Brief regering : Eindrapport over het Nationaal Programma Onderwijs - funderend onderwijs
31 293 Primair Onderwijs
31 289 Voortgezet Onderwijs
25 295 Infectieziektenbestrijding
Nr. 858 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 december 2025
In maart 2020 brak de COVID-19-pandemie in ons land uit. De pandemie veranderde veel,
ook in het funderend onderwijs. Op meerdere momenten waren klaslokalen grotendeels
leeg en kregen leerlingen afstandsonderwijs. Ondanks alle inspanningen van onderwijspersoneel,
leerlingen en ouders, had de pandemie direct grote gevolgen voor leerlingen. Een groot
deel van de leerlingen liep een leervertraging op en de kansenongelijkheid werd vergroot.
Ook stond het welbevinden van veel leerlingen onder druk. Deze uitdagingen voor het
onderwijs kwamen bovenop een neerwaartse trend in onderwijsprestaties in de jaren
voorafgaand aan corona. Daarom is in 2021 besloten tot het Nationaal Programma Onderwijs
(hierna: NP Onderwijs). Het programma richtte zich op het herstellen van door de pandemie
ontstane leervertragingen, het verminderde welbevinden en de verminderde kansengelijkheid
van leerlingen. Alle scholen en gemeenten in Nederland ontvingen geld uit het programma.
Eind schooljaar 2024–2025 liep het programma af.
Sinds de start van het NP Onderwijs hebben scholen en gemeenten alles op alles gezet
om het onderwijs zo goed mogelijk door te laten gaan en te zorgen voor herstel. De
belangrijkste conclusies die uit de evaluatie van het NP Onderwijs naar voren komen
zijn1:
1. Leervertragingen door de pandemie zijn voor leerlingen in het basisonderwijs ingehaald.
Leerprestaties zijn hier weer op niveau van voor de pandemie.
2. Leerprestaties in het voortgezet onderwijs geven een wisselend beeld weer en vragen
om blijvende aandacht.
3. De terugval in kansengelijkheid door de pandemie in het basisonderwijs is ingelopen.
Ondanks dat een crisis vaak juist kwetsbare leerlingen meer treft, zijn scholen in
het basisonderwijs in Nederland erin geslaagd dit tijdens de looptijd van het NP Onderwijs
geheel te keren.
4. Leren staat niet los van welbevinden. Er is herstel zichtbaar in het welbevinden van
leerlingen en schoolleiders en personeelsleden geven aan meer aandacht te hebben voor
welbevinden; dit is goed voor het welzijn van leerlingen en een randvoorwaarde voor
goede leerprestaties.
Deze opbrengsten zijn een directe weerspiegeling van de tomeloze inzet en toewijding
van scholen, besturen en andere onderwijsprofessionals. Terwijl de pandemie aan het
begin van het NP Onderwijs weer oplaaide, hebben zij het programma direct omarmd.
Daar wil ik mijn waardering en dank voor uitspreken. Ook de opzet van het programma,
waarin evidence-informed werken gestimuleerd werd en het geld terecht kwam waar het het hardst nodig was,
hielpen hierbij.
In het vervolg van deze brief wordt dieper ingegaan op de hierboven genoemde conclusies.
De Kamer is via zes voortgangsrapportages jaarlijks geïnformeerd over de voortgang.
De eindrapportage van het NP Onderwijs en de onderzoeksrapporten die in deze brief
centraal staan, zijn als bijlage bij deze brief opgenomen. In 2026 volgen nog: de
laatste verantwoordingsgegevens over 2025, schoolloopbanenrapport 2026 NP Onderwijs
en de verdiepende analyse tussen welbevinden en schoolloopbanen.
Leeswijzer
In deze brief wordt eerst teruggeblikt op de aanleiding en het doel van het NP Onderwijs.
Vervolgens wordt ingegaan op de opbrengsten en geleerde lessen van het programma.
1. Een integraal programma voor herstel van leerprestaties en welbevinden
De COVID-19-pandemie veroorzaakte wereldwijd een grote verschuiving in het onderwijs2. Door plotselinge schoolsluitingen moesten scholen razendsnel overschakelen op afstandsonderwijs,
wat hen voor immense uitdagingen stelde. Naast de logistieke en didactische uitdagingen,
zorgde ook de uitval van ziek personeel en leerlingen voor verstoringen in het leerproces.
Bovendien leidde de crisis tot een pijnlijk tekort aan sociaal contact tussen leerlingen
onderling. De impact hiervan werd snel zichtbaar. Leerlingen kregen te maken met grote
leervertragingen, hun welbevinden stond steeds meer onder druk en de kansengelijkheid
van leerlingen verminderde. Het basisonderwijs en speciaal (basis) onderwijs zijn
in totaal 13 weken gesloten geweest3. Het basisonderwijs is daarbij ook 4 weken gedeeltelijk gesloten (50%) geweest. Het
voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs zijn in totaal 18 weken gesloten
geweest. Daarbij heeft gedurende 15 weken een afstandsmaatregel van 1,5 meter gegolden
in het vo en vso, waardoor niet alle leerlingen tegelijkertijd op school konden zijn4. De gevolgen van deze schoolsluitingen werden snel duidelijk. Onderzoek liet bijvoorbeeld
al snel zien dat de eerste schoolsluiting gemiddeld tot 7–8 weken leervertraging in
het basisonderwijs leidde5.
De urgentie om deze problemen aan te pakken was groot. Onder andere door de Kamer,
maar ook door gemeenten en het onderwijs zelf, werd opgeroepen om tot een steunprogramma
voor het onderwijs te komen. Begin 2021, nog tijdens de pandemie, kwam daardoor het
NP Onderwijs tot stand. Vanwege de urgentie moest het geld zo snel mogelijk bij scholen
terechtkomen. Daarom is ervoor gekozen het meeste geld via aanvullende bekostiging
uit te keren. Het alternatief, een subsidie, zou ondoenlijk zijn geweest voor scholen
in deze crisisperiode. Via het NP Onderwijs stelde het kabinet € 8,5 miljard beschikbaar
voor het hele onderwijs, van funderend tot hoger onderwijs. Voor het funderend onderwijs
was in totaal € 5,8 miljard beschikbaar. Dit geld werd ingezet om de doelen van het
NP Onderwijs te realiseren:
1. De leerprestaties van leerlingen zo snel mogelijk, maar in ieder geval aan het einde
van het NP Onderwijs, weer op het pre-COVID-19 peil te krijgen.
2. Scholen mitigeren en/of voorkomen de impact van de pandemie op de schoolloopbanen
van leerlingen, en doen dit voor het einde van het NP Onderwijs.
3. De kansenongelijkheid, die tijdens de pandemie is toegenomen, is voor het eind van
het NP Onderwijs hersteld. Dit geldt zowel voor de leerprestaties als voor de schoolloopbanen
van leerlingen.
4. Scholen hebben tijdens het programma aandacht voor het welbevinden, de executieve
vaardigheden en sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen.
Het NP Onderwijs kwam in korte tijd en onder aanzienlijke tijdsdruk tot stand. Dat
maakt het des te bijzonder dat via het programma nieuwe werkwijzen op grote schaal
zijn toegepast. Zo was het NP Onderwijs het eerste programma in Nederland waarin scholen
dringend werd geadviseerd gebruik te maken van effectieve interventies, die zijn onderbouwd
met wetenschappelijke kennis. Ook zijn in de beginfase van het programma heldere doelen
geformuleerd, die via uitgebreide monitoring tijdens de hele looptijd van het programma
zijn gevolgd; iets dat voorheen ongebruikelijk was bij onderwijsinvesteringen. De
Algemene Rekenkamer beschreef deze doelen dan ook als een doorbraak in het denken
over de relatie tussen financiële en inhoudelijke informatie, en de verantwoording
erover.
2. Opbrengsten NP Onderwijs
Leerprestaties in basisonderwijs hersteld
In het basisonderwijs zien we dat de leergroei van leerlingen in schooljaar 2024–2025
vergelijkbaar is met de periode vóór COVID-19 voor begrijpend lezen, spelling en rekenen-wiskunde6. De leervertraging in het basisonderwijs, die was ontstaan tijdens de eerste jaren
van pandemie, is daarmee ingelopen. Dit was essentieel voor het herstel van de ontwikkeling
van leerlingen. Zo konden zij weer aansluiten bij het ontwikkelingsniveau dat zonder
de pandemie mogelijk was geweest. Schoolleiders en personeel in het basisonderwijs
geven aan ook positief te zijn over de resultaten van het programma7.
Leerprestaties geven wisselend beeld in het voortgezet onderwijs
In de onderbouw van het voortgezet onderwijs (de eerste drie leerjaren) zijn de leerprestaties
ondanks alle inzet nog niet hersteld. Leerlingen hebben in het schooljaar 2024–2025
een lager vaardigheidsniveau8 voor Nederlands woordenschat en leesvaardigheid dan leerlingen pre-COVID-199. Ook bij rekenen-wiskunde is een daling te zien, hoewel deze minder sterk is dan
bij Nederlands woordenschat en leesvaardigheid. Leerlingen hebben in schooljaar 2024–2025
wel een hoger vaardigheidsniveau voor Engels vergeleken met pre-COVID-19, met name
voor woordenschat.
In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs zien we een wisselend beeld. Examenkandidaten
hebben in schooljaar 2024–2025 geen lagere vaardigheid meer dan leerlingen pre-COVID-1910. Dit komt overeen met een langjariger beeld; eenmaal op het eindexamen laten leerlingen
een stabielere leerprestatie zijn dan in de onderbouw. De gevolgen voor de doorstroom
naar het vervolgonderwijs zijn daarmee beperkter dan je op basis van resultaten van
leerlingen op 15-jarige leeftijd mag verwachten. Uitzondering hierop zijn havisten,
waar wel een lagere vaardigheid zichtbaar is dan voor de pandemie. Ook hier zien we
met name een stijgende vaardigheid bij Engels, en een dalende vaardigheid bij wiskunde.
Schoolloopbanen
De COVID-19-pandemie, het afstandsonderwijs en beleidsmaatregelen zoals het NP Onderwijs
hebben in potentie niet alleen invloed gehad op de leerprestaties van leerlingen,
maar ook op hun schoolloopbaan. Dit kan vervolgens invloed hebben gehad op hun leerprestaties.
In het basisonderwijs zijn veranderingen in de schoolloopbaan van leerlingen tijdens
en na de pandemie beperkt gebleven11. De impact op schoolloopbanen in het voortgezet onderwijs is groter geweest dan in
het basisonderwijs. Direct na het uitbreken van de pandemie bleven leerlingen in het
voortgezet onderwijs minder vaak zitten en lagen slagingspercentages hoger dan voorheen.
Het is denkbaar dat dit een relatie heeft met de oproep aan scholen om coulanter om
te gaan met overgangsnormen en met het niet doorgaan van het centraal eindexamen Men
wilde namelijk niet dat leerlingen die door de pandemie hun potentie niet geheel konden
laten zien, onnodig vertraging op zouden lopen, die ze richting het eindexamen of
in het vervolgonderwijs weer in zouden kunnen halen.
Terugval kansengelijkheid ingelopen
Het onderwijs heeft de potentie om de grote gelijkmaker te zijn voor leerlingen uit
verschillende achtergronden. Tijdens de directe uitbraak van corona is dat niet gelukt;
zoals over de hele wereld zichtbaar was, worden juist leerlingen uit minder kansrijke
achtergronden harder getroffen wanneer scholen sluiten of er sprake is van afstandsonderwijs.
Het onderwijs is er echter in geslaagd om deze vergroting van kansenongelijkheid in
te lopen tijdens corona. In het basisonderwijs zien we dat de door de COVID-19-pandemie
toegenomen kansenongelijkheid inmiddels is ingelopen12. Leerlingen met praktisch opgeleide ouders hebben in schooljaar 2024–2025 een relatief
gunstiger ontwikkeling in de leergroei vergeleken met pre-COVID-19 bij begrijpend
lezen en spelling ten opzichte van leerlingen met theoretisch opgeleide ouders.
In het voortgezet onderwijs is geen informatie beschikbaar over het verschil in de
ontwikkeling van prestaties tussen leerlingen met praktisch en theoretisch opgeleide
ouders. Wel hebben onderzoekers in beeld gebracht hoe de ontwikkeling is van vaardigheidsniveaus
van onderbouwleerlingen op scholen met verschillende achterstandsscores. Dit inzicht
lijkt aan te sluiten op het beeld in het primair onderwijs: leerlingen op scholen
met een hoge achterstandsscore hebben tijdens de pandemie niet meer leervertraging
opgelopen tijdens en na de pandemie dan leerlingen op scholen met een lagere achterstandsscore.
Dit suggereert dat kansenongelijkheid na afloop van het NP Onderwijs niet is toegenomen
in het voortgezet onderwijs ten opzichte van pre-COVID-19.
Herstel in welbevinden zichtbaar
Welbevinden, motivatie en leerresultaten kunnen niet los van elkaar gezien worden.
Tijdens de coronapandemie was een afname van de levenstevredenheid van leerlingen
zichtbaar: in 2021 tijdens de pandemie gaven leerlingen in het voortgezet onderwijs
hun leven gemiddeld een 7,113. In 2019, voor de pandemie, gaven zij hun leven nog een 7,5. Vooral onder meisjes
nam de tevredenheid af: van een 7,3 in 2019 tot een 6,7 in 2021. Onder jongens bleef
de daling beperkt.
Tussen 2021 en 2023 steeg de levenstevredenheid weer, tot een 7,4 in 2023. Deze stijging
zien we zowel bij jongens als bij meisjes. In het basisonderwijs zien we een soortgelijk
beeld. In 2021 en 202214 gaven leerlingen in groep 8 hun leven gemiddeld een 8, ten opzichte van een 8,3 in
2017. Ook jongens in groep 8 zijn meer tevreden over hun leven dan meisjes. Het rapportcijfer
dat jongens aan hun leven geven tussen 2017 en 2022 bleef ook redelijk gelijk, terwijl
de levenstevredenheid van meisjes daalde: van een 8,2 in 2017 naar een 7,7 in 2021.
In 2022 steeg hun tevredenheid licht, tot een 7,8.
Schoolleiders en personeelsleden maken zich na het NP Onderwijs minder vaak zorgen
over de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen en hun welbevinden, terwijl
de zorgen hierover aan het begin van het NP Onderwijs fors waren. Aan het begin van
de COVID-19-pandemie maakte 82% van de schoolleiders zich zorgen, in het najaar van
2025 is dit teruggelopen tot 41%.
3. De uitvoering van het NP Onderwijs verliep goed
Tijdens de pandemie zijn scholen direct voortvarend aan de slag gegaan met het NP
Onderwijs. Omdat de vertragingen per school kunnen variëren, zijn scholen gestart
met het uitvoeren van een schoolscan. Met deze scan brachten scholen de vertragingen
en behoeften van hun leerlingen in kaart. De zorgen bleken in eerste instantie vooral
groot over de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen, hun welbevinden en executieve
vaardigheden.
Deze uitkomsten vormden daarmee de basis voor een schooleigen programma, waarin elke
school beschreef hoe zij de door de pandemie ontstane vertragingen wilden aanpakken.
Zij konden hiervoor gebruik maken van de door OCW aangeboden menukaart met evidence-informed interventies. Dat zijn aanpakken die hun bewezen effectiviteit vinden uit kennis,
uit de wetenschap en de onderwijspraktijk. Te denken valt aan interventies zoals klassenverkleining,
instructie in kleine groepen of de inzet van (extra) onderwijsassistenten. Per interventie
stond in de menukaart aangegeven wat het verwachte effect van de interventie was,
wat de kosten waren en hoe sterk het bewijs was. Het NP Onderwijs is toonaangevend
met deze werkwijze: het is het eerste programma waarin scholen geadviseerd zijn gebruik
te maken van evidence-informed interventies. Al snel gaven scholen ook aan dat dit het gesprek op school en in de
lerarenkamer over wat effectief onderwijs is, heeft aangezet. Ook de kenniscommunity
van het NP onderwijs heeft bijgedragen aan evidence informed werken op scholen, door
kennis beter toegankelijk te maken, kennisdeling te stimuleren en door bewustwording
te vergroten15. Daarnaast was een van de uitgangspunten van het NP Onderwijs dat ook de medezeggenschapsraad
instemming gaf voor de besteding van het NP Onderwijsgeld. Een grote meerderheid van
de scholen gaven in het jaarverslag over 2024 aan dit ook te hebben gedaan16.
Scholen positief over uitvoering
Scholen zijn er, ondanks de voortdurende pandemie en uitdagingen zoals het lerarentekort,
goed in geslaagd hun schoolprogramma uit te voeren. 83% van de schoolleiders geeft
dit aan17. Schoolleiders schrijven een succesvolle uitvoering met name toe aan een sterke samenwerking
binnen het team, goede aansluiting van interventies bij de behoeften van leerlingen
en het aansluiten bij bestaande schoolontwikkeling of verbetertrajecten. Het aandeel
schoolleiders dat aangeeft dat de uitvoering minder goed is gelukt of hier neutraal
over oordeelt, is beperkt. De meest genoemde knelpunten zijn drukte door andere onderwijsprioriteiten,
een structureel tekort aan leraren en uitval van leraren door ziekte.
Gemiddeld hebben scholen tijdens het programma zeven interventies uitgevoerd. Met
name instructie in kleine groepen (69–85% van de scholen18), de (extra) inzet van onderwijsassistenten (73–79% van de scholen) en interventies
gericht op het welbevinden van leerlingen (70–91% van de scholen) bleken populair19. Ook bestuurders en personeelsleden zijn overwegend positief over de uitvoering:
84% van de bestuurders en 70% van de personeelsleden geeft dit aan. Bestuurders zijn
met name positief over de beslissing om middelen direct naar de klas te laten gaan
(95%). Ook de keuzeruimte voor scholen (90%) wordt positief beoordeeld.
Binnen het onderwijsveld zijn verschillende verklaringen genoemd voor de verschillen
in herstel tussen het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs20. Deze zijn met name structureel en contextueel van aard. Structurele factoren die
van invloed zijn geweest op het inlopen van de leervertragingen zijn bijvoorbeeld
het lerarentekort en verschillen in onderwijskwaliteit. Voorbeelden van contextuele
factoren zijn de mate van ouderbetrokkenheid en de geboden ondersteuning thuis. De
invloed van beleidsmatige keuzes zoals kansrijk adviseren worden ook genoemd. Maatschappelijke
trends spelen eveneens een rol, te denken valt aan veranderingen in leesmotivatie
en toenemend schermgebruik die het leer- en concentratievermogen mogelijk beïnvloeden.
Bijna al het NP Onderwijsgeld besteed
Schoolbesturen hebben verantwoord hoe het NP Onderwijsgeld vanuit de aanvullende bekostiging
is besteed21 en in welke mate de interventies van de menukaart ingezet zijn.
Tussen 2021 en 2024 hebben scholen in totaal € 3,4 miljard (83,5% van de direct ontvangen
aanvullende bekostiging) van NP Onderwijsgeld besteed aan interventies22. Het meeste ging naar de extra inzet van personeel en ondersteuning: bijna 44%, wat
neerkomt op € 1,4 miljard23. Hierna volgen andere interventies, zoals interventies voor effectiever onderwijs
(17%, € 560 miljoen) en interventies voor meer onderwijs (13%, € 427 miljoen). In
elk van de NP Onderwijsjaren gaat het meeste geld naar de extra inzet van personeel
en ondersteuning, effectiever onderwijs en meer onderwijs. Op interventieniveau gaat
het meeste geld naar de inzet van onderwijsassistenten (23%), gevolgd door instructie in kleine groepen (13%) en klassenverkleining
(12%). Op bestuursniveau is iets meer dan € 600 miljoen besteed (14,8% van het ontvangen
geld), vooral aan de extra inzet van personeel en ondersteuning (35%, € 214 miljoen).
Op gepaste afstand volgen andere interventies, bijvoorbeeld voor effectiever onderwijs
(16%, € 96 miljoen). Omdat het programma tot eind schooljaar 2024–2025 liep, ontbreken
op dit moment de verantwoordingsgegevens over (het eerste halfjaar van) 2025. Zij
komen in het najaar van 2026 beschikbaar.
Gemeenten focussen op sociaal-emotionele ontwikkeling
Ook gemeenten hebben met het NP Onderwijs sterk geïnvesteerd in verschillende maatregelen.
Gemiddeld zetten gemeenten 5,5 interventies in24. Gemeenten hebben met name ingezet op sociaal-emotioneel vlak zoals schoolmaatschappelijk
werk (59%), extra jeugdhulp in de school (55%) en activiteiten gericht op sport, cultuur
of techniek (68%). Ruim de helft van de gemeenten richtte zich hierbij ook op specifieke
doelgroepen, zoals leerlingen met mentale problemen en leerlingen in een kwetsbare
thuissituatie. Voor de uitvoering van interventies werkten gemeenten vaak samen met
partijen in het onderwijs (scholen en besturen) en kinder- en buitenschoolse opvang.
Ook met jongerenwerk is frequent samengewerkt.
In de meeste gemeenten lukte het goed om de NP Onderwijsplannen uit te voeren. Acht
op de tien gemeenten is, alles overziend, tevreden over de uitvoering van het NP Onderwijs25. Gemeenten schrijven een succesvolle uitvoering met name toe aan een sterke samenwerking
met het onderwijs (89%), een sterke samenwerking met andere partijen (81%) en voldoende
ruimte binnen bestedingsdoelen (78%).
4. Waardevolle lessen voor de toekomst
Het NP Onderwijs heeft ons waardevolle lessen geleerd. Dat geldt zowel internationaal,
als voor OCW, scholen en gemeenten. Het NP Onderwijs onderscheidt zich internationaal
door de snelle start van het programma met concrete maatregelen, gerichte steun voor
de meest kwetsbare leerlingen, zorgvuldige monitoring, expliciete aandacht voor welbevinden
en ruimte voor scholen om binnen de menukaart uit evidence-informed interventies te kiezen26. Deze geleerde lessen vormen een belangrijke voorbereiding op mogelijke toekomstige
crises. Zo wordt op scholen als ook in verschillende beleidsprogramma’s zoals Ontwikkelkracht,
School en Omgeving en Masterplan Basisvaardigheden, nu vaak met evidence-informed onderwijs gewerkt.
Ook blijkt het toekennen van aanvullende middelen in het basisonderwijs op het gebied
van kansengelijkheid succesvol te zijn geweest27. Op scholen zien we dat er veel geïnvesteerd is in de professionalisering van personeel.
Na afloop van het NP Onderwijs blijft die kennis en kunde in het onderwijs aanwezig.
Een ruime meerderheid van de schoolleiders en een groot deel van de gemeenten geeft
aan interventies na afloop van het programma te continueren. Tot slot is één van de
grote winstpunten van het NP Onderwijs dat welbevinden steeds meer aandacht heeft
gekregen, zowel op scholen als in beleid. Een ruime meerderheid van de scholen heeft
interventies gericht op het welbevinden van leerlingen ingezet, en vaak met succes:
op veel scholen wordt met enthousiasme teruggeblikt op dit type interventies. NP Onderwijs
heeft ons geleerd een completer perspectief te nemen op de rol van het onderwijs,
waarbij ook aandacht voor welbevinden en kansengelijkheid worden meegenomen. Om dit
in de toekomst duurzaam voort te zetten is blijvende samenwerking met alle betrokken
partijen cruciaal.
Alle kinderen en jongeren in Nederland hebben steun ontvangen van het NP Onderwijs.
Vanuit het NP Onderwijs is het magazine Blijf bij de Les samengesteld om de vele verhalen, persoonlijke ervaringen en voorbeelden uit het
veld weer te geven.
5. Tot slot
Het herstel in het basisonderwijs, het herstel van de toegenomen kansenongelijkheid
in het basisonderwijs en de aandacht voor het welbevinden van leerlingen laten zien
dat het harde werk niet voor niets is geweest. Het NP Onderwijs laat mooie resultaten
zien. Daar zijn we het onderwijsveld ontzettend dankbaar voor. Tegelijk laat de situatie
in het voortgezet onderwijs zien dat we er nog niet zijn. Daar komt bij dat we ook
voor de COVID-19-pandemie al te maken hadden met dalende leerprestaties in het onderwijs.
Via onder andere het Masterplan Basisvaardigheden, de oplevering van een nieuw, kennisrijk
curriculum en een versterkte inzet op evidence-informed onderwijs wordt daarom de komende tijd blijvend gewerkt aan het verbeteren van de
basisvaardigheden van leerlingen. De urgentie om dit te doen is en blijft groot. Voor
kennis uit wetenschap en ondersteuning bij het invoeren van effectieve interventies
met betrekking tot welbevinden kunnen scholen de komende jaren terecht bij het Nationaal
Kennisinstituut Onderwijs en Gezonde School. Laten we doorgaan met samenwerken, leren
en verbeteren. Met oog voor wat echt telt: de leerling.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap