Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 923 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen
vanaf € 60.000
Inhoudsopgave
blz.
I
Algemeen
2
1.
Inleiding
2
2.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
2
2.1
Voorgestelde aanpassingen
6
2.2
Doelen
7
2.3
Beleidsinstrument
8
2.4
Nagestreefde doeltreffendheid
8
2.5
Nagestreefde doelmatigheid
9
2.6
Financiële gevolgen voor de maatschappelijke sector
9
2.7
Overwogen alternatieven
9
2.7.1
Eén afbouwpercentage, steilere afbouw
9
2.7.2.
Motie Flach/Van der Lee
9
3.
Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
11
4
Verhouding tot hoger recht
11
4.1
Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM
11
4.2
Artikelen 26 en 27 VN-kinderrechtenverdrag
13
5.
Inkomenseffecten
13
6.
Financiële gevolgen voor het Rijk
14
7.
Caribisch Nederland
14
8.
Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor de burger
15
9.
Toetsing en consultatie
17
10.
Evaluatie
19
11.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
19
II
Artikelsgewijze toelichting
19
I. Algemeen deel
1. Inleiding
Tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2025 heeft het kabinet een aantal keuzes gemaakt
om tegenvallers op te vangen en investeringen te doen, onder meer is de bezuiniging
op de kinderopvang voor werkenden teruggedraaid. In het kader van de bredere budgettaire
opgave is besloten om het kindgebonden budget gerichter te maken.1 Het kindgebonden budget is een tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen
voor lagere en middeninkomens. Doel is het bevorderen van de ontplooiingskansen van
kinderen en het voorkomen van kinderarmoede. De afgelopen jaren hebben intensiveringen
en koopkracht-maatregelen eraan bijgedragen dat de kindbedragen van het kindgebonden
budget fors zijn verhoogd. De meest recente verhogingen dateren uit 2025.2 De verhogingen van het kindgebonden budget droegen bij aan de koopkrachtondersteuning
voor gezinnen met kinderen en verlaagden de kinderarmoede. Tegelijkertijd ontvangen
door die verhogingen ook steeds meer gezinnen die minder aangewezen zijn op deze tegemoetkoming
kindgebonden budget. Dat is niet doelmatig. Vanwege de budgettaire opgave van de SZW-begroting
wordt het kindgebonden budget weer meer gericht op de oorspronkelijke doelgroep: de
lage en middeninkomens. Om dit te bereiken wordt het afbouwpercentage verhoogd voor
het toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) voor zowel alleenstaanden als
toeslagpartners. Dit betekent dat vanaf het toetsingsinkomen van € 60.000 (prijspeil
2024) de aanspraak op kindgebonden budget sneller afbouwt.
Deze toelichting wordt gegeven mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
die beleidsverantwoordelijk is voor de beslagvrije voet.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
Om het kindgebonden budget gerichter te maken wordt het afbouwpercentage verhoogd
vanaf het toetsingsinkomen van € 60.000 (prijspeil 2024).3 Vanaf dit nieuwe afbouwpunt wordt het afbouwpercentage in twee stappen verhoogd met
4,30 procentpunt naar 12,35% in 2027 en naar 12,80% in 2028. Deze snellere afbouw
geldt voor paren als ook voor alleenstaande ouders.
Een hoger afbouwpercentage voor het toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024)
zorgt ervoor dat gezinnen met hogere inkomens vanaf 1 januari 2027 een lager bedrag
aan kindgebonden budget ontvangen of het recht op kindgebonden budget verliezen. Het
hogere afbouwpercentage heeft daarnaast invloed op de marginale druk. De marginale
druk geeft aan welk deel van de toename in het brutoinkomen verloren gaat aan extra
belastingen en verlies aan inkomensafhankelijke regelingen zoals het kindgebonden
budget. Het hogere afbouwpercentage zorgt ervoor dat voor werkenden met een inkomen
vanaf € 60.000 de marginale druk vanaf 2027 stijgt met 4,3 procentpunt. Voor de huishoudens
die door de snellere afbouw aanspraak op het kindgebonden budget verliezen, daalt
de marginale druk in 2027 en 2028. Gezinnen met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000
(prijspeil 2024) komen naast het kindgebonden budget doorgaans alleen nog in aanmerking
voor kinderopvangtoeslag; zij hebben daardoor een lagere marginale druk dan gezinnen
met een lager inkomen, die ook te maken hebben met de inkomensafhankelijke afbouw
van de zorg- en/of huurtoeslag.
In de onderstaande grafieken wordt geïllustreerd wat de introductie van een tweede
afbouwpunt in combinatie met een hoger afbouwpercentage structureel betekent voor
ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024). Hierbij is het effect
op de afbouw van het kindgebonden budget geschetst voor zowel een alleenstaande ouder
met twee kinderen (grafiek 1) als een echtpaar met twee kinderen (grafiek 2). Voor
alle huishoudens met hogere inkomens zal het recht op kindgebonden budget voortaan
eerder volledig zijn afgebouwd. De effecten voor alleenstaanden en paren met één of
drie kind(eren) worden in de grafieken drie tot en met zes geïllustreerd.
De grafieken tonen de situatie in lopende prijzen, dat wil zeggen de situatie in 2030.
De afbouwgrens in 2030 is geijkt op € 60.000 en geïndexeerd met de voorspelde cumulatieve
tabelcorrectiefactor (tcf) voor de periode 2025 t/m 2030. Vandaar dat het tweede afbouwpunt
in de grafieken bij een hoger inkomen ligt dan € 60.000.
Grafiek 1: Wet op het kindgebonden budget (WKB) voor alleenstaande ouder met twee
kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een toetsingsinkomen
vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)
Grafiek 2: WKB voor paar met twee kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede
afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)
Aanvullend is ook het effect op de inkomensafbouw geschetst voor zowel een alleenstaande
ouder (grafiek 3 en 4) als een paar met één of drie kinderen (grafiek 5 en 6).
Grafiek 3: WKB voor alleenstaande ouder met één kind in 2030 zonder (basispad) en
met tweede afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf
€ 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)
Grafiek 4: WKB voor alleenstaande ouder met drie kinderen in 2030 zonder (basispad)
en met tweede afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf
€ 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)
Grafiek 5: WKB voor een paar met één kind in 2030 zonder (basispad) en met tweede
afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter
illustratie in lopende prijzen)
Grafiek 6: WKB voor een paar met drie kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede
afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter
illustratie in lopende prijzen)
2.1. Voorgestelde aanpassingen
Met dit wetsvoorstel stelt het kabinet twee aanpassingen van het kindgebonden budget
voor. Deze aanpassingen worden toegepast na doorvoering van de beleidsmatige aanpassingen
die volgen uit het Belastingplan 20254 en de reguliere indexering, met 1 januari 2027 als beoogde inwerkingtredingsdatum.
Het gaat om de volgende aanpassingen:
1. Het introduceren van een tweede afbouwpunt voor ouders van het (gezamenlijk) toetsingsinkomen
vanaf € 60.000,- (prijspeil 2024);
2. Een verhoging van het afbouwpercentage vanaf dit tweede afbouwpunt geleidelijk oplopend
van 8,05% naar 12,35% in 2027 naar 12,80% in 2028.
De bovenstaande aanpassingen in het kindgebonden budget vinden plaats nadat het tweede
afbouwpunt vanaf een toetsingsinkomen van € 60.000,– (prijspeil 2024) is geïndexeerd
met de tcf en nadat de afbouwpercentages van het kindgebonden budget in de jaren 2025
en 2026 beleidsmatig zijn aangepast.5 In tabel 1 is dit terug te zien dat het eerste inkomensafbouwpercentage ook structureel
van toepassing blijft. Voor toetsingsinkomen tot € 60.000,– (prijspeil 2024).
Indexering gebeurt jaarlijks, op basis van artikel 3, eerste lid, van de wet. Van
deze indexering doet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mededeling in
de Staatscourant. Een en ander is in tabel 1 schematisch weergegeven. Daarbij is voor
de verwachte indexatie van de wet in de periode 2026 tot en met 2028 gebruik gemaakt
van de (voorlopige) prognoses uit de Macro Economische Verkenning 2025 van het CPB.
Tabel 1: Overzicht (voorlopige) inkomensafbouwpunten en afbouwpercentages WKB in de
periode 2025 t/m 2028 (in lopende prijzen)
WKB-parameters
2025
2026
2027
2028
1e Inkomensafbouwgrens alleenstaanden
28.406
29.736
30.887
31.999
1e Inkomensafbouwgrens paren
37.545
39.141
40.528
41.862
1e Inkomensafbouwpercentage
7,10%
7,60%
8,05%
8,50%
2e Inkomensafbouwpunt alleenstaanden
–
–
64.044
65.518
2e Inkomensafbouwpunt paren
–
–
64.044
65.518
2eInkomensafbouwpercentage
–
–
12,35%
12,80%
Tabel 1 toont de (voorlopige) ontwikkeling van de inkomensafbouwpunten- en percentages,
naar de beoogde bedragen per 2028 als gevolg van de reguliere indexering, de geleidelijke
oploop van het bestaande afbouwpercentage uit de wetswijziging intensivering van het
kindgebonden budget in verband met koopkrachtondersteuning in 2025 en de beleidsmatige
mutaties die onderdeel uitmaken van het onderhavige wetsvoorstel.
Het is de verwachting dat als gevolg van dit wetsvoorstel structureel ongeveer 340.000
ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) gemiddeld op jaarbasis
circa € 670,– minder aan kindgebonden budget ontvangen. Verder is het de verwachting
dat als gevolg van het hogere afbouwpercentage structureel circa 114.000 ouders het
recht op kindgebonden budget volledig verliezen. Deze groep huishoudens verliest jaarlijks
gemiddeld naar verwachting circa € 675 aan kindgebonden budget. Het overgrote deel
van de ouders die door de maatregelen getroffen worden zijn paren.
2.2 Doelen
Ter dekking van de per saldo tegenvaller op de SZW-begroting heeft het kabinet in
het voorjaar 2025 besloten een aanpassing te doen aan het kindgebonden budget.6 De maatregel levert vanaf 2027 een structurele besparing op van circa € 300 miljoen
op jaarbasis.
Deze budgettaire opgave heeft geleid tot invulling van de beleidsmatige wens om het
kindgebonden budget gerichter te maken. De afgelopen jaren zijn de kindbedragen fors
verhoogd. De meest recente verhogingen dateren uit 2025 waarbij de kindbedragen over
de jaren 2025 tot en met 2028 stapsgewijs verhoogd worden. Door die verhogingen is
het kindgebonden budget bij een steeds hoger inkomen volledig afgebouwd. Hierdoor
ontvangen steeds meer gezinnen met een hoger inkomen recht op kindgebonden budget,
ondanks zij minder aangewezen zijn op deze tegemoetkoming.
Bij gebrek aan een eenduidige definitie van wat een middeninkomen is, dat is tenslotte
een politieke term, zijn referentiekaders gebruikt zoals de Nibud-normen en de kostendekkendheid
van de kindregelingen die door het CBS en in het kader van de periodieke beleidsevaluaties
worden berekend. Daarnaast kan, ondanks het gebrek aan een eenduidige definitie, aangenomen
worden dat een huishouden met een (gezamenlijk) toetsingsinkomen boven de € 100.000
als een huishouden met een hoog, zij het hoger, inkomen beschouwd worden.
Onderstaande grafiek illustreert de ontwikkeling van het kindgebonden budget over
de tijd. In 2021 was het kindgebonden budget voor een paar met twee kinderen volledig
afgebouwd bij een toetsingsinkomen van circa € 55.000. In 2025 is dat opgelopen tot
bijna € 110.000. Bij alleenstaande ouders (vanwege de alleenstaande ouderkop) en bij
meer en oudere kinderen is het kindgebonden budget bij een nog hoger inkomen pas afgebouwd.7Deze ontwikkeling is aanleiding geweest om tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2025
te kiezen om het kindgebonden budget weer meer te richten op de lage en middeninkomens.
Ontwikkeling WKB voor paar met twee kinderen in de periode 2021–2025
2.3. Beleidsinstrument
De kindbedragen in het kindgebonden budget zijn in de afgelopen jaren meermaals verhoogd,
waardoor een substantieel deel van het kindgebonden budget inmiddels ook terechtkomt
bij huishoudens die vanuit financieel oogpunt minder aangewezen zijn op deze tegemoetkoming.
Dat maakt het kindgebonden budget niet doelmatig. Met dit wetsvoorstel wordt het kindgebonden
budget meer gericht op de oorspronkelijke doelgroep, de lage inkomens en (lage) middeninkomens,
door de introductie van een snellere afbouw vanaf het tweede afbouwpunt op € 60.000
met een afbouwpercentage dat geleidelijk oploopt naar cumulatief 12,80% per 2028.
2.4. Nagestreefde doeltreffendheid
Het doel van het tweede afbouwpercentage is om een tegenvaller op de SZW-begroting
te dekken waarmee tegelijkertijd aan de beleidswens tegemoet wordt gekomen om het
kindgebonden budget weer meer te richten op de oorspronkelijke doelgroep: de lage
en middeninkomens. Het aandeel kinderen onder de armoedegrens wijzigt niet door dit
wetsvoorstel. De doeltreffendheid van het kindgebonden budget wijzigt niet, omdat
de opbouw van de kindbedragen ongewijzigd blijft: het totale bedrag aan kindgebonden
budget dat een huishouden ontvangt, blijft afhangen van het aantal kinderen en hun
leeftijd, het huishoudtype, de hoogte van het inkomen en het eventueel aanwezig vermogen.
2.5 Nagestreefde doelmatigheid
Door bij hogere inkomens het kindgebonden budget sneller af te bouwen wordt het kindgebonden
budget doelmatiger, meer gericht op de lagere en middeninkomens. Dit levert een besparing
op van € 300 miljoen op de Wkb-uitgaven. Hierdoor wordt overheidsgeld efficiënter
besteed.
2.6. Financiële gevolgen voor de maatschappelijke sector (begunstigden)
Per saldo daalt het aantal huishoudens met recht op kindgebonden budget. Door de introductie
van een snellere afbouw van het kindgebonden budget bij een toetsingsinkomen vanaf
€ 60.000 met een afbouwpercentage dat cumulatief geleidelijk oploopt naar 12,80% per
2028 wordt het kindgebonden budget gerichter, waardoor huishoudens met een relatief
hoger inkomen geen of minder recht (meer) hebben op kindgebonden budget.
Tabel 2: Impact maatregelen onderhavige wetsvoorstel op de omvang van de WKB-populatie
2027
2028
2029
2030
Aantal huishoudens totaal
– 113.000
– 107.000
– 109.000
– 114.000
2.7. Overwogen alternatieven
2.7.1 Steilere afbouw
Het kabinet heeft ook gekeken naar het steiler laten afbouwen van het afbouwpercentage
in plaats van een tweede afbouwpercentage. Deze optie kent echter te veel negatieve
effecten om als redelijk alternatief te kunnen dienen. In de eerste plaats zorgt het
voor een ongewenste cumulatie met de reeds voorgenomen verhoging van het bestaande
afbouwpercentage uit het Belastingplan 2025. Een generiek steilere afbouw vanaf het
bestaande afbouwpunt zorgt daarnaast voor een sterkere samenloop met de inkomensafhankelijke
afbouw van de huurtoeslag en de zorgtoeslag. Tezamen zou dit zorgen voor een hogere
marginale belastingdruk voor een grotere groep huishoudens. Ook pakt deze optie negatief
uit voor huishoudens met een beperktere draagkracht doordat terugvorderingen zowel
in aantal als omvang voor deze groep zouden toenemen.
2.7.2 Motie Flach/van der Lee
Het kabinet heeft in de keuze voor de vormgeving van het tweede afbouwpunt ook de
motie Flach c.s.8 uitvoerig gewogen. Via deze motie is het kabinet opgeroepen om te onderzoeken of
er mogelijkheden zijn om het extra afbouwpunt te verschuiven naar een hoger toetsingsinkomen
dan € 60.000 (prijspeil 2024). Dit met als doel om te voorkomen dat (hogere) middeninkomens
er als gevolg van de maatregel op achteruit gaan.
In het kader van deze motie zijn diverse varianten overwogen. Te weten het verhogen
van het tweede afbouwpunt in combinatie met het verhogen van het afbouwpercentage
en/of het verder verlagen van de vermogensgrenzen in het kindgebonden budget.9 Zie onderstaand de varianten die hiervoor in beeld zijn gebracht, alle onderstaande
varianten zijn structureel budgetneutraal vormgegeven:
Tabel 3: Varianten motie Flach c.s. – verhogen afbouwpunt tweede in combinatie met
een hoger afbouwpercentage
Afbouwgrens tweede afbouwpunt (in prijzen ’24)
Afbouwpercentage tweede afbouwpunt (marginaal)
€ 60.000 (basispad)
12,80%
€ 65.000
14,65%
€ 70.000
17,90%
€ 75.000
24,60%
€ 80.000
46,00%
Tabel 4: Varianten motie Flach c.s. – verhogen tweede afbouwpunt in combinatie met
een verdere verlaging van de vermogensgrenzen in het kindgebonden budget
Tweede afbouwpunt (in prijzen ’24)
Vermogensgrenzen – basispad (structureel,in prijzen ’24)
Verdere verlaging vermogensgrenzen (in prijzen ’24)
Vermogensgrenzen – variant (structureel, in prijzen ’24)
alleenstaand
paar
alleenstaand
paar
€ 60.000 (basispad)
€ 112.972
€ 150.059
n.v.t.
€ 112.972
€ 150.059
€ 65.000
€ 112.972
€ 150.059
– € 30.000
€ 82.972
€ 120.059
€ 70.000
€ 112.972
€ 150.059
– € 44.800
€ 68.172
€ 105.259
€ 75.000
€ 112.972
€ 150.059
– € 51.500
€ 61.472
€ 98.559
€ 80.000
€ 112.972
€ 150.059
– € 57.500
€ 55.472
€ 92.559
Een hoger afbouwpunt, en daarmee een hoger afbouwpercentage zorgt snel voor een aanzienlijk
hogere marginale druk voor de groep met een inkomen boven het tweede afbouwpunt. Bij
een afbouwpunt van € 80.000 bereikt de afbouw 46%, waardoor huishoudens (i.c.m. de
afbouw van de arbeidskorting en het toptarief) uit kunnen komen op een marginaal tarief
boven de 100%.
Het kabinet vindt een verdere verlaging van de vermogensgrenzen ook niet wenselijk,
omdat dit kan leiden tot meer hoge terugvorderingen doordat het hele recht op de toeslag
vervalt. Parallel aan dit wetsvoorstel is een ander wetsvoorstel in voorbereiding
dat effect heeft op het kindgebonden budget: het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip
toeslagen, met eveneens een beoogde inwerkingtredingsdatum op 1 januari 2027.10 Dat voorstel wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) waarmee
een aantal belangrijke knelpunten opgelost worden. Een van de knelpunten is het criterium
samengestelde gezinnen waardoor mensen onbedoeld toeslagpartner van elkaar worden.
Als gevolg daarvan ontvangen alleenstaande ouders geen alleenstaande ouderkop. Om
aan hun feitelijke leefsituatie tegemoet te komen, ontvangen zij bij inwerkingtreding
alsnog alleenstaande ouderkop. Deze wetswijziging wordt onder andere gedekt door een
verlaging van de vermogensgrens van het kindgebonden budget. Een verdere verlaging
van de vermogensgrenzen zorgt voor een aanzienlijk strengere norm voor vermogen dan
voor inkomen in het kindgebonden budget. Hierdoor kunnen huishoudens met een laag
inkomen en een vermogen dat (op de peildatum) boven de vermogensgrens ligt geen kindgebonden
budget krijgen, terwijl huishoudens met een hoog inkomen en een laag vermogen wel
kindgebonden budget ontvangen. De groep met een hoog inkomen heeft echter op de langere
termijn juist een hogere draagkracht.
In de huidige situatie heeft een alleenstaande ouder met drie kinderen tot een inkomen
van circa € 180.000 en een paar met drie kinderen van ongeveer € 150.000 in 2030 recht
op kindgebonden budget. Als een verhoging van het afbouwpunt naar € 70.000 zou worden
gedekt met een verlaging van de vermogensgrenzen dan zouden de vermogensgrenzen uitkomen
op circa € 70.000 voor alleenstaanden en € 105.000 voor paren, dit zijn lagere bedragen
dan het inkomen waarop nog recht op kindgebonden budget kan bestaan.
Daarnaast komt de vermogensgrens van het kindgebonden budget bij een verdere verlaging
dichter bij de vermogensgrens in de huurtoeslag te liggen, wat het risico vergroot
dat huishoudens beide vermogensgrenzen overschrijden en een terugvordering krijgen
op zowel de huurtoeslag als het kindgebonden budget. Bij een aantal varianten komt
de vermogensgrens uit onder het heffingsvrij vermogen in box 3, hetgeen onwenselijk
is.
De gekozen oplossing, een tweede afbouwpunt vanaf € 60.000 (prijspeil 2024), acht
de regering daarom de meest evenwichtige oplossing voor het bereiken van de doelen,
waarbij de marginale druk voor de huishoudens beperkt oploopt.
3. Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
De beslagvrije voet beoogt te waarborgen dat een schuldenaar bij beslag of verrekening
kan blijven voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. Om te voorkomen dat alleenstaande
ouders en gehuwden11 met een of meer kinderen door het extra afbouwpercentage op het kindgebonden budget
een lagere beslagvrije voet ontvangen, wordt voorgesteld deze extra afbouw gespiegeld
over te nemen in de berekening van de beslagvrije voet overeenkomstig artikel 475da
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Daartoe wordt de extra afname van het recht op kindgebonden budget, zoals die volgt
uit het voorgestelde artikel 2a van de WKB in de formule voor de berekeningswijze
van de beslagvrije voet, opgenomen in artikel 475da, tweede lid, onderdelen b en d,
Rv, waardoor de beslagvrije voet voor deze specifieke huishoudens niet lager uitvalt.
Om dit te bereiken worden twee onderdelen aan de formule toegevoegd, namelijk m, dat
staat voor het extra afbouwpunt in het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2a, WKB.
Dit wordt vanaf 2024 tot en met 2027 geïndexeerd met de tcf. Daarnaast wordt in de
formule de letter n toegevoegd, dat staat voor het extra afbouwpercentage genoemd
in artikel 2a, WKB. Deze aanpak waarborgt dat de beslagvrije voet steeds in overeenstemming
blijft met de jaarlijkse indexatie van het toetsingsinkomen en de toekomstige aanpassingen
aan het extra afbouwpercentage volgt.
4. Verhouding tot hoger recht
4.1 Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM
Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM) en artikel 17 van
het EU-Handvest van de grondrechten (EU-Handvest) heeft iedereen recht op het ongestoord
genot van zijn eigendom. Het kindgebonden budget kan als eigendomsrecht, zoals beschermd
door artikel 1 EP EVRM en artikel 17 EU-Handvest, aangemerkt worden. In dat kader
moet worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht/kindgebonden budget gerechtvaardigd
is door het te onderwerpen aan de toets van artikel 1 van het EP EVRM en artikel 17
van het EU-Handvest.12
Inmenging in het eigendomsrecht kan bestaan uit ontneming of regulering. De grens
daartussen bakent het EHRM niet scherp af. In veel gevallen laat het EHRM de vraag
of het ontneming dan wel regulering betreft rusten. Regulering kan neerkomen op ontneming
wanneer geen zinvol gebruik van de eigendom/eigendomsbestanddelen resteert. De ontneming
van eigendom kan rechtens zijn (onteigening), maar ook feitelijk. Naarmate een inmenging
verder strekt zullen aan de rechtvaardiging hogere eisen worden gesteld. Voor de vraag
of van een inmenging sprake is, hanteert het EHRM een kernrechtbenadering: wordt een
uitkeringsaanspraak ontzegd of gereduceerd op een zodanige wijze dat het wezen («the
essence») van het uitkeringsrecht wordt aangetast, dan komt dit neer op een inbreuk
op het eigendomsrecht.13
Het EHRM laat aan de verdragsstaten, afhankelijk van het recht in kwestie, bij de
beperking een beoordelingsmarge, de «margin of appreciation». Bij een inmenging in
het recht op eigendom wordt voor de vraag of daarbij sprake is van een legitiem doel
in het kader van het algemeen belang gewoonlijk een zeer ruime beoordelingsmarge gelaten
aan de verdragsstaten, in het bijzonder bij sociale doelstellingen en het benoemen
van de middelen om die doelstelling(en) te bereiken. Zolang dat beleid niet evident
onredelijk is en de wijzigingen geen onevenredig zware last («an individual and excessive
burden») voor de belanghebbende vormen, is er geen sprake van schending van het verdragsrecht.
Voor het treffen van een «fair balance» bij de inmenging op het recht op eigendom
wordt de verdragsstaten eveneens een beoordelingsmarge gelaten. Daarvoor is van belang
dat de wettelijke maatregel niet een kennelijk onredelijk doel dient en dat een legitieme
doelstelling in het kader van het algemeen belang is aangevoerd. Omdat daarin door
het EHRM een grote mate van beleidsvrijheid wordt gelaten aan de verdragsstaten, met
name bij het realiseren van sociale doelstellingen, komt de nadruk onvermijdelijk
te liggen op de vraag of een eerlijk en rechtvaardig evenwicht («fair balance») is
getroffen tussen het te bereiken doel en het gekozen middel.14
Volgens de regering moet geen verdere financiële ondersteuning worden geboden dan
noodzakelijk en gerechtvaardigd is. In het kader van de noodzaak om alle publieke
middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten, is het niet wenselijk en niet rechtvaardig
om ouders met kinderen in de hogere inkomensgroepen, een relatief hogere tegemoetkoming
in de kosten voor kinderen te blijven verstrekken. Het wetsvoorstel is dan ook noodzakelijk
en staat in evenredige verhouding tot het doel. Dit doel moet worden aangemerkt als
een legitiem doel. Het betreft een uitkering binnen het kader van de sociale zekerheid,
waarbij de regering een grote beoordelingsvrijheid heeft. Daarnaast speelt mee dat
het kindgebonden budget betaald wordt uit de algemene middelen; het efficiënt inzetten
van deze middelen is in het algemeen belang. Er bestaat een «fair balance» tussen
de hoogte van het kindgebonden budget en de tegemoetkoming in de kosten van de kinderen
bij de verschillende inkomensgroepen.15 Daarnaast is van belang dat de Dienst Toeslagen de verlaging van het kindgebonden
budget geruime tijd van te voren zal bekendmaken zodat ouders in de hogere inkomensgroepen
hierop kunnen anticiperen. Van een «individual and excessive burden» is dan ook geen
sprake. Er bestaat geen alternatief of een minder ingrijpende maatregel dan dit wetsvoorstel
om hetzelfde resultaat te kunnen bereiken. Bovendien geeft het eigendomsrecht geen
recht op een uitkering van een bepaalde hoogte en zal bij de invoering van dit wetsvoorstel
geen afbreuk worden gedaan aan de essentie van het kindgebonden budget.16 De introductie van een hoger afbouwpercentage vanaf een toetsingsinkomen van € 60.000
(prijspeil 2024) raakt niet aan de essentie van het kindgebonden budget dat beoogt
om ouders met een lager of (lage) middeninkomen te ondersteunen in de kosten van kinderen.
Er wordt vanuit gegaan dat de getroffen hoogste inkomensgroepen die minder of geen
aanspraak meer op kindgebonden budget kunnen maken, de kosten van hun kinderen zelfstandig
kunnen dragen.
Aan de hand van het voorgaande kan worden gesteld dat de beperking van het mogelijke
eigendomsrecht respectievelijk de verlaging of verlies van het kindgebonden budget
in dit wetsvoorstel de toets doorstaat en verenigbaar is met artikel 1 van het EP
EVRM.17 Hetzelfde geldt voor artikel 17 van het EU Handvest.
4.2 Artikelen 26 en 27 VN-kinderrechtenverdrag
Dat een ouder of ouders met een inkomen vanaf € 60.000 de primaire levensbehoeften
van kinderen zelfstandig kunnen dragen is ook van belang bij een toets aan het VN-kinderrechtenverdrag.
De artikelen 26 en 27 van dat verdrag beschermen de aanspraak op sociale voorzieningen
en een toereikende levensstandaard.18 Die toereikende levensstandaard omvat in ieder geval voeding, kleding en huisvesting.19 Het wetsvoorstel tast deze norm niet aan.
5. Inkomenseffecten
De inkomenseffecten van de maatregelen uit deze wetswijziging zijn zichtbaar in tabel
5, waarin enkel ontvangers van het kindgebonden budget zijn meegenomen.
Tabel 5: Inkomenseffecten voor WKB-ontvangers
Inkomenseffect
Aantal huishoudens met effect
Totaal aantal huishoudens
Alle huishoudens
– 0,8%
480.0001
8.130.000
Inkomensgroep
1e (<=106% wml)
–
0
1.630.000
2e (106–172% wml)
–
0
1.630.000
3e (172–256% wml)
– 0,3%
70.000
1.630.000
4e (256–378% wml)
– 0,9%
290.000
1.630.000
5e (>378% wml)
– 1,1%
120.000
1.630.000
Inkomensbron
Werkenden
– 0,8%
470.000
5.300.000
Uitkeringsgerechtigden
– 0,4%
10.000
590.000
Gepensioneerden
–
0
2.160.000
Huishoudtype
Tweeverdieners
– 0,8%
430.000
4.000.000
Alleenstaanden
– 0,8%
30.000
3.860.000
Alleenverdieners
– 0,6%
10.000
270.000
Kinderen
Met kinderen
– 0,8%
480.000
1.780.000
Zonder kinderen
–
0
4.230.000
X Noot
1
Deze doorrekening van de inkomenseffecten is gemaakt met het microsimulatiemodel Mimosi.
Op basis van dit model heeft de maatregel effect op 480.000 huishoudens tegenover
454.000 huishoudens in de budgettaire raming van het Ministerie van SZW. In de budgettaire
raming worden de resultaten uit Mimosi namelijk aanvullend geijkt op basis van realisatiedata,
daarom wordt bij de budgettaire raming uitgegaan van een lager aantal huishoudens.
Tabel 6 laat het geïsoleerde effect zien van de wetswijziging voor de (kinder-)armoedecijfers.
De maatregel heeft geen effect op deze cijfers.
Tabel 6. Geïsoleerde effect WKB-maatregelen uit deze wetswijziging op personen en
kinderen in armoede
Effect personen in armoede (%-punt)
Effect kinderen in armoede (%-punt)
Maatregelen WKB uit deze wetswijziging
0,0%
0,0%
6. Financiële gevolgen voor het Rijk
De introductie van een snellere afbouw van het kindgebonden budget vanaf het tweede
afbouwpunt vanaf 2027 leidt tot een structurele opbrengst van circa € 300 miljoen
op jaarbasis. Deze opbrengst is via de 1e suppletoire begroting 2025 verwerkt in de
SZW-begroting 2026.
Tabel 7: Budgettaire effecten (bedragen in constante prijzen 2024)
Bedragen in € mln.
20261
2027
2028
2029
2030
Struc.
WKB
– 25
– 304
– 291
– 296
– 300
– 300
X Noot
1
In verband met de voorschotsystematiek van de toeslagen doen er zich op kasbasis reeds
in 2026 budgettaire effecten voor. Het betreft hier de voorschotbetaling voor januari
2027 die reeds in december 2026 wordt uitgekeerd.
7. Caribisch Nederland
Het kabinet wil de bestaanszekerheid en de voorzieningen in Caribisch Nederland verbeteren.
Dat doen we samen met Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Volgens het principe van «comply
or explain» wordt Caribisch Nederland bij nieuwe wet- en regelgeving meegenomen, tenzij
er redenen zijn om dat niet te doen. Caribisch Nederland kent geen kindgebonden budget.
Daarmee heeft de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregel geen betrekking op Caribisch
Nederland. De mogelijkheid om een inkomensafhankelijke kindregeling in Caribisch Nederland
te introduceren wordt thans verkend.
8. Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor burgers
Adviescollege toetsing regeldruk
In de versie van het wetsvoorstel dat aan de Raad van State voorgelegd is, stond dat
het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) geen mandaat had om zich over dit voorstel
uit te laten. Die aanname was onjuist en is gerepareerd in het huidige wetsvoorstel.
Het College heeft in oktober 2025 naar het wetsvoorstel gekeken en geadviseerd om
het voorstel niet in te dienen. Volgens het ATR werd in het wetsvoorstel onvoldoende
toegelicht dat met het verhogen van het afbouwpercentage het kindgebonden budget doelmatiger
wordt, en hoe zich dat verhoudt tot de beoogde bezuiniging. Daarnaast stelde het ATR
voor om omwille van de eenvoud één afbouwpad te overwegen met een generiek hoger afbouwpercentage
in plaats van twee afbouwpercentages zoals nu in het wetsvoorstel staat. Tot slot
werd geadviseerd om een doenvermogentoets uit te voeren, als ook de regeldruk te berekenen.
De adviezen van het ATR zijn opgevolgd en verwerkt. Zo zijn in paragraaf 2.1 de doelen
van het wetsvoorstel uitgebreider toegelicht en is meer duidelijkheid gegeven over
hoe de noodzaak om te bezuinigen samenvalt met de beleidswens om het kindgebonden
budget weer meer op de oorspronkelijke doelgroep te richten en daarmee doelmatiger
te maken. Het voorstel van het ATR om één afbouwpad te hanteren dat steiler afbouwt
mee te wegen, was niet opgenomen in de overwegingen omdat de negatieve gevolgen voor
de hele populatie van de wet op het kindgebonden budget evident zijn. Waarom die optie
geen soelaas biedt wordt toegelicht in paragraaf 2.7.1. Op grond van het advies is
verder de motivatie met betrekking tot regeldruk voor de ouders en de effecten op
hun doenvermogen uitgebreid.
Naar aanleiding van de wijzigingen op grond van hun advies, heeft het ATR in maart
2026 een aanvullende zienswijze uitgebracht. Het college constateert daarbij dat de
onderbouwing van het voorstel op alle punten sterk verbeterd is. Het heeft geen aanvullende
opmerkingen meer.
Doenvermogen ouders
Dat een tweede afbouwpercentage geïntroduceerd wordt betekent dat ouders met een toetsingsinkomen
van boven € 60.000 (prijspeil 2024) of minder kindgebonden budget ontvangen, of hun
aanspraak geheel verliezen. In totaal zal de groep ouders met aanspraak op kindgebonden
budget met ongeveer 10% afnemen. Het gaat daarbij om de hoogste inkomens met een inkomen
aan het einde van het huidige afbouwpad en die door recente verhogingen van het kindgebonden
budget aanspraak hebben gekregen op kindgebonden budget.
Deze belanghebbenden hoeven hiervoor geen extra handeling te verrichten. De wijziging
van de kindbedragen wordt automatisch berekend en in december verwerkt in de voorschotbeschikkingen.
Dit vergt niets van het doenvermogen van ouders. In de systematiek van toeslagen is
het de verantwoordelijkheid van de rechthebbende om zelf inkomenswijzigingen door
te geven, waardoor het voorschot van toeslagen kan worden aangepast en/of een terugvordering
in de voorschotfase kan ontstaan. Het doorgeven van wijzigingen in het inkomen vraagt
wel wat van het doenvermogen van de belanghebbende, maar dit wetsvoorstel heeft op
dat vlak geen gevolgen. De Dienst Toeslagen zal zich inspannen om hier duidelijk over
te communiceren om zoveel mogelijk terugvorderingen te voorkomen. De wijziging in
de aanspraak wordt tijdig onder de aandacht gebracht, en zijn onderdeel van lopende
voorlichtingcampagnes. Op de website van Dienst Toeslagen wordt toegelicht wanneer
er wel of geen recht op kindgebonden budget bestaat.
Met het voorgestelde hogere afbouwpercentage neemt wel de impact toe van inkomens-veranderingen,
waardoor het belang toeneemt dat mensen voldoende in staat zijn om hun verplichtingen
na te komen. Behalve de hiervoor genoemde voorlichting, ziet het kabinet geen mogelijkheden
om in dit wetsvoorstel aanvullende maatregelen te nemen om het gemakkelijker te maken
voor mensen. Zolang het kindgebonden budget inkomensafhankelijk is en uitgaat van
het actuele inkomen, zijn mensen gehouden hun inkomenswijzigingen door te geven om
de rechtmatigheid van alle toekenningen te kunnen verzekeren. Er is dus een vergaande
vereenvoudiging van de wetgeving nodig om daar een betekenisvolle verandering in te
kunnen doorvoeren. Het minder complex maken van het kindgebonden budget is het onderwerp
van andere trajecten zoals «toekomst kindregeling», de voorgenomen één-kindregeling20 en hervorming toeslagenstelsel, maar dat ligt buiten de scope van dit wetsvoorstel.
Regeldrukeffecten
De wetswijziging heeft zeer beperkte gevolgen voor de administratieve lasten voor
burgers. Deze lasten zijn berekend op grond van het Handboek Meting Regeldrukkosten.21
Als ouders in december de eerste voorschotbeschikking ontvangen waarmee het nieuwe
kindbedrag gecommuniceerd wordt, zal de respons het hoogst zijn. Verwacht wordt dat
naar aanleiding van het nieuwe afbouwpercentage er 40.500 keer wordt gebeld met de
BelastingTelefoon, waarbij de gemiddelde gesprekstijd ongeveer 10 minuten is, en voor
de kennisname van het nieuwe kindbedrag 2 minuten gerekend wordt. Bij elkaar genomen
leidt dit tot een beperkte incidentele regeldrukverzwaring voor burgers. Uitgaande
van een uurtarief van € 17 zijn de kosten voor de ouder op grond handelingen die 12
minuten aan tijd kosten, in totaal € 3.40 euro kwijt voor het inwinnen van aanvullende
informatie. De kosten van de totale verwachte regeldruk voor 40.500 telefonische contacten
is € 137.700. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele terugbetalingen (zoals
door het niet tijdig doorgeven van wijzigingen in het inkomen) of eventueel ingediende
bezwaren. Die zullen met de bestaande capaciteit opgevangen kunnen worden.
Tegenover deze incidentele regeldruk staat een structurele afname van regeldruk doordat
de kring van rechthebbenden op kindgebonden budget kleiner wordt. Voor iedereen die
na de introductie van het hogere afbouwpercentage voor hogere inkomens het recht op
kindgebonden budget verliest, vervallen immers ook alle informatieverplichtingen.
De aanpassing van de formule van de beslagvrije voet in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering wordt uitsluitend toegepast indien en voor zover het toetsingsinkomen
leidt tot de extra afname van het recht op kindgebonden budget, zoals beschreven in
artikel 2a van de Wet op het kindgebonden budget. Voor huishoudens met een inkomen
lager dan € 60.000 (prijspeil 2024), waarbij geen extra versnelde afbouw van het kindgebonden
budget plaatsvindt, blijft de berekening van de beslagvrije voet ongewijzigd.
Deze wijziging is voorgelegd aan partijen die beslagleggen of een verrekening toepassen.
Deze partijen zien geen bijzondere complexiteit in deze wijziging. De regeldruk zal
niet toenemen en er worden geen extra kosten gemaakt door uitvoeringspartijen. Er
moeten alleen een aantal normwaarden worden toegevoegd en de rekenregel moet worden
aangepast. De Belastingdienst/Dienst Toeslagen heeft met een impactanalyse onderzocht
wat voor impact deze wijziging zal hebben op hun uitvoeringspraktijk. In hun oordeel
hebben ze aangegeven dat deze wijziging uitvoerbaar is. Burgers hoeven zelf geen actie
te ondernemen.
9. Toetsing en consultatie
Dienst Toeslagen
De Dienst Toeslagen heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op het onderhavige wetsvoorstel.
De voorgestelde wetswijziging is uitvoerbaar, mits wordt geaccepteerd dat er een vergrote
kans is op (hoge) terugvorderingen door een steilere afbouw. Dat staat haaks op de
doelstelling van Dienst Toeslagen. De overgang gaan burgers merken, maar daarna worden
geen grote effecten verwacht. De verwachting is dat de populatie die terugvorderingen
ontvangt na twee jaar kleiner is, maar dat de hoogte van de terugvordering wel hoger
kan zijn gezien de hogere inkomensgevoeligheid.
Het wetsvoorstel heeft verder geen effect op handhaafbaarheid en fraudebestendigheid.
De nodige systeemaanpassingen kunnen tijdig uitgevoerd worden en het risico op procesverstoringen
is klein.
Sociale Verzekeringsbank (SVB)
Het recht op en de hoogte van het kindgebonden budget is voor de SVB van belang in
geval van samenloop met een buitenlandse gezinsuitkering van dezelfde aard. De SVB
voert in dat geval de anticumulatiebepalingen uit Verordening (EG) nr. 883/200422 uit waarbij de SVB na anticumulatie naast de kinderbijslag, het kindgebonden budget
uitbetaalt.
De SVB verwacht geen tot zeer beperkte impact van dit wetsvoorstel op de uitvoering
van de SVB en daarmee uitvoerbaar. Een uitvoeringstoets is niet noodzakelijk. De SVB
verwijst daarvoor naar de uitvoeringstoets met betrekking tot wijzigingen van de kindbedragen
in de wet van het kindgebonden budget van 12 september 2023, waarin staat beschreven
hoe die wijzigingen doorwerken naar de uitvoering van de SVB. Het wetsvoorstel over
de snellere afbouw vanaf het tweede afbouwpunt in de Wet op het kindgebonden budget
leidt tot een afname van de doelgroep van het kindgebonden budget. Daarmee is de impact
voor de SVB dat er mogelijk aan minder ouders een aanvullende gezinsbijslag hoeft
te worden betaald. Het leidt niet tot meer werk en er zijn geen aanpassingen in de
processen of informatievoorziening nodig.
Internetconsultatie
Het wetsvoorstel is daarnaast gepubliceerd voor internetconsultatie. De internetconsultatie
liep van 6 oktober 2025 tot en met 6 november 2025 en heeft in totaal 18 reacties
opgeleverd, waaronder van het Nationaal Fonds Kinderhulp.
De helft van de particulieren die gereageerd heeft kan zich vinden in het wetsvoorstel
omdat het de groepen blijft steunen die het meest aangewezen zijn op het kindgebonden
budget. Men is wel kritisch op het feit dat het afbouwpad vanaf € 60.000 aan toetsingsinkomen
de alleenstaande ouder onevenredig benadeelt. Het merendeel van de ouders die minder
of geen kindgebonden budget ontvangen door dit wetsvoorstel zijn echter paren, zij
bereiken relatief eerder een huishoudinkomen van € 60.000. Het grootste deel van de
alleenstaanden heeft een inkomen onder de € 60.000. Hun aanspraak wijzigt niet. Daarnaast
ontvangen alle alleenstaande ouders, ongeacht de hoogte van hun inkomen, de alleenstaande
ouderkop waarmee zij al een hogere tegemoetkoming ontvangen dan paren. Mensen geven
ook aan dat door het nieuwe steilere afbouwpercentage meer werken minder loont. Dat
geldt echter alleen voor werkenden die kindgebonden budget ontvangen met een inkomen
vanaf € 60.000. De marginale druk daalt juist voor huishoudens die geen recht meer
hebben op kindgebonden budget door deze aanpassing. Voor deze groep gaat meer werken
meer lonen. Ook vragen enkele particulieren om aandacht te besteden aan het feit dat
een hoger belastbaar inkomen weinig zegt over het besteedbare inkomen, zeker gezien
de kosten voor levensonderhoud, woonlasten en kinderen steeds hoger worden. Het kabinet
is zich bewust van de lasten die veel gezinnen moeten dragen. Alle alternatieven afgewogen,
blijft het kabinet bij het standpunt dat de keuze voor een nieuw afbouwpunt op een
verzamelinkomen van € 60.000 de meest afgewogen keuze is tussen moeten bezuinigen,
doelmatigheid, het niet laten oplopen van de kinderarmoede en werken lonend te laten
zijn. Het Nationaal Fonds Kinderhulp vraagt eveneens aandacht voor de verborgen armoede
die achter hogere brutoinkomens schuil kan gaan. Uitzonderlijk hoge woonlasten, oplopende
schulden, zorgbehoefte of mantelzorg maken dat ook voor de hogere inkomens het verlies
het van kindgebonden budget precair kan zijn en negatief uitwerkt op de kinderen.
Zij adviseren daarom om kinderen uit gezinnen net boven de € 60.000- grens te monitoren
en zicht te krijgen op regionale kostenverschillen, gezinssamenstelling en schuldenlast.
Tevens stelt het Nationaal Fonds Kinderhulp dat de toets aan het VN-Kinderrechtenverdrag
te formalistisch is uitgevoerd. Volgens hen ontbreekt een kinderrechtenimpactanalyse
en aandacht voor leefwereld-indicaties zoals sociale participatie, toegang tot schoolspullen
en verjaardagscadeaus. Ze adviseren om dit expliciet mee te nemen in evaluaties en
monitoring. Het kabinet heeft aandacht voor deze onderwerpen en bestaanszekerheid
opgenomen in haar hoofdlijnenakkoord. De kindregelingen, waaronder de kostendekkendheid,
worden periodiek geëvalueerd en daarnaast wordt in opdracht maar ook ongevraagd onderzoek
gedaan en data verzameld over de genoemde onderwerpen. Zo brengt het CBS in opdracht
van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) periodiek kwantitatieve
informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld en heeft de Kinderombudsman
net het rapport uitgebracht dat omschrijft wat kinderen in armoede de afgelopen tien
jaar verteld hebben over hun leven en welzijn.23, 24 Tot slot waarschuwt het Nationaal Fonds Kinderhulp voor de risico’s op terugvorderingen
en problematische schulden. Het pleit voor een nauwgezettere manier om de actuele
inkomens te monitoren om terugvorderingen te voorkomen. Het terugdringen van terugvorderingen
is een belangrijke prioriteit binnen het huidige toeslagenstelsel.25 Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen uitgevoerd om aan dit doel bij
te dragen, waaronder het wijzigen van aanvragen op basis van afwijkingen in kinderopvang-
en inkomensgegevens, een voorzichtigere inkomensindexatie en een verkenning van een
voorzichtig voorschot. Daarnaast worden verschillende wetsvoorstellen voorbereid die
een positieve bijdrage leveren aan het terugdringen van de problemen door toeslagen.
Deze maatregelen, in combinatie met publiekscampagnes als «check, pas aan en door»
dragen bij aan het terugdringen van terugvorderingen.
Overige reacties die pleiten voor verduidelijking zijn verwerkt in de toelichting
bij de betreffende maatregel.
10. Evaluatie
Het beleid gericht op de tegemoetkoming van ouders wordt eens in de vier tot zeven
jaar periodiek geëvalueerd.26 De meest recente evaluatie is in januari 2026 naar de Kamer gestuurd. De huidige
aanpassingen van het kindgebonden budget zullen onderdeel uitmaken van een daarop
volgende evaluatie die de periode vanaf 2024 zal bestrijken. Daarbij zal de vraag
naar de doeltreffendheid en doelmatigheid aan de orde komen.
11. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel is aandacht besteedt aan de noodzaak van
overgangsrecht. Het wetsvoorstel zorgt niet voor een grote inkomensterugval en het
kindgebonden budget wordt geleidelijk afgebouwd waardoor er overgang plaatsvindt.
En er wordt verwacht dat de hogere inkomensgroepen die minder tot geen kindgebonden
budget gaan ontvangen, in staat zijn om de kosten van primaire levensbehoeften voor
hun kinderen zelfstandig te dragen. Bovendien worden er voorlichtingscampagnes gehouden.
Het wetsvoorstel veroorzaakt zodoende geen onaanvaardbare gevolgen. Om voorgaande
redenen is er geen overgangsrecht in het wetsvoorstel opgenomen. Bij inwerkingtreding
gaat de wijziging dus gelden voor alle mensen die op dat moment al een kindgebonden
budget ontvangen en alle nieuwe instroom in het kindgebonden budget.
De regering beoogt de aanpassingen van de wet in werking te laten treden met ingang
van 1 januari 2027. Daarmee wordt voldaan aan het kabinetsbeleid voor vaste verandermomenten
voor regelgeving, zoals vastgelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving. Bij een voortvarend wetgevingsproces wordt ook voldaan aan de minimuminvoeringstermijn
van 2 maanden.
II. ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget
Artikel I, onderdeel A
Eerste onderdeel
In artikel 2, tweede lid, is een redactionele wijziging doorgevoerd. Met ingang van
1 januari 2024 zijn de bedragen van kindgebonden budget voor het eerste kind en alle
daaropvolgende kinderen gelijkgetrokken.27 Artikel 2, tweede lid, maakt echter in de tekst nog steeds onderscheid tussen het
eerste kind en de daaropvolgende kinderen.
Tweede onderdeel
Door de wijziging in het eerste onderdeel, wordt artikel 2, twaalfde lid, gewijzigd.
Artikel I, onderdeel B
Dit artikel 2a voegt een verhoging van het afbouwpercentage toe voor de alleenstaande
ouder hetzij de ouder en zijn partner met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 op basis
van het prijspeil van 1 januari 2024. Volgens het huidige artikel 3, vijfde lid, onderdeel
b, van de Wet op het kindgebonden budget wordt het maximale bedrag aan kindgebonden
budget bij inkomens boven het drempelinkomen verminderd met 8,05% (dat is het afbouwpercentage
dat geldt in 2027) van het verschil tussen het toetsingsinkomen en het drempelinkomen.
Het drempelinkomen is daarbij verschillend voor alleenstaande ouders en voor ouders
met een partner die kinderen hebben.
Voor inkomens boven de € 60.000 (prijspeil 2024) wordt daar met artikel 2a nog een
extra 4,3 procentpunt aan toegevoegd waardoor het afbouwpercentage voor het inkomen
boven die € 60.000 uitkomt op 12,35% van het verschil tussen het toetsingsinkomen
en dit extra afbouwpunt van € 60.000. Met ingang van 1 januari 2028 komt het percentage
hoger uit, op 12,80%. Het extra afbouwpunt is gelijk voor alleenstaande ouders en
ouders met een partner die kinderen hebben. Hogere inkomens zullen hierdoor een snellere
afbouw van het kindgebonden budget hebben.
Artikel I, onderdeel C
Op 1 januari van elk kalenderjaar worden de kindgebonden bedragen geïndexeerd, overeenkomstig
de tcf. Het bedrag in artikel 2a zal net als de bedragen in de artikelen 1, vierde
lid, 2, tweede, vierde tot en met zesde en achtste lid, van de wet jaarlijks worden
gewijzigd overeenkomstig de tcf, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting
2001. Dit onderdeel voegt artikel 2a (nieuw) daarom toe aan artikel 3, eerste en derde
lid, van de wet.
Artikel II Indexering en verhoging bedragen
Eerste onderdeel
Op 1 januari van elk kalenderjaar worden de kindgebonden bedragen geïndexeerd, overeenkomstig
de tcf. Dat is geregeld in artikel 3 van de wet. Dit artikel regelt dat het bedrag
van € 2.500 op het moment van inwerkingtreding éérst wordt geïndexeerd op grond van
artikel 3, eerste tot en met het vierde lid, van de wet. Daarna wordt het bedrag verhoogd
op grond van artikel 3, zevende lid. Daarbij kan de toevoeging «voor het jaar 2025»
vervallen. Vanaf dat moment wordt jaarlijks het actuele bedrag in de plaats gesteld
van het in artikel 2, tweede lid, genoemde bedrag. Dat is geregeld in artikel 3, derde
lid, van de wet.
Tweede onderdeel
In de voorjaarsnota 2025 is een extra afbouwpunt afgesproken bij een toetsingsinkomen
vanaf € 60.000 op basis van het prijspeil van 1 januari 2024. In de jaren tot aan
de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt dit bedrag nog enkele keren geïndexeerd
waardoor op datum inwerkingtreding een ander en hoger bedrag zal gelden dan de € 60.000
uit het genoemde peiljaar. Dit artikel regelt dat het bedrag van het extra knikpunt
op het moment van inwerkingtreding éérst wordt geïndexeerd. Daarbij kan de toevoeging
«op basis van het prijspeil van 1 januari 2024» vervallen. Vanaf dat moment wordt
jaarlijks het actuele bedrag in de plaats gesteld van het in artikel 2a genoemde bedrag,
zoals ook het geval is in het eerste onderdeel van dit artikel.
Artikel III Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Met dit artikel wordt de snellere afbouw van het kindgebonden budget voor huishoudens
met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) gecompenseerd in de beslagvrije
voet. Daartoe wordt het hogere afbouwpercentage vanaf het genoemde toetsingsinkomen,
zoals opgenomen in artikel 2a van de wet, in de rekenformule van artikel 475da, tweede
lid, onderdelen b en d, Rv verwerkt.
Met de opname van de letter M in het eerste deel van de formule wordt bereikt dat
voor het huishoudinkomen, aangeduid met de letter C, tot aan het extra afbouwpunt M,
wordt gerekend met het reguliere afbouwpercentage (K). De opname van de letter N in
het tweede deel van de formule zorgt ervoor dat voor het deel van het huishoudinkomen (C),
dat boven het extra afbouwpunt M uitkomt, wordt gerekend met het reguliere afbouwpercentage (K)
verhoogd met het extra afbouwpercentage (N). Beide delen van de formule opgeteld vormen
samen het totale bedrag aan kindgebonden budget compensatie in de beslagvrije voet.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Ondertekenaars
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.