Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over de Staat van de Volkshuisvesting
32 847 Integrale visie op de woningmarkt
Nr. 547 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 11 juli 2019
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 28 mei
2019 inzake de Staat van de volkshuisvesting (Kamerstuk 32 847, nr. 520).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 10 juli 2019. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Ziengs
De griffier van de commissie, Roovers
1.
Kunt u in een tabel de aantallen afgegeven bouwvergunningen evenals het aantal aangevraagde
bouwvergunningen voor sociale huurwoningen over de afgelopen 10 jaar weergeven?
2.
Kunt u in een tabel de aantallen afgegeven bouwvergunningen evenals het aantal aangevraagde
bouwvergunningen voor middenhuurwoningen over de afgelopen 10 jaar weergeven?
3.
Kunt u in een tabel de aantallen afgegeven bouwvergunningen evenals het aantal aangevraagde
bouwvergunningen voor koopwoningen over de afgelopen 10 jaar weergeven?
4.
Kunt u daarbij een reflectie geven op eventuele verschillen die uit deze drie tabellen
ontstaan?
Antwoord op 1, 2, 3 en 4:
Sinds de invoering van de Basis Administratie Gebouwen in 2012 zijn er 370 duizend
vergunningen verleend voor nieuw te bouwen woningen. Hoeveel aanvragen er zijn gedaan
voor bouwvergunningen wordt niet bijgehouden door het Centraal Bureau van de Statistiek.
De verdeling naar eigendom voor de afgegeven vergunningen staat in onderstaande tabel
weergegeven. Het gevraagde onderscheid tussen sociale huurwoningen en middenhuurwoningen
kan niet worden gemaakt op basis van de CBS statistieken.
Jaar
Afgegeven bouwvergunningen
Huur
Koop
2012
39.350
15.500
21.800
2013
27.250
10.650
15.200
2014
41.300
13.650
25.750
2015
55.600
16.900
36.150
2016
53.550
16.100
35.000
2017
69.750
23.200
44.250
2018
69.900
22.050
44.700
20191
13.000
4.420
6.975
Totaal
369.500
Bron: CBS Bouwvergunningen
X Noot
1
Voorlopige cijfers maanden januari t/m april 2019.
De verdeling naar huur/koop telt niet op tot het totaal i.v.m. onbekende eigendomsverhoudingen
per provincie.
5.
Wat kunt u aan extra inspanningen doen om de positie van starters op de woningmarkt
in de vier grote steden te verbeteren?
Antwoord:
Ik vind het van groot belang dat starters toegang hebben tot de koopwoningmarkt. Het
vergroten van het aanbod van woningen is daarvoor essentieel. Gemeenten spelen daarvoor
een belangrijke rol. Zij kunnen diverse maatregelen nemen om starters lokaal te helpen.
Ik roep gemeenten op om hier actief gebruik van te maken. Starters komen vaak in aanmerking
voor een NHG-hypotheek met een lager risico en lagere hypotheekrente. De kostengrens
heb ik verhoogd naar 290.000 euro en de NHG-premie is verlaagd naar 0,9 procent. Ook
breng ik in beeld of sprake is van verdringing van koopstarters door beleggers, omdat
ze de prijzen opdrijven. Dit onderzoek voer ik samen met het Kadaster, de Universiteit
van Amsterdam en de Nederlandse Bank uit. Daarnaast kijk ik naar de mogelijkheden
om excessieve huurontwikkelingen tegen te gaan, zoals met de «noodknop». Dit kan de
betaalbaarheid helpen voor de groep die niet wil kopen maar wil huren. Ik houd scherp
in de gaten waar bijsturing noodzakelijk en proportioneel is. Zoals met mijn aanpak
goed verhuurderschap en het platform hypotheken.
6.
Kunt u cijfers verstrekken over de ontwikkeling van het aantal huishoudens dat in
een te grote sociale huurwoning woont ten opzichte van de omvang van het huishouden?
Antwoord
In onderstaande tabellen vindt u de verdeling van de verschillende type huishoudens
over de type woningen, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen gereguleerde huurwoningen
van corporaties en van particuliere verhuurders.
In wet- en regelgeving zijn geen normen opgenomen over de passendheid van woningen
en huishoudens als het over de omvang van het huishouden en de grootte van de woning
gaat. Gemeenten en corporaties stellen bij nieuwe verhuringen in sommige gevallen
(Huisvestingsverordening) wel eisen aan de verhouding tussen aantal personen en grootte
van de woning of het type woning, maar als de samenstelling van een huishouden vervolgens
wijzigt (groter of kleiner wordt) is het aan de huurder zelf om al dan niet op zoek
te gaan naar een andere woning.
Ik kan dan ook geen antwoord geven op de vraag hoeveel huishoudens er in een te grote
sociale huurwoning wonen en hoe dat zich heeft ontwikkeld. Wel vindt u in tabellen
1 en 2 de verdeling van de huurders van gereguleerde huurwoningen van corporaties
en particuliere verhuurders naar type woning en aantal kamers voor de jaren 2018 en
2015. De verschillen tussen de jaren zijn zeer beperkt. Alleen 1-persoonshuishoudens
in een gereguleerde woning van een particuliere verhuurder wonen in 2018 vaker in
een kleinere woning (appartement) dan in 2015.
Tabel 1 Beschikbare ruimte in de woning naar type huishouden en woning van gereguleerde
huurwoningen, 20181
Gereguleerd corporatie
Gereguleerd particulier
1-pers
paar
paar+kind
eenouder
1-pers
paar
paar+kind
eenouder
Eengezinswoning
1–3 kamers
12%
10%
5%
5%
9%
12%
5%
10%
4 kamers
16%
34%
36%
33%
9%
14%
23%
28%
5 of meer
6%
15%
23%
16%
10%
16%
36%
23%
Appartement
1–3 kamers
56%
29%
16%
24%
65%
43%
22%
26%
4 of meer
11%
12%
20%
23%
8%
15%
15%
13%
totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Bron: WoON2018
X Noot
1
Deze tabel is identiek aan tabel 2.2.1 op pagina 33 van de Staat van de Volkshuisvesting
2019.
Tabel 2 Beschikbare ruimte in de woning naar type huishouden en woning van gereguleerde
huurwoningen, 2015
Gereguleerd corporatie
Gereguleerd particulier
1-pers
paar
paar+kind
eenouder
1-pers
paar
paar+kind
eenouder
Eengezinswoning
1–3 kamers
11%
10%
5%
8%
10%
12%
6%
6%
4 kamers
16%
36%
35%
32%
9%
15%
23%
22%
5 of meer
6%
15%
24%
16%
13%
16%
35%
24%
Appartement
1–3 kamers
57%
29%
15%
21%
55%
42%
23%
29%
4 of meer
11%
11%
20%
23%
14%
15%
15%
19%
totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Bron: WoON2015
7.
Op welke wijze kunt u – gegeven de investeringsruimte in het niet-DAEB-segment – een
stimulans geven aan investeringen in het middensegment door corporaties?
Antwoord:
Om het voor woningcorporaties gemakkelijker te maken om nieuwbouw te plegen in de
niet-DAEB-tak, wordt de markttoets verder vereenvoudigd.
8.
Heeft u inzicht in welke mate corporaties gebruik maken van innovatieve bouwconcepten
als modulair bouwen en op welke wijze het gebruik hiervan gestimuleerd kan worden?
Antwoord:
Er is geen goed overzicht van de mate waarin corporaties gebruik maken van innovatieve
bouwconcepten zoals modulaire bouw, die fabrieksmatig tot stand komt en op locatie
geplaatst of gecombineerd wordt. Dit kan voor tijdelijke en voor permanente bewoning
bedoeld zijn. Wel is er een inventarisatie gemaakt van het aantal tijdelijke verplaatsbare
en modulair gebouwde woningen in opdracht van corporaties. In 2017 waren dat er 1.450
(10% van alle nieuwgebouwde sociale huurwoningen). In de periode 2016–2018 zijn 6.300
van deze woningen gebouwd, naar schatting ruim 70% daarvan door corporaties.
Modulaire bouw wordt op verschillende manieren gestimuleerd, bijvoorbeeld door het
op te nemen in woonvisies van gemeenten en in prestatieafspraken met corporaties.
In 2019 is dat in ruim 60 afspraken opgenomen. Het is ook mogelijk om een speciaal
gemeentelijk team te formeren, zoals in Amsterdam, opdat de gemeente kan doorpakken.
Ik heb in de woondeal met Eindhoven afgesproken om 1.000 van deze woningen te bouwen
en werk samen met provincies aan de gebiedsgerichte versnellingsaanpak flexwonen.
Verder verwijs ik naar mijn brief van 29 mei jongstleden over de stimuleringsaanpak
flexwonen.
9.
Heeft u inzicht in welke mate corporaties gebruik maken van circulair bouwen en op
welke wijze het gebruik hiervan gestimuleerd kan worden?
Antwoord:
Mij zijn meerdere corporaties bekend die aan de slag zijn met circulair bouwen. Voorbeelden
zijn Woonbedrijf Eindhoven, Ymere, Woonstad Rotterdam en Eigen Haard.
Het kabinet stimuleert circulair bouwen in de hele sector langs verschillende lijnen.
Ten eerste stimuleert het kabinet de ontwikkeling van een afzetmarkt voor circulair
bouwen via opdrachtverlening door Rijkswaterstaat, ProRail en het Rijksvastgoedbedrijf.
Daarnaast worden corporaties gestimuleerd gebruik te maken van circulair bouwen via
het verspreiden van goede voorbeelden en overige kennisverspreiding. Specifiek voor
corporaties gebeurt dit bijvoorbeeld via de Groene Huisvesters, een samenwerking tussen
corporaties, het Ministerie van BZK, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Woonbond
en Aedes om de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad te versnellen. Tenslotte
stimuleert het kabinet circulair bouwen door inzet van bouwregelgeving. Over mijn
beleidsvoornemens op dit punt stuur ik u na de zomer een brief.
10.
Op welke wijze kunt u stimuleren dat corporaties de mogelijkheden die zij hebben tot
het toewijzen in het middensegment in grotere mate oppakken?
Antwoord:
In hoeverre corporaties de ruimte gebruiken om toe te wijzen in het middensegment,
is een lokale afweging met gemeente en huurders. Er kunnen lokaal afspraken over gemaakt
worden in de prestatieafspraken. Gemeenten kunnen het thema opnemen in hun woonvisie.
Verder is het zaak dat corporaties meer bouwen, ook in de niet-daeb, opdat er voor
de verschillende doelgroepen meer woonruimte beschikbaar komt.
11.
Hoe beoordeelt u het aantal van 22 afgehandelde aanvragen voor niet-DAEB activiteiten
bij de Autoriteit Woningcorporaties in 2018 en waar liggen volgens u eventueel barrières
bij het behandelen van dergelijke aanvragen?
Antwoord
De aanvragen worden beoordeeld overeenkomstig de Woningwet. Volgens artikel 44c van
de woningwet is goedkeuring vooraf vereist voor niet-DAEB werkzaamheden door toegelaten
instellingen en samenwerkingsvennootschappen. Bij een verzoek moet een aantal stukken
aangeleverd worden, waaronder informatie over de markttoets. In artikel 41 en 42 Besluit
Toegelaten instellingen Volkshuisvesting (BTiV) staan enkele uitzonderingen. Zo is
onder andere geen goedkeuring vereist voor:
• Niet-DAEB-activiteiten door verbonden ondernemingen,
• Aankoop van grond of een plan,
• Terugkoopplicht van eerder vervreemde woningen,
• Werkzaamheden in het kader van herstructurering, nader toegelicht in artikel 1 BTiV.
Voor niet-DAEB-werkzaamheden die een klein onderdeel uitmaken van een project dat
voor het overige DAEB is, is wel goedkeuring nodig maar is geen markttoets en geen
zienswijze van het WSW vereist. De nadere duiding van de uitzonderingen is niet als
zodanig een barrière, maar maakt het voor de corporaties lastiger in te schatten,
welke niet-DAEB-werkzaamheden een markttoets vereisen.
12.
Wat is het aantal aanvragen dat door corporaties in 2018 is gedaan voor niet-DAEB
activiteiten
Antwoord:
Dit zijn er ook 22. Overigens is het toeval dat dit gelijk is aan het aantal aanvragen
dat in 2018 is afgehandeld. Mede afhankelijk van wanneer een aanvraag binnenkomt,
kan afhandeling doorlopen tot in een volgend kalenderjaar.
13.
Wat voor activiteiten betroffen de 22 aanvragen voor niet-DAEB activiteiten door corporaties?
Antwoord:
De meest voorkomende activiteiten binnen 22 afgehandelde aanvragen zijn de ontwikkeling
van niet-DAEB huurwoningen en ontwikkeling van bedrijfsmatig onroerend goed. Bij beide
betreft dit vaak ontwikkeling binnen een herstructureringsproject.
14.
Hoe beoordeelt u de constatering dat de economische groei de komende twee jaren naar
verwachting afneemt in het licht van de ambitie om jaarlijks 75.000 woningen te realiseren?
Antwoord:
De ambitie om jaarlijks 75.000 woningen te realiseren is gebaseerd op de woningbehoefte.
De relatie tussen de economische groei en de woningbouw is complex. Een afname van
de economische groei kan bijvoorbeeld van invloed zijn op de vraag naar woningen en
op de bouwkosten. Of de haalbaarheid van de doelstelling hierdoor verandert kan ik
niet op voorhand zeggen. Zoals ik heb aangegeven in de voortgangsrapportage over de
Nationale Woonagenda zal ik de bouwproductie blijven monitoren.
15.
In welke mate speelt capaciteit in de bouwsector een rol bij het gelijk gebleven aantal
verstrekte vergunningen?
Antwoord:
Het is moeilijk te duiden in welke mate de capaciteit in de bouwsector een rol speelt
bij het gelijk gebleven aantal verstrekte vergunningen. Maar de beperkte bouwcapaciteit
zal zeker een rol spelen. Opdrachtgevers zullen over het algemeen terughoudend zijn
met het aanvragen van een vergunning als er geen zicht is op een redelijke prijs en
capaciteit bij een bouwonderneming. Het aanvragen van een vergunning zonder zicht
op succesvolle realisatie van het project brengt een financieel risico met zich mee.
16.
In welk stadium van het woningbouwproces levert capaciteit de grootste vertragende
factor?
Antwoord:
In welk stadium de capaciteitsbeperkingen de grootste vertragende factor zijn in het
woningbouwproces is moeilijk te zeggen. Bij gemeenten zal de beperkte capaciteit over
de hele linie van planontwikkeling tot vertraging leiden. Zij zijn betrokken vanaf
de planvorming tot aan de vergunningsfase. Het is daarom belangrijk dat gemeenten
projecten prioriteren op basis van omvang en snelheid waarmee plannen te realiseren
zijn.
Marktpartijen zullen er voor kiezen hun capaciteit in te zetten op de snelst te realiseren
en meest succesvolle plannen. Welke plannen daar niet toe behoren en daardoor vertragen
is niet altijd aanwijsbaar, maar een gevolg van capaciteitstekorten.
17.
Welke verklaring heeft u voor het relatief lage aantal nieuwe corporatiewoningen ten
opzichte van sectoren als koop en particuliere verhuur?
Antwoord:
Dat er meer koop wordt gebouwd is een gevolg van de grote vraag naar koopwoningen.
Een gebrek aan bouwlocaties, knelpunten bij de vergunningverlening en de gestegen
bouwkosten zijn in een enquête in opdracht van Aedes genoemd als verklaringen voor
het relatief lage aantal nieuwe corporatiewoningen. Het tekort aan (betaalbare) bouwlocaties
voor corporaties kan samenhangen met een voorkeur van gemeenten en marktpartijen voor
koop- of duurdere huurwoningen waarbij hogere (grond-) opbrengsten haalbaar zijn.
18.
Kunt u de inkomensgroepen (per jaar) «minder dan 34.678 euro», «34.678 euro tot 38.690
euro», «38.690 euro tot 44.360 euro», «44.360 euro tot 52.500 euro», «52.500 euro
tot 70.000 euro» en «meer dan 70.000 euro uitsplitsen naar huur- en koopprijssegment
in de segmenten «gereguleerde huur tot kwaliteitskortingsgrens», gereguleerde huur
tot aftoppingsgrens», «gereguleerde huur tot liberalisatiegrens», «geliberaliseerde
huur tot 900 euro», «geliberaliseerde huur vanaf 900 euro», «koop minder dan 155.000
euro, «koop 155.000 euro tot 193.000 euro», «koop 193.000 euro tot 238.000 euro»,
«koop 238.000 euro tot 321.000 euro» en «koop vanaf 321.000 euro»?
Antwoord:
In onderstaande tabellen is de gevraagde verdeling weergegeven in 2018 en 2015. De
inkomensgroepen die in de vraag worden gedefinieerd zijn afkomstig uit het rapport
van het Planbureau voor de Leefomgeving «Middeninkomens op de woningmarkt: Ruimte
op een krap speelveld» uit 2017 en betreffen het voorlopige belastbare huishoudensinkomen
uit 2014 uit het WoON2015. Deze cijfers zijn geactualiseerd met behulp van het WoON2018
(voorlopige belastbaar huishoudensinkomen 2017.
Tabel 1. Inkomensgroepen (belastbaar huishoudensinkomen) naar woningmarktsegment,
2018
Laag inkomen
Laag middeninkomen
Midden middeninkomen
Hoog middeninkomen
Hoog inkomen <2x mod
Hoog inkomen >2x mod
totaal
Huur < kwal-korting
12%
4%
3%
2%
1%
1%
6%
<aftopping
35%
14%
11%
8%
5%
2%
19%
<lib-grens
13%
9%
7%
5%
4%
1%
8%
<900
4%
7%
8%
7%
5%
3%
5%
>900
2%
3%
2%
4%
4%
4%
3%
Koop <155.000
11%
17%
15%
13%
10%
3%
10%
<193.000
8%
16%
19%
18%
16%
8%
11%
<238.000
6%
12%
15%
19%
21%
15%
12%
<321.000
5%
11%
13%
15%
21%
25%
13%
>321.000
4%
8%
8%
11%
15%
39%
14%
totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Bron: WoON2018
Tabel 2. Inkomensgroepen (belastbaar huishoudensinkomen) naar woningmarktsegment,
2015
Laag inkomen
Laag middeninkomen
Midden middeninkomen
Hoog middeninkomen
Hoog inkomen <2x mod
Hoog inkomen >2x mod
totaal
Huur < kwal-korting
11%
3%
3%
2%
1%
1%
6%
<aftopping
29%
13%
13%
8%
5%
2%
17%
<lib-grens
16%
13%
8%
6%
5%
2%
11%
<900
5%
6%
7%
5%
4%
3%
5%
>900
1%
2%
2%
2%
2%
4%
2%
Koop <155.000
13%
18%
16%
16%
12%
5%
12%
<193.000
8%
16%
17%
19%
18%
10%
12%
<238.000
7%
13%
16%
18%
20%
16%
12%
<321.000
6%
10%
11%
15%
19%
24%
12%
>321.000
5%
3%
7%
10%
15%
34%
12%
totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
19.
Hoeveel corporaties verkopen hun woningen met voorrang aan huurders die een sociale
huurwoning achterlaten (zoals bijvoorbeeld de corporaties Portaal en Mitros doen)?
Antwoord:
Mitros en Portaal stellen de eigen huurders in de gelegenheid woningen te kopen, als
die woning bij mutatie beschikbaar komt. Na twee weken wordt de woning aan alle andere
woningzoekenden aangeboden en gaat deze naar de hoogste bieder. Als een huurder uit
het eigen huurdersbestand ingaat op het voorstel, komt er weliswaar een sociale huurwoning
vrij maar wordt er ook een verkocht.
Er is geen inzicht in hoeverre andere corporaties dit ook doen. Als corporaties woningen
in verhuurde staat willen verkopen, zijn zij verplicht deze eerst aan zittende huurders
aan te bieden. Als corporaties vrijgekomen woningen willen verkopen geldt deze plicht
niet.
20.
Hoeveel woningen zijn de afgelopen 5 jaar gesloopt, graag uitgesplitst naar huur-
en koopwoningen?
Antwoord:
In de afgelopen 5 jaar zijn er volgens de gegevens uit de Basisregistratie Adressen
en Gebouwen totaal 54.267 gesloopt (Bron: CBS, BAG).
Tabel Ontwikkeling sloop, 2014–2018
Jaar
Sloop
2014
10.989
2015
11.519
2016
10.138
2017
12.862
2018
8.759
Totaal
54.267
Het aantal gesloopte woningen naar eigendom is nog niet bekend voor de jaren 2017/2018.
Voor de andere jaren staat de verdeling naar aandelen in onderstaande tabel. Het grootste
deel van de sloop betreft huurwoningen.
Tabel Aandeel sloop naar eigendom, 2014–2016
Jaar
Sloop
Huur
Koop
2014
87%
13%
2015
89%
11%
2016
87%
13%
Bron: ABF-SYSWOV op basis van de BAG
21.
Hoeveel woningen worden in 2019 naar verwachting gesloopt, graag uitgesplitst naar
huur- en koopwoningen?
Antwoord:
Hoeveel woningen er in 2019 gesloopt gaan worden uitgesplitst naar eigendom is nog
niet bekend. Volgens de meest recente Primos raming zullen er naar verwachting in
2019 zo’n 12 duizend woningen worden gesloopt.
22.
Welke invloed(en) heeft de uitspraak van de Raad van State over de Programmatische
Aanpak Stikstof precies op het bouwen van het aantal woningen en de ambities uit de
Nationale Woonagenda?
Antwoord:
De uitspraak van de Raad van State kan grote gevolgen hebben voor activiteiten in
de fysieke leefomgeving. Ook de woningbouw kan worden belemmerd, hoewel het bestaande
beleid al bijdraagt aan het beperken van de stikstofuitstoot. Zo is de stikstofuitstoot
van aardgasloze projecten en projecten met een lage parkeernorm in combinatie met
betere OV-verbindingen aanzienlijk lager.
De uitspraak van de Raad van State wordt op dit moment door Rijk (en IPO) bestudeerd
en geanalyseerd.
De Minister van LNV heeft u per brief geïnformeerd over de crisisaanpak en organisatie
om naast het in kaart brengen van de gevolgen snel tot oplossingen te komen, opdat
de woningbouw en andere fysieke activiteiten voortgezet kunnen worden.
De impact op de huidige woningbouwplannen wordt door IPO in beeld gebracht en is op
dit moment nog niet exact bekend. Ik vraag aan de provincies om nauwgezet te monitoren
waar projecten daadwerkelijk vertragen, en ik doe dat zelf ook in de woondealregio’s,
zeker voor de projecten waarover we afspraken hebben gemaakt. Waar nodig maak ik afspraken
over aanvullende projecten. Ik faciliteer per direct de inzet van het Expertteam Woningbouw
om gemeenten te ondersteunen bij Nbwet-vergunningaanvragen waar een nieuwe onderbouwing
voor gemaakt moet worden.
23.
Hoeveel daklozen waren er in 2016, 2017 en 2018? En hoeveel hiervan waren minderjarig?
Wat zijn de verwachtingen voor 2019?
Antwoord:
Zoals de Staatssecretaris van VWS uw Kamer op 28 november heeft gemeld in antwoord
op Kamervragen van het lid Jasper van Dijk (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 797) schat het CBS dat er op 1 januari 2016 30.500 daklozen waren tussen de 18 en 65
jaar. Dit is het meest recente cijfer dat bij het CBS beschikbaar is. De nieuwste
cijfers van CBS komen naar verwachting in de zomer van 2019 beschikbaar.
Er is geen landelijk beeld van het aantal dak- en thuisloze jongeren onder 18 jaar.
24.
Hoe zijn de wachttijden in de maatschappelijke opvangcentra van mensen die wachten
op een huurwoning?
Antwoord:
Zoals de Staatssecretaris van VWS uw Kamer heeft gemeld bij de beantwoording van de
vragen over het Jaarverslag VWS 2018 (Kamerstuk 35 200 XVI, nr. 8) zijn er geen landelijke cijfers beschikbaar over de uitstroom (incl. eventuele wachttijden)
van mensen uit de maatschappelijke opvang naar huurwoningen.
25.
Hoe zien de wacht- en zoektijden voor sociale huurwoningen eruit in heel Nederland
en in de verschillende woningmarktregio’s? Kunt u een overzicht laten zien?
Antwoord:
Het rapport Stand van de woonruimteverdeling (Rigo, 2019) dat ik op 5 april aan Uw
Kamer heb aangeboden (Kamerstuk 32 847, nr. 516), maakt gebruik van informatie uit de woonruimteverdeelsytemen (o.a. Woningnet).
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de wachttijd (of inschrijfduur) en de zoektijd.
De wachttijd is de periode vanaf inschrijving als woningzoekende tot de toekenning
van een woning. De zoektijd is de periode vanaf de eerste zoekactie (reactie op een
advertentie) tot aan de toekenning van een woning. De wachttijd is langer dan de zoekduur
omdat mensen bij inschrijving vaak nog geen dringende verhuiswens hebben en eerst
inschrijfduur willen opbouwen.
In onderstaande tabel zijn de wacht- en zoektijden van de woonruimteverdeelsystemen
opgenomen van woningen die in 2017 werden verhuurd. Binnen deze regio’s variëren de
zoektijden per gemeente, per buurt en per woningtype. Voor een toelichting op deze
cijfers wordt verwezen naar het genoemde rapport.
Tabel Wacht en zoektijden sociale huurwoningen
Regio
Wachttijd (jaar)
Zoektijd (jaar)
Achterhoek
3,4
Nb
Almelo
2,0
Nb
Almere
8,6
Nb
Arnhem Nijmegen
13,7
Nb
Den Bosch
7,3
2,2
Drechtsteden
5,1
2,0
Eemvallei
6,8
1,0
Groningen
4,1
2,3
Haaglanden
3,8
1,8
Hengelo
4,5
1,6
Holland Rijnland
6,1
1,2
Lelystad
5,8
1,9
Limburg
3,8
1,2
Meijerijstad e.o.
6,3
Nb
Noord Kennemerland
6,5
Nb
Noord Veluwe
13,3
Nb
Regio Amsterdam
8,9
5,5
Regio Utrecht
8,9
4,6
Rijnmond
4,6
Nb
Stedendriehoek Apeldoorn Deventer Zutphen
6,5
Nb
West Brabant
6,8
1,8
Woongaard (Gorinchem e.o.)
4,7
0,8
Zuid Kennemerland
7,3
4,9
Zuidoost Brabant
3,8
Nb
Zwolle
5,5
3,5
Bron: Stand van de woonruimteverdeling, Rigo 2019
26.
Wat is de reden dat over sommige jaren geen cijfers ten aanzien van transformaties
bekend zijn?
Antwoord:
Het aantal woningtransformaties wordt sinds 2014 jaarlijks door het CBS afgeleid met
behulp van de Basisadministratie Gebouwen (BAG). Hierbij wordt de BAG gekoppeld aan
de Basisregistratie Personen en de WOZ statistiek om te bepalen hoeveel verblijfsobjecten
met een woonfunctie erbij zijn gekomen. Deze afleiding geschiedt na publicatie van
de definitieve woningvoorraadstatistiek in de zomer van elk jaar betreffende de cijfers
van het jaar daarvoor. Zodoende worden de cijfers over de woningtransformaties van
2018 pas bekend na de zomer van 2019.
27.
Wat zijn de oorzaken van de enorme stijgingen van buitenlandse beleggers op de woningmarkt
voor nieuwbouwwoningen? Hoe zit dit bij de bestaande bouw?
Antwoord:
De Nederlandse woningmarkt wordt gezien als een aantrekkelijke beleggingsmarkt. Nederlandse
huurwoningen worden door buitenlandse beleggers door de combinatie van aantrekkelijk
rendement en beperkte risico’s gezien als een relatief aantrekkelijke belegging. Dit
geldt voor nieuwbouwwoningen en voor bestaande woningen. Bijna de helft (41%) van
het beleggingsvolume bestond in 2018 uit nieuwbouw (inclusief transformaties en herontwikkelingen).
Bron: Capital value 2019.
28.
Hoeveel sociale huurhuizen zijn verkocht aan andere dan de huidige bewoner(s) of andere
woningcorporaties in 2017 en 2018? Wat is de verwachting voor 2019?
Antwoord:
Corporaties hebben in 2017 zevenduizend woningen aan andere dan de huidige bewoners
verkocht, en ruim duizend woningen aan andere toegelaten instellingen. De cijfers
over 2018 en 2019 zijn nog niet bekend.
29.
Welk percentage van de verkochte woningen afgelopen jaar is verkocht aan particuliere
en institutionele beleggers? Kunt u dit verwerken in een overzicht en daar de verwachting
voor 2019 in meenemen?
Antwoord:
De verkoopcijfers over 2018 zijn nog niet bekend. In de Staat van de woningmarkt 2018
die in het najaar verschijnt zal ik u daarover informeren. De prognose voor 2019 is
9 duizend verkochte woningen via complexgewijze verkoop aan beleggers of andere corporaties
(bron: dpi2018).
30.
Wanneer is het onderzoek naar de prijseffecten van aankopen door particuliere beleggers
in stedelijke gebieden klaar? Kunt u al een overzicht geven van voorlopige conclusies
of een stand van zaken?
Antwoord:
Het Kadaster is momenteel bezig met het opstellen van de eindrapportage. Het onderzoek
zal naar alle waarschijnlijkheid voor het einde van het zomerreces beschikbaar komen.
Snel na het reces zal ik u informeren over de uitkomsten en eventuele beleidsmaatregelen.
31.
Hoe zien de woningtekorten eruit in de verschillende segmenten (sociale huur, middenhuur,
koop)? Kunt u dit in een tabel plaatsen?
Antwoord:
Het kwantitatieve tekort aan woningen is voor 2019 geraamd op 294 duizend woningen.
Op dit moment is nog niet bekend hoe de kwalitatieve verdeling is van het kwantitatieve
woningtekort. Er is een onderzoek gestart naar de mogelijkheden om op basis van de
beschikbare data een spanningsindicator naar diverse segmenten op de woningmarkt te
ontwikkelen. Over de voortgang van dit onderzoek wordt de Kamer geïnformeerd in de
Staat van de Woningmarkt 2019.
32.
Woningtekorten zullen voor verschillende inkomensgroepen, huishoudtypes en regio’s
ook verschillend uitpakken. Kan worden aangegeven hoe de relatie is tussen de vraag
en het aanbod voor verschillende inkomensgroepen, huishoudtypes en regio’s? Graag
een toelichting op de verschillende elementen.
Antwoord:
Hogere inkomensgroepen hebben een andere vraag naar woningen dan lagere inkomensgroepen.
Zo zullen zij vaker een koopwoning vragen dan een huurwoning. De vraag van alleenstaanden
en gezinnen (zonder/met kinderen) is ook verschillend. Alleenstaanden zullen verhoudingsgewijs
vaker een appartement vragen en gezinnen vaker een eengezinswoning. Het tekort aan
woningen is kwantitatief bepaald en een kwalitatief onderscheid naar segmenten of
prijsklassen is niet bekend: zie beantwoording vraag 31 voor verdere toelichting.
33.
Hoeveel huurwoningen worden in 2019 geliberaliseerd?
Antwoord:
Een globale schatting van het aantal huurwoningen dat zal worden geliberaliseerd is
rond 5.000. Dit is gebaseerd op een mutatiegraad van 8%, en 70.000 woningen die zijn
overgeheveld van DAEB naar niet-DAEB bij de scheiding van DAEB en niet-DAEB. Het aantal
geliberaliseerde woningen in 2019 zal blijken uit de Huurenquête 2019. De resultaten
worden opgenomen in de Staat van de woningmarkt 2019.
34.
Hoeveel mensen ontvangen nu huurtoeslag? Zal dit aantal stijgen of dalen in 2019?
Antwoord:
Er ontvangen in 2019 circa 1,4 miljoen huishoudens huurtoeslag. Dit aantal zal in
2019 naar verwachting niet sterk veranderen.
35.
Wat is het aantal goedkope scheefwoners, totaal en uitgesplitst met woningmarktregio?
Antwoord:
In onderstaand overzicht is het aantal goedkope scheefwoners in de gereguleerde huursector
opgenomen, voor Nederland als geheel en naar de 31 woningmarktgebieden die in het
WoON2018 worden onderscheiden. Tevens is het aandeel goedkope scheefheid in het totaal
van alle bewoonde gereguleerde huurwoningen per regio en voor Nederland als geheel
opgenomen.
Aantal
aandeel in bewoonde gereguleerde huurvoorraad
Totaal
469.800
19%
Groningen
15.600
16%
Leeuwarden
8.000
13%
Heerenveen
7.600
20%
Emmen
4.700
10%
Zwolle
14.000
22%
Enschede
16.400
19%
Lelystad
7.400
21%
Apeldoorn
11.600
19%
Doetinchem
5.900
20%
Arnhem
12.800
20%
Nijmegen
10.900
18%
Ede
10.200
20%
Amersfoort
6.800
21%
Utrecht
23.900
22%
Alkmaar
20.300
23%
Amsterdam
81.900
20%
Gouda
9.500
24%
Leiden
13.100
24%
Den Haag
31.600
17%
Rotterdam
46.100
18%
Dordrecht
11.400
21%
Middelburg
8.800
20%
Roosendaal
7.100
19%
Breda
12.100
23%
Tilburg
9.300
17%
Den Bosch
11.400
21%
Oss
5.900
18%
Eindhoven
20.300
21%
Venlo
9.300
16%
Sittard
9.700
14%
Maastricht
6.300
18%
36.
Wat is het aantal goedkope scheefwoners uitgesplitst per WOZ-waarde in de categorieën:
minder dan 160.000 euro, tussen de 160.000 en 240.000 euro, tussen de 240.000 euro
en 320.000 euro en meer dan 320.000 euro?
Antwoord:
In onderstaande tabel is het aantal en aandeel goedkope scheefwoners in de gereguleerde
huurwoningvoorraad weergegeven naar de WOZ-waarde in vier klassen.
Tabel: Goedkoop scheefwonen in de voorraad bewoonde gereguleerde huurwoningen naar
WOZ-waarde, 2018
aantal
Aandeel in de voorraad bewoonde gereguleerde huurwoningen
<160.000€
293.000
16%
160.000–240.000€
129.700
25%
240.000–320.000€
23.400
28%
>320.000€
23.600
40%
totaal
469.800
19%
Bron: WoON2018
37.
Kan per woningmarktregio worden aangegeven hoe lang de gemiddelde wachttijd is voor
een sociale huurwoning?
Antwoord:
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 25.
38.
Wat is de gemiddelde tijd dat bewoners van sociale huurwoningen door verhuizing, twee
sociale huurwoningen tegelijk huren?
Antwoord:
Hierover zijn geen nationale cijfers beschikbaar. De overlappende huurperiode bedraagt
meestal enkele dagen tot enkele weken.
39.
Wat waren in 2018 de gemiddelde stichtingskosten voor nieuwe sociale huurwoningen,
gerealiseerd door woningcorporaties in totaal, uitgesplitst per woningmarktregio en
uitgesplitst per type woning?
Antwoord:
Gemiddelde stichtingskosten van nieuwe sociale huurwoningen in 2018 waren ca 164.000
(bron: Monitor Sociale huurwoningen 2019). Een uitsplitsing naar regio is niet beschikbaar.
De stichtingskosten van eengezinswoningen en appartementen verschillen weinig.
40.
Hoeveel bestaande sociale huurwoningen van woningcorporaties hebben een marktwaarde
in verhuurde staat in de categorieën: minder dan 160.000 euro, tussen de 160.000 en
240.000 euro, tussen de 240.000 euro en 320.000 euro en meer dan 320.000 euro, totaal
en uitgesplitst per woningmarktregio?
Antwoord:
Uit de gegevens van corporaties (peildatum 2017) is de volgende onderverdeling van
DAEB-woningen naar marktwaarde af te leiden.
Tabel marktwaarde per woningmarktregio
Woningmarktregio (woningwet)
<0
0–159k
160k–239k
240k–319k
>=320k
Totaal
Friesland
989
77.662
619
2
0
79.272
Groningen Drenthe
836
128.671
1172
1
2
130.682
Noord-Holland Noord
526
66.425
2.094
17
2
69.064
Zwolle/Stedendriehoek
774
103.169
3.501
9
2
107.455
Metropoolregio Amsterdam
2.883
252.502
75.473
12.566
2.096
345.520
Amersfoort/Noord-Veluwe/Zeewolde
365
45.431
6.751
77
11
52.635
Holland Rijnland
412
51.566
7.847
180
9
60.014
Oost-Nederland
470
95.693
1.597
4
–
97.764
U16
703
77.832
21.814
1.404
156
101.909
Food Valley
151
27.969
2.367
2
–
30.489
Haaglanden/Midden-Holland/Rotterdam
3.260
348.446
20.210
294
24
372.234
Arnhem Nijmegen
729
98.006
2.457
7
3
101.202
Woongaard
359
43.499
2.298
26
16
46.198
Drechtsteden/Hoeksche Waard/Goeree Overflakkee
617
49.710
1.204
–
1
51.532
Noordoost Brabant
558
68.001
2.807
16
6
71.388
West-Brabant en Hart van Brabant
530
120.508
4.787
16
5
125.846
Zeeland
512
37.814
433
3
–
38.762
Metropoolregio Eindhoven
965
85.590
3.985
16
5
90.561
Limburg
1.312
127.327
1.257
9
1
129.906
Totaal
16.951
1.905.821
162.673
14.649
2.339
2.102.433
41.
Hoeveel bestaande sociale huurwoningen van woningcorporaties hebben een WOZ-waarde
in de categorieën: minder dan 160.000 euro, tussen de 160.000 en 240.000 euro, tussen
de 240.000 euro en 320.000 euro en meer dan 320.000 euro, totaal en uitgesplitst per
woningmarktregio.
Antwoord:
Uit de gegevens van corporaties (peildatum 2017) is de volgende onderverdeling van
DAEB-woningen naar WOZ-waarde af te leiden.
Tabel WOZ-waarde van DAEB-woningen
Woningmarktregio (woningwet)
<0
0–159k
160k–239k
240k–319k
>=320k
Totaal
Friesland
405
73.841
4.941
81
4
79.272
Groningen Drenthe
234
123.105
7.275
65
3
130.682
Noord-Holland Noord
117
53.605
14.818
505
19
69.064
Zwolle/Stedendriehoek
113
76.782
29.937
615
8
107.455
Metropoolregio Amsterdam
80
136.331
126.084
50.568
32.457
345.520
Amersfoort/Noord-Veluwe/Zeewolde
16
21.885
28.798
1.894
42
52.635
Holland Rijnland
261
28.784
28.593
2.248
128
60.014
Oost-Nederland
200
85.784
11.509
265
6
97.764
U16
277
45.166
47.332
7.949
1.185
101.909
Food Valley
122
17.354
12.643
366
4
30.489
Haaglanden/Midden-Holland/Rotterdam
391
295.624
71.544
4.561
114
372.234
Arnhem Nijmegen
46
78.946
21.794
392
24
101.202
Woongaard
139
27.157
18.684
214
4
46.198
Drechtsteden/Hoeksche Waard/Goeree Overflakkee
302
39.275
11.879
74
2
51.532
Noordoost Brabant
1
35.571
34.333
1.427
56
71.388
West-Brabant en Hart van Brabant
75
90.963
34.085
704
19
125.846
Zeeland
8
34.912
3.812
29
1
38.762
Metropoolregio Eindhoven
42
43.940
44.757
1.802
20
90.561
Limburg
140
119.321
10.276
163
6
129.906
Totaal
2.969
1.428.346
563.094
73.922
34.102
2.102.433
42.
Wat zijn de redenen dat de onrendabele top is gestegen van 45.000 naar 60.000 euro
per nieuwbouwwoning? Is er een verschil tussen huur- en koopwoningen?
43.
Hoe is de stijging van de onrendabele top opgebouwd?
Antwoord op 42 en 43:
De onrendabele top van een (sociale) huurwoning is het verschil tussen de stichtingskosten
van de woning en de bedrijfswaarde (sinds boekjaar 2018 vervangen door de beleidswaarde)
ervan. De bedrijfswaarde en beleidswaarde gaan uit van verhuur en is de contante waarde
van de verwachte huurinkomsten uit de woning verminderd met de exploitatielasten.
Bij koopwoningen -die door corporaties vrijwel niet meer worden gebouwd- is de term
«onrendabele top» minder gebruikelijk, maar is een negatief verschil tussen netto
verkoopprijs en stichtingskosten als zodanig te beschouwen.
De onrendabele top die is toegenomen van € 45.000 in 2017 naar € 60.000 in 2018 (bron:
Monitor Sociale Nieuwbouw 2019) heeft betrekking op sociale huurwoningen en gaat uit
van de bedrijfswaarde. De toename is een gevolg van gestegen bouwkosten en een licht
gedaalde bedrijfswaarde vanwege licht gedaalde aanvangshuren. Beide factoren hebben
ongeveer even veel effect.
44.
Welke gevolgen heeft het stijgen van de onrendabele top en de financiële druk op corporaties,
onder meer door de (stijging van) verhuurderheffing, voor de nieuwbouwproductie en
verduurzaming de komende jaren door corporaties?
Antwoord:
Zoals ik mijn brief van 6 maart j.l. (Kamerstuk 32 847, nr. 472) heb aangegeven is naar aanleiding van de motie Ronnes cs een onderzoek opgestart
naar de omvang van de maatschappelijke opgave voor de corporatiesector op korte en
lange termijn, in samenhang met de financiële slagkracht van de sector. Dit onderzoek
is gezamenlijk door Rijk en Aedes opgepakt, conform afspraak uit het concept-Klimaatakkoord.
Zowel verduurzamings- als volkshuisvestelijke opgaven (passend aanbod, betaalbaarheid
en leefbaarheid) zullen hierin worden meegenomen.
De factoren die de onrendabele top bepalen, zoals stichtingskosten, huur en lasten,
alsmede de lasten vanwege de verhuurderheffing zullen in dit onderzoek worden verwerkt.
Eerste resultaten van dit onderzoek zijn beoogd voor eind 2019.
45.
Wat zijn de effecten van de BENG-eisen op de onrendabele top? Of wat kunnen de effecten
mogelijk zijn?
Antwoord:
De effecten van BENG op de investeringskosten en de onrendabele top zijn sterk afhankelijk
van de gekozen maatregelen. De gemiddelde jaarlijkse netto meerkosten komen per woning
uit tussen minimaal € 380 en maximaal € 2.660 over een periode van 30 jaar. Hierbij
is rekening gehouden met de effecten van een lagere energierekening.
46.
Waarom zijn er zulke grote verschillen in grondkosten (van € 5.000 tot € 70.000) voor
sociale huurwoningen?
Antwoord:
Verschillen hangen o.a. samen met de locatie. Binnenstedelijk bouwen, en met name
vervangende nieuwbouw, is duurder dan buitenstedelijk. 85% van hetgeen corporaties
bouwen is binnenstedelijk.
De administratieve verwerking door corporaties heeft grote invloed op de kosten. Corporaties
hanteren zelf verschillende uitgangspunten met het boeken van grondkosten. Sommige
corporaties gebruiken een normbedrag waarin slechts een deel van de kosten zijn opgenomen.
Bij deze methode lijken de kosten laag. Andere corporaties nemen alle kosten mee in
het bepalen van de grondkosten: de aankoop of inbreng van de grond, de waarde van
de opstallen, het slopen van opstallen en het bouwrijp maken van de grond.
Om meer zicht te krijgen op de oorzaken van de verschillen is meer onderzoek nodig
naar de manier waarop grondkosten verantwoord worden maar ook naar hoe de kosten zijn
opgebouwd.
47.
Hoeveel procent van de inkomsten van gemeenten bestaat uit grondopbrengsten? Kunt
u aangeven of hier regionale verschillen in zijn en hier een overzicht van geven?
Antwoord:
De baten, lasten en het saldo van gemeentelijke grondopbrengsten laten over de jaren
schommelingen zien. Figuur 1 laat zien dat na een periode van negatieve grondexploitaties
er sinds 2016 sprake is van positieve grondexploitaties.
Figuur 1: Ontwikkeling baten/lasten & saldo
Gemiddeld genomen bestond 8% van de totale baten over het verslagjaar 2017 uit grondopbrengsten.
Tegenover deze baten á 5.1 miljard euro stonden echter ook 4 miljard euro aan lasten.
Het saldo voor de grondopbrengsten was dus 1.1 miljard euro, of 1.7% van de totale
baten.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat een significant deel van de baten bestaat uit
mutaties van reserves of overige verrekeningen die geen directe relatie hebben met
transacties met derden, maar het gevolg zijn van bijvoorbeeld herwaarderingen of activering
van lasten.
Er zijn verschillen tussen gemeenten, zo hebben niet alle gemeenten een positief saldo
grondopbrengsten in 2017. Figuur 2 laat zien dat de verschillen tussen provincies
variëren van 2% tot 14% van de baten.
Figuur 2: Grondexploitatie baten als percentage van totale baten
48.
Zou een verlaging van de verhuurderheffing en/of een omzetting van een deel van de
heffing in een investeringsaftrek kunnen helpen om financiële risico’s, die er zijn
om label A te halen in 2030, te beperken en zo ja, om wat voor bedrag aan verlaging
moet dan worden gedacht?
Antwoord:
Een faciliteit in de verhuurderheffing is één van de mogelijkheden om financiële risico’s
in de sector te beperken. Hier staat tegenover dat dit een budgettair effect heeft
op de rijksbegroting. In dat verband is het nodig om goed inzicht te hebben in het
totaal van de maatschappelijke opgaven in verhouding tot de financiële positie van
corporaties en de verschillende opties om hieraan tegemoet te komen. Dit vereist allereerst
inzicht in de omvang van de volkshuisvestelijke opgaven op korte en lange termijn
en een beeld over de mate van regionale spreiding van deze opgaven. Ik verwacht met
het onderzoek naar aanleiding van de motie Ronnes c.s. (35 000 VII, nr. 52) waarin wordt gevraagd de volkshuisvestelijke opgaven voor corporaties af te zetten
tegen hun financiële positie eind van dit jaar meer duidelijkheid te kunnen geven
over deze verhouding tussen opgaven en middelen. Op basis van dit totaalbeeld kan
bezien worden of en in welke mate een faciliteit in de verhuurderheffing bij kan dragen.
49.
Hoe groot gaat, op grond van demografische prognoses, de behoefte van ouderenhuisvesting
worden in 2025, 2030, 2035 en 2040? Hoe is de verdeling van deze behoefte naar inkomensgroepen
en woningcategorie?
Antwoord:
Door de vergrijzing zal het aantal 75+ers stijgen van 1,4 mln. in 2019 naar 2,6 mln.
in 2040 (Primos2019). Dit zal leiden tot een stijgende vraag van ouderen naar voor
hen geschikte woningen. Door diversiteit van de woonwensen en verschillende manieren
waarop het langer thuis wonen kan worden mogelijk gemaakt, is het niet mogelijk op
nationaal niveau deze behoefte kwantitatief te onderbouwen. Een geschikte woning kan
bijvoorbeeld een reguliere woning zijn, die zo nodig wordt aangepast, een levensloopbestendige
woning, een serviceflat of een geclusterde woonvorm en behoefte zal mede afhangen
van (toekomstig) verhuisgedrag. De groep ouderen is daarbij zeer divers: er zijn grote
verschillen in leeftijd, inkomen, vermogen, gezondheidssituatie, sociale netwerk etc.
Er bestaat daarom een grote diversiteit aan woonwensen. Het in beeld brengen van de
behoefte moet daarom vooral op het lokale niveau gebeuren. Een van de doelen van de
Actielijn Wonen en Zorg in het Programma Langer thuis is daarom dat in iedere gemeente
de opgave in beeld wordt gebracht.
50.
Kunt u de jaarlijkse toewijzing van 2009 tot en met 2019 van sociale huurwoningen
van woningcorporaties splitsen in de doelgroepen migratieachtergrond (Westers), en
niet migratieachtergrond (niet-Westers)?
Antwoord:
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel sociale huurwoningen worden ontwikkeld en
toegewezen specifiek voor de verschillende doelgroepen. Wel wordt in de prestatieafspraken
aandacht geschonken aan huisvesting van specifieke doelgroepen. Zo is er aandacht
voor mensen met een GGZ-achtergrond, mensen uit de maatschappelijke opvang, statushouders,
dak- en thuislozen en arbeidsmigranten. Er worden geen prestatieafspraken gemaakt
over het huisvesten op basis van Westerse of niet-Westerse migratie achtergrond.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Ziengs, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
C.J.M. Roovers, griffier