Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 876 Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 20 mei 2026
I. Algemeen
Met veel genoegen heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid. Het verheugt mij dat meerdere fracties het wetsvoorstel met
belangstelling en interesse hebben gelezen. Ik dank de leden van de fracties van D66,
VVD, GroenLinks-PvdA, CDA en BBB voor de door hen gestelde vragen, die mij, mede namens
de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de gelegenheid bieden een aantal begrippen in
de voorgestelde strafbaarstelling te verhelderen en het wetsvoorstel op onderdelen
van een nadere toelichting te voorzien. Ook ga ik in deze nota in op vragen die raken
aan het bredere beleidskader rondom de handhaving van milieuwetgeving. Bij de beantwoording
is de indeling van het verslag zoveel mogelijk gevolgd. Waar dit de duidelijkheid
ten goede komt, is een aantal vragen samen beantwoord.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden erkennen dat milieucriminaliteit een ernstige bedreiging vormt voor mens,
dier en milieu en dat het vertrouwen in de rechtsstaat wordt ondermijnd wanneer overtredingen
onopgemerkt of onbestraft blijven. Zij beschouwen de Europese richtlijn als een belangrijke
en noodzakelijke koerswijziging om milieucriminaliteit beter te bestraffen. De leden
van deze fractie uiten zorgen over de (te lage) pakkans, het tekortschieten van toezicht
en handhaving en praktische belemmeringen bij het bestraffen van milieucriminaliteit.
Met de beantwoording van de enkele vragen die in dat kader worden gesteld, hoop ik
deze zorgen zoveel mogelijk weg te kunnen nemen.
De leden van de VVD-fractie geven aan met interesse kennis te hebben genomen van het
wetsvoorstel. Zij vinden het van belang dat milieucriminaliteit snel en effectief
wordt aangepakt – ook als onderdeel van een geïntegreerde aanpak van ondermijnende
criminaliteit – en spreken in dat kader hun waardering uit voor de herziene richtlijn.
Deze leden stellen nog een aantal vragen over het wetsvoorstel, die ik in het navolgende
graag beantwoord.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, die met belangstelling hebben kennisgenomen
van het wetsvoorstel, juichen toe dat wordt ingezet op het aanpakken van lacunes in
de bestaande wet- en regelgeving en dat de handhaving van milieubeschermende regels
wordt versterkt. Deze leden merken op zeer groot belang te hechten aan de bescherming
van het milieu en de leefomgeving. Ik onderschrijf dit en beantwoord met plezier de
enkele vraag die deze leden nog hebben.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel. In mijn reactie op de enkele vragen van deze
leden licht ik de voorgestelde implementatie, de gemaakte keuzes in het wetsvoorstel
en de gevolgen daarvan voor de rechtspraktijk en de uitvoering graag toe.
De leden van de BBB-fractie, die hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel, zien als
kern van het wetsvoorstel dat het milieu nadrukkelijker zelfstandig wordt beschermd.
Zij wijzen erop dat met het wetsvoorstel de reikwijdte van een aantal strafbepalingen
wordt uitgebreid naar situaties waarin sprake is van aanzienlijke schade aan bodem,
lucht of water, dan wel aan een ecosysteem, dieren of planten, ook als er geen direct
gevaar voor personen bestaat. Zij hebben daarover nog een aantal vragen. De enkele
vragen daarover beantwoord ik graag in deze nota naar aanleiding van het verslag.
De leden van de GroenLinks-Pvda-fractie vragen of de voorgestelde strafbaarstellingen
ook zien op de situatie waarin milieuschade wordt veroorzaakt door gebrekkig toezicht
of langdurige vergunningverlening.
In antwoord hierop merk ik op dat strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel losstaat
van de kwaliteit van toezicht; bepalend voor strafbaarheid is of de verdachte een
delictsomschrijving heeft vervuld. Met betrekking tot langdurige vergunningen, is
van belang dat wederrechtelijkheid een voorwaarde is voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.
In beginsel zal daarvan geen sprake zijn indien de verdachte een vergunning heeft
en in lijn met de daaraan verbonden voorschriften handelt. De verantwoordelijkheid
voor het actualiseren van vergunningen berust primair bij de overheid. De richtlijn
brengt hierin geen verandering. De plicht om te waarborgen dat vergunningen in overeenstemming
met bestaande wetgeving zijn wordt met de richtlijn niet van de bevoegde autoriteiten
naar de marktdeelnemer verschoven, zo wordt ook vermeld in overweging 10 bij de richtlijn.
In paragraaf 6 van deze nota naar aanleiding van het verslag wordt, in reactie op
een vraag van de leden van de D66-fractie daarnaar, nader ingegaan op de mogelijkheden
die de Omgevingswet het bevoegd gezag biedt om bestaande vergunningen voor vervuilende
activiteiten opnieuw tegen het licht te houden. Graag verwijs ik deze leden kortheidshalve
naar dat antwoord.
Het kan echter anders zijn als de verdachte gedragingen verricht die naar de huidige
maatstaven evident in strijd zijn met de geldende milieuregelgeving op grond van een
verouderde vergunning. Als sprake is van een «duidelijke en aanzienlijke» strijdigheid
van de vergunning met onderliggende, materiële milieuregelgeving, dan kan de gepleegde
gedraging toch wederrechtelijk zijn, zo wordt ook tot uitdrukking gebracht in artikel 3,
eerste lid, in combinatie met overweging 10 van de richtlijn. Dat betekent dat het
enkele beschikken over een vergunning of ontheffing als zodanig geen vrijbrief is
om gedragingen die (evident) in strijd zijn met het milieurecht te verrichten. Het
moet in die situaties wel zonder meer kenbaar zijn geweest voor de vergunninghouder
dat de kern van de betreffende vergunning of ontheffing (bijvoorbeeld: de maximale
hoeveelheid van een bepaalde, uit te stoten stof of een maximumaantal van een bepaald
natuurlijk product dat mag worden ingevoerd) niet meer voldoet aan de (inmiddels aangescherpte)
onderliggende milieuregelgeving.1
2. Adviezen over het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere toelichting op de keuze om «grove
nalatigheid» in de memorie van toelichting niet te duiden als «schuld in de zin van
grove nalatigheid», zoals dat bij medische zaken wordt gedaan.
De richtlijn schrijft voor dat een aantal in de richtlijn opgenomen gedragingen strafbaar
dienen te worden gesteld als deze gedragingen wederrechtelijk zijn en ten minste uit
«serious negligence» zijn begaan (artikel 3, vierde lid, van de richtlijn). De term
«serious negligence» is in de Nederlandstalige versie van de richtlijn vertaald als
«grove nalatigheid». Op grond van artikel 5, tweede lid, van de richtlijn moet op
een aantal gedragingen indien zij uit grove nalatigheid zijn begaan en indien zij
de dood van een persoon veroorzaken een maximale gevangenisstraf van minimaal vijf
jaar zijn gesteld. Uit overweging 27 bij de richtlijn volgt dat de lidstaten het begrip
grove nalatigheid conform het nationale recht dienen uit te leggen, in overeenstemming
met relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het begrip
«grove nalatigheid» impliceert volgens het hof een onopzettelijk handelen of nalaten
waardoor de aansprakelijke persoon een gekwalificeerde schending begaat van een zorgvuldigheidsplicht
die hij in acht had moeten en had kunnen nemen, rekening gehouden met zijn hoedanigheid,
zijn kennis, zijn vaardigheden en met zijn individuele situatie (HvJ EU C-308/06,
Intertanko e.a./Secretary of State for Transport, ECLI:EU:C:2008:312, r.o. 76–77).
Grove nalatigheid is geen begrip dat in het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt gebruikt.
In het Nederlandse strafrecht worden de bestanddelen opzet en schuld gebruikt.
In de medische context, waarnaar deze leden verwijzen, geldt eveneens, zoals ook tot
uitdrukking wordt gebracht in de Aanwijzing feitenonderzoek / strafrechtelijk onderzoek en vervolging in medische zaken van het openbaar ministerie (OM), dat in het Wetboek van Strafrecht in de relevante
delictsomschrijvingen ofwel opzet ofwel schuld als bestanddeel is opgenomen. In medische
zaken bestaat schuld als bedoeld in het eerste lid van de artikelen 307 (dood door
schuld) en 308 (zwaar lichamelijk letsel door schuld) Sr uit een verwijtbare handeling
of een verwijtbaar nalaten: de zorgverlener heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en/of
onachtzaam en/of nalatig gehandeld. Dit is in de aanwijzing geduid als dat sprake
moet zijn van grove nalatigheid tijdens de beroepsuitoefening van de zorgverlener.
Deze term wordt in deze context dus gebruikt op het niveau van een aanwijzing van
het OM.
De hiervoor beschreven uitleg van het Hof van Justitie van de EU dat bij «serious
negligence» sprake is van een «gekwalificeerde schending» van een zorgvuldigheidsplicht,
impliceert dat deze schuldvariant meer inhoudt dan een aanmerkelijk onvoorzichtig,
onachtzaam of nalatig handelen. Zoals ook nader is onderbouwd op pagina 19 van de
memorie van toelichting bij onderhavig wetsvoorstel, vertoont dit zwaardere schuldverband
in de Nederlandse context de meeste gelijkenis met schuld in de zin van roekeloosheid.
In geval van roekeloosheid is immers sprake van een of meer buitengewoon onvoorzichtige
gedragingen van een persoon waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen,
terwijl die persoon zich daarvan bewust was dan wel zich daarvan bewust had moeten
zijn.2 Artikel 5, tweede lid, van de richtlijn is dan ook, in overeenstemming met de Nederlandse
wetssystematiek op dit punt, geïmplementeerd via de strafbaarstelling van dood door
schuld in de vorm van roekeloosheid (artikel 307, tweede lid, Sr). Wellicht ten overvloede
wordt hier nog opgemerkt dat ook bij andere schuldvarianten dan roekeloosheid strafrechtelijke
aansprakelijkheid voor milieudelicten als omschreven in de richtlijn aan de orde kan
zijn. Zie daarvoor de met dit wetsvoorstel aangepaste artikelen 161quinquies en 173b
Sr, het voorgestelde artikel 173d Sr en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische
delicten (WED). Artikel 307, tweede lid, Sr voorziet ten opzichte van die delicten
in een hoger strafmaximum indien de betreffende gedragingen tot de dood van een ander
hebben geleid en de schuld daaraan bestaat uit roekeloosheid.
De leden van de CDA-fractie vragen, onder verwijzing naar de bij het wetvoorstel uitgebrachte
adviezen, naar de bewijsbaarheid van een aantal gebruikte begrippen.
Ik begrijp deze vraag zo dat daarin wordt gerefereerd aan verzoeken, gedaan door verschillende
adviesorganen, om een aantal in het Nederlandse strafrecht nieuwe begrippen van een
nadere duiding te voorzien. Aan die verzoeken is zoveel mogelijk gevolg gegeven, door
in de memorie van toelichting nader in te gaan op de uitleg die aan die termen moet
worden gegeven. Zoals ook door de Afdeling advisering van de Raad van State in het
advies bij dit wetsvoorstel is opgemerkt, kan het gebruik van (enigszins) open begrippen
niet altijd worden voorkomen. Nadere afbakening en invulling daarvan in de wetgeschiedenis
is dan van groot belang voor de rechtspraktijk. Het kabinet meent dat met de keuze
die is gemaakt om in dit wetsvoorstel zoveel mogelijk aan te sluiten bij al in het
strafrecht bestaande begrippen en bij nieuwe begrippen de inhoud daarvan zoveel mogelijk
nader te duiden in de memorie van toelichting, voldoende handvatten worden geboden
aan de praktijk voor de interpretatie van de betreffende strafbepalingen. De door
deze leden en leden van andere fracties in het verslag gestelde vragen dragen daaraan
nog verder bij, doordat die vragen de gelegenheid hebben geboden om in paragraaf 4
van deze nota naar aanleiding van het verslag nadere aanknopingspunten voor de invulling
van een aantal gebruikte termen te geven.
3. Hoofdlijnen van de richtlijn
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de richtlijn ook betrekking heeft op «milieudelicten
met rampzalige gevolgen». Zij vragen of de gekozen invulling via strafverzwarende
omstandigheden voldoende is om dit onderscheid tot uitdrukking te brengen en of is
overwogen hiervoor een afzonderlijke strafrechtelijke kwalificatie op te nemen.
In artikel 3, derde lid, van de richtlijn is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten
zorgen dat de in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn opgenomen strafbare feiten
«een gekwalificeerd strafrechtelijk delict vormen» indien zij resulteren in, kortgezegd,
vernietigende milieuschade. Met vernietigende milieuschade wordt in dit verband gedoeld
op de vernietiging van, of wijdverspreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar
of langdurig is aan een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde of een
beschermde habitat, dan wel wijdverspreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar
of langdurig is toebrengen aan de kwaliteit van lucht, bodem of water. De betekenis
van deze verplichting is nader toegelicht in overweging 21 bij de richtlijn. Daaruit
blijkt dat deze verplichting zo moet worden begrepen dat indien de genoemde strafbare
gedragingen vernietigende milieuschade veroorzaken een hoger strafmaximum op dat feit
moet worden gesteld. Dit sluit aan bij de uitleg die in de Nederlandse rechtspraktijk
aan een «gekwalificeerd delict» wordt gegeven, namelijk een strafbaar feit waarop
een zwaardere maximumstraf is gesteld dan de grondvorm van dat delict, omdat het feit
is gepleegd onder bijzondere omstandigheden of omdat ernstige gevolgen zijn ingetreden.
Een gekwalificeerd delict kan vorm worden gegeven als een afzonderlijke strafbaarstelling,
maar ook door strafverzwaringsgronden in een artikellid of -onderdeel op te nemen
of door strafverzwarende omstandigheden in een afzonderlijk wetsartikel van toepassing
te verklaren op een of meer strafbaarstellingen.3
Tegen deze achtergrond wordt artikel 3, derde lid, van de richtlijn geïmplementeerd
door in de artikelen 161quater, 161quinquies, 173a en 173b en de nieuwe artikelen 173c
en 173d Sr een onderdeel op te nemen waarin een hoger strafmaximum (ten opzichte van
de situatie waarin sprake is van aanzienlijke milieuschade; zie ook artikel 3, tweede
lid, van de richtlijn) is opgenomen indien de in die artikelen genoemde gedragingen
vernietigende milieuschade tot gevolg hebben. Er is voor gekozen om dit hogere strafmaximum
in een onderdeel van die bepalingen op te nemen, omdat dat aansluit bij de bestaande
opzet van deze artikelen, die inhoudt dat in de verschillende onderdelen van de bepalingen
de hoogte van de strafmaat afhankelijk van de gevolgen van de gedraging wordt bepaald.
De introductie van een verhoogd gevangenisstrafmaximum indien sprake is van vernietigende
milieuschade in een onderdeel van artikel 6, eerste lid, WED, sluit eveneens aan bij
de bestaande systematiek van die wet. Het kabinet is van oordeel dat hiermee recht
wordt gedaan aan hetgeen de richtlijn vereist en dat, gelet op de hogere strafmaat
die geldt als sprake is van vernietigende milieuschade, duidelijk in de wet tot uitdrukking
wordt gebracht dat wanneer de bedoelde gedragingen tot vernietigende milieuschade
leiden het feit als ernstiger moet worden beschouwd dan wanneer de gevolgen voor het
milieu beperkter zijn.
4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang dat in de ernstigste gevallen
niet alleen bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk wordt opgetreden tegen milieudelicten
en verwelkomen in dat licht het wetsvoorstel. Deze leden vragen of kan worden toegelicht
hoe in de praktijk wordt gewaarborgd dat goede afspraken worden gemaakt tussen betrokken
instanties over de keuze om over te gaan tot bestuursrechtelijke of strafrechtelijke
handhaving, welke afspraken daarover worden gemaakt tussen de toezichthouders en het
OM en of – mede gelet op het ultimum remedium karakter van het strafrecht – in de
meeste gevallen primair wordt ingezet op bestuursrechtelijke handhaving. In het verlengde
hiervan willen zij weten of naleving van vergunningvoorwaarden in beginsel bestuursrechtelijk
wordt gehandhaafd en of het voornemen is om in overleg met het OM de schaarse strafrechtelijke
capaciteit met name in te zetten voor de vervolging van milieudelicten die vernietigende
schade of schade met een ondermijnend karakter tot gevolg hebben.
Graag beantwoord ik deze vragen in onderlinge samenhang als volgt. Sinds 2014 werken
omgevingsdiensten en het OM met de Landelijke Handhavingsstrategie, sinds 2022 de
Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) genoemd. De LHSO biedt een afwegingsinstrument
om in concrete gevallen afgestemd, eenduidig, effectief en evenredig te kunnen interveniëren.
Ook wordt beschreven wanneer strafrechtelijk optreden aan de orde kan zijn en wanneer
hierover met OM (Functioneel Parket (FP)) afstemming plaatsvindt. De LSHO is in oktober
2022 vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb), dat bestaat uit vertegenwoordigers
van de provincies, gemeenten, waterschappen, het OM, het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (agendalid). Coördinatie op de samenwerking in de aanpak
van milieucriminaliteit vindt verder plaats in de Strategische Milieukamer (SMK).
De SMK bestaat uit het OM/FP, de Inspecteurs-generaal van de Inspectie Leefomgeving
en Transport (ILT), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Nederlandse
Arbeidsinspectie (NLA), de politie en een vertegenwoordiging van de omgevingsdiensten
en heeft tot taak om aan de hand van al bestaande door de leden opgestelde analyses
en interventiestrategieën gezamenlijk de prioriteiten, de wijze van samenwerking en
de te behalen resultaten te bepalen ten aanzien van de bescherming van het milieu
door middel van het strafrecht. Dit zal worden beschreven in de Agenda Strafrechtelijke
Aanpak Milieucriminaliteit. Het spreekt voor zich dat zij in de vervulling van deze
taak zal streven naar een zo groot mogelijke samenhang met de bestuursrechtelijke
handhaving op milieugebied. Afgestemd en coherent strategische doelen bepalen op basis
van wederzijds begrip en draagvlak is immers een voorwaarde voor een effectieve aanpak
van milieucriminaliteit. Het tot stand brengen van die samenhang is goed mogelijk
doordat een aantal leden van de SMK ook is belast met bestuursrechtelijke taken. Het
vergroten van de samenhang tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving
op milieugebied wordt ook bereikt door de concept Agenda Strafrechtelijke Aanpak Milieucriminaliteit
te bespreken met de leden van het BOb.
Gelet op de beginselplicht tot handhaving dient het bevoegd gezag bij constatering
van een overtreding te handelen. De handhaving van het omgevingsrecht is gelijkwaardig,
doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig om een goede naleving te bereiken. Om dit
te bereiken is de LHSO verankerd in de handhavings- en sanctiestrategie van het bevoegd
gezag. Bij het toepassen van de LHSO zijn twee hoofdvragen die van gelijke waarde
zijn van belang. Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding worden deze vragen
beantwoord en het resultaat door het bevoegd gezag in afstemming met strafrechtelijke
partners toegepast. De eerste vraag houdt in of herstel mogelijk is. Zo ja, dan is
in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen. De tweede vraag die wordt beantwoord
is of er aanleiding is voor bestraffing. De vraag of er aanleiding is voor bestraffing
wordt aan de hand van twee stappen beantwoord, namelijk wat de gevolgen voor de fysieke
leefomgeving zijn ((vrijwel) nihil of beperkt of van belang of aanzienlijk en/of onomkeerbaar)
en hoe het gedrag van de overtreder wordt getypeerd (goedwillend of neutraal/onverschillig
of calculerend/opportunistisch of notoir/crimineel). Die bestraffing kan in sommige
gevallen bestaan uit een bestuurlijke boete (bijvoorbeeld in geval van overtreding
van op grond van de Omgevingswet gestelde regels ter uitvoering van de Seveso-richtlijn4), maar, afhankelijk van de ernst van de gevolgen en het gedrag van de overtreder,
kan ook voor strafrechtelijk bestraffing worden gekozen. De schaarse opsporings- en
vervolgingscapaciteit wordt ingezet op de door de SMK vastgestelde prioriteiten of
op basis van de LHSO, als het gaat om de zwaarste overtredingen.
De leden van de VVD-fractie verzoeken om voorbeelden van de begrippen «aanzienlijke
schade aan het milieu», «vernietigende milieuschade» en «grove nalatigheid» en informeren
of er een handreiking of richtlijn voor het OM komt waarin de begrippen nader met
voorbeelden worden uitgewerkt. Zij vragen voorts of van «aanzienlijke schade» alleen
sprake is indien ernstige, meetbare en substantiële effecten intreden en vragen hoe
dit begrip zich verhoudt tot de bestaande begrippen in de Omgevingswet en de daarop
gebaseerde jurisprudentie.
Voor wat onder «aanzienlijke schade» moet worden verstaan, worden in artikel 3, zesde
lid, van de richtlijn nadere handvatten gegeven. Bij de beoordeling of schade kan
worden gekwalificeerd als «aanzienlijk» kan blijkens die bepaling worden betrokken:
(i) de referentietoestand van het aangetaste milieu, (ii) de vraag of de schade van
lange, middellange of korte duur is, (iii) de ernst van de schade en (iv) de omkeerbaarheid
van de schade. Bij aanzienlijke milieuschade kan bijvoorbeeld worden gedacht aan meer
dan geringe schade aan een aanzienlijk aantal planten of dieren of aan herstelbare,
maar meer dan geringe vervuiling van een groot meer.
Als het gaat om het omgevingsrecht gelden hiervoor veelal specifieke regels. Aanvullend
daarop is in artikel 1.7a van de Omgevingswet als vangnetbepaling een verbod op activiteiten
met aanzienlijke nadelige gevolgen opgenomen. Het is op grond van dit artikel verboden
om activiteiten te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijk nadelige gevolgen
voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. In artikel 1.3 van het
Omgevingsbesluit is het verbod nader ingevuld. In dat artikel is opgenomen dat het
direct of indirect stoffen, trillingen, warmte of geluid in water, bodem of lucht
brengen, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van water, bodem of lucht of
aan landschappen, natuur of cultureel erfgoed ontstaat of dreigt te ontstaan, valt
onder het verbod van artikel 1.7a van de Omgevingswet. Artikel 1.8, tweede lid, van
die wet beperkt de werking van het verbod van artikel 1.7a tot activiteiten waarvoor
niet bij wettelijk voorschrift of besluit specifieke regels zijn gesteld met het oog
op de doelen van de Omgevingswet, wat het vangnetkarakter van de bepaling beklemtoont.
Bij «aanzienlijke schade» gaat het in dit verband om (dreigende) aanzienlijke nadelige
gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Het kan daarbij gaan om onherstelbare (of tegen
zeer hoge (maatschappelijke) kosten te herstellen) schade aan de fysieke leefomgeving
of aan een onderdeel daarvan.5 Wat «aanzienlijk» concreet betekent, moet per geval worden beoordeeld. Beperkte gevolgen
vallen er in elk geval niet onder.6 Het in artikel 1.3 Omgevingsbesluit opgenomen begrip «aanzienlijke schade» is vergelijkbaar
met dat begrip zoals met dit wetsvoorstel in het Wetboek van Strafrecht wordt opgenomen.
De reikwijdte van die uitwerking is echter breder, nu die niet alleen ziet op bodem,
lucht, water, planten, dieren en ecosystemen, maar ook op bijvoorbeeld landschappen
en cultureel erfgoed, die blijkens artikel 1.2 van de Omgevingswet onderdeel zijn
van de fysieke leefomgeving.
In de Omgevingswet is verder het begrip «aanzienlijke milieueffecten» opgenomen, dat
een criterium is bij de beoordeling of een plan-mer of project-mer moet worden verricht.
Daarbij kan het zowel om positieve als negatieve milieueffecten gaan. Bijlage II bij
Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van
bepaalde plannen en programma’s (ook wel: de smb-richtlijn) geeft criteria voor de
vaststelling van mogelijke aanzienlijke milieueffecten. Het gaat dan bijvoorbeeld
om de duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten en de orde van grootte en
het ruimtelijk bereik van de effecten. Anders dan bij «milieueffecten» gaat het bij
«aanzienlijke milieuschade», zoals bedoeld in onderhavige richtlijn en dit wetsvoorstel,
per definitie om negatieve effecten, waarbij die milieueffecten betrekking moeten
hebben op de kwaliteit van de bodem, de lucht of het oppervlaktewater of op een ecosysteem,
dieren of planten.
In geval van «vernietigende milieuschade» veroorzaakt een gebeurtenis (i) de vernietiging
van een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde of van een beschermde habitat,
of (ii) wijdverbreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is aan
een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde, aan een beschermde habitat
of aan de kwaliteit van lucht, bodem of water, zo volgt uit artikel 3, derde lid,
van de richtlijn.
Ten aanzien van de gevallen onder (ii) geldt dat het begrip «wijdverbreid» erop wijst
dat de schade zich moet uitstrekken over een groot gebied of over een groot aantal
mensen, dieren, planten of andere onderdelen van het milieu. Om te beoordelen of schade
kan worden gekwalificeerd als «aanzienlijk» kunnen de eerder in de beantwoording van
deze vraag genoemde criteria worden betrokken. De schade moet naast wijdverbreid en
aanzienlijk ook langdurig of onomkeerbaar zijn. Van onomkeerbaarheid is sprake als
de schade niet ongedaan kan worden gemaakt of niet te herstellen is, noch op natuurlijke
wijze noch door tussenkomst van de mens. Bij langdurige schade kan worden gedacht
aan schade die in de regel omkeerbaar is, maar die bijvoorbeeld niet op natuurlijke
wijze kan worden hersteld, of waarbij de natuurlijke hersteltermijn een langere periode
beslaat. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van langdurige schade speelt
het type ecosysteem of habitat een rol, waarbij mede rekening kan worden gehouden
met de omvang en milieuwaarde van het ecosysteem of habitat. Het gaat blijkens overweging 21
bij de richtlijn bij vernietigende milieuschade om gevallen die vergelijkbaar kunnen
zijn met ecocide. Voorbeelden van vernietigende milieuschade zijn wijdverspreide verontreiniging,
industriële ongevallen met ernstige effecten voor het milieu of grootschalige bosbranden
die de hiervoor beschreven effecten hebben.
Voor een toelichting op het begrip «grove nalatigheid» en de wijze waarop dat in de
Nederlandse wetgeving wordt geïmplementeerd, verwijs ik deze leden kortheidshalve
graag naar de beantwoording van een door hen gestelde vraag in paragraaf 2 van deze
nota. Zoals daar toegelicht gaat het naar Nederlands recht om schuld in de zin van
roekeloosheid. Van roekeloosheid is sprake indien door een of meer buitengewoon onvoorzichtige
gedragingen van een persoon een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl
die persoon zich daarvan bewust was dan wel zich daarvan bewust had moeten zijn.7 Of die zware vorm van schuld aanwezig is, moet worden beoordeeld op basis van het
geheel van de gedragingen van de desbetreffende persoon, de aard en de ernst daarvan
en de overige omstandigheden van het geval. Bij dergelijke buitengewoon onvoorzichtige
gedragingen die een zeer ernstig gevaar in het leven roepen, kan in de milieucontext
bijvoorbeeld worden gedacht aan het op buitengewoon onvoorzichtige wijze omgaan met
levensgevaarlijke stoffen. Ook valt te denken aan situaties waarin gedurende een zekere
periode opzettelijk stelselmatig en in zeer ernstige mate milieuvoorschriften die
strekken tot voorkoming van ernstig gevaar worden geschonden. Weer een ander voorbeeld
betreft de situatie dat welbewust geen aanvullende voorzorgsmaatregelen zijn genomen
nadat bij eerdere controles zeer ernstige overtredingen van dergelijke voorschriften
zijn geconstateerd.
In reactie op de vraag of er een handreiking of richtlijn voor het OM komt, kan ik
aangeven dat op grond van artikel 130, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie
het aan het College van Procureurs-Generaal is om te bepalen voor welke strafbare
feiten een strafvorderingsrichtlijn wordt vastgesteld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke preventieve maatregelen er tot
op heden zijn ingezet om milieucriminaliteit terug te dringen. Zij willen weten in
hoeverre extra maatregelen worden genomen naar aanleiding van de implementatie van
de richtlijn.
Op grond van artikel 16 van de richtlijn moeten lidstaten passende maatregelen ter
preventie van milieucriminaliteit nemen, onder meer in de vorm van voorlichtings-
en bewustmakingscampagnes die gericht zijn op alle relevante belanghebbenden in de
overheids- en privésector, en onderzoeks- en educatieprogramma’s.
In Nederland worden er verschillende campagnes uitgevoerd en wordt voorlichting gegeven
door diverse instanties, zoals de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) of
het Informatiepunt leefomgeving (IPLO). De campagnes zijn bedoeld om naleving van
de huidige wet- en regelgeving te bevorderen en preventie te versterken, onder meer
door strafbedreigingen duidelijk te communiceren. Momenteel richten de campagnes zich
onder andere op proefprojecten rondom asbest, houtstook, en het tegengaan van illegale
handel in beschermde dier- en plantsoorten (de bewustwording van CITES-wetgeving).
In dat kader wordt doorlopend voorlichting gegeven op beurzen. Daarnaast loopt er
bijvoorbeeld een wildlife crime campagne van Meld Misdaad Anoniem die zich onder meer
richt op handelaren. Met betrekking tot natuur, gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen
en visserij wordt vooral ingezet op een communicatieboodschap waarin wordt benadrukt
dat de gevolgen bij het niet naleven van wet- en regelgeving schadelijk kunnen zijn
voor mens, dier en milieu. Verder zijn er inspanningen gericht op voorlichting aan
bedrijven over nieuwe wet- en regelgeving, een zelfinspectietool waarbij telers kunnen
testen of ze zich aan de regelgeving houden en communicatie van bestuursrechtelijke
overtredingen aan de sector via de brancheorganisaties, een vak(pers)bericht en vakbladen.
Verder is toezicht een belangrijk instrument bij de preventie van milieucriminaliteit.
Rijksinspecties, waterschappen en omgevingsdiensten houden toezicht op bedrijven.
Door aangekondigd en onaangekondigd inspecties uit te voeren, hebben zij zicht op
het naleefgedrag van bedrijven en kunnen daarop gericht acteren. Tijdens het inmiddels
afgeronde Interbestuurlijk Programma Vergunningverlening, toezicht en handhaving (IBP
VTH) zijn er producten opgeleverd die omgevingsdiensten en gemeenten en provincies
(het bevoegd gezag) ondersteunen in de uitvoering van de toezichtstaken, zoals de
Regionale Beleidscyclus. Via de Staat van VTH8 wordt tweejaarlijks de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken, waaronder de
toezichtstaken, gemonitord. Op dit moment worden er, mede gelet op de al lopende inspanningen,
geen extra preventiemaatregelen voorzien naar aanleiding van de implementatie van
de richtlijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tot welke acties de verplichting die
voortvloeit uit artikel 17 van de richtlijn zal leiden.
Ik begrijp de vraag van deze leden zo dat zij willen weten of er als gevolg van de
richtlijn meer capaciteit, middelen en budget beschikbaar worden gesteld.
Met betrekking tot technische en technologische middelen wordt ingezet op (digitale)
opsporings- en analysetools bij de politie, waaronder de expertise van forensische
opsporingsteams (FO) voor milieu(gerelateerde)delicten. De omgevingsdiensten maken gebruik van specialistische controletechnieken,
zoals mobiele meetapparatuur en digitale gegevenssystemen, die zowel bij toezicht
als in het kader van strafrechtelijke handhaving worden ingezet. Daarnaast maken buitengewone
opsporingsambtenaren steeds vaker gebruik van drones en warmtecamera’s voor observatie
en documentatie van milieuovertredingen.9 Binnen de politie is recent het High Impact Environmental Crime (HIEC) team opgericht, dat zich richt op de aanpak van de zwaardere vormen van milieucriminaliteit
met grote maatschappelijke impact. Met deze uitbreiding van de capaciteit wordt de
expertise en kennis bij de politie vergroot, waardoor opsporing en vervolging effectiever
kunnen worden uitgevoerd.
Met betrekking tot de gespecialiseerde opleidingen hebben het OM, de rechtspraak en
de politie hun eigen nationale onderwijscurricula met cursussen over milieucriminaliteit.
Verder geldt dat elke buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) in domein II (milieu-boa)
gedurende de vijf jaar dat zijn of haar akte van opsporingsbevoegdheid geldig is,
een viertal verplichte modules moet volgen, die elk worden afgesloten met een toets.
Met die permanente her- en bijscholing worden de kennis en expertise van de boa gewaarborgd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen verder weten tot welke extra activiteiten
de implementatie van artikel 19 van de richtlijn verplicht.
De genoemde richtlijnbepaling vraagt om gezamenlijke prioritering (zowel binnen de
strafrechtelijke aanpak als tussen bestuursrecht en strafrecht), het uitwisselen van
informatie en het uitwisselen van «best practices». De bepaling richt zich op de coördinatie
en samenwerking tussen verschillende bevoegde instanties binnen een lidstaat. In Nederland
zijn verschillende partijen betrokken bij de voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit.
Mede naar aanleiding van deze richtlijn is besloten de eerder genoemde al langer bestaande
SMK te formaliseren. Dit om de focus in de aanpak van milieucriminaliteit te versterken
door een gecoördineerde samenwerking. In het instellingsbesluit Strategische Milieukamer
(Stcrt. 2025, 13092) is de SMK met een aantal taken belast, die mede invulling geven aan de in artikel 19
van de richtlijn opgenomen verplichting voor de lidstaten om bepaalde maatregelen
te treffen. Zo zal de SMK zorgen voor een Agenda Strafrechtelijke Aanpak Milieucriminaliteit
waarin de prioriteiten en de wijze van samenwerken worden vastgelegd en hierover jaarlijks
verslag uitbrengen.
Naar aanleiding van onderdeel e van artikel 19 van de richtlijn, dat ziet op het verlenen
van bijstand aan Europese netwerken, kan nog worden opgemerkt dat al voor de herziening
van onderhavige richtlijn intensief internationaal werd samengewerkt. De herziening
van de richtlijn leidt daardoor niet tot extra activiteiten. Zo vindt er samenwerking
plaats met betrekking tot illegale export van afvalstoffen, de illegale handel in
bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en participeren milieuopsporingsambtenaren
van onder ander de ILT in de Dutch Desk van Europol.
De leden van de CDA-fractie vragen, zo begrijp ik, hoe wordt geborgd dat het onderscheid
tussen aanzienlijke milieuschade en vernietigende milieuschade zichtbaar is in de
strafoplegging en rechtspraak.
Met dit wetsvoorstel wordt voorzien in hogere wettelijke strafmaxima in geval van
«vernietigende milieuschade» dan bij «aanzienlijke milieuschade». Zo is bijvoorbeeld
op overtreding van artikel 173c Sr in geval van «aanzienlijke milieuschade» een maximale
gevangenisstraf van acht jaar gesteld en geldt wanneer sprake is van «vernietigende
milieuschade» een maximale gevangenisstraf van twaalf jaar. Daarmee wordt door de
wetgever tot uitdrukking gebracht dat indien gedragingen «vernietigende milieuschade»
tot gevolg hebben het feit als ernstiger moet worden beschouwd en wordt meer strafruimte
aan de rechter geboden. Binnen het zo bepaalde kader is het aan de rechter om per
individueel geval een passende straf te bepalen. Deze straftoemetingsvrijheid van
de rechter is een wezenlijk element van ons strafrechtelijk stelsel. De strafrechter
houdt bij de strafoplegging ook rekening met het op het gepleegde feit gestelde strafmaximum.
Het onderscheid tussen vernietigende milieuschade en aanzienlijke milieuschade kan
in het vonnis of arrest door de rechter mede tot uitdrukking worden gebracht in de
bewezenverklaring en eventueel in de kwalificatie van het feit.
De leden van de BBB-fractie hebben vragen over hoe de invulling van de begrippen «aanzienlijke
schade» en «vernietigende schade» zich verhoudt tot de rechtszekerheid, nu de reikwijdte
van verschillende misdrijven in het Wetboek van Strafrecht wordt uitgebreid tot de
situatie waarin de daarin genoemde gedragingen die gevolgen (kunnen) hebben, zonder
dat er – kort gezegd – (ook) gevaar te duchten is voor de menselijke gezondheid.
Het is niet ongebruikelijk, zo luidt de reactie op deze vraag, dat in het Wetboek
van Strafrecht tot op zekere hoogte meer algemeen omschreven begrippen worden gebruikt,
waaraan middels de wetgeschiedenis en jurisprudentie nadere invulling wordt gegeven
en waarbij of een bepaalde, concrete gedraging onder het bereik van die gedraging
valt mede afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van het geval. Volgens het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is een logisch gevolg van het feit
dat wetgeving algemene normen stelt dat wetgeving tot op zekere hoogte open (vage)
normen omvat («are inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent,
are vague»). De wet mag enige ruimte laten om veranderende omstandigheden mee te kunnen
nemen («keep pace with changing circumstances») en nadere invulling van normen via
rechterlijke interpretatie is toegestaan. Zie o.a. EHRM 25 mei 1993, appl.no. 14307/88
(Kokkinakis), §40; EHRM 11 november 1996, appl.no. 17862/91 (Cantoni), §31, EHRM 23 september
1998, appl.no. 72/1997/856/1065 (McLeod), §41; EHRM 12 februari 2009, appl.no. 21906/04
(Kafkaris), §140–141. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State heeft in haar
advies uiteengezet dat het gebruik van open normen in strafbaarstellingen niet altijd
kan worden voorkomen. Het moet daarbij voor burgers voldoende duidelijk, voorzienbaar
en kenbaar zijn welke handelingen, onder welke omstandigheden, strafbaar zijn, zodat
iedereen zich daarnaar kan gedragen en de rechtszekerheid wordt geborgd. Daarom is
nadere afbakening en invulling daarvan in de wetgeschiedenis van groot belang. Ten
aanzien van de begrippen «aanzienlijke schade» en «vernietigende schade» zijn nadere
handvatten voor de invulling daarvan in de memorie van toelichting gegeven, evenals
in deze nota naar aanleiding van het verslag (zie in dit verband ook het antwoord
op de vraag van de VVD-fractie in paragraaf 4). Naar het oordeel van het kabinet is
hiermee voor burgers en justitiële autoriteiten voldoende duidelijk, voorzienbaar
en kenbaar welk gedrag onder een strafbepaling valt, terwijl de formulering hiervan
tegelijk voldoende ruimte laat aan de officier van justitie en de rechter om alle
relevante omstandigheden in het concrete geval mee te wegen in de beoordeling. Relevant
in dit verband is nog dat – naast aanzienlijke of vernietigende milieuschade – voor
strafbaarheid op grond van de toepasselijke bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht
ook steeds is vereist dat aan de overige delictsbestanddelen is voldaan.
De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen over de nieuwe strafbaarstelling
voor het in de handel brengen van producten waarvan het gebruik op grotere schaal
leidt tot schadelijke emissies. Ze informeren naar de invulling van het begrip «gebruik
op grotere schaal», naar hoe een producent kan beoordelen of het gebruik van zijn
product uiteindelijk tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden en naar voorbeelden
van gedragingen die onder de nieuwe strafbaarstelling komen te vallen. Ook vragen
deze leden of de producent van plastic flessen, die door de consument op grote schaal
in de natuur belanden, strafbaar is op grond van deze nieuwe bepaling.
Uit overweging 17 bij de richtlijn blijkt dat bij de beoordeling of sprake is van
gebruik op «grotere schaal» moet worden gekeken naar «het gecombineerde effect van
het gebruik van het product door meerdere gebruikers, ongeacht hun aantal, mits de
gedraging schade aan het milieu of de menselijke gezondheid veroorzaakt of dreigt
te veroorzaken». Hieruit vloeit voort dat ongeacht de hoeveelheid gebruikers sprake
kan zijn van gebruik op grotere schaal, indien het gecombineerde effect van het gebruik
van het product aanzienlijke schade aan het milieu of de menselijke gezondheid zou
kunnen veroorzaken.
In verband met de voorzienbaarheid voor producenten is relevant dat voor strafrechtelijke
aansprakelijkheid op grond van de artikelen 173c en 173d Sr de gedraging wederrechtelijk
moet zijn. In artikel 3, eerste lid, onder a en b, en in overweging 9 bij de richtlijn
is meer algemeen uiteengezet wanneer een gedraging voor de toepassing van de richtlijn
als wederrechtelijk moet worden beschouwd. Hiervan is sprake wanneer een gedraging
in strijd is met het Unierecht dat bijdraagt tot het nastreven van een van de doelstellingen
van het milieubeleid van de Unie als vastgesteld in artikel 191, eerste lid, van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), ongeacht de rechtsgrondslag
van dat Unierecht, of in strijd is met wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
van een lidstaat danwel met besluiten van een bevoegde autoriteit van een lidstaat.
Dit wordt nog eens benadrukt door overweging 17 bij de richtlijn – die specifiek ziet
op de hier bedoelde gedraging. Ook daarin is beschreven dat het gaat om het in de
handel brengen van een product «in strijd met een verbod of ander voorschrift ter
bescherming van het milieu». De beoordeling of het op de markt brengen van het product
tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden in de zin van deze bepalingen, hangt
dus nauw samen met de beoordeling of er sprake is van overtreding van Europese of
nationale milieuwet- en regelgeving. Zolang producenten daarmee niet in strijd handelen,
zijn zij niet strafbaar op grond van deze bepaling. Dit geldt dus ook voor de producent
van plastic flessen.
Verder geldt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is vereist dat wordt vastgesteld
dat het feit met opzet (artikel 173c Sr) of schuld (artikel 173d Sr) is gepleegd.
Voor vaststelling van het schadelijke karakter is, naar analogie van de artikelen 174
en 175 Sr, niet vereist dat de schade optreedt bij ieder (normaal) gebruik door elke
mogelijke consument.10 Voldoende is dat vastgesteld wordt dat de in de artikelen 173c en 173d Sr genoemde
schade kan optreden als gevolg van gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden
gehouden. Evident misbruik van een product door een consument leidt niet tot strafrechtelijke
aansprakelijkheid van de producent of de verkoper daarvan, omdat dan de bestanddelen
«opzet» of «schuld» niet worden vervuld.
In de memorie van toelichting zijn verschillende voorbeelden genoemd van gedragingen
die onder het bereik van de bepaling kunnen vallen. Zo is op pagina 11 van de memorie
van toelichting beschreven dat het op de markt brengen van kachels of auto’s met verbrandingsmotoren
in strijd met Europese milieuvoorschriften onder de strafbaarstelling kan vallen.
Bij andere gedragingen die in voorkomende gevallen onder de artikelen 173c en 173d
Sr vallen, kan worden gedacht aan een fabrikant die spuitbussen op de markt brengt
waarin verboden drijfgassen, zoals CFK’s, worden gebruikt of aan een fabrikant die
in strijd met Europese wet- en regelgeving microplastics toevoegt aan tandpasta, scrubs
of douche- en badproducten en deze vervolgens op de markt brengt.
5. Inhoud van de richtlijn en wijze van implementatie
De leden van de D66-fractie verwijzen naar het onderzoek van de Algemene Rekenkamer
(ARK) «Handhaven in het duister» uit 202111 (hierna kortheidshalve ook: het ARK-onderzoek) en stellen naar aanleiding daarvan
de vraag hoe de in het onderzoek gesignaleerde knelpunten worden aangepakt. Ook willen
zij weten hoe wordt voorkomen dat de implementatiewet vooral leidt tot hogere strafmaxima
op papier, terwijl de eerder gesignaleerde uitvoeringsproblemen met betrekking tot
toezicht, handhaving en vervolging blijven bestaan.
In het kader van het IBP VTH is naar aanleiding van het ARK-onderzoek door alle partijen
in het stelsel hard gewerkt aan de versterking van het VTH-stelsel-milieu, onder andere
door te werken aan de samenwerking en versterking van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke
opsporing en handhaving en de versterking van de informatievoorziening. Over de resultaten
van het IBP VTH, en de opvolging daarvan, is de Kamer geïnformeerd bij de Kamerbrief
van 24 oktober 2024.12 Specifiek over de voortgang van de adviezen van de ARK is de Kamer per brief van
28 augustus 2024 geïnformeerd.13 Met de aanbevelingen uit het WODC-rapport «Effectiviteit van strafrechtelijke sancties
bij ernstige milieudelicten»14 van 11 februari 2026 gaan OM en opsporingsdiensten aan de slag om zo te komen tot
effectievere sancties, waarmee de aanbeveling van de ARK om de strafrechtelijke handhaving
effectief en voldoende vergeldend te laten zijn, wordt opgevolgd.
De leden van de D66-fractie stellen naar aanleiding van het ARK-onderzoek en het onderzoek van het WODC van 11 februari 2026 enkele vragen over de stand
van zaken en mogelijkheden tot verbetering van dataverzameling en informatie-uitwisseling.
Verder verzoeken zij om een tijdpad om de gesignaleerde knelpunten aan te pakken.
Ten slotte informeren zij hoe uitvoering is gegeven aan de aangenomen motie Hagen-Sneller
over een gedeeld informatiesysteem.15
De ARK concludeert in 2021 in haar onderzoek naar milieucriminaliteit en -overtredingen
dat de datakwaliteit in informatiesystemen over milieucriminaliteit tekortschiet.
Intensieve bewerking van registratiedata is nodig om tot rechterlijke uitspraken te
kunnen komen. Door gebrekkige informatie tasten toezichthouders, handhavers en bewindspersonen
in het duister. Er werd aanbevolen om in te zetten op uniforme registratie door toezichthouders.
De Adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (Commissie Van Aartsen)
onderschrijft in 2021 de conclusies en aanbevelingen van de ARK. In 2022 werd het
IBP VTH ingericht om opvolging te geven aan de aanbevelingen van de Commissie Van
Aartsen. Met betrekking tot dataverzameling en informatie-uitwisseling is binnen het
IBP VTH een analyse uitgevoerd naar de kwaliteit van de gegevens die via Inspectieview
worden uitgewisseld. Er is vervolgens een project gestart om de datakwaliteit te verbeteren.
Dit project loopt door binnen het programma digitalisering VTH. De aanpak binnen het
project bestaat uit drie hoofdsporen. Het eerste spoor betreft het verbeteren van
de kwaliteit van de data die via Inspectieview worden uitgewisseld bij en door bronhouders.
Meer uniforme registratie door de bronhouders maakt hiervan onderdeel uit. Het tweede
spoor ziet op het leren van praktijkvoorbeelden: meerdere bronhouders/gebruikers werken
samen aan een praktijkvoorbeeld en gebruiken daarvoor actief Inspectieview. Dit maakt
de noodzaak van de verbetering van datakwaliteit duidelijk. Het ondersteunen van de
praktijkvoorbeelden met analyses, monitors, dashboards en risicoanalyses zodat partijen
ervaren wat de mogelijkheden van data zijn, vormt het derde spoor.
Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van het systeem Inspectieview. Het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat stelt tot en met 2028 jaarlijks € 500.000 beschikbaar
aan de ILT om te investeren in het versterken van Inspectieview. Deze versterking
raakt het brede functioneren van Inspectieview, zoals het aanleveren, de weergave
en het ontsluiten van data om daarmee de informatiepositie van toezichthouders te
versterken. Op deze manier draagt dit programma ook bij aan een betere informatie-uitwisseling
ten behoeve van opsporing en handhaving rondom milieucriminaliteit.
De leden van de CDA-fractie vragen waarom is gekozen voor een generieke strafmaatverhoging
van artikel 307, tweede lid, Sr en of dit noodzakelijk en proportioneel is. Zij vragen
zich daarbij af hoe de strafmaatverhoging zich verhoudt tot de bestaande strafmaatverhoudingen
binnen het strafrecht en met name de verhouding tussen dood door schuld waarbij geen
sprake is van roekeloosheid en dood door schuld in de zin van roekeloosheid.
De richtlijn schrijft voor dat op een aantal in de richtlijn opgenomen gedragingen
een maximumgevangenisstraf van ten minste vijf jaar moet zijn gesteld als zij ten
minste uit grove nalatigheid («serious negligence») zijn begaan en de dood van een
persoon veroorzaken. Uit overweging 27 bij de richtlijn volgt dat de lidstaten het
begrip «serious negligence» conform het nationale recht moeten uitleggen. Het begrip
«grove nalatigheid» is geen bestanddeel dat in het Nederlandse commune strafrecht
als zodanig wordt gebruikt. Omdat grove nalatigheid een zwaarder schuldverband uitdrukt
dan bewuste schuld, maar een lichter schuldverband dan voorwaardelijk opzet, is dit
begrip naar het Nederlandse recht vertaald als roekeloosheid, zo is eerder in deze
nota al toegelicht. Roekeloosheid vertoont grote gelijkenis met grove nalatigheid,
nu dit de zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvariant betreft. In overweging 30 bij
de richtlijn staat expliciet dat lidstaten bij de implementatie van de door de richtlijn
voorgeschreven strafmaxima een beroep moeten kunnen doen op algemene bepalingen over
«doodslag door grove nalatigheid». Naar Nederlands recht gaat het hierbij om dood
door schuld in de vorm van roekeloosheid (artikel 307, tweede lid, Sr). Er is voor
gekozen van deze, ook expliciet door de richtlijn geboden mogelijkheid, gebruik te
maken om in algemene zin de strafmaat van dat feit te verhogen, mede gelet op de bestaande
wetssystematiek in geval van dood door schuld in de vorm van roekeloosheid. Zoals
meer uitvoerig is beschreven op pagina 35 van de memorie van toelichting heeft de
Nederlandse wetgever bewust ervoor gekozen om in geval van dood door schuld die bestaat
uit roekeloosheid een algemene strafbaarstelling in het leven te roepen en geen aparte
voorzieningen te treffen voor het geval dat schuld bij gemeengevaarlijk delicten –
waarvan de misdrijven in het Wetboek van Strafrecht waarmee uitvoering wordt gegeven
aan de onderhavige richtlijn deel uitmaken – bestaat uit roekeloosheid. Met deze wetssystematiek
is door de wetgever al eerder de keuze gemaakt om gedragingen waarbij sprake is van
dood door schuld in de vorm van roekeloosheid van vergelijkbare ernst te beschouwen.
Daarmee staat het verwijt dat de betrokkene op roekeloze wijze het leven van zijn
medemens op het spel heeft gezet centraal; aan de specifieke context van het delict
wordt in zoverre geen bijzondere rol toegedicht. Dit betekent dat het niet voor de
hand ligt om ter implementatie van de richtlijn nu een onderscheid te maken tussen
verschillende soorten delicten of verschillende contexten. Ten aanzien van de verhouding
tussen de strafmaatverhoging van artikel 307, tweede lid, Sr en dood door schuld zonder
roekeloosheid (artikel 307, eerste lid, Sr) kan worden toegelicht dat de richtlijn
slechts voorschrijft dat lidstaten voorzien in een maximale gevangenisstraf van vijf
jaar indien een aantal in de richtlijn opgenomen delicten uit «grove nalatigheid»
(naar Nederlands recht: roekeloosheid) zijn begaan en de dood van een persoon veroorzaken.
De in dit wetsvoorstel opgenomen strafmaatverhoging van artikel 307, tweede lid, Sr
voorziet in de implementatie van deze verplichting. De richtlijn verplicht niet tot
het herzien van de strafmaat die geldt voor dood door schuld indien geen sprake is
van roekeloosheid. Het kabinet heeft zich daarom beperkt tot de in het wetsvoorstel
opgenomen strafmaatverhoging. Mede gelet op de beperkte verhoging van de strafmaat
van artikel 307, tweede lid, Sr (van vier naar vijf jaar) die daarvan het gevolg is,
meent het kabinet dat daarmee ook geen onoverkomelijke onevenwichtigheden ontstaan.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt gewaarborgd dat de in het wetsvoorstel
opgenomen begrippen voldoen aan het lex-certa-beginsel en niet leiden tot rechtsonzekerheid.
Ik verwijs deze leden voor de beantwoording van deze vragen kortheidshalve graag naar
het antwoord in paragraaf 2 van deze nota op de vraag van deze leden naar de bewijsbaarheid
van een aantal begrippen en het antwoord op een vraag van de BBB-fractie over dit
onderwerp in paragraaf 4 van deze nota naar aanleiding van het verslag. Zoals daar
aangegeven is het gebruik van enigszins open begrippen – die in dit geval zijn overgenomen
uit de richtlijn of een vertaling van die begrippen naar de Nederlandse rechtspraktijk
betreffen – niet ongebruikelijk in het strafrecht en is dat gebruik tot op zekere
hoogte onvermijdelijk. Dergelijke «open normen» kunnen, zo blijkt ook uit de rechtspraak
van het EHRM, via de wetsgeschiedenis en jurisprudentie nader worden ingevuld om zo
de rechtspraktijk en burgers voldoende handvatten te geven voor de interpretatie van
die begrippen en te voldoen aan de vereisten van kenbaarheid en voorzienbaarheid.
In paragraaf 4 van deze nota is – in aanvulling op hetgeen ten aanzien van de verschillende
gebruikte termen al is opgemerkt in de memorie van toelichting – nog nader ingegaan
op de betekenis die aan een aantal van deze begrippen moet worden gegeven. Ik hoop
deze leden daarmee voldoende gerust te hebben gesteld dat door de combinatie van de
in de wet gebruikte begrippen en de nadere uitleg die daaraan wordt gegeven in de
wetsgeschiedenis aan de eisen van het lex-certa-beginsel is voldaan.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het in de praktijk vaak niet lukt om de
schade aan het milieu te verhalen op de veroordeelden en vragen welke maatregelen
worden genomen om schadeverhaal bij milieudelicten te verbeteren en waar mogelijk
te koppelen aan implementatie van de richtlijn.
Dit vraag van de leden raakt aan het vraagstuk rondom de effectiviteit van straffen
bij milieudelicten waarnaar het WODC onderzoek heeft gedaan (zie het al eerder in
deze nota genoemde WODC-onderzoek van 11 februari 2026). In de herfst van dit jaar
wordt een beleidsreactie op dat onderzoek aan uw Kamer aangeboden. Graag neem ik de
vragen van de leden van de VVD-fractie mee in die beleidsreactie.
6. Financiële gevolgen en uitvoeringsconsequenties
De leden van de VVD-fractie verzoeken om toe te lichten of de nieuwe decentralisatie-uitkering
voor het opruimen van drugsafval nieuwe eisen stelt aan de aanvragers van deze middelen.
De decentralisatie-uitkering is bedoeld als ondersteuning voor de bevoegde gezagen
die de taak en bevoegdheid hebben om gedumpt of geloosd chemisch drugsafval op te
ruimen. Hieraan worden geen eisen aan gesteld door het Rijk. De Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG), dat optreedt als loket voor de decentralisatie-uitkering, kan aanvullende
eisen stellen aan de indieners van de meldingen van drugsafval.
De leden van de VVD-fractie geven verder aan dat zij kennis hebben genomen van het
WODC-onderzoek «Eenheid in veelzijdigheid bij de aanpak van financieel-economische
criminaliteit» over de aanpak van fraude, milieucriminaliteit en witwassen van 10 februari
2026. Zij willen weten wanneer een beleidsreactie op het WODC-rapport beschikbaar
is en welke aanbevelingen worden uitgevoerd ten aanzien van de aanpak van milieucriminaliteit.
Het WODC-onderzoek van 10 februari 2026 is uitgevoerd in opdracht van het OM. De aanbevelingen
die ook betrekking hebben op de aanpak van milieucriminaliteit zullen worden meegenomen
in de beleidsreactie op het al eerder in deze nota genoemde WODC-rapport van 11 februari
2026. Zoals hiervoor is aangegeven, is de planning om uw Kamer in de herfst van dit
jaar een inhoudelijke beleidsreactie te sturen.
Gevraagd naar een inschatting van de extra administratieve lastendruk van het wetsvoorstel,
antwoord ik de leden van de VVD-fractie dat het overgrote deel van wat de richtlijn
vraagt aan de lidstaten in Nederland al (wettelijk) is geregeld en in de praktijk
al wordt gedaan. De administratieve last die vanuit de richtlijn wel aanvullend is
ten opzichte van de bestaande situatie, is het verzamelen van statistische gegevens.
Om het OM en de rechterlijke macht in staat te stellen hieraan te kunnen voldoen,
zijn financiële middelen beschikbaar gesteld.
Verder vragen de leden van de VVD-fractie hoeveel extra detentiejaren worden verwacht
naar aanleiding van de veroordelingen die zullen volgen na inwerkingtreding van het
wetsvoorstel en vragen welke aannames er worden gedaan bij de aanpassingen van de
PMJ-ramingen naar aanleiding van het wetsvoorstel.
Het overgrote deel van de gedragingen die op grond van de richtlijn strafbaar moeten
worden gesteld, is in Nederland al strafbaar. Het is de verwachting dat het aantal
detentiejaren iets zal stijgen als gevolg van de nieuwe strafbaarstelling en de verruimde
reikwijdte van een aantal misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht, maar een (hogere)
onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal maar in een klein aantal extra zaken worden
opgelegd. Deze mogelijke stijging is zodanig dat er geen aanpassing van de PMJ-ramingen
nodig is. Wel zullen de effecten worden gemonitord en indien nodig meegenomen in de
PMJ.
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat vrijwel alle ketenpartners een toename
van complexe milieustrafzaken verwachten en vraagt of de beschikbare structurele middelen
toereikend zijn om de toename op te vangen. Ook willen zij weten hoe wordt geborgd
dat het OM en de rechtspraak voldoende capaciteit hebben om deze wet effectief uit
te voeren.
De opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport heeft sinds 2022 een
structureel bedrag, in drie jaar oplopend tot 6 miljoen euro per jaar, beschikbaar.
Deze middelen worden aangewend voor de versterking van de aanpak van milieucriminaliteit.
Ook voor de politie is structureel 1,7 miljoen per jaar beschikbaar voor de grote
en complexe milieuonderzoeken. Verder worden voor het OM en de rechtspraak structurele
middelen vrijgemaakt om complexe milieuzaken te kunnen behandelen.
Overig
De leden van de D66-fractie vragen wat de stand van zaken is ten aanzien van de uitvoering
van de motie-Hagen/Sneller inzake doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties
voor milieudelicten.16 Zij willen weten waarom er bij de implementatie van de richtlijn niet voor is gekozen
om gelijktijdig met de implementatie van de richtlijn de WED in overeenstemming met
die motie aan te passen.
Middels de motie-Hagen/Sneller verzoekt de Tweede Kamer de regering om expliciet in
de WED op te nemen dat de sancties op milieudelicten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend
moeten zijn. De motie is door de onderzoekers van het WODC meegenomen in hun onderzoek
naar de effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten. De
conclusie en aanbeveling van de onderzoekers ten aanzien van deze motie luidt dat
de voorgestelde toevoeging aan de WED geen toegevoegde waarde heeft ten aanzien van
het vergroten van de effectiviteit.17 De onderzoekers geven aan dat de instructie om te voorzien in sancties die afschrikwekkend,
doeltreffend en evenredig zijn, is gericht tot de wetgever: die moet ervoor zorgen
dat de rechter voldoende armslag heeft. Het kabinet heeft deze aanbeveling ter harte
genomen en deelt de conclusie dat de in de richtlijn opgenomen instructie zich richt
tot de wetgever en aan de wetgever opdraagt om te voorzien in passende strafmaxima.
In Richtlijn 2008/99/EG, de voorloper van de onderhavige richtlijn, was alleen de
genoemde instructie opgenomen. In onderhavige richtlijn wordt deze meer algemene instructie,
opgenomen in artikel 5, eerste lid, in het tweede lid van die richtlijnbepaling, van
een nadere invulling voorzien. Daarin is immers bepaald welke strafmaxima er minimaal
op de in de richtlijn opgenomen gedragingen moeten worden gesteld. Ter implementatie
hiervan wordt de WED met dit wetsvoorstel gewijzigd: in de WED wordt een aantal strafverzwarende
omstandigheden opgenomen, onder meer voor de situatie waarin vernietigende milieuschade
is veroorzaakt. Op deze wijze wordt ook invulling gegeven aan de motie-Hagen/Sneller
– waarin wordt overwogen dat milieucriminaliteit een ernstige bedreiging kan vormen
voor de gezondheid, de leefomgeving en de natuur en met ernstige gevaren gepaard kan
gaan –, in die zin dat het strafmaximum dat geldt voor milieudelicten wordt verhoogd
indien zij bepaalde, zeer ernstige gevolgen hebben.
De leden van de D66-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een bredere herijking
van het milieustrafrecht om het rechtsgebied duidelijker af te bakenen en vraagt of
het kabinet aanleiding ziet om in de toekomst over te gaan tot een dergelijke herijking.
Ik kan deze leden bevestigen dat in dit wetsvoorstel geen andere regels zijn opgenomen
dan voor de implementatie van de richtlijn noodzakelijk is, mede in verband met de
noodzaak van tijdige implementatie van de richtlijn.18 De vraag of al dan niet een herijking van het milieustrafrecht moet plaatsvinden
en zo ja, hoe die herijking eruit zou moeten zien, gaat de reikwijdte van dit wetsvoorstel
te buiten. Naar aanleiding van de verwijzing van deze leden naar de conclusies van
het WODC-onderzoek van 11 februari 2026 herhaal ik dat het streven is Uw Kamer in
de herfst van een inhoudelijke beleidsreactie daarop te voorzien.
De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor het huidige stelsel van vergunningverlening
en willen vernemen welke mogelijkheden er zijn om bestaande vergunningen opnieuw tegen
het licht te kunnen houden en of een dergelijke werkwijze kan worden doorgevoerd met
onderhavig wetsvoorstel.
De Omgevingswet biedt al mogelijkheden om bestaande vergunningen voor vervuilende
activiteiten opnieuw tegen het licht te houden. Het is de verantwoordelijkheid van
het bevoegd gezag om die tijdig toe te passen. Zo voorziet de Omgevingswet in een
verplichting voor het bevoegd gezag om regelmatig te bezien of de voorschriften die
aan een omgevingsvergunning voor vervuilende activiteiten zijn verbonden, nog toereikend
zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van
het milieu (BBT) en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Naast deze actualiseringsplicht voorziet de regelgeving onder de Omgevingswet in een
bevoegdheid voor het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning te wijzigen of in te
trekken. Zo biedt deze regelgeving de mogelijkheid om de vergunning te wijzigen of
in te trekken op de gronden waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de
betrokken activiteit geweigerd had kunnen worden. Ook voorziet de regelgeving onder
de Omgevingswet nog in enkele specifieke gronden die de grondslag kunnen vormen om
over te gaan tot wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning voor vervuilende
activiteiten. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als er geen passende preventieve
maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen. Ten slotte kan het
bevoegd gezag in het belang van een doelmatige uitvoering en handhaving bestaande
vergunningen samenvoegen tot één actuele vergunning, ook wel genoemd de revisievergunning.
Daarnaast wordt in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden een verkenning
uitgevoerd naar een herbeoordelingsmoment van vergunningen.19 Deze verkenning zal breed opgesteld worden, met oog voor het concurrentievermogen
van bestaande industrie. Het is allereerst van belang de bevoegde gezagen meer ondersteuning
te bieden bij het opvolgen van bestaande verplichtingen en het gebruik van de al bestaande
mogelijkheden. Daarbij gaat het met name om de vraag hoe bevoegde gezagen er binnen
de bestaande regels voor kunnen zorgen dat ze adequate informatie van het bedrijf
krijgen. Daarnaast zal de mogelijkheid worden verkend om periodiek tot een integrale
herbeoordeling van vergunningen te kunnen komen. Afhankelijk van de uitkomst van deze
verkenning kan een wijziging van wet- en regelgeving in gang worden gezet.
De leden van de D66-fractie verwijzen naar het eerder in deze nota genoemde onderzoek
van het WODC en hebben naar aanleiding van de praktische gebreken die daarin zijn
geconstateerd in de uitvoering enkele vragen.
Het WODC-rapport van 11 februari 2026 is in eerste instantie zonder inhoudelijke reactie
aan uw Kamer aangeboden. Aangezien het onderzoek aanbevelingen aan de opsporing, het
OM en de rechtspraak bevat, vraagt dit overleg met deze partijen en enige tijd om
de conclusies en aanbevelingen uit het rapport van een reactie te kunnen voorzien.
De planning is om uw Kamer in de herfst een inhoudelijke beleidsreactie te sturen.
De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de WED de mogelijkheid kent om het
herstel of beëindiging van een milieuovertreding door een derde te laten uitvoeren,
waarbij de kosten op de overtreder worden verhaald. Zij vragen of het meerwaarde heeft
om een met bestuursdwang vergelijkbaar instrument binnen het kader van de WED te introduceren,
zodat herstel zo nodig door of namens de overheid kan worden uitgevoerd op kosten
van de veroordeelde en zo nee, waarom niet.
Zoals deze leden terecht opmerken biedt artikel 8, onderdeel c, van de WED de rechter
de mogelijkheid om de veroordeelde te verplichten om de door hem veroorzaakte schade
te herstellen. De overtreder dient, anders dan bij de last onder bestuursdwang waarbij
een bestuursorgaan optreedt, zelf de schade te herstellen. Net als bij de last onder
bestuursdwang komen de kosten voor rekening van de overtreder. Als de veroordeelde
weigert aan zijn verplichting te voldoen, dan maakt hij zich schuldig aan overtreding
van artikel 33 WED en kan hij daarvoor worden vervolgd en berecht. Daarmee is er een
stevige stok achter de deur voor de veroordeelde om deze plicht na te komen. Het kabinet
ziet geen aanleiding om de WED op dit punt aan te vullen. Daarbij wordt betrokken
dat het mogelijk is om een last onder bestuursdwang op te leggen naast een eventueel
strafrechtelijk traject20, waardoor kosten via de bestuursrechtelijke weg kunnen worden verhaald. Verder weegt
mee dat er voor de benadeelde mogelijkheden zijn om eventuele schade te verhalen op
de verdachte, waaronder in voorkomende gevallen door zich als benadeelde partij te
voegen in het strafproces.
De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete bevoegdheden en doorzettingsmacht
de SMK krijgt bij de coördinatie van de nationale strategie en de EU-rapportageverplichtingen.
Alle leden van de SMK hebben hun eigen rol en taak in de aanpak van milieucriminaliteit.
De samenstelling en de taken van de SMK zijn geformaliseerd.21 Dit is aan de Tweede Kamer gemeld in een brief over de voortgang van de versterking
van het VTH-stelsel-milieu.22
De SMK heeft strategische en coördinerende bevoegdheden, geen uitvoerende of sanctionerende.
De volgende taken vallen onder de bevoegdheid van de SMK:
– Vaststellen van een Dreigingsbeeld milieucriminaliteit (vierjaarlijks);
– Vaststellen van een Agenda strafrechtelijke aanpak milieucriminaliteit (vierjaarlijks)
met prioriteiten en samenwerkingsafspraken;
– Coördinatie tussen opsporings- en handhavingspartners;
– Adviseren van bewindspersonen;
– Jaarlijkse monitoring van en verslaglegging over de voortgang.
Deze taken geven invulling aan de verplichte nationale strategie opgenomen in artikel 21
van de richtlijn en de verplichting tot coördinatie op strategisch niveau die voortvloeit
uit artikel 19 van de richtlijn. Via de monitoring en verslaglegging draagt de SMK
tevens bij aan de EU-rapportageverplichtingen.
De SMK heeft geen doorzettingsmacht, maar de leden van de SMK hebben ieder hun eigen
bij of krachtens betreffende wet vastgelegde bevoegdheden. Zij kunnen zo bewerkstelligen
dat besluiten, die bij consensus in de SMK genomen zijn, door hun eigen organisatie
worden uitgevoerd.
De leden van de CDA-fractie vragen waarom is afgezien van een wettelijke evaluatiebepaling
en willen weten op welke wijze de effectiviteit van deze wet zal worden gemonitord
en op welk moment de Kamer wordt geïnformeerd over de eerste ervaringen in de praktijk.
De Europese Commissie zal op grond van artikel 25 van de richtlijn op basis van informatie
van de lidstaten, dus ook van Nederland, uiterlijk 21 mei 2028 verslag uitbrengen
over of de lidstaten voldoen aan de richtlijn. Uiterlijk in 2031 evalueert de Commissie
de effecten van de richtlijn. Om dit te kunnen doen moeten lidstaten statistische
gegevens met betrekking tot het aantal zaken gaan aanleveren en worden deze cijfers
ook door de lidstaten toegelicht (kwalitatieve gegevens). Daarnaast gaat de SMK, op
basis van de door hen vastgestelde Agenda Strafrechtelijke Aanpak Milieucriminaliteit,
eenmaal per jaar verslag doen van voortgang en realisatie van de vastgestelde prioriteiten.
Tegen deze achtergrond acht het kabinet opname van een (nadere) evaluatiebepaling
in het wetsvoorstel niet nodig.
De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen die betrekking hebben op het
dumpen van drugsafval in natuur- en agrarisch gebied en de mogelijkheid om de kosten
voor het opruimen daarvan te verhalen op de vervuiler. Ook willen zij weten in hoeverre
de wet bijdraagt aan een effectievere strafrechtelijke aanpak van drugsgerelateerde
criminaliteit. Graag beantwoord ik deze vragen in onderlinge samenhang als volgt.
Onderhavige richtlijn heeft betrekking op een breed scala aan vormen van milieucriminaliteit
en verplicht lidstaten om een groot aantal gedragingen die schade aan het milieu veroorzaken
strafbaar te stellen in het nationale recht, waaronder ook het brengen van schadelijke
stoffen in de bodem of het oppervlaktewater en gedragingen met afvalstoffen. Hoewel
de richtlijn op zichzelf niet ziet op de aanpak van drugscriminaliteit, is het wel
mogelijk dat drugsgerelateerde feiten, in het bijzonder «drugsdumpingen», onder de
in de richtlijn omschreven strafbare gedragingen vallen. Uit beschikbare rechtspraak23 blijkt bijvoorbeeld dat het in de praktijk meermaals mogelijk is geweest plegers
van drugsdumpingen succesvol te vervolgen op grond van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer
in combinatie met artikel 6 van de WED.
Met betrekking tot het verhalen van kosten die door gemeenten en particulieren – zoals
de door deze leden genoemde onschuldige agrariërs en grondeigenaren – moeten worden
gemaakt voor het opruimen van drugsafval geldt dat zowel particulieren als gemeenten
zich tot de burgerlijke rechter kunnen wenden om de kosten op de veroorzaker te verhalen.24 Als de veroorzaker strafrechtrechtelijk wordt vervolgd is het voor diegenen die rechtstreeks
schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit – waaronder particulieren
die kosten hebben moeten maken voor het opruimen van drugsafval – ook mogelijk om
zich met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij te voegen in het
strafproces (artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering). Voor gemeenten geldt
verder dat zij financieel worden ondersteund in de kosten voor het opruimen van drugsafval
via de in paragraaf 6 van deze nota genoemde decentralisatie-uitkering. Aan deze uitkering
worden door het Rijk geen eisen gesteld. Verder kunnen gemeenten via de bestuursrechtelijke
weg de schade proberen te verhalen ingeval van kostenverhaal na toepassing van bestuursdwang.25
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.