Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Verordeningen wijziging Europees securitisatieraamwerk (Kamerstuk 22112-4101)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4216
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 28 november 2025
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Financiën over de brief van 11 juli 2025 over het Fiche: Verordeningen
wijziging Europees securitisatieraamwerk (Kamerstuk 22 112, nr. 4101).
De vragen en opmerkingen zijn op 25 september aan de Minister van Financiën voorgelegd.
Bij brief van 28 november 2025 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
De leden van de PVV vragen of het kabinet kan uitsluiten dat de verlagingen voor kapitaalseisen
voor bepaalde securitisaties leiden tot grotere risico’s voor de financiële stabiliteit.
Daarnaast vragen de leden van de PVV hoe het kabinet garandeert dat banken niet opnieuw
bij problemen door de belastingbetaler moeten worden gered.
Het kabinet is het eens met de leden van de PVV-fractie dat de kapitaaleisen voor
securitisaties risicogebaseerd moeten zijn en dat aanpassingen aan deze eisen de stabiliteit
van het financiële systeem niet mogen ondermijnen. Daarom zet het kabinet zich in
de onderhandelingen in voor beperkte en gerichte aanpassingen aan het prudentiële
kader, die bijdragen aan de risicosensitiviteit van de kapitaalseisen en het goed
functioneren van de markt. Daarnaast is het belangrijk dat afwijkingen van de internationale
kapitaalstandaarden van het Bazels Comité voor bankentoezicht beperkt worden en dat
fundamentele principes van de post-crisis hervormingen behouden blijven. Ook vindt
het kabinet het belangrijk dat versoepelingen zich met name focussen op de veiligste
delen van de markt, zoals «weerbare» (i.e. «resilient») en zogenoemde «veilige, transparante
en gestandaardiseerde securitisaties» (STS). Tegelijkertijd streeft het kabinet in
het kader van deze herziening naar een bredere investeerdersbasis voor securitisaties.
Een bredere investeerdersbasis kan mogelijk maken dat het systeem als geheel beter
in staat zal zijn om risico’s te delen en mogelijke schokken vanuit de securitisatiemarkt
op te vangen.
Tot slot wijst het kabinet op het bestaande crisis- en resolutieraamwerk, dat – los
van het securitisatieraamwerk – moet borgen dat falende banken niet met behulp van
publieke middelen hoeven te worden gesteund.
De leden van de PVV vragen zich voorts af of de versterking van het toezicht bij Europese
instanties niet leidt tot een verdere uitholling van de nationale zeggenschap over
onze banken. In dit kader vragen de leden van de PVV fractie of het kabinet bereid
is om zich te verzetten tegen het overdragen van nog meer bevoegdheden naar Brussel
en ervoor te pleiten dat Nederland zelf toezicht houdt op de financiële sector.
Het kabinet begrijpt de zorgen van de leden van de PVV-fractie, maar benadrukt dat
de nationale toezichthouders DNB en AFM verantwoordelijk blijven voor het nationale
toezicht op naleving van de Securitisatieverordening door Nederlandse instellingen.
De voorstellen zien primair op betere coördinatie en harmonisatie tussen nationale
toezichthouders, om verschillen in toepassing van regels tussen lidstaten te verkleinen.
De rol van Europese instanties, zoals het Gezamenlijke Comité van Europese Toezichtsautoriteiten
(Joint Committee of the European Supervisory Authorities) blijft daarmee ondersteunend
en coördinerend van aard. Daarmee draagt de herziening bij aan eenduidiger toezicht
en gelijkere concurrentievoorwaarden, zonder dat dit ten koste gaat van de nationale
zeggenschap over de financiële sector. Dit vindt het kabinet positief, ook in het
kader van de bredere inzet op de kapitaalmarktunie, waarin het kabinet ervoor pleit
om toezicht te versterken en regels binnen Europa eenduidiger te maken, om zo helderheid
voor marktparticipanten te verbeteren.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet kan aantonen dat eerdere
versoepelingen van Europese financiële regels daadwerkelijk hebben geleid tot meer
kredietverlening aan het Nederlandse mkb. Voorts vragen de leden of er garanties zijn
dat de voordelen van het voorliggende voorstel niet enkel neerslaan bij internationale
banken en investeerders.
Een exacte kwantificering van de mate waarin versoepelingen leiden tot meer kredietverlening
voor het mkb is moeilijk te geven, aangezien dit afhankelijk is van meerdere specifieke
marktomstandigheden. Er zijn verschillende manieren waarop het versterken van de securitisatiemarkt
kan leiden tot meer financiering voor het bedrijfsleven. Allereerst dragen securitisaties
bij aan de mogelijkheden voor banken om ruimte op de balans vrij te maken voor nieuwe
leningen, waaronder aan het mkb. Daarnaast kunnen mkb-kredieten ook direct gesecuritiseerd
worden, waarmee zowel de opbrengsten als risico’s van deze leningen worden overdragen
aan een andere partij. Daarmee krijgen meer investeerders de mogelijkheid om te investeren
in deze markt. De rapporten van o.a. Draghi bevestigen het beeld dat het aanjagen
van de Europese securitisatiemarkt een belangrijke manier is om de interne Europese
financierings- en kapitaalmarkt te versterken1. Ook de Europese Commissie2 constateert dat securitisatiemarkten vóór de crisis van 2008 een belangrijk financieringskanaal
voor Europese banken en de reële economie vormden. Hoewel niemand een situatie zoals
de crisis wil herhalen, acht het kabinet het onder de juiste voorwaarden en zorgvuldig
toezicht aannemelijk dat het versterken van deze markt ook in de huidige tijd kan
bijdragen aan meer financiering voor het bedrijfsleven. Het kabinet zet er op in dat
voordelen zo veel mogelijk ten goede komen aan de reële economie, waaronder het mkb.
Zo pleit het kabinet specifiek voor versoepelingen van eisen voor securitisaties van
mkb-leningen om deze markt te stimuleren. Deze lagere eisen houden beter rekening
met de specifieke financieringsbehoeftes en eigenschappen van mkb-bedrijven.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie waarom het kabinet zich in het fiche wel
kritisch opstelt over al te grote versoepelingen, maar toch in algemene zin positief
is over de voorstellen. Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen de Nederlandse
belangen voorop te stellen en indien nodig een veto uit te spreken om te voorkomen
dat financiële stabiliteit en nationale zeggenschap worden opgeofferd aan de Brusselse
wens om de kapitaalmarktunie koste wat kost te verdiepen?
Het kabinet ziet securitisatie als een belangrijk instrument om de kapitaalmarktunie
te verdiepen, door bij te dragen aan meer en een divers aanbod van kapitaal voor bedrijven
en burgers. Dit is direct in het belang van Nederland. Het kabinet steunt daarom gerichte
hervormingen om de securitisatiemarkt beter te laten functioneren. Tegelijkertijd
vindt het kabinet dat kapitaaleisen risicogebaseerd moeten zijn en dat aanpassingen
de stabiliteit van het financiële systeem niet mogen ondermijnen. Het kabinet kan
zich in hoofdlijnen vinden in de doelstellingen en voorstellen van de Commissie, maar
is op enkele onderdelen ook kritisch. Zo vindt het kabinet het belangrijk dat afwijkingen
van Bazel beperkt worden, en dat kernprincipes zoals risicoretentie3 en het verbod op hersecuritisatie4 behouden blijven. Daarnaast is het kabinet in continu contact met de nationale toezichthouders
om de balans tussen geharmoniseerde en nationale competenties goed te wegen. Het kabinet
zal zich in de Europese onderhandelingen blijven inzetten voor de Nederlandse belangen
en doelstellingen. Een formele vetomogelijkheid bestaat echter niet, aangezien besluiten
over dit voorstel op grond van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (VWEU) met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden genomen5.
De leden van de Groenlinks/PvdA fractie vragen zich af of de Minister erkent dat securitisatie
een belangrijke rol speelde in de crisis. Voorts vragen de lezen van de Groenlinks/PvdA
fractie zich af welke lessen daaruit volgens de Minister nog steeds relevant zijn
en hoe deze lessen concreet zijn geborgen in de huidige voorstellen.
Securitisaties speelden een belangrijke rol ten tijde van de financiële crisis in
2007 eb 2008. In de navolging daarvan zijn er op verschillende terreinen, ook met
steun van Nederland, maatregelen genomen om securitisaties beter te reguleren. Voorbeelden
daarvan zijn een steviger toezicht op kredietbeoordelaars, een verbod op hersecuritisatie,
het non-neutraliteitsprincipe6, het aanscherpen van transparantie en publicatieverplichtingen en het introduceren
van risicoretentie vereisten. Het kabinet vindt het dan ook positief dat deze fundamentele
principes overeind blijven en zal zich in de onderhandelingen ervoor blijven inzetten
dat deze behouden blijven.
De leden van Groenlinks/PvdA vragen de Minister of de Minister met hen van mening
is dat securitisaties niet opnieuw mogen worden gepresenteerd als een wondermiddel
om economische groei te stimuleren. Is de Minister het met deze leden eens dat er
in plaats daarvan beter ingezet kan worden op robuuste publieke investeringen en het
integreren van Europese kapitaalmarkten?
Hoewel het kabinet het eens is met de leden van de Groenlinks/PvdA-fractie dat er
meerdere manieren zijn om groei te stimuleren, ziet het kabinet securitisatie wel
als een van de instrumenten om de kapitaalmarktunie te verdiepen en daarmee bij te
dragen aan een meer en divers aanbod van kapitaal in de EU. Het is daarmee dus onderdeel
van een strategie om de Europese kapitaalmarkten verder te integreren. Deze is breder
uiteengezet in de kabinetsinzet voor de kapitaalmarktunie die op 17 maart jl. aan
uw Kamer is gestuurd.7
Securitisatie kan bijdragen aan een efficiëntere inzet van kapitaal, risicospreiding
en het aantrekken van institutioneel kapitaal van buiten de bankensector. Hierdoor
wordt er ruimte gemaakt op bankbalansen en kunnen financieringskosten worden verlaagd,
waardoor banken weer meer financiering aan de reële economie kunnen verstrekken. Tegelijkertijd
is het van belang dat financiële stabiliteit als fundament voor een sterke economie
gewaarborgd blijft. Daarom stelt het kabinet zich kritisch op ten aanzien van vergaande
aanpassingen in het prudentiële raamwerk en blijft het zich inzetten voor gerichte
voorstellen voor aanpassingen die bijdragen aan de risicosensitiviteit van de prudentiële
regelgeving.
De leden van Groenlinks / PvdA vragen voorts hoe de Minister kan garanderen dat dergelijke
versoepelingen niet leiden tot verhoogde systeemrisico's binnen de Europese Unie?
Kan de Minister uitsluiten dat door de introductie van de nieuwe categorie «weerbare
securitisaties» de drempel voor risicovolle producten in de praktijk niet te laag
komt te liggen? Wat zijn de precieze maatschappelijke baten en hoe verhouden die zich
tot de baten voor de financiële sector?
Zoals ook eerder, in antwoord op de vragen van de leden van de PVV-fractie is toegelicht,
vindt het kabinet het belangrijk dat versoepelingen risicogebaseerd zijn en dat de
aanpassingen de stabiliteit van het financiële systeem niet ondermijnen. Het kabinet
zet zich daarom in voor beperkte en goed onderbouwde aanpassingen aan het prudentiële
kader, die bijdragen aan meer risicosensitiviteit zonder fundamentele waarborgen uit
te hollen. Ook vindt het kabinet het belangrijk dat versoepelingen zich met name focussen
op de veiligste delen van de markt. In dit kader begrijpt het kabinet de introductie
van «weerbare securitisaties». Deze nieuwe categorie securitisaties kent additionele
criteria die moeten borgen dat deze securitisaties bestaan uit hoogwaardige, goed
gediversifieerde activa en geen complexe structuren hebben. Met de introductie van
dit concept worden de randvoorwaarden gecreëerd waarbinnen het mogelijk is om bepaalde
kapitaaleisen te verlagen. Daarnaast vindt het kabinet het een goed voorstel om in
de versoepelingen onderscheid te maken tussen uitgevende en investerende banken, gelet
op de verschillende risico’s als gevolg van gerelateerde agent- en modelrisico’s en
informatie-asymmetrie, en zal het er op inzetten deze te behouden. Nederland vindt
het commissievoorstel om de minimum risicogewichtvloer voor weerbare en STS-securitisaties
te verlagen tot 5% echter te vergaand, en zal inzetten op een prudentere minimumvloer.
Voorts vragen de leden van Groenlinks/PvdA fractie zich af waarom het kabinet er niet
voor kiest om zich tegen materiële afwijkingen van Basel te keren. Daarnaast vragen
de leden van Groenlinks/PvdA zich af of de Minister erkent dat afwijkingen van internationale
afspraken het risico van financiële stabiliteit kunnen vergroten?.
Het kabinet is kritisch ten aanzien van (materiële) afwijkingen van de Bazelstandaarden.
Tegelijkertijd erkent het kabinet dat hervorming van de securitisatiemarkt ervoor
kan zorgen dat er meer kapitaal vrijkomt om de doelstellingen van de kapitaalmarktunie
te behalen. Zoals eerder beschreven vindt het kabinet het belangrijk dat de EU zich
zoveel mogelijk blijft baseren op internationale afspraken, om een gelijk speelveld
te behouden. Afwijkingen van Bazel dienen beperkt en goed gemotiveerd te zijn. Zo
vindt het kabinet de voorgestelde verlagingen van de minimum risicogewicht vloeren
wel erg vergaand en zetten we in op een meer prudente benadering die dichterbij de
Bazelstandaarden ligt.
Tot slot vragen de leden zich af welke alternatieven het kabinet heeft overwogen voor
het financieren van de reële economie, zoals het versterkte publieke investeringsprogramma’s
of directe kredietverlening aan het mkb. De leden vragen zich af of de Minister bereid
is om in Europees verband te pleiten voor minder afhankelijkheid van complexe financiële
instrumenten als securitisatie, en juist voor meer robuuste en transparante vormen
van financiering?
De leden van de Groenlinks/PvdA-fractie vragen welke alternatieven het kabinet heeft
overwogen ten behoeve van de financiering van de reële economie. Het kabinet is van
mening dat verschillende paden parallel elkaar kunnen versterken. Het kabinet ziet
deze herziening van het securitisatieraamwerk als een onderdeel van de bredere kabinetsinzet
om de kapitaalmarktunie te versterken. Deze inzet bevat drie pijlers: sterker toezicht,
meer en divers kapitaalaanbod en eenduidige regels.
Naast de inzet op de kapitaalmarktunie zet het kabinet ook in op andere manieren om
de financieringsbehoefte van de reële economie – in het bijzonder het mkb – tegemoet
te komen. Zo heeft het kabinet de slagkracht van Invest-NL vergroot met 900 miljoen,
verkent het de inrichting van een nationale investeringsinstelling en zet het in op
betere toegang tot financiering voor ondernemers. Dat laatste doet het kabinet via
de FinancieringsGids en een verkenning van een verruiming van de garantstelling op
financiering via de BMKB; met name voor de financieringsmarkt tot 1 miljoen euro.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe het voorstel van de Europese Commissie zich
verhoudt tot de aanbevelingen uit de rapporten van Draghi, Letta en de toezichthouders
over de verdieping van de Kapitaalmarktunie (KMU).
Het voorstel van de Europese Commissie past binnen de gezamenlijke oproep van Draghi,
Letta en toezichthouders om kapitaalmarkten te verdiepen, securitisatie te versterken
en zo meer private investeringen in de Europese economie te bevorderen.
Het Letta-rapport bepleit in brede zin dat harmonisatie van regelgeving en een goed
functionerende Europese kapitaalmarkt markt essentieel zijn om investeringen te mobiliseren.
Het Draghi-rapport pleit specifiek ten aanzien van de securitisatiemarkt voor een
herleving om financiering richting de reële economie te versterken. Om dit te bereiken
pleit Draghi voor vereenvoudiging van regelgeving, proportionele kapitaal-, transparantie-
en rapportagevereisten en aanpassing van zorgvuldigheidsverplichtingen. Het commissievoorstel
bevestigt het belang van de securitisatiemarkt voor de Europese kapitaalmarktunie
en geeft hier gehoor aan door de securitisatieregels te herzien en de markt werkbaarder
te maken op de meeste van de door Draghi genoemde onderdelen. Daarnaast pleit Draghi
ook voor platformoplossingen om securitisatietransacties eenvoudiger en efficiënter
te maken, wat op dit moment buiten scope van het commissievoorstel is.
Ook de toezichthouders benadrukken het belang van goed functionerende markten en staan
wisselend positief tegenover hervormingen. Het Gezamenlijke Comité van de Europese
Toezichthouders publiceerde op 31 maart 2025 een evaluatierapport van de Securitisation
Regulation8, dat op veel punten overeenkomt met het commissievoorstel. Hierin pleiten de ESA’s
voor een hernieuwde definitie van «publieke securitisaties», meer proportionaliteit
van zorgvuldigheidsvereisten, vereenvoudiging van transparantie- en rapportagevereisten
en harmonisatie van toezicht. Ten aanzien van versoepelingen van kapitaalvereisten
schrijven de ESA’s in hun advies van december 20229 er nog niet van overtuigd te zijn dat verlagingen de oplossing zijn voor het herleven
van de securitsatiemarkt. Daarbij waarschuwen de ESA’s dat het belangrijk is dat versoepelingen
gepaard moeten gaan met voldoende waarborgen voor de financiële stabiliteit. Hiervoor
zouden verlagingen gericht moeten zijn op securitisaties waar dit te verantwoorden
is door lagere model- en agentrisico’s. Het commissievoorstel geeft hier gehoor aan
door vooral verlagingen toe te staan voor securitisaties die voldoen aan het STS-
en/of weerbaarheidslabel, en voor uitgevende partijen (vanwege lagere geassocieerde
model- en agentrisico’s). Ten aanzien van het liquiditeitsraamwerk zijn de ESA’s kritischer
en zien zij geen rechtvaardiging voor herkalibratie van het raamwerk. Hier wijkt het
commissievoorstel af van de toezichthouders.
De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel extra krediet de Commissie verwacht vrij
te maken met deze voorstellen, en welk deel daarvan naar het mkb zal gaan.
De Europese Commissie verwacht dat de herziening van het securitisatiekader de marktactiviteit
kan vergroten door kapitaal vrij te maken bij banken, wat indirect ruimte kan bieden
voor extra kredietverlening. Een exacte kwantificering is echter niet gegeven, aangezien
dit afhankelijk is van marktomstandigheden en de bereidheid van banken en beleggers
om securitisaties te gebruiken. Het kabinet vindt de richting van het voorstel positief
en zet tijdens de onderhandelingen er op in dat voordelen ten goede komen aan de reële
economie, waaronder het mkb. Zo pleit het kabinet voor versoepeling van de securitisaties
van mkb-leningen om zo de specifieke financieringsbehoeftes en eigenschappen van mkb-bedrijven
te erkennen en securitisatie van mkb-leningen te stimuleren.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de belangrijkste verschillen tussen het Commissievoorstel
en de Bazel-standaarden en waarom daarvoor gekozen is.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de EU zich zoveel mogelijk blijft baseren op
internationale afspraken, om een gelijk speelveld te behouden. Afwijkingen van Bazel
dienen beperkt en goed gemotiveerd te zijn. Het commissievoorstel volgt in grote lijnen
het Bazelraamwerk (voor banken), maar wijkt op enkele punten af door de introductie
van nieuwe begrippen, zoals het concept van «weerbare securitisaties». Hiervoor is
gekozen om kapitaaleisen proportioneler te maken, specifiek gericht op het type securitisaties
waarbij dit op basis van inherente risico’s het meest te verantwoorden is. Het gaat
hierbij dan met name om securitisaties die een erg laag kredietrisico hebben en lage
model- en agentrisico’s. Nederland vindt het hierbij belangrijk dat verlagingen niet
te ver afwijken van de Bazelstandaarden.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Europese regelgeving zich verhoudt tot die
in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
De regelgeving voor securitisaties komt op hoofdlijnen overeen in de EU, de VS en
het VK en volgt op veel delen de kernprincipes van de Bazelstandaarden voor banken.
Er zijn echter ook belangrijke verschillen, met name met de VS, specifiek ten aanzien
van de grote agentschap-gedreven markt (Fannie Mae, Freddie Mac etc.). Een terugkerend
verschil is dat dat het Amerikaanse regime veel uitzonderingen kent. Zo zijn alle
securitisaties van agentschappen uitgezonderd van risicoretentie-eisen, evenals alle
«Collateralized Loan Obligations»10 (CLO’s) en bepaalde commerciële (vastgoed) leningen, particuliere hypotheken en autoleningen
wanneer deze voldoen aan bepaalde kwaliteitsstandaarden. De Amerikanen kennen net
als de EU informatie- en rapportage-eisen onder de «AB-regulation», al zijn ook deze
uitgezonderd voor securitisaties van agentschappen en private transacties, waardoor
slechts een erg klein deel van de markt in de praktijk onder deze regels valt. Ook
in de EU zijn private transacties op dit moment uitgezonderd van rapportage-eisen,
al is onderdeel van het nieuwe commissievoorstel dat zij hier wel (deels) aan zullen
moeten voldoen. Een ander belangrijk verschil is dat de VS geen STS-label kent, in
tegenstelling tot de EU en het VK, waardoor in die laatste twee jurisdicties bepaalde
securitisaties van lagere kapitaalseisen kunnen profiteren wanneer zij aan bepaalde
eisen voldoen. De VS kent geen vergelijkbaar systeem, waardoor kapitaalseisen in de
VS gemiddeld hoger liggen. Een belangrijke kanttekening is hierbij dat ook hier weer
veel uitzonderingen gelden voor securitisaties waarbij agentschappen betrokken zijn.
Tot slot is een belangrijk verschil dat de VS in tegenstelling tot het VK en de EU
geen verbod op hersecuritisatie kent.
De leden van de VVD-fractie vragen welke elementen de financiële sector zelf heeft
aangedragen voor aanpassing van het securitisatiekader.
Eind 2024 heeft de Commissie een consultatie gehouden onder een brede groep van respondenten,
waarvan 75% marktpartijen. Uit deze consultatie blijkt dat 84/131 respondenten pleit
voor een meer principe-gebaseerde en proportionele aanpak van zorgvuldigheidseisen.
Daarnaast vragen veel marktpartijen om vereenvoudiging van transparantie-eisen en
een lichter regime voor private securitisaties wanneer zij onder deze eisen vallen.
Ten aanzien van kapitaalseisen vinden banken en institutionele beleggers de huidige
kapitaalbehandeling te conservatief (met name door hoge risicogewichtvloeren en de
zogeheten p-factor in de CRR) en pleiten zij voor meer risico-gebaseerde kapitaalseisen.
Ook wordt gepleit voor een soepelere behandeling in het liquiditeitsraamwerk. Tot
slot vragen verschillende respondenten om meer harmonisatie tussen nationale toezichthouders,
omdat uiteenlopende interpretaties leiden tot onzekerheid en hogere kosten. Ook wordt
gepleit voor duidelijkere en snellere toetsingprocedures bij Significant Risk Transfer
(SRT) en STS-verificatie. In het commissievoorstel worden al deze punten in meer of
mindere mate meegenomen.
De leden van de VVD-fractie vragen of de sterke groei van securitisaties in de Verenigde
Staten, met meer complexe constructies, risico’s vormt voor de Europese of Nederlandse
financiële stabiliteit.
Een belangrijk deel van dit risico wordt weggenomen doordat de Europese securitisatieregelgeving
van toepassing is op alle relevante in de EU gevestigde partijen, ongeacht waar de
securitisatie wordt uitgegeven. Europese en Nederlandse partijen die een Amerikaanse
securitisatie kopen, moeten daarom verifiëren dat deze voldoet aan de EU-regelgeving,
zoals risicoretentie en transparantie- en rapportagevereisten. Ook voor de kapitaalbehandeling
geldt de Europese regelgeving. Als de Amerikaanse transactie niet aan EU-normen voldoet,
vertaalt dat zich in zwaardere zorgvuldigheidseisen en hogere kapitaalseisen (bijvoorbeeld
omdat de transactie niet aan het STS-label kan voldoen). Deze vereisten beperken de
prikkel om in complexe of onvoldoende transparante Amerikaanse producten te beleggen.
Ze zorgen er bovendien voor dat eventuele verliezen beter kunnen worden opgevangen
door eigen vermogen. Dit draagt bij aan de weerbaarheid van het Europese bankwezen.
Tegelijkertijd kan Europese regelgeving niet alle risico’s volledig wegnemen. Indirecte
besmetting kan optreden via internationale marktdynamiek, bijvoorbeeld door herprijzing
van risico’s en volatiliteit op kredietmarkten. De ECB en DNB monitoren deze risico’s
via het micro- en macroprudentiële toezicht.
De leden van de VVD-fractie vragen of de afschaffing van risicoretentie voor overheidsgedekte
securitisaties geen onwenselijke prikkels creëert.
Het kabinet deelt de zorg dat het volledig schrappen van de risicoretentieverplichting
onwenselijke prikkels kan geven. Risicoretentie zorgt ervoor dat de uitgevende partij
een deel van het risico behoudt, wat de belangen van investeerders en originatoren
op één lijn houdt.
Het kabinet vindt dat ook bij overheidsgedekte securitisaties enige vorm van risicodeling
behouden moet blijven, om moreel risico te voorkomen. Hier wordt op ingezet tijdens
de Raadsonderhandelingen over het voorstel.
De leden van de NSC-fractie vragen waarom de huidige barrières als zodanig zijn vorm
gegeven. Wat is het doel van huidige barrières en sinds wanneer zijn deze opgeworpen?
De huidige regels voor securitisatie zijn ingevoerd in de nasleep van de financiële
crisis van 2008 en opgenomen in de Verordening betreffende een algemeen kader voor
securitisatie en tot vaststelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante
en gestandaardiseerde securitisatie (2017) en de Verordening betreffende prudentiële
vereisten voor kredietinstellingen met betrekking tot vereisten voor blootstellingen
aan securitisaties (2013). Deze regels zien met name op het identificeren, adresseren
en verlagen van de inherente risico’s van securitisaties. Zo hebben de transparantie-
en zorgvuldigheidseisen als doel om (risico’s van) securitisaties beter inzichtelijk
te maken zodat investeerders deze beter kunnen beoordelen en adresseren. Risicoretentie-eisen
moeten ervoor zorgen dat uitgevers van securitisaties meer «skin-in-the-game» houden,
waardoor hun belangen beter overeenkomen met die van investeerders. Het Europese verbod
op hersecuritisatie verbiedt de meest complexe vormen van securitisaties waarvan we
tijdens de crisis hebben gezien dat deze zeer risicovol zijn, met wel 65% aan verliezen.11 Daarnaast moeten kapitaalseisen borgen dat instellingen goed gekapitaliseerd zijn
om eventuele verliezen op deze producten op te vangen. Minimumvloeren bij banken zorgen
daarbij dat risico’s door misinschattingen van interne modellen niet buiten het zicht
kunnen verdwijnen, en de p-factor zorgt ervoor dat er voldoende rekening wordt gehouden
met de resterende model- en agentrisico’s die inherent zijn aan securitisaties.
Deze leden vragen hoe het kabinet het risico beoordeelt dat de versoepeling van zorgvuldigheidseisen
en STS-criteria leidt tot minder robuuste securitisaties en daarmee tot grotere kwetsbaarheid
van het financiële stelsel.
De Europese Commissie zet in op gerichte aanpassingen aan zorgvuldigheids- en transparantie-eisen
die als overbodig worden gezien en op het meer principe-gebaseerd maken van het raamwerk,
zonder dat dit ten koste gaat van de robuustheid van het raamwerk. In haar «impact
assessment» laat de Commissie zien dat de gekozen route een goede balans heeft gevonden
tussen het reduceren van onnodige operationele zorgvuldigheids- en rapportage kosten,
terwijl een hoog niveau van markttransparantie, investeerdersbescherming en toezicht
behouden blijft. Om dit verder te versterken zet de Commissie tegelijkertijd in op
versterken van sanctiemogelijkheden voor partijen die niet voldoen aan eisen. Tot
slot beoogt de Commissie de robuustheid van het raamwerk verder te versterken door
dataverzameling te centraliseren en in te zetten op verdere harmonisatie en versterking
van het toezicht. Het kabinet kan zich in grote lijnen vinden in deze aanpak, al zijn
er ook nog zorgen. Zo heeft Nederland tijdens Raadsonderhandelingen zorgen geuit dat
de principe-gebaseerde aanpak mogelijk zou kunnen leiden tot divergentie in de toepassing
van het toezicht. Ook is het kabinet kritisch op de voorgestelde mogelijkheid om ongedekte
kredietbescherming («unfunded credit protection») te kunnen erkennen als STS.
Verder vragen de leden van de NSC of het kabinet kan toelichten waarom risicoretentie
mag vervallen bij overheidsgedekte securitisaties? Acht het kabinet dit niet problematisch,
omdat juist risicodeling een belangrijke les uit de financiële crisis was?
Het kabinet ziet risicoretentie als een fundamenteel onderdeel van de post-crisishervormingen
en deelt de zorg dat het volledig schrappen van de risicoretentieverplichting onwenselijke
prikkels kan geven. Risicoretentie zorgt ervoor dat de uitgevende partij een deel
van het risico behoudt, wat de belangen van investeerders en uitgevers op één lijn
houdt.
Het kabinet vindt dat ook bij overheidsgedekte securitisaties enige vorm van risicodeling
behouden moet blijven, om moreel risico te voorkomen. Hier wordt op ingezet tijdens
de Raadsonderhandelingen over het voorstel.
Hoe beoordeelt het kabinet de uitbreiding van de toezichts- en sanctiebevoegdheden
van de EBA in relatie tot de rol van nationale toezichthouders? Welke gevolgen heeft
dit voor de democratische controle vanuit de Kamer?
In het voorstel wordt de rol van de Europese Bankenautoriteit (EBA) versterkt, onder
meer doordat de EBA de mogelijkheden krijgt om toezicht te coördineren en gemeenschappelijke
procedures te ontwikkelen binnen het Gezamenlijke Comité van Toezichthouders (JCSC).
Daarnaast krijgt de EBA een ondersteunende rol bij de uitvoering en handhaving van
sanctieregimes. Het dagelijkse toezicht en de beoordeling van individuele transacties
blijven echter nadrukkelijk een taak van de nationale bevoegde autoriteiten. De uitbreiding
van de EBA-bevoegdheden betreft voornamelijk technische en uitvoerende aspecten en
laat de kern van de nationale bevoegdheden onverlet.
Het kabinet vindt deze verschuiving proportioneel, aangezien die is gericht op meer
consistentie in toezichtspraktijken en een evenwichtige toepassing van het securitisatiekader.
Deze ontwikkeling sluit aan bij de Nederlandse inzet binnen de kapitaalmarktunie,
waarin geharmoniseerd toezicht en eenduidige regels bijdragen aan marktintegratie
en financiële stabiliteit. Tegelijkertijd blijft het kabinet aandacht houden voor
de verhouding tussen Europese en nationale toezichthouders, zodat toezicht zowel effectief
als democratisch gelegitimeerd blijft.
Wat betreft de democratische controle geldt dat de EBA en andere toezichthouders verantwoording
verschuldigd zijn aan het Europees parlement en de Raad. De democratische controle
vanuit de Tweede Kamer verloopt daarmee indirect, doordat zij het kabinet controleren
op de Nederlandse inzet in de Raad.
Daarnaast vragen de leden hoe wordt voorkomen dat versoepeling van parameters voor
kapitaalberekening opnieuw prikkels creëert om risico’s buiten de balans te plaatsen,
zoals voor de crisis van 2008 gebeurde.
Het kabinet deelt de zorgen van de leden van de NSC-fractie dat versoepelingen van
kapitaalseisen de stabiliteit van het financiële systeem niet mogen ondermijnen. Daarom
zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor beperkte en gerichte aanpassingen
aan het prudentiële kader die bijdragen aan de risicosensitiviteit van de kapitaalseisen
en het goed functioneren van de markt. Securitisaties zijn in het verleden gebruikt
om risico’s kunstmatig te verlagen en/of buiten de balans te plaatsen. Het kabinet
vindt het daarom positief dat het «kapitaal non-neutraliteitsprincipe» in het voorstel
behouden blijft. Het kapitaal non-neutraliteitsprincipe houdt in dat de kapitaalseisen
voor securitisatieposities hoger zijn dan die voor directe blootstellingen aan dezelfde
onderliggende activa. Dit principe weerspiegelt dat securitisaties extra structurele
en modelrisoco’s kennen, en beoogt te voorkomen dat kapitaalvereisten kunstmatig worden
verlaagd door risico’s via securitisatie over te dragen.
Daarnaast blijft voor securitisaties die niet onder de «weerbare» categorie vallen
het bestaande toezichtskader voor significante risicotransfer (Signifcant Risk Transfer12) gelden. Dit kader moet waarborgen dat instellingen alleen kapitaalverlichting krijgen
als er daadwerkelijk risico wordt overgedragen aan andere partijen. Zo wordt voorkomen
dat risico’s enkel administratief van de balans verdwijnen zonder dat er in werkelijkheid
kredietrisico is overgedragen. Het kabinet vindt deze regels voldoende om te dit soort
ongewenste situaties te voorkomen.
Kan het kabinet nader toelichten hoe een meer principe-gebaseerd beoordelingsraamwerk
voor significant risk transfer transacties zich verhoudt tot rechtszekerheid voor
banken en investeerders?
De wijzigingen hebben als doel om de door de EBA geïdentificeerde tekortkomingen13 in het SRT-raamwerk te adresseren en het raamwerk consistenter, transparanter en
voorspelbaarder te maken. Voorspelbaarheid wordt verbeterd door de kernelementen van
de SRT-beoordeling vast te leggen in de CRR, inclusief een breed ontwerp voor de beoordeling.
De nadere operationalisatie van de technische details en eisen zullen door de EBA
worden bepaald in technische standaarden. Dit beoogt te zorgen voor een homogene implementatie
van de beoordeling.
Acht het kabinet het wenselijk dat de details pas later via technische standaarden
worden uitgewerkt?
Het kabinet vindt het belangrijk dat regelgeving zo transparant, duidelijk en simpel
mogelijk is voor marktpartijen. Het kabinet beoordeelt nog of vastleggen in technische
standaarden of in regelgeving op hoger niveau hierbij de meest wenselijke route is.
Hiervoor vaart het kabinet mede op input vanuit de toezichthouders en marktpartijen.
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat verlaging van de minimumvloer leidt tot
onderkapitalisatie van banken in een neerwaartse conjunctuur?
Het kabinet deelt de zorg dat te lage minimumvloeren voor risicogewichten in een neergaande
conjunctuur procyclische effecten kunnen versterken.
De Commissie stelt aanpassingen voor om de kapitaaleisen beter risicogebaseerd te
maken, maar het kabinet vindt het van belang dat de prudentiële ondergrenzen behouden
blijven.
Zoals ook in het BNC-fiche is aangegeven, vindt het kabinet dat de minimumvloer voor
risicogewichten voor securitisaties niet te laag mogen worden vastgesteld. Dit voorkomt
dat instellingen in goede tijden te weinig kapitaal aanhouden en in slechte tijden
onvoldoende buffers hebben. Nederland zal zich in de onderhandelingen blijven inzetten
voor een prudent en stabiel kader voor kapitaalseisen.
De leden van de NSC-fractie merken op dat het kabinet kritisch is over de voorgestelde
versoepeling van de STS-criteria, omdat dit volgens het kabinet onvoldoende is onderbouwd
met een gedegen risicoanalyse. Kan het kabinet toelichten waarom het kabinet meent
dat de voorstellen van de Commissie onvoldoende zijn onderbouwd en welke aanvullende
voorwaarden noodzakelijk zijn voordat versoepeling verantwoord kan plaatsvinden?
Het kabinet is kritisch over de versoepelingen van de STS-criteria ten aanzien van
ongedekte kredietbescherming («unfunded credit protection», UFCP). Nederland vindt
het STS-label een kwaliteitskeurmerk dat enkel mag worden toegekend aan securitisaties
die eenvoudig, transparant en veilig zijn. Het toestaan van synthetische securitisaties
via UFCP, waarbij kredietbescherming wordt geboden zonder dat er vooraf daadwerkelijk
middelen worden gereserveerd, introduceert tegenpartijrisico en ondermijnt volgens
het kabinet dit veiligheidsprincipe.
De kern van de Nederlandse bezwaren is dat de zekerheid van betaling essentieel is
voor de financiële stabiliteit van alle betrokken partijen. Alleen gedekte kredietbescherming
(waarbij middelen vooraf zijn gereserveerd) kan deze zekerheid waarborgen. Zonder
deze zekerheid kunnen er procyclische systeemeffecten optreden en kunnen er versterkte
besmettingskanalen tussen banken en verzekeraars ontstaan, zoals ook bevestigd in
het ESRB-rapport van 5 mei 2025.
Nederland is kritisch op de door de Commissie voorgestelde mitigatiemaatregelen –
zoals aanvullende criteria om de kredietwaardigheid of solvabiliteit van niet-risicovrije
beschermingsverstrekkers vooraf te beoordelen – en betwijfelt of deze voldoende zijn
om de bijkomende risico’s te mitigeren.
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe wordt voorkomen dat instellingen en
marktpartijen worden geconfronteerd met dubbele regelgeving zowel centraal als nationaal?
Zoals omschreven in het BNC-fiche hecht het kabinet in het kader van de voorstellen
voor versterking van het toezicht eraan dat deze proportioneel zijn en niet leiden
tot onnodige administratieve lasten voor marktpartijen. Daarbij is uitgangspunt dat
dubbele regelgeving zoveel mogelijk wordt voorkomen. Bij dit voorstel kijkt het kabinet
dan ook nadrukkelijk naar wat de Commissie in haar impact assessment schrijft over
de gevolgen van de voorgestelde regelgeving. Daarin schrijft de Commissie dat het
voorstel resulteert in aanzienlijke versimpeling van regeldruk voor bedrijven en een
efficiënter raamwerk, met name als gevolg van het stroomlijnen van processen die partijen
moeten volgen om te voldoen aan regelgeving. De wijzigingen in dit voorstel worden
volledig vastgelegd in twee verordeningen, waardoor er geen ruimte is voor nationale
koppen in nationale implementatie van richtlijnen als gevolg van dit voorstel.
Voorts vragen de leden van de BBB of het kabinet verwacht dat de voorgestelde versoepeling
van de STS-criteria kunnen bijdragen tot een verbetering van MKB-financiering.
De voorstellen van de Europese Commissie voorzien dat voor bepaalde securitisaties
in het kader van mkb-leningen de regels van het STS-label worden versoepeld. Het gaat
dan onder andere over het verlagen van de homogeniteitseis voor mkb-leningen die mogelijk
kan bijdragen aan een betere toegang tot financiering voor deze sector. Het kabinet
is inderdaad van mening dat dit indirect kan bijdragen aan verbetering van mkb-financiering.
Deze lagere eis houdt beter rekening met de specifieke financieringsbehoeftes en eigenschappen
van mkb-bedrijven.
Daarnaast vragen de leden van de BBB fractie wat het specifieke probleem is dat de
kapitaalmarktunie moet oplossen. Daarnaast vragen de leden hoe de problemen rond mkb-financiering
zijn ontstaan en welke nationale maatregelen het huidige of toekomstige kabinet kan
nemen om de mkb-financiering te verbeteren?
De leden van de BBB-fractie vragen wat het specifieke probleem is dat de kapitaalmarktunie
moet oplossen. Zoals aangegeven in de kabinetsinzet voor de kapitaalmarktunie14 staan Nederland en de Europese Unie voor grote en fundamentele uitdagingen. Het Europese
concurrentievermogen staat onder druk en er is sprake van een achterblijvende productiviteitsgroei.
Die productiviteitsgroei heeft Europa, en ook Nederland, nodig om onze welvaart in
de toekomst te behouden. Voor die productiviteitsgroei is geld nodig van de Europese
kapitaalmarkten. Probleem is dat de kapitaalmarkten in de EU-lidstaten gefragmenteerd
en niet voldoende ontwikkeld zijn. Een sterke Europese kapitaalmarkt zorgt ervoor
dat bedrijven makkelijker toegang krijgen tot meer financieringsmogelijkheden. Dit
zorgt voor investeringen in de economie van de toekomst.
Tevens vragen de leden van de BBB-fractie hoe de problemen rond mkb-financiering zijn
ontstaan en welke nationale maatregelen het huidige of toekomstige kabinet kan nemen
om de mkb-financiering te verbeteren. Het kabinet erkent dat er knelpunten zijn bij
mkb-financiering, met name bij de doorgroei van startups naar scale-ups en de toegang
tot kleine kredietverlening. Het kabinet heeft daarom in haar reactie op het IBO bedrijfsfinanciering
verschillende maatregelen aangekondigd om deze knelpunten aan te pakken. Zo heeft
het kabinet de slagkracht van Invest-NL vergroot met 900 miljoen euro en zet het in
op betere toegang tot financiering voor ondernemers. Dat laatste doet het kabinet
via de FinancieringsGids en een verkenning van een verruiming van de garantstelling
op financiering via de BMKB; met name voor de financieringsmarkt tot 1 miljoen euro.
Daarnaast blijft versteviging van de Europese kapitaalmarktunie ook belangrijk. Voor
een effectieve private financieringsmarkt is het belangrijk dat bedrijven toegang
hebben tot allerlei vormen van kapitaal, van bancaire kredietverlening tot durfkapitaal.
In de praktijk zien we echter dat bedrijven in de gehele EU, en dus ook in Nederland,
te afhankelijk zijn van bancaire financiering. Dit type financiering is niet voor
alle type investeringen geschikt. Met name voor de financiering van innovatie of strategische
technologieën is durfkapitaal nodig. Hier zijn ook mkb-ondernemingen bij betrokken.
Verdere integratie van nationale kapitaalmarkten is daarvoor de oplossing. Het oplossen
van knelpunten in de financieringsmarkt voor het mkb is daarmee zowel een landelijke
als Europese uitdaging.
Als laatste vragen de leden van de BBB aan welke strenge voorwaarden niet is voldaan
in het kader van het mogelijk maken van ongedekte garanties voor verzekeraars voor
STS securitisaties. Tot slot van de leden of de voorstellen wat het kabinet betreft
leiden tot destabilisatie van de securitisatiemarkt.
Zoals hierboven beschreven vindt het kabinet het STS-label een kwaliteitskeurmerk
dat enkel mag worden toegekend aan securitisaties die eenvoudig, transparant en veilig
zijn. Het toestaan van synthetische securitisaties via UFCP, waarbij kredietbescherming
wordt geboden zonder dat er vooraf daadwerkelijk middelen worden gereserveerd, introduceert
tegenpartij risico en ondermijnt volgens het kabinet dit veiligheidsprincipe.
De kern van de Nederlandse bezwaren is dat de zekerheid van betaling essentieel is
voor de financiële stabiliteit van alle betrokken partijen. Alleen gedekte kredietbescherming
(waarbij middelen vooraf zijn gereserveerd) kan deze zekerheid waarborgen. Zonder
deze zekerheid kunnen er procyclische systeemeffecten optreden en kunnen er versterkte
besmettingskanalen tussen banken en verzekeraars ontstaan, zoals ook bevestigd in
het ESRB-rapport van 5 mei 2025.15
Nederland is kritisch of de door de Commissie voorgestelde mitigatiemaatregelen –
zoals aanvullende criteria om de kredietwaardigheid of solvabiliteit van niet-risicovrije
beschermingsverstrekkers vooraf te beoordelen – voldoende zijn om deze risico’s te
mitigeren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier