Brief regering : Voorstel verdeling groeiruimte Wet langdurige zorg (Wlz) ten behoeve van het indicatieve Wlz-kader 2028-2031 en de voorlopige kaderbrief Wlz 2027
34 104 Langdurige zorg
Nr. 473
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juli 2026
In mijn brief van 9 maart jl.1 heb ik toegezegd om uw Kamer voor de zomer te informeren over de verdeling van de
beschikbare groeiruimte binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) over de sectoren ouderenzorg,
gehandicaptenzorg en langdurige ggz voor de jaren 2028–2031. Om de toegankelijk en
betaalbaarheid van de Wlz voor nu en in de toekomst te verbeteren heeft het kabinet
de beschikbare groeiruimte aangepast met de maatregel «bestuurlijk akkoord Wlz/scheiden
wonen zorg» uit het coalitieakkoord. Met deze brief geef ik uw Kamer een toelichting
over de verdeling van de groeiruimte en de overwegingen die daaraan ten grondslag
liggen. Daarnaast stuur ik u zoals gebruikelijk een afschrift van de voorlopige kaderbrief
Wlz aan de NZa. Deze wordt door de NZa en zorgkantoren betrokken bij de voorbereiding
op de zorginkoop 2027.
Mensen met een indicatie voor de Wlz (en daarmee ook hun naasten) zijn vanwege hun
beperkingen voor de rest van hun leven afhankelijk van langdurige zorg en ondersteuning.
Ik zie het als mijn taak om liefdevolle zorg en ondersteuning toegankelijk te blijven
houden voor de cliënten van nu en in de toekomst. Ik wil er daarom voor zorgen dat
zorgaanbieders in staat zijn deze passende zorg en ondersteuning te organiseren met
voldoende zorgverleners. Kwaliteit van leven moet hierbij centraal staan. Een toereikende
financiering is daarvoor een randvoorwaarde. Zorgkantoren moeten met een passend budget
regionaal voldoende zorg en ondersteuning kunnen inkopen voor hun cliënten en zo aan
hun zorgplicht blijven voldoen.
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten, verdeel ik vanuit dit perspectief de beschikbare
groeiruimte over de sectoren. Daarbij zie ik het belang om te kijken naar ontwikkelingen
in demografie, zorgzwaarte, historische uitgaven, arbeidsmarkt en technologie. Ook
heb ik oog voor de mogelijkheden om passende zorg (verder) vorm te geven en de snelheid
waarmee een sector een transformatie kan realiseren. De verdeling van de groeiruimte
moet hierbij aansluiten. Dit vraagt ook kijken naar vraag en passend aanbod, zodat
de verdeling van de groeiruimte niet leidt tot oplopende wachtlijsten of een toenemende
druk op zorgmedewerkers. Tot slot moet de kwaliteit van zorg en ondersteuning binnen
de Wlz blijven voldoen aan de kwaliteitskaders zoals de sectoren die hebben geformuleerd.
De verdeling van de groeiruimte kent een directe samenhang met de voorlopige kaderbrief
Wlz 2027 en het daarin opgenomen indicatieve kader 2028–2031.
Voorlopige kaderbrief Wlz 2027 en het indicatieve kader 2028–2031
De voorlopige kaderbrief Wlz stuur ik jaarlijks vóór de zomer aan de NZa, zodat deze
kan worden betrokken bij de voorbereiding van de zorginkoop voor het volgende jaar.
De Eerste en Tweede Kamer ontvangen hiervan jaarlijks een afschrift. Het voorlopige
kader wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van het uitvoeringsbeeld in de julibrief
van de NZa. Op Prinsjesdag, of kort daarna, verstuur ik vervolgens de definitieve
kaderbrief Wlz aan beide Kamers.
Met de bijgevoegde voorlopige kaderbrief actualiseer ik het beschikbare Wlz-kader
voor 2026 en stel ik het voorlopige Wlz-kader voor 2027 vast. Op grond van de februaribrief
van de NZa kan worden vastgesteld dat het beschikbare Wlz-kader voor 2026 ruimschoots
toereikend is. Conform mijn brief van 28 mei jl.2 wordt in het budgettaire kader voor 2027 rekening gehouden met het niet doorvoeren
van de drie tariefmaatregelen in dat jaar. Het betreft de volgende maatregelen:
• Wlz-behandeling (Rutte IV) voor de sector gehandicaptenzorg;
• Meerjarig contracteren en budgetafspraken (Rutte IV) voor zowel de sector gehandicaptenzorg
als de sector langdurige geestelijke gezondheidszorg;
• Opschaling digitale zorg (Schoof) voor de sector gehandicaptenzorg.
Daarnaast bevat deze brief aan de NZa een voorlopig meerjarig beeld van de ontwikkeling
van het Wlz-kader in de periode 2028–2031, inclusief een indicatieve verdeling van
de deelkaders en de beschikbare groeiruimte over de drie sectoren. Het Wlz-kader voor
deze jaren wordt dit jaar nog niet definitief vastgesteld, gelet op het voornemen
van het kabinet om voor de periode vanaf 2028 bestuurlijke akkoorden met de drie afzonderlijke
sectoren te sluiten (voor de sector ouderenzorg is dit aanvullend op het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg). De afspraken die uit deze akkoorden voortvloeien, zal ik volgend jaar
vóór de zomer verwerken bij het vaststellen van de voorlopige kaderbrief Wlz 2028–2032.
Het Wlz-kader is bestemd voor de inkoop van zorg in natura binnen de contracteerruimte,
persoonsgebonden budgetten (pgb) en overige uitvoeringskosten (zie ook hierna). De
in de bijgevoegde voorlopige kaderbrief opgenomen indicatieve deelkaders per sector
betreffen de budgetten die zorgkantoren kunnen inzetten voor zorg in natura en pgb.
Het deelkader voor overige uitvoeringskosten heb ik niet verdeeld over de sectoren,
zodat zorgkantoren dit op basis van de inzichten over hun cliënten en het zorglandschap
kunnen inzetten waar dit het meeste effect sorteert3. De groeiruimte voor dit deelkader (circa 0,15% van de totale groeiruimte voor het
Wlz-kader) heb ik daarom afzonderlijk gespecificeerd in de voorlopige kaderbrief Wlz
2027. Als onderdeel van de overige uitvoeringskosten kunnen zorgkantoren vanaf 2026
investeren in preventieve maatregelen. In 2027 is daarmee € 47 miljoen gemoeid. Als
bijlage bij deze brief wordt conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 ingegaan
op de doelen, beleidsinstrumenten, financiële gevolgen, nagestreefde doeltreffendheid
en doelmatigheid en voorgenomen evaluatie en monitoring.
In deze brief licht ik uw Kamer verder toe hoe ik de resterende groeiruimte voor zorg
in natura en pgb (circa 99,85% van de groeiruimte) verdeel over de drie sectoren.
Verdeling van de groeiruimte 2028–2031 (zorg in natura en pgb)
Voor de jaren 2028–2031 wil het kabinet in de Wlz bestuurlijke akkoorden sluiten over
de gewenste beweging naar de voorkant, passende zorg en vereenvoudiging. Deze akkoorden
bevatten per sector een beschikbare financiële (groei)ruimte waarbinnen de gemaakte
afspraken moeten passen. Het geheel moet passen binnen het totaalkader dat in de periode
2028–2031 voor de Wlz beschikbaar is.
Ten overvloede: op basis van de Wet marktordening gezondheidszorg stel ik per kalenderjaar
een totaal financieel kader vast voor zorg in natura, de verstrekking van persoonsgebonden
budgetten (pgb) en de overige uitvoeringskosten. Ik verdeel dit in drie landelijke
deelkaders en ik verdeel de beschikbare financiële kaders van de pgb’s en de overige
uitvoeringskosten over de zorgkantoorregio’s. De NZa verdeelt het financieel kader
voor zorg in natura over de regio’s. De NZa kan op aanvraag van de betrokken Wlz-uitvoerder
de regionale contracteerruimte verlagen.4 In verband met het behoud van een zekere mate van flexibiliteit, de sturingsmogelijkheden
en de budgettaire beheersing van de langdurige zorg breng ik hier geen wijziging in
aan. Dit is ook niet beoogd met de maatregel «Bestuurlijk akkoord Wlz» uit het coalitieakkoord.
Om te komen tot een goede verdeling van de beschikbare groeiruimte over de ouderenzorg,
gehandicaptenzorg en langdurige ggz zijn de volgende stappen doorlopen (A t/m D).
A) Vaststelling beschikbare groeiruimte 2027–2031 in de Wlz
De beschikbare groeiruimte in de Wlz voor de periode 2027–2031 volgt uit de Middellangetermijnraming
(MLT) van het Centraal Planbureau (CPB). Deze groeiruimte is in hoofdlijnen bedoeld
om demografische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende stijgende zorgvraag, zorgverzwaring
van cliënten en kwaliteitsverbeteringen in de zorg op te vangen. Ook maakt zij het
mogelijk dat de zorg kan blijven aansluiten bij ontwikkelingen in wetenschap en praktijk.
Zoals toegelicht in mijn brief aan de Tweede Kamer van 29 mei jl.5 loopt deze groeiruimte op de Wlz-begroting bij ongewijzigd beleid op tot € 7,2 miljard
in 2031. In termen van het Wlz-kader (dat iets hoger wordt vastgesteld, rekening houdend
met onderuitputting) gaat het om afgerond € 7,3 miljard. Ten opzichte van de MLT-raming
bij ongewijzigd beleid houd ik rekening met de volgende twee beleidseffecten:
1. De taakstelling «Bestuurlijk akkoord Wlz/Scheiden wonen en zorg». Deze loopt op grond
van het coalitieakkoord op van € 130 miljoen in 2027 tot € 990 miljoen in 2031. Voor
het jaar 2027 heb ik deze taakstelling alternatief ingevuld, zodat voldoende tijd
en ruimte beschikbaar zijn om via een zorgvuldig proces bestuurlijke afspraken te
maken en tot een invulling van de akkoorden te komen. Dit sluit ook aan bij de Kamerbrief
van 9 maart jl. waarin ik reeds heb vermeld dat ik voor 2027 tot een alternatieve
oplossing zou komen. De budgettaire dekking is gevonden binnen de middelen die het
kabinet bij Voorjaarsnota voor 2027 en verder heeft gereserveerd voor mogelijke hogere
uitgaven op grond van lopende kostenonderzoeken van de NZa. Door de implementatie
van een onderzoek naar de kosten van het aanhouden van eigen vermogen in de tarieven
uit te stellen is deze reservering voor 2027 niet meer nodig. Hierdoor gaat de taakstelling
pas vanaf 2028 in.
2. In de recent aangenomen motie-Dobbe (Kamerstuk 36 915 XVI, nr. 19) en naar aanleiding van de moties-Bikker c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 107) en Westerveld c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 160) zie ik de wens van uw Kamer om vanaf 2028 af te zien van de drie tariefmaatregelen
op het terrein van de gehandicaptenzorg en langdurige ggz. Daarom ben ik bereid op
dit moment van deze tariefmaatregelen af te zien, en de budgettaire opgave die hieruit
voortvloeit te betrekken bij de bestuurlijke akkoorden. Dit betekent dat ik, gegeven
de resterende ruimte, met de sectoren wil komen tot goed onderbouwde afspraken. Ik
ben mij ervan bewust dat hiermee de opgave voor de akkoorden groter wordt. Indien
het niet mogelijk blijkt om deze hogere opgave met de afspraken in de akkoorden te
realiseren, dan neem ik tarief- of andere maatregelen om zo de totale opgave in te
vullen. Deze route heeft uiteraard niet mijn voorkeur en ik zie voldoende mogelijkheden
om te komen tot akkoorden.
Tabel 1 laat zien dat de groeiruimte voor zorg in natura en pgb binnen het Wlz-kader
rekening houdend met deze twee effecten oploopt van € 1.461 miljoen in 2027 tot € 6.008
miljoen (afgerond € 6,0 miljard) in 2031. Dit bedrag is exclusief de loon- en prijscompensatie
die jaarlijks aanvullend beschikbaar komt.
Tabel 1: Opbouw beschikbare groeiruimte Wlz zorg in natura en pgb 2027–2031
bedragen x € 1 miljoen
2027
2028
2029
2030
2031
1
Groeiruimte op basis van MLT
1.461
2.874
4.240
5.770
7.259
2
Taakstelling CA
– 345
– 560
– 775
– 990
3
Schrappen tariefmaatregelen
– 197
– 226
– 252
– 261
4
Beschikbare groeiruimte Wlz (1+2+3)
1.461
2.331
3.454
4.743
6.008
B) Verdeling groeiruimte 2027–2031 naar sectoren
De beschikbare groeiruimte heb ik vanaf 2028 verdeeld op basis van een ramingsmethodiek
die vergelijkbaar is met die van de Middellangetermijnraming (MLT) van het CPB. Deze
methodiek houdt rekening met demografische ontwikkelingen, zorggebruik en zorgverzwaring
per sector. Daarbij heb ik er rekening mee gehouden dat de beschikbare groei voor
de komende jaren in lijn is met de gerealiseerde groei in de afgelopen jaren.
Tabel 2 geeft eerst de grondslag per sector in 2026 voor de verdeling van de beschikbare
groeiruimte vanaf 2027. De ouderenzorg is met een aandeel van € 22.166 miljoen (bijna
55%) de grootste sector, gevolgd door de gehandicaptenzorg met € 15.575 miljoen (circa
38%) en de langdurige ggz met € 3.005 miljoen (circa 7%).
Tabel 2 presenteert vervolgens de verdeling van de groeiruimte vanaf 2027. De verdeling
in 2027 heeft uiteraard een fictief karakter, aangezien de bestuurlijke akkoorden
per sector worden voorzien vanaf 2028. Zonder deze fictieve verdeling voor het jaar
2027 is het echter niet mogelijk om nu al een indicatief beeld te geven van de deelkaders
per sector voor de periode 2028–2031 (zoals opgenomen in tabel 5, 6 en 7 van bijgesloten
voorlopige kaderbrief Wlz 2027). Tevens sluit ik op deze manier aan bij de opzet van
mijn brief van 9 maart jl. waarin ik de groeiruimte voor de periode 2027–2031 heb
toegelicht. De groeiruimte voor de ouderenzorg loopt aldus op tot € 3.898 miljoen
in 2031. Voor de gehandicaptenzorg bedraagt deze in 2031 € 1.654 miljoen en voor de
langdurige ggz € 456 miljoen. Dit betreft voor alle sectoren de groeiruimte over de
periode 2027–2031.
De groei in de ouderenzorg wordt daarbij voornamelijk bepaald door demografische ontwikkelingen,
in het bijzonder de vergrijzing en zorgverzwaring. Voor de gehandicaptenzorg en de
langdurige ggz wordt de groei in sterkere mate bepaald door ontwikkelingen in zorggebruik
en zorgverzwaring.
Tabel 2: Verdeling beschikbare groeiruimte 2027–2031 naar sectoren
bedragen x € 1 miljoen
2026
20271
2028
2029
2030
2031
grondslag
groeiruimte
1
Wlz-totaal
40.746
1.461
2.331
3.454
4.743
6.008
2
Ouderenzorg
22.166
930
1.443
2.192
3.055
3.898
3
Gehandicaptenzorg
15.575
417
708
995
1.325
1.654
4
Langdurige ggz
3.005
113
181
267
364
456
X Noot
1
Verdeling 2027 over sectoren is fictief, want bestuurlijke akkoorden worden voorzien
vanaf 2028
C) Groeiruimte 2028–2031 in procenten
Tabel 3 drukt de groeiruimte per sector uit in procenten ten opzichte van het beschikbare
kader (inclusief groeiruimte en beleid) in het voorgaande jaar. Voor de periode 2028–2031
bedraagt de gemiddelde groeiruimte voor de drie Wlz-sectoren gezamenlijk 2,6% per
jaar. Voor de ouderenzorg bedraagt deze gemiddeld 3,2%, voor de gehandicaptenzorg
gemiddeld 1,9% en voor de langdurige ggz gemiddeld 2,6% per jaar.
Tabel 3: Procentuele groeiruimte per sector 2028–2031
2028
2029
2030
2031
gemiddeld 2028–2031
1
Wlz-totaal
2,1%
2,6%
3,0%
2,8%
2,6%
2
Ouderenzorg
2,3%
3,3%
3,7%
3,5%
3,2%
3
Gehandicaptenzorg
1,8%
1,8%
2,0%
1,9%
1,9%
4
Langdurige ggz
2,2%
2,7%
3,0%
2,8%
2,6%
D) Validatie verdeling groeiruimte
Zoals ik hiervoor aangaf, heb ik er bij de verdeling rekening mee gehouden dat de
beschikbare groei in lijn is met de gerealiseerde groei in de afgelopen jaren. Daarom
heb ik de NZa gevraagd een analyse te maken van de uitgavenontwikkeling per sector
in de afgelopen jaren.
Tabel 4 bevat de uitkomsten van deze analyse. Het betreft de gerealiseerde procentuele
uitgavengroei in de periode 2023–2025 in prijspeil 2026. Daarmee zijn deze percentages
goed vergelijkbaar met de beschikbare groeipercentages voor de periode 2028–2031,
die eveneens in prijspeil 2026 zijn.
De zorgkantoren herkennen de uitkomsten van de NZa-analyse en geven aan dat deze mede
het resultaat zijn van hun inspanningen om de uitgavengroei te beheersen. Het aantal
indicaties en de gemiddelde zorgzwaarte zijn de afgelopen jaren gestegen. Daarbij
hebben zorgkantoren de groei van de benodigde financiële middelen voor de zorgplicht
weten af te remmen door onder andere in te zetten op vormen van zorg thuis in plaats
van zorg met verblijf.
Tabel 4: Procentuele groei per sector 2023–2025 (bron NZa)
2023
2024
2025
gemiddeld 2023–2025
1
Wlz-totaal
3,8%
3,4%
1,1%
2,8%
2
Ouderenzorg
4,1%
3,6%
1,2%
3,0%
3
Gehandicaptenzorg
2,4%
2,7%
0,6%
1,9%
4
Langdurige ggz
10,0%
6,1%
3,7%
6,6%
Uit tabel 4 blijkt dat de totale groei van de Wlz-uitgaven in de periode 2023–2025
gemiddeld 2,8% per jaar bedroeg. Daarbij is sprake van een dalende trend: de groei
kwam in 2025 uit op 1,1%. De beschikbare groeiruimte voor de periode 2028–2031 ligt
hier met gemiddeld 2,6% licht onder. In het beginjaar 2028 ligt de groei iets lager.
Daarbij geldt dat beleidsinitiatieven en investeringen in het eerste jaar van een
akkoord tijd nodig hebben om tot uitvoering te komen en daardoor niet direct volledig
zichtbaar zijn in de uitgaven. De NZa voert nog een controleanalyse op de cijfers
uit. Eventuele wijzigingen publiceert de NZa bij haar brief aan mij in juli over de
benutting van het budgettair kader Wlz.
Bezien per sector is het beeld als volgt:
• Voor de ouderenzorg ligt de beschikbare groeiruimte voor de komende jaren (gemiddeld
3,2%) iets boven de gemiddelde gerealiseerde groei van 3,0% in de periode 2023–2025,
waarbij de groei in 2025 uitkwam op 1,2%. Het beleid van scheiden van wonen en zorg
heeft in de ouderenzorg bijgedragen aan een beheerste kostenontwikkeling. Het kabinet
is voornemens dit beleid voort te zetten binnen de context van het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg (HLO) en hierover aanvullende afspraken te maken.
• Voor de gehandicaptenzorg is de beschikbare groeiruimte (gemiddeld 1,9%) vergelijkbaar
met de gemiddelde gerealiseerde groei van 1,9%. Daarbij geldt dat de voorgenomen bezuinigingen
op de gehandicaptenzorg vanaf 2027 geen onderdeel meer uitmaken van het basispad waardoor
de groeiruimte voor de komende jaren volledig kan worden ingezet voor passende zorg
en ondersteuning voor cliënten in de gehandicaptenzorg.
• Voor de langdurige ggz bedroeg de gemiddelde groei 6,6%, waarbij de jaarlijkse groei
afnam van 10,0% in 2023 tot 3,7% in 2025. Deze relatief hoge groei hangt samen met
de openstelling van de Wlz in 2021 voor cliënten met een psychische stoornis. In de
eerste jaren was de instroom relatief hoog, maar inmiddels is sprake van een duidelijk
dalende trend. Daarbij stromen vooral cliënten in met lichtere zorgprofielen, waardoor
ook de gemiddelde kosten per cliënt dalen. Voor de periode 2028–2031 ga ik uit van
een uitgavengroei met gemiddeld 2,6% per jaar (conform het gemiddelde van de gehele
Wlz). Daarbij heb ik de voorgenomen tariefmaatregel op het terrein van de langdurige
ggz vanaf 2027 geschrapt uit het basispad.
Bij de validatie van de beschikbare groeiruimte per sector past ook de constatering
dat in de afgelopen jaren belangrijke investeringen zijn gedaan om de tarieven in
de langdurige zorg op orde te brengen. Zo heeft de NZa in zowel 2025 als 2026 de maximumtarieven
voor de gehandicaptenzorg verhoogd en in 2026 ook die voor de langdurige ggz. Daarnaast
is vanaf 2026 voor alle sectoren de normatieve huisvestingscomponent verhoogd, zodat
deze voldoende ruimte bevat om te investeren in duurzaamheid van het vastgoed. Deze
tariefsverhogingen tellen Wlz-breed op tot ruim € 700 miljoen6 en leiden structureel tot hogere inkomsten voor zorgaanbieders en meer ruimte in
hun bedrijfsvoering dan voorheen om goede zorg te verlenen. Al deze investeringen
in het op orde brengen van de tarieven betekenen een goede startpositie voor de akkoorden
vanaf 2028. Doordat dit nu op orde is gebracht zal dit de komende jaren relatief minder
investeringen vragen waardoor ik de beschikbare groeiruimte realistisch vind om, in
combinatie met goede inhoudelijke afspraken in een akkoord, passende zorg te blijven
realiseren.
Naast de groeiruimte wordt het Wlz-kader ook gecompenseerd voor loon- en prijsontwikkelingen
(LPO). Deze middelen komen bovenop de groeiruimte en worden jaarlijks vastgesteld
op basis van de meest actuele inzichten uit de Macro-Economische Verkenning (MEV)
van het CPB. De extra middelen voor de loon- en prijsbijstelling zijn dus nog niet
opgenomen in deze brief, maar zullen jaarlijks structureel worden toegevoegd aan het
Wlz-kader. De loon- en prijscompensatie zorgt ervoor dat zorgaanbieders en budgethouders
ook bij stijgende lonen en prijzen goede zorg kunnen blijven leveren.
Naar bestuurlijke afspraken met oog op de toekomst
Het is de wens van het kabinet om samen met de sectoren afspraken te maken over een
andere organisatie van de zorg en ondersteuning die passend is voor cliënten en bijdraagt
aan het afremmen van de groei van de zorguitgaven. Dat is van belang voor de toegankelijkheid,
betaalbaarheid en kwaliteit van de zorg, maar ook vanwege de dreigende personeelstekorten.
Zelfs wanneer onbeperkte financiële middelen beschikbaar zouden zijn, stuiten we immers
op de grenzen van wat de zorg aankan als gevolg van de toenemende schaarste aan personeel.
Daarbij geldt dat de personeelsinzet en personeelskosten voor de Wlz de meest bepalende
factor zijn voor de uitgaven. Deze brief past in de voorfase op weg naar bestuurlijke
akkoorden.
Naar mijn oordeel laat de vergelijking van de beschikbare groeiruimte met de gerealiseerde
groei in de afgelopen jaren zien dat de beschikbare groeiruimte realistisch is voor
iedere sector en dat de sectoren de transitieopgave moeten kunnen dragen.
Daarom is het noodzakelijk om gezamenlijk afspraken te maken over welke veranderingen
nodig zijn in de organisatie van de langdurige zorg. Daarbij wil ik de richting voortzetten
die is ingezet met het HLO en het IZA/AZWA en die door het kabinet is bevestigd in
het coalitieakkoord: de beweging naar gezondheid en kwaliteit van leven, inzetten
op passende zorg en vereenvoudiging. Op die manier kunnen we passende zorg en ondersteuning
borgen voor degenen die deze nodig hebben, juist ook waar sprake is van complexe zorg.
Ook wil ik vaart maken om te komen tot afspraken in de gehandicaptenzorg, omdat naast
een financieel perspectief vooral het gebrek aan personeel begint te knellen en om
noodzakelijke veranderingen vraagt. Daarbij wil ik binnen de kaders ook enige ruimte
bieden voor investeringen die bijdragen aan de organiseerbaarheid van de zorg en aan
de beweging naar de voorkant.
Het kabinet beschouwt de bestuurlijke akkoorden als een belangrijke stap om gezamenlijk
met partijen de uitdagingen van de toekomst aan te gaan en afspraken te maken.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.