Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 938 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2027)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Inhoudsopgave
I.
ALGEMEEN
2
1.
Inleiding
2
2.
Algemene toelichting maatregelen
3
2.1
Wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoopregeling
3
2.2
Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
5
2.3
Bewaarplicht opting-in
8
2.4
Afschaffing eerstedagsmelding
9
2.5
Aanpassing afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk
11
2.6
Aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling
13
2.7
Samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2
15
2.8
Aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht
17
2.9
Aanpassing categorieaanduiding bestuurlijke boetes
17
2.10
Herziening nultarief oorlogsschepen
18
2.11
Aanpassing begripsbepalingen motorrijtuigenbelasting
19
2.12
Aanpassing productie van hernieuwbare waterstof binnen de CO2-heffing industrie
21
2.13
Wettelijke verankering voorzitterschap van de Waarderingskamer
23
2.14
Wijzigingen in de Wet op de accijns
24
2.15
Wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen
30
2.16
Rechtsbescherming decentrale belastingen
32
2.17
Herstel omissie belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures
35
2.18
Delegatiebepaling in de AWR
35
2.19
Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting
36
2.20
Gedeeltelijk vervallen Fiscale vereenvoudigingswet 2017
36
3.
Budgettaire aspecten
39
4.
Grenseffecten
40
5.
EU-aspecten
40
6.
Doenvermogen
40
7.
Gevolgen voor burgers en het bedrijfsleven
44
8.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen
45
9.
Advies en consultatie
46
II.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
47
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
Fiscale wetgeving is constant aan veranderingen onderhevig. Dit vergt voortdurend
inhoudelijke wijzigingen en technisch onderhoud. Het is voor de meeste maatregelen
in dit wetsvoorstel wenselijk dat ze per 1 januari 2027 in werking treden. Dit wetsvoorstel
bevat de volgende maatregelen:
– wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoopregeling;
– maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied;
– bewaarplicht opting-in;
– aanpassing afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk;
– aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling;
– samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2;
– aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht;
– aanpassing categorieaanduiding bestuurlijke boetes;
– herziening nultarief oorlogsschepen;
– aanpassing van de begripsbepalingen bestelauto en vrachtauto in de motorrijtuigenbelasting;
– aanpassing productie van hernieuwbare waterstof binnen de CO2-heffing industrie;
– wettelijke verankering voorzitterschap van de Waarderingskamer;
– wijzigingen in de Wet op de accijns (WA);
– technische wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen;
– herstel omissie matiging belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures;
– delegatiebepaling in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR);
– vervroegen van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting; en
– gedeeltelijk vervallen van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017.
Het onderhavige wetsvoorstel is zo veel mogelijk beperkt tot maatregelen die met ingang
van 1 januari 2027 in werking moeten treden of vanwege de uitvoerbaarheid voor die
datum in het Staatsblad moeten zijn opgenomen. Het gaat hierbij doorgaans niet om
maatregelen met een budgettair effect.
Verzamelwetsvoorstellen
Het onderhavige wetsvoorstel is een inhoudelijk verzamelwetsvoorstel en voldoet aan
de criteria uit de notitie Verzamelwetgeving1 en de Aanwijzingen voor de regelgeving.2 In het onderhavige wetsvoorstel is sprake van thematische of uitvoeringstechnische
samenhang. Het wetsvoorstel bestaat uit verschillende maatregelen die op zichzelf
te klein zijn om afzonderlijk als zelfstandig wetsvoorstel in te dienen. Het is op
voorhand niet de verwachting dat een van de onderdelen van dit wetsvoorstel dermate
politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen
in het geding komt.
Opzet algemeen deel
De paragrafen in het algemeen deel van deze memorie zijn op onderwerp en maatregel
gerangschikt. Vanaf paragraaf 2 wordt per maatregel in het wetsvoorstel een toelichting
gegeven. In die paragraaf wordt ook per maatregel ingegaan op de doelmatigheid, de
doeltreffendheid en de uitvoeringsgevolgen van de maatregel.
Doeltreffendheid is de mate waarin de beleidsmaatregel er naar verwachting in zal
slagen om het gestelde beleidsdoel te bereiken. Uiteengezet wordt hoe en in welke mate de in te zetten instrumenten naar verwachting bijdragen aan het realiseren van het
doel. De doelmatigheid is de mate waarin dat tegen zo laag mogelijke kosten gebeurt
en hoe dat in verhouding staat tot de gestelde doelen. Het kan gaan om budgettaire
gevolgen, maar ook om maatschappelijke gevolgen of uitvoeringskosten.
Daarnaast wordt per maatregel in het algemeen deel van deze memorie informatie over
een al dan niet beoogde evaluatie of monitoring van de op voorhand ingeschatte doelmatigheid
en doeltreffendheid gegeven. Daarbij komt ook de benodigde beleidsinformatie aan bod.
Het is belangrijk om voorafgaand aan de implementatie van nieuw beleid te bepalen
hoe die informatie wordt vergaard en hoe het beleid zal worden geëvalueerd. Dit draagt
bij aan een effectieve toetsing van de effectiviteit en efficiëntie van overheidsbeleid.
Voor een nadere toelichting op de afzonderlijke maatregelen wordt ook verwezen naar
de artikelsgewijze toelichting. Het slot van het algemeen deel van deze memorie gaat
in een aantal paragrafen achtereenvolgens in op de budgettaire aspecten, de EU-aspecten,
de gegevensbescherming, de grenseffecten, de gevolgen voor bedrijfsleven en burgers,
de uitvoeringsgevolgen en het resultaat van advies en consultatie.
2. Algemene toelichting maatregelen
Voor enkel technische wijzigingen is hier geen toelichting opgenomen. De toelichting
op enkel technische wijzigingen is te vinden in de artikelsgewijze toelichting.
2.1 Wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoopregeling
Met de onderhavige maatregel wordt geregeld dat een woning waarop de zogenoemde betaalbarekoopregeling
van toepassing is, waarbij niet wordt voldaan aan een van de voorwaarden voor de toepassing
van de eigenwoningregeling, onder bepaalde voorwaarden bij fictie alsnog onder het
bereik van de eigenwoningregeling valt, zodat het recht op (hypotheek)renteaftrek
voor dergelijke woningen wordt gewaarborgd. Een van de voorwaarden om onder de fiscale
eigenwoningregeling te vallen is in beginsel dat de waardeverandering van de woning
de belastingplichtige of zijn partner grotendeels (voor ten minste 50%) aangaat.3
In het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting4 wordt het begrip betaalbare koopwoning voorgesteld5, waarbij een zogenoemde instandhoudingstermijn van toepassing is, waarbinnen voor
de betreffende woningen een maximumverkoopprijs geldt. Dit wordt aangeduid als de
betaalbarekoopregeling. Met de instandhoudingstermijn wordt voorkomen dat woningen
na de eerste verkoop binnen korte tijd voor de (hogere) marktprijs worden verkocht.
Nadat genoemd wetsvoorstel tot wet is verheven, treedt die wijziging op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip in werking. Het streven is dat de betaalbarekoopregeling
per 1 juli 2026 in werking treedt.
Zonder wetswijziging of hardheidsclausulebeleid (zie hierna) valt een woning waarop
de betaalbarekoopregeling van toepassing is in beginsel niet onder de eigenwoningregeling,
omdat de waardeverandering van die woning de belastingplichtige of zijn partner (aanvankelijk)
niet grotendeels aangaat. Voor een groot aantal gevallen is echter hardheidsclausulebeleid
van toepassing.6 Op grond van dat hardheidsclausulebeleid wordt geacht ook aan de genoemde 50%-eis
te zijn voldaan indien de betreffende woning is belast met een beding dat voorziet
in een gedurende een periode van ten hoogste tien achtereenvolgende jaren ten minste
lineair tot 100% toenemend belang bij iedere waardeverandering van de woning van de
belastingplichtige of zijn partner, en geen sprake is van een ander beding dat het
belang van de belastingplichtige of zijn partner bij een waardeverandering van de
woning beperkt. Voor zogenoemde eerste kopers onder de betaalbarekoopregeling is dat
hardheidsclausulebeleid, dat op grond van het onderhavige wetsvoorstel wordt gecodificeerd,
afdoende. Naar uit signalen van de Belastingdienst blijkt dat hardheidsclausulebeleid
onder omstandigheden echter niet afdoende is, doordat dan (bij zogenoemde tweede of
daaropvolgende kopers) niet iedere waardedaling van de woning de belastingplichtige
of zijn partner geheel of gedeeltelijk aangaat. Voorgesteld wordt om ook voor die
situatie eenzelfde fictie in de wet op te nemen.
Ten slotte geldt bij de voorgestelde tegemoetkomingen als voorwaarde dat bij toepassing
van deze ficties geen sprake is van een ander beding dat het belang van de belastingplichtige
of zijn partner bij de waardeverandering van de woning beperkt. Daarmee wordt voorkomen
dat naast het bedoelde (aflopende) antispeculatiebeding of naast de publiekrechtelijke
betaalbarekoopregeling aanvullende afspraken worden gemaakt die (een groter dan op
grond van de voorgestelde tegemoetkomingen toegestaan) deel van de waardeverandering
of verkoopopbrengst aan een ander doen toekomen, bijvoorbeeld door een aanvullende
afdrachtsverplichting (van waardeontwikkeling) of een (extra) prijs- of opbrengstbegrenzing.
Deze voorwaarde geldt eveneens bij het hiervoor genoemde hardheidsclausulebeleid,
dat zoals gezegd met de voorgestelde maatregel wordt gecodificeerd.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een zogenoemd zelfbewoningsbeding in dit kader
niet relevant is. Het zelfbewoningsbeding is een beding dat vaak wordt opgenomen bij
nieuwbouwwoningen. Hierbij staat in de koopovereenkomst dat de koper verplicht is
zelf in de woning te gaan wonen. Daarmee wordt voorkomen dat de woning binnen korte
tijd wordt verhuurd. Een dergelijk zelfbewoningsbeding raakt dus niet het belang van
de belastingplichtige of zijn partner bij de waardeverandering van de woning.
Omdat nog niet zeker is op welk bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de betaalbarekoopregeling
in werking treedt, wordt voorgesteld de genoemde fiscale maatregelen eveneens bij
koninklijk besluit in werking te laten treden, zodat de inwerkingtreding van die fiscale
maatregelen (eventueel met terugwerkende kracht) kan worden afgestemd op die van de
betaalbarekoopregeling.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De voorgestelde maatregel is doeltreffend doordat deze het knelpunt – het niet kwalificeren
van de woning als eigen woning, met als gevolg onder meer het niet in aanmerking komen
voor (hypotheek)renteaftrek bij toepassing van de betaalbarekoopregeling – oplost.
Tegelijkertijd is de maatregel doelmatig: de aanvullende uitzondering geldt alleen
voor een specifieke groep kopers. De codificatie van bestaand hardheidsclausulebeleid
zorgt voor meer duidelijkheid en minder administratieve handelingen voor zowel burger
als de Belastingdienst. Er is geen evaluatie voorzien bij deze maatregel.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen & Douane
De Belastingdienst heeft de maatregelen in de inkomstenbelasting inzake betaalbare
koop beoordeeld met een uitvoeringstoets. Het betreft een maatregel die geen of slechts
een marginale impact heeft op de uitvoering. De Belastingdienst acht de maatregelen
uitvoerbaar.
2.2 Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
Dit wetsvoorstel bevat een aantal maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied. Maatregelen
die geen beleidswijziging inhouden en alleen technisch van aard zijn worden toegelicht
in de artikelsgewijze toelichting.
Overschrijding uiterste pensioeningangsdatum
Op grond van de Wet LB 19647 dient een ouderdomspensioen uiterlijk in te gaan vijf jaar nadat de werknemer de
leeftijd bereikt die recht geeft op uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet
(AOW-gerechtigde leeftijd). Als een ouderdomspensioen niet tijdig ingaat leidt dat
tot fiscale consequenties.8 Het ouderdomspensioen voldoet dan niet langer aan de in de fiscale wetgeving gestelde
voorwaarden en wordt daardoor onzuiver. De consequentie van het onzuiver worden van
het ouderdomspensioen is dat de waarde van het volledige ouderdomspensioen direct
in de belastingheffing wordt betrokken als loon uit vroegere dienstbetrekking en daarbovenop
in beginsel 20% revisierente is verschuldigd. Deze fiscale consequenties gelden op
vergelijkbare wijze voor het partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum,
het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en het wezenpensioen waarvoor
ook uiterste ingangsdata gelden.9 In de uitvoeringspraktijk van pensioenuitvoerders komt het voor dat deelnemers aan
de pensioenregeling onbereikbaar zijn. Een niet te bereiken deelnemer kan bijvoorbeeld
zijn verhuisd naar het buitenland en het in Nederland opgebouwde pensioen zijn vergeten.
Dit kan ertoe leiden dat het pensioen niet tijdig kan ingaan aangezien de pensioenuitvoerder
niet alle relevante gegevens van de betreffende deelnemer heeft en ook geen contact
met hem kan krijgen. Pensioenuitvoerders stellen vanuit hun zorgplicht alles in het
werk om deelnemers te bereiken en hen te informeren. Op grond van (niet-fiscale) pensioenwetgeving
geldt dat het recht op een pensioenuitkering niet verjaart bij het in leven zijn van
de pensioengerechtigde.10 Zolang niet duidelijk is of een deelnemer nog in leven is, vindt er geen belastingheffing
plaats aangezien dan niet duidelijk is of er nog sprake is van een zogenoemd subject
waarvan belasting kan worden geheven. Als een deelnemer echter na de uiterste ingangsdatum
van het pensioen alsnog het pensioen opvraagt bij de pensioenuitvoerder zijn er zoals
hiervoor aangegeven forse fiscale consequenties, tenzij het pensioen onder de afkoopgrens11 blijft en wordt afgekocht. Niet in alle gevallen zijn de fiscale consequenties daarvan
echter billijk. Een deelnemer die is verhuisd naar het buitenland en het pensioen
is vergeten, raakt door deze fiscale consequenties het grootste deel kwijt aan belastingheffing
en revisierente (dit kan – exclusief het effect van de afbouw van heffingskortingen
– oplopen tot 69,5% in totaal, 49,5% belastingheffing en 20% revisierente). Dat zijn
forse consequenties. Voorgesteld wordt daarom in de Wet LB 1964 op te nemen dat onder
bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden de hiervoor genoemde fiscale consequenties
achterwege blijven, mits het pensioen dat ziet op de periode tussen enerzijds de wettelijke
uiterste ingangsdatum12 of de in de pensioenregeling vastgestelde eerdere uiterste ingangsdatum13 en anderzijds de feitelijke ingangsdatum zo snel mogelijk alsnog wordt uitgekeerd
waarover dan reguliere belastingheffing plaatsvindt. Om discussie op dat punt te voorkomen,
is tevens in de voorgestelde wettekst opgenomen dat het betreffende deel van het pensioen
geacht wordt eerst te zijn genoten op het tijdstip waarop het wordt uitgekeerd.14 Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kan een pensioen dat later
ingaat dan op de uiterste ingangsdatum voor het betreffende deel achteraf worden uitgekeerd
zonder de hiervoor genoemde fiscale consequenties. Zoals uit het voorgaande volgt
dienen (alleen) de periodieke uitkeringen die eigenlijk waren verschuldigd tussen
enerzijds het moment van de wettelijke uiterste ingangsdatum of de in de pensioenregeling
vastgestelde eerdere uiterste ingangsdatum en anderzijds de latere ingangsdatum in
één keer te worden uitgekeerd, waarbij deze door de inhoudingsplichtige in de belastingheffing
van het lopende tijdvak dienen te worden betrokken. Het in het betreffende tijdvak
door de inhoudingsplichtige in één keer in aanmerking nemen van het betreffende deel
van het pensioen kan nog wel leiden tot enig progressienadeel en verlies aan toeslagen.
Daarmee blijft er echter ook een prikkel bestaan om het pensioen tijdig te laten ingaan.
Het uitgangspunt dient dan ook te blijven dat het pensioen tijdig, conform de wettelijke
termijnen, ingaat. De voorgestelde maatregel op basis waarvan onder bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden de hiervoor genoemde fiscale consequenties achterwege
blijven vormt een uitzondering op de hoofdregel. Bij de bij ministeriële regeling
te stellen voorwaarden kan onder meer worden gedacht aan de volgende voorwaarden:
1. De gerechtigde tot het pensioen dient nog in leven te zijn op het moment dat het pensioen
wordt opgevraagd na de uiterste ingangsdatum van het pensioen.
Met deze voorwaarde wordt het bewust uitstellen van het pensioen tot na het overlijden
ontmoedigd. Als erfgenamen van een overleden gerechtigde tot het pensioen aanspraak
kunnen maken op een niet ingegaan pensioen na de uiterste ingangsdatum blijven de
fiscale consequenties van het onzuiver worden van het pensioen van toepassing.
2. De pensioenuitvoerder heeft geprobeerd in contact te komen met de gerechtigde tot
het pensioen, maar dat heeft niet geleid tot het ingaan van de pensioenuitkering.
Met deze voorwaarde wordt aangesloten bij de bestaande zorgplicht die pensioenuitvoerders
hebben om deelnemers te bereiken en te informeren.
De voorwaarden worden aan de hand van bestaande casuïstiek verder ingevuld en uitgewerkt
in samenspraak met de uitvoeringspraktijk.
Op grond van bestaand overgangsrecht15 is deze maatregel ook van toepassing op pensioenaanspraken die zijn ontstaan voorafgaand
aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en die
niet zijn omgezet in aanspraken ingevolge een premieovereenkomst.16
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Het doel van de voorgestelde maatregelen is om bestaande fiscale bepalingen inzake
een onregelmatige afwikkeling van pensioenen in een specifieke situatie, waarbij sprake
is van een onwenselijke belastingheffing, niet meer toe te passen en kleine technische
verbeteringen in de fiscale wetgeving op lijfrentegebied aan te brengen. Dit doel
wordt door de voorgestelde aanpassingen bereikt, waarmee de maatregel doeltreffendheid
zal zijn. De maatregelen hebben geen of verwaarloosbare budgettaire gevolgen. Er zijn
geen andere effecten voorzien. De verhouding tussen het beoogde doel en de bijbehorende
effecten is daarmee in balans, waardoor de maatregel doelmatig zal zijn. Gezien de
technische aard van de aanpassingen is niet voorzien in een evaluatie.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De maatregelen zijn getoetst door de Belastingdienst met een uitvoeringstoets en uitvoerbaar
per 1 januari 2027. De maatregel met betrekking tot de uiterste pensioeningangsdatum
zoals hiervoor toegelicht zorgt voor een verbetering van de handhaving. De huidige
wetgeving kan leiden tot een onwenselijke belastingheffing. Met de voorgestelde maatregel
met betrekking tot de uiterste pensioeningangsdatum wordt dit opgelost. De maatregelen
op lijfrentegebied zijn technisch van aard en hebben geen uitvoeringsgevolgen.
2.3 Bewaarplicht opting-in
De Wet LB 1964 biedt de mogelijkheid om op verzoek een arbeidsverhouding die niet
kwalificeert als een echte dienstbetrekking en ook niet op andere gronden wordt beschouwd
als een dienstbetrekking (fictieve dienstbetrekking) toch als een dienstbetrekking
voor de loonbelasting17 te laten beschouwen.18 Voor deze mogelijkheid om een arbeidsverhouding op verzoek als dienstbetrekking voor
de loonbelasting te laten beschouwen, wordt ook wel de term «opting-in» (en «pseudo-werknemer»)
gebruikt. Werkzaamheden die kwalificeren als winst uit onderneming zijn uitgezonderd
van de mogelijkheid van opting-in.19 Dat betekent dat de mogelijkheid van opting-in uitsluitend van belang is voor arbeidsverhoudingen
waarvan de opbrengst zonder deze regeling als resultaat uit overige werkzaamheden
zou zijn aangemerkt. Arbeidsverhoudingen die in aanmerking komen voor opting-in zijn
bijvoorbeeld arbeidsverhoudingen van geestelijken, politieke ambtsdragers, bepaalde
bestuurders van lichamen en auteurs. Indien wordt gekozen voor de mogelijkheid om
een arbeidsverhouding als dienstbetrekking te laten beschouwen, zijn de reguliere
regels van de Wet LB 1964 van toepassing op de betreffende arbeidsverhouding.
Er kunnen verschillende overwegingen bestaan om op verzoek een arbeidsverhouding te
laten beschouwen als een dienstbetrekking. Veelal zal men gebruik willen maken van
de faciliteiten die de loonbelasting biedt, zoals:
– de gerichte vrijstellingen van de werkkostenregeling, zoals de expatregeling, en nihilwaarderingen;
– pensioenopbouw met gebruikmaking van de faciliteiten in de loonbelasting.
Als voorwaarde om gebruik te kunnen maken van opting-in geldt dat degene die de arbeid
verricht door middel van een gezamenlijke verklaring van hem en de beoogde inhoudingsplichtige
(degene die de beloning betaalt) aan de inspecteur meldt dat de arbeidsverhouding
als dienstbetrekking moet worden beschouwd. De Belastingdienst stelt een formulier
ter beschikking dat gebruikt kan worden om de melding te doen. In de praktijk zendt
veelal de beoogde inhoudingsplichtige de gezamenlijke verklaring in naar de Belastingdienst.
De verplichting om een gezamenlijke verklaring in te sturen om gebruik te kunnen maken
van opting-in verhoogt de administratieve lasten voor zowel de pseudo-werknemer of
de beoogde inhoudingsplichtige als de Belastingdienst die de inkomende verklaringen
dient te verwerken. Om deze administratieve lasten te verminderen wordt voorgesteld
om de meldplicht om te zetten in een bewaarplicht. De beoogde inhoudingsplichtige
dient de gezamenlijke verklaring bij de loonadministratie te bewaren. Inzending naar
de Belastingdienst is dan niet meer nodig.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
Het niet langer verplicht stellen dat de pseudo-werknemer vooraf met een gezamenlijke
verklaring van hem en de beoogde inhoudingsplichtige melding doet bij de inspecteur
dat de arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd, maar het door
de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie laten bewaren van deze verklaring,
komt de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling ten goede zonder dat dit
ten koste gaat van de controlemogelijkheden van de Belastingdienst.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De voorgestelde maatregel met betrekking tot de opting-in vermindert de administratieve
lasten van zowel de pseudo-werknemer of de inhoudingsplichtige als de Belastingdienst.
De wijze waarop de verklaring wordt vastgelegd blijft in beginsel vormvrij. Wel zal
in lagere regelgeving worden bepaald welke gegevens de verklaring minimaal dient te
bevatten. Op de website van de Belastingdienst zal een aangepaste verklaring opting-in
beschikbaar worden gesteld.
2.4 Afschaffing eerstedagsmelding
Achtergrond
Van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2008 waren inhoudingsplichtigen (werkgevers)
verplicht om nieuwe werknemers uiterlijk de dag voor het begin van de werkzaamheden
aan te melden bij de Belastingdienst (de eerstedagsmelding). Indien de werkzaamheden
direct op de dag van het sluiten van de arbeidsovereenkomst aanvingen, diende de melding
te worden gedaan voor de aanvang van de werkzaamheden. De belangrijkste doelstelling
van de invoering van deze «brede» eerstedagsmelding was bestrijding van illegale arbeid
en fraude.
Eerstedagsmelding vanaf 2009
Met ingang van 1 januari 2009 is de «brede» eerstedagsmelding aangepast naar een gerichte
eerstedagsmelding met het doel om de administratieve lasten voor bonafide inhoudingsplichtigen
te verminderen.20 Met ingang van deze aanpassing is de eerstedagsmelding alleen nog van toepassing
op inhoudingsplichtigen aan wie door de inspecteur via een beschikking de verplichting
wordt opgelegd tot het doen van een eerstedagsmelding21. Deze verplichting geldt voor een periode van maximaal drie jaar na de datum van
de beschikking dan wel maximaal vijf jaar na de datum van de beschikking in het geval
dat de verplichting al eerder aan de betreffende inhoudingsplichtige is opgelegd.22 De inspecteur kan de verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen slechts in
een limitatief aantal situaties23 opleggen, namelijk indien in de zes maanden voorafgaande aan de datum van de beschikking
zich een of meer van de volgende gebeurtenissen heeft voorgedaan:
• De inhoudingsplichtige heeft een naheffingsaanslag opgelegd gekregen, omdat hij werknemers
niet in de loonadministratie heeft opgenomen of met betrekking tot de werknemer niet
is voldaan aan de verplichting een eerstedagsmelding te doen.24
• De inhoudingsplichtige heeft een vergrijpboete opgelegd gekregen, omdat hij de loonbelasting
niet, gedeeltelijk niet of te laat heeft betaald.25
• De inhoudingsplichtige heeft een boete gekregen ter zake van buitenlandse werknemers.26
• Ten aanzien van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten door de Belastingdienst
een strafbeschikking is uitgevaardigd.27
• De inhoudingsplichtige wordt strafrechtelijk vervolgd, omdat hij: 28
– werknemers in dienst heeft die illegaal in Nederland zijn;
– zijn bedrijf niet bij het handelsregister heeft ingeschreven;
– zijn verplichtingen voor de loonbelasting niet is nagekomen.
Met ingang van 2009 is de eerstedagsmelding zoals gezegd van karakter veranderd: van
een brede voor iedere inhoudingsplichtige geldende meldingsplicht tot een meldingsplicht
op basis van een door de inspecteur opgelegde verplichting voor specifieke gevallen.
Uit gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat beschikkingen met de verplichting
tot het doen van eerstedagsmeldingen in de praktijk niet (meer) worden opgelegd, omdat
het inzetten van dit instrument veelal niet effectief blijkt, doordat:
• inhoudingsplichtigen aan wie de verplichting wordt opgelegd daarna snel van het toneel
verdwijnen;
• de veelal niet compliante inhoudingsplichtigen zich ook niet houden aan de verplichting
tot het doen van eerstedagsmeldingen.
Zesmaandenfictie
De zogenoemde zesmaandenfictie29 voor werknemers die niet zijn opgenomen in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige,
is op dit moment een belangrijker toezichtsinstrument en een voldoende middel in het
toezicht van de Belastingdienst. De zesmaandenfictie houdt in dat indien op enig moment
wordt geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking
staat, maar de werknemer niet in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige is
opgenomen of niet aan de verplichting is voldaan voor hem een eerstedagsmelding te
doen, hij geacht wordt reeds ten minste zes maanden loon uit dienstbetrekking te hebben
genoten. In het kader van het voorstel de wettelijke regeling voor het doen van eerstedagsmeldingen
te laten vervallen, wordt logischerwijs tevens voorgesteld te regelen dat de zesmaandenfictie
alleen nog geldt indien de werknemer niet in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige
is opgenomen.
De wettelijke regeling voor het doen van eerstedagsmeldingen heeft haar praktische
waarde verloren, terwijl de Belastingdienst wel kosten maakt voor het operationeel
houden van de infrastructuur die nodig is om eventuele meldingen te kunnen verwerken.
Daarom wordt voorgesteld om de mogelijkheid tot het opleggen van de verplichting tot
het doen van een eerstedagsmelding formeel te laten vervallen. Mede omdat het doel
van de afschaffing is om de systemen van de Belastingdienst ten behoeve van de eerstedagsmelding
niet meer operationeel te hoeven houden, wordt tevens voorgesteld dat eventueel nog
voor 1 januari 2027 opgelegde verplichtingen vanaf 1 januari 2027 niet meer hoeven
te worden nagekomen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat vóór die datum opgelegde
sancties ter zake van het niet of niet tijdig zijn nagekomen van een verplichting
tot het doen van een eerstedagsmelding van kracht blijven.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de bestaande mogelijkheid voor een
inspecteur om, onder bepaalde voorwaarden, een inhoudingsplichtige te verplichten
om eerstedagsmeldingen te doen, in de praktijk niet (meer) wordt toegepast. Om die
reden wordt voorgesteld om deze regeling te laten vervallen. Met het laten vervallen
van een bestaande maatregel die in de praktijk niet (meer) wordt opgelegd, wordt een
beperkte vereenvoudiging bereikt, met name in de uitvoering door de Belastingdienst.
In zoverre is de voorgestelde maatregel doeltreffend en doelmatig.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De verplichting tot het indienen van eerstedagsmeldingen wordt in de praktijk niet
(meer) opgelegd door inspecteurs. Omdat de eerstedagsmelding formeel nog wel bestaat,
houdt de Belastingdienst systemen en processen operationeel om eerstedagsmeldingen
te kunnen verwerken. Hiervoor worden ook kosten gemaakt door de Belastingdienst. Deze
zaken kunnen vervallen na invoering van de voorgestelde maatregel. Bovendien blijkt
dat de Belastingdienst in enkele gevallen ten onrechte een eerstedagsmelding ontvangt,
omdat een softwaresysteem van de inhoudingsplichtige zodanig kan zijn ingericht dat
het automatisch een eerstedagsmelding doet zodra een nieuwe werknemer wordt ingevoerd.
De Belastingdienst heeft de voorgestelde maatregel getoetst op uitvoerbaarheid. De
voorgestelde maatregel is uitvoerbaar per 1 januari 2027.
2.5 Aanpassing afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk
De afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) is een fiscale regeling
waarmee de overheid technische innovatie stimuleert. Bedrijven die zich bezig houden
met S&O kunnen, onder bepaalde voorwaarden, een deel van de kosten die worden gemaakt
voor technisch innovatieve werkzaamheden in mindering brengen op de af te dragen loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen.
De afdrachtvermindering S&O wordt als volgt berekend:
((S&O-uren * S&O-uurloon) + (S&O-kosten en -uitgaven of forfaitair bedrag)) * percentage
Het S&O-uurloon dat wordt gebruikt in bovenstaande formule, is een vast gemiddeld
bedrag dat geldt voor alle werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige die zich bezighouden
met S&O-werk. Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de inhoudingsplichtige
in het referentiejaar gemiddeld heeft betaald aan werknemers die in dat jaar S&O-werk
hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt. De Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO), die is belast met de uitvoering van de afdrachtvermindering S&O,
bepaalt het S&O-uurloon op basis van de polisadministratie van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) per 1 april van het jaar na het referentiejaar (de peildatum).
Het referentiejaar is het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarop
de afdrachtvermindering S&O betrekking heeft. Indien de inhoudingsplichtige in het
referentiejaar geen S&O-werk heeft verricht waarvoor hij over een S&O-verklaring beschikt,
dan geldt een gemiddeld uurloon van € 29 (forfaitair uurloon). Het forfaitaire uurloon
speelt dus een rol bij inhoudingsplichtigen die in de voorafgaande jaren geen S&O-werkzaamheden
uitvoerden. Vanwege het ontbreken van historische gegevens dient in dat geval uitgegaan
te worden van een forfaitair bedrag.
Het forfaitaire uurloon bedraagt al sinds 2008 € 29. Al jarenlang ontvangt de RVO
geluiden (van bedrijven, intermediairs of andere stakeholders) dat het forfaitaire
uurloon geen recht meer doet aan de werkelijke loonkosten van S&O-inhoudingsplichtigen.
Met de hoge inflatie van de laatste jaren wordt dit verschil alsmaar groter. Daar
waar het budget voor de afdrachtvermindering S&O al vanaf 2023 geïndexeerd wordt en
de schijfgrens met ingang van 2025 door de Minister van Economische Zaken en Klimaat
bij ministeriële regeling kan worden gewijzigd30, is er aanleiding om ook de hoogte van het forfaitaire uurloon meer in lijn te brengen
met de ontwikkeling van de werkelijke loonkosten voor S&O.
In februari 2025 is het rapport «Evaluatie Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk
(WBSO) 2018 – 2022»31 van onderzoeksbureau Stichting Economisch Onderzoek (SEO) en Dialogic gepubliceerd.
In dit rapport wordt opgemerkt dat uit de uitvoeringspraktijk blijkt dat het forfaitaire
uurloon voor de bepaling van de loonkosten onvoldoende is. In de vorige evaluatie
van de afdrachtvermindering S&O over de periode 2011 tot en met 201732 werd ook al gesignaleerd dat het forfaitaire uurloon geen reële afspiegeling meer
is van de werkelijke S&O-loonkosten van een S&O-inhoudingsplichtige. Uit een analyse
van de RVO (2024) blijkt dat het verschil tussen het berekende S&O-uurloon en het
forfaitaire uurloon door de jaren heen steeds groter is geworden en dat de verwachting
is dat op korte termijn dit verschil alleen maar toeneemt. Als beleidsoptie wordt
door SEO en Dialogic benoemd om te overwegen om het forfaitaire uurloon van € 29 naar
boven bij te stellen, zodat dit beter aansluit bij de werkelijke loonkosten. Het kabinet
geeft met dit wijzigingsvoorstel uitvoering aan deze aanbeveling.
De RVO geeft ook aan dat het raadzaam is om het forfaitaire uurloon niet te aantrekkelijk
te maken om misbruik of oneigenlijk gebruik te voorkomen. Dat ziet op bedrijven die
steeds nieuwe entiteiten voor hun S&O-personeel oprichten, omdat het forfaitaire uurloon
hoger ligt dan de werkelijke uurlonen van het S&O-personeel.
Dit alles afwegende stelt het kabinet voor om het forfaitaire uurloon per 1 januari
2027 te verhogen van € 29 naar € 33. Uit de analyse van de RVO blijkt dat dit bedrag
dicht op de mediaan ligt van het berekende S&O-uurloon en net onder het gemiddelde
berekende S&O-uurloon. Zo wordt het forfaitaire uurloon wel verhoogd om tegemoet te
komen aan de prijsstijgingen van de afgelopen jaren, maar ligt dit bedrag niet boven
het gemiddelde S&O-uurloon of de mediaan. Zo blijft gebruikmaken van het werkelijke,
berekende S&O-uurloon voor een meerderheid van de gebruikers voordeliger en wordt
een perverse prikkel zo goed mogelijk voorkomen.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
De voorgestelde wijziging heeft tot gevolg dat het forfaitaire uurloon beter aansluit
bij de werkelijke S&O-loonkosten. Dit komt de doeltreffendheid van de regeling ten
goede. De voorgestelde maatregel heeft geen budgettair lastenrelevant effect. Daardoor
is de voorgestelde maatregel ook doelmatig.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De voorgestelde wijziging heeft geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst.
De Belastingdienst heeft de voorgestelde maatregel getoetst op uitvoerbaarheid. De
voorgestelde maatregel is uitvoerbaar per 1 januari 2027.
2.6 Aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling
Een belastingplichtige mag de zogenoemde kwijtscheldingswinstvrijstelling toepassen
op winsten die ontstaan als een schuldeiser afziet van het innen van een niet voor
verwezenlijking vatbaar recht. De kwijtscheldingswinst is dan (in beginsel) vrijgesteld
om fiscale belemmeringen weg te nemen bij de sanering van schulden van verlieslijdende
ondernemingen.
Op grond van Europese regelgeving33 kunnen aangewezen afwikkelingsautoriteiten bepaalde financiële ondernemingen in afwikkeling
nemen indien zij falen of dreigen te falen, bijvoorbeeld doordat zij te weinig kapitaal
hebben om te voldoen aan hun verplichtingen. De financiële ondernemingen die het betreft
zijn banken, bepaalde beleggingsondernemingen34, verzekeraars en centrale tegenpartijen.35 Als een dergelijke onderneming faalt of dreigt te falen, moet de afwikkelingsautoriteit
nagaan of de onderneming in faillissement gaat, of dat er een publiek belang is om
de onderneming in afwikkeling te nemen. Indien de afwikkelingsautoriteit een financiële
onderneming in afwikkeling neemt, heeft deze afschrijvingsbevoegdheden om hiermee
schulden (waaronder verplichtingen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten) af te
schrijven teneinde verliezen te absorberen en de falende onderneming vervolgens te
herkapitaliseren.
In Nederland is de Nederlandsche Bank (DNB) aangewezen als nationale afwikkelingsautoriteit.
In het geval dat DNB of een vergelijkbare instelling die als nationale afwikkelingsautoriteit
is aangewezen besluit om een bank, bepaalde beleggingsonderneming, verzekeraar of
centrale tegenpartij in afwikkeling te nemen, oefent DNB afschrijvingsbevoegdheden
uit die voortvloeien uit de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Verordening
(EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende
een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging
van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU)
nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG,
2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen
(verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen).36 Dit gebeurt aan de hand van de bevoegdheid tot afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten
(afomki) en het afschrijvingsinstrument van bail-in.37 Met de afomki-bevoegdheid kunnen de meest achtergestelde schulden worden afgeschreven.38 De in de crediteurenhiërarchie hoger gerangschikte schulden worden afgeschreven met
behulp van het bail-in instrument. Voordat DNB besluit om het bail-in instrument (of
een ander afwikkelingsinstrument, zoals verkoop van de onderneming of de overbruggingsinstelling)
in te zetten, moet zij altijd eerst haar afomki-bevoegdheid uitoefenen. De afomki-bevoegdheid
kan DNB overigens ook buiten afwikkeling inzetten. Dit kan bijvoorbeeld plaatsvinden
wanneer na alleen de uitoefening van de afomki-bevoegdheid de falende bank of beleggingsonderneming
weer levensvatbaar is en geen inzet van een afwikkelingsinstrument benodigd is. Voor
meer informatie over de herstel- en afwikkelingsraamwerken voor financiële ondernemingen
en de afschrijvingsbevoegdheden wordt verwezen naar de relevante memories van toelichting.39
Indien een afschrijvingsbevoegdheid wordt toegepast door DNB of een vergelijkbare
instelling, is het niet de schuldeiser (of de houder van een vordering uit hoofde
van een verzekeringsovereenkomst) die afziet van het innen van een niet voor verwezenlijking
vatbaar recht, maar worden de schulden van de bank, beleggingsonderneming, verzekeraar
of centrale tegenpartij per besluit door DNB of een vergelijkbare instelling verminderd.
Hierdoor is onder de huidige wetgeving in dergelijke situaties geen sprake van prijsgeven
van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers in de zin van de kwijtscheldingswinstvrijstelling.
Voorgesteld wordt om voor de toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling, de
vermindering van schulden (waaronder verplichtingen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten)
die voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) bij de schuldenaar
als vreemd vermogen kwalificeren, door toepassing van een afschrijvingsbevoegdheid
van DNB of een vergelijkbare instelling, voor zover er voor het deel van de verminderde
vordering geen door of namens de schuldenaar verstrekte prestatie of claim tegenover
staat, gelijk te stellen met het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare
rechten. Hiermee worden fiscale belemmeringen weggenomen bij de vermindering van schulden
van banken, beleggingsondernemingen, verzekeraars en centrale tegenpartijen door DNB,
waardoor een diepere bail-in (ten gevolge van extra verschuldigde vennootschapsbelasting)
wordt voorkomen. De voorgestelde wijziging treedt in werking met ingang van boekjaren
die aanvangen op of na 1 januari 2027.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De voorgestelde maatregel heeft tot doel om bij te dragen aan de afwikkeling van falende
financiële instellingen met een publiek belang. Zonder deze voorgestelde maatregel
zou bij sanering van falende financiële instellingen sprake kunnen zijn van fiscale
belemmeringen en onnodige belastingheffing. Dit zou kunnen leiden tot een verdiepte
bail-in of mogelijk een afwikkeling in de weg kunnen staan. Door dit soort verminderingen
van schulden die voor de vennootschapsbelasting bij de schuldenaar als vreemd vermogen
kwalificeren, – voor zover daar geen tegenprestatie tegenover staat – fiscaal gelijk
te stellen aan het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten, wordt
dit voorkomen. Daarmee is deze maatregel naar verwachting doeltreffend. Omdat deze
maatregel zeer specifiek op alleen deze situaties is toegespitst, is deze naar verwachting
ook doelmatig. Omdat de toepassing van een afschrijvingsbevoegdheid door DNB of een
vergelijkbare instelling alleen plaatsvindt bij falen of dreigend falen van de financiële
instelling en afwikkeling in het publiek belang moet plaatsvinden, zal dit naar verwachting
niet of nauwelijks voorkomen. Hierdoor acht het kabinet het weinig zinvol om in een
separate evaluatie van deze maatregel te voorzien.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De voorgestelde aanpassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling is door de Belastingdienst
beoordeeld met een uitvoeringstoets. Voor deze aanpassing geldt dat de Belastingdienst
die uitvoerbaar acht per de voorgestelde datum van inwerkingtreding. Invoering is
mogelijk voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027. De gevolgen voor de
uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoets die als bijlage is bijgevoegd. De
in dit wetsvoorstel voorgestelde aanpassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling
leidt niet tot uitvoeringskosten bij de Belastingdienst.
2.7 Samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2
In de Wet Vpb 1969 zijn ten aanzien van uiteenlopende (antimisbruik)bepalingen onderworpenheidstoetsen
opgenomen. In Overige fiscale maatregelen 2025 is bij de toepassing van enkele onderworpenheidstoetsen
in algemene zin verduidelijkt dat onder een naar de winst geheven belasting mede een
kwalificerende Pijler 2-bijheffing wordt verstaan. Pijler 2 bewerkstelligt dat multinationale
groepen en binnenlandse groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste
effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Voor wat onder een kwalificerende Pijler 2-bijheffing wordt verstaan wordt verwezen naar de Wet minimumbelasting 2024,
om te waarborgen dat de maatregelen in overeenstemming zijn met de maatregelen uit
de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing40 of de OESO-modelregels41.
Twee van deze onderworpenheidstoetsen in de Wet Vpb 1969 die met Overige fiscale maatregelen
2025 zijn aangepast, zien op bepalingen over de brutering van voordelen uit laagbelaste
beleggingsdeelnemingen en laagbelaste buitenlandse beleggingsondernemingen. In het
verlengde hiervan wordt voorgesteld dat voor de deelnemingsverrekening en de verrekening
bij buitenlandse ondernemingswinsten onder het werkelijke bedrag aan winstbelasting
mede wordt verstaan het werkelijke bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing,
om economische dubbele belasting tussen de vennootschapsbelasting en de kwalificerende
binnenlandse bijheffing te voorkomen. Daarnaast is deze voorgestelde wijziging analoog
aan de verrekening bij voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam, en draagt
de voorgestelde wijziging hiermee bij aan de coherentie van het wettelijke systeem.
Met deze verduidelijkingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van
de werking van de deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
en de uitleg daarvan.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Met de voorgestelde wijzigingen wordt ten aanzien van de toepassing van de deelnemingsverrekening
en de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten in algemene zin verduidelijkt
dat onder een werkelijk bedrag aan (buitenlandse) winstbelasting mede een werkelijk
bedrag aan kwalificerende Pijler 2-bijheffing wordt verstaan. Met de voorgestelde
verduidelijkingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de werking
van de deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
en de uitleg daarvan. Daarmee is deze maatregel doeltreffend en doelmatig. In een
separate evaluatie van de hier voorgestelde maatregelen is niet voorzien.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De voorgestelde verduidelijking in de deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse
ondernemingswinsten in de Wet Vpb 1969 is door de Belastingdienst beoordeeld met een
uitvoeringstoets. Voor de maatregel geldt dat de Belastingdienst deze uitvoerbaar
acht per de voorgestelde datum van inwerkingtreding. De gevolgen voor de uitvoering
zijn beschreven in de uitvoeringstoets die als bijlage is bijgevoegd. De voorgestelde
verduidelijking in de deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
leidt niet tot uitvoeringskosten bij de Belastingdienst.
2.8 Aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht
De Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) voorziet in de heffing van dividendbelasting
over de opbrengst uit hoofde van zogenoemde kwalificerende lidmaatschapsrechten in
in Nederland gevestigde houdstercoöperaties. Van een kwalificerend lidmaatschapsrecht
is, kortgezegd, sprake als een lidmaatschapsrecht recht geeft op ten minste 5% van
de jaarwinst van een houdstercoöperatie of op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie
wordt uitgekeerd. Om te voorkomen dat er ten aanzien van leden geen sprake is van
inhoudingsplicht, worden bij de beoordeling of sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht
de lidmaatschapsrechten van een lid en de met dat lid verbonden natuurlijke personen
en verbonden lichamen gezamenlijk in aanmerking genomen. Ook lidmaatschapsrechten
van de leden van een samenwerkende groep worden bij deze beoordeling gezamenlijk in
aanmerking genomen. Het gaat daarbij om een door een samenwerkende groep gecoördineerde
investering die gezamenlijk tot een belang van meer dan 5% leidt, maar waarbij een
of meer van de leden van die groep individueel onder de grens van 5% blijven. Op basis
van de huidige wettekst kan onduidelijkheid bestaan over de vraag of, zoals beoogd,
in deze situatie sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht indien verschillende
leden van een houdstercoöperatie een samenwerkende groep vormen, maar deze verschillende
leden niet met elkaar verbonden zijn volgens de antiwinstdrainagebepaling in de Wet
Vpb 1969. De wettekst kan namelijk zo worden uitgelegd dat wordt getoetst of sprake
is van een samenwerkende groep ten aanzien van een lid en niet of sprake is van een
samenwerkende groep ten aanzien van de leden in de houdstercoöperatie. Daarom wordt
voorgesteld om de wettekst zo aan te passen dat deze onduidelijkheid wordt weggenomen.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Het doel van de voorgestelde maatregel is om een technische omissie in de fiscale
wetgeving weg te nemen en daarmee het groepsbegrip aan te scherpen, teneinde te voorkomen
dat door (her)structurering de inhoudingsplicht wordt ontlopen. Dit doel wordt door
de voorgestelde aanpassing bereikt, waarmee de maatregel naar verwachting doeltreffend
zal zijn. De maatregel heeft geen budgettaire gevolgen en er zijn ook geen andere
effecten voorzien. De verhouding tussen het beoogde doel en de bijbehorende effecten
is daarmee in balans, waardoor de maatregel doelmatig zal zijn. Gezien de technische
aard van de aanpassingen is niet voorzien in een evaluatie.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De Belastingdienst heeft de voorgestelde wijziging beoordeeld met een uitvoeringstoets.
De Belastingdienst acht de onderhavige maatregel uitvoerbaar bij een inwerkingtreding
per 1 januari 2027. De uitvoeringstoets van de Belastingdienst is bijgevoegd.
2.9 Aanpassing categorieaanduiding bestuurlijke boetes
Per 1 januari 2024 is de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) aangepast door
de Wet implementatie Richtlijn betalingsdienstaanbieders.42 Bij die gelegenheid is vooruitlopend op de beoogde harmonisering van bestuurlijke
boetemaxima43 een geldboetebedrag vervangen door een categorie-aanduiding zoals gebruikt in het
Wetboek van Strafrecht.44 Het gaat om de bestuurlijke boete die kan worden opgelegd als, kort gezegd, de ondernemer
niet of niet tijdig voldoet aan de melding elektronische diensten of als hij de zogenoemde
opgaaf intracommunautaire prestaties niet of niet tijdig heeft ingediend dan wel daarin
onjuiste gegevens heeft opgenomen.
In de Wet implementatie Richtlijn betalingsdienstaanbieders is verwezen naar de derde
categorie waardoor het maximumboetebedrag onbedoeld fors is verhoogd (van € 5.514
naar € 10.300). Omdat de beleidslijn is dat indien een wettelijk boetemaximum wordt
aangepast, wordt verwezen naar de naastgelegen lagere geldboetecategorie in het Wetboek
van Strafrecht, had in casu moeten worden aangesloten bij de tweede categorie (2025:
€ 5.150).45
Met de omzetting van een boetebedrag naar een categorieaanduiding is ook de thans
nog opgenomen, aan de AWR ontleende, indexeringsbepaling overbodig geworden waardoor
wordt voorgesteld deze te laten vervallen. Beide onvolkomenheden worden met dit wetsvoorstel
hersteld.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Het doel van de voorgestelde maatregel is om het boetebedrag beter aan te laten sluiten
bij een geldboete met het maximumbedrag van € 5.514 dat tot en met 31 december 2023
kon worden opgelegd. Zo sluit deze boete aan bij de fiscale beleidslijn om bij omzetting
naar een boete uit het Wetboek van Strafrecht te kiezen voor een naastgelegen lagere
geldboetecategorie. Dit doel wordt door de voorgestelde aanpassing bereikt, waarmee
de maatregel naar verwachting doeltreffend zal zijn. De maatregel heeft geen budgettaire
gevolgen en er zijn ook geen andere effecten voorzien. De verhouding tussen het beoogde
doel en de bijbehorende effecten is daarmee in balans, waardoor de maatregel doelmatig
zal zijn. Gezien de technische aard van de aanpassingen is niet voorzien in een evaluatie.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De maatregel is uitvoerbaar zonder impact op systemen of processen. Het betreft een
wettelijke aanpassing met beperkte impact, omdat in de praktijk meestal een lagere
boete wordt opgelegd.46
2.10 Herziening nultarief oorlogsschepen
Per 1 januari 201947 is de Wet OB 1968 aangepast in het kader van een herziening die beoogde beter aan
te sluiten bij de btw-richtlijn 200648 (btw-richtlijn). Daarbij zijn verschillende typen zeeschepen, waaronder oorlogsschepen,
expliciet benoemd in de betreffende tabelposten.
In de huidige formulering wordt bij onder meer de levering, verhuur, reparatie en
onderhoud van oorlogsschepen verwezen naar de typen schepen, genoemd in de post die
ziet op goederen bestemd voor de bevoorrading van dergelijke schepen. Deze verwijzing
zou tot verwarring kunnen leiden, omdat bij de bevoorrading een specifieke voorwaarde
geldt die niet van toepassing is op de levering van oorlogsschepen, namelijk de voorwaarde
dat het moet gaan om oorlogsschepen die Nederland verlaten met als bestemming een
buitenlandse haven of ankerplaats.
De wijzigingen beogen die mogelijke onduidelijkheid weg te nemen en een bestaande
praktijk voort te zetten door de oorlogsschepen afzonderlijk te benoemen. De vanaf
1 januari 2019 geldende tekst heeft, voor zover bekend, overigens niet geleid tot
ongewenste heffing van btw inzake oorlogsschepen.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Het doel van de voorgestelde wijziging is de tekst te verduidelijken en omvat geen
inhoudelijke wijziging van de bedoeling van de bepaling. Zo sluit deze tekst duidelijker
aan bij de richtlijntekst waarop de bepaling is gegrond. Het doel wordt door de voorgestelde
aanpassing bereikt, waarmee de maatregel naar verwachting doeltreffend zal zijn. De
maatregel heeft geen budgettaire gevolgen en er zijn ook geen andere effecten voorzien.
De verhouding tussen het beoogde doel en de bijbehorende effecten is daarmee in balans,
waardoor de maatregel doelmatig zal zijn. Gezien de technische aard van de aanpassingen
is niet voorzien in een evaluatie.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Douane en Toeslagen
De maatregel is uitvoerbaar zonder impact op systemen of processen. Het betreft een
verduidelijking van een situatie die, voor zover bekend, in de praktijk al consequent
zo wordt toegepast.
2.11 Aanpassing begripsbepalingen motorrijtuigenbelasting
In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994) wordt op dit moment de
indeling tussen bestelauto’s en vrachtauto’s bepaald aan de hand van de toegestane
maximum massa (TMM) van het motorrijtuig. Een motorrijtuig met een TMM van maximaal
3.500 kg wordt fiscaal aangemerkt als bestelauto. Een motorrijtuig met een hogere
TMM wordt als vrachtauto aangemerkt.
De voertuigclassificaties in de Europese Unie, zoals opgenomen in Verordening (EU)
2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring
van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen,
onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot
wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking
van Richtlijn 2007/46/EG (Verordening (EU) 2018/858), gaan uit van de technische toelaatbare
massa. Dit betekent dat voertuigen van de categorie N1 (met een technisch toelaatbare
maximummassa van niet meer dan 3.500 kg) aangemerkt worden als bestelauto. Voertuigen
van de categorie N2 (met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 3.500
kg maar niet meer dan 12.000 kg) en N3 (met een technisch toelaatbare maximummassa
van meer dan 12.000 kg) worden aangemerkt als vrachtauto.
Op basis van de huidige praktijk bestaat de mogelijkheid om motorrijtuigen administratief
terug te keuren naar een lagere TMM. Dit betekent dat motorrijtuigen die technisch
behoren tot categorie N2 (vrachtauto’s), administratief worden teruggekeurd naar een
TMM van maximaal 3.500 kg. Hierdoor worden zij fiscaal behandeld als bestelauto en
is een lager tarief voor de motorrijtuigenbelasting (mrb) van toepassing. In de praktijk
wordt deze mogelijkheid benut, omdat een motorrijtuig dat administratief is teruggekeurd
naar maximaal 3.500 kg met een rijbewijs B mag worden bestuurd, in plaats van met
rijbewijs C1.
Bij de vrachtwagenheffing die op 1 juli 2026 van start gaat werd oorspronkelijk eveneens
uitgegaan van de toegestane maximum massa bij het bepalen of sprake is van een vrachtauto.
Bij nota van wijziging is echter besloten om voor de vrachtwagenheffing aan te sluiten
bij de EU-voertuigclassificatie.49 Hierdoor bepaalt de technische voertuigclassificatie (N1, N2 of N3) of sprake is
van een bestelauto of vrachtauto voor de vrachtwagenheffing. Administratieve terugkeuring
naar een lagere massa is daarmee voor de vrachtwagenheffing niet langer relevant.
Om te voorkomen dat bij de start van de vrachtwagenheffing op 1 juli 2026 zowel mrb
als vrachtwagenheffing verschuldigd is voor een vrachtwagen uit categorie N2 die administratief
is teruggekeurd naar een TMM van 3.500 kg of minder, is via het Belastingplan 2026
een tijdelijke oplossing getroffen. Voor deze motorrijtuigen geldt dat de mrb met
ingang van de start van de vrachtwagenheffing nihil bedraagt. In de toelichting op
de nota van wijziging die hieraan ten grondslag ligt, is aangekondigd dat in het wetsvoorstel
Fiscale verzamelwet 2027 een maatregel wordt opgenomen waardoor in de mrb de Europese
voertuigcategorieën gaan gelden voor de definitie van een vrachtauto.50 Met het voorliggende voorstel wordt hieraan vervolg gegeven.
Voorgesteld wordt de aanpassing met ingang van 1 januari 2027 door te voeren, zodat
de wijziging gelijktijdig in werking treedt met het bredere palet aan definitiewijzigingen
in de mrb en belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm), zoals de definities
van personenauto’s, motorrijwielen, bestelauto’s en lijkwagens die als gevolg van
het Belastingplan 2025 (BP 2025) per 1 januari 2027 worden voorzien.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De maatregel is doeltreffend doordat de categorisering in de mrb voortaan aansluit
bij de objectief vast te stellen voertuigclassificatie. Daardoor ontstaat een uniform,
transparant en controleerbaar stelsel. Door de mrb en de vrachtwagenheffing op elkaar
af te stemmen wordt tevens de systematiek tussen de verschillende heffingen vereenvoudigd.
Dit komt zowel de doelmatigheid van de uitvoering als de handhaafbaarheid ten goede.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De Belastingdienst heeft vastgesteld dat het voorstel uitvoerbaar is met ingang van
1 januari 2027, mits wordt geaccepteerd dat het toezicht op het Rest-BPM-proces niet geautomatiseerd kan worden ondersteund. Om deze conclusie goed te kunnen plaatsen,
is het relevant te vermelden dat de Belastingdienst gegevens uit de mrb gebruikt om
vast te stellen of voor een bestelauto nog bpm verschuldigd is. Dit is het geval wanneer
voor een bestelauto aanspraak is gemaakt op de ondernemersvrijstelling, terwijl de
houder niet langer aan de voorwaarden voldoet (bijvoorbeeld bij beëindiging van de
onderneming). Het antwoord op de vraag of de houder van een bestelauto nog een ondernemer
betreft, wordt vanuit de systemen van de mrb gegeven.
Indien het voorstel wordt aanvaard, wordt een teruggekeurde N2 voor de mrb niet langer
als bestelauto beschouwd, terwijl dat voor de bpm wel het geval blijft. Hierdoor wordt
het voor de Belastingdienst lastiger om effectief toezicht te houden op de vraag of
voor een teruggekeurde N2 waarop de ondernemersvrijstelling is toegepast nog bpm verschuldigd
is. Vanuit de mrb bevat de populatie bestelauto’s dan immers niet langer de teruggekeurde
N2.
Het gaat hierbij evenwel om een afgebakende en beperkte groep van minder dan 5.000
bestelauto’s. Deze groep bestaat uit administratief teruggekeurde vrachtauto’s uit
categorie N2 die fiscaal als bestelauto zijn behandeld en waarvoor in het verleden
een beroep is gedaan op de ondernemersvrijstelling in de bpm. Omdat de bpm in het
kader van deze vrijstelling na vijf jaar volledig is afgeschreven én de ondernemersvrijstelling
met ingang van 1 januari 2025 is vervallen, betreft dit uitsluitend bestelauto’s met
een datum van eerste toelating in de jaren 2022, 2023 en 2024. Voor bestelauto’s met
een datum van eerste toelating in 2021 of eerder is de vijfjaarstermijn inmiddels
verstreken, waardoor geen bpm meer kan worden nageheven en toezicht niet aan de orde
is.
De mogelijke toezichtproblematiek doet zich bovendien slechts tijdelijk voor en neemt
in omvang af in de tijd. In de bpm is toezicht op het blijven voldoen aan de voorwaarden
van de ondernemersvrijstelling uitsluitend relevant zolang de vijfjaarstermijn nog
niet is verstreken. Dit betekent dat het toezicht zich in 2027 nog kan voordoen voor
voertuigen met een datum van eerste toelating in 2022, 2023 en 2024. In 2028 betreft
dit nog uitsluitend bestelauto’s met een datum van eerste toelating in 2023 en 2024,
en in 2029 alleen bestelauto’s met een datum van eerste toelating in 2024. Vanaf 1 januari
2030 is voor deze bestelauto’s geen bpm-toezicht meer nodig.
Daarbij wordt verwacht dat slechts een zeer beperkt deel van deze bestelauto’s in
de genoemde periode niet langer aan de voorwaarden van de ondernemersvrijstelling
zal voldoen én bovendien geen spontane bpm-aangifte zal doen. Gelet op de beperkte
en afnemende omvang van de doelgroep, het tijdelijke karakter van de situatie en de
geringe verwachte nalevingsrisico’s, wordt de consequentie dat het toezicht op eventueel
verschuldigde bpm voor deze administratief teruggekeurde N2-voertuigen tijdelijk wordt
bemoeilijkt, aanvaardbaar geacht.
2.12 Aanpassing productie van hernieuwbare waterstof binnen de CO2-heffing industrie
Als onderdeel van het Europese «Fit for 55»-pakket is het emissiehandelssysteem van
de Europese Unie (EU ETS) zoals vastgesteld in Richtlijn 2003/87/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de
handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn
96/61/EG van de Raad (EU ETS-richtlijn) herzien, met als doelstelling ten minste 55%
emissiereductie te bewerkstelligen in 2030 ten opzichte van 1990. Het uiteindelijke
doel is klimaatneutraliteit in 2050. In het kader van deze herziening is Richtlijn
(EU) 2023/959 gepubliceerd.51 Hierdoor is ook de bijlage van de EU ETS-richtlijn gewijzigd, waardoor de productie
van waterstof als activiteit is uitgebreid.
In de vorige versie van het EU ETS vielen alleen waterstofproductieprocessen met directe
broeikasgasemissies onder de activiteiten. Het ging hierbij om de productie van waterstof
en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit
van meer dan 25 ton per dag. Met Richtlijn (EU) 2023/959 is de reikwijdte van deze
activiteit verbreed en ziet hij nu op de productie van waterstof en synthesegas met
een productiecapaciteit van meer dan 5 ton per dag. Hierdoor vallen installaties die
hernieuwbare waterstof produceren ook onder het EU ETS, mits ze aan de capaciteitsdrempel
(>5 ton/dag) voldoen. De Europese Commissie (EC) doet dit om «(…) koolstofarme en koolstofvrije technologieën voor de productie van waterstof te stimuleren
en een gelijk speelveld te creëren voor bestaande en nieuwe technologieën zoals waterstofelektrolyse
(…)». De wijziging is geïmplementeerd in het Besluit handel in emissierechten.52 Dit betekent dat ook binnen de CO2-heffing industrie broeikasgasinstallaties die als activiteit hernieuwbare waterstof
produceren, hiervoor op dit moment dispensatierechten kunnen krijgen.
In het Klimaatakkoord is de ambitie uitgesproken om in 2030 3 à 4 GW aan elektrolysecapaciteit
te realiseren. 3 GW elektrolysecapaciteit leidt tot ongeveer 250.000 ton aan hernieuwbare
waterstofproductie in 2030, en voor iedere ton waterstof krijgen elektrolyse-installaties
op dit moment 6,84 ton aan emissierechten binnen het EU ETS. Bij een nationale reductiefactor
van 0,76153 zouden er in 2030 ongeveer 1.300.000 ton aan dispensatierechten worden toegekend
aan producenten van hernieuwbare waterstof. Hierdoor blijven er minder dispensatierechten
over voor andere bedrijven die vallen onder de CO2-heffing industrie en neemt de reductieopgave voor deze bedrijven toe, terwijl niet
zeker is dat de geproduceerde hernieuwbare waterstof daadwerkelijk (volledig) in de
industrie ingezet zal worden. Voor de CO2-heffing industrie is het noodzakelijk om te voorkomen dat een significant aantal
dispensatierechten binnen de CO2-heffing industrie wordt toebedeeld aan deze broeikasgasinstallaties door de verwachte,
toekomstige uitbreiding van elektrolysecapaciteit in Nederland.
Bovendien wordt er voor de productie van hernieuwbare waterstof al een eigen instrumentarium
ontwikkeld, met een mix van normering en subsidiëring aan de productiekant en de afnamekant
van hernieuwbare waterstof. Het ontvangen van aanvullende dispensatierechten leidt
mogelijk tot onwenselijke interacties met het bestaande en aanstaande waterstofinstrumentarium.
Het is noodzakelijk om te voorkomen dat verschillende beleidsmaatregelen elkaar doorkruisen.
Tot slot hebben producenten van hernieuwbare waterstof geen directe emissies waardoor
ze niet de effecten van de prijs van de CO2-heffing industrie zouden ondervinden, maar dus wel dispensatierechten ontvangen.
Ook strookt dit niet met de doelstelling van de CO2-heffing industrie: het borgen van emissiereductie.
Op basis van het bovenstaande wordt voorgesteld om de Wet milieubeheer (Wm) te wijzigen,
zodat de productie van hernieuwbare waterstof binnen de CO2-heffing industrie niet gepaard gaat met de toekenning van dispensatierechten. Het
een-op-een volgen van het EU ETS zou in dit geval het borgende karakter op het behalen
van de industriële reductiedoelstelling onder druk zetten.
De voorgestelde wijziging van de Wm regelt voor de productie van waterstof dat enkel
dispensatierechten worden toegekend voor waterstof die is geproduceerd door reforming
of gedeeltelijke oxidatie, los van de productiecapaciteit. Voor waterstof geproduceerd
door middel van andere methoden (waaronder hernieuwbare waterstof door waterstofelektrolyse)
zou dus door deze wijziging geen dispensatierechten worden toegekend. Reforming of
gedeeltelijke oxidatie wordt ingezet voor de productie van grijze waterstof54 en koolstofarme waterstof55. Bij reforming (met «Steam Methane Reforming», ofwel SMR, als meest gebruikte methode)
reageren stoom, en methaan uit aardgas, onder hoge temperatuur en druk tot o.a. waterstof.
Bij gedeeltelijke oxidatie wordt aardgas – of een andere koolwaterstof – gemengd met
pure zuurstof en wordt onder hoge druk waterstof geproduceerd. Bij beide methoden
komt CO2 vrij bij het productieproces.
Het voorgestelde artikel 16b.17, zesde lid, Wm zal aansluiten bij de beschreven activiteit
in bijlage I van de EU ETS-richtlijn zoals die gold voordat de wijziging van het EU
ETS door Richtlijn (EU) 2023/959 in werking trad.
Uitvoeringsgevolgen NEa
Het niet langer toekennen van dispensatierechten voor hernieuwbare waterstofproductie
heeft naar verwachting geen significante gevolgen voor de uitvoeringslasten van de
Nederlandse emissieautoriteit (hierna: NEa). Het betreft hier namelijk een afbakening
van de doelgroep die recht heeft op dispensatierechten; hier zijn geen extra handelingen
of controles voor nodig. Ook zal het niet leiden tot een toename van de regeldruk,
omdat de wetswijziging geen extra rapportageverplichtingen met zich meebrengt. Voor
andere broeikasgasinstallaties onder de CO2-heffing industrie verandert er ook niets aan de administratieve lasten. Een concept
van het wetsvoorstel is voorgelegd aan de NEa voor een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids-
en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets). De NEa heeft aangegeven geen volledige HUF-toets
uit te voeren. Aanvullingen van de NEa zijn meegenomen in het wetsvoorstel.
2.13 Wettelijke verankering voorzitterschap van de Waarderingskamer
Dit voorstel betreft een wettelijke verankering van het staand beleid dat het voorzitterschap
van de Waarderingskamer wordt uitgeoefend door een commissaris van de Koning (hierna:
cvdK). Met deze maatregel zal de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) beter aansluiten
op de praktijk en worden mogelijke onduidelijkheden met aanpalende wet- en regelgeving
voorkomen.
Op dit moment is het staand beleid dat de rol van de voorzitter van de Waarderingskamer
wordt uitgeoefend door een cvdK. Motivering voor dit beleid is dat de cvdK onafhankelijkheid
waarborgt ten opzichte van de partijen in de Waarderingskamer, namelijk de rijksbelastingdienst,
gemeenten en de waterschappen. De onafhankelijke positie van de cvdK in combinatie
met de statuur van het ambt stelt de cvdK in staat draagvlak te creëren voor de besluiten
van de Waarderingskamer.
Om onduidelijkheden met aanpalende wet- en regelgeving te voorkomen, is het noodzakelijk
dit staand beleid vast te leggen in de Wet WOZ.
Het kan voorkomen dat geen van de commissarissen van de Koning in voldoende mate beschikbaar
is voor de functie van voorzitter van de Waarderingskamer. Dit kan bijvoorbeeld het
geval zijn wanneer alle commissarissen van de Koning aangeven onvoldoende tijd te
hebben. Wanneer geen enkele cvdK in voldoende mate beschikbaar is, mag de Minister
van Financiën afwijken van de verplichting om een cvdK als voorzitter te benoemen.
Het is wenselijk dat de Minister van Financiën in dit geval een voorzitter zoekt met
een profiel dat overeenkomt met dat van een cvdK, waarbij de onafhankelijkheid ten
opzichte van de partijen binnen de Waarderingskamer voorop staat.
De Wet WOZ is de meest geschikte plek voor deze wettelijke regeling, gezien hier de
taken en de structuur van de Waarderingskamer in zijn geregeld.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Met deze maatregel zal de Wet WOZ beter aansluiten op de praktijk en worden mogelijke
onduidelijkheden met aanpalende wet- en regelgeving voorkomen.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De wijziging betreft een wettelijke verankering van het staand beleid. Dit brengt
geen gevolgen voor de uitvoering met zich mee.
2.14 Wijzigingen in de Wet op de accijns
In de Wet op de accijns (WA) wordt een aantal technische wijzigingen voorgesteld.
Deze wijzigingen zijn tot stand gekomen na signalen vanuit de praktijk. De wijzigingen
zijn van verschillende aard. Het doel van de wijzigingen is het verminderen van de
administratieve lasten voor belastingplichtigen,56 het verbeteren van de handhavingsmogelijkheden van de inspecteur waar het gaat om
aangiftetermijnen57 en het doorvoeren van een redactionele aanpassing naar aanleiding van een actualisatie
in een verwijzing.58 In het hiernavolgende worden de wijzigingen toegelicht. De volgorde van het wetsvoorstel
wordt hierbij gevolgd.
Uitslag tot verbruik bij inslag in accijnsgoederenplaats
In de WA wordt vaak gerefereerd aan het moment van de zogenoemde «uitslag tot verbruik».
Uitslag tot verbruik is het moment waarop de accijns verschuldigd wordt en daarmee
een zogenoemd belastbaar feit.59 Accijns wordt verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik.60 In de situatie waarin accijnsgoederen die in een andere lidstaat reeds tot verbruik
zijn uitgeslagen, naar Nederland worden overgebracht om in Nederland voor commerciële
doeleinden te worden geleverd of gebruikt, wordt de accijns verschuldigd op het tijdstip
dat de accijnsgoederen in ontvangst zijn genomen door de zogenoemde gecertificeerde
geadresseerde in Nederland.61 Op dat moment ontstaat een verplichting tot voldoening van de accijns, ook als die
goederen daarna direct worden ingeslagen in een accijnsgoederenplaats.62 Als goederen worden ingeslagen, kan een verzoek om teruggaaf van accijns worden ingediend.63 Als de goederen de accijnsgoederenplaats later weer verlaten, ontstaat opnieuw een
verplichting tot voldoening van de accijns. Het ontstaan van de verplichting tot voldoening
op aangifte en het daarna doen van een teruggaafverzoek zijn voor zowel de inspecteur
als belastingplichtigen een onwenselijke administratieve last.
De voorgestelde wijziging regelt in het specifieke geval zoals hiervoor beschreven
dat bij een ontvangst die direct wordt gevolgd door inslag in de accijnsgoederenplaats
geen sprake is van uitslag tot verbruik. Derhalve is er op dat moment ook geen belastbaar
feit.64 Dit heeft tot gevolg dat voor de ontvangst van die goederen geen specifieke aangifteplicht
en geen verplichting tot voldoening van de accijns bestaat. Dit betekent concreet
dat niet langer eerst accijns moet worden voldaan die vervolgens wordt teruggegeven.
Het doel van deze wijziging is het verlichten van de administratieve lasten voor zowel
de inspecteur als voor belastingplichtigen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat
de overige verplichtingen rondom het overbrengen van accijnsgoederen naar Nederland
die in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen, blijven bestaan. Dat
betekent bijvoorbeeld dat het vervoer van deze goederen van een andere lidstaat naar
Nederland onder dekking van een zogenoemde e-VAD65 dient te blijven plaatsvinden. Die vervoersbeweging moet vervolgens nog steeds in
Nederland worden afgemeld met een bericht van ontvangst. Deze formaliteiten blijven
nodig om de vervoersbeweging geldig te beëindigen. De administratieve last die wel
komt te vervallen is, zoals vermeld, de aangifteplicht voor de ontvangst van deze
goederen en de – daarmee samenhangende – verplichting tot voldoening van de accijns
hierover.
Wijzigingen aangiftetermijn
Binnen de systematiek van de accijns geldt dat de in een tijdvak verschuldigd geworden
accijns op aangifte moet worden voldaan.66 Deze systematiek brengt met zich dat de AWR van toepassing is als het gaat over de
heffing van belasting bij wege van voldoening of afdracht op aangifte van de in een
tijdvak verschuldigd geworden accijns.67 Op grond van de AWR moet de in een tijdvak verschuldigde accijns op aangifte worden
voldaan binnen één maand na het einde van het tijdvak.
Op deze hoofdregel bestaat in de WA een afwijkende regeling.68 Deze regeling is van toepassing op een aantal specifieke gevallen met betrekking
tot het ontstaan van een belastbaar feit (uitslag).69 In die gevallen moet de accijns op aangifte worden voldaan binnen een andere termijn
dan de termijn die volgt uit de hiervoor genoemde hoofdregel. Met de voorgestelde
wijziging wordt de in de WA bepaalde aangiftetermijn (die dus afwijkt van de maandtermijn
zoals vastgesteld in de AWR) in drie gevallen gewijzigd. Daarnaast wordt de volgorde
van het artikel aangepast aan de volgorde waarin de gevallen van uitslag waarop het
artikel van toepassing is in de wet zijn opgenomen.
De eerste wijziging van de aangiftetermijn ziet op de situatie waarin sprake is van
het overbrengen van accijnsgoederen die in een andere lidstaat reeds tot verbruik
zijn uitgeslagen naar Nederland om in Nederland voor commerciële doeleinden te worden
gebruikt, waarbij deze overbrenging geschiedt naar een gecertificeerde geadresseerde.70 Met de voorgestelde wijziging wordt de termijn voor voldoening op aangifte in deze
gevallen verlengd van een dag tot een week.71 Met de weektermijn wordt aangesloten bij de situatie van voldoening op aangifte voor
de geregistreerde geadresseerde en wordt de huidige administratieve last voor het
bedrijfsleven verlicht.
De overbrenging van accijnsgoederen kan op twee manieren plaatsvinden. In het ene
geval worden accijnsgoederen overgebracht waarover nog geen accijns is betaald (onder
schorsing), in het andere geval worden accijnsgoederen overgebracht waarover al wel
accijns is betaald (veraccijnsd). In beide gevallen moeten de goederen door een vergunninghouder
worden ontvangen. Beide gevallen zijn ook vergelijkbaar in zoverre dat sinds de introductie
van de Horizontale accijnsrichtlijn72 beide overbrengingen plaatsvinden binnen het zogenoemde Excise Movement and Control
System EMCS73. In lijn met die systematiek is er reden om belastingplichtigen bij veraccijnsd vervoer
hetzelfde administratieve voordeel te bieden als belastingplichtigen bij vervoer onder
schorsing. Voor de vergunninghouder in het geval van goederenvervoer onder schorsing
– de geregistreerde geadresseerde – is een aangiftetermijn toegestaan van een week.
Met de voorgestelde wijziging wordt voor het veraccijnsde goederenvervoer een gelijke
administratieve vereenvoudiging bewerkstelligd door de aangiftetermijn voor de gecertificeerde
geadresseerde te verruimen tot uiterlijk de vrijdag van de week volgende op de week
waarin de accijnsgoederen zijn ontvangen. Hierdoor wordt feitelijk een uitstel voor
het voldoen van accijns op aangifte bewerkstelligd van maximaal negen en minimaal
vijf werkdagen. Alle zendingen die in een week zijn ontvangen, kunnen daarmee in één
keer worden aangegeven en de belasting daarvoor kan ook in één keer worden voldaan.
Een dergelijke verruiming past binnen het streven de administratieve lasten voor het
bedrijfsleven daar waar mogelijk te verminderen. Ook voor de uitvoering betekent dit
een vereenvoudiging.
Ten tweede wordt een wijziging voorgesteld in de situatie waarin een verzender uit
een andere lidstaat ervoor kiest om geen fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen,
maar zelf in Nederland aangifte voor de accijns te doen.74 Op dit moment bepaalt de WA dat de accijns in een dergelijk geval uiterlijk op de
dag na het tijdstip van de levering van de accijnsgoederen op aangifte moet worden
voldaan.75 In de praktijk is het halen van deze termijn onmogelijk gebleken. Het kabinet stelt
daarom voor dat de accijns in het beschreven geval voortaan uiterlijk op de vrijdag
van de week volgend op de week waarin het tijdstip van de levering plaatsvindt, op
aangifte moet worden voldaan.76
Een dagtermijn is te kort, omdat de afstandsverkoper grotendeels afhankelijk is van
informatie van derden over de ontvangst van de goederen en de afstandsverkoper meer
tijd nodig heeft om deze informatie te achterhalen. Bovendien is de afstandsverkoper
gehouden zich voorafgaand aan de overbrenging te melden bij de inspecteur77, waardoor er vanuit het oogpunt van verzekering van de heffing geen reden is om een
aangiftetermijn van een dag te eisen.
Ten derde wordt een wijziging voorgesteld voor het geval waarin sprake is van accijns
die verschuldigd wordt als zich een bepaalde onregelmatigheid heeft voorgedaan tijdens
de veraccijnsde overbrenging van accijnsgoederen.78 Specifiek gaat het om de situatie waarin niet wordt voldaan aan de voorschriften
van een of alle bij de overbrenging betrokken personen79 of om de situatie waarin sprake is van de gebrekkige naleving van de voorschriften.80 In die situaties is op dit moment bepaald dat de accijns op aangifte moet worden
voldaan binnen één maand nadat de inspecteur de bedoelde onregelmatigheid vaststelt.81 Deze aangiftetermijn is substantieel langer dan die voor de situaties waarin geen
sprake is van een onregelmatigheid. Dit is ongewenst. Ook blijkt in de praktijk dat
de huidige maandaangifte ertoe leidt dat de inspecteur niet adequaat kan handhaven.
Het is daarom wenselijk om in deze gevallen de huidige termijn voor voldoening op
aangifte te verkorten van een maand naar een dag.
In de eerstgenoemde situatie, waarin niet wordt voldaan aan de voorschriften van de
bij de overbrenging betrokken personen, kan het onder andere gaan om het ontbreken
van de juiste vergunning van die betrokken personen. Dit is bijvoorbeeld het geval
als de ontvanger van reeds in een andere lidstaat tot verbruik uitgeslagen goederen
die naar Nederland worden verzonden om in Nederland voor commerciële doeleinden te
worden geleverd of gebruikt, geen gecertificeerde geadresseerde is.82 In dat geval is sprake van een onregelmatigheid, wat een belastbaar feit tot gevolg
heeft.83 Naast de ontvanger van de goederen84, kunnen bij onregelmatigheden ook anderen die betrokken zijn bij de onregelmatigheid
worden aangemerkt als belastingplichtige.85 Dat kan bijvoorbeeld een buitenlandse chauffeur zijn, die rap weer kan vertrekken.
Gelet op de zwaarte van de omissie en het risico op verlies van accijnsinkomsten,
is het in dit geval ter verzekering van de heffing noodzakelijk om zo spoedig mogelijk
over te kunnen gaan tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Een aangiftetermijn
van een dag, zoals met voorliggende wijziging voorgesteld, past bij dit uitgangspunt
het beste.
In de situatie waarin sprake is van de gebrekkige naleving van voorschriften86 kan het bijvoorbeeld gaan om veraccijnsd vervoer tussen vergunninghouders zonder
dat het vervoer plaatsvindt onder dekking van een e-VAD. In dat geval is er sprake
van een vergunninghouder die een procedurele/formele omissie begaat. Ook indien de
inspecteur dit tijdens de overbrenging constateert, is het van belang dat de inspecteur
snel kan handelen. Ook in dit geval is een maandaangifte dus te lang. Het veraccijnsd
vervoer vindt weliswaar plaats tussen vergunninghouders, maar de betreffende levering
vindt niet plaats onder begeleiding van een e-VAD in EMCS terwijl dat systeem juist
waarborgt dat de Douane kan controleren of het accijnsgoederenvervoer is aangevangen
en beëindigd. Daarom past ook in dit geval een aangiftetermijn van een dag het beste.
Deze termijn is voor belastingplichtigen ook haalbaar. Het gaat namelijk om accijnsvergunninghouders
die bekend zijn met de bijbehorende vergunningsverplichtingen. Ook zijn dergelijk
vergunninghouders gehouden een administratie te voeren die op overzichtelijke wijze
de voor de accijnsheffing relevante gegevens moet bevatten.
Redactionele aanpassing in verband met juiste verwijzing
In de WA wordt verwezen naar een richtlijn die inmiddels is vervangen door een verordening.
Door middel van een redactionele wijziging wordt de verwijzing in de WA geactualiseerd.
Tijdelijk accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats brengen voor bewerking
In de WA is geregeld dat ten aanzien van tabaksproducten in de vergunning voor een
accijnsgoederenplaats kan worden toegestaan dat de vergunninghouder onder daarbij
te stellen voorwaarden gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak en tabaksproducten,
al dan niet voorzien van accijnszegels, tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats
bepaalde bewerkingen of verpakkingshandelingen kan laten ondergaan zonder dat het
tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats brengen van die producten wordt aangemerkt
als uitslag tot verbruik. Met de voorgestelde wijziging wordt deze mogelijkheid ook
ten aanzien van de accijnsgoederen bier, wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende
producten gecreëerd. Deze mogelijkheid is nodig, omdat ook deze producten regelmatig
buiten een accijnsgoederenplaats worden gebracht om daar bijvoorbeeld te worden verpakt
in geschenkdozen (bijvoorbeeld in sociale werkplaatsen of op andere plekken). Om de
administratieve lasten in dit soort situaties te verminderen voor zowel belastingplichtigen
als de Douane, wordt ook ten aanzien van deze producten geregeld dat via de vergunning
kan worden toegestaan dat dit soort bewerkingen kan worden uitgevoerd zonder dat accijns
is verschuldigd omdat sprake is van uitslag tot verbruik.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De voorgestelde wijzigingen in de WA zijn tot stand gekomen na signalen vanuit de
praktijk en zijn van verschillende aard. Het doel van de wijzigingen is, zoals eerder
genoemd, het verminderen van de administratieve lasten voor belastingplichtigen,87 het verbeteren van de handhavingsmogelijkheden van de inspecteur waar het gaat om
aangiftetermijnen88 en het doorvoeren van een redactionele aanpassing naar aanleiding van een actualisatie
in een verwijzing.
Ten aanzien van deze doelen zijn de voorgestelde wijzigingen doeltreffend en doelmatig.
Met de eerst voorgestelde wijziging waarbij geen uitslag tot verbruik plaatsvindt
als goederen direct worden ingeslagen, wordt een administratieve lastenverlichting
voor belastingplichtigen bereikt. Belastingplichtigen hoeven in situaties waarin de
goederen nog niet worden verbruikt, nu geen aangifte meer te doen. Ten aanzien van
de wijzigingen van de aangiftetermijnen geldt dat sommige termijnen langer worden
(van een dag naar een week) en andere korter (van een maand naar een dag). Daar waar
de termijn wordt verlengd, is sprake van een lastenverlichting voor belastingplichtigen,
omdat zij meer tijd hebben om aan de voorwaarden voor het doen van aangifte te voldoen.
Daar waar de termijn wordt verkort, wordt verbetering van handhavingsmogelijkheden
gerealiseerd, omdat de inspecteur nu sneller kan overgaan tot het opleggen van een
naheffingsaanslag in gevallen dat sprake is van een onregelmatigheid of zelfs van
fraude.
De voorgestelde wijziging ten aanzien van het tijdelijk buiten een accijnsgoederenplaats
brengen van accijnsgoederen voor bewerking, bereikt ook een administratieve lastenverlichting.
Deze wijziging voorkomt dat accijnsgoederen die een bewerking, zoals verpakking, moeten
ondergaan worden uitgeslagen en dat daarover aangifte moet worden gedaan als zij daarvoor
tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats worden gebracht.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De uitvoeringsgevolgen van de voorgestelde wijzigingen zijn positief voor de Douane.
In de praktijk is van de voorgestelde wijzigingen gebleken dat daaraan behoefte is.
De voorgestelde wijzigingen leiden ertoe dat goederen worden belast als zij worden
uitgeslagen tot verbruik en dat de heffing van accijns wordt verzekerd. Waar sprake
is van administratieve lastenverlichting voor belastingplichtigen is ook sprake van
administratieve lastenverlichting voor de Douane. Het realiseren van langere aangiftetermijnen
zorgt ervoor dat meer aangiften tegelijk in een gecombineerde aangifte kunnen worden
gedaan. Dit vergemakkelijkt controles. Daarbij leiden minder aangiften tot minder
controles van die aangiften.
2.15 Wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen
Voor het recht op huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget geldt een zogenoemde
vermogenstoets. Dit houdt in dat een belanghebbende geen recht heeft op die toeslag
als diegene, diens partner of medebewoner op 1 januari van het berekeningsjaar meer
vermogen heeft dan de vermogensgrens. Het gaat hierbij om de rendementsgrondslag,
bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).89 Om te voorkomen dat bepaalde categorieën van uitkeringen ertoe kunnen leiden dat
een belanghebbende zijn recht op toeslag verliest, doordat die uitkering het vermogen
van die belanghebbende dusdanig doet toenemen dat de vermogensgrens wordt overschreden,
bestaan uitzonderingen op de vermogenstoets. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om uitkeringen
of tegemoetkomingen vanuit de overheid op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen.
De uitzonderingen op de vermogenstoets worden bepaald door de ministerraad aan de
hand van het afwegingskader vermogenstoetsuitzonderingen90 en vastgesteld in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
(UR Awir) op basis van een in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)
opgenomen delegatiegrondslag. Met betrekking tot deze delegatiegrondslag worden drie
wijzigingen voorgesteld.
Ten eerste wordt voorgesteld de delegatiegrondslag van deze vermogenstoetsuitzonderingen
te herformuleren. De delegatiegrondslag van de vermogenstoetsuitzonderingen is momenteel
opgenomen in het artikel dat de hardheidsclausule voor de Awir regelt en ook geformuleerd
als een hardheidsclausule.91 Met deze bepaling is echter beoogd om enkel bij ministeriële regeling aangewezen
gevallen van vermogensbestanddelen uit te zonderen van de vermogenstoets.92 Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen
dat buiten de in de UR Awir opgesomde gevallen geen bevoegdheid bestaat tot het buiten
toepassing laten van de vermogenstoets.93 De huidige formulering als hardheidsclausule past dus niet goed bij de beoogde delegatiegrondslag.
Daarom wordt ter verduidelijking voorgesteld deze bepaling te herformuleren.
Ten tweede wordt voorgesteld de delegatiegrondslag te verplaatsen. In het licht van
de bedoeling van de delegatiegrondslag acht het kabinet de paragraaf ter bepaling
van de draagkracht van belanghebbenden passender. Het vermogen – en daarmee de vermogenstoetsuitzonderingen
– vormt immers onderdeel van de draagkrachtberekening.
Ten slotte wordt voorgesteld om de voorhangprocedure die geldt voor nieuw te introduceren
vermogenstoetsuitzonderingen te laten vervallen. Op dit moment geldt een zware voorhangprocedure
die inhoudt dat de leden van de Tweede of Eerste Kamer kunnen besluiten dat de inhoud
van de ministeriële regeling waarmee een nieuwe vermogenstoetsuitzondering wordt geregeld
in formele wetgeving moet worden vastgelegd. Zoals hiervoor benoemd zijn alle vermogenstoetsuitzonderingen
opgenomen in de UR Awir. Als de Tweede en Eerste Kamer zouden besluiten dat een vermogenstoetsuitzondering
in wetgeving moet worden vastgelegd, zou dat betekenen dat bepaalde vermogenstoetsuitzonderingen
niet in de UR Awir, maar in de wet geregeld worden. Dit acht het kabinet onwenselijk.
Sinds de introductie van de voorhangbepaling in de wet94 hebben de Tweede en Eerste Kamer de voorhangprocedure bovendien niet gebruikt om
een vermogenstoetsuitzondering tegen te houden of om te kennen te geven deze in de
wet op te willen nemen. Wel is de voorhangprocedure eenmaal gebruikt als gelegenheid
tot het stellen van vragen.95 Het instrument van de voorhang is hier echter niet voor nodig. Vermogenstoetsuitzonderingen
worden van tevoren bekend gemaakt, bijvoorbeeld wanneer een regeling voor een tegemoetkoming
waarvoor een vermogenstoetsuitzondering van toepassing zal zijn, wordt geïntroduceerd.
De Tweede en Eerste Kamer hebben dan reeds de mogelijkheid om bijvoorbeeld Kamervragen
te stellen of een debat aan te vragen. De kans is groot dat dit al in een vroeger
stadium kan zijn dan in het geval van een voorhangprocedure waar de reactietermijn
beperkt is. Dit is ook het geval bij een «lichte» voorhangprocedure, waarbij de Tweede
of Eerste Kamer de kans krijgen om zich uit te spreken, maar niet de mogelijkheid
hebben de ministeriële regeling tegen te houden. Om dezelfde reden wordt de meerwaarde
van het vervangen van de zware voorhangprocedure door een lichte voorhang daarom als
beperkt ingeschat en geniet deze optie evenmin de voorkeur. Uiteraard blijft het streven
om in goed gesprek te blijven met het parlement, zodat een nieuwe vermogenstoetsuitzondering
kan worden heroverwogen wanneer daar aanleiding toe is.
Doelmatigheid, doeltreffendheid en evaluatie
Het herformuleren en verplaatsen van de delegatiegrondslag is doelmatig en doeltreffend.
De vormgeving en de plaats van de delegatiebepaling passen hierdoor namelijk beter
bij de bedoeling van de bepaling. Het laten vervallen van de voorhangprocedure is
eveneens doeltreffend. Tot op heden is niet van de voorhangprocedure gebruikgemaakt
en een eventueel gebruik zou tot onwenselijke resultaten kunnen leiden (een vermogenstoetsuitzondering
in de wet, naast de overige vermogenstoetsuitzonderingen in de UR Awir). Het laten vervallen ervan is bovendien in lijn met
de Aanwijzingen voor de regelgeving96, die terughoudendheid voorschrijven bij parlementaire betrokkenheid voor gedelegeerde
regelgeving.97 Betrokkenheid van het parlement is reeds mogelijk en vereist geen (zware dan wel
lichte) voorhangprocedure, waardoor de maatregel eveneens doelmatig is.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De voorgestelde wijziging behelst geen wijziging van de uitvoeringspraktijk.
2.16 Rechtsbescherming decentrale belastingen
In 2016 is de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 aangenomen. Onderdeel daarvan is het
stroomlijnen van de invorderingsregelgeving voor rijksbelastingen en toeslagen, ook
wel aangeduid als de «Wet Stroomlijnen». De Wet Stroomlijnen bevat onder meer bepalingen
die gericht zijn op het verbeteren en moderniseren van de rechtsbescherming bij uitstel
van betaling en kwijtschelding van rijksbelastingen.
Met ingang van 1 januari 2027 treedt deze wijziging inzake de rechtsbescherming bij
uitstel van betaling en kwijtschelding van belasting in werking.98 Daardoor wordt na bezwaar de fiscale rechter bevoegd om geschillen over uitstel van
betaling en kwijtschelding van rijksbelastingen te beslechten. Dit betreft de bestuursrechter
bij de rechtbank (in eerste aanleg), het gerechtshof (in hoger beroep) en de Hoge
Raad (in cassatie).99 De huidige regelgeving voorziet ter zake van uitstel van betaling en kwijtschelding
van belasting niet in een rechtsgang die toegang geeft tot de fiscale rechter, aangezien
in dergelijke gevallen uitsluitend administratief beroep openstaat. Hierdoor kan een
belanghebbende slechts een vordering uit onrechtmatige daad instellen bij de civiele
rechter, die in deze functioneert als restrechter.
Vanwege de noodzakelijke aanpassingen in de automatisering is de Wet Stroomlijnen
als totaalpakket tot op heden nog niet integraal in werking getreden. Daardoor is
de gewenste wijziging van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding
van belasting ook nog niet gerealiseerd. Ingevolge het inwerkingtredingsbesluit van
23 januari 2025 zal het onderdeel dat de rechtsbescherming bij uitstel van betaling
en kwijtschelding van belasting wijzigt, met ingang van 1 januari 2027 in werking
treden.
Achtergrond wijziging voor decentrale belastingen
Op 15 januari 2021 heeft het kabinet in reactie op het rapport «Ongekend onrecht»
van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag toegezegd dat de Wet
Stroomlijnen wordt opgeschort en heroverwogen.100 In dat kader is onderzocht of het onderdeel van de Wet Stroomlijnen dat ziet op het
moderniseren en verbeteren van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding
van belasting alsnog in werking kan treden. In de brief van 6 juni 2023 is de Tweede
Kamer geïnformeerd dat deze wijziging van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling
en kwijtschelding van rijksbelastingen met ingang van 1 januari 2027 wordt ingevoerd.101
De invordering van provinciale belastingen, gemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen
(hierna: decentrale belastingen) geschiedt op grond van de Provinciewet, Gemeentewet,
onderscheidenlijk de Waterschapswet, met toepassing van de Invorderingswet 1990 (IW
1990).102 Zonder aanvullende maatregelen zou de wijziging van de rechtsbescherming ten aanzien
van uitstel van betaling en kwijtschelding van belasting dus automatisch ook voor
decentrale belastingen gaan gelden. Dat wordt op dit moment onwenselijk geacht, omdat
een wijziging van de rechtsbescherming voor zowel de rijksbelastingen als de decentrale
belastingen naar verwachting zal leiden tot een te grote toename van de werklast voor
de rechtspraak. In navolging hiervan is aangekondigd om de wijziging van de rechtsbescherming
bij uitstel van betaling en kwijtschelding van belasting gefaseerd in te voeren.103 Hierbij is ervoor gekozen om de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding
van belasting voorlopig alleen te wijzigen voor de rijksbelastingen en op een later
– nog nader te bepalen – moment voor decentrale belastingen.
Om te bewerkstelligen dat de wijziging van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling
en kwijtschelding van belasting vooralsnog alleen voor rijkbelastingen gaat gelden
en niet voor decentrale belastingen, wordt voorgesteld de Provinciewet, Gemeentewet
en Waterschapswet aan te passen. Met deze wijziging wordt voorgesteld dat – in afwijking
van de IW 1990 – bij uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale belastingen
het administratief beroep als rechtsbescherming blijft gelden.
Stapsgewijze invoering en vervolg richting decentrale belastingen
Bij de keuze voor een gefaseerde invoering van de wijziging van de rechtsbescherming
bij uitstel van betaling en kwijtschelding van belasting en deze voor decentrale belastingen
vooralsnog niet te laten gelden, is de toezegging gedaan om een evaluatiebepaling
op te nemen. Op grond van deze evaluatiebepaling wordt binnen drie jaar na de inwerkingtreding
van de wijziging van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding
van rijksbelastingen verslag uitgebracht aan de Staten-Generaal. Daarbij is toegezegd
dat in de evaluatie tevens wordt onderzocht of het mogelijk is om de rechtsbescherming
bij uitstel van betaling en kwijtschelding ook voor decentrale belastingen te wijzigen
in te voeren.104
Dit wetsvoorstel voorziet tevens in het te zijner tijd vervallen van de bepalingen
die ervoor zorgen dat het administratieve beroep vooralsnog blijft bestaan voor decentrale
belastingen. Op een nader te bepalen tijdstip kan dit gerealiseerd worden door de
vaststelling van een koninklijk besluit. Dit zal echter niet plaatsvinden voordat
de belangrijkste betrokkenen, waaronder de Raad voor de rechtspraak (RvdR) en de decentrale
overheden, zijn geconsulteerd over deze wijziging van de rechtsbescherming bij uitstel
van betaling en kwijtschelding van belasting.
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
Tot slot wordt voorgesteld de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak – opgenomen
als bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – te actualiseren.
Voor besluiten op grond van de IW 1990 geldt sinds jaar en dag dat slechts in specifieke,
uitdrukkelijk aangewezen gevallen beroep openstaat. Deze negatieve-lijstbenadering
sluit aan bij de keuze van de wetgever om het fiscale procesrecht slechts beperkt
van overeenkomstige toepassing te verklaren op besluiten met betrekking tot de invordering
van belasting. De voorgestelde wijzigingen verduidelijken dat tegen besluiten over
uitstel van betaling en kwijtschelding van belasting – in verband met de wijziging
met ingang van 1 januari 2027 voor rijksbelastingen – wél beroep openstaat. Daarnaast
wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om de regeling te actualiseren. Dit betreft
geen beleidsmatige wijziging.
Voor decentrale belastingen blijft de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en
kwijtschelding vooralsnog bestaan uit de mogelijkheid van administratief beroep. Om
die reden wordt in de bevoegdheidsregeling vastgelegd dat tegen deze besluiten géén
beroep bij de bestuursrechter openstaat.
Onderzochte uitvoeringsgevolgen
In 2016 is onderzoek gedaan naar de uitvoeringsgevolgen van de wijziging van de rechtsbescherming
bij geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding van belasting. Vanwege
het tijdsverloop is besloten tot een herbeoordeling. Hier is in 2022 een start mee
gemaakt.105 Ten behoeve hiervan is in 2022 een uitvoeringstoets uitgevoerd door de Belastingdienst
om inzicht te verkrijgen in de uitvoerbaarheid, het tijdstip en de voorwaarden waaronder
deze wijziging van de rechtsbescherming bij geschillen over uitstel van betaling en
kwijtschelding van rijksbelastingen in werking kan treden.
Tevens is advies gevraagd aan de Rvdr en zijn gesprekken gevoerd met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. De Rvdr heeft aangegeven dat
de voorgestelde wijzigingen, indien deze in één keer zouden worden doorgevoerd voor
zowel rijks- als decentrale belastingen, zouden leiden tot een aanzienlijke toename
van belastingprocedures. Hoewel deze inschatting is gebaseerd op grove gegevens en
zonder volledig onderscheid naar type belasting, wordt wel duidelijk dat de rechtspraak
met een structurele hogere werklast rekening houdt van duizenden zaken. Dit vormde
een belangrijke overweging om de wijziging in eerste instantie te beperken tot rijksbelastingen
en de huidige rechtsbescherming die geldt bij uitstel van betaling en kwijtschelding
van decentrale belastingen – het administratief beroep – voorlopig te handhaven. Deze
aanpak maakt het tevens mogelijk om ervaring op te doen met de gewijzigde rechtsbescherming
bij rijksbelastingen en daarvan te leren voor een eventuele toekomstige wijziging
bij decentrale belastingen.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Hiervoor is toegelicht dat een gelijktijdige wijziging – voor zowel rijksbelastingen
als decentrale belastingen – zou leiden tot aanzienlijke uitvoeringsproblemen voor
de rechtspraak. Tegelijkertijd wordt onderkend dat het op termijn wenselijk is om
ook bij decentrale belastingen te komen tot een situatie waarbij de fiscale rechter
bevoegd wordt om geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale
belastingen te beslechten. Daarom is in dit wetsvoorstel opgenomen dat binnen drie
jaar na inwerkingtreding een evaluatie aan de Staten-Generaal wordt aangeboden. Deze
evaluatie geeft inzicht in de werking van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling
en kwijtschelding van rijksbelastingen en verkent of, en onder welke voorwaarden,
een vergelijkbare aanpassing ook voor decentrale belastingen uitvoerbaar is. Hiermee
wordt uitvoering gegeven aan de eerder aan de Kamer gedane toezegging tot een zorgvuldige
en stapsgewijze aanpak.106
De wijziging van de IW 1990 per 1 januari 2027 ingevolge de Fiscale vereenvoudigingswet
2017 beoogt een modernisering van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en
kwijtschelding van rijksbelastingen te bewerkstelligen.107 De voorgestelde wijzigingen van de Provinciewet, de Gemeentewet en de Waterschapswet
hebben als doel om de wijziging van de IW 1990 vooralsnog niet te laten gelden voor
decentrale belastingen. Hiermee wordt voorkomen dat de rechtspraak wordt geconfronteerd
met een te grote werklast. Het beoogde doel wordt aldus gerealiseerd door aanpassing
van de Provinciewet, Gemeentewet en Waterschapswet.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De voorgestelde wijzigingen hebben geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst.
Met deze voorgestelde wijzigingen wordt namelijk een uitzondering gecreëerd voor de
decentrale belastingen ten opzichte van de rijksbelastingen. Daarnaast hebben deze
voorgestelde wijzigingen geen impact op decentrale overheden, aangezien de bestaande
situatie wordt gehandhaafd.
2.17 Herstel omissie belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures
Een belastingplichtige kan een onderlinge overlegprocedure starten in geval van een
(dreigend) geschil over de toepassing of uitleg van een regeling ter voorkoming van
dubbele belasting. Een onderlinge overlegprocedure kan gevoerd worden op grond van
het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen
verbonden ondernemingen, de Belastingregeling voor het Koninkrijk, een verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting, of de Wet fiscale arbitrage. Het is aan de belastingplichtige
om te kiezen op basis van welk verdrag of welke wet hij verzoekt om een onderlinge
overlegprocedure. Voor ieder geval geldt dat de Minister van Financiën belasting-
en invorderingsrente kan matigen in het kader van de onderlinge overlegprocedure.
Echter, abusievelijk is de Wet fiscale arbitrage niet opgenomen in de wettelijke artikelen
die deze matiging regelen in de AWR en de IW 1990, terwijl dit wel de bedoeling van
de wetgever is geweest, en overeenstemt met de huidige praktijk. Met dit wetsvoorstel
wordt deze omissie in de AWR en de IW 1990 hersteld.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Deze maatregel is doeltreffend en doelmatig, omdat het altijd de bedoeling van de
wetgever is geweest om matiging van belasting- en invorderingsrente mogelijk te maken
voor alle onderlinge overlegprocedures, ongeacht op welke grondslag de procedure wordt
gevoerd, en de maatregel overeenstemt met de huidige praktijk. Er wordt geen evaluatie
voorzien bij deze maatregel.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De voorgestelde maatregel behelst geen wijziging van de uitvoeringspraktijk.
2.18 Delegatiebepaling in de AWR
De EC heeft het toezicht op de energiebelastingverlaging positief voor Nederland afgerond
in die zin dat de in de Wet fiscale Klimaatmaatregelen glastuinbouw opgenomen verlaagde
energiebelastingtarieven op aardgas geen onrechtmatige staatssteun opleveren omdat
de maatregel conform de voorwaarden zou zijn uitgevoerd.108 Naar aanleiding van deze controle heeft de EC Nederland wel aanbevolen om in nationale
regelgeving de Unierechtelijke voorwaarden op te nemen die zien op het verstrekken
van fiscale staatssteun. Deze voorwaarden kunnen ook de vorm hebben van een grond
om staatssteun te weigeren. Daarbij kan worden gedacht aan de voorwaarde dat fiscale
staatssteun niet wordt verstrekt zolang er een terugvorderingsbesluit van de EC wegens
onrechtmatige fiscale staatssteun ligt of een procedure inzake dat besluit loopt (de
zogeheten Deggendorf-clausule).109 De inspecteur heeft kennis van dit terugvorderingsbesluit en weigert aldus de toepassing
van regelingen die als fiscale staatssteun zijn aangemerkt. Indien de betreffende
belastingplichtige er niet al mee bekend was dat een regeling waarvoor hij in aanmerking
wenst te komen als fiscale staatssteun is aangemerkt, wordt hij dat door de weigering.110 Terugvorderingsbesluiten worden door de EC openbaar gemaakt. Belastingplichtigen
kunnen deze terugvorderingsbesluiten raadplegen.111 Het kabinet neemt de aanbeveling van de EC over en stelt daartoe – naar voorbeeld
van bestaande wet- en regelgeving112 – een delegatiegrondslag voor op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur
genoemde voorwaarden kunnen worden vastgelegd. Dit stelt het kabinet ook in staat
om sneller dan bij wetgeving in formele zin in te kunnen spelen op veranderingen in
genoemde voorwaarden.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De voorgestelde maatregel beoogt het opvolgen van een aanbeveling van de EC door de
betreffende algemene Unierechtelijke voorwaarden in de nationale wetgeving op te nemen.
De maatregel voorziet in een delegatiegrondslag. Daardoor kan sneller op veranderingen
in die voorwaarden worden ingespeeld. Dat bevordert als zodanig de doeltreffend- en
doelmatigheid van het vastleggen van die voorwaarden.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
Het slechts opnemen van een delegatiebepaling heeft als zodanig beperkte tot geen
gevolgen voor de uitvoering. Pas bij de daadwerkelijke vaststelling van de algemene
maatregel van bestuur bestaat de mogelijkheid dat dit uitvoeringsgevolgen heeft, die
op dat moment met een separate uitvoeringstoets in kaart zullen worden gebracht.
2.19 Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting
De oldtimerregeling in de mrb biedt een volledige vrijstelling van mrb voor motorrijtuigen
die ouder zijn dan 40 jaar. In het Belastingplan 2024 is besloten om deze systematiek
te wijzigen en niet langer een schuivende leeftijdsgrens te hanteren. In plaats daarvan
is gekozen voor een vaste peildatum: motorrijtuigen met een datum eerste toelating
(DET) van vóór 1 januari 1988 vallen vanaf 1 januari 2028 permanent onder de vrijstelling.
Naast deze vrijstelling bestaat sinds 2014 in de mrb de overgangsregeling voor oldtimers
(OVR). Deze regeling werd ingevoerd toen de leeftijdsgrens in de oldtimerregeling
werd verhoogd van 25 naar 40 jaar. Motorrijtuigen die op dat moment al tussen de 26
en 40 jaar oud waren en een DET hadden van vóór 1 januari 1988, krijgen eerbiedigende
werking in de vorm van een mrb-kwarttarief met een maximum van € 154 per jaar (prijzen
2025), mits wordt voldaan aan specifieke voorwaarden waaronder een winterstop van
drie maanden. Deze overgangsregeling loopt in principe af op het moment dat alle betrokken
motorrijtuigen 40 jaar oud zijn, hetgeen per 1 januari 2028 het geval zal zijn.
Met deze maatregel wordt voorgesteld om de invoering van de vaste peildatum met één
jaar te vervroegen. Daarmee komen met ingang van 1 januari 2027 alle motorrijtuigen
met een DET van vóór 1 januari 1988 permanent in aanmerking voor de vrijstelling.
In het jaar 2027 betreft dat ook motorrijtuigen die in dat jaar tenminste 39 jaar
oud zijn (met een DET uit 1987). De vrijstelling voor oldtimers wordt met het voorstel
dus tijdelijk verruimd met de oldtimers die anders nog gebruik hadden kunnen maken
van de OVR.
Het voorstel om de vrijstelling voor oldtimers tijdelijk te verruimen voorkomt dat
de Belastingdienst in het nieuwe mrb-systeem, dat vanaf 2027 in gebruik wordt genomen,
nog een aparte voorziening moet inbouwen voor slechts één jaar OVR en voor een zeer
beperkte doelgroep. Gezien de schaarse IV-capaciteit binnen de Belastingdienst is
dat niet efficiënt. Door de overgangsregeling per 2027 te laten vervallen, kan deze
IV-capaciteit beter worden ingezet voor andere uitvoeringsprioriteiten. Met het voorstel
blijft het eerbiedigende karakter van de OVR-regeling in stand: de betreffende motorrijtuigen
die onder de OVR vielen, krijgen met ingang van 1 januari 2027 een vrijstelling.
Met deze maatregel wordt aldus een synergie bereikt tussen beleidsdoelen en uitvoering:
zowel het beleidsmatige streven naar vereenvoudiging als de uitvoeringsbehoefte van
de Belastingdienst versterken elkaar en dragen gezamenlijk bij aan eenvoud, uitvoerbaarheid
en draagvlak.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De maatregel is doeltreffend, omdat de OVR per 2027 definitief kan worden beëindigd
en alle motorrijtuigen met een DET van vóór 1 januari 1988 onder de reguliere vrijstelling
vallen. De doelmatigheid is hoog, doordat onnodige uitvoeringscomplexiteit en toezichtsinspanningen
worden voorkomen en de inzet van schaarse IV-capaciteit wordt beperkt.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De Belastingdienst heeft met een uitvoeringstoets vastgesteld dat het voorstel uitvoerbaar
is met ingang van 1 januari 2027. De Belastingdienst concludeert dat het vervroegd
beëindigen van de OVR de complexiteit van de regelgeving verkleint. Het risico op
procesverstoringen wordt klein geacht, de kosten zijn beperkt en er worden geen personele
gevolgen voorzien.
2.20 Gedeeltelijk vervallen Fiscale vereenvoudigingswet 2017
In 2016 is met de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 ingezet op het verminderen van
de administratieve lasten van burgers en bedrijven, het verminderen van de uitvoeringskosten
van de Belastingdienst en het verminderen van de regeldruk. Onderdeel van de Fiscale
vereenvoudigingswet 2017 betreft het stroomlijnen van invorderingswet- en regelgeving
van belastingen en toeslagen, ook wel aangeduid als de «Wet Stroomlijnen». Dit onderdeel
bevat een pakket aan maatregelen die tot doel heeft om de invorderingswet- en regelgeving
voor belastingen en toeslagen zoveel mogelijk te harmoniseren. De Fiscale vereenvoudigingswet
2017 is aangenomen113 maar tot op heden niet volledig114 in werking getreden. In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend Onrecht» van
de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag heeft het kabinet toegezegd
de inwerkingtreding van het gedeelte van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 dat ziet
het op stroomlijnen van invorderingswet- en regelgeving van belastingen en toeslagen
op te schorten en te heroverwegen.115 Op 6 juni 2025 is de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze heroverweging.116
Op 11 januari 2020 heeft de Minister van Financiën de ontvlechting van de Belastingdienst,
de Dienst Toeslagen en de Douane ingezet. Met de ontvlechting wordt beoogd om de ambtelijke
aansturing van de Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Douane te versterken,
managementinformatie en ICT te versnellen en te intensiveren, de dienstverlening naar
burgers en bedrijven te verbeteren en een cultuur te creëren met oog voor de menselijke
maat en een veilige werkomgeving. De processen van belastingen heffen en innen enerzijds
en toeslagen uitkeren en terugvorderen anderzijds, alsmede de doelgroepen (belastingplichtige
burgers en bedrijven versus toeslaggerechtigde burgers) verschillen wezenlijk van
elkaar en vragen om een andere sturing en attitude. Dit alles past niet binnen één
grote en complexe organisatie. In navolging hiervan is besloten om het directoraat-generaal
Belastingdienst op te splitsen en een eigen directoraat-generaal op te richten voor
de Dienst Toeslagen en de Douane, aangestuurd door elk een eigen directeur-generaal.
De Dienst Toeslagen en de Douane maken als gevolg hiervan per 1 januari 2021 geen
onderdeel meer uit van de Belastingdienst. Dit zijn nu zelfstandige onderdelen binnen
het Ministerie van Financiën.
Daarnaast zijn er om de politieke sturing en aandacht te versterken vanaf 2020 twee
staatssecretarissen op het Ministerie van Financiën. De taken van deze staatssecretarissen
zijn op dit moment verdeeld in «Financiën» en «Herstel Toeslagen».
Het uitgangspunt van het gedeelte van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 dat ziet
op het stroomlijnen van invorderingswet- en regelgeving – één invorderingsregime voor
belastingen en toeslagen door de Invorderingswet 1990 grotendeels van toepassing te
verklaren op toeslagen en de ontvanger aan te wijzen als het bevoegde bestuursorgaan
voor de invordering van belastingschulden en terugvorderingsbeschikkingen toeslagen
– is gezien de ingezette ontvlechting niet meer passend. De Directeur-Generaal Belastingdienst
zal in dat geval immers verantwoordelijk worden voor de handelingen van de ontvanger
ten aanzien van de Directeur-Generaal Toeslagen. Dit past tevens niet bij het streven
van de Dienst Toeslagen om het vaststellingsproces en het invorderingsproces beter
op elkaar aan te laten te sluiten.
Als gevolg hiervan is de opzet en plaatsing van de wetteksten van de betreffende onderdelen
van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 niet meer passend. Het kabinet stelt voor
de betreffende artikelen die zien op het stroomlijnen van invorderingswet- en regelgeving
van belastingen en toeslagen in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 te laten vervallen.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Het vervallen van de betreffende artikelen in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017
die zien op het stroomlijnen van invorderingswet- en regelgeving van belastingen en
toeslagen is doeltreffend en doelmatig. De opzet en plaatsing van de wetteksten is
niet meer passend, zodat inwerkingtreding van deze artikelen niet gewenst is. Door
het laten vervallen van de betreffende artikelen wordt het doel met de voorgestelde
maatregel bereikt. Aangezien de reden van het vervallen van deze onderdelen van de
Fiscale vereenvoudigingswet 2017 gedeeltelijk wetstechnisch van aard is, is bij de
heroverweging eveneens onderzoek gedaan naar de in deze wet gesignaleerde knelpunten.
Uit dit onderzoek volgt dat alle knelpunten inmiddels zijn of worden onderzocht dan
wel inmiddels in wetgeving of beleid zijn of worden opgelost (zie ook de artikelsgewijze
toelichting).117 Evaluatie van deze maatregel uit dit wetsvoorstel wordt daarom niet voorzien.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De Belastingdienst heeft bij de uitvoeringstoets voor deze maatregel vastgesteld dat
de voor het betreffende gedeelte van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 geraamde
kosten en besparingen niet worden gerealiseerd. Dit geldt ook voor de geraamde personele
inzet en besparing. Er zijn voorts geen systeemaanpassingen gerealiseerd die herstel
of terugdraaiing vereisen. Het gedeeltelijk vervallen van de Fiscale vereenvoudigingswet
2017 is uitvoerbaar per 1 januari 2027.
3. Budgettaire aspecten
Wanneer er budgettaire gevolgen zijn verbonden aan de in dit wetsvoorstel opgenomen
maatregelen worden die hieronder nader toegelicht. Aan de overige wijzigingen die
zijn opgenomen in dit wetsvoorstel zijn geen of verwaarloosbare (minder dan € 500.000)
budgettaire gevolgen verbonden. Het betreft hier enkel de budgettaire gevolgen voor
de ontvangstenkant van de Rijksbegroting. In paragraaf 9 wordt ingegaan op de uitvoeringskosten
die aan de uitgavenkant van de Rijksbegroting vallen.
Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de mrb
De oldtimerregeling in de mrb biedt een volledige vrijstelling van mrb voor motorrijtuigen
die ouder zijn dan 40 jaar. Naast deze vrijstelling bestaat sinds 2014 in de mrb de
OVR. Omdat de Belastingdienst per 1 januari 2027 gebruik gaat maken van een nieuw
mrb-systeem, wordt de OVR vervroegd beëindigd. Hiermee wordt voorkomen dat de Belastingdienst
voor één jaar deze regeling moet opnemen in het nieuwe systeem. Hierdoor komen motorrijtuigen
uit 1987 (39 jaar oud op peildatum 1 januari 2027) vervroegd in aanmerking voor de
vrijstelling in de mrb. Deze voorgestelde wijziging leidt tot een incidentele derving
van € 5 miljoen in 2027.
Aanpassing begripsbepalingen mrb
In de mrb wordt op dit moment de indeling tussen bestelauto’s en vrachtauto’s bepaald
aan de hand van de TMM van het motorrijtuig. Een motorrijtuig met een TMM van maximaal
3.500 kg wordt fiscaal aangemerkt als bestelauto. Een motorrijtuig met een hogere
TMM wordt als vrachtauto aangemerkt. Zonder wijziging van de mrb kan hierdoor de situatie
ontstaan dat een voertuig zowel onder de mrb als onder de vrachtwagenheffing wordt
belast. Daarom wordt voorgesteld om motorrijtuigen met voertuigclassificatie N1 aan
te merken als bestelauto en motorrijtuigen met classificatie N2 of N3 te beschouwen
als vrachtauto, ongeacht de administratieve TMM. Hiermee wordt de systematiek in de
mrb in lijn gebracht met die van de vrachtwagenheffing. Deze voorgestelde wijziging
leidt tot een structurele derving van € 16 miljoen binnen de mrb. Dit wordt gedekt
uit de compensatie voor de fiscale derving van de mrb als gevolg van de invoering
van de vrachtwagenheffing. Per saldo zijn deze aanpassingen hierdoor budgetneutraal.
4. Grenseffecten
Er is geen sprake van noemenswaardige grenseffecten als gevolg van de voorgestelde
maatregelen.
5. EU-aspecten
Wanneer er sprake is van Europeesrechtelijke aspecten van een maatregel, wordt dat
hieronder toegelicht. Wordt een maatregel niet toegelicht in deze paragraaf, dan zijn
er geen noemenswaardige Europeesrechtelijke aspecten.
Delegatiebepaling in de AWR
De EC raadt het opnemen van de algemene voorwaarden met betrekking tot het verstrekken
van staatssteun in de fiscale wetgeving aan. Daaraan wordt gevolg gegeven.
6. Doenvermogen
Per maatregel is door middel van de doenvermogenscan een inschatting gemaakt van de
«doenlijkheid». Het gaat er dan om in hoeverre een maatregel (direct) kan leiden tot
(problematische) belasting van het doenvermogen van de betreffende burgers of ondernemers.
Secundaire effecten van maatregelen zijn effecten die het doenvermogen kunnen beïnvloeden,
bijvoorbeeld via inkomenseffecten. Secundaire effecten worden hieronder bij de inschatting
van de doenlijkheid van maatregelen buiten beschouwing gelaten. Bij het doenvermogen
wordt gekeken naar een aantal factoren zoals:
• op welke groep burgers of ondernemers is het wetsvoorstel van toepassing;
• welke extra acties worden er van deze doelgroep gevraagd ten opzichte van de huidige
situatie; en
• in hoeverre kunnen deze acties samenvallen met omstandigheden die het doenvermogen
kunnen inperken, zoals financiële stress en life events.
Bij maatregelen die enkel betrekking hebben op grote of middelgrote ondernemingen
die gebruikmaken van professionele fiscale adviseurs en bij maatregelen die geen extra
acties vergen (zoals een technische wijziging of parameterwijziging) wordt door middel
van de doenvermogenscan de inschatting gegeven dat doenvermogen hierbij geen aandachtspunt
zal zijn. Bij overige maatregelen zijn er drie oordelen mogelijk:
1. de maatregel doet een kleiner beroep op het doenvermogen;
2. de maatregel doet een groter beroep op het doenvermogen maar dit is geen aandachtspunt
want de doelgroep zal naar verwachting deze benodigde acties goed kunnen uitvoeren;
3. de maatregel doet een groter beroep op het doenvermogen en dit is wel een aandachtspunt.
Elke maatregel krijgt derhalve één van de volgende vier oordelen:
– Oordeel 1: doenlijkheid niet relevant of onveranderd; wanneer de maatregel ten opzichte van
de huidige situatie geen extra acties vergt van mensen, enkel grote ondernemingen
raakt, of een technische wijziging betreft
– Oordeel 2: kleiner beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen; wanneer de maatregel
ertoe leidt dat burgers en/of MKB ondernemers minder acties hoeven nemen, bijvoorbeeld
wanneer een regeling die mensen voorheen zelf moesten toepassen nu automatisch wordt
toegepast.
– Oordeel 3: groter beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen, geen aandachtspunt; Wanneer
de maatregel ertoe leidt dat burgers of MKB ondernemers meer acties moeten nemen,
maar zij deze naar verwachting correct zullen uitvoeren.
– Oordeel 4: groter beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen, wel aandachtspunt; wanneer de maatregel ertoe leidt dat burgers of MKB ondernemers meer
acties moeten nemen, en zij deze naar verwachting niet (altijd) goed kunnen/zullen
uitvoeren. Bij dit oordeel wordt ook een uitgebreidere doenvermogenscan doorlopen.
Tabel 1: Doenvermogen per maatregel
Maatregel
Oordeel
Wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoopregeling
Oordeel 1
Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
Oordeel 2
Bewaarplicht opting-in
Oordeel 1
Afschaffing eerstedagsmelding
Oordeel 1
Aanpassing afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk
Oordeel 1
Aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling
Oordeel 1
Samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2
Oordeel 1
Aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht
Oordeel 1
Aanpassing categorieaanduiding bestuurlijke boetes
Oordeel 1
Herziening nultarief oorlogsschepen
Oordeel 1
Aanpassing van de begripsbepalingen bestelauto en vrachtauto in de motorrijtuigenbelasting
Oordeel 2
Aanpassing productie van hernieuwbare waterstof binnen de CO2-heffing industrie
Oordeel 1
Wijzigingen in de Wet op de accijns
Oordeel 1
Oordeel 2
Oordeel 3
1
Wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen
Oordeel 1
Rechtsbescherming decentrale belastingen
Oordeel 1
Herstel omissie matiging belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures
Oordeel 1
Delegatiebepaling in de AWR
Oordeel 1
Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting
Oordeel 1
Gedeeltelijk vervallen Fiscale vereenvoudigingswet 2017
Oordeel 1
X Noot
1
Hierbij zijn diverse wijzigingen die verschillende implicaties hebben ten aanzien
van de doenlijkheid. Dit wordt in de betreffende paragraaf nader toegelicht.
Wijziging van de inkomstenbelasting inzake de regeling betaalbare koop
Deze maatregelen zijn technisch van aard en doen geen beroep op het doenvermogen.
Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
De meeste maatregelen zijn technisch van aard en doen geen beroep op het doenvermogen.
Daarnaast zorgt het voorwaardelijke vervallen van de fiscale sanctie bij het overschrijden
van de uiterste termijn voor het opvragen van het pensioen ervoor dat er minder wordt
gevergd van het doenvermogen van de doelgroep.
Bewaarplicht opting-in
Deze maatregel doet geen beroep op het doenvermogen van burgers. De reductie in administratieve
lastendruk voor ondernemers wordt in de volgende sectie beschreven.
Afschaffing eerstedagsmelding
Deze maatregel doet geen beroep op het doenvermogen van de doelgroep. Werknemers hebben
geen enkele betrokkenheid bij een eerstedagsmelding; dit is een verplichting die opgelegd
kan worden aan de werkgever. Voor de werkgever zal de afschaffing ook geen consequenties
hebben qua doenlijkheid omdat de verplichting nu al praktisch niet meer wordt opgelegd.
Aanpassing afdrachtvermindering S&O
De voorgestelde wijziging heeft geen consequenties voor het doenvermogen van burgers
en bedrijven.
Aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling
De voorgestelde maatregel leidt tot een beperkte toename van de complexiteit. De voorgestelde
aanpassing in de kwijtscheldingswinstvrijstelling heeft alleen gevolgen voor verlieslatende
banken, bepaalde beleggingsondernemingen, verzekeraars en centrale tegenpartijen waar
DNB of een vergelijkbare instelling de afschrijvingsbevoegdheid toepast. Het gaat
hier dus om uitzonderlijke situaties. Daarnaast betreft het banken, bepaalde beleggingsondernemingen,
verzekeraars en centrale tegenpartijen die in zwaar weer verkeren of reeds falen en
waarbij verondersteld kan worden dat zij professioneel worden ondersteund. De maatregel
geeft aldus geen aandachtspunten qua doenvermogen.
Samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2
Het wetsvoorstel is van toepassing op groepsentiteiten (veelal vennootschappen) van
zowel multinationale groepen als binnenlandse groepen, met een jaaromzet van ten minste
€ 750 miljoen. Het kabinet acht dat deze doelgroep over afdoende doenvermogen beschikt
om de voorgestelde wijzigingen uit te voeren.
Aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht
De doenlijkheid van de toets of sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht
is niet relevant en overigens ook onveranderd. De maatregel raakt naar verwachting
alleen (grote) ondernemingen die zich laten bijstaan door adviseurs en leidt tot een
verduidelijking ten opzichte van de thans geldende wetgeving.
Aanpassing categorieaanduiding bestuurlijke boetes
De aanpassing heeft geen invloed op de doenlijkheid voor burgers of bedrijven. Het
gaat om een wettelijke correctie, zonder dat nieuwe administratieve handelingen, keuzes
of verplichtingen worden geïntroduceerd.
Herziening nultarief oorlogsschepen
De maatregel heeft geen invloed op het doenvermogen van burgers of bedrijven. Het
gaat om een verduidelijking van een bestaande situatie, zonder dat nieuwe administratieve
handelingen, keuzes of verplichtingen worden geïntroduceerd.
Aanpassing van de begripsbepalingen bestelauto en vrachtauto in de motorrijtuigenbelasting
Voor belastingplichtigen vraagt de maatregel geen aanvullende handelingen: de voertuigclassificatie
volgt rechtstreeks uit de EU-typegoedkeuring en het kentekenregister. Hiermee wordt
het doenvermogen niet negatief beïnvloed. Door het beëindigen van de praktijk van
administratieve terugkeuringen nemen de regeldruk en administratieve lasten af, zowel
bij belastingplichtigen als bij de Belastingdienst. Voor bedrijven die momenteel actief
zijn in het faciliteren van administratieve terugkeuringen kan de maatregel leiden
tot enige afname van de vraag naar deze dienstverlening. Verdere bedrijfseffecten
worden niet voorzien.
Aanpassing productie van hernieuwbare waterstof binnen de CO2-heffing industrie
Deze maatregel vergt geen noemenswaardige extra handelingen van de doelgroep. Bovendien
ziet deze maatregel op grote ondernemingen met voldoende toegang tot professionele
ondersteuning, zodat er geen aandachtspunten zijn ten aanzien van de doenlijkheid.
Wijzigingen in de Wet op de accijns
In de WA wordt een aantal technische wijzigingen voorgesteld, met de volgende consequenties
ten aanzien van de doenlijkheid: (ii) Onderdeel A verhoogt de doenlijkheid (oordeel
2), omdat hierdoor niet langer eerst accijns moet worden voldaan die vervolgens wordt
teruggegeven; (ii) Onderdeel B ziet op wijzigingen in de geldende aangiftetermijnen,
waarbij deze in twee gevallen langer worden wat de doenlijkheid ten goede komt (oordeel
2). In twee situaties wordt de aangiftetermijn voor belastingplichtigen verkort van
een maand naar een dag. Dit gaat om situaties waarin zich onregelmatigheden hebben
voorgedaan tijdens de veraccijnsde overbrenging van accijnsgoederen. In de eerste
van deze situaties gaat het om belastingplichtigen die rechtstreeks bij de overbrenging
zijn betrokken en de goederen voorhanden hebben. Vanwege die feitelijke situatie is
de verkorting van de termijn naar verwachting voor hen doenbaar (oordeel 3). In de
tweede van deze situaties gaat het om accijnsvergunninghouders die bekend zijn met
de bijbehorende vergunningsverplichtingen. Zodoende is hierbij de inschatting dat
ook zij bij deze verkorte aangiftetermijn goed in staat zijn om de benodigde handelingen
te verrichten, (iii) onderdeel C heeft geen consequenties voor de doenlijkheid (oordeel
1), (iv) onderdeel D regelt dat niet enkel voor tabaksproducten, maar ook voor de
overige accijnsgoederen bier, wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende dranken,
in de vergunning voor een accijnsgoederenplaats kan worden toegestaan dat de vergunninghouder,
al dan niet voorzien van accijnszegels, tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats
bepaalde bewerkingen of verpakkingshandelingen kan laten ondergaan zonder dat het
tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats brengen van die producten wordt aangemerkt
als uitslag tot verbruik. Deze uitbreiding komt naar verwachting de begrijpelijkheid
en doenlijkheid ten goede (oordeel 2).
Wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen
De voorgestelde wijzingen hebben naar verwachting geen gevolgen voor het doenvermogen
van burgers. Het verplaatsen van de delegatiegrondslag voor vermogenstoetsuitzonderingen
is met name een wetstechnische aanpassing.
Rechtsbescherming decentrale belastingen
Met de voorgestelde wijzigingen van de Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet
wordt beoogd de huidige vorm van rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding
van decentrale belastingen te continueren. Deze wijzigingen vragen derhalve geen extra
doenvermogen van burgers.
Herstel omissie matiging belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures
Dit betreft een technische maatregel waarbij geen beroep wordt gedaan op het doenvermogen.
Delegatiebepaling in de AWR
Het gaat enkel om een delegatiebepaling. Naar zijn aard heeft een dergelijke bepaling
geen gevolgen voor het doenvermogen.
Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting
Voor belastingplichtigen vergt de maatregel geen handelingen: de vrijstelling zal
automatisch worden toegepast. De regeldruk neemt eenmalig af doordat de verplichtingen
die samenhangen met de OVR – zoals de winterstop en administratieve bewijsvoering
– vervallen. Ook voor de Belastingdienst nemen de toezichtslasten af.
Gedeeltelijk vervallen Fiscale vereenvoudigingswet 2017
Deze maatregel betreft het vervallen van een nooit in werking getreden onderdeel van
een wet, en heeft zodoende geen effecten op de doenlijkheid.
7. Gevolgen voor burgers en het bedrijfsleven
Alle maatregelen die hieronder niet afzonderlijk worden behandeld hebben geen of slechts
zeer beperkte structurele gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers en
bedrijven.
Alle maatregelen uit dit wetsvoorstel zijn voorgelegd aan het Adviescollege toetsing
regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies,
omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Bewaarplicht opting-in
De voorgestelde maatregel leidt tot een geringe, structurele daling van de administratieve
lasten voor bedrijven. Na invoering van de voorgestelde maatregel hoeft er ter zake
van toepassing van opting-in minder communicatie met de Belastingdienst plaats te
vinden (insturen formulier opting-in, ontvangstbevestiging). Doordat de hiermee gepaard
gaande tijdsbesteding gering is en de melding slechts eenmaal per arbeidsverhouding
hoeft plaats te vinden, is de inschatting dat de gevolgen voor de regeldruk niet substantieel
zijn.
Aanpassing categorieaanduiding bestuurlijke boetes
De voorgestelde wijziging heeft een lager boetemaximum tot gevolg.118 De gevolgen voor belastingplichtigen zijn beperkt, omdat op grond van het boetebeleid
in de praktijk doorgaans een lagere verzuimboete wordt opgelegd. Slechts in uitzonderlijke
gevallen wordt een hogere boete opgelegd. Hierbij geldt de beperking dat deze niet
meer bedraagt dan € 5.514, onderscheidenlijk € 6.709 in 2025. Dit is vastgelegd in
het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).
Tot en met 31 december 2024 werd de op te leggen verzuimboete op basis van het BBBB
uitgedrukt als een percentage van het wettelijke maximum. In 2024 zouden de boetebedragen
daardoor automatisch meestijgen met het gewijzigde wettelijke maximum. Dit is in de
praktijk echter achterwege gebleven, waardoor de boetes op het niveau van 2023 zijn
gebleven. De onbedoelde verhoging van de boete is hierdoor in de meeste gevallen zonder
gevolgen gebleven. Met ingang van 2025 zijn vaste boetebedragen in het beleid opgenomen,
waarbij rekening is gehouden met de indexatie per 2025.119
Wijzigingen in de Wet op de accijns
De wijzigingen in de WA hebben slechts in geringe mate effect op regeldruk. Ten eerste
zullen een aantal administratieve handelingen komen te vervallen, wat de regeldruk
beperkt verlaagt. Daarnaast worden een aantal aangiftetermijnen verlengd en verkort.
Het verlengen verlaagt de regeldruk mogelijk in geringe mate, omdat aangifte dan meer
gebundeld kan worden gedaan en het verkorten zorgt mogelijk juist voor een geringe
verhoging van de regeldruk.
8. Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen
Uitvoeringsgevolgen
Het kabinet hecht grote waarde aan het samenspel tussen beleid en uitvoering.
Het is belangrijk om samen met de uitvoering tot een effectief beleid te komen waarmee
een bijdrage kan worden geleverd aan het oplossen van maatschappelijke opgaven. Het
is daarbij niet alleen belangrijk dat maatregelen op individueel niveau uitvoerbaar
zijn, maar dat ook een wetsvoorstel in zijn geheel uitvoerbaar is. Hiermee wordt eventuele
verdringing in het portfolio zichtbaar. Er wordt daarom vroegtijdig een beeld gedeeld
van alle beleidsopdrachten die mogelijk door de Belastingdienst, de Douane en de Dienst
Toeslagen moeten worden uitgevoerd.
Dit is onderdeel van een meerjarig proces waarin beleid en uitvoering samenwerken
om het inzicht in de uitvoerbaarheid verder te vergroten. Door beleidsvoornemens in
een vroeg stadium inzichtelijk te maken kan rekening gehouden worden met bijvoorbeeld
de mogelijkheden en onmogelijkheden in het ICT-landschap van de Belastingdienst. Zo
is een andere of eenvoudigere opzet van een beleidsvoornemen soms voldoende om de
implementatie sneller te kunnen realiseren en substantieel minder impact op de uitvoering
te hebben.
De maatregelen in dit wetsvoorstel zijn door de Belastingdienst, Douane en Dienst
Toeslagen beoordeeld met een uitvoeringstoets. Voor alle maatregelen geldt dat de
uitvoering die uitvoerbaar acht per de voorgestelde data van inwerkingtreding. Voor
toetsen met gele vlaggen geldt dat de Belastingdienst heeft aangegeven dat het voorstel
op de weergegeven aspecten risico’s met zich meebrengt of er negatieve gevolgen zijn
voor de handhaafbaarheid of fraudebestendigheid. Een gele of rode vlag betekent niet
per se dat een maatregel onuitvoerbaar is. Een maatregel kan nog steeds uitvoerbaar
zijn, waarbij dan wel geaccepteerd moet worden dat op bijvoorbeeld handhaafbaarheid
wordt ingeboet.
Uitvoeringskosten
De uitvoeringskosten worden gedekt op begroting hoofdstuk IX (Financiën). Uitgangspunt
is dat de uitvoeringskosten worden gedekt vanuit de begroting IXB Financiën, artikel
10, en vervolgens overgeheveld naar de uitvoeringsorganisaties.120
9. Advies en consultatie
Een eerdere versie van dit wetsvoorstel is geconsulteerd van 18 augustus 2025 tot
en met 18 september 2025 via internetconsultatie.121 Eventuele wijzigingen naar aanleiding van de internetconsultatie worden hieronder
per maatregel toegelicht.
Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
Het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie hebben aandacht gevraagd voor
de maatregel met betrekking tot de overschrijding van de uiterste pensioeningangsdatum.
Naar aanleiding hiervan is aan het wetsvoorstel toegevoegd dat het met terugwerkende
kracht uitkeren van de pensioenuitkeringen naast tot en met de wettelijke uiterste
ingangsdatum ook kan plaatsvinden tot en met de in de pensioenregeling vastgestelde
uiterste ingangsdatum. De in de pensioenregeling vastgestelde uiterste ingangsdatum
kan namelijk een eerdere datum zijn dan de wettelijke uiterste ingangsdatum. Ook is
de toelichting zodanig aangepast dat de in lagere regelgeving op te nemen voorwaarden
zich richten op de inspanning van de pensioenuitvoerder in plaats van op het ter goeder
trouw zijn van deelnemer aan de pensioenregeling. Dit komt de uitvoering ten goede.
Het toetsen van het ter goeder trouw zijn van de deelnemer zou de maatregel complex
maken en de uitvoering bemoeilijken. In samenspraak met de uitvoeringspraktijk zullen
deze voorwaarden verder uitgewerkt worden.
Teruggaafregeling dividendbelasting voor Nederlandse achterliggers in buitenlandse
beleggingsinstellingen
In de versie van dit wetsvoorstel die ter internetconsultatie is voorgelegd was een
teruggaafregeling in de dividendbelasting voorgesteld voor Nederlandse achterliggers
in buitenlandse beleggingsinstellingen. Drie organisaties hebben van de consultatie
gebruikgemaakt om te reageren op dit onderdeel van het conceptwetsvoorstel. Het betreft
de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), de Dutch Fund and Asset Management
Association (DUFAS) en de Pensioenfederatie. Het in dat kader ontvangen (technische)
commentaar is omvangrijk. De weging en verwerking daarvan vergen meer tijd dan beschikbaar
is binnen het tijdpad dat geldt voor dit wetsvoorstel. Om de zorgvuldige uitwerking
van de maatregel te waarborgen, wordt de maatregel overgebracht naar een ander wetstraject.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I
Artikel I, onderdeel A (artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Op grond van artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 geldt dat een woning
in beginsel alleen als eigen woning kwalificeert als de belastingplichtige of zijn
partner grotendeels, dus voor ten minste 50%, belang heeft bij een waardeverandering
van die woning. Deze eis, die erop neerkomt dat er voldoende economisch belang moet
zijn voor toepassing van de eigenwoningregeling, houdt in dat de koper op elk moment
vanaf de aankoop van de woning een belang van ten minste 50% moet hebben bij de waardeontwikkeling
van de woning, zowel positief als negatief.
In het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting122 wordt een wijziging van artikel 7 van de Huisvestingswet 2014 voorgesteld met betrekking
tot een zogenoemde betaalbarekoopregeling. De voorgestelde betaalbarekoopregeling
houdt, voor zover voor het onderhavige voorstel van belang, in dat gemeentes kunnen
bepalen dat woningen voor een vooraf vastgestelde betaalbare koopsom worden gebouwd
en verkocht. Deze betaalbare koopsom is de op dat moment geldende marktwaarde. De
gemeente stelt daarbij een instandhoudingstermijn als bedoeld in het voorgestelde
artikel 7 van de Huisvestingswet 2014 vast. Een instandhoudingstermijn is een termijn
waarbinnen de verkoopprijs gereguleerd is, op grond waarvan een maximumverkoopprijs
geldt. De waardeverandering van de woning komt de koper geleidelijk volledig toe.
Daarbij zal in beginsel namelijk de voorwaarde gelden van een gedurende een periode
van ten hoogste tien achtereenvolgende jaren ten minste lineair tot 100% toenemend
belang bij de waardeverandering.123 De genoemde instandhoudingstermijn kan er derhalve toe leiden dat bij een waardeverandering
van de woning die waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner niet grotendeels
aangaat. De genoemde vormgeving van de regeling betekent namelijk bijvoorbeeld dat
de eerste koper de woning na twee jaar, bij een instandhoudingstermijn van tien jaar,
mag verkopen voor een maximumverkoopprijs, bestaande uit de (oorspronkelijke) aankoopprijs
vermeerderd met 20% van een eventuele waardestijging.
Het bestaande hardheidsclausulebeleid124 met betrekking tot antispeculatiebedingen, dat op grond van dit wetsvoorstel wordt
gecodificeerd, zorgt ervoor dat in veel situaties, onder meer bij de zogenoemde eerste
koper onder de betaalbarekoopregeling, toch gebruik kan worden gemaakt van de eigenwoningregeling.
Op grond van dat hardheidsclausulebeleid wordt namelijk geacht ook aan de genoemde
50%-eis te zijn voldaan indien de betreffende woning is belast met een beding dat
voorziet in een gedurende een periode van ten hoogste tien achtereenvolgende jaren
ten minste lineair tot 100% toenemend belang bij iedere waardeverandering van de woning
van de belastingplichtige of zijn partner, en geen sprake is van een ander beding
dat het belang van de belastingplichtige of zijn partner bij een waardeverandering
van de woning beperkt. Voor zogenoemde eerste kopers onder de betaalbarekoopregeling
is dat (in dit kader te codificeren) hardheidsclausulebeleid afdoende. Naar uit signalen
van de Belastingdienst blijkt geldt dit niet in alle gevallen voor de situatie van
een tweede of daaropvolgende koper van een onder die regeling vallende woning, doordat
in die gevallen niet iedere waardedaling van de woning de belastingplichtige of zijn
partner geheel of gedeeltelijk aangaat. In een dergelijke situatie wordt dus ook met
toepassing van de huidige goedkeuring niet voldaan aan de in artikel 3.111, eerste
lid, onderdeel a, Wet IB 2001 opgenomen 50%-eis.125 Voor de genoemde personen bestaat dan onder meer geen recht meer op (hypotheek)renteaftrek.
Om dit te voorkomen wordt voorgesteld aan artikel 3.111 Wet IB 2001 een nieuw twaalfde
lid toe te voegen. Dat twaalfde lid bevat twee met elkaar samenhangende regelingen.
In het voorgestelde onderdeel a wordt het bestaande hardheidsclausulebeleid met betrekking
tot antispeculatiebedingen gecodificeerd. In het voorgestelde onderdeel b wordt aanvullend
een vergelijkbare wettelijke fictie geïntroduceerd, op grond waarvan wordt geacht
ook aan de genoemde 50%-eis te zijn voldaan ingeval de betreffende woning wordt verkregen
onder een betaalbarekoopregeling als bedoeld in artikel 7 van de Huisvestingswet 2014,
waarbij een instandhoudingstermijn als bedoeld in dat artikel geldt en die regeling
geen regeling als bedoeld in genoemd onderdeel a is uitsluitend als gevolg van de
omstandigheid dat niet iedere waardedaling van de woning de belastingplichtige of
zijn partner geheel of gedeeltelijk aangaat, en geen sprake is van een ander beding
dat het belang van de belastingplichtige of zijn partner bij een waardeverandering
van de woning beperkt.
Voor beide situaties wordt, zoals toegelicht in artikel 2.1 van het algemeen deel
van deze memorie, in de voorgestelde bepalingen derhalve als aanvullende voorwaarde
opgenomen dat geen sprake is van een ander beding dat het belang van de belastingplichtige
of zijn partner bij een waardeverandering beperkt.
Indien op enig moment wordt afgeweken van de genoemde voorwaarden, vervalt de wettelijke
fictie met onmiddellijke ingang vanaf dat moment. Dat betekent dat vanaf dat tijdstip
opnieuw moet worden getoetst of de waardeverandering van de woning de belastingplichtige
of zijn partner grotendeels aangaat. Een afwijking kan dus ook gevolgen hebben voor
de kwalificatie als eigen woning vanaf het moment van die afwijking.
Artikel I, onderdeel B (artikel 3.124 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Op grond van artikel II van de Verzamelwet SZW 2021 is artikel 66a, derde lid, van
de Algemene nabestaandenwet (Anw) met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015
vernummerd tot artikel 66a, vierde lid, Anw. Abusievelijk is toen de verwijzing naar
deze bepaling in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 niet aangepast.
Met de voorgestelde aanpassing van laatstgenoemde bepaling wordt dat hersteld met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015.
Artikel I, onderdelen C en F (artikelen 3.127 en 10a.15 van de Wet inkomstenbelasting
2001)
Met de Wtp zijn per 1 juli 2023, deels met terugwerkende kracht tot en met 1 januari
2023, wijzigingen aangebracht in verschillende wetten die doorwerking hebben naar
andere wettelijke bepalingen, waaronder enkele bepalingen van de Wet IB 2001. In dat
kader wordt voorgesteld om deels met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023 en
deels met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 technische verbeteringen
in de wettekst van de Wet IB 2001 aan te brengen. De voorgestelde wijzigingen worden
hierna afzonderlijk toegelicht.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 3.127, vijfde lid, tweede zin, Wet IB 2001
vervalt de verwijzing naar het tweede lid van dat artikel met terugwerkende kracht
tot en met 1 januari 2023. Die verwijzing is sinds die datum niet langer nodig aangezien
in artikel 3.127, tweede lid, Wet IB 2001 met de invoering van de Wtp per 1 juli 2023
met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 niet langer wordt gesproken over
de premiegrondslag. Voor het vaststellen van de reserveringsruimte geldt op grond
van het huidige artikel 3.127, tweede lid, Wet IB 2001 een maximumbedrag. Op grond
van artikel 3.127, tweede lid, Wet IB 2001 zoals dat gold voor inwerkingtreding van
de Wtp werd de reserveringsruimte bepaald als een percentage van de premiegrondslag
en was die verwijzing in artikel 3.127, vijfde lid, Wet IB 2001 wel nodig.
Met de Wtp is artikel 5.16c, tweede tot en met negende lid, Wet IB 2001 met ingang
van 1 juli 2023 vernummerd. De verwijzing in artikel 10a.15 Wet IB 2001 naar artikel
5.16c, tweede lid, Wet IB 2001 is daardoor sinds die datum niet langer correct. Er
dient nu verwezen te worden naar artikel 5.16c, derde lid, Wet IB 2001. Dat wordt
met deze aanpassing hersteld met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023.
Artikel I, onderdeel D, artikel III, onderdeel B, en artikel XX, onderdeel B (artikel
5.17e van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 19b van de Wet op de loonbelasting
1964 en artikel 44b van de Invorderingswet 1990)
De voorgestelde wijzigingen van artikel 5.17e, vijfde lid, onderdeel b, Wet IB 2001
en artikel 44b, vijfde lid, IW 1990 houden verband met het voorgestelde artikel 19b,
zevende lid, Wet LB 1964 in welk kader ook een vernummering wordt voorgesteld van
het huidige artikel 19b, zevende en achtste lid, Wet LB 1964.
In het voorgestelde artikel 19b, zevende lid, Wet LB 1964 wordt een nieuwe delegatiegrondslag
geïntroduceerd, zoals is toegelicht in paragraaf 2.2 van het algemeen deel van deze
memorie. Op grond van deze delegatiebepaling blijven onder bij ministeriële regeling
te stellen voorwaarden de fiscale consequenties van artikel 19b, eerste en zesde lid,
Wet LB 1964 achterwege met betrekking tot een ouderdomspensioen, een partnerpensioen
bij overlijden op of na pensioendatum, een partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum
of een wezenpensioen dat later ingaat dan op de uiterste ingangsdatum, bedoeld in
artikel 18a, vierde lid, onderdeel b, Wet LB 1964, artikel 18a, vijfde lid, Wet LB
1964, artikel 18b, derde lid, Wet LB 1964, onderscheidenlijk artikel 18c, vierde lid,
Wet LB 1964, indien het te laat ingegane deel van het pensioen onverwijld alsnog wordt
uitgekeerd. Om discussie over het genietingstijdstip van het te laat uitgekeerde pensioen
te voorkomen, wordt in de voorgestelde wettekst expliciet opgenomen dat het alsnog
uitgekeerde pensioen geacht wordt eerst te zijn genoten op het tijdstip waarop het
wordt uitgekeerd.126
Deze maatregel wordt op grond van artikel 38b, eerste lid, Wet LB 1964 automatisch
eveneens van toepassing op onder het overgangsrecht van de artikelen 38b en 38q Wet
LB 1964 vallende pensioenaanspraken die zijn ontstaan voorafgaand aan het tijdstip
van inwerkingtreding van de Wtp en die niet zijn omgezet in aanspraken ingevolge een
premieovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet of artikel 28 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel I, onderdeel E (artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In het BP 2025 is per abuis een onbedoelde wijzigingsopdracht terechtgekomen waardoor
met ingang van 1 januari 2025 voor de in artikel 10.1, eerste lid, Wet IB 2001 opgenomen
inflatiecorrectie voor de extra uitgaven voor gezinshulp wordt verwezen naar artikel
6.17, vierde lid, Wet IB 2001 in plaats van naar artikel 6.17, derde lid, Wet IB 2001.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 10.1, eerste lid, Wet IB 2001 wordt deze
omissie hersteld. Voorgesteld wordt deze wijziging terug te laten werken tot en met
1 januari 2025, zijnde de datum waarop de omissie is ontstaan.
Artikel II
Artikel Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O,
van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)
Op grond van de Fiscale verzamelwet 2026 is artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001
met ingang van 1 januari 2026 gewijzigd. In samenhang daarmee is met ingang van 1 januari
2026 in het overgangsrecht voor lijfrenten van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O,
zesde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting geregeld dat deze wijziging
van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 niet in alle gevallen van toepassing is
op een aanspraak op lijfrente. Met het vanaf 1 januari 2026 geldende artikel 3.133,
derde lid, Wet IB 2001 is de afkoopdatum van een aanspraak op lijfrente op 1 januari
van het in die bepaling bedoelde jaar gezet. Onder artikel 3.133, derde lid, Wet IB
2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 gold als afkoopdatum 31 december van het
in die bepaling bedoelde jaar. In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid,
van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 is met ingang van 1 januari 2026
in dit kader geregeld dat artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op
31 december 2025 van toepassing blijft op bepaalde aanspraken op lijfrenten. Dat leidt
ertoe dat voor aanspraken op lijfrenten die vallen onder artikel 3.133, derde lid,
Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 een andere afkoopdatum geldt dan
voor aanspraken op lijfrenten die vallen onder de werking van artikel 3.133, derde
lid, Wet IB 2001 zoals dat geldt vanaf 1 januari 2026. Dat geeft in de uitvoering
een knelpunt. Afhankelijk van welke tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001
van toepassing is op de aanspraak op lijfrente dient er namelijk anders gerenseigneerd
te worden. Dit heeft ook invloed op de administratiesystemen van de Belastingdienst
en verzekeraars. Met de voorgestelde aanvulling op hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel
O, zesde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt voor aanspraken
op lijfrenten waarop artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals die bepaling luidde
op 31 december 2025 van toepassing is, de afkoopdatum op 1 januari van het in die
bepaling bedoelde jaar gezet met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026. Voor
deze terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 wordt gekozen vanwege uitvoeringsredenen.
Zonder die terugwerkende kracht zouden uitvoerders van dergelijke lijfrenten immers
voor één jaar het administratiesysteem op dit punt moeten aanpassen. Voor de gerechtigde
tot de lijfrente heeft de voorgestelde aanpassing van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel
O, zesde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 met terugwerkende kracht
tot en met 1 januari 2026 als consequentie dat bij een overschrijding van de wettelijke
termijn (31 december van het betreffende jaar) de lijfrente niet in het jaar waarin
die 31 december valt in de belastingheffing wordt betrokken maar in het daaropvolgende
jaar.
Artikel III
Artikel III, onderdeel A (artikel 4 van de Wet op de loonbelasting 1964)
Op grond van artikel 4, onderdeel f, Wet LB 1964 geldt voor opting-in als voorwaarde
dat degene die voor de opting-in kiest, door middel van een gezamenlijke verklaring
van hemzelf en de beoogde inhoudingsplichtige, aan de inspecteur meldt dat de arbeidsverhouding
als dienstbetrekking moet worden beschouwd. Voorgesteld wordt om deze voorwaarde te
vervangen door de voorwaarde dat dit wordt verklaard in een gezamenlijke, schriftelijke,
gedagtekende en ondertekende verklaring van de beoogde inhoudingsplichtige en degene
die voor de opting-in kiest, die ingevolge het voorgestelde artikel 28, eerste lid,
onderdeel g, Wet LB 1964 bij de loonadministratie dient te worden bewaard in plaats
van aan de inspecteur te worden gemeld. Artikel 4, aanhef, Wet LB 1964 biedt de mogelijkheid
om op dit punt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen.
Van deze gelegenheid zal worden gebruikgemaakt om regels te stellen omtrent beëindiging
van de opting-in en omtrent welke gegevens minimaal deel uit moeten maken van de verklaring.
Artikel III, onderdeel C (artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964)
Het huidige artikel 28, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964 geeft de inspecteur de
mogelijkheid om aan een inhoudingsplichtige de verplichting op te leggen tot het doen
van de in paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze memorie toegelichte eerstedagsmelding.
Door het voorstel tot het laten vervallen van de huidige tekst van genoemd onderdeel
g vervalt voor de Belastingdienst de mogelijkheid tot het verplicht stellen van het
doen van een eerstedagsmelding. Het laten vervallen van de mogelijkheid van het opleggen
van die verplichting gaat op grond van dit wetsvoorstel in per 1 januari 2027. Ingevolge
het in het voorgestelde artikel XXIV opgenomen overgangsrecht hoeft een eventueel
voor die datum opgelegde verplichting vanaf die datum niet meer te worden nagekomen.
Voor een verdere toelichting op dat overgangsrecht wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting bij artikel XXIV.
In de voorgestelde tekst van artikel 28, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964 wordt
bepaald dat de inhoudingsplichtige de verklaring, bedoeld in het voorgestelde artikel
4, eerste lid, aanhef en onderdeel f, Wet LB 1964, dient te bewaren bij de loonadministratie,
zodat deze voor controle door de Belastingdienst beschikbaar is. Ingevolge artikel
28, eerste lid, aanhef, Wet LB 1964 dient de inhoudingsplichtige zich hierbij te houden
aan bij ministeriële regeling te stellen regels. Daarvan zal in ieder geval gebruik
worden gemaakt voor het stellen van een bewaartermijn.
Artikel III onderdeel D (artikel 28bis van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 28bis Wet LB 1964 bevat een nadere uitwerking van de mogelijkheid tot het
opleggen van de verplichting tot het doen van een eerstedagsmelding als bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964. Aangezien wordt voorgesteld die
mogelijkheid te laten vervallen, wordt voorgesteld artikel 28bis Wet LB 1964 eveneens
te laten vervallen.
Artikel III, onderdeel E (artikel 28c van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 28c Wet LB 1964 bevat de sanctiebepaling op het niet, onjuist, onvolledig
dan wel niet binnen de gestelde termijn voldoen aan de opgelegde verplichting tot
het doen van een eerstedagsmelding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel
g, Wet LB 1964. Met het laten vervallen van de mogelijkheid tot het opleggen van een
verplichting tot het doen van een eerstedagsmelding, kunnen ook de sanctiebepalingen
komen te vervallen. Na het vervallen van de sanctiebepalingen per 1 januari 2027,
kunnen er vanaf die datum geen nieuwe sancties meer kunnen worden opgelegd wegens
het niet doen van een verplichte eerstedagsmelding, ook als deze gedragingen zich
al voor 1 januari 2027 hebben voorgedaan. Reeds voor 1 januari 2027 opgelegde sancties
blijven van kracht. Indien een inhoudingsplichtige voor 1 januari 2027 een verplichting
tot het doen van eerstedagsmeldingen ontvangt en deze vervolgens niet of niet tijdig
nakomt, kunnen tot en met 31 december 2026 bijbehorende sancties worden opgelegd.
Na die datum is sanctieoplegging niet langer mogelijk.
Artikel III, onderdeel F (artikel 30a van de Wet op de loonbelasting 1964)
Artikel 30a Wet LB 1964 bevat een fictiebepaling. Die fictiebepaling geldt onder meer
als ten aanzien van een werknemer niet is voldaan aan de verplichting om een eerstedagsmelding
als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964 te doen. In dat geval
wordt de betreffende werknemer voor loonbelastingdoeleinden geacht al ten minste zes
maanden een loon te genieten dat gelijk is aan het loon van het tijdvak waarin geconstateerd
wordt dat de werknemer in dienst is van de inhoudingsplichtige, tenzij anderszins
blijkt. De voorgestelde aanpassing van artikel 30a Wet LB 1964 leidt ertoe dat de
fictiebepaling vanaf 1 januari 2027 in die situatie niet meer geldt. Dit hangt samen
met het voorstel tot het laten vervallen van de mogelijkheid tot het opleggen van
een verplichting tot het doen van een eerstedagsmelding. Voor de volledigheid wordt
opgemerkt dat de genoemde fictiebepaling wel blijft gelden voor de daarnaast in artikel
30a Wet LB 1964 genoemde situatie dat de werknemer niet in de loonadministratie is
opgenomen.
Artikel IV
Artikel IV (artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor
de volksverzekeringen)
Voorgesteld wordt om het forfaitaire uurloon voor de bepaling van de hoogte van de
afdrachtvermindering S&O, zoals genoemd aan het slot van artikel 23, vijfde lid, van
de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, met
ingang van 1 januari 2027 te verhogen van € 29 naar € 33. Voor een toelichting op
dat voorstel wordt verwezen naar paragraaf 2.5 van het algemeen deel van deze memorie.
Artikel V
Artikel V, onderdeel A (artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
De voorgestelde aanpassing in artikel 8, vierde lid, Wet Vpb 1969 regelt dat voor
de toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling, de vermindering van schulden
(waaronder verplichtingen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten) die voor deze
belasting als vreemd vermogen kwalificeren door DNB of een vergelijkbare instelling,
voor zover er voor het deel van de verminderde vordering geen door of namens de schuldenaar
verstrekte prestatie of claim tegenover staat, gelijk wordt gesteld met het prijsgeven
van niet voor verwezenlijking vatbare rechten.127 Hiermee kan het verminderen van schulden (en verplichtingen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten)
die in fiscale zin als vreemd vermogen worden gezien, per besluit door DNB of een
vergelijkbare instelling als gevolg van de afschrijvingsbevoegdheid op grond van artikel
3A:21, 3A:44 of 3A:93 Wft dan wel artikel 32 van de verordening herstel en afwikkeling
centrale tegenpartijen onder de reikwijdte van de kwijtscheldingswinstvrijstelling
vallen. Hierbij dient voor het verminderen van een schuld ter verliesneming uit te
worden gegaan van de definitieve waardering. De voorgestelde gelijkstelling in de
kwijtscheldingswinstvrijstelling geldt met betrekking tot boekjaren die aanvangen
op of na 1 januari 2027 voor banken en bepaalde beleggingsondernemingen (artikelen
3A:21 en 3A:44 Wft), verzekeraars (artikel 3A:93 Wft) en centrale tegenpartijen (artikel
32 van de verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen).
DNB kan met gebruikmaking van haar bevoegdheden een schuld deels afschrijven ter verliesneming,
en deels omzetten ter herkapitalisatie. Voor het deel van de schuld dat wordt omgezet
kent DNB een aandeel (kernkapitaalinstrument) toe of een recht op een aandeel (een
claimrecht).128 Dit claimrecht is een recht dat mogelijk recht geeft op een aandeel of ander eigendomsinstrument.
Alleen als uit de finale waardering blijkt dat de betreffende schuldeiser daadwerkelijk
recht heeft op een aandeel, worden de aandelen aan de schuldeiser toegekend. Voor
het afgeschreven deel van de schuld bij de belastingplichtige geldt dat voor het deel
van de schuld dat is omgezet in aandelen de kwijtscheldingswinstvrijstelling in zoverre
niet van toepassing is. Voor het deel van de schuld dat is omgezet in aandelen staat
er immers een door of namens de schuldenaar verstrekte prestatie of claim tegenover.
Wanneer een schuldeiser een beroep doet op het bij afwikkeling geldende beginsel dat
een crediteur of houder van een vordering geen grotere verliezen lijdt door de afwikkelingsmaatregel
dan hij zou hebben geleden indien de betrokken entiteit in een faillissement zou zijn
geliquideerd (het zogenoemde no creditor worse off - beginsel129), staat er geen door of namens de schuldenaar verstrekte prestatie of claim tegenover.
De kwijtscheldingswinstvrijstelling blijft dan bij de schuldenaar ongewijzigd van
toepassing.
Artikel V, onderdeel B (artikel 23c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
Artikel 23c Wet Vpb 1969 regelt met welk bedrag de in artikel 13aa Wet Vpb 1969 berekende
vennootschapsbelasting voor voordelen uit hoofde van een beleggingsdeelneming, niet
zijnde een kwalificerende beleggingsdeelneming, wordt verminderd. Op basis van artikel
23c, derde tot en met vijfde lid, Wet Vpb 1969 kan onder voorwaarden de werkelijk
betaalde winstbelasting in aanmerking worden genomen.
Het voorgestelde artikel 23c, tiende lid, Wet Vpb 1969 verduidelijkt dat voor de toepassing
van artikel 23c, derde tot en met vijfde lid, Wet Vpb 1969 onder het werkelijke bedrag
aan winstbelasting mede wordt verstaan het werkelijke bedrag aan kwalificerende binnenlandse
bijheffing. Het dient hierbij te gaan om een kwalificerende binnenlandse bijheffing
als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024)
in een andere staat. Met de voorgestelde verduidelijking is geen inhoudelijke wijziging
beoogd ten opzichte van de bestaande wet en de uitleg daarvan. Dit geldt ook voor
de invulling van de bewijslast.
Artikel V, onderdeel C (artikel 23d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
Artikel 23d Wet Vpb 1969 bepaalt het bedrag aan vermindering van vennootschapsbelasting
dat wordt verleend wegens de verrekening van de op de winst uit een laagbelaste buitenlandse
beleggingsonderneming drukkende buitenlandse belasting. Dit sluit aan bij artikel
15h Wet Vpb 1969. Op basis van artikel 23d, derde lid, Wet Vpb 1969 kan op verzoek
van de belastingplichtige het werkelijke bedrag aan buitenlandse belasting in aanmerking
worden genomen.
Het voorgestelde artikel 23d, zevende lid, Wet Vpb 1969 verduidelijkt dat voor de
toepassing van artikel 23d, derde lid, Wet Vpb 1969 onder het werkelijke bedrag aan
buitenlandse winstbelasting mede wordt verstaan het werkelijke bedrag aan kwalificerende
binnenlandse bijheffing. Het dient hierbij te gaan om een kwalificerende binnenlandse
bijheffing als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, WMB 2024 in een andere staat. Met
de voorgestelde verduidelijking is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte
van de bestaande wet en de uitleg daarvan. Dit geldt ook voor de invulling van de
bewijslast.
Artikel VI
Artikel VI, onderdeel A (Artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965)
Op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, Wet DB 1965 wordt
dividendbelasting geheven van degenen die gerechtigd zijn tot de opbrengst uit hoofde
van een kwalificerend lidmaatschapsrecht in een in Nederland gevestigde houdstercoöperatie.
In artikel 1, zevende lid, Wet DB 1965 is de definitie van een kwalificerend lidmaatschapsrecht
opgenomen. Een kwalificerend lidmaatschapsrecht is een lidmaatschapsrecht van een
lid dat, al dan niet tezamen met de lidmaatschapsrechten van met dit lid verbonden
lichamen of verbonden natuurlijke personen in de zin van artikel 10a, vierde tot en
met zesde lid, Wet Vpb 1969, recht geeft op ten minste 5% van de jaarwinst van de
coöperatie dan wel op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd. Zoals
is opgemerkt in het algemeen deel van deze memorie, bevat de huidige wettekst een
onduidelijkheid. De geconstateerde onduidelijkheid heeft betrekking op de verwijzing
naar artikel 10a, zesde lid, Wet Vpb 1969 in artikel 1, zevende lid, Wet DB 1965.
Artikel 10a, zesde lid, Wet Vpb 1969 merkt als een met de belastingplichtige verbonden
lichaam mede aan een lichaam dat een belang heeft in de belastingplichtige en dat
samen met een of meer andere lichamen die met dat lichaam een samenwerkende groep
vormt voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige. De
bedoeling van de verwijzing naar artikel 10a, zesde lid, Wet Vpb 1969 is geweest om
te voorkomen dat om de 5%-drempel wordt heen gestructureerd door de leden van de houdstercoöperatie.
Om die reden wordt geregeld dat sprake is van inhoudingsplicht ten aanzien van de
leden van een houdstercoöperatie indien zij een samenwerkende groep vormen. Als voor
de toepassing van artikel 1, zevende lid, Wet DB 1965 in de tekst van artikel 10a,
zesde lid, Wet Vpb 1969 voor het begrip «de belastingplichtige» wordt gelezen «het
lid», lijkt het echter of enkel wordt getoetst of er een samenwerkende groep is van
investeerders in een lid van de houdstercoöperatie en niet of er een samenwerkende
groep is van leden met betrekking tot hun investering in de houdstercoöperatie. Dit
betekent concreet dat in het geval dat een lidmaatschapsrecht is opgeknipt tussen
leden die ten opzichte van elkaar geen verbonden lichaam zijn in de zin van artikel
10a, zesde lid, Wet Vpb 1969 geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting ontstaat.
Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Voorbeeld 1
In de bovenstaande situatie is sprake van een lichaam dat samen met een of meer andere
lichamen, een samenwerkende groep vormt, en tenminste een derde gedeelte belang heeft
in A. Tot de samenwerkende groep behoort eveneens een lichaam dat, al dan niet tezamen
met een of meerdere andere lichamen van de samenwerkende groep, een 1%-belang houdt
in NL H COOP. A heeft op zijn beurt een 4%-belang in de NL H COOP. Volgens het huidige
artikel 1, zevende lid, Wet DB 1965 heeft A in de bovenstaande situatie een kwalificerend
lidmaatschapsrecht. In de situatie van de voorgestelde tekst van artikel 1, zevende
lid, Wet DB 1965 is er in het voorbeeld nog steeds sprake van een kwalificerend lidmaatschapsrecht
indien A met één of meerdere van zijn aandeelhouders een samenwerkende groep vormt.
Voorbeeld 2
In deze situatie heeft B een 8%-belang in NL H COOP. B knipt het 8%-belang in de NL
H COOP op in twee delen. B1 en B2 hebben na het opknippen beide een 4%-belang in de
NL H COOP. In dit geval zijn B1 en B2 niet verbonden in de zin van artikel 10a, zesde
lid, Wet Vpb 1969. B1 heeft immers geen belang in B2, en dus ook niet ten minste een
derde gedeelte belang, en andersom ook niet. Volgens de letterlijke bewoordingen van
artikel 1, zevende lid, Wet DB 1965 is er in dit geval geen sprake van een kwalificerend
lidmaatschapsrecht, terwijl juist een dergelijke manier van structuren volgens de
bedoeling van de wet bij een houdstercoöperatie zou moeten leiden tot inhoudingsplicht
voor de dividendbelasting.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 1, zevende lid, Wet DB 1965 wordt verduidelijkt
dat moet worden getoetst of sprake is van een samenwerkende groep ten aanzien van
de investering in de houdstercoöperatie, en niet ten aanzien van de investering in
de leden, waardoor wordt voorkomen dat om de 5%-drempel heen wordt gestructureerd.
Artikel VII
Artikel VII (artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)
Er wordt voorgesteld om artikel 15, eerste lid, onderdeel m, van de Wet op belastingen
van rechtsverkeer (WBR) te laten vervallen. Dat onderdeel bevat een vrijstelling van
overdrachtsbelasting voor verkrijgingen van onroerende zaken door het bureau beheer
landbouwgronden (BBL). Deze vrijstelling heeft haar werking verloren, aangezien het
BBL per 1 januari 2019 is gestopt met haar kerntaken, waaronder het kopen, beheren
of verkopen van landbouwgronden. Daarom vinden er ook geen verkrijgingen van landbouwgronden
meer plaats waarop de vrijstelling van de overdrachtsbelasting van toepassing zou
zijn. Met het laten vervallen van artikel 15, eerste lid, onderdeel m, WBR wordt derhalve
een bepaling zonder praktische betekenis geschrapt.
Er wordt niet voorgesteld de onderdelen die volgen na artikel 15, eerste lid, onderdeel
m, WBR te verletteren. Aangezien het in de praktijk niet ongebruikelijk is om een
vrijstelling aan te duiden door de bijbehorende letter te noemen, zou verlettering
tot verwarring kunnen leiden. Verlettering zou ook meebrengen dat aangifteprogramma’s
moeten worden aangepast. Daarnaast monitort de Belastingdienst op basis van de huidige
letters hoe vaak er in de aangifte een beroep wordt gedaan op een vrijstelling.
Artikel VIII
Artikel VIII, onderdeel A (artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968)
De Wet OB 1968 is met ingang van 1 januari 2024 gewijzigd in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2020/284 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn
2006/112/EG wat betreft de invoering van bepaalde voorschriften voor betalingsdienstaanbieders.
Met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, onder 2, van de Wet implementatie
Richtlijn betalingsdienstaanbieders is met ingang van eerstgenoemde datum het in artikel
40, eerste lid, Wet OB 1968 opgenomen maximumgeldboetebedrag van € 5.514 vervangen
door een bestuurlijke boete van ten hoogste de derde categorie, bedoeld in artikel
23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De ratio daarvan is toegelicht in
het algemeen deel van deze memorie. Eerder is met de Tweede Kamer gedeeld dat de beleidslijn
is dat in beginsel wordt aangesloten bij de naastgelegen lagere geldboetecategorie.130 Dat is abusievelijk niet gebeurd bij eerdergenoemde wijziging van artikel 40, eerste
lid, Wet OB 1968. Voorgesteld wordt dit te herstellen door in artikel 40, eerste lid,
Wet OB 1968 aan te sluiten bij het bedrag van de tweede categorie in plaats van de
derde categorie. Het maximumboetebedrag komt daarmee op € 5.500 (geldend in 2026 en
2027). Ook wordt voorgesteld de formulering van de bepaling meer in lijn te brengen
met de formulering van de in aanwijzing 5.43, tweede lid, van de Aanwijzingen voor
de regelgeving opgenomen modelbepaling.
Artikel 40, derde lid, Wet OB regelt dat artikel 67cb AWR van overeenkomstige toepassing
is op het bedrag van de boete, genoemd in artikel 40, eerste lid, AWR. In artikel
67cb AWR is een indexeringsbepaling opgenomen. Met de omzetting naar een categorie-aanduiding
per 1 januari 2024 is artikel 40, derde lid, Wet OB 1968 overbodig geworden. Daarom
wordt voorgesteld dat lid te laten vervallen.
Artikel VIII, onderdeel B (tabel II behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968)
Artikel 9, tweede lid, Wet OB 1968 regelt dat de belasting voor leveringen van goederen
en diensten als genoemd in de bij die wet behorende tabel II in afwijking van artikel
9, eerste lid, Wet OB 1968 nihil bedraagt. Voorgesteld wordt tabel II, onderdeel a,
post 4, onder a, Wet OB 1968 te wijzigen door in plaats van een verwijzing in dat
subonderdeel naar tabel II, onderdeel a, post 3, onder d, Wet OB 1968 als afzonderlijke
categorie «oorlogsschepen» op te nemen. Daarmee wordt verduidelijkt dat het btw-nultarief
van toepassing is op de levering van oorlogsschepen en op de voorwerpen die met deze
schepen vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen.
Met de inwerkingtreding van artikel VII, onderdeel C, onder 1, van het Belastingplan
2018 is met ingang van 1 januari 2019 in tabel II, onderdeel a, post 4, onder a, Wet
OB 1968 een verwijzing opgenomen naar typen schepen die zijn genoemd in tabel II,
onderdeel a, post 3, onder a tot en met d, Wet OB 1968. Tabel II, onderdeel a, post
3, onder d, Wet OB 1968 betreft goederen bestemd voor de bevoorrading van oorlogsschepen,
waarvoor als voorwaarde geldt dat deze Nederland verlaten met als bestemming een buitenlandse
haven of ankerplaats. Deze voorwaarde is uitsluitend van toepassing voor het bepalen
van de toepasselijkheid van het btw-nultarief voor goederen bestemd voor de bevoorrading
van oorlogsschepen en geldt niet voor de levering van oorlogsschepen. Door de verwijzing
in tabel II, onderdeel a, post 4, onder a, Wet OB 1968 naar post 3, onder d, zou evenwel
ten onrechte de indruk kunnen ontstaan dat die voorwaarde ook van toepassing is op
de levering van oorlogsschepen. De voorgestelde wijziging voorkomt deze mogelijke
interpretatie. Door «oorlogsschepen» als afzonderlijke categorie op te nemen in tabel
II, onderdeel a, post 4, onder a, Wet OB 1968 wordt verduidelijkt dat op de levering
van oorlogsschepen het nultarief van toepassing is, zonder dat daaraan aanvullende
voorwaarden zijn verbonden.
In lijn hiermee wordt voorgesteld om ook tabel II, onderdeel b, post 1, onder b, Wet
OB 1968 te wijzigen door ook in dat subonderdeel in plaats van een verwijzing naar
post «a.3 onder d» als afzonderlijke categorie «oorlogsschepen» op te nemen. Dit betreft
onder meer de toepassing van het btw-nultarief op diensten zoals reparatie, onderhoud,
verhuur en bevrachting van oorlogsschepen.
Ook voor dat subonderdeel geldt dat de toepasselijkheid met betrekking tot oorlogsschepen
thans is geregeld aan de hand van een verwijzing naar tabel II, onderdeel a, post
3, onder d, Wet OB 1968 waarin de voorwaarde is opgenomen dat het oorlogsschip Nederland
verlaat met als bestemming een buitenlandse haven of ankerplaats. Door «oorlogsschepen»
als afzonderlijke categorie op te nemen in tabel II, onderdeel b, post 1, onder b,
Wet OB 1968 wordt verduidelijkt dat bij het bepalen of het btw-nultarief op grond
van dat subonderdeel van toepassing is, niet aan de genoemde voorwaarde hoeft te worden
voldaan. Hiermee worden mogelijke interpretatieproblemen voorkomen.
Voor beide wijzigingen geldt dat wordt aangesloten bij zowel de beoogde toepassing
als de bestaande praktijk. Daarnaast geldt voor beide wijzigingen dat deze aansluiten
bij de rechtsgrondslag in bijlage X, deel B, punt 12, btw-richtlijn, waarin is bepaald
dat lidstaten een nultarief mogen toepassen op de levering, verbouwing, reparatie,
het onderhoud en de bevrachting en verhuur van oorlogsschepen.
Artikel IX
Artikel IX, onderdeel A (artikel 2 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)
Er wordt voorgesteld de bepalingen in de Wet MRB 1994 aan te passen die gaan over
de definitie van een bestelauto en een vrachtauto. Voorgesteld wordt om onder een
bestelauto uitsluitend een motorrijtuig te verstaan dat valt onder voertuigcategorie
N1 en om motorrijtuigen die behoren tot voertuigcategorie N2 of N3 aan te merken als
vrachtauto. Als een motorrijtuig administratief is teruggekeurd naar een toegestane
maximummassa van maximaal 3.500 kilogram (kg), zal dit in tegenstelling tot de huidige
situatie niet meer van invloed zijn op de indeling.
Op dit moment bepaalt de toegestane maximum massa van een motorrijtuig of voor de
Wet MRB 1994 sprake is van een bestelauto of een vrachtauto. Een bestelauto heeft
een toegestane maximum massa van maximaal 3.500 kg. Een vrachtauto heeft een toegestane
maximum massa van meer dan 3.500 kg. Met de voorgestelde wijziging wordt aangesloten
bij de Europese definities van voertuigcategorieën, zoals opgenomen in de Verordening
(EU) 2018/858131. Dit betekent dat motorrijtuigen van de categorie N1 (met een technisch toelaatbare
maximum massa van niet meer dan 3.500 kg) worden aangemerkt als bestelauto. Motorrijtuigen
van de categorie N2 (met een technisch toelaatbare maximum massa van meer dan 3.500
kg maar niet meer dan 12.000 kg) en N3 (met een technisch toelaatbare maximum massa
van meer dan 12.000 kg) worden aangemerkt als vrachtauto.
De toegestane maximum massa van een motorrijtuig wordt bepaald door het gewicht van
het motorrijtuig te vermeerderen met de voor dat motorrijtuig toegestane maximum massa
aan lading. De huidige definitie geeft ruimte voor een reeds bestaande praktijk waarbij
een motorrijtuig administratief wordt «teruggekeurd» naar een lagere toegestane maximum
massa, op voorwaarde dat het motorrijtuig inclusief lading dat gewicht nooit overschrijdt.
Meer concreet komt het voor dat een motorrijtuig van EU-categorie N2 administratief
wordt teruggekeurd naar een toegestane maximum massa van maximaal 3.500 kg. Met dit
motorrijtuig kan dan met rijbewijs B in plaats van rijbewijs C1 worden gereden. Daardoor
worden deze motorrijtuigen fiscaal aangemerkt als bestelauto’s, en is mrb verschuldigd.
Bij het terugkeuren van een motorrijtuig blijft de voertuigcategorie ongewijzigd.
Door de voorgestelde wijziging zal het terugkeuren van een motorrijtuig niet langer
van invloed zijn op de vraag of het motorrijtuig voor de Wet MRB 1994 wordt aangemerkt
als vrachtauto of als bestelauto.
Bij de totstandkoming van de Wet vrachtwagenheffing is voor de definitie van vrachtwagen
aanvankelijk aangesloten bij de toegestane maximum massa. Inmiddels is de in artikel
1 van de Wet vrachtwagenheffing opgenomen begripsbepaling «vrachtwagen» aangepast
(Stb. 2025, 402). Bij inwerkingtreding van de vrachtwagenheffing – met ingang van 1 juli 2026 – zal
de EU-voertuigclassificatie bepalen of sprake is van een vrachtwagen. Voor motorrijtuigen
van de categorieën N2 en N3 gaat vrachtwagenheffing verschuldigd worden. Met de voorgestelde
wijziging van de Wet MRB 1994 worden ook de begrippen in die wet geharmoniseerd met
de Europese voertuigcategorieën.
De beoogde inwerkingtredingsdatum van deze wijziging is 1 januari 2027. Dat is het
eerst mogelijke moment waarop de Belastingdienst uitvoering kan geven aan deze aanpassing
van de fiscale definities.
Als de genoemde begrippen in de Wet MRB 1994 niet zouden worden aangepast in lijn
met de begrippen in de Wet vrachtwagenheffing, zou een ongewenste situatie ontstaan.
Voor een motorrijtuig met EU-voertuigclassificatie N2 dat administratief is teruggekeurd
naar ≤ 3.500 kg zou dan zowel de vrachtwagenheffing als mrb verschuldigd zijn. Het
voorstel is daarom om de genoemde aanpassing voor de vrachtwagenheffing ook te verwerken
in de Wet MRB 1994. In het vervolg zou dus ook voor de mrb de technisch toelaatbare
maximum massa van een motorrijtuig gehanteerd worden voor de vraag of sprake is van
een bestelauto (N1) of een vrachtauto (N2 of N3).
Om te voorkomen dat in de periode tussen 1 juli 2026, de inwerkingtredingsdatum van
de vrachtwagenheffing, en 1 januari 2027 sprake zou zijn van een gelijktijdige heffing
van mrb en vrachtwagenheffing, regelt artikel XVII, onderdeel Aa, van het Belastingplan
2026 dat met artikel 28 Wet MRB 1994 overgangsrecht wordt opgenomen. Geregeld is dat
voor motorrijtuigen uit voertuigcategorie N2 waarvan de toegestane maximum massa administratief
is verlaagd naar 3.500 kilogram of minder, de mrb in die periode nihil bedraagt. De
inwerkingtredingsdatum van dit overgangsrecht is op grond van artikel L, tweede lid,
van het Belastingplan 2026 gelijk aan de beoogde datum van inwerkingtreding van artikel
30 van de Wet vrachtwagenheffing, namelijk 1 juli 2026.
Artikel IX, onderdelen B en C (artikel 72 en hoofdstuk Xa van de Wet op de motorrijtuigenbelasting
1994)
Artikel XXI van het Belastingplan 2024 regelt dat met ingang van 1 januari 2028 een
vaste peildatum – namelijk 1 januari 1988 – wordt geïntroduceerd voor de oldtimerregeling
in de mrb door aanpassing van artikel 72, eerste lid, onderdeel b, Wet MRB 1994. De
onderhavige wijziging houdt in dat de inwerkingtreding van deze vaste peildatum wordt
vervroegd naar 1 januari 2027. Dit betekent dat motorrijtuigen met een datum eerste
toelating van vóór 1 januari 1988 met ingang van 2027 permanent onder de vrijstelling
van mrb vallen. Het voorgestelde artikel XXII regelt in verband hiermee dat artikel
XXI van het Belastingplan 2024 komt te vervallen (zie verder de toelichting bij dat
artikel).
Daarnaast wordt voorgesteld hoofdstuk Xa Wet MRB 1994 eveneens met ingang van 1 januari
2027 te laten vervallen. Genoemd hoofdstuk Xa bevat bepalingen over de OVR, die sinds
2014 voorziet in een verlaagd tarief voor motorrijtuigen tussen 26 en 40 jaar oud
met een datum eerste toelating van vóór 1 januari 1988. Aangezien deze motorrijtuigen
met ingang van 1 januari 2027 sowieso in de vrijstellingscategorie vallen, is voortzetting
van deze OVR niet langer nodig.
Er is geen aanleiding om te voorzien in eerbiedigende werking met betrekking tot hoofdstuk
Xa voor de periode na 1 januari 2027. Alle motorrijtuigen die in het jaar 2027 nog
zouden vallen onder het bereik van de OVR krijgen immers een vrijstelling, waardoor
zij onder een meer gunstige regeling komen te vallen. Op verzoeken die zijn gedaan
voor (een deel van) het tijdvak 2026 of eerder blijft vanzelfsprekend het recht van
toepassing (waaronder de OVR) zoals dat gold op het moment dat de verschuldigdheid
van de belasting is ontstaan.
Artikel X
Artikel X (Artikel 16b.17 van de Wet milieubeheer)
De EU ETS-richtlijn stelt het EU ETS vast. Met de inwerkingtreding van Richtlijn (EU)
2023/959 is onder meer bijlage I van de EU ETS-richtlijn gewijzigd. Als gevolg van
die wijziging is de reikwijdte van de activiteit «productie van waterstof» uitgebreid.
Een gevolg daarvan is dat broeikasgasinstallaties die hernieuwbare waterstof produceren
onder bepaalde voorwaarden ook onder het EU ETS vallen. Door wijziging van bijlage
I van de EU ETS-richtlijn en van bijlage I, rij 24, van het Besluit handel in emissierechten
luidt de activiteit «Productie van waterstof (H2) en synthesegas met een productiecapaciteit van meer dan 5 ton per dag» in plaats
van «Productie van waterstof (H2) en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit
van meer dan 25 t per dag». Het gevolg voor de CO2-heffing industrie is dat ook broeikasgasinstallaties die als activiteit hernieuwbare
waterstof produceren, hiervoor dispensatierechten zouden kunnen krijgen. De begripsbepaling
van «broeikasgasinstallatie» in artikel 16b.1, eerste lid, Wm verwijst namelijk naar
de artikelen over het EU ETS die in hoofdstuk 16 Wm zijn opgenomen. In paragraaf 2.12
van het algemeen deel van deze memorie is toegelicht dat het onwenselijk is dat een
significant aantal dispensatierechten binnen de CO2-heffing industrie wordt toebedeeld aan broeikasgasinstallaties voor de productie
van hernieuwbare waterstof. Daarom wordt voorgesteld aan artikel 16b.17 Wm een nieuw
artikellid toe te voegen. Het voorgestelde artikel 16b.17, zesde lid, Wm regelt dat
binnen de CO2-heffing industrie enkel dispensatierechten worden toegekend voor waterstof die is
geproduceerd door reforming of gedeeltelijke oxidatie. Reforming of gedeeltelijke
oxidatie wordt ingezet voor de productie van grijze waterstof en koolstofarme waterstof.
Gevolg van de voorgestelde wijziging is dat geen dispensatierechten meer kunnen worden
toegekend voor de productie van hernieuwbare waterstof. Hierbij wordt de omvang van
de productiecapaciteit als drempel niet overgenomen in het voorgestelde artikel 16b.17,
zesde lid, Wm, zodat de bepaling van toepassing is op alle broeikasgasinstallaties
die waterstof produceren door reforming of gedeeltelijke oxidatie.
Artikel XI
Artikel XI (artikel 5a van de Wet Waardering onroerende zaken)
Op basis van artikel 5 Wet WOZ heeft de Minister van Financiën de bevoegdheid om de
voorzitter van de Waarderingskamer te benoemen. In aanvulling hierop regelt het voorgestelde
artikel 5a, eerste lid, Wet WOZ dat de rol van voorzitter van de Waarderingskamer
wordt uitgeoefend door een cvdK.
Er bestaat de mogelijkheid dat alle commissarissen van de Koning aangeven niet in
voldoende mate beschikbaar te zijn voor de functie van voorzitter van de Waarderingskamer.
Het voorgestelde artikel 5a, tweede lid, Wet WOZ regelt dat in dat geval kan worden
afgeweken van artikel 5a, eerste lid, Wet WOZ. De Minister zal in deze situatie iemand
kunnen benoemen die op dat moment geen cvdK is.
Indien de voorzitter wordt geschorst, onderscheidenlijk ontslagen, regelt het voorgestelde
artikel 5a, derde lid, Wet WOZ dat de plaatsvervangende voorzitter vanaf dat moment
de rol van voorzitter waarneemt voor uiterlijk de duur van de benoemingstermijn van
de voorzitter in wiens plaats de plaatsvervangende voorzitter is getreden. Het maakt
hierbij niet uit of de schorsing, onderscheidenlijk het ontslag, van rechtswege is
of bij besluit van de Minister van Financiën. Dit laat onverlet dat de Minister een
nieuwe voorzitter kan benoemen indien dit nodig is ter vervulling van de tussentijds
opengevallen plaats.
Artikel XII
Artikel XII, onderdeel A (artikel 1:3 van de Algemene douanewet)
Voorgesteld wordt om in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene douanewet (Adw) de
verwijzing naar de Destructiewet te laten vervallen. De Destructiewet is op grond
van artikel IV van de Wet van 11 mei 2007, houdende wijziging van de voorschriften
inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Stb. 2007, 224) ingetrokken met ingang van 1 januari 2008.132 Laatstgenoemde wet zag mede op het opnemen van de voorschriften betreffende dierlijke
bijproducten uit de Destructiewet in hoofdstuk VIIA van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren. Voorgesteld wordt om de voorgestelde wijziging van artikel 1:3, vierde
lid, Adw terug te laten werken tot en met 1 augustus 2008, omdat de Adw met ingang
van die datum in werking is getreden.133 Er was gezien het vervallen van de Destructiewet met ingang van 1 januari 2008 al
sprake van een onjuiste verwijzing naar die wet in artikel 1:3, vierde lid, Adw op
genoemde inwerkingtredingsdatum van de Adw. Daarnaast was op dat moment in artikel
1:3, vierde lid, Adw al een verwijzing opgenomen naar de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren, waardoor een specifieke verwijzing naar hoofdstuk VIIA van de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren niet nodig was.134
Artikel XII, onderdeel B, en artikel XIX, onderdeel F (artikel 10:15 van de Algemene
douanewet en artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
In artikel 10:15, zesde lid, Adw en artikel 76, zesde lid, AWR is een verwijzing opgenomen
naar artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Artikel I, onderdeel
A, onder 1, van de Wet van 28 februari 2013 tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU
van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op
vertolking en vertaling in Strafprocedures (PbEU L 280) (Stb. 2013, 85) heeft artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering met ingang van
1 oktober 2013135 vernummerd tot artikel 23, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verwijzing
naar artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering in artikel 10:15,
zesde lid, Adw en artikel 76, zesde lid, AWR is ten onrechte nog niet gewijzigd. Voorgesteld
wordt om deze omissies te herstellen. Ook wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt
een redactionele wijziging aan te brengen. Er wordt voorgesteld de voorgestelde wijzigingen
te laten terugwerken tot en met 1 oktober 2013, omdat de onjuiste verwijzingen per
die datum zijn ontstaan.
Artikel XII, onderdeel C (artikel 11:13 van de Algemene douanewet)
Artikel 11:13, tweede lid, Adw regelt dat goederen die in beslag zijn genomen in zaken
waarin de inspecteur het proces-verbaal op grond van artikel 10:3, tweede lid, Adw
aan de officier van justitie heeft doen toekomen, niet tegen zekerheidstelling kunnen
worden vrijgegeven. Artikel 10:3, tweede lid, Adw regelt echter niet in welke gevallen
de inspecteur processen-verbaal betreffende strafbare feiten doet toekomen aan de
officier van justitie. Dit is geregeld in artikel 11:3, tweede lid, Adw. Voorgesteld
wordt de in artikel 11:13, tweede lid, Adw opgenomen foutieve verwijzing naar artikel
10:3, tweede lid, Adw te vervangen door een verwijzing naar artikel 11:3, tweede lid,
Adw. Voorgesteld wordt om deze voorgestelde wijziging te laten terugwerken tot en
met 1 augustus 2008, omdat de onjuiste verwijzing per die datum, de inwerkingtredingsdatum
van de Adw, is ontstaan.
Artikel XIII
Artikel XIII, onderdeel A (artikel 2e van de Wet op de accijns)
Artikel 2e WA stelt dat als uitslag tot verbruik mede wordt aangemerkt het overbrengen
van accijnsgoederen die in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen
naar Nederland, om in Nederland voor commerciële doeleinden te worden geleverd of
gebruikt. Als die accijnsgoederen worden ontvangen door een gecertificeerde geadresseerde
bestaat op grond van artikel 2e WA in samenhang met artikel 52, derde lid, onderdeel
e, en 53a, eerste lid, onderdeel b, WA een verplichting tot voldoening van accijns,
ook als die accijnsgoederen daarna worden ingeslagen in een accijnsgoederenplaats.
Na het inslaan van die accijnsgoederen in een accijnsgoederenplaats kan een verzoek
om teruggaaf van accijns worden ingediend op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel
d, WA. Met de voorgestelde wijziging wordt geregeld dat in afwijking van de hoofdregel
niet als uitslag tot verbruik wordt aangemerkt het overbrengen van accijnsgoederen
naar een gecertificeerde geadresseerde die tevens vergunninghouder is van een accijnsgoederenplaats
als hij de accijnsgoederen bij ontvangst onmiddellijk inslaat in die accijnsgoederenplaats.
Hiermee wordt de situatie voorkomen waarin accijns dient te worden voldaan, waarna
direct een recht op teruggaaf ontstaat. De voorgestelde wijziging is toegestaan op
grond van artikel 35, zevende lid, in samenhang met artikel 37, tweede lid, laatste
alinea, van de Horizontale accijnsrichtlijn.
Artikel XIII, onderdeel B (artikel 53a van de Wet op de accijns)
Zoals in het algemeen deel van deze memorie is aangegeven, bevat artikel 53a WA een
afwijkende regeling ten aanzien van de hoofdregel dat de in een tijdvak verschuldigde
accijns op aangifte moet worden voldaan binnen één maand na het einde van het tijdvak.
In de gevallen die in artikel 53a WA zijn genoemd, moet de accijns op aangifte worden
voldaan binnen een andere termijn dan deze maandtermijn. Binnen de afwijkende termijnen
zoals genoemd in artikel 53a WA wordt een aantal wijzigingen voorgesteld. Eveneens
wordt artikel 53a WA in redactioneel opzicht gewijzigd. Zo komt de huidige onderverdeling
van artikel 53a WA in twee leden te vervallen. Voorgesteld wordt alle gevallen waarin
wordt afgeweken van de hiervoor genoemde hoofdregel, op één plaats te regelen (via
onderdelen). Dit met het oog op de overzichtelijkheid en leesbaarheid van de bepaling.
Hierbij wordt voorgesteld alle afwijkende gevallen van uitslag waarvoor een afwijkende
aangiftetermijn geldt, te noemen in de volgorde waarin zij in de WA worden vastgesteld.
Ook deze wijziging is doorgevoerd met het oog op de leesbaarheid van het artikel.
Artikel 53a, eerste lid, van de Wet op de accijns
Met het eerste wijzigingsonderdeel wordt geregeld dat de aanduiding «1.» voor artikel
53a, eerste lid, WA en het tweede lid van dat artikel komen te vervallen. Hiermee
wordt geregeld dat artikel 53a WA niet langer uit leden bestaat. Een inhoudelijke
toelichting op deze wijziging is hieronder opgenomen (artikel 53a, onderdelen a en
b (nieuw), WA)
Artikel 53a, onderdelen a en b (nieuw), van de Wet op de accijns
Op dit moment is zowel in het huidige artikel 53a, eerste lid, onderdeel a, WA als
in het huidige artikel 53a, tweede lid, WA een verwijzing opgenomen naar de situatie,
bedoeld in artikel 52, tweede lid, onderdelen c en e, WA. Op deze manier is in het
huidige artikel 53a, tweede lid, WA derhalve sprake van een «afwijking van een afwijking».136 Om de overzichtelijkheid en leesbaarheid te bevorderen wordt voorgesteld artikel
53a, tweede lid, WA te laten vervallen, en de verwijzing naar artikel 52, tweede lid,
onderdelen c en e, WA te laten terugkomen in een nieuw onderdeel van artikel 53a WA.
Dit betreft het voorgestelde artikel 53a, onderdeel b (nieuw), WA. Vanwege het invoegen
van een nieuw onderdeel b wordt geregeld dat de huidige onderdelen b tot en met d
worden verletterd tot de onderdelen c tot en met e.
In het voorgestelde artikel 53a, onderdeel b (nieuw), WA wordt geregeld dat in afwijking
van de maandtermijn van de AWR de accijns bij toepassing van artikel 52, tweede lid,
onderdeel c, of – voor zover het een geregistreerde geadresseerde betreft – onderdeel
e, WA, op aangifte wordt voldaan uiterlijk op de vrijdag van de week volgend op de
week waarin het tijdstip, bedoeld in artikel 52, tweede lid, onderdelen c of e, WA
is gelegen. Door de verwijzing naar artikel 52, tweede lid, onderdelen c of e, WA
op te nemen in een afzonderlijk onderdeel (namelijk het voorgestelde artikel 53a,
onderdeel b (nieuw), WA), kan zowel de verwijzing naar deze artikelonderdelen in het
huidige artikel 53a, eerste lid, onderdeel a, WA als in het huidige artikel 53a, tweede
lid, WA komen te vervallen.
Aan de aangiftetermijn verandert niets ten opzichte van de termijn die ingevolge het
huidige artikel 53a, tweede lid, WA geldt: er blijft sprake van een weektermijn.
Artikel 53a, onderdeel c (nieuw), van de Wet op de accijns
Ten gevolge van het invoegen van artikel 53a, onderdeel b (nieuw), WA zoals hiervoor
toegelicht, worden de huidige onderdelen b tot en met d van artikel 53a, eerste lid,
WA verletterd tot de onderdelen c tot en met e.
De voorgestelde wijziging in artikel 53a, onderdeel c (nieuw, het betreft hier het
te verletteren onderdeel b), WA is redactioneel van aard. De wijziging volgt uit de
keuze om ten aanzien van twee van de situaties die in dit onderdeel werden genoemd,
nieuwe aangiftetermijnen vast te stellen. De verwijzing naar deze situaties kan dientengevolge
komen te vervallen. Het gaat om de verwijzing naar artikel 52, derde lid, onderdelen
e en f, WA. Deze situaties komen terug in het voorgestelde artikel 53a, onderdelen
e (nieuw) en f (nieuw), WA.
Artikel 53a, onderdeel e (nieuw), van de Wet op de accijns
Op dit moment dient de accijns bij toepassing van artikel 2e, eerste lid, WA uiterlijk
een dag na vaststelling van het belastbare feit op aangifte te worden voldaan.137 Artikel 2e, eerste lid, WA stelt vast dat ook het overbrengen van accijnsgoederen
die in een andere lidstaat al tot verbruik zijn uitgeslagen en naar Nederland worden
overgebracht om hier voor commerciële doeleinden te worden geleverd of gebruikt, als
uitslag tot verbruik wordt aangemerkt. Op grond van artikel 52, derde lid, onderdeel
e, WA vindt dat belastbare feit plaats op het moment dat de goederen in ontvangst
zijn genomen door de gecertificeerde geadresseerde. Met het voorgestelde artikel 53a,
onderdeel e (nieuw), WA wordt geregeld dat de gecertificeerd geadresseerde in het
vervolg tot de vrijdag volgend op de week waarin de goederen in ontvangst zijn genomen,
de tijd heeft om de accijns op aangifte te voldoen. De ratio daarvan is toegelicht
in het algemeen deel van deze memorie.
Artikel 53a, onderdeel f, van de Wet op de accijns
Ingeval een buitenlandse verzender accijnsgoederen naar Nederland verzendt en daarvoor
in Nederland geen fiscaal vertegenwoordiger aanstelt, maar in plaats daarvan zelf
aangifte doet, heeft de belastingplichtige ingevolge artikel 53a, eerste lid, onderdeel
b, WA (via de verwijzing naar artikel 52, derde lid, onderdeel f, WA) na het tijdstip
van de levering van de accijnsgoederen een dag de tijd om de accijns op aangifte te
voldoen. De aangiftetermijn voor dit geval wordt verlengd tot uiterlijk de vrijdag
volgend op de in een week op grond van artikel 52, derde lid, onderdeel f, WA verschuldigd
geworden accijns. De ratio daarvan is toegelicht in het algemeen deel van deze memorie.
Artikel 53a, onderdeel g, van de Wet op de accijns
Ingeval zich in Nederland een onregelmatigheid heeft voorgedaan tijdens de overbrenging
van in een andere lidstaat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen138 heeft de belastingplichtige ingevolge het huidige artikel 53a, eerste lid, onderdeel
d, WA na de vaststelling van die onregelmatigheid een maand de tijd om de accijns
op aangifte te voldoen. Op grond van artikel 4, zesde lid, WA is van een onregelmatigheid
sprake als tijdens het vervoer van accijnsgoederen niet is voldaan aan de voorschriften
van bij de overbrenging betrokken personen in strijd met de artikelen 2e, eerste lid,
of 50f, eerste lid, WA of de gebrekkige naleving van de voorschriften vastgesteld
krachtens de artikelen 2e, derde lid, of 2f, tweede lid, WA. De aangiftetermijn voor
deze onregelmatigheid wordt ingekort van een maand naar een dag. Dit gebeurt via een
toevoeging aan de tekst van het huidige artikel 53a, onderdeel d, WA (in dit wetsvoorstel
gaat het door het vervallen van het eerste lid en na toepassing van de voorgestelde
verlettering om artikel 53a, onderdeel g, WA). De ratio daarvan is toegelicht in het
algemeen deel van deze memorie.
Artikel XIII, onderdeel C (artikel 64a van de Wet op de accijns)
In artikel 64a, onderdeel a, WA wordt verwezen naar Richtlijn 2001/82/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek
betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311). Deze
richtlijn is inmiddels ingetrokken en vervangen door een verordening. Het gaat hierbij
om Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018
betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PbEU 2019,
L4). Daarom wordt de verwijzing in artikel 64a, onderdeel a, WA vervangen.
Artikel XIII, onderdeel D (artikel 81 van de Wet op de accijns)
In artikel 81 WA is geregeld dat in de vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor
tabaksproducten kan worden toegestaan dat de vergunninghouder onder daarbij te stellen
voorwaarden gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak en tabaksproducten, al dan niet
voorzien van accijnszegels, tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats bepaalde bewerkingen
of verpakkingshandelingen kan laten ondergaan zonder dat het tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats
brengen van die producten, in afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, WA
wordt aangemerkt als uitslag tot verbruik. Met de voorgestelde wijziging wordt deze
bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard ten aanzien van de accijnsgoederen
bier, wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende producten. Op deze manier kan
ten aanzien van deze producten ook in de vergunning voor de accijnsgoederenplaats
worden toegestaan dat de producten, onder bij de vergunning te stellen voorwaarden,
tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats bepaalde bewerkingen of verpakkingshandelingen
kunnen ondergaan, zonder dat hierbij sprake is van uitslag tot verbruik.
Hiertoe wordt de huidige tekst van artikel 81 WA omgevormd tot eerste lid van dit
artikel. Aan artikel 81 WA wordt vervolgens een lid toegevoegd, waarin de bepalingen
die gelden ten aanzien van de vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten
van overeenkomstige toepassing worden verklaard ten aanzien van de vergunning voor
een accijnsgoederenplaats voor bier, wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende
producten.
Artikel XIV
Artikel XIV, onderdeel A (artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)
Voorgesteld wordt om een lid toe te voegen aan artikel 7 Awir. Zoals toegelicht in
het algemeen deel van deze memorie wordt voorgesteld de in artikel 47, tweede lid,
Awir opgenomen grondslag voor de in die regeling opgenomen uitzonderingen te herformuleren
en te verplaatsen naar artikel 7, achtste lid, Awir. In artikel 7 Awir wordt het begrip
«draagkracht» uitgewerkt. De draagkracht wordt in eerste instantie bepaald door het
toetsingsinkomen van de belanghebbende en indien van toepassing van zijn partner of
medebewoner(s). Voor een aantal inkomensafhankelijke regelingen is ook het aanwezige
vermogen van belang voor de bepaling van de draagkracht. Het kabinet acht het daarom
passender om in dit artikel de delegatiegrondslag voor vermogenstoetsuitzonderingen
op te nemen.
Artikel XIV, onderdeel B (artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)
Voorgesteld wordt om artikel 47, tweede en derde lid, Awir te laten vervallen. Artikel
47, tweede lid, Awir bevat de delegatiegrondslag voor het vaststellen van vermogenstoetsuitzonderingen.
De delegatiegrondslag in dit artikel kan komen te vervallen in verband met het verplaatsen
van de delegatiegrondslag naar het voorgestelde artikel 7, achtste lid, Awir, zoals
toegelicht in het algemeen deel van deze memorie en de artikelsgewijze toelichting
bij artikel XIV, onderdeel A. Voorts wordt, zoals eveneens toegelicht in het algemeen
deel van deze memorie, voorgesteld om artikel 47, derde lid, Awir te laten vervallen.
De voorhangprocedure die van toepassing is bij de totstandkoming van een ministeriële
regeling op grond van artikel 47, tweede lid, Awir vervalt hiermee. Bij het voorstel
om de grondslag bij ministeriële regeling vermogenstoetsuitzonderingen vast te stellen
te verplaatsen van artikel 47, tweede lid, Awir naar artikel 7, achtste lid, Awir,
wordt geen nieuwe voorhangbepaling voorgesteld.
In verband met het vervallen van artikel 47, tweede en derde lid, Awir wordt voorts
voorgesteld de aanduiding «1.» voor de tekst van artikel 47, eerste lid, Awir te laten
vervallen. Het huidige artikel 47 Awir bestaat immers uit drie leden. Na het voorgestelde
vervallen van artikel 47, tweede en derde lid, Awir heeft het artikel geen leden meer.
Artikel XV
Artikel XV, onderdeel A (artikel 222 van de Provinciewet)
Op grond van artikel IX, onderdeel B, vervalt met ingang van 1 januari 2027 de OVR
in de Wet MRB 1994. Deze OVR voorziet sinds 2014 in een verlaagd tarief voor de mrb
voor motorrijtuigen tussen 26 en 40 jaar oud met een datum eerste toelating van vóór
1 januari 1988. Omdat de provinciale opcenten in samenhang met de mrb wordt uitgevoerd,
is het noodzakelijk om ook de bepaling hierover in de Provinciewet te laten vervallen.
Artikel XV, onderdelen B, C, D, en E, artikel XVI, artikel XVII (artikelen 232da en
232ea van de Provinciewet, artikelen 254a en 255a van de Gemeentewet en artikelen
143a en 144a van de Waterschapswet)
Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie wordt voorgesteld om de wijziging
van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale
belastingen vooralsnog niet van toepassing te laten zijn. In de Provinciewet, Gemeentewet
en Waterschapswet is echter bepaald dat de invordering van decentrale belastingen
plaatsvindt met toepassing van de IW 1990. Door de gedeeltelijke inwerkingtreding
van de zogenoemde Wet Stroomlijnen zal de wijziging van de rechtsbescherming bij uitstel
van betaling en kwijtschelding van belasting daarom met ingang van 1 januari 2027
ook gaan gelden voor decentrale belastingen, tenzij aanvullend wordt geregeld dat
deze wijziging voor decentrale belastingen (nog) niet geldt.
Uitstel van betaling
Om de fiscale rechtsbescherming nog niet van toepassing te laten zijn bij uitstel
van betaling van decentrale belastingen, wordt voorgesteld de Provinciewet, Gemeentewet
en Waterschapswet aan te passen. Met de voorgestelde artikelen 232da van de Provinciewet,
254a van de Gemeentewet, en 143a van de Waterschapswet wordt geregeld dat de rechtsbescherming
zoals deze thans van toepassing is bij uitstel van betaling (administratief beroep)
blijft gelden voor de decentrale belastingen. Concreet wordt dan ook voorgesteld dat
een belastingschuldige die het niet eens is met een uitstelbeschikking, binnen tien
dagen na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt,
administratief beroep kan instellen bij het college van gedeputeerde staten, het college
van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap.
Dit betreffen de administratieve beroepsorganen van de gemeenten, de provincies, onderscheidenlijk
de waterschappen (hierna: administratief beroepsorgaan).
Dit beroep wordt, onder vermelding van de gronden van het beroep, gericht aan het
administratief beroepsorgaan. Het beroep moet worden ingediend bij de provincieambtenaar
belast met de invordering van provinciale belastingen, de gemeenteambtenaar belast
met de invordering van gemeentelijke belastingen of de ambtenaar van het waterschap
belast met de invordering van waterschapsbelastingen (hierna: decentrale invorderingsambtenaar)
die de beschikking heeft gegeven. Wanneer de decentrale invorderingsambtenaar naar
aanleiding van het beroepschrift een gunstigere beschikking kan afgeven, handelt hij
het verzoek zelf af en geeft hij een nieuwe beschikking af. Tegen deze beschikking
kan de belastingschuldige desgewenst in beroep komen bij het administratief beroepsorgaan.
Wanneer de decentrale invorderingsambtenaar geen gunstigere beslissing kan nemen,
zal hij het beroepschrift doorsturen naar het administratief beroepsorgaan.
Het administratief beroepsorgaan beslist bij uitspraak op het administratief beroep.
De uitspraak wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door uitreiking of toezending
van een gedagtekende kennisgeving. Hierbij kan het administratief beroepsorgaan het
verzoek om uitstel van betaling alsnog toewijzen of afwijzen onder verbetering of
vervanging van de gronden.
Daarnaast kan een belastingschuldige ook administratief beroep instellen bij het administratief
beroepsorgaan wanneer een beslissing van de decentrale invorderingsambtenaar op een
verzoek om uitstel van betaling uitblijft. In dergelijke gevallen kan het administratief
beroepsorgaan, indien uitstel van betaling had moeten worden verleend, zelf een inhoudelijk
besluit nemen over het verlenen van uitstel van betaling. Het administratief beroepsorgaan
hoeft dan niet te volstaan met de uitspraak dat de decentrale invorderingsambtenaar
niet tijdig heeft beslist.
Wanneer een belastingschuldige thans administratief beroep instelt tegen een uitstelbeschikking
zijn de regels die hierbij gelden voor rijksbelastingen, zoals uitgewerkt in artikel
25.7 van de Leidraad Invordering 2008 (LI 2008). Decentrale overheden hebben eigen
leidraden (beleidsregels).139 De voorgestelde regels over administratief beroep worden deels opgenomen in de Provinciewet,
de Gemeentewet, onderscheidenlijk de Waterschapswet. In de LI 2008 zijn daarnaast
een aantal specifieke regels opgenomen over de handelwijze bij de behandeling van
een administratief beroep. Hierbij gaat het onder meer over de houding van de decentrale
invorderingsambtenaar tijdens de behandeling van een administratief beroep, de afhandeling
van onduidelijke beroepsgronden en de behandeling van herhaalde verzoeken om uitstel
van betaling. Deze specifieke regels zullen niet in de wet worden opgenomen, maar
kunnen gehandhaafd blijven of opgenomen worden in de eigen leidraden van de decentrale
overheden.
Kwijtschelding
Om de fiscale rechtsbescherming vooralsnog niet van toepassing te laten zijn bij kwijtschelding
van decentrale belastingen wordt voorgesteld om artikel 232ea van de Provinciewet,
artikel 255a van de Gemeentewet en artikel 144a van de Waterschapswet op te nemen.
Met deze voorgestelde bepalingen wordt geregeld dat de rechtsbescherming zoals deze
thans van toepassing is bij kwijtschelding (administratief beroep) blijft gelden voor
de decentrale belastingen.
In artikel 232e, tweede lid, van de Provinciewet, artikel 255, tweede lid, van de
Gemeentewet en artikel 144, tweede lid, van de Waterschapswet is geregeld dat bij
de kwijtschelding van de decentrale belastingen de regels van toepassing zijn die
gelden bij de kwijtschelding van rijksbelastingen, zoals opgenomen in de artikelen
26 en 26a IW 1990 en de artikelen 24 en 25 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet
1990 (URIW 1990). In de artikelen 24 en 25 URIW 1990 zijn de regels opgenomen die
gelden bij een administratief beroep tegen een kwijtscheldingsbeschikking. Met de
voorgestelde wijziging worden de regels die in de URIW 1990 zijn opgenomen overgeheveld
naar de Provinciewet, de Gemeentewet, onderscheidenlijk de Waterschapswet.
Voorgesteld wordt in de Provinciewet, Gemeentewet en Waterschapswet op te nemen dat
een belastingschuldige die zich niet kan verenigen met de kwijtscheldingsbeschikking
binnen tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving, waarmee de kwijtscheldingsbeschikking
is bekendgemaakt, administratief beroep kan instellen bij het administratief beroepsorgaan.
Dit beroep wordt, onder vermelding van de gronden van het beroep, gericht aan het
administratief beroepsorgaan. Het beroep moet worden ingediend bij de decentrale invorderingsambtenaar
die de beschikking heeft gegeven. Wanneer de decentrale invorderingsambtenaar naar
aanleiding van het beroepschrift een gunstigere beschikking kan afgeven, handelt hij
het verzoek zelf af en geeft hij een nieuwe beschikking af. Tegen deze beschikking
kan de belastingschuldige desgewenst in beroep komen bij het administratief beroepsorgaan.
Wanneer de decentrale invorderingsambtenaar geen gunstigere beslissing kan nemen,
zal hij het beroepschrift doorsturen naar het administratief beroepsorgaan.
Wanneer het administratief beroepsorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet kan komen
aan het beroep van de belastingschuldige, stelt hij bij de uitspraak het bedrag van
de kwijtschelding vast. De belastingschuldige ontvangt hiervan een kennisgeving. De
uitspraak wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door uitreiking of toezending
van een gedagtekende kennisgeving. Bij een afwijzing kan een administratief beroepsorgaan
de gronden van de afwijzing desgewenst verbeteren of vervangen.
Voorts kan een belastingschuldige administratief beroep instellen bij het administratief
beroepsorgaan tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om kwijtschelding.
In dergelijke gevallen kan het administratief beroepsorgaan, wanneer kwijtschelding
van belasting had moeten worden verleend, zelf een inhoudelijk besluit nemen over
het verlenen van kwijtschelding. Het administratief beroepsorgaan hoeft dan niet te
volstaan met de uitspraak dat de decentrale invorderingsambtenaar niet tijdig heeft
beslist.
Net als bij uitstel van betaling zijn er ook bij kwijtschelding van belasting specifieke
regels opgenomen over de handelwijze bij de behandeling van een administratief beroep.
Deze zijn eveneens uitgewerkt in de decentrale leidraden die gebaseerd zijn op de
LI 2008. Het gaat hierbij onder meer over de houding van de decentrale invorderingsambtenaar
gedurende de behandeling van een administratief beroep, de situatie dat het beroepschrift
onvoldoende duidelijk is en welke gegevens en normen in acht moeten worden genomen
bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding. Deze specifieke regels zullen
niet in de wet worden opgenomen, maar gehandhaafd blijven in de leidraden van de decentrale
overheden.
Vervallen afwijkende bepalingen Provinciewet, Gemeentewet en Waterschapswet
In het algemeen deel van deze memorie is toegelicht dat wordt voorgesteld om de wijziging
van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding van belastingen
vooralsnog niet in werking te laten treden ter zake van decentrale belastingen. De
intentie bestaat evenwel om deze wijziging op een later moment alsnog door te voeren,
zodra dit uitvoerbaar wordt geacht.
Om die reden wordt voorgesteld om te voorzien in de mogelijkheid om de bepalingen
die ertoe strekken de bestaande rechtsbescherming te continueren, op een later bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip te laten vervallen. Deze werkwijze waarborgt
flexibiliteit in de implementatie en voorkomt dat op een later moment opnieuw wetgevingstrajecten
doorlopen moeten worden om de wijziging van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling
en kwijtschelding van decentrale belastingen alsnog in werking te laten treden.
Door het op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip laten vervallen van de
bepalingen die het huidige regime handhaven, kan op dat moment alsnog de beoogde wijziging
van de rechtsbescherming ten aanzien van uitstel van betaling en kwijtschelding bij
decentrale belastingen in werking treden.
Artikel XVIII
Artikel XVIII (artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht)
In bijlage 2 Awb is de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak opgenomen. In artikel
1 van deze bijlage is opgenomen tegen welke besluiten in relatie tot onder meer de
IW 1990 geen beroep kan worden ingesteld. Thans is opgenomen dat tegen besluiten van
de IW 1990 geen beroep kan worden ingesteld, met uitzondering van besluiten op grond
van de artikelen 30, 49 en 62a IW 1990. Dit betreffen besluiten met betrekking tot
de invorderingsrente, een aansprakelijkstelling, onderscheidenlijk een kostenvergoeding
bij een onrechtmatige verplichting.
Bij besluiten die volgen uit de IW 1990 is slechts in een aantal specifieke gevallen
het fiscale procesrecht van overeenkomstige toepassing verklaard, via hoofdstuk V
van de AWR. Daarom vermeld bijlage 2 Awb dat tegen besluiten genomen op grond van
de IW 1990 geen beroep kan worden ingesteld, behoudens de gevallen die expliciet in
die bijlage zijn opgenomen. Dit betreft de sinds jaar en dag gehanteerde negatieve
lijstsystematiek.
Met ingang van 1 januari 2027 wijzigt de rechtsbescherming bij uitstel van betaling
en kwijtschelding van belastingschulden. In navolging hiervan wordt voorgesteld de
artikelen 25 en 26 IW 1990 aan de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak toe te
voegen. Voorts wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om voor te stellen eerdere
wijzigingen in de IW 1990 waarbij wél beroep kan worden ingesteld op te nemen in de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Het gaat hierbij om de artikelen 22bis,
26a en 63b IW 1990. Deze artikelen zien op de meldingsplicht gerechtigden tot een
bodemzaak, ambtshalve kwijtschelding gedupeerde kinderopvangtoeslag, onderscheidenlijk
bestuurlijke boetes. Deze bepalingen zijn destijds – bij de introductie van de genoemde
bepalingen – per abuis niet opgenomen in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
Tot slot wordt voorgesteld ook de in dit wetsvoorstel voorgestelde bepalingen – te
weten de artikelen 254a en 255a van de Gemeentewet, de artikelen 232da en 232ea van
de Provinciewet en de artikelen 143a en 144a van de Waterschapswet – op te nemen in
artikel 1 van bijlage 2 Awb. Daarmee wordt geregeld dat tegen besluiten op administratief
beroep betreffende uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale belastingen
geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Voor deze nieuwe bepalingen
geldt dat de rechtsbescherming voorlopig blijft bestaan uit de mogelijkheid van administratief
beroep. Het uitsluiten van beroep is daarmee in lijn met de opzet van de voorgestelde
wijzigingen van de Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet.
Vervallen bepalingen Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet
Zoals hiervoor toegelicht bestaat de intentie om de rechtsbescherming bij uitstel
van betaling en kwijtschelding van decentrale belastingen op een later moment alsnog
door te voeren, zodra dit uitvoerbaar wordt geacht. Om die reden wordt eveneens voorgesteld
om de bepalingen die als gevolg van deze wijzigingen worden opgenomen in artikel 1
van bijlage 2 Awb, op een later bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip te laten
vervallen.
Artikel XIX
Artikel XIX, onderdeel A (artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
De voorgestelde wijziging van artikel 2, vijfde lid, AWR herstelt een foutieve verwijzing.
Artikel 2, vijfde lid, AWR regelt dat het formele heffingsrecht inzake conserverende
belastingaanslagen zo veel mogelijk gelijkloopt met hetgeen geldt voor de reguliere
belastingheffing. Hetgeen bij of krachtens de AWR wordt bepaald inzake de voorlopige
aanslag, aanslag of navorderingsaanslag is door deze (schakel)bepaling van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de voorlopige conserverende aanslag, conserverende aanslag,
onderscheidenlijk conserverende navorderingsaanslag. Daarbij zou moeten worden verwezen
naar het onderdeel in artikel 2, derde lid, AWR met daarin de definitie van «belastingaanslag».
Ingevolge de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen heeft met ingang van 1 januari
2025 een verlettering plaatsgevonden in artikel 2, derde lid, AWR. Abusievelijk is
toen de verwijzing in artikel 2, vijfde lid, aanhef, AWR hier niet op aangepast. Deze
foutieve verwijzing wordt hiermee hersteld. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging
beoogd. Er wordt voorgesteld deze voorgestelde wijziging terug te laten werken tot
en met 1 januari 2025, omdat deze onjuiste verwijzing per die datum is ontstaan.
Artikel XIX, onderdeel B (artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
Artikel 13 AWR ziet op de voorlopige aanslag. Ingevolge artikel 13, eerste lid, AWR
heeft de inspecteur de bevoegdheid om bij tijdvakbelastingen een voorlopige aanslag
op te leggen naar het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.
Artikel 13, vijfde lid, AWR bevat voor bepaalde situaties de bevoegdheid voor de inspecteur
om van het opleggen van een voorlopige aanslag af te zien of een voorlopige aanslag
op te leggen tot een ander bedrag dan volgt uit artikel 13, eerste lid, AWR. Het gaat
op grond van artikel 13, vijfde lid, onderdeel b, AWR om onder andere de situatie
waarin aan de belastingplichtige een vergrijpboete is opgelegd op grond van de AWR
of de Awir. Momenteel wordt in artikel 13, vijfde lid, onderdeel b, AWR verwezen naar
artikel 40 Awir. Laatstgenoemd artikel ziet echter op beboeting van verzuimsituaties.
Artikel 41 Awir ziet op beboeting van vergrijpsituaties. De verwijzing naar artikel
40 Awir is dus onjuist omdat naar artikel 41 Awir moet worden verwezen. De voorgestelde
wijziging van artikel 13, vijfde lid, onderdeel b, AWR herstelt deze omissie door
de in dat artikel opgenomen verwijzing naar artikel 40 Awir te vervangen door een
verwijzing naar artikel 41 Awir.
Artikel XIX, onderdelen C en D (hoofdstuk IVbis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
Het voorgestelde artikel 20c AWR is een delegatiebepaling op grond waarvan bij algemene
maatregel van bestuur voorwaarden kunnen worden gesteld voor het verstrekken van staatssteun
die voortvloeit uit de toepassing van een belastingwet. Daarbij wordt voorgesteld
een artikel in te voegen in hoofdstuk IVbis AWR. Reden daarvoor is dat de bestaande
artikelen van hoofdstuk IVbis AWR (artikelen 20a en 20b AWR) verband houden met terugvordering
van staatssteun. De voorgestelde delegatiebepaling ziet echter niet op terugvordering
van staatssteun, maar op voorwaarden voor de verstrekking van staatssteun. Daarom
past een afzonderlijk artikel waarin deze delegatiebepaling wordt opgenomen beter.
Met de zinsnede «die voortvloeit uit de toepassing van een belastingwet» wordt, in
navolging van de tekst van artikel 20a AWR, tot uitdrukking gebracht dat het niet
om alle vormen van staatssteun gaat, maar enkel om fiscale staatssteun. De inspecteur
gaat in beginsel immers ook alleen over de toepassing van fiscale regelingen die als
staatssteun zijn aangemerkt. Moet de inspecteur gelet op bijvoorbeeld de Deggendorf-clausule
beoordelen of die toepassing moet worden geweigerd, dan heeft hij met het terugvorderingsbesluit
van de EC voldoende informatie om die beoordeling te kunnen maken. Het voorgestelde
artikel 20c AWR maakt dat het huidige opschrift van hoofdstuk IVbis AWR de lading
van dat hoofdstuk minder goed dekt. Als gevolg van de voorgestelde delegatiebepaling
gaat het namelijk om meer dan alleen bepalingen inzake terugvordering van staatssteun.
Daarom wordt voorgesteld het opschrift van hoofdstuk IVbis AWR te wijzigen naar een
opschrift dat de lading beter dekt, te weten «Bepalingen inzake staatsteun».
Artikel XIX, onderdeel E (artikel 30k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
Artikel 30k AWR voorziet erin dat de Minister van Financiën belastingrente kan matigen
in het kader van een onderlinge overlegprocedure. De wettelijke grondslag op basis
waarvan een onderlinge overlegprocedure wordt gevoerd, is afhankelijk van de keuze
van de belastingplichtige. De belastingplichtige kan in aanmerking komen voor matiging
van de belastingrente, ongeacht de gekozen wettelijke grondslag. Abusievelijk is een
onderlinge overlegprocedure die wordt gevoerd op basis van de Wet fiscale arbitrage
niet opgenomen in artikel 30k AWR. Voorgesteld wordt deze omissie met dit wetsvoorstel
te herstellen en aan deze wijziging terugwerkende kracht toe te kennen tot en met
16 juli 2019, zijnde de datum waarop de Wet fiscale arbitrage in werking is getreden.
Ook wanneer een onderlinge overlegprocedure wordt gevoerd op basis van de Wet fiscale
arbitrage kan de Minister de belastingrente matigen.
Artikel XIX, onderdeel F (artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
Voor een toelichting op de voorgestelde wijziging van artikel 76, zesde lid, derde
zin, AWR wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van artikel
10:15 Adw (artikel XII, onderdeel B).
Artikel XX
Artikel XX, onderdeel A (artikel 31a van de Invorderingswet 1990)
Artikel 31a IW 1990 voorziet erin dat de Minister van Financiën invorderingsrente
kan matigen in het kader van een onderlinge overlegprocedure. Abusievelijk is een
onderlinge overlegprocedure die wordt gevoerd op basis van de Wet fiscale arbitrage
niet opgenomen in artikel 31a IW 1990. Voorgesteld wordt deze omissie met dit wetsvoorstel
te herstellen. Voor een nadere toelichting op deze voorgestelde wijziging wordt verwezen
naar de toelichting ter zake van de in artikel XIX, onderdeel E, voorgestelde wijziging
van artikel 30k AWR.
Artikel XX, onderdeel B (artikel 44b van de Invorderingswet 1990)
Voor een toelichting op de voorgestelde wijziging wordt verwezen naar de toelichting
op artikel I, onderdeel D.
Artikel XXI
Artikel XXI (artikel 1 van de wet van 29 april 1998 tot aanwijzing van een controleautoriteit
als bedoeld in artikel 37 van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van de Europese
Unie van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve
autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie
met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PbEG
L 82) (Stb. 1998, 268))
Deze voorgestelde wijziging betreft een technische aanpassing van artikel 1 van de
Wet van 29 april 1998 tot aanwijzing van een controleautoriteit als bedoeld in artikel
37 van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van de Europese Unie van 13 maart 1997
betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de
lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog
op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PbEG L 82) (Stb. 1998, 268). In eerstgenoemd artikel wordt verwezen naar het College bescherming persoonsgegevens
als bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Die wet is met
ingang van 25 mei 2018 ingetrokken op grond van artikel 51 van de Uitvoeringswet Algemene
verordening gegevensbescherming.140
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft met de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet
Algemene verordening gegevensbescherming de taken en bevoegdheden van het College
bescherming persoonsgegevens overgenomen. De onderhavige bepaling is ten onrechte
nog niet aangepast. Met de voorgestelde wijziging wordt deze omissie hersteld door
de verwijzing naar het College bescherming persoonsgegevens te vervangen door een
verwijzing naar de Autoriteit persoonsgegevens. Voorgesteld wordt om deze voorgestelde
wijziging te laten terugwerken tot en met 25 mei 2018, omdat de Autoriteit Persoonsgegevens
met ingang van die datum de taken en bevoegdheden van het College bescherming persoonsgegevens
heeft overgenomen.
Artikel XXII
Artikel XXII (artikel XXI van het Belastingplan 2024)
Artikel XXI van het Belastingplan 2024 regelt dat met ingang van 1 januari 2028 een
vaste peildatum – namelijk 1 januari 1988 – wordt geïntroduceerd voor de oldtimerregeling
in de mrb. De in artikel IX, onderdeel B, opgenomen wijziging van artikel 72, eerste
lid, onderdeel b, Wet MRB 1994 houdt in dat de inwerkingtreding van deze vaste peildatum
wordt vervroegd naar 1 januari 2027. Artikel XXI van het Belastingplan 2024 treft
dan geen doel meer. Daarom wordt voorgesteld dat artikel te laten vervalen.
Artikel XXIII
Artikel XXIII (artikelen XII, XIII, onderdelen A, B, C, onder 2, en E, en de artikelen
XIV tot en met XIX van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017)
Voorgesteld wordt de onderdelen uit de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 die zien op
het stroomlijnen van invorderingswet- en regelgeving te laten vervallen.141 Het gaat om artikel XII dat wijzigingen aanbrengt in de Awir, artikel XIII, onderdelen
A, B, C, onder 2, en E, dat wijzigingen aanbrengt in de IW 1990, artikelen XIV tot
en met XVIII dat wijzigingen aanbrengt in de diverse toeslagwetten en artikel XI dat
ziet op preferentie van toeslagvorderingen. Hierna wordt beknopt toegelicht wat deze
betreffende wijzigingen opgenomen in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 inhouden
en waarom deze kunnen vervallen.142
I. De aanwijzing van de ontvanger als het bevoegde bestuursorgaan voor de invordering
van belasting- en toeslagschulden
Het stroomlijnen van de invorderingswet- en regelgeving bij belastingen en toeslagen
is in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 gerealiseerd door de IW 1990 (grotendeels)
van toepassing te verklaren op de invordering van terug te betalen toeslagen.143 Dit heeft tot gevolg dat de Dienst Toeslagen niet langer het bevoegde bestuursorgaan
is voor de uitbetaling van voorschotten en tegemoetkomingen en de invordering van
toeslagschulden. Deze bevoegdheid gaat met de wijziging over op de ontvanger, hij
vordert toeslagschulden in en betaalt toeslagen uit met toepassing van de bepalingen
in de IW 1990. De Dienst Toeslagen blijft ingevolge artikel XII, onderdeel A, van
de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 wel de bevoegdheid houden om een toeslag toe te
kennen en een terug te vorderen bedrag vast te stellen.144 De huidige wet- en regelgeving voor de invordering van belastingschulden en het terugvorderen
van toeslagen kent twee afzonderlijke bestuursorganen. De directeuren van de onderdelen
van de Belastingdienst die zijn belast met de invordering van rijksbelastingen145 zijn bevoegd tot het invorderen van belastingschulden en zijn gemandateerd om namens
de Dienst Toeslagen146 toeslagschulden te innen. Gezien de ontvlechting van de Belastingdienst is het niet
langer logisch om de ontvanger aan te wijzen als het bevoegde bestuursorgaan voor
de terugvordering van toeslagen. De Dienst Toeslagen maakt als gevolg van de ontvlechting
geen onderdeel meer uit van de Belastingdienst en is sindsdien een zelfstandig onderdeel
binnen het Ministerie van Financiën. De aard van belasting- en toeslagschulden en
de aard van de doelgroepen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen verschillen
immers, dit rechtvaardigt een verschillende aansturing en benadering. Hierbij kan
worden gewezen op de invorderingsstrategieën van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen,
welke op deze gronden afzonderlijk zijn uitgewerkt.147
II. De introductie van een debiteurgerichte (in plaats van vorderingsgerichte) betalingsregeling
voor (in beginsel) burgers
Met de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 wordt artikel 25 IW 1990 gewijzigd (artikel
XIII, onderdeel C, van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017). In de eerste plaats wordt
de rechtsbescherming gewijzigd.148 Daarnaast wordt een delegatiebepaling opgenomen. Met deze delegatiebepaling wordt
een debiteurgerichte betalingsregeling voor belastingen en toeslagen geïntroduceerd.
Deze regeling is nader uitgewerkt in een wijziging van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet
1990 (URIW 1990).149
Onder de huidige situatie wordt voor iedere nieuw opkomende toeslagschuld een separate
betalingsregeling getroffen. Voor belastingschulden geldt dit niet. Tijdens een betalingsregeling
dienen nieuwe belastingschulden tijdig te worden voldaan en kan slechts onder bepaalde
voorwaarden een nieuwe belastingschuld worden toegevoegd aan een lopende betalingsregeling.
Burgers met toeslag- en belastingschulden kunnen op basis van de huidige praktijk
geconfronteerd worden met een stapeling van betalingsregelingen onder verschillende
voorwaarden. Voor elke betalingsregeling ontvangt de burger een aparte (papieren)
berichtenstroom. Hierdoor kunnen burgers het overzicht op hun totale schuldpositie
verliezen.150
De oplossing voor deze knelpunten in de vorm van een debiteurgerichte (in plaats van
de huidige vorderingsgerichte) betalingsregeling is echter inmiddels ingehaald door
nieuwe initiatieven.
Het kabinet zet in op het terugdringen van het aantal burgers met problematische schulden.
De Belastingdienst, de Dienst Toeslagen, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de
RVO, de Sociale verzekeringsbank (SVB), het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB),
het UWV en het Centraal Administratie Kantoor (CAK) dragen hieraan bij door in het
samenwerkingsverband Clustering Rijksincasso (CRI) te werken aan incasso als één overheid.
Het Vorderingenoverzicht Rijk en de Betalingsregeling Rijk zijn twee CRI-initiatieven
die trachten bij te dragen aan het terugdringen en voorkomen van problematische schulden
bij natuurlijke personen (particulieren en ondernemers, hierna: burgers). Met het
Vorderingsoverzicht Rijk krijgen burgers hun openstaande schulden bij verschillende
overheidsorganisaties getoond in één overzicht. De Belastingdienst en de Dienst Toeslagen
streven ernaar om met clusters van vorderingen aan te sluiten op de testomgeving van
het Vorderingenoverzicht Rijk. Deze aansluiting volgt op de ontsluiting van vorderingen
op het Geldzaken Klantportaal: het eigen digitale vorderingenoverzicht van de Belastingdienst
en de Dienst Toeslagen. Met de introductie van het Geldzaken Klantportaal en vervolgens
het Vorderingenoverzicht Rijk wordt het bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 gesignaleerde
knelpunt «burgers verliezen vaak het overzicht op de totale schuldpositie» opgelost.
De oplossing in de vorm van het Vorderingenoverzicht Rijk gaat hierbij nog verder,
aangezien meer overheidsinstanties dan de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen bij
het Vorderingsoverzicht Rijk zijn aangesloten. Hierdoor krijgen burgers een omvangrijker
beeld van hun schulden aan de aangesloten overheidsinstanties.
Als onderdeel van CRI kan voorts sinds december 2022 een Betalingsregeling Rijk door
burgers worden aangevraagd. Vorderingen van onder meer het CJIB, CAK, UWV, DUO, RVO
en SVB kunnen worden betrokken in deze Betalingsregeling Rijk. De Belastingdienst
en de Dienst Toeslagen werken eraan om deelname aan de Betalingsregeling Rijk mogelijk
te maken.151 Het streven is dat alle deelnemende partijen aan CRI in 2027 de mogelijkheid bieden
om een gezamenlijke betalingsregeling aan te gaan.152 De Belastingdienst en de Dienst Toeslagen werken aan een gefaseerde aansluiting bij
deze Betalingsregeling Rijk. Het knelpunt dat burgers met toeslag- en belastingschulden
worden geconfronteerd met een stapeling van betalingsregelingen onder verschillende
voorwaarden wordt gedeeltelijk ondervangen wanneer de burger, na de aansluiting door
de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen op de Betalingsregeling Rijk, verzoekt om
de Betalingsregeling Rijk. De openstaande vorderingen worden in dat geval meegenomen
in één betalingsregeling. Bij de Betalingsregeling Rijk worden naast schulden bij
de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen ook schulden meegenomen van andere overheidsorganisaties,
zodat deze regeling breder is dan de debiteurgerichte betalingsregeling zoals opgenomen
in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017.
Het in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 gesignaleerde knelpunt dat burgers met
toeslag- en belastingschulden op basis van de huidige praktijk worden geconfronteerd
met een stapeling van betalingsregelingen is inmiddels ook door andere maatregelen
verminderd. In het kader van de herijking van de invorderingsstrategie wordt door
de Belastingdienst gewerkt aan een standaardbetalingsregeling153 waarbij een verzoek kan worden gedaan om nieuwe belastingschulden die gedurende de
looptijd van de betalingsregeling ontstaan toe te voegen aan de betalingsregeling.
Bij de Dienst Toeslagen kan er voor iedere terugvordering een afzonderlijke betalingsregeling
worden gestart. In het kader van de herijking van de invorderingsstrategie van de
Dienst Toeslagen is de ambitie kenbaar gemaakt om de mogelijkheid te bieden om één
(gebundelde) betalingsregeling te treffen voor alle terugvorderingen bij toeslagen.
In de huidige praktijk wordt reeds bundeling op verzoek van de burger toegepast en
het voornemen is om op korte termijn in de LI 2008 op te nemen dat een belanghebbende
kan verzoeken om een bundeling van betalingsregelingen.
III. De mogelijkheid tot kwijtschelding van een (eventuele) restschuld na afloop van
een betalingsregeling voor (in beginsel) burgers, ook voor toeslagschulden
Als gevolg van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 wordt kwijtschelding op verschillende
punten gewijzigd.154 Ten eerste wordt de mogelijkheid ingevoerd om rechtstreeks een verzoek te doen om
kwijtschelding van terugvorderingen van toeslagen. Ten tweede wordt kwijtschelding
het sluitstuk bij de maatwerkregeling, die wordt geïntroduceerd met de debiteurgerichte
betalingsregeling.
De IW 1990 biedt reeds de mogelijkheid om kwijtschelding van belastingschulden te
verlenen. Nadat de belastingschuldige zijn betalingscapaciteit via een betalingsregeling
(onder voorwaarden) voor de duur van twaalf maanden heeft aangewend voor de voldoening
van zijn belastingschuld, volgt kwijtschelding van een eventuele restschuld. De Awir
staat op dit moment niet toe dat kwijtschelding wordt verleend (artikel 31bis Awir).
Onder de huidige regeling kan in voorkomende omstandigheden worden besloten dat een
eventuele (rest)schuld niet actief wordt ingevorderd. Een besluit om geen verdere
invorderingsmaatregelen te nemen wordt met een beschikking kenbaar gemaakt. In de
praktijk wordt altijd de voorwaarde opgenomen dat de schuld hierna nog kan worden
verrekend met aan de schuldenaar eenmalig uit te betalen teruggaven van toeslagen
of belastingen, gedurende een periode van drie jaar.155 Met de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen is ingevolge artikel IV, onderdelen
F en H, van die wet voorzien in een wettelijke grondslag voor kwijtschelding in de
Awir. Door deze wettelijke grondslag wordt ook kwijtschelding van toeslagschulden
mogelijk. Kwijtschelding van toeslagschulden wordt dan mogelijk wanneer is voldaan
aan de voorwaarden van de nog op te stellen ministeriële regeling. De wettelijke grondslag
voor kwijtschelding zal op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking
treden. Om te voorkomen dat de Dienst Toeslagen al kwijtschelding dient te verlenen
op grond van de Awb is in artikel 31bis Awir opgenomen dat de Dienst Toeslagen het
bedrag van een terugvordering (inclusief rente, kosten en bestuurlijke boete) niet
kan kwijtschelden. Artikel 31bis Awir zal komen te vervallen op het moment dat de
ministeriële regeling in werking treedt.156 Gelet op het volle IV-portfolio van de Belastingdienst (waaronder de moderniseringsopgave
van inningsystemen) moet worden bezien in welk tempo ontwikkelingen in de automatisering
kunnen worden gerealiseerd en of er voor kleine aantallen een handmatig proces kan
worden ingericht en zo ja, per wanneer.
IV. De rechtsbescherming via de fiscale rechter
Bij de totstandkoming van de Awir is de keuze gemaakt om de Awb rechtstreeks van toepassing
te laten zijn op de Awir. Hierdoor is het open stelsel van bezwaar en beroep dat geldt
op basis van de Awb, alsmede de Awb-rechtsgang van toepassing op beschikkingen van
uitbetalingen en de invordering van toeslagen.157 Dit houdt in dat een burger die zich niet kan verenigen met een beschikking van de
Dienst Toeslagen bezwaar kan maken. Wanneer een burger het niet eens is met de uitspraak
op het bezwaarschrift is beroep bij de bestuursrechter mogelijk. Hierna is – als laatste
instantie – hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State.
Met de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 wordt beoogd om de invorderingswet- en regelgeving
bij de invordering van belasting- en toeslagschulden te stroomlijnen. Om de rechtsbescherming
te stroomlijnen regelt de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 dat de fiscale rechter158 bevoegd wordt ten aanzien van geschillen over uitstel en kwijtschelding van zowel
belasting- als toeslagschulden.159 Voorts wordt de fiscale rechter als gevolg van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017
ook bevoegd ten aanzien van geschillen die betrekking hebben op het opschorten of
afzien van uitbetalingen van toeslagen.
Dit betekent dat wanneer een burger zich niet kan verenigen met een uitstel- of kwijtscheldingsbeschikking
of een geschil aanhangig wil maken in verband met het opschorten of afzien van een
uitbetaling, zich met een bezwaarschrift kan wenden tot de ontvanger. Wanneer een
burger zich niet kan verenigen met de uitspraak van de ontvanger, kan hij in eerste
aanleg beroep instellen bij de rechtbank. Hierna is desgewenst hoger beroep mogelijk
bij het gerechtshof en tot slot kan men zich met een beroep in cassatie wenden tot
de Hoge Raad.
De wijziging van de rechtsbescherming wordt gerealiseerd doordat de ontvanger ook
voor toeslagen het bevoegde bestuursorgaan wordt.
Met ingang van 1 januari 2027 treedt artikel XIII, onderdelen C, onder 1, en D, van
de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 in werking.160 Vanaf dat moment beslist de ontvanger derhalve bij voor bezwaar vatbare beschikking
op een verzoek tot uitstel van betaling of kwijtschelding van belastingschulden.
Het stroomlijnen van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding
van belasting- en toeslagschulden is een logisch gevolg wanneer de ontvanger het bevoegde
bestuursorgaan wordt voor het uitbetalen en de invordering van zowel belastingen als
toeslagen. Als gevolg van de ontvlechting is het niet langer logisch dat de ontvanger
het bevoegde bestuursorgaan wordt voor zowel de invordering van belastingschulden
als de terugvordering van toeslagen. Nu voorgesteld wordt om de debiteurgerichte betalingsregeling
niet in werking te laten treden, is het ook niet langer logisch om de rechtsbescherming
voor toeslagschulden te wijzigen.
Bovendien bestaat de rechtsbescherming bij de Dienst Toeslagen in alle gevallen al
uit bezwaar, beroep bij de bestuursrechter en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State. Dit maakt dat een modernisering, waarbij afscheid wordt genomen
van het administratief beroep, voor de Dienst Toeslagen niet nodig is. Tevens zou
deze wijziging met zich brengen dat uitsluitend voor deze processen (uitstel en kwijtschelding)
een andere vorm van rechtsbescherming gaat gelden. Dit maakt het voor burgers onduidelijker
dan de thans geldende situatie.
V. Uitbreiding van de verrekeningsmogelijkheden
Na inwerkingtreding van de betreffende onderdelen van de Fiscale vereenvoudigingswet
2017 wordt er bij verrekeningen niet langer een onderscheid gemaakt tussen belastingen
en toeslagen. Er zijn concreet twee wijzigingen ten opzichte van het bestaande systeem.
De eerste is dat openstaande schulden gedurende een betalingsregeling niet langer
worden verrekend met lopende voorschotten en voorlopige teruggaven. Onder het bestaande
regime van toeslagen is verrekening met termijnbedragen toegestaan indien en voor
zover deze worden aangewend voor de aflossing van een toeslagschuld door middel van
een maatwerkbetalingsregeling161. 162 Nieuw ten opzichte van het bestaande regime is verder dat buiten een betalingsregeling
om niet alleen een toeslagschuld, maar ook een belastingschuld verrekend kan worden
met lopende voorschotten op toeslagen.
1. Openstaande schulden worden gedurende een betalingsregeling niet langer verrekend
met lopende voorschotten en voorlopige teruggaven.
In het geval van bestuursrechtelijke geldschulden is verrekening slechts mogelijk
wanneer in deze bevoegdheid bij wettelijk voorschrift is voorzien.163 De ontvanger is ten aanzien van een belastingschuldige bevoegd om uit te betalen
en te innen bedragen ter zake van rijksbelastingen164 met elkaar te verrekenen.165 De ontvanger bepaalt zelf of hij al dan niet tot verrekening overgaat. Verzoekt een
belastingschuldige om een teruggaaf of een ander uit te betalen bedrag te verrekenen
met een openstaand bedrag, dan moet de ontvanger dit verzoek inwilligen.166 Hoewel de wet ruimte biedt om het uit te betalen bedrag automatisch te verrekenen
met aanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn, wordt dit in beginsel niet gedaan
door de ontvanger.167
Bij een betalingsregeling geldt het beleid dat de ontvanger, in beginsel, tijdens
een betalingsregeling belastingteruggaven en andere teruggaven verrekent met de openstaande
belastingschuld. Als er aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen
van bepaalde teruggaven. Een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting over het lopende
jaar wordt, tenzij anders is overeengekomen, niet verrekend met een belastingschuld
waarvoor een betalingsregeling is verleend.168
De Dienst Toeslagen is bevoegd tot verrekening van een door de burger verschuldigd
bedrag aan terugvordering met een aan hem uit te betalen tegemoetkoming of voorschot
daarop. Dit ongeacht de inkomensafhankelijke regeling die het betreft en ongeacht
het berekeningsjaar. De Dienst Toeslagen is ook bevoegd om te verrekenen met een uit
te betalen voorlopige aanslag inkomstenbelasting.169 De Dienst Toeslagen verrekent niet wanneer de betaaltermijn nog niet is verstreken.170 Ook hier ligt het initiatief tot verrekening bij de Dienst Toeslagen. Een burger
kan verzoeken om over te gaan tot verrekening. In tegenstelling tot belastingschulden
is de Dienst Toeslagen niet verplicht om dit verzoek op te volgen.171 Bij een verrekening met voorschotten moet de Dienst Toeslagen rekening houden met
de beslagvrije voet van de burger.172 Om die reden vindt de verrekening in het kader van de standaardbetalingsregeling
niet meer plaats.173 De Dienst Toeslagen kan ook een betalingsregeling toestaan die is toegesneden op
basis van de betalingscapaciteit van de schuldenaar, een maatwerkbetalingsregeling.174 Dit is echter alleen mogelijk op basis van een verzoek van de schuldenaar. In de
praktijk wordt verrekening in de maatwerkregeling ook alleen op verzoek van de burger
toegepast. Een uitbreiding van mogelijkheden om bij de betalingsregeling te verrekenen
is niet wenselijk; de burger wordt duidelijkheid en regelmaat geboden door in beginsel
niet te verrekenen bij de betalingsregeling, zodat hij conform de afspraak de termijnbedragen
zelf aflost.
2. Buiten een betalingsregeling om kan niet alleen een toeslagschuld, maar ook een
belastingschuld verrekend worden met lopende voorschotten op toeslagen.
Met de inwerkingtreding van de betreffende onderdelen van de Fiscale vereenvoudigingswet
2017 wordt er bij verrekeningen niet langer een onderscheid gemaakt tussen belastingen
en toeslagen en wordt verrekenen over en weer mogelijk. Dit is een logisch gevolg
wanneer de ontvanger bevoegd is voor zowel de invordering van belasting- en toeslagschulden.
Dan is er immers een vordering op hetzelfde bestuursorgaan waaraan een betaling verschuldigd
is. Als gevolg van de ontvlechting is het niet langer vanzelfsprekend dat de ontvanger
het bevoegde bestuursorgaan wordt voor zowel de invordering van belasting- als toeslagschulden.
Hierdoor is het onlogisch om belastingen en toeslagen over en weer te kunnen verrekenen.
VI. De toekenning van preferentie voor toeslagschulden
Bij de inning van belastingschulden geniet de ontvanger een voorrecht, het fiscale
voorrecht. Het fiscale voorrecht houdt in dat de ontvanger een voorrecht heeft op
alle goederen van de belastingschuldige.175 Het fiscale voorrecht is van belang wanneer verschillende schuldeisers gelijktijdig
hun vorderingen op een gezamenlijke schuldeiser willen verhalen. Dit voorrecht komt
in rang ná een (eventueel) hypotheek- en pandrecht.176 Het fiscale voorrecht gaat voorts boven alle andere voorrechten, tenzij dit wettelijk
anders is bepaald.177 De ontvanger behoudt het fiscale voorrecht indien het faillissement van de belastingschuldige
wordt uitgesproken of de schuldsanering natuurlijke personen op de belastingschulden
van toepassing wordt verklaard.178
De Awir kent de Dienst Toeslagen geen bevoorrechte positie toe bij de terugvordering
van een te veel uitbetaalde toeslag. Bij de totstandkoming van de Awir hanteerde de
wetgever als vertrekpunt harmonisatie van de destijds bestaande regelingen.179 Bij die regelingen, te weten de Huursubsidiewet en de Wet kinderopvang, was geen
sprake van een bevoorrechte positie voor de uitvoeringsorganisatie bij het terugvorderen
van de te veel uitbetaalde tegemoetkoming. Gelet daarop heeft de wetgever in de Awir
geen voorrecht opgenomen. Voorts overwoog de wetgever dat de omstandigheid dat de
Belastingdienst zorg zou gaan dragen voor de invordering van de terugvorderingsbeschikkingen
onvoldoende was om bij de invordering van toeslagschulden – net als bij een belastingschuld
– een bevoorrechte positie toe te kennen.180
De wetgever maakt met de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 de invordering van toeslagschulden
preferent door artikel 22 Awir te wijzigen. Deze wijziging is echter ingegeven vanuit
het uitgangspunt en de wetssystematiek dat de ontvanger het bevoegde bestuursorgaan
wordt voor de invordering van terugvorderingsbeschikkingen toeslagen. Gezien de ontvlechting
van de Belastingdienst is het niet langer logisch om de ontvanger aan te wijzen als
het bevoegde bestuursorgaan voor de uitbetaling en invordering van toeslagschulden.
Derhalve voldoet de in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 opgenomen wijziging van
artikel 22 Awir niet meer om preferentie bij toeslagschulden mogelijk te maken.
In het kader van de herijking van de invorderingsstrategie Toeslagen is geconcludeerd
dat Dienst Toeslagen geen preferente positie meer nastreeft.181
Artikel XXIV
Artikel XXIV
Met de in artikel III, onderdeel C, voorgestelde wijziging van artikel 28 Wet LB 1964
wordt geregeld dat de mogelijkheid voor de inspecteur om de verplichting tot het doen
van eerstedagsmeldingen op te leggen wordt afgeschaft. Het is in dat kader de bedoeling
dat de systemen van de Belastingdienst om eventuele eerstedagsmeldingen nog te kunnen
verwerken, per 1 januari 2027 kunnen worden afgesloten. Om die reden wordt tevens
voorgesteld dat eventueel nog voor 1 januari 2027 opgelegde verplichtingen tot het
doen van een eerstedagsmelding vanaf 1 januari 2027 niet meer hoeven te worden nagekomen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat vóór die datum opgelegde sancties ter zake
van het niet of niet tijdig zijn nagekomen van een verplichting tot het doen van een
eerstedagsmelding van kracht blijven.
Artikel XXV
Artikel XXV (evaluatiebepaling)
De Minister van Financiën is op grond van het voorgestelde artikel XXV gehouden de
Staten-Generaal uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van de artikelen XV, onderdelen
B en D, XVI, onderdelen B en D, en XVII, onderdelen A en C, van deze wet een verslag
toe te zenden aan de Staten-Generaal over de effecten van de wijziging van de rechtsbescherming
bij uitstel van betaling en kwijtschelding van rijksbelastingen. Deze evaluatie dient
als onderbouwing voor de afweging of een vergelijkbare wijziging ook mogelijk en uitvoerbaar
is voor decentrale belastingen. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de toezegging
die is gedaan in de brief van 6 juli 2023.182
De evaluatie vloeit voort uit de keuze om de wijziging van de rechtsbescherming bij
uitstel van betaling en kwijtschelding vooralsnog uitsluitend van toepassing te laten
zijn op rijksbelastingen. Doorwerking naar decentrale belastingen is op dit moment
niet opportuun, vanwege de aanzienlijke uitvoeringsgevolgen, met name voor de rechtspraak.
Tegelijkertijd wordt onderkend dat het op termijn wenselijk is om ook voor de decentrale
belastingen de rechtsbescherming te wijzigen en deze hiermee te uniformeren, mits
dit uitvoerbaar is.
Het evaluatieverslag zal daarom niet alleen ingaan op de effecten van de gewijzigde
rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding van rijksbelastingen,
maar ook inzicht bieden in de uitvoerbaarheid van een overeenkomstige wijziging van
de rechtsbescherming bij decentrale belastingen. Dit vereist onder meer inzicht in
het aantal verzoeken en administratieve beroepschriften dat door decentrale overheden
wordt ontvangen. Daarnaast zullen de effecten van de wijziging van de rechtsbescherming
bij uitstel van betaling en kwijtschelding van rijksbelastingen moeten worden bezien
met inachtneming van de verschillen tussen rijksbelastingen en decentrale belastingen.
Tot slot moet in overleg met de rechtspraak worden verkend of er voldoende ruimte
is om uitvoering te geven aan een dergelijke wijziging van de rechtsbescherming voor
decentrale belastingen.
Deze elementen tezamen moeten een beeld geven van de uitvoerbaarheid van een wijziging
van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale
belastingen. Deze evaluatie vormt daarmee een essentiële tussenstap in een zorgvuldige
en gefaseerde versterking van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding.
Artikel XXVI
Artikelen XXVI, XXVII en XXVIII (overgangsrecht)
Op grond van de voorgestelde artikelen 232daen 232ea van de Provinciewet, de voorgestelde
artikelen 254a en 255a van de Gemeentewet en de voorgestelde artikelen 143a en 144a
van de Waterschapswet blijft de huidige rechtsbescherming – administratief beroep
– gelden voor de decentrale belastingen (zie de artikelen XV, onderdelen B en D, XVI,
onderdelen B en D, en XVII, onderdelen A en C). Voorgesteld wordt deze bepalingen
te laten vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (zie artikelen
XV, onderdelen C en E, XVI, onderdelen C en E, en artikel XVII, onderdelen B en D,
in samenhang met artikel XXIX, tweede lid). Daarmee wordt de mogelijkheid tot administratief
beroep beëindigd. Vanaf dat moment staat bezwaar open tegen besluiten van de decentrale
invorderingsambtenaar over uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale belastingen.
Om de rechtszekerheid te waarborgen wordt overgangsrecht voorgesteld ter zake van
de decentrale belastingen. Als gevolg hiervan is voor reeds gegeven beschikkingen,
dat wil zeggen beschikkingen die zijn gedagtekend vóór het bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip waarop de huidige rechtsbescherming voor de decentrale belastingen
komt te vervallen, het recht – waaronder ook beleidsregels en andere toepasselijke
regelgeving – van toepassing zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
Dat betekent dat tegen beschikkingen die gedagtekend zijn vóór dat tijdstip de mogelijkheid
tot administratief beroep open blijft staan, het administratief beroepsorgaan bevoegd
blijft om op deze administratief beroepschriften te beslissen, en dat hierbij de regels
van toepassing zijn zoals die luidden vóór dat tijdstip. Hiermee wordt voorkomen dat
lopende of net afgeronde procedures onder twee verschillende regimes vallen, en wordt
een ordentelijke en consistente afhandeling van de bestaande zaken gewaarborgd.
Voorgesteld wordt dat op hetzelfde bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip ook
de vermeldingen van de artikelen 232da en 232ea van de Provinciewet, de artikelen
254a en 255a van de Gemeentewet, en de artikelen 143a en 144a van de Waterschapswet
in artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht komen te vervallen. Daarmee
wordt bewerkstelligd dat beroep bij de fiscale rechter kan worden ingesteld tegen
besluiten over uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale belastingen.
Voor wijzigingen van bijlage 2 bij de Awb bevat artikel 11:3 van die wet permanent
overgangsrecht, dat uitgaat van eerbiedigende werking. Het gevolg hiervan is dat tegen
besluiten inzake uitstel van betaling of kwijtschelding van decentrale belastingen
die zijn bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van het eerdergenoemde koninklijke
besluit niet alsnog beroep bij de fiscale rechter mogelijk wordt.
Artikel XXIX
Artikel XXIX (inwerkingtreding)
Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Voor een aantal wijzigingen is voorzien in
een inwerkingtreding met terugwerkende kracht of met een latere ingangsdatum, overgangsrecht
of een afwijkende volgorde. Waar dat het geval is, is dat toegelicht bij de toelichting
op de betreffende onderdelen.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.