Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 922 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 10 juni 2026
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de
schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet studiefinanciering
2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten
die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd. De regering is erkentelijk
voor de getoonde belangstelling en de vragen van de leden van de fracties van D66,
VVD, GroenLinks-PvdA, CDA, JA21, BBB, DENK, SGP, Partij voor de Dieren en ChristenUnie.
Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt de indeling van het verslag.
I. Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de mening dat groepen studenten die
eerder buiten de tegemoetkoming vielen, alsnog een tegemoetkoming toe te kennen. Deze
leden vragen zich af of hiermee alle groepen studenten in beeld zijn.
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen om alleen (oud-)studenten
die binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald in aanmerking te laten komen
voor de tegemoetkoming. De reden voor deze diploma-eis was dat als er ten tijde van
het leenstelsel wel een basisbeurs was geweest, dat een prestatiebeurs was geweest,
die ook alleen bij het behalen van een diploma zou zijn omgezet in een gift.
Bij dit wetsvoorstel wordt de doelgroep voor de tegemoetkoming uitgebreid met (oud-)studenten
die tijdens hun studie geconfronteerd zijn of worden met bijzondere omstandigheden
en als gevolg daarvan geen diploma hebben kunnen behalen. Net als voor de (oud-)studenten
die binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald, geldt immers voor hen dat
als er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in de vorm van een prestatiebeurs
was geweest, deze (op aanvraag) ook voor hen zou zijn omgezet in een gift. In zoverre
hebben zij hetzelfde financieel nadeel ondervonden van het leenstelsel als (oud-)studenten
die wel een diploma hebben behaald.
Hiermee zijn nu alle groepen (oud-)studenten die in aanmerking zouden moeten komen
voor de tegemoetkoming in beeld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, de JA21-fractie, de BBB-fractie en de CDA-fractie
vragen om een overzicht van de hoogte van de studieschulden van de generatie studenten
van vóór 2015, van de generatie studenten tussen 2015–2023 en van de generatie studenten
van na 2023, en de (met inbegrip van de in dit wetsvoorstel geregelde tegemoetkoming)
totale ontvangen tegemoetkoming. Ook zien de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
graag in dit overzicht een onderverdeling naar studenten die hun opleiding al dan
niet met een diploma hebben afgesloten, dan wel langer dan voorgeschreven over hun
opleiding hebben gedaan.
Om een indicatie te geven van de hoogte van studieschulden wordt gekeken naar de gemiddelde
studieschuld die is opgebouwd tot en met studiejaar 2024. Onderstaande tabel toont
de gemiddelde studieschuld naar instroomcohort naar onderwijsniveau. De bedragen zijn
inclusief rente en exclusief aflossingen op de studieschulden. Schulden van € 0 zijn
ook meegenomen in de gemiddelden. De gemiddelde studieschulden zijn tot en met instroomcohort
2019/20 weergegeven. Voor de latere instroomcohorten zijn de cijfers niet representatief,
omdat het overgrote deel uit die cohorten nog studeert waardoor de gemiddelde studieschuld
nog zal toenemen. Dit geldt deels ook voor de laatste twee cohorten in onderstaand
overzicht.
2014/15
2015/16
2016/17
2017/18
2018/19
2019/20
HBO
€ 13.387
€ 20.686
€ 20.698
€ 19.328
€ 15.959
€ 12.538
WO
€ 24.171
€ 34.051
€ 33.741
€ 31.642
€ 26.002
€ 19.313
(Oud-)bachelor-studenten uit het instroomcohort 2015/16 zijn de eerste studenten die
onder het leenstelsel studeerden. (Oud-)studenten uit het instroomcohort 2014/15 vallen
nog onder het daarvoor geldende basisbeursstelsel en hebben basisbeurs genoten voor
de volledige nominale studieduur.
Deze cijfers kunnen niet uitgesplitst worden naar (oud-)studenten die wel of geen
diploma hebben behaald. Deze cijfers zijn niet beschikbaar, omdat een deel van deze
groep nog studeert. Naar verwachting zal ongeveer 75 procent van de hbo-bachelor-,
85 procent van de wo-bachelor- en 90 procent van de wo-master-studenten de opleiding
met een diploma afsluiten. Naar verwachting haalt ongeveer een derde van alle studenten
het diploma in de nominale studieduur. De definitieve cijfers zijn nog niet beschikbaar,
omdat ook hiervoor geldt dat een deel van deze groep nog studeert.
De leden van de JA21-fractie stellen dat het niet aannemelijk is dat de 900.000 leden
van de «pechgeneratie» allemaal in een financieel moeilijke situatie zijn beland door
de afschaffing van de basisbeurs en vragen of de regering heeft overwogen om te onderzoeken
of maatwerktrajecten de voorkeur verdienen boven deze tweede generieke tegemoetkoming
zodat de focus kan liggen op studenten die disproportioneel zijn benadeeld door het
leenstelsel?
In de hoofdlijnenbrief van maart 20221 is uiteengezet welke mogelijkheden er zijn om de doelgroep voor de tegemoetkoming
af te bakenen. Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen
om alle (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking
te brengen voor de tegemoetkoming. Daarbij is in aanmerking genomen dat het leenstelsel
voor al deze (oud-)studenten gevolgen heeft gehad. In het kader van stabiel en duidelijk
overheidsbeleid heeft de regering ervoor gekozen om voor de aanvullende tegemoetkoming
aan te sluiten bij deze afbakening van de doelgroep. Bij de aanvullende tegemoetkoming
wordt net als bij de tegemoetkoming onderscheid gemaakt naar het aantal maanden dat
een (oud-)student onder het leenstelsel heeft gestudeerd, waarbij een minimum van
twaalf maanden wordt gehanteerd.
Voornoemde leden vragen of de regering kan toelichten waarom de eerste onverplichte
betaling «te laag» zou zijn en waarom de twee betalingen bij elkaar opgeteld wel passend
zouden zijn?
Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige
relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming
dat daarbij passend is. Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen
tot een passend bedrag aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedrag van
de beide tegemoetkomingen passend. Hiermee wordt een sluitend betekenisvol en substantieel
financieel gebaar gegeven als erkenning.
Voornoemde leden vragen of de regering inzichtelijk kan maken bij welke gelegenheden
eerder is besloten tot een onverplichte tegemoetkoming door de overheid en welke overwegingen
hierbij een rol hebben gespeeld?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is in de «Staat van de wetgevingskwaliteit»
van oktober 2024 ingegaan op onverplichte tegemoetkomingen door de overheid. Daarbij
zijn verschillende, uiteenlopende, voorbeelden genoemd van onverplichte tegemoetkomingen
in het verleden: «Het kan gaan om compensatie voor (natuur)rampen, zoals overstromingen,
of compensatie ter bescherming van de economie, zoals de diverse compensatieregelingen
die in het kader van de coronapandemie of de energiecrisis als gevolg van de inval
van Rusland in Oekraïne tot stand zijn gekomen. Ook erkenning van leed kan een reden
zijn voor een compensatieregeling; denk aan de tegemoetkoming voor zorgmedewerkers
met langdurige post-COVID klachten.»2 Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State in «Tegemoetkomen doe je niet
zomaar, een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende
situaties» van mei 2025 heeft gesteld: «[...] is [er] geen algemeen antwoord te geven
op de vraag wanneer de overheid zich een situatie moet aantrekken; elke situatie vereist
een individuele en integrale afweging. Omdat er geen sprake is van juridische verplichtingen,
zullen ethische, sociale, economische en politieke overwegingen de basis vormen voor
het onverplichte handelen door de overheid. Ook de beschikbare publieke middelen en
beleidsprioriteiten spelen een rol.»3
Voornoemde leden vragen aandacht voor het volgende. Het wetsvoorstel breidt het aantal
studenten met deze tweede tegemoetkoming uit met nieuwe categorieën, studenten die
tijdens het leenstelsel geen studiefinanciering hebben ontvangen en die door bijzondere
omstandigheden geen diploma hebben gehaald, dan wel langer hebben gedaan over het
behalen van hun diploma. Kan de regering uitleggen hoe DUO in deze gevallen vaststelt
of sprake is van bijzondere omstandigheden? Deze leden vragen of DUO de regering heeft
laten weten of de controles die nodig zijn door de uitbreiding met nieuwe groepen
studenten die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming uitvoerbaar zijn en of het
voor studenten doenlijk is om met terugwerkende kracht aan te tonen dat zij door bijzondere
omstandigheden zijn benadeeld?
Deze nieuwe groep (oud-)studenten die met bijzondere omstandigheden te maken heeft
gehad, bestaat uit ongeveer 5.800 (oud-)studenten die studiefinanciering hebben ontvangen
en naar verwachting uit enkele tientallen (oud-)studenten die geen studiefinanciering
hebben aangevraagd.
De eerste groep (oud-)studenten (die studiefinanciering heeft ontvangen), hoeft geen
aanvraag te doen voor de tegemoetkoming en hoeft ook niet opnieuw hun bijzondere omstandigheden
aan te tonen. DUO beschikt namelijk al over hun gegevens. Zij krijgen de tegemoetkoming
en de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Dit zal gebeuren nadat is vastgesteld
dat bij de (oud-)student sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel
5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000 als gevolg waarvan de (oud-)student geen diploma
heeft kunnen behalen. Concreet betekent dit dat deze (oud-)student via de bestaande
aanvraagprocedure eerst een verzoek heeft gedaan of doet om vanwege bijzondere omstandigheden
de prestatiebeurs om te zetten in een gift.
De tweede groep (oud-)studenten (die geen studiefinanciering heeft aangevraagd), moet
zelf een aanvraag doen voor de tegemoetkoming. DUO beschikt niet over hun gegevens.
Deze (oud-)studenten moeten daarbij aantonen dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden
hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar tot maximaal
vijftien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. (Oud-)studenten kunnen
dit aantonen met een beschikking van een Wajong-uitkering (artikel 5.15 WSF 2000),
respectievelijk met een verklaring van hun onderwijsinstelling en bij bijzondere medische
omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16 WSF 2000).
Hierbij zal de (oud-)student doorgaans ervan afhankelijk zijn of de bijzondere omstandigheden
bekend zijn bij zijn onderwijsinstelling en de arts. Naarmate meer tijd zit tussen
de aanvraag en het moment dat de bijzondere omstandigheden zich voordeden, kan dit
lastiger worden. Deze situatie doet zich overigens ook nu al voor bij aanvragen in
het kader van de Voorziening Prestatiebeurs die ook tot vijf jaar na afloop van de
diplomatermijn kunnen worden ingediend. Er is helaas geen andere en eenvoudigere mogelijkheid
om vast te stellen dat deze (oud-)studenten op grond van bijzondere omstandigheden
recht hebben op de tegemoetkoming. Daarbij komt dat de regering het wenselijk vindt
om (oud-)studenten met bijzondere omstandigheden die wel en die geen studiefinanciering
hebben aangevraagd wat betreft de tegemoetkoming zoveel mogelijk gelijk te behandelen.
DUO heeft op 14 mei 2025 een uitvoeringstoets en op 10 februari 2026 een aanvullende
uitvoeringstoets uitgebracht. DUO heeft geconcludeerd dat het wetsvoorstel, waaronder
ook dit onderdeel, uitvoerbaar is. De beoordeling van de naar schatting enkele tientallen
aanvragen waarbij sprake is van bijzondere omstandigheden is volgens DUO wel complexer
voor haarzelf, onderwijsinstellingen en artsen, omdat er meer tijd zal zitten tussen
de aanvraag en het beëindigen van de studie.
Voornoemde leden vragen hoe de regering zal reageren wanneer blijkt dat de uitkering
van de tweede tegemoetkoming niet wordt begrepen door (een deel van) de begunstigde
studenten die vervolgens zullen aandringen op een derde ronde van tegemoetkomingen?
De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering van de Raad
van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel «eenmalig» en «definitief»
hoort te zijn. De regering beschouwt de combinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende
tegemoetkoming als «definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep
(oud-)studenten een sluitend betekenisvol en substantieel financieel gebaar als erkenning.
De regering ziet in lijn met het advies van de Afdeling geen reden voor een derde
ronde onverplichte tegemoetkoming en ziet hiervoor ook geen ruimte. Als het wetsvoorstel
is aangenomen, dan zal de regering de discussie over deze maatschappelijke kwestie
als afgesloten beschouwen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het antwoord van de regering op het
advies van de Raad van State dat de regering ervoor heeft gekozen om af te wijken
van het uitgangspunt dat een onverplichte tegemoetkoming «eenmalig» dient te zijn
om de reden dat de regering van mening is dat de eerder ingevoerde tegemoetkoming
te laag is. Kan de regering inhoudelijk onderbouwen waarom de aanvullende tegemoetkoming,
geregeld in dit wetsvoorstel, wél toereikend zou zijn?
Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige
relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming
dat daarbij passend is. De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is
immers anders. Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een
passend bedrag aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedrag van de beide
tegemoetkomingen passend. Hiermee wordt een sluitend betekenisvol en substantieel
financieel gebaar gegeven als erkenning.
De leden van de ChristenUnie-fractie maakten zich ten tijde van het leenstelsel niet
alleen zorgen over de effecten van het leenstelsel, maar ook over de toenemende druk
in den brede waar jongeren mee te maken hadden. Deze leden wijzen in dit verband bijvoorbeeld
op het advies van het SER Jongerenplatform «Hoge verwachtingen» uit 2019, waarin onder
meer wordt gewezen op de effecten van de stapeling van beleid. De basisbeurs is opnieuw
ingevoerd, maar de hoge druk waar jonge mensen mee te maken hebben is er nog steeds,
zo zien deze leden. Zij vragen in dat kader hoe de regering nu, zeven jaar later,
de positie van de zogenoemde «leenstelselgeneratie» taxeert, bijvoorbeeld op de woningmarkt.
Zij vragen ook in hoeverre de aanbevelingen van toen zijn opgevolgd en in hoeverre
er verbetering is opgetreden in de situatie van jongeren sinds de genoemde analyse
uit 2019. Zij vragen daarnaast of de regering de noodzaak ziet voor een nieuw advies
over de positie van jongeren en de druk waar ze mee te maken hebben, als vervolg op
het advies van het SER Jongerenplatform uit 2019. Zo ja, is de regering bereid een
adviesorgaan als de SER voor te vragen? Zo nee, waarom niet?
Voor elke generatie geldt dat zij te maken kan krijgen met overheidsbeleid waarvan
zij positievere dan wel negatievere gevolgen kan ervaren in vergelijking met andere
generaties. Zoals in de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs
hoger onderwijs is beschreven, geldt in die gevallen dat er juridisch geen verplichting
is om hiervoor een tegemoetkoming te verstrekken. In die memorie van toelichting is
echter ook aangegeven dat de (oud-)studenten die gestudeerd hebben onder het leenstelsel
in een bijzondere positie verkeren ten opzichte van de (oud-)studenten die vóór en
ná het leenstelsel hebben gestudeerd. De regering heeft ingezien dat het als wrang
kan worden ervaren dat deze groep (oud-)studenten anders dan de generaties vóór en
ná hen geen basisbeurs heeft mogen genieten. Daarom wordt deze groep (oud-)studenten
ook tegemoetgekomen met een financieel gebaar als erkenning. Naar de mening van de
regering wordt hiermee een sluitend betekenisvol en substantieel financieel gebaar
gegeven als erkenning.
Wat betreft de woningmarkt is het moeilijk om te duiden wat de positie is van de generatie
die onder het leenstelsel heeft gestudeerd. Bij het aangaan van een hypotheek wordt
ook gekeken naar de maandlasten die een (oud-)student heeft bij DUO voor het afbetalen
van een studieschuld. Sommige (oud-)studenten hebben door het leenstelsel meer moeten
lenen, waardoor zij een hogere studieschuld hebben opgebouwd. De (oud-)studenten onder
het leenstelsel zijn echter ook de eerste generatie studenten die hun studieschuld
in 35 jaar mogen aflossen in plaats van 15 jaar. Een langere aflosduur betekent lagere
maandlasten. Het effect van het invoeren van het leenstelsel op bijvoorbeeld de woningmarkt
is daarmee moeilijk te duiden. Daarnaast spelen op de woningmarkt ook andere factoren
een rol die de kansen op deze markt beïnvloeden. Bij de behandeling van de Wet herinvoering
basisbeurs hoger onderwijs in de Eerste Kamer heeft de regering toegezegd onderzoek
te doen naar de positie van de leenstelselstudenten op de woningmarkt en arbeidsmarkt.
Dit onderzoek wordt in 2027 uitgevoerd.
Het rapport van de SER uit 2019 doet in totaal tien aanbevelingen, waarvan er vier
raken aan dit wetsvoorstel. Allereerst wordt de aanbeveling gedaan om onderzoek te
doen naar het (sociaal) leenstelsel. In 2020 heeft de evaluatie van het leenstelsel
plaatsgevonden. De beleidsdoorlichting van artikel 11 (studiefinanciering) van de
begroting van het Ministerie van OCW (VIII) laat zien dat het leenstelsel geen negatief
effect heeft gehad op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs als naar het geheel
wordt gekeken.4 Daarnaast wordt in het trendrapport hoger onderwijs jaarlijks de gemiddelde studieschuld
(inclusief rente en exclusief aflossingen) van de groep leenstelselstudenten in beeld
gebracht. Het voornemen is om vanaf komend trendrapport ook de actuele gemiddelde
studieschuld (inclusief rente en inclusief aflossingen) en de aflossing op de studieschuld
van deze groep debiteuren in beeld te brengen.
Een andere aanbeveling in het SER-rapport is om de financiële positie van jongeren
inzichtelijk te maken. De regering blijft de financiële positie van studenten monitoren.
Onder meer door het tweejaarlijkse studentenonderzoek door het Nibud. Dit onderzoek
is voor het laatst in 2024 verschenen en wordt nu opnieuw uitgevoerd. Ook stelt het
Nibud met subsidie van het Ministerie van OCW jaarlijks koopkrachtplaatjes op voor
studenten.
Een andere aanbeveling in het SER-rapport is om aandacht te hebben voor prestatiedruk
en psychische klachten. De regering heeft verschillende maatregelen in gang gezet
om te werken aan het mentaal welzijn van jongeren in het hbo en wo. Zo is in 2021
de monitor mentale gezondheid en middelengebruik van studenten in het hbo en wo voor
het eerst gepubliceerd, in opdracht van de Ministeries van OCW en VWS. Inmiddels zijn
er drie metingen van de monitor geweest (2021, 2023, 2025) en is er gelukkig een positieve
trend te zien in het mentaal welzijn van studenten: studenten ervaren minder emotionele
uitputtingsklachten, eenzaamheid en prestatiedruk. Tegelijkertijd zijn de cijfers
nog steeds zorgwekkend en is blijvende inzet vanuit de overheid en onderwijsinstellingen
op dit thema nodig. De regering blijft daarom onverminderd werken aan deze aanpak.
In 2023 is het Landelijk Kader Studentenwelzijn opgezet, waarin het Ministerie van
OCW met de koepels UNL en VH en de studentenorganisaties ISO en LSVb afspraken heeft
gemaakt over een gezamenlijke aanpak voor studentenwelzijn (tot 2030). Instellingen
ontvangen € 15 miljoen per jaar voor de uitvoering hiervan. Onlangs heeft een tussenevaluatie
van het kader plaatsgevonden. De reactie op de tussenevaluatie is op 28 mei 2026 naar
uw Kamer gestuurd.5 Ook is in 2023 het programma studentenwelzijn (Stijn) opgezet. Stijn wordt uitgevoerd
door het Trimbos Instituut, ECIO en Pharos en helpt mbo-, hbo- en wo-instellingen,
gemeenten en preventie- en zorgprofessionals om integraal te werken aan studentenwelzijn.
Het programma richt zich op twee thema’s: mentale gezondheid en middelengebruik. De
regering blijft de mentale gezondheid van studenten monitoren en houdt uw Kamer hiervan
op de hoogte.
Tot slot bevat het SER-rapport ook een aanbeveling met betrekking tot de woningmarkt.
De SER heeft aanbevolen om vast te leggen dat hypotheekverstrekkers alleen de actuele
studieschuld meenemen in de berekening van de maximale hypotheekhoogte. Deze aanbeveling
is opgevolgd. Vanaf 2024 geldt een nieuwe systematiek en zijn de actuele maandlasten
van de studieschuld bepalend voor de impact op de leenruimte.
De SER heeft in oktober 2025 een nieuw advies uitgebracht onder de titel ’t Tij keren;
Kansen en belemmeringen voor jongeren in 2025. In dit rapport wordt aangekondigd dat
het SER Jongerenplatform drie thema’s verder gaat verkennen, waaronder de financiële
positie van studenten. De regering ziet mede daarom geen noodzaak om opnieuw advies
aan de SER te vragen.
1. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel voorziet in een tweede,
aanvullende tegemoetkoming bovenop de eerder ingevoerde regeling. Deze leden zien
dat de regering deze aanvullende tegemoetkoming motiveert met de stelling dat de eerdere
tegemoetkoming onvoldoende zou zijn. Zij vragen de regering om deze motivering nader
te onderbouwen. Kan de regering nader toelichten op basis van welke criteria is vastgesteld
dat de eerdere tegemoetkoming onvoldoende was, zo vragen zij. Zij vragen de regering
te bevestigen dat het oorspronkelijke bedrag destijds als passend is beoordeeld en
waarom daar nu anders naar gekeken wordt.
Het parlement heeft bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs de hoogte van
het bedrag van de tegemoetkoming gewogen en bekrachtigd. Het kabinet-Schoof is tot
de conclusie gekomen dat de tegemoetkoming te laag is, heeft in zijn regeerprogramma
middelen vrijgemaakt voor een aanvullende tegemoetkoming en heeft hiervoor een wetsvoorstel
in procedure gebracht. De regering wenst dit voort te zetten.
Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige
relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming
dat daarbij passend is. De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is
immers anders. Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een
passend bedrag aan tegemoetkoming. In haar afwegingskader voor onverplicht handelen
van de overheid bij klemmende situaties stelt de Afdeling advisering van de Raad van
State onder meer dat «er [...] geen algemeen antwoord te geven [is] op de vraag wanneer
de overheid zich een situatie moet aantrekken; elke situatie vereist een individuele
en integrale afweging. Omdat er geen sprake is van juridische verplichtingen, zullen
ethische, sociale, economische en politieke overwegingen de basis vormen voor het
onverplichte handelen door de overheid. Ook de beschikbare publieke middelen en beleidsprioriteiten
spelen een rol.»6 De regering is zich hiervan bewust en heeft dit betrokken bij haar afweging om tot
een aanvullende tegemoetkoming te komen. Hierbij hebben met name sociale en politieke
overwegingen en de beschikbare publieke middelen een rol gespeeld.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader in te gaan op het advies van
de Raad van State dat stelt dat voor een onverplichte tegemoetkoming zwaarwegende
redenen noodzakelijk zijn en dat deze in de toelichting ontbreken. Deze leden vragen
zich af welke zwaarwegende redenen de regering hier ziet.
In de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft
de regering uiteengezet waarom zij van mening is dat aanleiding bestaat om (oud-)studenten
die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking te brengen
voor een tegemoetkoming. De regering heeft gemotiveerd dat zij hiertoe juridisch niet
verplicht is, maar zich daartoe wel geroepen voelt gezien de bijzondere situatie waarin
deze (oud-)studenten verkeren. De regering achtte het voor de (oud-)studenten die
gedurende de – relatief korte – periode van het leenstelsel hebben gestudeerd wrang
dat zij, anders dan voorgaande en komende generaties, geen gebruik hebben kunnen maken
van een basisbeurs. Deze (oud-)studenten hebben ten opzichte van zowel de studenten
vóór hen als (naar verwachting) de studenten ná hen gemiddeld gezien een hogere studieschuld
opgebouwd of hebben, doordat zij zich bijvoorbeeld genoodzaakt voelden meer te gaan
werken, andere gevolgen van het leenstelsel ondervonden. Bij de behandeling van de
Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft het parlement deze motivering gewogen
en bekrachtigd. Waar deze motivering opgaat voor de tegemoetkoming, gaat deze ook
op voor de aanvullende tegemoetkoming. De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
dienen immers samen één doel; namelijk om richting (oud-)studenten die zonder basisbeurs
onder het leenstelsel hebben gestudeerd een gebaar te maken ter erkenning van bovengenoemde
bijzondere, wrange, situatie.
De leden van de VVD-fractie hechten bijzonder aan een betrouwbare overheid die consistent
is in haar beleid. Deze leden delen de zorgen van de Raad van State over het ondermijnen
van het karakter van een eenmalig gebaar door herhaalde tegemoetkomingen en dat dit
verwachtingen kan scheppen van verdere compensatie. Zij vragen de regering daarom
toe te lichten of zij deze aanvullende tegemoetkoming wel als definitieve compensatie
ziet en waarom.
De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering van de Raad
van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel «eenmalig» en «definitief»
hoort te zijn. De regering beschouwt de combinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende
tegemoetkoming als «definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep
(oud-)studenten een sluitend betekenisvol en substantieel financieel gebaar als erkenning.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom het niet mogelijk
is om in plaats van twee afzonderlijke geregelde tegemoetkomingen te komen tot een
enkele tegemoetkoming, waarvan het eerste deel in veel gevallen reeds uitbetaald is,
aangezien de doelgroepen van beide regelingen samenvallen.
De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming dienen samen één doel; namelijk
om richting (oud-)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd
een gebaar te maken als erkenning. Juist omdat de tegemoetkoming al aan het grootste
deel van de (oud-)studenten is toegekend, heeft de regering ervoor gekozen om in de
wetgeving naast de tegemoetkoming een aanvullende tegemoetkoming op te nemen. Twee
aparte tegemoetkomingen en twee aparte bedragen bieden meer duidelijkheid voor de
(oud-)studenten. Ook is dit onderscheid nodig voor de inrichting van de systemen van
DUO en de uitvoering door DUO.
1.1. Probleembeschrijving en doelstellingen
1.1.1. De tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of er ook gegevens bekend zijn van
jongvolwassenen die de keuze hebben gemaakt niet te gaan studeren door het wegvallen
van de basisbeurs en zo ja, of de regering deze cijfers kan delen.
De gegevens die de leden van de CDA-fractie vragen, zijn niet beschikbaar. De beleidsdoorlichting
van artikel 11 (studiefinanciering) van de begroting van het Ministerie van OCW (VIII)
laat zien dat het leenstelsel geen negatief effect heeft gehad op de toegankelijkheid
van het hoger onderwijs.7
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich af op basis van welke redenatie
de regering vaststelt dat de eerdere tegemoetkoming te laag was en eveneens op basis
waarvan de regering de conclusie trekt dat het nu beschikbaar gestelde budget van
€ 1,4 miljard, wat leidt tot een bedrag van € 44,50 per (oud-)student per maand, wél
passend is.
Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige
relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming
dat daarbij passend is. De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is
immers anders. Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een
passend bedrag aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedrag van de beide
tegemoetkomingen passend. Hiermee wordt een sluitend betekenisvol en substantieel
financieel gebaar gegeven als erkenning.
Voornoemde leden vragen zich af of de regering over de hoogte van het bedrag met studentenorganisaties
gesproken heeft. Is de regering zich bewust van het feit dat de LSVb8 het genoemde bedrag als te laag beschouwt en meerdere reacties op de internetconsultatie
dezelfde boodschap geven?9
Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is met het ISO en de LSVb gesproken over
de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij zijn zij ook gewezen op de start van de internetconsultatie.
De LSVb en een deel van de overige 22 respondenten bij de internetconsultatie hebben
kenbaar gemaakt het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming te laag te vinden. Zij
vinden dit bedrag te laag in verhouding tot de gemiste basisbeurs, de hoogte van hun
studieschuld of hun huidige persoonlijke omstandigheden. De regering is zich van deze
reacties bewust.
Voornoemde leden vragen hoe de regering kijkt naar het eerdere onderzoek van het CPB10 waaruit blijkt dat de studieschuld van de eerste groep hbo-studenten die onder het
leenstelsel vielen gemiddeld € 7.800 hoger is dan van de groep die een jaar voor het
leenstelsel begon en dat dit verschil voor wo-studenten zelfs € 10.000 is?11 Hoe vergelijkt de regering dit bedrag met de aanvullende tegemoetkoming van € 2.136,00
per vier jaar studie die dit wetsvoorstel regelt?
De regering benadrukt dat er juridisch geen verplichting is om de tegemoetkoming en
de aanvullende tegemoetkoming te verstrekken. De tegemoetkomingen zijn niet bedoeld
als compensatie voor de gemiste basisbeurs of een hogere studieschuld, maar als gebaar
van erkenning voor leenstelselstudenten. De regering vindt het totaalbedrag van de
beide tegemoetkomingen hiervoor passend. Het totaalbedrag aan tegemoetkoming en aanvullende
tegemoetkoming is € 3.830,88 bij vier jaar studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel
(prijspeil 2026). Hiermee wordt een sluitend betekenisvol en substantieel financieel
gebaar gegeven als erkenning.
Voornoemde leden vragen zich af op basis waarvan de regering het gepast acht om zelf
«een punt achter deze maatschappelijke kwestie» te zetten. Is het niet aan de (oud-)studenten
zélf om te beoordelen of zij vinden dat er met dit wetsvoorstel een punt wordt gezet
achter de kwestie? Hoe beoordeelt de regering in dat licht het advies van de Raad
van State dat waarschuwt dat de regering niet motiveert waarom de eerdere tegemoetkoming
«te laag» zou zijn en waarom de twee tegemoetkomingen bij elkaar opgeteld wel «passend»
zouden zijn, het daardoor «niet duidelijk is of het voorstel bijdraagt aan een behoefte
aan erkenning» en tot slot het risico schetst dat hierdoor «de maatschappelijke kwestie
niet wordt afgesloten»?
De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering van de Raad
van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel «eenmalig» en «definitief»
hoort te zijn. De regering beschouwt de combinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende
tegemoetkoming als «definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep
(oud-)studenten een sluitend betekenisvol financieel en substantieel gebaar als erkenning.
Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige
relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming
dat daarbij passend is. De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is
immers anders. Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een
passend bedrag aan tegemoetkoming.
Het zal per (oud-)student verschillen of dit financieel gebaar in voldoende mate bijdraagt
aan erkenning. Ook zal het per (oud-)student verschillen of zij het totaalbedrag aan
tegemoetkoming passend vinden. Als gezegd, is de ervaring van elke (oud-)student met
het leenstelsel immers anders. Als het wetsvoorstel is aangenomen, dan zal de regering
de discussie over deze maatschappelijke kwestie als afgesloten beschouwen.
Voornoemde leden vragen hoe de regering in dat licht het standpunt van de LSVb beoordeelt,
dat het genoemde bedrag «volledig ontoereikend» beschouwt en «een druppel op een gloeiende
plaat» noemt? Op welke manier heeft de regering de input van studentenvertegenwoordigers
meegenomen? Is de regering het met deze leden eens dat het belangrijk is dat er draagvlak
is onder studentenvertegenwoordigers voor het voorstel, gezien de ernstige fout die
de overheid heeft gemaakt door ooit het leenstelsel in te voeren?
Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel is gesproken met het ISO en de LSVb over
de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij zijn zij ook gewezen op de start van de internetconsultatie.
De LSVb heeft kenbaar gemaakt het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming te laag
te vinden. De regering ziet dat anders. De regering vindt het totaalbedrag van de
beide tegemoetkomingen passend. De regering vindt dit bedrag ook substantieel en zeker
niet «een druppel op een gloeiende plaat». Dit is een politieke afweging. Het in het
regeerprogramma van het kabinet-Schoof beschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard
heeft hierbij het kader gevormd. De regering hecht net als de leden van de Partij
voor de Dieren-fractie aan een zo groot mogelijk draagvlak. Het is echter niet realistisch
om te verwachten dat deze onverplichte tegemoetkoming op een volledig draagvlak kan
rekenen, omdat er immers een politieke afweging is gemaakt.
1.1.2. Een aanvullende tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie lezen dat de hoogte van de tegemoetkoming te laag wordt
geacht en vragen de regering toe te lichten hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
In haar afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties
stelt de Afdeling advisering van de Raad van State onder meer dat «er [...] geen algemeen
antwoord te geven [is] op de vraag wanneer de overheid zich een situatie moet aantrekken;
elke situatie vereist een individuele en integrale afweging. Omdat er geen sprake
is van juridische verplichtingen, zullen ethische, sociale, economische en politieke
overwegingen de basis vormen voor het onverplichte handelen door de overheid. Ook
de beschikbare publieke middelen en beleidsprioriteiten spelen een rol.»12 De regering is zich hiervan bewust en heeft dit betrokken bij haar afweging om tot
een aanvullende tegemoetkoming te komen. Hierbij hebben met name sociale en politieke
overwegingen en de beschikbare publieke middelen een rol gespeeld.
Voornoemde leden lezen dat de aanvullende tegemoetkoming € 44,50 per maand bedraagt
die een student onder het leensteelstel heeft gestudeerd en verzoeken de regering
om de onderbouwing van dat bedrag toe te lichten.
Bij de berekening van het bedrag aan aanvullende tegemoetkoming is het in het regeerprogramma
van het kabinet-Schoof hiervoor opgenomen budget van € 1,4 miljard als uitgangspunt
genomen. Hieruit zijn eerst de uitvoeringskosten en de kosten voor de uitbreiding
van de doelgroep gedekt. Vervolgens is berekend hoeveel de aanvullende tegemoetkoming
per (oud-)student per maand bedraagt (inclusief de uitgebreide doelgroep). Inclusief
indexering komt deze berekening uit op een bedrag aan aanvullende tegemoetkoming van
€ 44,50 per gestudeerde maand zonder basisbeurs onder het leenstelsel (prijspeil 2026).
De leden van de DENK-fractie vragen of de regering nader kan motiveren waarom zij
nu pas tot de conclusie komt dat de eerdere tegemoetkoming onvoldoende was?
Het parlement heeft bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs het bedrag
van de tegemoetkoming gewogen en bekrachtigd. In het parlement was destijds discussie
over de hoogte van het bedrag. Dit heeft toen echter niet geleid tot een verhoging.
Het kabinet-Schoof is tot de conclusie gekomen dat de tegemoetkoming te laag is, heeft
in zijn regeerprogramma € 1,4 miljard aan middelen vrijgemaakt voor een aanvullende
tegemoetkoming en heeft een wetsvoorstel in procedure gebracht. De regering wenst
dit wetsvoorstel voort te zetten. Het eerder beschikbaar gestelde budget vormt hierbij
het kader. Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde is altijd een
politieke afweging nodig. Deze politieke afweging heeft hier geleid tot het onderhavige
wetsvoorstel.
Voornoemde leden vragen op welke wijze bij het bepalen van de aanvullende tegemoetkoming
rekening is gehouden met de gestegen inflatie en de torenhoge rente op de studieschulden,
die voor veel oud-studenten een zware last vormen?
De aanvullende tegemoetkoming wordt per 1 januari 202713 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Hierdoor wordt
rekening gehouden met de inflatie, zodat de koopkracht van de tegemoetkoming op peil
blijft. In de praktijk wordt hierdoor ook rekening gehouden met de rente op studieleningen.
Er is echter geen koppeling met de rente op studieleningen. De tegemoetkoming is niet
alleen beschikbaar voor (oud-)studenten met een studieschuld (waarover zij rente betalen),
maar ook voor (oud-)studenten zonder een studieschuld. Volledigheidshalve vermeldt
de regering dat de CPI de afgelopen jaren hoger is geweest dan de rente op studieleningen.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering kan onderbouwen dat nu werkelijk
een punt achter de tegemoetkomingen gezet wordt. In hoeverre is met deze uitspraken
sprake van zelfbinding richting volgende regeringen?
De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering van de Raad
van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel «eenmalig» en «definitief»
hoort te zijn. De regering beschouwt de combinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende
tegemoetkoming als «definitief». Als het wetsvoorstel is aangenomen, dan zal de regering
de discussie over deze maatschappelijke kwestie als afgesloten beschouwen. In ons
democratisch bestel kan uiteraard nooit worden uitgesloten dat een kabinet of het
parlement in de toekomst opnieuw de discussie hierover zou willen voeren. De mening
van de regering is dat er nu een sluitend betekenisvol en substantieel financieel
gebaar is gegeven als erkenning.
1.2. Inhoud wetsvoorstel
1.2.1. Doelgroep en voorwaarden tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie lezen dat EER-studenten die recht hadden op volledige
studiefinanciering ook in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Deze leden vragen
de regering of zij zicht heeft op de omvang van deze groep en potentiële financiële
implicaties en of zij deze inzichten kan delen.
Tot nu toe hebben ruim 17.400 (oud-)EER-studenten voor een totaalbedrag van circa
€ 14,2 miljoen aan tegemoetkoming ontvangen. Wanneer zij in 2027 ook de aanvullende
tegemoetkoming ontvangen, komt daar een totaalbedrag van circa € 18,5 miljoen bij
(prijspeil 2026). Daarnaast is er een groep van ongeveer 34.000 EER-studenten die
onder het leenstelsel hebben gestudeerd en toen (enige tijd) aanspraak op volledige
studiefinanciering hadden, maar die op dit moment nog niet voldoen aan de voorwaarden
voor de tegemoetkomingen, omdat zij nog geen diploma hebben behaald. Als al deze EER-studenten
alsnog hun diploma behalen en recht krijgen op de tegemoetkomingen, dan komt er nog
een totaalbedrag bij van circa € 68 miljoen (prijspeil 2026).14
Een belangrijke kanttekening bij het aantal (oud-)EER-studenten met recht op de tegemoetkomingen
is dat zij gemiddeld minder maanden onder het leenstelsel met recht op volledige studiefinanciering
hebben gestudeerd dan Nederlandse studenten. Gemiddeld gaat het om circa twee jaar.
Dit komt bijvoorbeeld doordat zij alleen een masteropleiding in Nederland volgden
en/of niet gedurende hun gehele opleiding recht hadden op volledige studiefinanciering.
Bijvoorbeeld omdat zij niet gedurende hun gehele opleiding kwalificeerden als migrerend
werknemer.
1.2.2. Doelgroep en voorwaarden aanvullende tegemoetkoming
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er opnieuw voor kiest om de
tegemoetkoming te richten op alle studenten, ook die uit gezinnen met zeer hoge inkomens.
Deze leden constateren dat uit onderzoeken bleek dat met name de middeninkomens het
zwaar te verduren hadden door het leenstelsel. Waarom is de nieuwe tegemoetkoming
niet benut om meer maatwerk toe te passen en vooral die groepen te bedienen die het
het meest nodig hebben?
In de hoofdlijnenbrief van maart 202215 is uiteengezet welke mogelijkheden er zijn om de doelgroep voor de tegemoetkoming
af te bakenen. Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen
om alle (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking
te brengen voor de tegemoetkoming. Daarbij is in aanmerking genomen dat het leenstelsel
voor al deze (oud-)studenten gevolgen heeft gehad. In het kader van stabiel en duidelijk
overheidsbeleid heeft de regering ervoor gekozen om voor de aanvullende tegemoetkoming
aan te sluiten bij deze afbakening van de doelgroep. Bij de aanvullende tegemoetkoming
wordt net als bij de tegemoetkoming onderscheid gemaakt naar het aantal maanden dat
een (oud-)student onder het leenstelsel heeft gestudeerd, waarbij een minimum van
twaalf maanden wordt gehanteerd. Hiermee houdt de regering zoveel mogelijk rekening
met de mate waarin (oud-)studenten zonder basisbeurs hebben gestudeerd.
De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat de studenten die een aanvullende
beurs hebben gekregen, mogelijk zelfs een volledige, ook opnieuw in aanmerking komen
voor een volledige tegemoetkoming. Deze leden vragen hoe dit te verdedigen zou zijn
vanuit het perspectief van de verdelende rechtvaardigheid.
De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming zijn bedoeld als gebaar voor het
– in tegenstelling tot de generaties (oud-)studenten vóór en ná het leenstelsel –
hebben moeten missen van een basisbeurs. Alle (oud-)studenten die tijdens het leenstelsel
recht hadden op volledige studiefinanciering hebben zonder een basisbeurs moeten studeren,
ook de (oud-)studenten met een aanvullende beurs. De regering acht het daarom rechtvaardig
om al deze (oud-)studenten – voor zover zij ook aan de overige voorwaarden voldoen
– de tegemoetkomingen toe te kennen. Het studiefinancieringsstelsel veronderstelt
dat ouders financieel bijdragen aan de opleiding van hun kinderen. De aanvullende
beurs is bedoeld voor ouders die op grond van hun inkomen niet of minder kunnen bijdragen.
De regering acht het juist niet rechtvaardig om (oud-)studenten die een aanvullende
beurs hebben gehad, uit te sluiten van de tegemoetkomingen.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken wat het verschil
in bedragen is tussen studenten die gedurende vier jaar maximale aanvullende beurs
als gift hebben ontvangen en studenten die geen aanvullende beurs hebben gekregen.
De hoogte van het bedrag dat (oud-)studenten na vier jaar maximale aanvullende beurs
hebben ontvangen, hangt af van het studiejaar waarin zij begonnen met studeren. De
aanvullende beurs wordt namelijk jaarlijks geïndexeerd. Wanneer wordt uitgegaan van
studiejaar 2015/2016, het eerste studiejaar onder het leenstelsel, komt het totaalbedrag
aan maximale aanvullende beurs uit op € 18.636,28.
1.2.3. Uitbreiding doelgroep
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering voornemens is de groepen (oud-)studenten
die in aanmerking komen voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming
uit te breiden. Deze leden vragen de regering of de tegemoetkoming van deze aanvullende
groep (oud-)studenten past binnen het budget van € 1,0 miljard gezien het feit dat
bij de vaststelling van dit budget er met deze groep (oud-)studenten geen rekening
is gehouden.
De kosten voor de uitbreiding van de doelgroep worden gedekt uit het budget van de
aanvullende tegemoetkoming.
De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor het volgende. In het wetsvoorstel
wordt geregeld dat specifieke groepen studenten die tijdens het leenstelsel geen studiefinanciering
hebben ontvangen en die door bijzondere omstandigheden geen diploma hebben gehaald,
dan wel langer hebben gedaan over het behalen van hun diploma, ook in aanmerking komen
voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. Kan de regering nader toelichten
hoe DUO in die gevallen vaststelt of sprake is van deze bijzondere omstandigheden?
Acht DUO het goed uitvoerbaar om deze vaststelling te doen en acht de regering het
doenlijk voor (oud-)studenten om nog de bijzondere omstandigheden ten tijde van de
studie aan te kunnen tonen? In het verlengde hiervan vragen de leden van de DENK-fractie
de regering hoe DUO in de praktijk gaat vaststellen of er sprake is van deze bijzondere
omstandigheden, zeker wanneer deze jaren geleden hebben plaatsgevonden. Acht de regering
het voor (oud-)studenten doenlijk om na een lange periode nog met bewijsstukken te
komen over hun toenmalige situatie? Hoe wordt voorkomen dat juist de meest kwetsbare
studenten, die wellicht de administratieve weg minder goed weten te vinden, hierdoor
buiten de boot vallen?
Deze nieuwe groep (oud-)studenten die met bijzondere omstandigheden te maken heeft
gehad, bestaat uit ongeveer 5.800 (oud-)studenten die studiefinanciering hebben ontvangen
en naar verwachting uit enkele tientallen (oud-)studenten die geen studiefinanciering
hebben aangevraagd.
De eerste groep (oud-)studenten (die studiefinanciering heeft ontvangen), hoeft geen
aanvraag te doen voor de tegemoetkoming en hoeft ook niet opnieuw hun bijzondere omstandigheden
aan te tonen. DUO beschikt namelijk al over hun gegevens. Zij krijgen de tegemoetkoming
en de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Dit zal gebeuren nadat is vastgesteld
dat bij de (oud-)student sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel
5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000 als gevolg waarvan de (oud-)student geen diploma
heeft kunnen behalen. Concreet betekent dit dat deze (oud-)student via de bestaande
aanvraagprocedure eerst een verzoek heeft gedaan of doet om vanwege bijzondere omstandigheden
de prestatiebeurs om te zetten in een gift.
De tweede groep (oud-)studenten (die geen studiefinanciering heeft aangevraagd), moet
zelf een aanvraag doen voor de tegemoetkoming. DUO beschikt niet over hun gegevens.
Deze (oud-)studenten moeten daarbij aantonen dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden
hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar tot maximaal
vijftien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. De aanvraagprocedure voor
deze kleine groep (oud-)studenten vraagt een zeker doenvermogen van een relatief kwetsbare
groep (oud-)studenten. (Oud-)studenten kunnen dit aantonen met een beschikking van
een Wajong-uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk met een verklaring van
hun onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met een
verklaring van een arts (artikel 5.16 WSF 2000). Hierbij zal de (oud-)student doorgaans
ervan afhankelijk zijn of de bijzondere omstandigheden bekend zijn bij zijn onderwijsinstelling
en de arts. Naarmate meer tijd zit tussen de aanvraag en het moment dat de bijzondere
omstandigheden zich voordeden, kan dit lastiger worden. Deze situatie doet zich overigens
ook nu al voor bij aanvragen in het kader van de Voorziening Prestatiebeurs die ook
tot vijf jaar na afloop van de diplomatermijn kunnen worden ingediend. Er is helaas
geen andere en eenvoudigere mogelijkheid om vast te stellen dat deze (oud-)studenten
op grond van bijzondere omstandigheden recht hebben op de tegemoetkoming. Daarbij
komt dat de regering het wenselijk vindt om (oud-)studenten met bijzondere omstandigheden
die wel en die geen studiefinanciering hebben aangevraagd wat betreft de tegemoetkoming
zoveel mogelijk gelijk te behandelen.
DUO heeft op 14 mei 2025 een uitvoeringstoets en op 10 februari 2026 een aanvullende
uitvoeringstoets uitgebracht. DUO heeft geconcludeerd dat het wetsvoorstel, waaronder
ook dit onderdeel, uitvoerbaar is. De beoordeling van de naar schatting enkele tientallen
aanvragen waarbij sprake is van bijzondere omstandigheden is volgens DUO wel complexer
voor haarzelf, onderwijsinstellingen en artsen, omdat er meer tijd zal zitten tussen
de aanvraag en het beëindigen van de studie.
DUO zal haar communicatiecampagne ook specifiek op deze groep (oud-)studenten afstemmen.
Daarnaast zal zij de aanvraagprocedure voor deze groep (oud-)studenten zo laagdrempelig
mogelijk inrichten. Het gaat hier immers om (oud-)studenten in een kwetsbare positie.
1.2.4. Toekenning aanvullende tegemoetkoming volgt toekenning tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie lezen dat de groep (oud-)studenten die geen studiefinanciering
hebben aangevraagd maar wel onder de uitbreiding van de doelgroep vallen, een aanvraag
bij DUO kunnen indienen voor tegemoetkoming. Deze leden lezen dat deze (oud-)studenten
een aanvraag moeten doen omdat zij niet bekend zijn bij DUO. Deze leden vragen de
regering of de omvang van deze groep wél bekend is en zo ja, of deze cijfers gedeeld
kunnen worden.
De groep leenstelselstudenten die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, maar
die wel stond ingeschreven aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling en die binnen
de termijn van tien jaar een diploma heeft behaald, is bij DUO in beeld. Het gaat
om ongeveer 5.000 (oud-)studenten. Deze (oud-)studenten hebben eerder in het kader
van de tegemoetkoming een brief van DUO ontvangen met de mededeling dat zij een aanvraag
kunnen doen voor de tegemoetkoming. De groep (oud-)studenten die geen studiefinanciering
heeft aangevraagd en die als gevolg van bijzondere omstandigheden geen diploma heeft
kunnen behalen ofwel die als gevolg van bijzondere omstandigheden buiten de termijn
van tien jaar een diploma heeft behaald, is niet bij DUO in beeld. Hetzelfde geldt
voor de groep (oud-)studenten die zonder studiefinanciering aan een buitenlandse instelling
heeft gestudeerd. Naar verwachting gaat het bij beide om enkele tientallen (oud-)studenten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de studenten die een aanvraag moeten indienen
voor de tegemoetkoming dit vanaf april 2027 kunnen doen. Deze leden vragen de regering
of zij kan aangeven tot wanneer de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag
tot tegemoetkoming blijft openstaan.
De (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep krijgen naar verwachting
vanaf april 2027 zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming toegekend.
Voor zover deze (oud-)studenten een aanvraag moeten doen voor de tegemoetkoming, kunnen
zij deze naar verwachting vanaf april 2027 indienen bij DUO. Het gaat hierbij naar
verwachting om enkele tientallen (oud-)studenten. De aanvraagtermijn voor de tegemoetkoming
is geregeld in artikel 21b, derde lid, Besluit studiefinanciering 2000. Als de (oud-)student
een aanvraag moet doen voor de tegemoetkoming, dan moet hij deze op dit moment doen
uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn (als hij wel
studiefinanciering heeft aangevraagd) respectievelijk uiterlijk binnen tien jaar en
drie maanden nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs
(als hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd). De regering is voornemens om
deze termijn bij het besluit tot wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000
in verband met de nadere uitwerking van de verstrekking van de tegemoetkoming en de
aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben
gestudeerd als volgt te verlengen.16 Als de (oud-)student een aanvraag moet doen voor de tegemoetkoming, dan moet hij
deze doen uiterlijk binnen vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn (als
hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd) respectievelijk uiterlijk binnen twintig
jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs (als
hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd). De reden voor deze verlenging wordt
toegelicht bij dat besluit.
1.2.5. Beschikbaar bedrag voor de aanvullende tegemoetkoming
De leden van de DENK-fractie constateren dat het beschikbare budget van € 1,4 miljard
leidend is geweest voor de hoogte van de tegemoetkoming van € 44,50 per maand. Is
de regering het met deze leden eens dat dit getuigt van een budgetgestuurde benadering
in plaats van een benadering die gebaseerd is op de werkelijke behoefte aan compensatie
van de geleden schade? Verder vragen deze leden of de regering kan toelichten waarom
er niet voor is gekozen om de tegemoetkoming te baseren op een reële berekening van
de gemiddelde extra schuld per student?
Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige
relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming
dat daarbij passend is. De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is
immers anders. Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een
passend bedrag aan tegemoetkoming. Het voor de aanvullende tegemoetkoming beschikbaar
gestelde budget van € 1,4 miljard heeft inderdaad het kader gevormd voor de hoogte
van het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming.
De regering benadrukt dat er juridisch geen verplichting is om de tegemoetkoming en
de aanvullende tegemoetkoming te verstrekken. De tegemoetkomingen zijn niet bedoeld
als compensatie voor de gemiste basisbeurs of een hogere studieschuld, maar als gebaar
van erkenning voor leenstelselstudenten. De regering vindt het totaalbedrag van de
beide tegemoetkomingen hiervoor passend. Hiermee wordt een sluitend betekenisvol en
substantieel financieel gebaar gegeven als erkenning.
2. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
2.1. Verhouding tot hoger recht
2.1.1. Grondslag en waarborgen verwerking bijzondere persoonsgegevens
De leden van de DENK-fractie maken zich zorgen over de privacy van (oud-)studenten
aangezien de regering voorstelt om gegevens over gezondheid tot tien jaar na het besluit
te bewaren. Waarom is een dergelijke lange bewaartermijn noodzakelijk voor een eenmalig
gebaar?
Het is noodzakelijk om bedoelde gegevens over gezondheid te bewaren tot tien jaar
nadat het besluit over de (aanvullende) tegemoetkoming is genomen. Hierbij is rekening
gehouden met de (maximale) termijn van vijf jaar waarbinnen op grond van artikel 7.1
WSF 2000 een besluit inzake de (aanvullende) tegemoetkoming kan worden herzien en
deze gegevens nog nodig kunnen zijn. Daarnaast is hiermee gewaarborgd dat deze gegevens
nog voldoende lang beschikbaar zijn in geval van een eventuele bezwaar-, beroeps-
of hogerberoepsprocedure tegen het (herziene) besluit over de (aanvullende) tegemoetkoming.
Voornoemde leden vragen of de regering kan garanderen dat deze gegevens over gezondheid,
die verwerkt worden op basis van de AVG17 uitsluitend toegankelijk zijn voor geautoriseerde personen bij DUO18 en niet voor andere doeleinden worden gebruikt?
Op grond van het nieuwe artikel 11.6, eerste lid, WSF 2000 mogen bedoelde gegevens
over gezondheid alleen worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is in het kader
van besluiten over voorzieningen als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Dit
artikel voorziet niet in een grondslag om deze gegevens over gezondheid voor andere
doeleinden te verwerken. Op grond van het nieuwe artikel 11.7, vijfde lid, WSF 2000
zijn deze gegevens alleen toegankelijk voor daartoe geautoriseerde personen. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld over de autorisatie van deze personen. Hierbij worden
de autorisaties van de personen, medewerkers van DUO, afgestemd op de door hen te
verrichten werkzaamheden. Zo kunnen alleen geautoriseerde medewerkers deze gegevens
inzien.
3. Gevolgen voor (oud-)studenten
3.1. Financiële gevolgen
De leden van de DENK-fractie wijzen erop dat voor veel studenten de studieschuld een
grote belemmering vormt op de woningmarkt. Kan de regering aangeven of zij heeft onderzocht
wat het effect van deze aanvullende tegemoetkoming is op de leencapaciteit van oud-studenten
voor een hypotheek?
De aanvullende tegemoetkoming wordt in beginsel afgetrokken van de studieschuld. Door
de aanvullende tegemoetkoming wordt de studieschuld van de (oud-)student dus lager
en worden zijn maandlasten in principe ook lager. Bij het bepalen van de leencapaciteit
wordt onder meer gekeken naar de maandlasten die de (oud-)student heeft. Lagere maandlasten
zorgen voor een hogere leencapaciteit.
Voornoemde leden vragen of de regering het billijk acht dat studenten die door de
overheid in een schuldenpositie zijn gedwongen, nu geconfronteerd worden met stijgende
rentes die de waarde van deze tegemoetkoming in feite direct weer verdampen?
De regering deelt deze constatering van de leden van de DENK-fractie niet. De aanvullende
tegemoetkoming wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex
(CPI). Hierdoor wordt rekening gehouden met de inflatie, zodat de koopkracht van de
tegemoetkoming op peil blijft. In de praktijk wordt hierdoor ook rekening gehouden
met de rente op studieleningen. Volledigheidshalve vermeldt de regering dat de CPI
de afgelopen jaren hoger is geweest dan de rente op studieleningen.
3.2. Doenvermogen
3.2.1. Ambtshalve toekennen
De leden van de DENK-fractie vragen de regering of met de voorgestelde uitbreiding
van de regeling iedereen in beeld komt die tot de zogenoemde pechgeneratie behoort
en in aanmerking zou moeten kunnen komen voor compensatie. Wordt met deze uitbreiding
de volledige groep leenstelselstudenten bereikt?
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen om alleen (oud-)studenten
die binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald in aanmerking te laten komen
voor de tegemoetkoming. De reden voor deze diploma-eis was dat als er ten tijde van
het leenstelsel wel een basisbeurs was geweest, dat een prestatiebeurs was geweest,
die ook alleen bij het behalen van een diploma zou zijn omgezet in een gift. Bij dit
wetsvoorstel wordt de doelgroep voor de tegemoetkoming uitgebreid met (oud-)studenten
die tijdens hun studie geconfronteerd zijn of worden met bijzondere omstandigheden
en als gevolg daarvan geen diploma hebben kunnen behalen. Net als voor de (oud-)studenten
die binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald, geldt immers voor hen dat
als er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in de vorm van een prestatiebeurs
was geweest, deze (op aanvraag) ook voor hen zou zijn omgezet in een gift. In zoverre
hebben zij hetzelfde financieel nadeel ondervonden van het leenstelsel als (oud-)studenten
die wel een diploma hebben behaald. Hiermee zijn nu alle groepen (oud-)studenten die
in aanmerking zouden moeten komen voor de tegemoetkoming in beeld. Er zijn geen andere
groepen (oud-)studenten die hetzelfde financieel nadeel hebben ondervonden van het
leenstelsel als bovengenoemde groepen (oud-)studenten.
Voornoemde leden vragen of er specifieke groepen zijn waarvoor ambtshalve toekenning
in de praktijk lastig uitvoerbaar is? Zo ja, om welke groepen gaat het en welke aanvullende
maatregelen worden voor hen overwogen?
(Oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd, zijn niet bekend bij
DUO. Zij moeten een aanvraag doen voor de tegemoetkoming. Als zij de tegemoetkoming
toegekend krijgen, dan zullen zij in vervolg daarop ambtshalve ook de aanvullende
tegemoetkoming toegekend krijgen. De aanvraagprocedure wordt zo laagdrempelig mogelijk
ingericht.
3.3. Regeldruk
3.3.1. Op aanvraag toekennen
De leden van de D66-fractie zijn blij om te horen dat met dit wetsvoorstel ook studenten
die door bijzondere omstandigheden, zoals arbeidsongeschiktheid, een functiebeperkingen
of een chronische ziekte, geen diploma hebben kunnen behalen, alsnog in aanmerking
komen voor de tegemoetkoming. Deze leden achten het terecht dat deze groep niet langer
tussen wal en schip valt. De leden van de D66-fractie begrijpen dat voor het toekennen
van deze tegemoetkoming bewijs nodig is van bijzondere omstandigheden, maar vragen
de regering hoe zij ervoor zorgt dat de aanvraagprocedure voor deze groepen daadwerkelijk
toegankelijk en uitvoerbaar blijft. Welke stappen worden gezet om te zorgen dat rechthebbenden
niet onnodig afhaken bij de aanvraag van de tegemoetkoming?
Van het grootste deel van de (oud-)studenten dat valt onder de uitbreiding van de
doelgroep beschikt DUO al over de voor de toekenning benodigde gegevens. Deze (oud-)studenten
hebben studiefinanciering ontvangen en hun bijzondere omstandigheden zijn al bekend
bij DUO. Deze groep (oud-)studenten hoeft geen actie te ondernemen. Zij krijgen de
tegemoetkoming en in vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
DUO zal hen hierover informeren.
Er is een kleine groep van naar schatting enkele tientallen (oud-)studenten die valt
onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie DUO nog niet beschikt over de voor
de toekenning benodigde gegevens. Deze (oud-)studenten hebben geen studiefinanciering
aangevraagd en hun bijzondere omstandigheden zijn nog niet bekend bij DUO. Deze groep
(oud-)studenten kan een aanvraag doen voor de tegemoetkoming. Wanneer zij de tegemoetkoming
toegekend krijgen, krijgen zij in vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve
toegekend. Bij deze aanvraag moeten deze (oud-)studenten aantonen dat zij als gevolg
van bijzondere omstandigheden hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij er
langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. Dit zijn dezelfde
voorwaarden als de voorwaarden voor de toepassing van de Voorziening Prestatiebeurs.
De aanvraagprocedure voor deze (oud-)studenten zal zo laagdrempelig mogelijk worden
ingericht. Voor hulp bij de aanvraag kunnen zij eventueel terecht bij de studentendecaan
van hun onderwijsinstelling. Mogelijk beschikt de studentendecaan ook nog over gegevens
over de studievertraging of -uitval.
4. Advies en consultatie
De leden van de CDA-fractie lezen in het advies van de Raad van State dat door deze
nieuwe onverplichte tegemoetkoming het eerdere gebaar aan zijn betekenis kan ontnemen
en dat het risico bestaat dat zowel die eerdere als de aanvullende onverplichte betaling
zullen worden opgevat als compensatie waarover blijvend onderhandeld kan worden in
plaats van een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijke kwestie wordt afgesloten.
Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe zij dit weegt en hoe zij borgt dat
dit daadwerkelijk het sluitstuk van een maatschappelijke kwestie betreft.
De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering van de Raad
van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel «eenmalig» en «definitief»
hoort te zijn. De regering beschouwt de combinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende
tegemoetkoming als «definitief». Met dit gebaar zet de regering een punt achter deze
maatschappelijke kwestie. De regering kan echter niet voorkomen dat een kabinet of
het parlement in de toekomst opnieuw de discussie hierover zou willen voeren. Naar
de mening van de regering wordt hiermee een sluitend betekenisvol en substantieel
financieel gebaar gegeven als erkenning. Als het wetsvoorstel is aangenomen, dan zal
de regering de discussie over deze maatschappelijke kwestie als afgesloten beschouwen.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij uitwerking geeft aan afweging
10 van het afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende
situaties van de Raad van State om de erkenningsmaatregelen te monitoren en evalueren.19 Deze leden vragen in dat licht de regering ook toe te lichten hoe de financiële situatie
van specifiek deze groep oud-studenten wordt gemonitord.
De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming zijn onderdeel van artikel 11 (studiefinanciering)
van de begroting van het Ministerie van OCW (VIII). Dit artikel wordt periodiek doorgelicht.
Daarbij worden ook de effecten van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
gemonitord en geëvalueerd. Verder wordt in het trendrapport hoger onderwijs jaarlijks
de gemiddelde studieschuld (inclusief rente en exclusief aflossingen) van bedoelde
groep (oud-)studenten in beeld gebracht. Het voornemen is om vanaf komend trendrapport
ook de actuele gemiddelde studieschuld (inclusief rente en inclusief aflossingen)
en de aflossing op de studieschuld van deze groep debiteuren in beeld te brengen.
4.1. Internetconsultatie
De leden van de DENK-fractie merken op dat uit de internetconsultatie bleek dat veel
respondenten de tegemoetkoming te laag vinden in relatie tot de rente en de huizenmarkt.
Waarom heeft de regering besloten om naar aanleiding van deze signalen het wetsvoorstel
niet aan te passen?
Een deel van de 23 respondenten bij de internetconsultatie vindt het totaalbedrag
van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming te laag. Bij een onverplichte
tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige relatie gelegd
worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij
passend is. De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is immers anders.
Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een passend bedrag
aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedrag van de beide tegemoetkomingen
passend. Hiermee wordt een sluitend betekenisvol en substantieel financieel gebaar
gegeven als erkenning. Het voor de aanvullende tegemoetkoming beschikbaar gestelde
budget van € 1,4 miljard heeft hierbij het kader gevormd.
4.2. Adviescollege toetsing regeldruk
De leden van de DENK-fractie vragen de regering of het Adviescollege toetsing regeldruk
specifiek heeft gekeken naar de bewijslast voor studenten die aanspraak maken op de
regeling vanwege bijzondere omstandigheden. Acht de regering de administratieve lasten
voor deze groep proportioneel?
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft gekeken naar het wetsvoorstel, waaronder
de paragrafen over doenvermogen en regeldruk. Het ATR heeft vermeld hierbij geen opmerkingen
te hebben en heeft geadviseerd om het wetsvoorstel in te dienen. Genoemde paragrafen
zijn sindsdien niet meer aangepast.
Het uitgangspunt is dat de groep van enkele tientallen (oud-)studenten met bijzondere
omstandigheden die geen studiefinanciering heeft aangevraagd wat betreft de tegemoetkoming
zoveel mogelijk gelijk wordt behandeld als de groep (oud-)studenten met bijzondere
omstandigheden die wel studiefinanciering heeft aangevraagd.
De regeldruk voor deze kleine groep (oud-)studenten die de tegemoetkoming moet aanvragen,
is berekend op € 90. Een (oud-)student moet minimaal twaalf maanden onder het leenstelsel
hebben gestudeerd om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingen en krijgt dan
minimaal totaal € 957,72 aan tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming toegekend,
wat kan oplopen tot totaal € 3.830,88 bij vier jaar studie onder het leenstelsel (prijspeil
2026). De regering acht deze eenmalige regeldruk proportioneel in verhouding tot de
hoogte van de tegemoetkomingen. Bovendien kunnen deze (oud-)studenten zelf de afweging
maken of zij deze (tijds)investering wel of niet doen, waaronder het zoeken van contact
met hun onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden ook met een
arts.
5. Inwerkingtreding en communicatie
5.1. Communicatie
De leden van de D66-fractie begrijpen dat DUO breed zal communiceren over de tegemoetkomingen
en specifieke aandacht heeft voor (oud-)studenten die niet bij DUO bekend zijn. Deze
leden vragen de regering nader toe te lichten op welke wijze deze moeilijk bereikbare
groep concreet wordt benaderd. Welke gerichte communicatiekanalen en samenwerkingspartners
worden ingezet om rechthebbenden te bereiken die mogelijk niet meer actief in contact
staan met DUO? Tevens vragen deze leden hoe wordt gemonitord of de communicatiecampagne
voldoende effectief is en hoe wordt voorkomen dat rechthebbenden de tegemoetkoming
mislopen doordat zij niet op de hoogte zijn van de aanvraagmogelijkheid.
Om een breed bereik te genereren onder (oud-)studenten en hun directe omgeving zal
DUO op meerdere momenten aandacht geven aan de tegemoetkomingen. Nadat de beide Kamers
het wetsvoorstel hebben aangenomen, zal DUO eerst een vooraankondiging doen. Vervolgens
start DUO in april 2027 een brede communicatiecampagne. Naast de persoonlijke communicatie
via e-mails en brieven aan (oud-)studenten die bekend zijn bij DUO, worden generieke
communicatiemiddelen ingezet. (Oud-)studenten die niet bekend zijn bij DUO worden
door middel van onder andere persberichten in de media, social media berichten (Facebook,
Instagram en LinkedIn) en via de communicatiekanalen van scholen, alumniverenigingen
en andere stakeholders, zoals studentenbonden, brancheorganisaties en samenwerkingspartners,
geïnformeerd. Om (oud-)studenten die in het buitenland wonen te bereiken, werkt DUO
ook samen met Nederland Wereldwijd en de Stichting Nederlanders Buiten Nederland.
Daarnaast zal DUO de bij de tegemoetkoming gestarte communicatiecampagne voortzetten
om (oud-)studenten te bereiken die niet bij DUO bekend zijn. Deze (oud-)studenten
hebben en houden speciale aandacht in de communicatie, omdat zij zelf de tegemoetkoming
moeten aanvragen. Wanneer zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, krijgen zij in
vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
De leden van de DENK-fractie maken zich zorgen over de brede en algemene communicatie
richting de studenten over de tegemoetkoming. Hoe zal de regering waarborgen dat alle
studenten goed zullen worden bereikt? En hoe gaat de regering om met studenten die
geen gebruik zullen maken van deze regeling? Wat voor mogelijke maatregelen zou de
overheid in dit geval kunnen nemen? Is er een mogelijkheid om deze studenten proactief
te benaderen?
Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, krijgen de aanvullende
tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Daarmee ontvangt het overgrote deel van de (oud-)studenten
de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve. Deze (oud-)studenten ontvangen hierover
persoonlijk bericht van DUO.
Een kleine groep van naar schatting enkele tientallen (oud-)studenten die valt onder
de uitbreiding van de doelgroep kan als gevolg van dit wetsvoorstel voor het eerst
een aanvraag doen voor tegemoetkoming. Om deze groep te bereiken, maakt DUO gebruik
van persberichten in de media, social media berichten (Facebook, Instagram en LinkedIn),
communicatiekanalen van scholen, alumniverenigingen en andere stakeholders, zoals
studentenbonden, brancheorganisaties en samenwerkingspartners. Om (oud-)studenten
die in het buitenland wonen te bereiken, werkt DUO ook samen met Nederland Wereldwijd
en de Stichting Nederlanders Buiten Nederland.
Voorafgaand aan de communicatiecampagne zal DUO de communicatiemiddelen testen om
ervoor te zorgen dat deze aansluiten bij de doelgroep. DUO zet verschillende communicatiemiddelen
in om alle (oud-)studenten te bereiken. Het is niet mogelijk voor DUO om de effectiviteit
van deze communicatiemiddelen te monitoren, omdat zij niet weet om hoeveel (oud-)studenten
het gaat. Wel worden alle aanvragen gemonitord.
II. Artikelsgewijs
Onderdeel A
De leden van de DENK-fractie vragen om een nadere toelichting op het voorgestelde
artikel 11.7, eerste lid, waarin de bewaartermijn van tien jaar wordt vastgelegd.
Kan de regering uitleggen hoe deze termijn zich verhoudt tot het beginsel van minimale
gegevenswerking?
In artikel 5 AVG zijn de beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens opgenomen.
Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, AVG moeten persoonsgegevens: «toereikend
zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor
zij worden verwerkt (minimale gegevensverwerking).» De regering heeft dit beginsel
in acht genomen bij dit wetsvoorstel. Ten behoeve van de toekenning van de (aanvullende)
tegemoetkoming worden niet meer persoonsgegevens verwerkt dan noodzakelijk. Verder
worden deze persoonsgegevens niet langer bewaard dan noodzakelijk. De bewaartermijn
van tien jaar in artikel 11.7, eerste lid, WSF 2000 ziet op gegevens over gezondheid
die zijn verwerkt in het kader van besluiten over voorzieningen als bedoeld in artikel
11.6, tweede lid, WSF 2000, waaronder de (aanvullende) tegemoetkoming. Het is noodzakelijk
om bedoelde gegevens over gezondheid te bewaren tot tien jaar nadat het besluit over
de (aanvullende) tegemoetkoming is genomen. Hierbij is rekening gehouden met de (maximale)
termijn van vijf jaar waarbinnen op grond van artikel 7.1 WSF 2000 een besluit inzake
de (aanvullende) tegemoetkoming kan worden herzien en deze gegevens nog nodig kunnen
zijn. Daarnaast is hiermee gewaarborgd dat deze gegevens nog voldoende lang beschikbaar
zijn in geval van een eventuele bezwaar-, beroeps- of hogerberoepsprocedure tegen
het (herziene) besluit over de (aanvullende) tegemoetkoming.
Onderdeel B
De leden van de DENK-fractie constateren dat in het gewijzigde artikel 12.30, vijfde
lid, het bedrag van € 44,50 wordt ingevoerd. Kan de regering bevestigen dat dit bedrag
jaarlijks zal worden geïndexeerd conform artikel 11.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering
2000 (WSF 2000) zodat de koopkracht van de tegemoetkoming voor toekomstige rechthebbenden
behouden blijft?
De regering kan dit bevestigen. Zoals voorgesteld in het wetsvoorstel wordt het bedrag
van de aanvullende tegemoetkoming net als dat van de tegemoetkoming jaarlijks bij
ministeriële regeling geïndexeerd aan de hand van de CPI. De eerste indexering van
het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming vindt plaats per 1 januari 2027.20
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.