Brief regering : Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo
31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie
Nr. 711
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 juli 2026
Het mbo is van grote waarde voor Nederland. Het is de plek waar jongeren hun talenten
ontdekken en zich als jongvolwassenen verder ontwikkelen in hun denken en doen. Het
is ook de plek waar ze worden voorbereid op hun rol in de samenleving. Als toekomstig
ondernemer of werknemer en als medeburger van ons land. Een land waarin wij al deze
talenten keihard nodig hebben. Ook vervult het mbo een sleutelrol in leven lang ontwikkelen
door mensen in iedere fase van hun loopbaan toegang te bieden tot actuele kennis,
nieuwe vaardigheden en ontwikkelkansen.
Tegelijkertijd staat het mbo voor grote uitdagingen. In meerdere regio’s dalen de
studentenaantallen, terwijl de vraag naar vakmensen groeit. Tegelijk ervaren studenten
financiële drempels om te studeren en staat de kwaliteit van het onderwijs onder druk.
Een stabiele bekostiging is essentieel als basis voor goed mbo-onderwijs. Door de
dalende studentenaantallen en de regionale verschillen, zorgt onze huidige manier
van bekostigen onvoldoende voor deze stabiele basis. Dit komt omdat de bekostiging
nu sterk afhankelijk is van studentenaantallen. Zeker in specifieke regio’s zet dit
de toegang tot goed mbo-onderwijs onder druk. Zonder aanpassingen neemt bovendien
de concurrentie tussen mbo-instellingen toe, wat niet ten goede komt aan de bereikbaarheid
en kwaliteit van het onderwijs. Hier moeten we iets aan doen.
Daarom kiest het kabinet na constructief overleg met de mbo-sector voor een nieuwe
koers in de financiering en aansturing van het mbo. Zo blijft het mbo toegankelijk
voor studenten in alle regio’s van Nederland, wordt de kwaliteit van onderwijs beter
geborgd en sluit het onderwijs beter aan op maatschappelijke opgaven. Ook stimuleren
de maatregelen meer samenwerking tussen mbo-instellingen. Het streven is om de nieuwe
bekostiging per 2029 in te laten gaan. Met deze brief informeer ik u over de keuzes
die ik daarin voorstel.
De belangrijkste keuzes zijn:
• de invoering van een vaste voet in de bekostiging. Dit biedt mbo-instellingen meer
stabiliteit. Ook wordt hiermee de concurrentieprikkel verminderd;
• een extra bedrag van € 81 miljoen voor mbo-instellingen in die regio’s waar studentenaantallen
dalen (toegankelijkheidstoeslag), met als doel om in alle regio’s toegankelijk, goed
en divers mbo-aanbod te kunnen blijven aanbieden;
• het gerichter inzetten van de huidige kwaliteitsmiddelen, voor een betere aansluiting
van het onderwijs op de arbeidsmarkt en het carrièreperspectief van docenten. Er wordt
onder meer € 200 miljoen beschikbaar gesteld voor regionale plannen van mbo-instellingen.
Deze plannen worden gemaakt samen met werkgevers en zijn gericht op het opleiden voor
sectoren die maatschappelijk van groot belang zijn;
• leermiddelen worden vanaf 2029 gratis beschikbaar gesteld aan minderjarige mbo-studenten.
Zo verlagen we de financiële drempels om te studeren in het mbo.
In deze brief beschrijf ik eerst mijn visie op de financiering van het mbo en de uitgangspunten
die daarbij leidend zijn. Vervolgens licht ik de maatregelen toe langs drie speerpunten.
Deze drie zijn: een sterke basis voor het mbo, goede randvoorwaarden voor studenten
en voldoende talent voor de arbeidsmarkt van morgen. Daarna ga ik in op de noodzaak
van structurele financiering voor kerntaken van het mbo en op de bredere randvoorwaarden
voor een toekomstbestendig mbo-stelsel. Tot slot vindt u in bijlage 1 een financieel
overzicht van de nieuwe inzet van bestaande middelen en de investeringen uit het coalitieakkoord.
Visie op de financiering van het mbo
Geld volgt inhoud. Daarom sluiten de financiële keuzes aan bij mijn speerpunten voor
het vervolgonderwijs, zoals beschreven in de Beleidsbrief 2026–2030 voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1. Deze drie pijlers vormen het fundament van mijn beleid:
1. De basis op orde: de randvoorwaarden voor het mbo moeten nu en in de toekomst op orde zijn. Daarom
werk ik aan stabiele financiering en het verhogen van de onderwijskwaliteit.
2. Goede randvoorwaarden voor studenten: het wegnemen van barrières, zodat iedere student zich optimaal kan ontwikkelen.
3. Talent voor de arbeidsmarkt van morgen: Nederland heeft voldoende én goed opgeleide vakmensen hard nodig voor de maatschappelijke
opgaven en onze welvaart. Daarom kies ik voor focus op de vaardigheden en opleidingen
die nu en in de toekomst cruciaal zijn voor ons land en die studenten goed voorbereiden
op hun plek in de samenleving.
Daarnaast maak ik specifiek voor de financiering, gericht op een toekomstbestendig
mbo, aanvullende keuzes op basis van de volgende principes:
1. In iedere regio een sterk mbo;
2. Van concurrentie naar samenwerking;
3. Minder complex en meer stabiel;
4. Transparantie en zicht op resultaten.
In iedere regio een sterk mbo
Het mbo is een belangrijke schakel in de publieke infrastructuur van de regio. Met
de financiële keuzes in deze brief verstevig ik de toegankelijkheid en robuustheid
van het mbo, met extra aandacht voor die regio’s waar de studentenaantallen sterk
dalen. Dit sluit aan bij de ambitie dat ons beleid vanuit de Rijksoverheid moet werken
voor alle regio’s in Nederland, zowel voor dicht- als dunbevolkte gebieden en van
de kust tot aan de grens. Het Rijk heeft deze ambitie uitgesproken in onder meer het
Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR). Dat vraagt om andere keuzes. Daarbij gaat
het niet alleen om het versterken van wat al sterk is, maar ook om investeren in veerkracht,
vitaliteit en leefbaarheid. Juist waar voorzieningen onder druk staan.
Zo geef ik invulling aan een andere investeringslogica die de vitaliteit van elke
regio ondersteunt en geef ik voor het mbo vorm aan de stevige veranderingen in het
rijksbeleid die het kabinet heeft aangekondigd in reactie op het rapport Elke regio
telt!2.
Van concurrentie naar samenwerking
De maatschappelijke opgaven van de komende jaren vragen om een omslag in het denken
van mbo-instellingen: van concurrentie op studentenaantallen naar collectieve verantwoordelijkheid
voor het opleidingsaanbod en samenwerking. Betere samenwerking tussen instellingen
is essentieel voor het bieden van een divers aanbod aan opleidingen in Nederland.
Opleidingen die bovendien toegankelijk zijn voor studenten en relevant voor de arbeidsmarkt.
Samenwerking biedt bovendien kansen om voorzieningen en expertise beter te delen.
Zo kunnen we het onderwijs slimmer organiseren en de kwaliteit van het onderwijs verhogen.
Minder complex en meer stabiel
De financiering moet en kan eenvoudiger en stabieler. Daarmee wordt het voor instellingen
ook voorspelbaarder waar ze aan toe zijn. Dit stelt mbo-instellingen beter in staat
om langetermijninvesteringen te doen die nodig zijn voor een goede inrichting van
het onderwijs en het bieden van kwaliteit. Tegelijk wil ik de administratieve druk
op mbo-instellingen verminderen. Daarom kies ik voor minder afzonderlijke regelingen
en meer samenhang in de financiering.
Structurele opgaven vragen om structurele bekostiging. Hiervoor wil ik de verhouding
tussen financiering via de lumpsum en gerichte middelen veranderen. Financiering voor
huidige en nieuwe wettelijke taken hoort thuis in de lumpsum. Die middelen zijn vrij
besteedbaar binnen de kaders van wet- en regelgeving. Daarnaast houd ik een kleiner
budget beschikbaar om gericht op een aantal maatschappelijke opgaven bij te kunnen
sturen.
Transparantie en zicht op resultaten
Ik ga uit van de kracht en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van mbo-instellingen.
Voor dit vertrouwen zijn transparantie, inzicht in prestaties en concrete resultaten
essentieel. Goed zicht op resultaten is en blijft nodig om te kunnen bijsturen en
samen te leren wat werkt. Daarbij heeft de medezeggenschap de belangrijke rol om de
ambities en verantwoordelijkheden van de instellingen constructief en waar nodig scherp
te volgen en bespreekbaar te maken.
Drie speerpunten vervolgonderwijs
1: De basis op orde
Mbo van hoge kwaliteit begint bij een stevig fundament.3 Hiervoor is stabiele financiering nodig en moeten de randvoorwaarden voor docenten
en de kwaliteit van het onderwijsaanbod op orde zijn. Onder de noemer «de basis op
orde» neem ik maatregelen die de robuustheid van mbo-instellingen vergroten, de professionalisering
van docenten versterken en de kennisbasis van de sector verstevigen.
Herziening van de bekostiging van het mbo
Sinds de invoering van de Wet educatie en beroepsonderwijs in 1996 is de bekostiging
van het mbo op hoofdlijnen gelijk gebleven. Maar de uitdagingen van deze tijd vragen
om aanpassing van het bekostigingsstelsel.
Daarbij bouw ik voort op wat goed werkt, zoals de differentiatie in bekostiging tussen
entree, niveau 2 en niveau 3/4. Waar dat noodzakelijk is kies ik bewust voor aanpassingen
binnen het bestaande lumpsummodel. De herziening is grotendeels budgetneutraal. Om
de bekostiging toekomstbestendig te maken, neem ik de volgende maatregelen:
• invoering van een vaste voet in de bekostiging voor alle mbo-instellingen. Deze vaste
voet bedraagt bij de invoering 25 procent van de totale bekostiging.
• invoering van een toegankelijkheidsopslag voor de mbo-instellingen in regio’s met
sterk dalende studentenaantallen. De totale omvang van deze opslag bedraagt € 81 miljoen
per jaar;
• vereenvoudiging van de systematiek door het aantal prijsfactoren terug te brengen
van zeven naar drie factoren;
• gerichtere inzet van de huidige kwaliteitsmiddelen in het mbo (zie ook box 1). Van
brede ambities naar meer focus in het huidige budget van € 540 miljoen per jaar, door:
○ € 200 miljoen structureel beschikbaar te stellen voor specifieke beleidsdoelstellingen.
Voor de komende jaren kies ik als focus het opleiden voor de cruciale opgaven voor
onze toekomstige welvaart, in lijn met de Talentstrategie (zie speerpunt 3).
○ € 142 miljoen beschikbaar te houden voor het verbeteren van het carrièreperspectief
van onderwijspersoneel. In ieder geval tot en met het weegmoment in 2030 (zie speerpunt 1);
○ een deel van de huidige kwaliteitsmiddelen toe te voegen aan de lumpsum. Dit bedrag
wordt verbonden aan nieuwe of aangescherpte wettelijke taken. Ik ga later in deze
brief in op de nieuwe taak voor schoolkosten van minderjarige studenten (zie speerpunt 2).
• vergroting van de stabiliteit van het totale budget voor het mbo (het macrokader op
rijksniveau). De vaste voet in het macrokader wordt verhoogd met de overheveling van
de middelen van de kwaliteitsafspraken, zodat deze aansluit bij de hoogte van de vaste
voet voor individuele mbo-instellingen. Daardoor beweegt het totale budget voor het
mbo minder sterk mee met de studentenaantallen.
Box 1 Van kwaliteitsafspraken naar opgavegerichte middelen
Met de Werkagenda mbo 2024–2027 en het Stagepact is een stevig fundament gelegd voor
de versterking van het mbo. Uit de tussentijdse evaluatie blijkt echter dat de huidige
systematiek tekortkomingen kent. Veel mbo-instellingen richten zich op alle twaalf
doelstellingen tegelijk, waardoor focus ontbreekt en resultaten achterblijven. Ook
maakt de omvang van de kwaliteitsmiddelen een scherpe kwalitatieve beoordeling lastig.
Daarom wordt de systematiek herzien:
• Vanaf 2029 worden de integrale kwaliteitsagenda’s per mbo-instelling vervangen door
opgavegerichte middelen voor een beperkt aantal urgente doelen. Daarmee wordt gekozen
voor focus en heldere doelen. Door kleinere en gerichter inzetbare budgetten wordt
een kritische beoordeling beter mogelijk.
• De huidige regeling voor kwaliteitsafspraken wordt met één jaar verlengd tot eind
2028, zodat deze aansluit op de brede herziening van de mbo-bekostiging beoogd per
1 januari 2029.
Effecten van de nieuwe bekostiging
Deze herziening maakt het mbo-stelsel stabieler en robuuster. Met de vaste voet en
de toegankelijkheidsopslag wordt het mbo in regio’s met fors dalende studentenaantallen
(zie box 2) structureel beter toegerust om toegankelijk, goed en divers mbo-onderwijs
te verzorgen. Dat is van groot belang voor de leefbaarheid van deze gebieden, waar
voorzieningen als instellingen, zorg en winkels onder druk staan, en waar de reistijd
voor studenten toeneemt als opleidingen verdwijnen.
De wijzigingen stimuleren samenwerking tussen mbo-instellingen in plaats van concurrentie.
Dit komt de doelmatigheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede. Bovendien zorgt
de scherpere focus bij de inzet van de huidige kwaliteitsmiddelen voor een grotere
effectiviteit van het beleid en een betere aansluiting op de maatschappelijke opgaven
waar het mbo voor staat.
Box 2 Toegankelijkheidsopslag voor specifieke regio’s
In regio’s met sterk dalende studentenaantallen staat een goed en toegankelijk mbo-aanbod
onder druk. Om de toegankelijkheid van het mbo in deze regio’s op peil te houden wordt
vanaf 2029 een toegankelijkheidsopslag van ca. € 81 miljoen per jaar ingevoerd.
Dit bedrag wordt verdeeld over de mbo-instellingen die primair verantwoordelijk zijn
voor het mbo-aanbod in deze regio’s. Dat zijn de mbo-instellingen waarvan minstens
50 procent van de studenten afkomstig is uit de geselecteerde regio’s. Bij de verdeling
wordt rekening gehouden met onder meer de omvang van de mbo-instelling, de (dun)bevolktheid
van de regio en de relatieve omvang en duur van de krimp.
Mbo-instellingen in de volgende arbeidsmarktregio’s komen in aanmerking voor de toegankelijkheidsopslag:
• Friesland;
• Groningen;
• Drenthe;
• Twente;
• Achterhoek;
• Noord-Holland Noord;
• Zeeland;
• Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
De selectie van deze regio’s is gebaseerd op analyse van de dalende studentenaantallen
en komt overeen met de regio’s uit het Nationaal Programma Vitale Regio’s. De regio’s
vormen gezamenlijk een herkenbare groep waar demografische krimp, kwetsbaarheid van
voorzieningen en ligging buiten de Randstad samenkomen. Met de toegankelijkheidsopslag
kunnen de mbo-instellingen onder meer investeren in het behoud van opleidingen, kortere
reistijden en krachtenbundeling rond een aantrekkelijk aanbod gericht op de grote
(regionale) opgaven.
Het kabinet kiest er bewust voor om de toegankelijkheid van het mbo in heel Nederland
extra mee te laten wegen. De herziening leidt daarmee tot herverdeeleffecten tussen
mbo-instellingen, wat vraagt om onderlinge solidariteit. Het totale herverdeeleffect
van de maatregelen bedraagt naar verwachting circa € 66 miljoen. Dat is op een totaalbudget
van meer dan € 5 miljard. Dit is een voorspelling, omdat het effect afhankelijk is
van toekomstige ontwikkelingen in studentenaantallen en regionale demografie.
Voor mbo-instellingen met een aanhoudende groei van studentenaantallen zal de nieuwe
bekostiging minder hard stijgen dan in de huidige situatie. Ik wil voorkomen dat de
herziening leidt tot kwaliteitsverlies.
Daarom neem ik de volgende maatregelen:
• negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de systematiek
van de prijsfactoren worden volledig gecompenseerd. Hiervoor wordt structureel € 12 miljoen
ingezet vanuit de middelen die in het Coalitieakkoord beschikbaar zijn gesteld voor
het mbo. Dit voorstel is onder voorbehoud van de augustusbesluitvorming van het kabinet;4
• de overige negatieve herverdeeleffecten per mbo-instelling worden bij de invoering
van de herziening in 2029 beperkt tot circa 4 procent ten opzichte van de verwachte
inkomsten onder het huidige bekostigingsmodel;5
• er komt een overgangsregeling van vier jaar waarin de herverdeeleffecten geleidelijk
worden ingevoerd in stappen van 25 procent.
○ Deze regeling wordt zo ingericht dat instellingen die nu budget ontvangen vanuit de
regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 na 2028 niet tijdelijk terugvallen in bekostiging. Ook wordt er voor gezorgd dat
instellingen in de regio’s met de grootste krimpopgave direct vanaf 2029 kunnen rekenen
op de benodigde extra middelen. Deze aanvullingen op de overgangsregeling zijn onder
voorbehoud van de augustusbesluitvorming van het kabinet.
Met deze herziening komt de bekostiging van het mbo meer in lijn met de bekostiging
van het hbo en wo. De bekostiging van het hbo en wo kent eveneens een vaste voet en
drie bekostigingstarieven. Ook voor het hbo en wo werk ik aan een wijziging van de
financiering om ook deze minder afhankelijk te maken van fluctuaties in studentenaantallen.
Ik informeer uw Kamer uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 over de verkenning
van de herziening van de bekostigingssystematiek in het hbo en wo.
Vervolgstappen
Voor de herziening van de mbo-bekostiging is een wetswijziging vereist. De beoogde
invoering van de herziene bekostiging ligt op 1 januari 2029. De internetconsultatie
start voor de zomer van 2026. Het is mijn voornemen om het wetsvoorstel in 2027 bij
uw Kamer in te dienen.
Om het mbo rust en continuïteit te bieden in de aanloop naar deze veranderingen verleng
ik de lopende regeling Kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027 en de regeling Aanvullende middelen dalende studentenaantallen mbo 2025–2027 tot en met december 2028.
In bijlage 2 vindt u een uitgebreide toelichting op de aanleiding van de herziening,
de onderbouwing van de maatregelen en de verwachte effecten. Daarbij ga ik verder
in op het proces dat is doorlopen om tot deze keuzes te komen. Ook geef ik in deze
bijlage meer inzicht in de financiële gevolgen voor de mbo-instellingen. Tot slot
ga ik in op het waardevolle advies van de Commissie herziening bekostiging mbo onder leiding van dhr. Kees Vendrik. Dit advies heb ik bij mijn besluitvorming benut
en is in bijlage 3 opgenomen.
Aantrekkelijk werken
Mbo-docenten hebben grote invloed op de kwaliteit van het mbo. Daarom is het belangrijk
dat werken in het mbo voor docenten en ander onderwijspersoneel aantrekkelijk is.
Daarbij hoort een goed salaris, maar ook ruimte voor professionalisering, begeleiding
van startende docenten en het verminderen van werkdruk. De recente voortgangsrapportage
van de Werkagenda mbo laat zien dat er stappen worden gezet, maar het behalen van
een groot deel van de doelen in 2027 is niet in zicht (zie box 3). Het tempo moet
aanzienlijk omhoog om de streefdoelen die zijn gesteld te halen.
Na afronding van Werkagenda mbo en de kwaliteitsafspraken met de mbo-instellingen
wil ik gericht blijven sturen op verbetering van het carrièreperspectief van docenten.
Tot en met 2031 blijft een bedrag van € 142 miljoen per jaar beschikbaar voor het
behalen van de doelen. Met een geoormerkt budget en de concrete doelstellingen per
instelling houd ik een vinger aan de pols. Daarmee kan ik besturen gericht aanspreken
wanneer resultaten achterblijven.
In 2030 wordt bekeken of er voldoende resultaat is geboekt. Ik vind het van belang
dat alle mbo-instellingen substantiële resultaten laten zien en ik kijk daarbij verder
dan landelijke gemiddelden. Bij voldoende voortgang wordt het budget van € 142 miljoen
vanaf 2032 toegevoegd aan de lumpsum.
Box 3 Carrièreperspectief docenten
• Het onderwijspersoneel is in 2024 iets meer tevreden over de ervaren mogelijkheden
tot ontwikkeling bij hun mbo-instelling. Het rapportcijfer steeg van een 6,5 naar
een 6,9. De gemiddelde streefwaarde is 7,1.
• Het aandeel onderwijspersoneel dat de werkdruk (veel) te hoog vindt is gedaald van
50 procent naar 44 procent. De gemiddelde streefwaarde is 35 procent in 2027.
• Het aandeel docenten in LC/LD is gestegen van 47 procent naar 49 procent. De gemiddelde
streefwaarde is 56 procent.
• Het rapportcijfer van starters op de vraag of ze de komende jaren graag bij de instelling
blijven werken is gestegen van 7,8 naar 8,0 gemiddeld. Hier ligt de sector op koers
voor de gemiddelde streefwaarde van een 8,2 in 2027.
Een sterkere kennisbasis
Per 1 januari 2026 is het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) voortgezet
als het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO). Met het instituut wil het kabinet
een structurele stap zetten in het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs in
Nederland op basis van (wetenschappelijk) onderzoek. Het is mijn ambitie om in de
komende jaren meer te investeren in kennisontwikkeling voor opleidingsteams in het
mbo. Via het opstellen van een Kennisagenda wil ik:
• meer mbo-onderzoek laten uitvoeren (specifiek voor en door het mbo);
• kennis uit onderzoek beter toegankelijk en toepasbaar te maken voor onderwijsprofessionals,
beleidsmakers en onderzoekers in het mbo;
• stimuleren dat onderwijsprofessionals in het mbo werken met evidence-informed onderwijsinnovatie;
• de wetenschappelijke onderzoekscapaciteit voor het beroepsonderwijs vergroten en daarmee
de verbindingen met hogescholen en universiteiten verbeteren. Dit kan bijvoorbeeld
via het faciliteren van leerstoelen beroepsonderwijs.
Voor deze Kennisagenda van het NKO trek ik vanaf 2028 een bedrag van € 17 miljoen
per jaar uit. De jaarlijkse bijdrage van het mbo aan het NKO komt hiermee op hetzelfde
niveau als dat van het funderend en hoger onderwijs.
Kort na de zomer informeer ik uw Kamer over het verbeteren van de onderwijskwaliteit
van het mbo. Daarbij geef ik meer context bij de investering in het NKO en ik ga verder
in op mijn beleid gericht op docenten en innovatie.
Blijvende inzet op basisvaardigheden
Binnen het speerpunt «de basis op orde» blijf ik ook werken aan het op peil brengen
van de basisvaardigheden. In de Voorjaarsnota heeft het kabinet aangekondigd ook na
2026 middelen uit te trekken voor het bijspijkeren van het taal- en rekenniveau van
startende mbo-studenten die vanuit het voortgezet onderwijs instromen. Hiervoor is
een extra budget van cumulatief € 100 miljoen beschikbaar (tot en met 2030).
De totale aanpak basisvaardigheden in het mbo richt zich op het duurzaam versterken
van taal, rekenen en burgerschap om de kansen op de arbeidsmarkt en participatie in
de samenleving te vergroten. Er wordt onder meer ingezet op hogere onderwijskwaliteit,
passende examinering (waaronder een verplicht examen burgerschap vanaf 2026), bijscholing
van docenten en goede monitoring.
2: Goede randvoorwaarden voor studenten
Studenten kunnen zich pas optimaal ontwikkelen wanneer de randvoorwaarden op orde
zijn. Een gezonde financiële positie is daarbij essentieel.
Verhoging van de beurs voor uitwonende studenten
In de Beleidsbrief 2026–2030 voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben de Staatssecretaris en ik maatregelen aangekondigd om de financiële onzekerheid
en ervaren prestatiedruk van studenten terug te dringen. Met het bedrag van € 109 miljoen
vanuit het coalitieakkoord kan de basisbeurs voor uitwonende studenten met € 50 per
maand worden verhoogd. Voor de zomer van 2026 wordt uw Kamer geïnformeerd over de
verdere uitwerking van deze maatregelen. Ik ga graag met uw Kamer in gesprek om, op
basis van de wensen, een integrale weging te maken.
Gratis leermiddelen voor minderjarige mbo-studenten
Studenten en hun ouders worden jaarlijks geconfronteerd met uitgaven voor schoolboeken,
digitale licenties, kleding en andere verplichte onderwijsbenodigdheden. De Onderwijsraad
constateert dat een aanzienlijke groep mbo-studenten te maken heeft met financiële
problemen en aanloopt tegen hoge schoolkosten.6 Deze kosten vormen een aanzienlijke financiële drempel om te gaan of blijven studeren.
Dat leidt tot stress en vergroot de ongelijkheid tussen studenten. Uit recente cijfers
blijkt bovendien dat één op de vijf mbo-studenten moeite heeft om rond te komen.7 Een kwart kampt met schulden of betalingsachterstanden8. Studenten zien steeds vaker af van de aanschaf van essentieel studiemateriaal. Daardoor
wordt hun deelname aan het onderwijs belemmerd en neemt de kans op uitval toe.
Deze ontwikkeling is onwenselijk. In het bijzonder voor minderjarige mbo-studenten
die vaak nog kwalificatieplichtig zijn en geen recht hebben op studiefinanciering
De Onderwijsraad adviseert om die reden om schoolkosten voor deze studenten gelijk
te trekken met die van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Dit advies vind ik
belangrijk. Daarom worden schoolboeken, digitale licenties en werk- en veiligheidskleding
per 2029 kosteloos beschikbaar gesteld aan alle minderjarige mbo-studenten. Het doel
van deze maatregel is om de toegankelijkheid van het mbo te vergroten en te waarborgen
dat elke jongere, ongeacht de financiële situatie van de ouders, in staat wordt gesteld
een startkwalificatie te behalen. Voor dit voornemen maakt het kabinet structureel
€ 80 miljoen vrij, aanvullend op de reeds beschikbare € 13 miljoen9 voor gratis boeken en licenties voor basisvaardigheden.
Met deze maatregel worden niet alle knelpunten opgelost, maar zet het kabinet wel
een belangrijke stap om de meest directe financiële drempels voor minderjarige studenten
weg te nemen en zo de toegankelijkheid van het mbo te versterken. Hiermee wordt ook
invulling gegeven aan de motie van het lid Tseggai c.s. over een eerste betekenisvolle
stap naar kosteloos mbo-onderwijs voor alle studenten (Kamerstuk 31 524, nr. 702).
Uitvoering en beheersing van kosten
De uitvoering van het kosteloos beschikbaar stellen van leermiddelen is aan de mbo-instellingen.
Hiervoor zal de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) worden aangepast, waarbij de
verstrekking van gratis leermiddelen aan minderjarigen als wettelijke taak wordt verankerd.
Mbo-instellingen worden dan verplicht zorg te dragen voor een volledige vergoeding.
Een belangrijk bijkomend voordeel van deze systematiek is dat de inkoopmacht verschuift.
Nu ligt de rekening nog bij de individuele student. Straks ontstaat er een directe
prikkel voor mbo-instellingen om kritisch naar de prijzen van leermiddelen te kijken.
Dit stimuleert instellingen om gezamenlijk op te trekken in de onderhandelingen met
uitgevers en te investeren in open leermiddelen. Hiermee wordt de marktpositie van
mbo-instellingen versterkt en de afhankelijkheid van commerciële aanbieders verminderd.
3: Talent voor de arbeidsmarkt van morgen
Nederland staat voor grote opgaven, zoals het bouwen van voldoende woningen, het realiseren
van de energietransitie, het bieden van goede en betaalbare zorg en het op peil houden
van ons verdienvermogen. Het mbo leidt de vakmensen op die hard nodig zijn om deze
opgaven aan te pakken. Maar het aantal mbo-studenten daalt de komende jaren en Nederland
vergrijst. Met de Talentstrategie, de invulling in het mbo via een gezamenlijk pact
van werkgevers en mbo-instellingen en de middelen voor de regioplannen zet ik stevig
in op de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt, nu en in de toekomst.
Een nieuwe koers: Talentstrategie en het mbo-pact
Met de Talentstrategie wil het kabinet bijdragen aan belangrijke arbeidsmarkttransities
en onze jongeren, werkenden en werkzoekenden daar zo goed mogelijk in faciliteren.
Daarnaast wil het kabinet beleid op het terrein van arbeidsmarkt, onderwijs, fiscaliteit,
productiviteit en migratie beter met elkaar verbinden. Daarmee zetten we de stap van
losse sectorale aanpakken naar een samenhangende inzet voor een productievere, wendbare
en weerbare beroepsbevolking. Hiermee behoudt Nederland voldoende talent voor maatschappelijke
en economische opgaven waar ons land voor staat. Daarbij gaat het om talent van jong
tot oud en om een breed scala aan kennis en vaardigheden. Het kabinet wil hiervoor
samenwerken met werkgevers, werknemers, alle onderwijssectoren en andere belanghebbenden.
Als concrete invulling van de Talentstrategie voor het mbo wil ik dit najaar een pact
sluiten. In dit pact maken overheid, mbo én werkgevers landelijke afspraken om samen
studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving.
De uitvoering van deze afspraken vindt plaats in de regio. Zo verschuift de focus
van het belang van de individuele instelling naar een gezamenlijk regionaal opleidingsaanbod,
dat naadloos aansluit bij de uitdagingen van de regio en de toekomstige welvaart van
Nederland. Onderwijs, (sectoraal)bedrijfsleven en (regionale) overheid maken hierover
langjarige afspraken.
Deze nieuwe koers is nodig. Mbo-instellingen nemen nu vanuit de Werkagenda mbo en
het Stagepact maatregelen voor het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs
en arbeidsmarkt. Hoewel er in de tussenevaluatie10 positieve ontwikkelingen zichtbaar zijn, is de voortgang op cruciale doelen te beperkt.
Zo stijgt het aandeel studenten dat wordt opgeleid voor grote opgaven waar Nederland
voor staat niet en is de aanpak «Kansrijk Opleiden» van de sector gestopt. Ook de
tevredenheid van studenten over loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) blijft achter
bij de ambities.
Investeren in regionale samenwerking tussen mbo en werkgevers
Ik wil gericht sturen op de invulling van de Talentstrategie. Vanaf 2029 stel ik daarom
€ 200 miljoen per jaar beschikbaar voor een samenwerkingsbudget (vrijgemaakt uit het
huidige budget voor de kwaliteitsafspraken). Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken
op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen
uit het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. Onder meer over:
• een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de
toekomst. De afspraken moeten ongewenste concurrentie verminderen en leiden tot een
doelmatig opleidingsaanbod;
• maatregelen die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij
het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst;
• de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie
en -begeleiding (LOB);
• de flexibilisering van het onderwijs, om meer gepersonaliseerde en flexibele leerroutes
aan te bieden. Daardoor kan er meer maatwerk worden geboden aan studenten, krijgen
instellingen meer mogelijkheden om digitalisering en technologie te benutten en daarmee
in te spelen op concrete vragen vanuit de arbeidsmarkt. Hiervoor wordt jaarlijks € 50 miljoen
van het totale samenwerkingsbudget gereserveerd.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op
onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Daarbij neem ik de lessen mee uit de
evaluatie van de Wet samenwerkingscollege mbo en Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs
(zie box 4).
Box 4 Evaluatie bestuurlijke samenwerking mbo
Uit de evaluatie van de Wet samenwerkingscollege mbo en Wet bestuurlijke harmonisatie
beroepsonderwijs (zie bijlage 4) blijkt dat samenwerking tussen mbo-instellingen steeds
belangrijker wordt om de toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid van het mbo-aanbod
in de regio te waarborgen.
Het onderzoek laat zien dat mbo-instellingen in de praktijk al veel samenwerken, bijvoorbeeld
door campusvorming, via bestuurlijke afspraken, en gezamenlijke voorzieningen. Tegelijkertijd
wordt slechts beperkt gebruik gemaakt van formele wettelijke instrumenten, zoals het
samenwerkingscollege en de verticale scholengemeenschap (vsg). Volgens de onderzoekers
komt dit niet door onbekendheid, maar doordat deze constructies in de praktijk als
complex worden ervaren.
Het onderzoek concludeert dat mbo-instellingen niet zozeer behoefte hebben aan méér
wettelijke instrumenten, maar vooral aan werkbare kaders die beter aansluiten op de
bestuurlijke praktijk. De onderzoekers wijzen op het belang van uitvoerbare samenwerkingsvormen,
heldere verantwoordelijkheidsverdeling en vermindering van administratieve en organisatorische
belemmeringen.
Met de evaluatie is invulling gegeven aan de motie Peters en Bisschop over het vormen
van een vsg (Kamerstuk 35 606, nr. 25).
Ik heb hierbij nadrukkelijke aandacht voor de positie van de beroepscolleges in de
regionale opleidingsportfolio, passend bij het specialistische karakter van deze instellingen.
Ook wil ik ruimte bieden voor eventuele bovenregionale samenwerkingsplannen. Daarbij
neem ik het besluit over de toekenning van het budget voor de plannen.
Vervolgstappen
Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de bredere Talentstrategie van het
kabinet. Vervolgens wil ik in het najaar van 2026 met het mbo en werkgevers het pact
vaststellen.
Vanwege de urgente situatie op de arbeidsmarkt starten alle regio’s in 2027 met het
gezamenlijk uitwerken van het plan om aanspraak te maken op het samenwerkingsbudget.
In 2028 starten de eerste regio’s met de uitvoering van de nieuwe aanpak. Zij vormen
de kopgroep van een nieuwe beweging. Deze voorhoede kan het budget voor de huidige
kwaliteitsafspraken hiervoor inzetten. De formele, landelijk dekkende uitvoering van
de regioplannen start in 2029.
Om versnippering tegen te gaan stop ik na 2027 met de subsidieregeling voor LOB. LOB
is onderdeel van de wettelijke taak van het mbo en wordt meegenomen in de regioplannen.
De middelen uit deze regeling worden benut bij de financiële keuzes uit deze brief.
Structurele financiering voor kerntaken van het mbo
Met de maatregelen uit deze brief bied ik de mbo-instellingen duidelijkheid over het
financiële kader en stuur ik op een aantal punten – zoals schoolkosten voor minderjarige
studenten en de bijdrage aan de arbeidsmarkt – bij. Ondertussen is de uitvoering van
de Werkagenda mbo en het Stagepact in volle gang en tot en met 2028 blijven mbo-instellingen
zich volop inspannen om de doelstellingen te realiseren.
Ik zie daarnaast opgaven in de kern van het mbo waar verbetering noodzakelijk is.
In de afgelopen jaren is er voor dit soort opgaven die tot de kerntaken van het mbo
behoren regelmatig gewerkt met tijdelijke subsidies, incidentele programma’s en afzonderlijke
afspraken. De ervaring met de kwaliteitsafspraken mbo laat zien dat deze aanpak impulsen
kan geven. Tegelijk biedt zij onvoldoende basis voor een duurzame versterking van
het stelsel. De drie opgaven die ik zie zijn:
• Kwaliteit: de Staat van het Onderwijs 202611 laat zien dat de kwaliteit van het mbo op onderdelen onder druk staat. Hoewel instellingen
zich dagelijks inzetten voor verbetering, zijn er opleidingen met hardnekkige kwaliteitsproblemen
en onvoldoende onderwijsresultaten. Dat vraagt om blijvende investeringen in onderwijskwaliteit,
goed onderwijskundig leiderschap, docentontwikkeling en een stevige kwaliteitscultuur
binnen mbo-instellingen.
• Begeleiding en ondersteuning van studenten: mbo-instellingen hebben in toenemende
mate te maken met complexe hulp- en ondersteuningsvragen van studenten.12 In het mbo zijn kansengelijkheid en toegankelijkheid belangrijke kernwaarden. Instellingen
leveren grote inspanningen om studenten passende begeleiding te bieden. Tegelijk geven
zij aan dat de grenzen van wat binnen de huidige mogelijkheden kan steeds zichtbaarder
worden en vragen studenten om voldoende ruimte voor begeleiding, ondersteuning en
een sterke verbinding met zorg- en hulpstructuren.
• Praktijkgericht onderzoek en innovatie: praktijkgericht onderzoek is van grote meerwaarde
voor zowel studenten, docenten als de regionale economie.13 Maar praktijkgericht onderzoek is in het mbo nog niet voldoende structureel verankerd.
Ik vind het daarom belangrijk dat er vanuit het Coalitieakkoord jaarlijks een bedrag
oplopend tot € 17 miljoen beschikbaar is om de opgebouwde basis van practoraten en
praktijkgericht onderzoek voort te zetten en uit te bouwen. Ook investeer ik – zoals
eerder gedeeld in de beleidsbrief – structureel in regionale innovatie en de kracht
van publiek-private samenwerking door het Regionaal Investeringsfonds mbo (RIF) terug
te brengen op het oorspronkelijke niveau van € 29 miljoen per jaar.
De huidige regeling voor het RIF wordt met één jaar verlengd naar 2028. Ik verken
of een subsidieregeling het meest passende instrument blijft voor innovatie en onderzoek.
Ook onderzoek ik de mogelijkheid om hiervoor extra budget vrij te maken (binnen de
huidige financiële kaders). Een mogelijke nieuwe opzet gaat tegelijk in met de herziening
van de mbo-bekostiging.
Ik kijk daarbij uit naar het advies van de AWTI in het najaar van 2026 over de meerwaarde
van practoraten in het mbo-onderwijs bij het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen
en het versterken van het verdienvermogen. Er wordt onder meer onderzocht of een wettelijke
onderzoekstaak voor mbo-instellingen nodig is om de meerwaarde te realiseren. Begin
2027 komt het kabinet met een beleidsreactie op dit advies.
Omdat deze drie opgaven kerntaken zijn of mogelijk worden, onderzoek ik op welke wijze
mbo-instellingen via de lumpsumbekostiging structureel beter in positie kunnen worden
gebracht om deze taken goed uit te voeren. Hiervoor is een bedrag beschikbaar dat
oploopt tot circa € 148 miljoen structureel (vanuit de huidige kwaliteitsmiddelen).
In het najaar 2026 neem ik een besluit over de financiële invulling, eventueel in
combinatie met een aanvullende wettelijke taak.
Professionele ruimte vraagt transparantie en verantwoording
Lumpsumbekostiging betekent dat mbo-instellingen binnen de kaders van wet- en regelgeving
ruimte hebben om middelen in te zetten op een manier die past bij hun onderwijsvisie,
regionale context en studenten. Die ruimte is van grote waarde. Mbo-instellingen kunnen
daardoor maatwerk leveren en inspelen op regionale ontwikkelingen. Maar die ruimte
is niet vrijblijvend. De publieke middelen die instellingen ontvangen zijn verbonden
aan maatschappelijke doelen en wettelijke taken. Van mbo-instellingen mag worden verwacht
dat zij werken aan kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid en dat inzichtelijk
maken.
Ik wil beter zicht krijgen op de resultaten van het beleid en de prestaties van mbo-instellingen.
Ook wil ik de ontwikkeling van het mbo-stelsel beter kunnen volgen. Een goede informatiepositie
vind ik noodzakelijk om mijn stelselverantwoordelijkheid waar te kunnen maken en daarover
verantwoording af te leggen aan het parlement. Transparantie en goede beleidsinformatie
zijn verder nodig om tijdig te kunnen bijsturen en om als sector gezamenlijk te leren.
Ik versterk daarom de monitoring en informatievoorziening, voortbouwend op de stappen
die in de huidige Werkagenda mbo al zijn gezet. Op dit moment wordt er door de instellingen
over een groot aantal indicatoren gerapporteerd. Ik wil daar meer richting en focus
in aanbrengen en verken daarbij manieren om de administratieve lasten voor mbo-instellingen
beheersbaar te houden.
Tot slot
Met deze financiële keuzes investeert het kabinet in een mbo dat toegankelijk, kwalitatief
sterk en toekomstbestendig blijft. Een mbo dat jongeren en volwassenen opleidt voor
de maatschappelijke opgaven van morgen, en dat in iedere regio van Nederland aantoonbaar
van waarde is.
De komende periode werk ik de voorgestelde maatregelen verder uit in overleg met mbo-instellingen,
studenten, docenten, werkgevers, de uitvoering en andere betrokken partijen. Bij de
herziening van de bekostiging heb ik intensief gesproken met de sector. Dat heeft
waardevolle inzichten uit de praktijk opgeleverd. Ik zie de verdere samenwerking daarom
met vertrouwen tegemoet. Ik kijk ernaar uit om met uw Kamer in gesprek te gaan over
de keuzes voor een financiering waarmee het mbo ook in de toekomst goed beroepsonderwijs
kan blijven bieden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap