragen waarom de regering er niet voor kiest nu al
een vergunningplicht in te voeren voor het bewerken van asbest, aangezien het bewerken
van asbest ten minste net zo gevaarlijk is voor de gezondheid als het verwijderen
van asbest.
Bovendien is het bevorderen van de gezondheid en veiligheid van medewerkers een belangrijk
doel van dit wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering graag een toelichting op
dit punt en of de regering dit punt zou willen heroverwegen.
Het wetsvoorstel voorziet in een vergunningplicht voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden,
zoals rechtstreeks voortvloeit uit de Richtlijn. Op basis van de richtlijn is het
niet verplicht om een vergunningplicht in te voeren voor het bewerken van asbest.
Het bewerken van asbest is in beginsel verboden op grond van het Productenbesluit
asbest, maar bepaalde bewerkingen zijn toegestaan omdat zij onvermijdelijk zijn. Deze
toegestane bewerkingen worden momenteel herzien door de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat. Zolang deze beleidsontwikkeling nog loopt, vindt de regering het niet
wenselijk om vooruitlopend daarop een vergunningplicht voor bewerken in te voeren.
De grondslag is verder ook opgenomen vanwege onzekerheden over de afbakening tussen
bewerken en verwijderen. Het is op dit moment nog niet helemaal duidelijk of werkzaamheden
die in de Nederlandse regelgeving worden gezien als bewerken volledig buiten de Europese
begrippen sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden vallen, omdat deze begrippen
in de Richtlijn niet zijn gedefinieerd. In de memorie van toelichting is een uitleg
gegeven over het onderscheid tussen bewerken en verwijderen. Bewerken is niet gericht
op het verwijderen van asbest, hoewel dat soms ook in enige mate een onvermijdelijk
gevolg is van een bewerkingshandeling, maar op het veranderen van de hoedanigheid
van een asbesttoepassing. Door nu een grondslag op te nemen, kan in een later stadium
alsnog worden besloten of en voor welke bewerkingen een vergunningplicht noodzakelijk
is. Als dat gewenst is, moet ook de haalbaarheid bekeken worden. Dat gebeurt in overleg
met alle ketenpartners, met name de vergunningverlenende instantie en toezichthouders.
Ten slotte is het introduceren van een vergunningplicht voor sloop- en asbestverwijdering
op zichzelf al vrij ingrijpend. Het nu al invoeren van een vergunningplicht voor het
bewerken zou het implementeren van de Richtlijn complexer en omvangrijker maken en
het risico op verdere vertraging vergroten.
2. Implementatiewetgeving
In de memorie van toelichting lezen de leden van de JA21-fractie dat sprake is van een rechtstreekse implementatie van de richtlijn, met enkele nationale
aanvullingen zoals de Bibob-grondslag en een toekomstige vergunningplicht voor bewerken
van asbest. Kan de regering beknopt of schemagewijs aangeven welke elementen rechtstreeks
en verplicht uit de richtlijn voortvloeien, en welke elementen uit nationale beleidsruimte
komen (waaronder Bibob, VOG-plicht en mogelijke vergunningplicht voor bewerken)?
De volgende elementen uit het wetsvoorstel vloeien rechtstreeks en verplicht voort
uit de Richtlijn:
− De verplichting dat bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten
voorafgaande aan de werkzaamheden over een vergunning moeten beschikken.
− De eis dat bij de vergunningaanvraag een bewijs van naleving van artikel 6 van de
Richtlijn wordt overgelegd.
− De verplichting tot openbaarmaking van vergunningen.
De volgende elementen zijn ingevuld op basis van nationale beleidsruimte:
− Inzet van de Wet Bibob.
− Het opnemen van een grondslag voor een mogelijke toekomstige vergunningplicht voor
het bewerken van asbest.
− De keuze om vergunningen voor onbepaalde tijd te verlenen (met een uitzondering voor
bedrijven waar het naleefgedrag aanleiding geeft voor een tijdelijke vergunning).
− De keuze om geen leges te heffen voor de vergunningverlening.
− De grondslag om meldingen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) te laten verlopen.
− De grondslag om het normadressaat in het Arbeidsomstandighedenbesluit uit te kunnen
breiden.
3. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de D66-fractie merken op dat het verbeteren van het zicht op de markt van asbestverwijdering wenselijk
is gegeven de prestaties naar aanleiding van het certificeringsstelsel. Daarbij hebben
deze leden een aantal vragen naar aanleiding van dit rapport. Op de eerste plek ten
aanzien van deze markt. Wat zijn de inschattingen van het effect van deze wijzigingen
ten aanzien van de sector? Wordt er verwacht dat er eenzelfde aantal bedrijven actief
zal blijven of dat het vergunningstelsel drempelverhogend zal werken met een krimpend
aanbod tot gevolg? Of vormt het vergunningsstelsel een juist veel lagere drempel waardoor
meer concurrentie zal ontstaan? Hoe staat dit in verhouding tot de te verwachten vraag
van asbestverwijdering, -advies en andere gerelateerde zaken?
De regering verwacht dat het vergunningstelsel leidt tot een meer inzichtelijke en
beter controleerbare markt. Voor (nalevende) bedrijven die al met een certificaat
werken, is er geen sprake van een drempelverhogende werking. Voor bedrijven die werkzaamheden
verrichten waarvoor nu geen certificering vereist is, vormt de vergunningplicht in
sommige gevallen een hogere drempel. De differentiatie in de vergunningplicht (strengere
eisen bij een hoger blootstellingsrisico, maar lager waar het kan) beperkt deze drempelverhoging
zoveel mogelijk. Ook is er daarom voor gekozen om geen leges te heffen.
Juist in een sector waar de gezondheidsrisico’s groot zijn en naleving onder druk
staat, is het gerechtvaardigd dat er strenge eisen gelden voor bedrijven die deze
werkzaamheden mogen uitvoeren. De vergunningplicht geeft duidelijkheid aan de markt
welke bedrijven asbest mogen verwijderen. Tegelijkertijd is duidelijk dat de vraag
naar asbestverwijdering voorlopig niet zal afnemen. Het is dus ook belangrijk dat
er voldoende bedrijven op de markt actief blijven. Maar dit moet wel gebeuren op een
manier waarbij de gezondheid van werknemers niet op het spel staat. Daarbij is het
gunstig dat door de Richtlijn de regelgeving in Europa meer geharmoniseerd wordt.
Dat maakt inzet van bedrijven en werknemers uit andere lidstaten mogelijk eenvoudiger.
Bij de invoeringstoets en de evaluatie wordt nagegaan welke effecten de nieuwe regelgeving
heeft op de markt. De invoeringstoets zal één jaar na inwerkingtreding starten en
de evaluatie ongeveer twee tot drie jaar na inwerkingtreding.
De leden van de VVD-fractie nemen kennis van het voornemen van de regering om het bewijs van naleving in belangrijke
mate vorm te geven via certificering, mogelijk met verschillende niveaus afhankelijk
van het risico van de werkzaamheden. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten
op welke wijze bij de nadere uitwerking wordt geborgd dat deze differentiatie voor
bedrijven, toezichthouders en opdrachtgevers helder en eenduidig is. Hoe wordt voorkomen
dat discussie ontstaat over de vraag welk niveau van bewijs van naleving in een concreet
geval volstaat, en welke rol speelt de vergunningverlener daarbij?
In de conceptwijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn de verschillende
niveaus van vergunningen uitgewerkt aan de hand van concrete omschrijvingen van asbesttoepassingen.
Dit is een robuuste, eenduidige indeling. Bij een asbestinventarisatie zal het bureau
dat de inventarisatie verricht aangeven onder welk type vergunning een aangetroffen
asbesttoepassing valt. Het instrument SMART-ns, dat bedoeld is om de blootstelling
te schatten, geeft dit ook aan. Het is daarmee duidelijk welk type vergunning nodig
is. Daarnaast worden bedrijven ondersteund door nog te ontwikkelen communicatiemiddelen.
De vergunningverlener speelt geen rol in het bepalen in welke categorie een specifieke
asbesttoepassing valt. Een bedrijf zal voor zichzelf moeten vaststellen welk type
vergunning nodig is aan de hand van de werkzaamheden die worden uitgevoerd. Toezichthouders
kunnen constateren dat de juiste vergunning ontbreekt. Dit kan gevolgen hebben voor
de vergunning van het bedrijf.
Welk bewijs van naleving vereist is, hangt af van het type vergunning dat wordt aangevraagd.
Dit is in de Arboregeling omschreven.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het hoofddoel van het wetsvoorstel lijkt te zijn gericht op het beperken
van administratieve lasten. Deze leden lezen dat hier in de inleiding van het wetsvoorstel
veel aandacht aan wordt besteed, evenals bij verschillende onderdelen, zoals de varianten
van certificering. Deze leden vragen de regering of zij deelt dat wetgeving altijd
een afweging vergt tussen doelbereik en administratieve lasten en hoe het doelbereik
in dit wetsvoorstel concreet is meegewogen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe blijkt dat het doelbereik
expliciet is afgewogen ten opzichte van het beperken van administratieve lasten. Deze
leden vragen om een onderbouwing.
De Richtlijn stelt een aantal eisen waaraan moet worden voldaan, zoals een vergunningplicht.
Bij de concrete uitwerking in nationale wetgeving is het nodig om een aantal aspecten
nader in te vullen, waaronder het bewijs van naleving. De regering onderschrijft dat
wetgeving altijd een afweging vereist tussen doelbereik en (administratieve) lasten.
In dit wetsvoorstel is het belangrijkste doel het versterken van de bescherming van
werknemers en het weren van structureel slecht nalevende bedrijven. Dat doel is leidend.
Tegelijkertijd is uitgebreid nagedacht over hoe de regelgeving uitvoerbaar en betaalbaar
kan blijven. Onder andere om slechte naleving te voorkomen als de regelgeving te hoge
drempels zou opwerpen en niet goed uitvoerbaar zou zijn. Er is namelijk ook een maatschappelijk
belang om het asbest te verwijderen, vanwege risico’s voor de gezondheid. Om de regelgeving
uitvoerbaar te maken, is bijvoorbeeld gekozen voor vergunningen zonder leges en voor
onbepaalde tijd (met een uitzondering voor bedrijven waar het naleefgedrag aanleiding
geeft tot een tijdelijke vergunning). Deze keuzes verminderen administratieve lasten
voor bedrijven zonder het doelbereik aan te tasten.
Intrekking van vergunningen en het afgeven van tijdelijke vergunningen blijft mogelijk
indien daar aanleiding toe is. De beperking van lasten is dus geen doel op zich, maar
wel een belangrijke voorwaarde voor een uitvoerbaar en effectief stelsel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe zij in dit kader de
optie beoordeelt om vergunningen voor bepaalde tijd af te geven, mede indachtig hetgeen
uit de internetconsultatie is gebleken.
De optie om vergunningen voor bepaalde tijd te verlenen is betrokken bij de afwegingen,
onder meer naar aanleiding van de internetconsultatie en opmerkingen van de VNG, die
pleitte voor een vergunning voor bepaalde tijd. De regering heeft echter gekozen voor
een vergunning voor onbepaalde tijd om de administratieve lasten te beperken, met
de mogelijkheid om bedrijven wel een tijdelijke vergunning te geven wanneer daar aanleiding
voor is. Als daar aanleiding toe is, kan een vergunning worden omgezet in bepaalde
tijd, of worden geschorst of ingetrokken.
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of de kans niet groter wordt
dat er na vergunningverlening door de bedrijven passiever omgegaan zal worden met
de wet.
Als een bedrijf veelvuldig zware overtredingen begaat, kan de vergunning worden ingetrokken.
Daarvoor wordt toezichtsinformatie gebruikt. Het is dus niet verstandig en aannemelijk
dat een bedrijf passief omgaat met de wet. Ook het bewijs van naleving, in de meeste
gevallen een procescertificaat, zorgt voor borging van een goede uitvoering. Met deze
aanpak voorkomen we dat een bedrijf zich alleen inspant voor de vergunningverlening
en dat de aandacht voor naleving daarna afzwakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of artikel 6 van de asbestrichtlijn
wel voldoende doorgevoerd is omdat er geen manier gevonden lijkt te zijn om voor bewijs
van naleving te zorgen. Deze leden vragen hoe een betere invulling gegeven kan worden
aan artikel 6 van de richtlijn.
Artikel 6 van de Richtlijn is geïmplementeerd in het Arbobesluit en daarmee voldoende
doorgevoerd. Volgens de Richtlijn moet een bedrijf beschikken over een bewijs van
naleving van dit artikel om een vergunning aan te kunnen vragen. Dit is ingevuld met
een certificaat op twee niveaus, afhankelijk van de hoogte van het potentiële risico.
Voor een heel laag potentieel risico is dat meestal een erkende werkmethode op basis
van een advies van het Validatie- en Innovatiepunt Asbest (VIP). Zowel de erkende
werkmethoden als het nog te ontwikkelen processchema geven een goede invulling van
het bewijs van naleving van artikel 6.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe de verschillende varianten
van certificering zijn beoordeeld en op basis van welke criteria een keuze is gemaakt.
De Richtlijn schrijft een «bewijs van naleving» voor bij de vergunningaanvraag. De
regering is van mening dat certificering hiervoor de beste invulling is. Bij certificering
is sprake van een toets op het kwaliteitssysteem en de juiste uitvoering in de praktijk
door een onafhankelijke deskundige partij. De zwaarte van de certificering is afgestemd
op de hoogte van het risico. Certificering is volgens de bestaande regelgeving verplicht
voor werkzaamheden waarbij de blootstelling boven de grenswaarde uitkomt en is dus
een bestaand instrument. Er is gekozen om het huidige niveau van certificering te
continueren voor de meest risicovolle werkzaamheden, waarbij de potentiële blootstelling
hoog is. Voor de minder risicovolle werkzaamheden volstaat een lichter niveau van
certificering. Daarnaast is geconstateerd dat er ook werkzaamheden zijn waar het risico
zo beperkt is, dat ook de lichte vorm van certificering onevenredig zou zijn. Daarvoor
is certificering niet verplicht, maar volstaat een erkende werkmethode.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of is overwogen om vergunningen te
weigeren indien blijkt dat bedrijven slecht omgaan met personeel of structureel op
een onveilige wijze werken.
Slecht naleefgedrag kan inhouden dat een bedrijf zijn werknemers aan te grote risico’s
blootstelt. In het wetsvoorstel is daarom gekozen voor een systeem waarbij beschikbare
toezichtsinformatie wordt betrokken bij de beoordeling van een vergunningaanvraag.
Slecht naleefgedrag van de geldende voorschriften kan leiden tot het niet verlenen,
schorsen of intrekken van een vergunning. Daarnaast zorgt het verplicht stellen van
een VOG-rechtspersoon ervoor dat bedrijven die niet voldoen aan het nader vast te
stellen screeningsprofiel niet in aanmerking komen voor een vergunning. Tenslotte
biedt de inzet van de Wet Bibob de mogelijkheid om vergunningen te weigeren als uit
onderzoek blijkt dat er sprake is van ernstige integriteitsrisico’s.
De weigerings- en intrekkingsgronden worden verder uitgewerkt, onder andere met een
afwegingskader en/of beleidsregel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe wordt omgegaan met bedrijven die
werken met zelfstandigen zonder personeel, al dan niet via onder aanneming, of met
zzp’ers zelf. Deze leden vragen of deze bedrijven onder de reikwijdte van de wet vallen,
wat de richtlijn hierover bepaalt en welk beleid er op dit punt is en hoe de mensen
dus optimaal beschermd worden.
Volgens de Richtlijn moeten ondernemingen die werkzaamheden in verband met sloop of
asbestverwijdering willen uitvoeren, vóór aanvang van de werkzaamheden over een door
de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning beschikken. De uitleg van onderneming
is: elke entiteit die een economische activiteit uitvoert, ongeacht haar rechtsvorm
en wijze van financiering. Dit betekent dat ook bedrijven die werken met zelfstandigen
zonder personeel, al dan niet via onderaanneming, of zzp’ers zelf een vergunning moeten
aanvragen als ze werkzaamheden uitvoeren in verband met sloop- of asbestverwijdering.
Het kan ook zijn dat een zelfstandige zonder personeel zelf over een vergunning beschikt
en in opdracht van een bedrijf asbest verwijdert. In dat geval hoeft het opdrachtgevende
bedrijf daarvoor geen vergunning te hebben. Als zelfstandigen zonder personeel de
kosten voor een vergunning te hoog vinden in verhouding tot het beperkte aantal asbestprojecten,
kunnen ze het verwijderen van asbest uitbesteden aan andere bedrijven die in het bezit
zijn van een vergunning.
Tevens vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de regering vertrouwen heeft
in de juiste bescherming en opleiding van mensen, met name arbeidsmigranten die via
uitzendbureaus ingehuurd worden. Ook vragen deze leden of een taalprobleem in algemene
zin een probleem kan worden bij de naleving van het besluit.
Het wetsvoorstel en de wijziging van lagere regelgeving borgen de bescherming en opleiding
van werknemers via voorlichtings- en opleidingsvereisten. Bij de vergunningaanvraag
en bij elke melding voor de start van een project moet een bewijs worden meegestuurd
waaruit blijkt dat werknemers een erkende opleiding hebben gevolgd. Het is de bedoeling
dat hiervoor het registratienummer uit het op te richten register gezond en veilig
werken met asbest wordt gebruikt.
De verantwoordelijkheid voor een veilige werkomgeving ligt primair bij de werkgever
die de werkzaamheden laat uitvoeren. Werkgevers moeten zorgen dat werknemers beschermd
zijn, de risico’s van asbest begrijpen en weten hoe zij volgens de geldende voorschriften
moeten handelen. Deze vereisten gelden voor alle werkgevers en werknemers, ook voor
arbeidsmigranten. Buitenlandse werknemers moeten ook een opleiding hebben gevolgd
die voldoet aan de regelgeving. Deze moet een werkgever gratis aanbieden.
Daarnaast geldt de taaleis uit artikel 1.5ha van het Arbobesluit ook voor het uitvoeren
van werkzaamheden aan asbest. Dit betekent dat degenen die deze werkzaamheden verrichten,
de Nederlandse taal of een andere gemeenschappelijke taal moeten beheersen op het
niveau dat nodig is om de werkzaamheden op verantwoorde wijze te kunnen verrichten.
Als uit toezicht blijkt dat bedrijven tekortschieten in het beschermen of instrueren
van werknemers, kan dit leiden tot handhavend optreden. Indien sprake is van ernstige
of herhaalde overtredingen, zal dit gevolgen hebben voor de vergunning.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen over de reikwijdte
van de wet. Zo vragen deze leden of uit de richtlijn niet voortvloeit dat bewerken
van asbest onder de definitie van slopen en verwijderen valt. Asbest kan ook niet
bewerkt worden zonder sloop- of verwijderwerkzaamheden. Deze leden vragen hierop een
reflectie. Deze leden vragen of het bewerken van asbest ook niet in de wet opgenomen
moet worden.
Asbest bewerken is verboden, op een aantal uitzonderingen na. Asbest kan dan worden
bewerkt, zonder het te slopen of te verwijderen. Een voorbeeld is het maken van een
nieuwe aansluiting op een asbestcement rioolbuis. De regering kiest voor een afgebakende
implementatie van de Richtlijn door een vergunning verplicht te stellen voor het slopen
of verwijderen van asbest. Wel is in het wetsvoorstel een grondslag opgenomen om in
de toekomst ook een vergunning voor het bewerken te verplichten. Zie voor de argumentatie
hiervoor ook het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie
(hoofdstuk 1).
De leden van de CDA-fractie vragen of uiteengezet kan worden welke regelgeving op dit moment geldt voor bedrijven
die certificering van asbestsaneringsbedrijven uitvoeren. Deze leden vragen of hierbij
ook ingegaan kan worden op de voorwaarden waaraan deze bedrijven moeten voldoen en
wie daar toezicht op houdt.
Certificerende instellingen die asbestverwijderingsbedrijven certificeren, worden
aangewezen door de Minister van SZW op grond van artikel 20, lid 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Om te worden aangewezen moeten deze instellingen aan de voorwaarden uit artikel 1.5b
van het Arbobesluit voldoen. Dit zijn onder andere eisen aan de bekwaamheid, inhoudelijke
kennis, onpartijdigheid, vertrouwelijkheid van de instelling en haar personeel. Ook
moet een certificerende instelling beschikken over een geldige accreditatie van de
Raad voor Accreditatie (RvA). De RvA controleert periodiek of instellingen nog aan
de gestelde eisen voldoen. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de werking van het
certificatiestelsel als geheel (systeemtoezicht). Zij houdt ook toezicht op de juiste
werkwijze van certificerende instellingen en treedt zo nodig handhavend op.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering concreet uiteen kan zetten welke typen bedrijven (aantallen,
sectoren en omvang) onder de nieuwe vergunningplicht zullen vallen, met bijzondere
aandacht voor onderhouds- en installatiebedrijven die slechts incidenteel met asbest
in aanraking komen.
De vergunningplicht is van toepassing op alle bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden
uitvoeren. Volgens de impactanalyse van Panteia1 bevinden deze bedrijven zich voornamelijk in de volgende sectoren: algemene burgerlijke-
en utiliteitsbouw, onderhoud zoals schilders en glaszetters, grond-, water en wegenbouw,
installatiebranche, industrie, netbeheer, waterbedrijven, autobedrijven en gespecialiseerde
asbestsaneerders. Op basis van de impactanalyse van Panteia is het aantal vergunningen
minimaal 4.350 en maximaal 9.000. Daarbij heeft Panteia aangegeven dat het lagere
aantal vergunningen plausibel is.
Het minimale aantal van 4.350 wordt bevestigd met cijfers over het aantal bedrijven
dat nu asbestafval meldt. Panteia stelt dat het maximale aantal ook mogelijk is. Dat
zou echter betekenen dat veel bedrijven zich nu niet houden aan verplichtingen om
asbestafval te melden. Panteia heeft aangegeven dat de getallen zich zeer lastig laten
inschatten.
Asbest is in het verleden op grote schaal toegepast in zeer veel verschillende toepassingen.
Daardoor kunnen in theorie alle bedrijven die werkzaamheden verrichten in bijvoorbeeld
gebouwen en installaties van voor 1994 in aanraking komen met enige toepassing van
asbest. Lang niet alle bedrijven zullen er echter voor kiezen daarbij het asbest ook
te verwijderen, voor zover dat al nodig is bij het verrichten van hun werkzaamheden.
Bedrijven die incidenteel asbest moeten verwijderen, kunnen er ook voor kiezen om
geen vergunning aan te vragen en het verwijderen van asbest uit te besteden aan andere
bedrijven. De regering vindt het vanuit oogpunt van gezond en veilig werken een goede
ontwikkeling dat bedrijven een bewuste keuze maken om asbest wel of niet te verwijderen.
Het is belangrijk dat bedrijven die daarvoor kiezen aan de voorwaarden voldoen die
nodig zijn om werknemers te beschermen. Het is nadrukkelijk ook de doelstelling van
de aanscherping van de Richtlijn dat wordt tegengegaan dat bedrijven ondeskundig asbest
verwijderen en werknemers onnodig gezondheidsrisico’s lopen.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering het risico reëel acht dat kleinere
MKB-ondernemingen dergelijke werkzaamheden geheel zullen staken wegens de zwaarte
van de vergunning en certificeringsvereisten (opleiding, bewijs van naleving, VOG,
aanvraagproces), en zo nee, waarop is dat oordeel gebaseerd.
Het is mogelijk dat kleinere MKB-ondernemingen het verwijderen van asbest geheel zullen
staken. Zij zullen de afweging moeten maken om dat te blijven doen, en dus voldoen
aan de voorwaarden, of het werk aan andere bedrijven over te laten. Het aanvragen
van een vergunning is een verplichting uit de Richtlijn. Het aanvragen daarvan, is
in principe een eenmalige actie en een beperkte inspanning, tenzij er aanleiding is
geweest een bedrijf alleen een tijdelijke vergunning te verstrekken. Een bedrijf dat
asbest verwijdert moet overigens nu ook al aan een aantal voorwaarden voldoen, bijvoorbeeld
zorgen voor opgeleid personeel. Door de Richtlijn worden de eisen daaraan aangescherpt.
Afhankelijk van de soort asbesttoepassing die een klein MKB-bedrijf verwijdert, zal
ook een certificaat nodig zijn. Volgens Panteia bedragen de jaarlijkse kosten daarvan
€ 4.800 per jaar. Als de opbrengst van het verwijderen van asbest waarvoor certificering
nodig is, lager is dan deze orde van grootte, zal een bedrijf mogelijk kiezen deze
werkzaamheden niet meer te doen. Het is daarbij overigens de vraag of het voor een
dergelijk bedrijf in de huidige situatie wel lonend is, omdat er nu ook al inspanningen
nodig zijn om aan de huidige voorwaarden te voldoen. Juist om de kleinere MKB-ondernemingen, die zich niet voornamelijk toeleggen op asbestwerkzaamheden, tegemoet
te komen, heeft de regering differentiatie aangebracht in het vergunningstelsel. Werkzaamheden
met lagere risico’s kunnen in de categorie beperkt met relatief weinig extra lasten
worden uitgevoerd.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de gekozen systematiek zich verhoudt tot het
uitgangspunt dat bij nieuwe regelgeving de minst belastende, doelmatige variant wordt
gekozen. Is een volwaardige nul variant of lichter alternatief (bijvoorbeeld een meldplicht
of beperkte certificering voor lage risicowerkzaamheden) vergeleken, en kan de regering
die vergelijking met de Kamer delen?
In de memorie van toelichting is beschreven hoe enerzijds is gezocht naar een adequate
invulling van het «bewijs van naleving», zoals de Richtlijn voorschrijft, en anderzijds
naar een invulling die risicogericht is en daarmee de kosten voor de bedrijven beperkt.
De uitkomst daarvan is dat geen certificering wordt voorgeschreven voor werkzaamheden
met een laag risico en een beperkte certificering voor werkzaamheden met een middelhoog
risico. Een meldplicht, zoals in de vraag als alternatief wordt genoemd, is een aparte
verplichting die de Richtlijn al voorschrijft en zou geen invulling kunnen zijn van
een bewijs van naleving.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest geen leges te heffen. In de memorie van toelichting
noemt de regering dat op grond van het rapport «Maat houden» in beginsel kosten moeten
worden doorberekend voor vergunningen omdat bedrijven profijt hebben van de vergunningen,
maar dat zij hier in dit geval niet voor kiest, aangezien op deze manier de lastendruk
verlicht wordt en de verschillen in profijt tussen bedrijven groot zouden zijn. Deze
leden vragen hoe dit past in vergelijking met andere vergunningstelsels. Geldt het
argument van lastendruk daar niet, en bestaan daar geen verschillen in profijt tussen
bedrijven?
Hoewel het uitgangspunt inderdaad is dat kosten voor vergunningverlening worden doorberekend,
heeft de regering er in dit geval voor gekozen geen leges te heffen. De reden hiervoor
is om stapeling van lasten bovenop certificeringskosten en andere kosten die bedrijven
moeten maken naar aanleiding van de wijzigingen in de regelgeving te voorkomen en
om de toegankelijkheid van de sector te waarborgen. Omdat asbest verwijderen ook het
algemeen belang dient, vindt de regering dit wenselijk.
Uit het rapport «Maat houden» volgt dat wanneer individuele of groepen van (rechts)personen
in grote mate profijt hebben bij toezicht en handhaving door de overheid, deze kosten
kunnen worden doorberekend. Meestal is sprake van profijt wanneer een vergunning vereist
is. Bij een groot deel van de bedrijven waarvoor de vergunningplicht gaat gelden is
daarvan echter geen sprake omdat het niet hun hoofdactiviteit is. De inschatting is
dat de verschillen in profijt groter zijn dan in andere vergunningstelsels. Ook daarom
is ervoor gekozen om geen leges te heffen.
De keuze om geen leges te heffen is niet gebaseerd op de praktijk in andere vergunningstelsels,
al is ook daar enige vrijheid in het beargumenteerd wel of niet heffen van leges.
Zo waren beschikkingen krachtens de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming voor
inwerkingtreding van de Omgevingswet vrijgesteld van leges. Dat was vanwege de lasten,
maar vooral omdat leges een negatieve prikkel vormden voor activiteiten voor een beter
milieu. Dit zijn vergelijkbare argumenten op basis waarvan in dit wetsvoorstel is
gekozen geen leges te heffen.
4. Nadere uitwerking vergunningsplicht in het Arbeidsomstandighedenbesluit
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat uit cijfers van de Nederlandse Arbeidsinspectie blijkt dat slechts
19% van de gecertificeerde asbestbedrijven goed presteert, terwijl 63% matig en 18%
slecht presteert. Deze cijfers maken duidelijk dat het huidige certificeringsstelsel
geen betrouwbare garantie biedt voor veilig en zorgvuldig werken met asbest. Tegen
deze achtergrond vragen deze leden waarom de regering voornemens is juist ditzelfde
certificeringsstelsel opnieuw een centrale rol te geven als bewijs van naleving en
op welke wijze wordt voorkomen dat hierdoor een situatie van schijnveiligheid ontstaat.
In het huidige asbeststelsel is er inderdaad een groep bedrijven die de regelgeving
herhaaldelijk niet naleeft. Certificering is niet bedoeld om de naleving te verbeteren
van bedrijven die bewust overtredingen begaan. Certificering is bedoeld als kwaliteitsborging.
Door de introductie van de vergunningplicht wordt het beter mogelijk om slecht presterende
bedrijven van de markt te weren. De bedrijven die dan overblijven, zouden in beginsel
adequate naleving moeten nastreven en voor die bedrijven is certificering wel een
geschikt instrument. Er zijn wel mogelijkheden om een certificaat in te trekken, maar
dit blijkt lastig in de praktijk.
Zo komt het voor dat bedrijven een doorstart maken onder een andere naam nadat een
certificaat wordt ingetrokken. Ook wordt het intrekken van een certificaat in sommige
gevallen belemmerd door langlopende juridische procedures waardoor termijnen verstrijken
en het begaan van vergelijkbare overtredingen niet kan worden bestempeld als recidive.
Vergunningen en certificaten worden in het nieuwe stelsel complementair aan elkaar.
Het huidige systeem van certificering wordt aangepast om effectiever te zijn en wordt
meer dan nu gericht op kwaliteitsverbetering. Met de introductie van een publiek vergunningenstelsel
waarbij niet meer alleen het certificaat bepalend is voor de markttoegang maar een
van de voorwaarden wordt om de vergunning te verkrijgen, worden de publieke en private
belangen beter gescheiden.
De leden van de PVV-fractie achten een werkelijk risicogerichte aanpak noodzakelijk.
Werkzaamheden waarbij aantoonbaar onder de geldende grenswaarden wordt gewerkt, zouden
volgens hen moeten kunnen worden uitgevoerd op basis van gevalideerde werkmethoden
die zijn goedgekeurd door de Arbeidsinspectie, zonder dat een verplichte certificering
vereist is. Deze leden vragen de regering waarom deze mogelijkheid niet expliciet
als volwaardig alternatief in de regelgeving wordt vastgelegd.
De differentiatie in de vergunningplicht is risicogericht. Daarbij is er uitgegaan
van het potentiële risico op blootstelling van asbesttoepassingen. Bij werkzaamheden
aan de toepassingen in de categorie beperkt, is de kans klein dat de grenswaarde wordt
overschreden. Als borging is daarop in deze categorie meestal een erkende werkmethode
als bewijs van naleving voorgeschreven. Als erkende werkmethoden goed worden uitgevoerd,
zal ook bij asbesttoepassingen uit de hogere categorieën, onder de geldende grenswaarde
worden gewerkt. Dat is aangetoond met meetgegevens die bij het VIP zijn ingediend.
Als de erkende werkmethode in deze hogere categorieën echter niet goed wordt uitgevoerd,
kunnen er alsnog flink hogere blootstellingen optreden. Daarom is de regering van
mening dat er in dat geval een hogere borging in de vorm van certificering nodig is.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie aandacht voor de mogelijke disproportionele
gevolgen van een te rigide uitwerking van de vergunningplicht. Deze leden wijzen daarbij
op het risico van onnodige saneringen, hogere maatschappelijke kosten en het belemmeren
van innovatie. Deze lasten komen uiteindelijk terecht bij huurders en belastingbetalers,
hetgeen deze leden onwenselijk achten.
Met de leden van de PVV-fractie deelt de regering dat het onwenselijk zou zijn als
de vergunningplicht disproportionele gevolgen zou hebben. Daarom is steeds gezocht
naar een balans tussen een juiste uitwerking van de verplichtingen vanuit de Richtlijn
en het zoveel mogelijk beperken van de lasten. Daarbij is ook gekeken naar mogelijke
kostenbesparingen door wijzigingen in bestaande verplichtingen. Zo komt de verplichte
persoonscertificatie te vervallen, kan in sommige gevallen worden volstaan met bestaande
informatie in plaats van een asbestinventarisatie en zal in een groot aantal situaties
geen luchtmeting meer nodig zijn bij de eindbeoordeling.
Tot slot benadrukken de leden van de PVV-fractie dat het bieden van ruimte voor gevalideerde
werkmethoden nooit mag leiden tot verslapping van toezicht en handhaving. Tegen structureel
overtredende en malafide bedrijven moet hard en effectief worden opgetreden, zodat
veiligheid daadwerkelijk wordt gewaarborgd en goedwillende partijen niet worden benadeeld.
De regering is het eens met de leden van de PVV-fractie dat tegen structureel overtredende
en malafide bedrijven hard en effectief moet worden opgetreden.
Dankzij de vergunningplicht wordt het veel beter mogelijk om op te treden tegen dergelijke
bedrijven. Het is inderdaad belangrijk dat goedwillende bedrijven geen financieel
nadeel ondervinden ten opzichte van bedrijven die kosten besparen via slechte naleving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel op verschillende punten nog nader moet worden uitgewerkt
in lagere regelgeving. Deze leden vragen de regering om een overzicht te geven van
de onderdelen nog worden uitgewerkt, inclusief het tijdpad waarbinnen elk onderdeel
wordt afgerond. Deze leden vragen tevens waarom niet is gekozen om meer onderdelen
reeds inhoudelijk uit te werken en mee te nemen in het wetsvoorstel.
De regering heeft de lagere regelgeving tegelijk met deze nota naar aanleiding van
het verslag naar uw Kamer gestuurd. In de voorstellen tot wijziging van Arbeidsomstandighedenbesluit
2005, het Asbestverwijderingsbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Arbeidsomstandighedenregeling
zijn de nog openstaande punten uitgewerkt. In het wetsvoorstel zijn de hoofdlijnen
en de kaders uitgewerkt, de meer gedetailleerde onderdelen en uitvoeringsregels in
de lagere regelgeving. De hoofdelementen uit de wet zijn in het arbodomein meer kaderstellend
en bieden een grondslag voor nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur voor specifieke gevaren bij specifieke werkzaamheden. De wet gaf al voldoende
grondslagen voor de meeste van deze regels, maar bevatte nog geen mogelijkheid om
een werkend vergunningenstelsel in te voeren en meldingen te doen via het DSO. Ook
de huidige regels voor werken met asbest zijn op het niveau van een algemene maatregel
van bestuur uitgewerkt, met een meer technische uitwerking in een ministeriële regeling.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat pas op een later moment wordt
ingevuld hoe bedrijven uit andere lidstaten aan de vergunningsplicht moeten voldoen.
Deze leden vragen of de regering erkent dat dit kan leiden tot ontduiking en ontwijking.
Deze leden vragen waarom dit aspect niet nu al is uitgewerkt, welke routes de regering
voornemens is te bewandelen om dit te regelen en wanneer de Kamer hierover geïnformeerd
kan worden.
De nadere uitwerking van de wijze waarop bedrijven uit andere lidstaten aan de vergunningsplicht
moeten voldoen, is inmiddels opgenomen in de conceptwijziging van het Arbobesluit.
Het gewijzigde besluit treedt op hetzelfde moment in werking als de wet en is meegestuurd
met de beantwoording van deze vragen. De regels voor bedrijven uit andere lidstaten
gelden dus direct bij inwerkingtreding van de regelgeving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat ook de regels over het weigeren,
schorsen en intrekken van vergunningen van groot belang zijn voor de effectiviteit
van de wet. Deze leden vragen waarom hierover nog geen keuzes zijn gemaakt en waarom
deze informatie niet direct met het wetsvoorstel is meegestuurd.
In de bijgevoegde conceptregelgeving zijn de gronden verder uitgewerkt. Daarnaast
zal voor de inwerkingtreding een afwegingskader en/of beleidsregel worden opgesteld
om de regels voor het weigeren, schorsen en intrekken van vergunningen verder te concretiseren.
Ook vragen deze leden of bij de verdere uitwerking nadrukkelijk gekeken wordt of de
handhaving van bedrijven buiten Nederland mogelijk is en hoe die vormgegeven kan worden.
Bij de verdere uitwerking wordt hier zeker rekening mee gehouden. Het is belangrijk
dat ook buitenlandse bedrijven aan de Nederlandse wet- en regelgeving voldoen, waaronder
de vergunningplicht, opleidingseisen en de inhoudelijke eisen om werknemers te beschermen.
Wanneer buitenlandse bedrijven werkzaamheden verrichten in Nederland moeten zij ook
hier een vergunning aanvragen en vallen zij onder het toezicht van de Nederlandse
Arbeidsinspectie. Bij slechte naleving kan een buitenlands bedrijf de vergunning ook
weer kwijtraken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een relatief hoog percentage van 18% van de gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven
herhaaldelijk overtredingen begaat en dat dit betrokken zal worden bij de vergunningverlening.
Ook lezen deze leden dat hiernaast 63% van de gecertificeerde bedrijven de bestaande
voorschriften matig naleeft. Gezien het voornemen dat vergunningen voor onbepaalde
tijd geldig zullen zijn, vragen deze leden hoe er na het verlenen van een vergunning
op toegezien wordt dat bedrijven zich daadwerkelijk aan de regels houden. Ook vragen
deze leden om in te gaan op de suggestie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) – gezien het huidige naleefgedrag op de markt – de geldigheidsduur van onbepaalde
tijd – te heroverwegen. Voorts vragen deze leden om een nadere toelichting hoe certificering
als bewijs van naleving in de praktijk zal functioneren en of een bedrijf werkzaamheden
kan blijven uitvoeren als zij, nadat zij reeds een vergunning gekregen hebben, hun
certificering verliezen.
Zoals op de vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie (hoofdstuk 3) over de
geldigheidsduur van vergunningen is geantwoord, kunnen vergunningen voor bepaalde
tijd worden verleend als daar aanleiding toe is. Ook bij vergunningen voor onbepaalde
tijd vindt toezicht plaats door de verschillende toezichthouders. Toezichtsinformatie
kan aanleiding geven tot schorsing of intrekking van de vergunning. Een bedrijf kan
het procescertificaat verliezen op basis van ernstige afwijkingen van de certificatievereisten.
of als de geldigheidstermijn van drie jaar verstrijkt en er geen nieuw certificaat
wordt verkregen. Als een bedrijf zijn certificaat verliest, verliest het bedrijf automatisch
ook de vergunning. De geldigheidsduur voor onbepaalde tijd is gekozen om administratieve
lasten te beperken, waarbij de naleving op bovenstaande manier wel wordt geborgd.
Tot slot vragen deze leden of en hoe de regering verwacht dat dit wetsvoorstel ervoor
zal zorgen dat de percentages van resp. 63% matige en 18% slechte naleving van de
bestaande voorschriften zal verbeteren.
In het antwoord op de vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie (zie hoofdstuk
1) hoe in de nieuwe situatie een verbetering van de naleving wordt bewerkstelligd,
is toegelicht dat met de vergunningplicht wordt beoogd dat bedrijven die de regelgeving
slecht naleven niet meer op de markt kunnen zijn of liever nog hun naleefgedrag aanzienlijk
verbeteren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een VOG voor rechtspersonen (VOG-rp) een voorwaarde
zal worden voor het verkrijgen en behouden van een vergunning. Deze leden vragen om
een nadere toelichting hoe dit een rol zal spelen in het behoud van een vergunning.
Bij het afgeven van vergunningen wordt informatie over het (naleef)gedrag betrokken.
Dat is onder andere van belang omdat de overheid met het verlenen van een vergunning
vertrouwen in de naleving door een bedrijf uitspreekt. Uit informatie over het (naleef)gedrag
kan worden vastgesteld of een bedrijf een zodanig slecht (naleef)gedrag heeft dat
het niet verantwoord is een vergunning af te geven. Daartoe wordt van een aanvrager
een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) gevraagd, en wordt gebruik gemaakt van toezichtsinformatie.
Omdat aanvragers van een vergunning veelal rechtspersonen zijn is dat meestal een
VOG-rp (verklaring omtrent het gedrag van rechtspersonen). Met een VOG wordt aangetoond
dat er geen bevindingen zijn in het – voor de uit te voeren werkzaamheden – relevante
verleden van de aanvrager voor zover misdrijven en/of overtredingen zijn ingeschreven
in het Justitieel Documentatie Systeem. Tevens verplicht de regelgeving de vergunninghouder
een nieuwe VOG-rp te overleggen indien er sprake is van veranderingen binnen het bestuur
van het bedrijf.
De leden van de CDA-fractie menen dat de regering niet een grondslag voor een vergunningsverplichting
voor bewerken van asbest op zou nemen in het wetsvoorstel als zij niet van plan was
om ook een dergelijke verplichting in te voeren.
Toch schrijft de regering steeds in het wetsvoorstel dat het nog maar de vraag is
of er daadwerkelijk een dergelijke vergunningsplicht komt. Deze leden vragen om een
toelichting van de regering waarom deze bepaling in het wetsvoorstel is opgenomen
en om een toelichting welke overwegingen de regering maakt ten aanzien van het al
dan niet invoeren van een dergelijke verplichting. Voorts vragen deze leden om een
reflectie van de regering hoe het al dan niet invoeren van een vergunningsplicht voor
het bewerken van asbest zich verhoudt tot het gelijke speelveld in Europa.
Voor een motivatie waarom niet meteen al een vergunning wordt verplicht voor het bewerken
van asbest, verwijs ik naar het antwoord van de vraag van de leden van de fractie
van de ChristenUnie (hoofdstuk 1). De Richtlijn verplicht lidstaten niet om het bewerken
van asbest onder een vergunningplicht te brengen. Het niet invoeren van een nationale
vergunningplicht leidt dus niet tot een ongelijk speelveld in Europa. Andersom zou
het wel het geval kunnen zijn dat andere lidstaten dit opnemen in hun regelgeving
en daarmee verder gaan dan de Richtlijn vereist.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is de Kamer vóór de plenaire behandeling een nadere
uitwerking of concept van de relevante wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit
en de belangrijkste onderliggende keuzes (opleidingseisen, bewijs van naleving, risicodifferentiatie
in certificering) toe te sturen, zodat de Kamer de feitelijke impact van dit wetsvoorstel
kan beoordelen.
De regering heeft uw Kamer tegelijk met deze Nota naar aanleiding van het Verslag
de onderliggende regelgeving gestuurd, zodat u deze kunt betrekken bij de plenaire
behandeling van het wetsvoorstel.
5. Verhouding tot hoger recht
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de wet uiterlijk op 21 december 2025 geïmplementeerd had moeten zijn
en dat deze termijn niet wordt gehaald. Deze leden vragen de regering wat de gevolgen
hiervan zijn en hoe kan worden voorkomen dat implementatietermijnen in de toekomst
opnieuw worden overschreden.
Het klopt dat de Richtlijn uiterlijk 21 december 2025 geïmplementeerd moest zijn in
de nationale regelgeving. Dit is niet gelukt omdat de omzetting naar nationale regelgeving
een omvangrijk en complex traject is en het bestaande asbeststelsel ingrijpend moet
worden aangepast. Onder meer de vergunningplicht, met verstrekkende gevolgen voor
onze regelgeving, is in een laat stadium via amendementen van het Europees Parlement
toegevoegd aan de Wijzigingsrichtlijn, waardoor hierop niet kon worden geanticipeerd.
De regering hecht aan een zorgvuldig proces in goed overleg met de betrokken stakeholders.
Bij een dergelijk complex traject is overschrijding van een korte implementatietermijn
van twee jaar niet altijd te voorkomen. Ook in de toekomst niet, hoewel er uiteraard
altijd wel naar wordt gestreefd.
Uw Kamer is op 28 mei 2025 op de hoogte gebracht dat de implementatiedatum niet gehaald
ging worden (Kamerstuk 25 883, nr. 527). Ook de Europese Commissie is hierover geïnformeerd. Het mogelijke gevolg van overschrijding
van de implementatietermijn is een boete.
De Commissie heeft 29 januari jl. een brief gestuurd waarin de inbreukprocedure wordt
gestart. De Commissie wijst hierbij op mogelijke sancties (boete, dwangsom) bij het
niet (tijdig) omzetten van de Richtlijn.
Mijn streven is de aangepaste regelgeving op 1 januari 2027 in werking te laten treden.
Dit is ambitieus. Het is mogelijk dat deze datum niet gehaald gaat worden door vertragingen
in regelgevingsprocedures en het opzetten en inregelen van de uitvoering, inclusief
ICT systemen.
6. Verhouding tot nationale regelgeving
Over dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen gemaakt of vragen gesteld.
7. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
Over dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen gemaakt of vragen gesteld.
8. Uitvoering
De leden van de D66-fractie zouden graag toelichting krijgen over de beoogde manier van persoonscertificering.
Aangezien nog onduidelijk is of en hoe dit vormgegeven gaat worden is de vraag of
de aanlooptijd naar de inwerkingstredingdatum niet te kort is. Omdat het belangrijk
is dat kwaliteit en deskundigheid gewaarborgd worden en mensen tijd krijgen zich te
certificeren, misschien bij te scholen en voor te bereiden is de vraag hoe dit vormgegeven
wordt belangrijk. Wordt er rekening gehouden met deze transitie voor het bedrijfsleven?
Op welke manier? Wanneer kan hier duidelijkheid over verwacht worden? En wat zijn
potentieel de lasten waar het bedrijfsleven mee te maken krijgt om deze transitie
te organiseren?
De opleidingseisen uit de Richtlijn zijn verder uitgewerkt in de meegezonden lagere
regelgeving. Verplichte persoonscertificering wordt geen voorwaarde om werkzaamheden
met asbest te verrichten. De opleiding moet wel worden gegeven door een erkende opleider
en bevat een aantal aanvullende eisen (zoals een praktijkdeel).
Er wordt rekening gehouden met deze transitie voor het bedrijfsleven. Zo zal er sprake
zijn van overgangsbepalingen, waarbij personen een half jaar de tijd krijgen om aan
de nieuwe eisen te voldoen. Daarnaast hoeven werknemers die al een opleiding en werkervaring
hebben geen hele nieuwe opleiding te volgen. Er is veel contact met opleiders, zodat
zij meteen na inwerkingtreding de aangepaste opleidingen aan kunnen bieden. Een overgangstermijn
van een half jaar is krap. Er is een mogelijkheid opgenomen om deze met een half jaar
te verlengen als dat nodig is.
De potentiële lasten zijn verschillend per type bedrijf. Voor asbestverwijderaars
die werkten met persoonscertificatie zal sprake zijn van een lastenverlichting. Voor
andere bedrijven zal waarschijnlijk sprake zijn van een lichte lastenverzwaring. Ook
nu is het immers al verplicht om opgeleid te zijn voor werkzaamheden aan asbest. Panteia
heeft een impactanalyse uitgevoerd voor de wijzigingen, zij gaan uit van enkele honderden
euro’s extra kosten per werknemer.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de opmerkingen van de VNG en
stellen daarom de vraag hoe de regering de geldigheidsduur van de vergunning van plan
is vorm te geven.
De regering is voornemens om vergunningen voor onbepaalde tijd te verlenen (met een
uitzondering voor bedrijven waar het naleefgedrag aanleiding geeft tot een tijdelijke
vergunning). De geldigheidsduur voor onbepaalde tijd is gekozen om administratieve
lasten te beperken. Zie voor een verdere toelichting het antwoord op de vraag van
de leden van de fractie van de GroenLinks-PvdA-fractie (hoofdstuk 3).
Daarnaast is het wenselijk dat gemeenten tijdig inzicht krijgen in de taken, verantwoordelijkheden
en mogelijkheden die hen ten deel vallen in dit aankomende vergunningstelstel. Op
welke manier worden procedures die in de omgevingswet voor gemeenten samenkomen bij
het vergunningstelsel voor asbestverwijdering georganiseerd?
Krijgen gemeenten inzicht in vergunningstrajecten van asbestverwijderingsbedrijven
die wellicht ook in andere TVH-trajecten zitten bij de gemeente? Welke rol krijgen
Omgevingsdiensten in het vergunningstraject? Wordt gemeenten hetzelfde inzicht geboden
inzake vergunninghouders en -trajecten als het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?
De vergunning voor het verwijderen van asbest wordt op landelijk niveau verstrekt.
Het geeft bedrijven toegang tot de Nederlandse markt. In beginsel is het aanvragen
van een vergunning ook een eenmalige actie voor een bedrijf. Er is dus geen inhoudelijke
of procedurele relatie tussen de vergunningen voor asbestverwijdering en vergunningen
die via de Omgevingswet worden verstrekt door gemeenten. Het is de bedoeling dat beschikbare
toezichtsinformatie van de verschillende betrokken toezichthouders, waaronder omgevingsdiensten,
wordt benut bij de vergunningverlening. Gemeenten en omgevingsdiensten kunnen eenvoudig
controleren of een bedrijf beschikt over de vereiste vergunning. Een lijst met verleende
vergunningen wordt openbaar gemaakt, zoals de Richtlijn voorschrijft. De eis dat een
bedrijf over een vergunning beschikt komt in het Besluit bouwwerken leefomgeving en
daarop kunnen omgevingsdiensten toezien.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de uitvoering van de vergunningverlening zal worden belegd bij een
nog aan te wijzen ambtelijke dienst of agentschap onder verantwoordelijkheid van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze leden verzoeken de regering nader
toe te lichten op welke wijze zij waarborgt dat de vergunningverlenende organisatie
bij inwerkingtreding beschikt over voldoende expertise, capaciteit en duidelijke werkprocessen
om tijdig en consistent besluiten te nemen. Kan de regering aangeven hoe zij voorkomt
dat in de opstartfase verschillen ontstaan in interpretatie of toepassing van de vergunningscriteria,
en hoe zij zorgt voor een voorspelbare uitvoeringspraktijk voor bedrijven?
In mijn brief van 28 mei 20252 heb ik aangegeven dat de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering
(DSU) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de beoogd vergunningverlener
is. De werkprocessen worden op dit moment uitgewerkt en zijn bij inwerkingtreding
gereed. De basis hiervoor vormt de conceptregelgeving. Zo moet de aanvraag vergezeld
gaan van een bewijs van naleving, opleidingsbewijs en een VOG-rp. De nadere uitwerking
van het gebruik van de Wet Bibob en de toezichtsinformatie wordt in beleidsregels
opgenomen. Hier werken we nog aan. Voor het gebruik van toezichtsinformatie wordt
gewerkt aan een helder objectiveerbaar beslismodel, namelijk een stoplichtmodel gebaseerd
op aantallen en soorten sancties die door een samenwerkingsverband van toezichthouders
zijn opgelegd bij de vergunningaanvrager. Met het stoplichtmodel wordt consistent
besloten of een bedrijf niet in aanmerking komt voor een vergunning of een vergunning
krijgt voor een bepaalde of onbepaalde tijd. De regering vindt het belangrijk dat
bedrijven tijdig weten waar zij aan toe zijn. Het beoordelingskader wordt openbaar.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat nog onduidelijk is welke instantie verantwoordelijk wordt voor de uitvoering
van de wet. Deze leden vragen hoe dit besluitvormingsproces wordt ingericht, hoe de
Kamer hierover wordt geïnformeerd en welke stappen worden gezet indien uitvoering
door de beoogde uitvoerder niet haalbaar blijkt.
DSU heeft ruime ervaring in de omgang met bedrijven voor het beoordelen van aanvragen
voor subsidies. DSU is zich intensief aan het voorbereiden op deze nieuwe taak. Zij
wordt bij de uitvoering van de vergunningverlening gefaciliteerd met toezichtinformatie
van een samenwerkingsverband van toezichthouders.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat in de toelichting wordt beschreven
hoe relevante partners worden betrokken bij de uitwerking en uitvoering van de wet,
maar dat werknemers daarin niet expliciet worden genoemd. Deze leden vragen of de
regering bereid is toe te zeggen dat werknemers en hun vertegenwoordigers alsnog worden
betrokken.
De sociale partners, via vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers zijn betrokken
bij het opstellen van het wetsvoorstel en de verdere uitwerking. Zo is het wetsvoorstel
besproken in de Werkgroep Arbo en Vitaliteit en de Regiegroep van de Stichting van
de Arbeid. Ook het conceptbesluit en de conceptregeling zijn voorgelegd. Daarnaast
zijn de sociale partners uitgenodigd in een klankbordgroep, waar FNV en VNO-NCW agendalid
van zijn en stakeholderbijeenkomsten. Ook in de MKB-toets en internetconsultatie worden
werknemers meegenomen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft geconcludeerd dat het
wetsvoorstel «niet handhaafbaar, niet uitvoerbaar en niet fraudebestendig» is. Acht
de regering deze kwalificatie onjuist, en zo ja, op grond van welke concrete aanpassingen,
afspraken of nadere uitwerkingen acht de regering het stelsel inmiddels wél uitvoerbaar,
handhaafbaar en fraudebestendig? Heeft de regering naar aanleiding van de HUF-toets
nadere gesprekken gevoerd met ILT en andere betrokken toezichthouders, en kan zij
aangeven: welke afspraken of wijzigingen hieruit zijn voortgekomen, en in hoeverre
de eerder door ILT gesignaleerde risico’s volgens de regering daadwerkelijk zijn weggenomen?
Met de ILT is overlegd over de uitkomsten van de HUF-toets. Dit heeft niet geleid
tot concrete wijzigingen in het wetsvoorstel. Wel is de memorie van toelichting op
punten verduidelijkt. Ook is met elkaar vastgesteld dat de ingebrachte punten losstaan
van het wetsvoorstel dat nu voorligt. De regering zal de ILT vragen wederom een HUF-toets
uit te voeren op de wijziging van de lagere regelgeving (Arbobesluit, Arboregeling,
Asbestverwijderingsbesluit 2005 en Besluit bouwwerken leefomgeving). Het is goed dat
toezichthouders kritisch kijken naar de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid, zodat
waar nodig de wet- en regelgeving kan worden verbeterd.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering in één overzicht uiteen kan zetten
welke toezichthoudende instantie primair verantwoordelijk wordt voor:
− toezicht op de vergunningplicht,
− inhoudelijke arbo handhaving op de werkplek, en
− toezicht op milieu en objectaspecten,
− en hoe onderlinge afstemming tussen de Nederlandse Arbeidsinspectie, omgevingsdiensten,
ILT, SodM en de vergunningverlener wordt geborgd om toezicht-gerelateerde lacunes
of doublures te voorkomen?
De Arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van de Arbowet- en regelgeving. De
Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ziet op grond van milieuregelgeving toe
op asbesthoudende producten, de verwijdering van asbest uit objecten en het opruimen
van asbest na incidenten (behalve als het asbest van een bouwwerk afkomstig is). Voor
verwijdering van asbest uit zeeschepen is de ILT ook aangewezen om toezicht te houden
op grond van arboregelgeving. De omgevingsdiensten houden toezicht op de bescherming
van de fysieke leefomgeving. Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) houdt toezicht
op verwijdering van asbest uit mijnbouwinstallaties op grond van arboregelgeving.
Deze toezichthouders kunnen onder andere handhaven op het verwijderen van asbest zonder
vergunning.
Er zal onderlinge afstemming plaatsvinden in een samenwerkingsverband tussen alle
betrokken toezichthouders. Op basis van de nieuwe regelgeving wordt ook verkend of
er geen toezicht-gerelateerde lacunes of doublures zijn.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de vergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend
om administratieve lasten te beperken, terwijl onder meer de VNG heeft gewezen op
het huidige naleefgedrag en het belang van periodieke actualisatie van opleidingseisen.
Wat zijn de overwegingen van de regering om de vergunning voor onbepaalde tijd uit
te geven in plaats van een vaste looptijd of periodiek herbeoordelingsmoment van vergunningen?
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
(hoofdstuk 3).
9. Toezicht en handhaving
De leden van de VVD-fractie constateren dat met de vergunningplicht een zwaarder instrument beschikbaar komt
om structureel slecht nalevende bedrijven van de markt te weren. Deze leden verzoeken
de regering nader toe te lichten hoe in de praktijk wordt bepaald wanneer toezichtsinformatie
zodanig ernstig of structureel is dat weigering, schorsing of intrekking van een vergunning
gerechtvaardigd is. Is de regering voornemens hiervoor beleidsregels of beoordelingskaders
vast te stellen, en zo ja, hoe wordt geborgd dat deze voldoende ruimte laten voor
maatwerk zonder afbreuk te doen aan rechtszekerheid?
Rechtszekerheid wordt geborgd door gebruik van een in een beleidsregel te publiceren
objectiveerbaar en inzichtelijk afwegingskader gebaseerd op een stoplichtmodel, op
basis van sancties door toezichthouders. Zie ook het antwoord op de vraag van de leden
van de VVD-fractie (hoofdstuk 8).
Momenteel wordt zorgvuldig uitgewerkt hoe verzachtende en verzwarende toezichtsinformatie
bij de beslissing wordt betrokken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het mogelijk wordt gemaakt dat vakbonden signalen kunnen doorgeven aan
certificerende instellingen en of dergelijke signalen aanleiding kunnen zijn voor
aanvullend toezicht of extra onderzoek.
Bij vermoedens over gezondheids- en veiligheidsrisico’s van werkenden kan iedereen
een melding doen bij de NLA. De NLA pakt meldingen op basis van risicoanalyse en urgentie
op. Meldingen worden met voorrang behandeld als er sprake is van direct gevaar, ernstig
letsel of structurele misstanden. De NLA weegt dit per melding af. Het is niet de
bedoeling dat signalen aan certificerende instellingen worden gegeven.
In beantwoording van recente Kamervragen lezen de leden van de CDA-fractie dat een voorgenomen wijziging van de asbestregelgeving naar aanleiding van het Panteia-rapport
is stopgezet vanwege tussenkomst van dit implementatiewetsvoorstel.3 Deze leden vragen of de voorgenomen wijzigingen in dit wetstraject zijn opgenomen
en, indien ja, welke wijzigingen dat zijn. Indien nee, vragen deze leden welke wijzigingen
door tussenkomst van dit wetsvoorstel niet doorgezet zijn. Hiernaast constateren deze
leden dat dit wetsvoorstel geen oplossing biedt voor de in de beantwoording van de
Kamervragen gestelde problematiek rondom eindbeoordelingen van asbestsaneringswerkzaamheden,
klopt deze constatering?
Deze leden vragen hierbij ook of aangegeven kan worden welke oplossing op dit moment
doorgevoerd wordt voor de misstanden rondom de eindbeoordelingen van asbestsaneringswerkzaamheden.
Het rapport van Panteia dat is bedoeld in de bedoelde beantwoording van Kamervragen
gaat over de onafhankelijkheid van eindbeoordelingen.
In de beleidsreactie bij dit rapport4 is destijds aangegeven dat prioriteit werd gegeven aan het aanpassen van de regelgeving
in het kader van de meerjarenaanpak. Het wetsvoorstel biedt nu wel de mogelijkheid
om de kwaliteit van eindbeoordelingen te verbeteren door het uitbreiden van artikel
16, negende lid met het begrip «instellingen». Dat betekent dat in het Arbobesluit
verplichtingen kunnen worden opgenomen waar eindinspectie-instellingen zich aan moeten
houden en dat daarop toezicht kan worden uitgeoefend. Omdat nu eerst prioriteit moet
worden gegeven aan een zo spoedig mogelijke implementatie van de Richtlijn, is dit
echter nu nog niet opgenomen in de wijziging van het Arbobesluit.
10. Financiële gevolgen
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de leges van de vergunningen. Het voorstel is dat aanvragers vrijgesteld
worden van deze leges. Waarom is ervoor gekozen leges niet in rekening te brengen
in relatie tot de certificeringen die wel voor rekening kwamen van de aanvragers?
In het antwoord op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie is ingegaan op
de motivatie om geen leges te heffen. Kosten voor certificering zijn een private aangelegenheid
en komen daarom voor rekening van het gecertificeerde bedrijf.
Daarnaast zouden deze leden graag weten wie de beoogd vergunningverlener wordt, wanneer
dit bekend wordt en of de inwerkingtredingdatum van 1 januari 2027 haalbaar is.
Op de vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie (hoofdstuk 8) is geantwoord
dat de directie DSU van het Ministerie van SZW, werkeenheid Uitvoering van Beleid
de vergunningen zal gaan verlenen. Inwerkingtreding van 1 januari 2027 is ambitieus
maar haalbaar, mits er geen vertragingen optreden in regelgevingsprocedures en het
opzetten en inregelen van de uitvoering, inclusief ICT systemen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat in de toelichting een jaarlijkse bandbreedte van € 1,7 tot € 4,1 miljoen
aan certificeringskosten voor het bedrijfsleven wordt genoemd, afhankelijk van de
gekozen variant. Kan de regering voor de definitieve uitwerking aangeven welke variant
nu voorligt, en wat dit concreet betekent aan gemiddelde kosten per bedrijfscategorie
(intensieve asbestsaneerders versus bedrijven voor wie asbest een nevenactiviteit
is)?
Het bedrag van € 1,7 miljoen was geraamd voor de variant dat voor alle werkzaamheden
een lichte vorm van certificering zou volstaan en het bedrag van € 4,1 miljoen voor
de variant dat voor de werkzaamheden met het hoogste risico het huidige niveau van
certificering zou worden gecontinueerd. Er is gekozen voor de laatste variant, omdat
het huidige niveau van certificering passend is voor de hoogte van het risico van
werkzaamheden. Voor bedrijven die nu nog niet zijn gecertificeerd en die in aanmerking
komen voor de lichte variant van certificering, zijn de kosten in de memorie van toelichting
geraamd op € 4.000 per jaar. Panteia heeft in de impactanalyse deze kosten ingeschat
op ongeveer € 4.800 per bedrijf per jaar. In de memorie van toelichting is ervan uitgegaan
dat de kosten voor de huidige gecertificeerde bedrijven circa € 8.000 tot € 10.000
externe kosten en € 4.000 interne kosten per bedrijf per jaar bedragen, dus totaal
€ 12.000–14.000 per bedrijf per jaar. Voor een vergunning beperkt is certificering
overigens niet verplicht.
11. Evaluatie
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het onderhavige wetsvoorstel tot doel heeft werknemers beter te beschermen
tegen blootstelling aan asbest bij het verrichten van arbeid en vragen de regering
hoe zij wil evalueren of dit doel behaald is, zeker gezien het feit dat er geen streefcijfers
zijn opgenomen in het wetsvoorstel.
In het antwoord op de vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie (hoofdstuk
1) is toegelicht op welke wijze wordt geëvalueerd en in het antwoord op de vraag van
de leden van de ChristenUnie-fractie (hoofdstuk 1) is ingegaan op het met streefcijfers
kwantificeren van de doelstelling om de naleving te verbeteren.
12. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de diverse kanttekeningen van de ILT en vragen zich daarom
af of naar aanleiding van de memorie van toelichting de ILT tot een ander advies komt.
Kan de regering toelichten waarom een last onder bestuursdwang of dwangsom niet noodzakelijk
wordt geacht? Deze leden houden daarbij de ontevredenheid in gedachte aangaande het
huidige certificeringsstelsel en de eigen wens meer grip te krijgen.
Welke regime heeft de regering voorbereid in relatie tot handhaving? Is het de bedoeling
dat bedrijven een transitieperiode gegund wordt om te voldoen aan nieuwe regelgeving
waarbij minimaal tot niet gehandhaafd wordt? Is er voorzien dat er een periode van
gerichte inspectie en handhaving komt om de sector als geheel te sturen te voldoen
aan nieuwe wetgeving? De handhavingscapaciteit is in algemene zin niet toereikend,
hoe heeft de regering voorzien in handhaving en door welke partijen?
De voorliggende wijziging is bedoeld om de Asbestrichtlijn te implementeren. Dit houdt
in dat nu geen aanpassingen in milieuregelgeving worden meegenomen, zoals de door
de ILT gewenste mogelijkheden om een last onder bestuursdwang of dwangsom op te kunnen
leggen. Met de ILT is gezamenlijk vastgesteld dat er geen wijzigingen in het wetsvoorstel
nodig zijn. Het certificeringsstelsel wordt momenteel aangepast, waarbij een duidelijkere
scheiding tussen publiek en privaat wordt aangebracht. Er wordt voorzien in een overgangsperiode
van een half jaar. Daarmee krijgen bedrijven gelegenheid aan de nieuwe regelgeving
te voldoen. Mochten zij na die periode nog steeds niet aan de nieuwe regelgeving voldoen,
dan is het aan de toezichthouders om daar passend op te handhaven. De bestaande toezichthouders
zullen de handhaving uitvoeren. Hoewel de handhavingscapaciteit beperkt is, wordt
de toezichtsdruk door bedrijven in het algemeen wel als hoog ervaren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft aangegeven dat het eisen van
een waarborgsom bij de vergunningsaanvraag nuttig kan zijn. Deze leden merken op dat
de regering deze optie niet eens heeft onderzocht, omdat deze gepaard gaat met regeldruk.
Deze leden vragen waarom er überhaupt geen afweging lijkt te zijn gemaakt waarbij
wordt beoordeeld of dit voorstel proportioneel is. Deze leden vragen om te kwantificeren
hoe het voorstel bijdraagt aan doelbereik en effectiviteit.
In de memorie van toelichting staat dat niet wordt gekozen voor een waarborgsom om
regeldruk te beperken en een nationale kop op Europese verplichtingen te voorkomen.
Aanvullend hierop is een inhoudelijke overweging geweest dat een dergelijke waarborgsom
eerder aan de orde is om bij bedrijfsactiviteiten op een bepaalde locatie te voorzien
in eventuele toekomstige herstelkosten als een bedrijf dit herstel zou nalaten. Deze
kosten zouden anders terecht komen bij bijvoorbeeld een gemeente of provincie. Bij
asbestverwijdering gaat het vaak om heel veel projecten van beperkte duur.
Het is dan lastig om in te schatten wat de herstelkosten per bedrijf zouden zijn bij
de vergunningverlening. Het is verder niet duidelijk welke noodzaak hiervoor bestaat.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de ILT adviseert om vaker dan
eenmalig bij de start van bedrijfsactiviteiten te toetsen aan de Wet Bibob. Deze leden
vragen waarom dit advies niet is overgenomen en of dit niet wijst op het belang van
een vergunning voor bepaalde tijd.
In de oorspronkelijke tekst was kennelijk onvoldoende duidelijk dat een onderzoek
in het kader van de Wet Bibob niet alleen bij de vergunningaanvraag maar ook daarna
mogelijk is. Er kunnen situaties voorkomen die daarvoor aanleiding geven. In de memorie
van toelichting is dit daarom toegelicht bij deze reactie van de ILT.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat toezichtsinformatie wordt gebruikt
om ongewenste doorstarts van bedrijven te voorkomen, onder meer via Bibob-onderzoeken.
Deze leden vragen hoe deze informatie in de praktijk aan het licht komt, wie deze
informatie aanlevert en welke vervolgstappen vervolgens worden gezet. Ook vragen deze
leden of de regering kan uitleggen waarom niet de hele vergunning openbaar gemaakt
kan worden, zoals de ILT aangeeft en hoe de regering de bezwaren van de ILT weg kan
nemen over de handhaafbaarheid.
Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag wordt gebruik gemaakt van beschikbare
toezichtsinformatie die betrekking heeft op het werken met asbest. Het in kaart brengen
van de organisatiestructuur van een bedrijf is onderdeel van de beoordeling van de
aanvraag. Hieruit kan DSU afleiden of er mogelijk sprake is van een doorstart. Hieruit
kan DSU afleiden of een bedrijf mogelijk een doorstart is. Indien zij daar noodzaak
toe ziet kan DSU besluiten over te gaan tot een Bibob-onderzoek.
Er wordt een lijst openbaar gemaakt welke bedrijven over welk type vergunning beschikken.
Het openbaar maken van de hele vergunning is niet nodig, omdat de vergunning geen
inhoudelijke bepalingen zal bevatten op welke wijze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het ontvangen van relevante toezichtsinformatie
door de vergunningverlener niet is voorbehouden aan het moment dat een vergunning
wordt aangevraagd. Deze leden vragen hoe dit proces er in de praktijk uitziet, via
welke kanalen nieuwe informatie wordt ontvangen en hoe frequent dit gebeurt. Deze
leden vragen of de regering kan toelichten of deze werkwijze voldoende waarborgen
biedt om tijdig in te grijpen.
De regering onderschrijft het belang van het op tijd kunnen ingrijpen in een verleende
vergunning als dat nodig is. Het is daarom zeker de bedoeling dat beschikbare informatie
snel wordt gedeeld met DSU als vergunningverlener. Er zijn nog gesprekken met toezichthouders
en DSU over de frequentie waarmee informatie zal worden gedeeld en hoe dit wordt betrokken
bij beoordelingen over verleende vergunningen. Toezichthouders kunnen DSU ook op elk
moment op eigen initiatief van toezichtsinformatie voorzien.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de punten uit de zeer kritische uitvoeringstoets van de ILT weerlegd worden
in de memorie van toelichting. Deze leden vragen of hiermee, ook wat de ILT betreft,
deze bezwaren van de ILT nu opgelost zijn.
Op de vraag van de leden van de JA21-fractie (hoofdstuk 8) over de conclusie van de
ILT is geantwoord dat met de ILT is overlegd over de uitkomsten van de HUF-toets.
Dit heeft plaatsgevonden na het opstellen van de memorie van toelichting. Daarbij
konden de meeste zaken worden opgehelderd. De overige zaken hebben geleid tot verbeteringen
in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.
13. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
De leden van de CDA-fractie lezen dat de implementatiedeadline van de Wijzigingsrichtlijn 21 december 2025 is
en dat de voorziene inwerkingtredingsdatum uiterlijk 1 januari 2027 is. Deze leden
vragen wat de gevolgen zijn van het niet voldoen aan de implementatiedeadline.
In de vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie (hoofdstuk 5) over het overschrijden
van de implementatietermijn is ingegaan op de gevolgen. Daarbij is toegelicht dat
de overschrijding van de implementatietermijn kan leiden tot een boete.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Ondertekenaars
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie