Brief regering : Fiche: Maatregelen ter bescherming EU staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4213
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 november 2025
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 1 fiche, die werd opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: Maatregelen ter bescherming EU staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: Maatregelen ter bescherming EU staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad waarmee de negatieve
handelsgerelateerde gevolgen van de wereldwijde overcapaciteit op de staalmarkt van
de Unie wordt aangepakt.
Aanbeveling voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen
met het oog op het wijzigen van de door de Unie in de Wereldhandelsorganisatie overeengekomen
concessies inzake de invoerrechten voor bepaalde staalproducten.
b) Datum ontvangst Commissiedocument
oktober 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 726 en COM(20 225) 727
d) EUR-Lex
eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52025PC0726&qid=1761133518434
eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52025PC0727&qid=1761133717966
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie
SWD(2025) 780
f) Behandelingstraject Raad
Raad Buitenlandse Zaken (Handel)
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Buitenlandse Zaken in nauwe samenwerking met Ministerie van Economische
Zaken en Ministerie van Klimaat en Groene Groei
h) Rechtsbasis
Voorstel voor een verordening: art. 207(2) Verdrag betreffende de Werking van de Europese
Unie (VWEU)
Aanbeveling voor een Raadsbesluit: art. 207(4) i.c.m. art. 218(3) en art. 218(4) VWEU
i) Besluitvormingsprocedure Raad
Voorstel voor een verordening: gekwalificeerde meerderheid
Aanbeveling voor een Raadsbesluit: gekwalificeerde meerderheid
j) Rol Europees Parlement
Voorstel voor een verordening: medebeslissing
Aanbeveling voor een Raadsbesluit: n.v.t.
2. Essentie voorstel
Op 7 oktober jl. deelde de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een voorstel
voor een verordening en een aanbeveling voor een Raadsbesluit over maatregelen om
de staalindustrie in de EU te beschermen tegen de gevolgen van wereldwijde staalovercapaciteit.
De Commissie kondigde in het Staal en Metaal Actieplan uit maart jl. deze plannen
reeds aan1. Het voorstel voor een verordening van de Commissie constateert dat de aanhoudende
en groeiende mondiale overproductie van staal ertoe leidt dat de Europese markt wordt
overspoeld met goedkoop staal uit derde landen. Dit resulteert in prijsdruk, verminderde
winstgevendheid en het verlies van banen bij Europese producenten, aldus de Commissie.
Investeringen in modernisering en verduurzaming worden hierdoor ook moeilijker voor
staalproducenten. De huidige vrijwaringsmaatregelen die van kracht zijn op staalimport
verlopen bovendien op 30 juni 2026, en kunnen niet verlengd worden. De Commissie stelt
dat deze situatie een risico vormt voor de strategische autonomie van de Unie, omdat
staal een belangrijk basisproduct is voor onder meer infrastructuur, defensie-industrie,
energievoorziening en de groene transitie.
Om deze situatie aan te pakken, heeft de Commissie zowel een voorstel voor een verordening
als een aanbeveling voor een Raadsbesluit gepubliceerd. De voorgestelde verordening
beoogt een nieuw, meer structureel kader te scheppen ter vervanging van de bestaande
tijdelijke vrijwaringsmaatregelen. De kern van dit voorstel behelst de invoering van
zogenaamde tarifaire importquota: een maximumhoeveelheid staal uit derde landen wordt
tegen verlaagde heffing toegelaten, terwijl voor de import boven dat quotum een extra
importheffing wordt geheven. De Commissie stelt een totaal invoerquotum tegen verlaagde
heffing voor van 18.3 miljoen ton per jaar, een vermindering van 47% ten opzichte
van de quota onder de geldende vrijwaringsmaatregelen. Voor invoer boven dat volume
stelt de Commissie een heffing van 50% voor, dat is een verdubbeling van de heffing
onder de huidige vrijwaringsmaatregelen. De Commissie gebruikt 2013 als referentiejaar
voor de gewenste marktverhoudingen, het jaar vóór de sterke toename van overcapaciteit.
De Commissie wil met maatregelen de invoer van staal binnen voorspelbare en beheersbare
grenzen houden, en voorkomen dat grote hoeveelheden goedkoop staal de Europese markt
verstoren. Ook stelt de Commissie voor een zogenaamd «melted and poured» vereiste te introduceren, die voorschrijft dat importeurs moeten aantonen in welk
land het staal oorspronkelijk is gesmolten en in primaire vaste toestand is gegoten.
De Commissie wil hiermee omzeiling van de voorgestelde maatregelen voorkomen, zodat
staal uit derde landen na lichte bewerking of via omwegen niet toch als Europees of
preferentieel product tegen een lage heffing wordt ingevoerd.
De Commissie stelt voor de verordening regelmatig te evalueren: een eerste beoordeling
na twee jaar om te bepalen of de productreikwijdte aangepast moet worden, en een bredere
evaluatie van de effectiviteit van de verordening uiterlijk 2031, waarna verdere vijfjaarlijkse
evaluaties zouden volgen. Noorwegen, IJsland en Liechtenstein zijn uitgezonderd van
de voorgestelde maatregelen vanwege de integratie van deze landen in de EU interne
markt. De belangen van EU kandidaat-lidstaten die kampen met een uitzonderlijke (veiligheids)situatie,
zoals Oekraïne, zouden volgens de Commissie moeten worden meegewogen in het bepalen
van de quota-allocaties.
Om de voorgestelde plannen mogelijk te maken binnen de regels van de Wereldhandelsorganisatie
(WTO) wil de Commissie met het voorgestelde Raadsbesluit een mandaat van de Raad om
onderhandelingen te starten, gebaseerd op artikel XXVIII van de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). De Commissie geeft aan dat de invoering van tarifaire importquota en bijbehorende
tariefwijzigingen een aanpassing van de bestaande EU-concessies onder de WTO vereist.
Op basis van artikel XXVIII van de GATT kunnen tariefconcessies worden herzien, mits
daarover vervolgens wordt onderhandeld met de WTO-leden die door de wijziging geraakt
worden. De mogelijkheid bestaat daarbij dat handelspartners op tarieven of quota’s
voor andere producten in andere sectoren gecompenseerd kunnen worden naar aanleiding
van de verhoogde tariefquota’s op staal.
Volgens de Commissie moet dit geheel van maatregelen de marktomstandigheden voor de
strategisch belangrijke staalindustrie stabiliseren, marktverstorende handelspraktijken
tegengaan, de sector de ruimte bieden om te investeren in verduurzaming, en zo ook
de weerbaarheid en open strategische autonomie van de Unie versterken.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het kabinet is in beginsel geen voorstander van de invoering van quota of tarieven.
Als open handelsland is Nederland immers gebaat bij zo min mogelijk handelsbarrières
op de wereldwijde markt. Tegelijkertijd is voor het Nederlands bedrijfsleven een internationaal
gelijk speelveld zeer belangrijk. EU maatregelen kunnen dienen om het internationale
speelveld gelijk te trekken en kunnen een antwoord zijn op marktverstorende handelspraktijken2. Het kabinet zet dan ook in op een gericht en pragmatisch handelsbeleid. Het kabinet
erkent ook de veranderende geopolitieke verhoudingen, en de groeiende rol van economie
en handel in de geopolitiek. De groeiende wereldwijde overcapaciteit van staal, en
de toename van importbeperkende maatregelen door derde landen in reactie hierop, moeten
in deze geopolitieke context gezien worden. Het kabinet zet tevens in op de open strategische
autonomie van de EU, met onder meer het afbouwen van mogelijk risicovolle strategische
afhankelijkheden. Het belang van het behoud van een toekomstbestendige Europese staalindustrie
kan in het verlengde daarvan gezien worden.
Maatregelen moeten in lijn zijn met internationale verplichtingen, waaronder WTO-regelgeving.
Dit soort maatregelen moeten bovendien proportioneel zijn, waarbij naast de belangen
van producenten, ook de gevolgen voor de verwerkende industrie en de consument goed
worden meegewogen. Het kabinet hecht tevens grote waarde aan de mogelijk negatieve
gevolgen voor belangrijke en vertrouwde handelspartners.
Verduurzaming van de staalsector speelt een belangrijke rol in het behalen van de
afgesproken klimaatdoelen. Daarbij is het conform de Kamerbrief EU-concurrentievermogen3 en de Kamerbrief Toekomstperspectief op de energie-intensieve industrie4 voor Nederland van belang dat het concurrentievermogen, de verduurzaming en de weerbaarheid
van de EU worden versterkt door onder andere gerichte aandacht voor strategische (groei)markten.
Dit betekent dat binnen de geldende WTO kaders ingrijpen via handelsmaatregelen gelegitimeerd
kan zijn om onze Europese weerbaarheid te versterken, te reageren op marktverstorende
praktijken, verduurzaming en groene marktcreatie te stimuleren en het aanbod van schoon
geproduceerd Europees staal te vergroten. Hierbij is het van belang in te zetten op
het creëren van de juiste randvoorwaarden en het behoud van een gelijk speelveld.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt de gepresenteerde doelstelling en onderschrijft het strategische
belang van de EU staalsector. Het kabinet plaatst echter verschillende kanttekeningen
bij de vorm, inhoud en impact van het voorstel en de aanbeveling.
Het kabinet erkent de problematische en groeiende wereldwijde overcapaciteit van staal,
en ziet de uitdagingen die dit met zich meebrengt voor de staalindustrie in Nederland
en in de Unie. Het kabinet steunt de bestaande vrijwaringsmaatregelen op staal, bedoeld
om de negatieve consequenties van de wereldwijde overcapaciteit te mitigeren. Met
het aflopen van deze maatregelen per 30 juni 2026, en de voortdurende en groeiende
wereldwijde overcapaciteit (met name door productie in Azië), ziet het kabinet ook
in dat vervangende maatregelen noodzakelijk zijn.
In lijn met het BNC-fiche over het Staal- en Metaal Actieplan5, ziet het kabinet de staal- en metaalsector als potentieel strategisch, met het oog
op weerbaarheid, verduurzamingspotentieel en lange termijn concurrentievermogen. Dit
potentieel strategische karakter van de staalsector rechtvaardigt een extra EU inzet.
Het kabinet verwelkomt dan ook dat de Commissie hiertoe een voorstel voor een verordening
en een aanbeveling voor een Raadsbesluit heeft opgesteld. Dit voorstel en deze aanbeveling
dienen echter wel proportioneel, gebalanceerd en goed afgewogen te zijn, met ook oog
voor de gevolgen voor en belangen van staalverwerkende sectoren. Het kabinet mist
nadere onderbouwing en toelichting van de Commissie om dit afdoende te kunnen beoordelen.
De invoering van lagere quota en hogere tarieven zullen naar verwachting positief
uitpakken voor de staalproducerende industrie in de Unie. Het is van belang dat bij
de uitwerking van de maatregelen echter rekening wordt gehouden met de gehele waardeketen,
aangezien een stijging van staalprijzen voor bedrijven verder in de waardeketen tot
hogere kosten kan leiden. Een verhoging van de staalprijzen op korte termijn als gevolg
van de voorgestelde tariefquota heeft impact op staalverwerkende bedrijven, die gebaat
zijn bij lagere staalprijzen. Dit zorgt voor aantasting van het concurrentievermogen
van downstream industrieën. De maatregelen mogen volgens het kabinet derhalve niet leiden tot disproportionele
kostenstijgingen verder in de waardeketen waar ook veel midden- en kleinbedrijf (mkb)
actief is. Een eerste analyse laat zien dat krimp in productie in enkele downstream industrieën op lange termijn gemitigeerd kan worden door een groter aanbod van Europees
geproduceerd staal. De daadwerkelijke impact op de downstream industrieën is nog onduidelijk.6 De metaalindustrie in Nederland bestaat uit een ecosysteem van een aantal grote bedrijven,
recyclers en innovatief mkb en is nauw verbonden met de metaalverwerkende sector.
Het is daarom van belang dat bij de uitwerking van de maatregelen rekening wordt gehouden
met de gehele waardeketen. De maatregelen zullen gevolgen hebben voor de concurrentiepositie
van zowel de staalproducerende als de staalverwerkende sector. Het kabinet acht het
van belang dat de voorgestelde plannen ook integraal en in samenhang worden bezien
met andere voorstellen van de Commissie vanwege eventuele cumulatieve effecten die
kunnen optreden. Daarbij wil het kabinet ervoor waken dat al te stringente beschermende
maatregelen de motivatie bij bedrijven om te blijven innoveren afremmen.
Het bovenstaande in acht nemend zal het kabinet pleiten voor een gedegen impactanalyse
van de maatregelen op verschillende onderdelen in de waardeketen (waaronder halffabricaten),
en specifiek een nadere onderbouwing van het gekozen tarief en importquotum. Het kabinet
zal de mogelijke disproportionele kosten en het belang van de effecten verderop in
de waardeketen ook onder de aandacht blijven brengen bij de Commissie. Daarbij acht
het kabinet het van belang dat wordt meegenomen of soortgelijke bescherming ook met
lichtere maatregelen bereikt kan worden, zoals een tarief lager dan de voorgestelde
50%.
Met de aanbeveling voor een Raadsbesluit geeft de Raad de Commissie het mandaat om
in onderhandeling te treden met WTO-lidstaten die geraakt zouden worden door de aangepaste
tarief-quota uit de voorgestelde verordening. Het kabinet steunt deze stap in beginsel,
omdat dit in lijn is met de WTO regelgeving (artikel XXVIII GATT). In deze onderhandelingen
kunnen tarieven op andere producten en sectoren worden aangepast ter compensatie voor
de verhoogde tarieven op staal. Het kabinet mist in het voorstel en de aanbeveling
van de Commissie een nadere uitwerking van de mogelijke gevolgen hiervan. Het kabinet
zal er dan ook voor pleiten dat de Commissie tijdig een duidelijk overzicht geeft
van welke mogelijkheden voor compensatie er bestaan in onderhandeling met de betreffende
WTO-lidstaten, en de mogelijke impact op andere sectoren in kaart brengt.
In het verlengde hiervan zal het kabinet zich inzetten voor het beperken van negatieve
gevolgen voor belangrijke, vertrouwde en gelijksgezinde handelspartners. De staalindustrie
in andere partnerlanden zal gevolgen ondervinden van de voorgestelde maatregelen.
Het verlaagde quotum, en verhoogde tarieven daarboven zullen immers ook gelden voor
belangrijke handelspartners. Wat de precieze (economische) gevolgen zijn hangt mede
af van de landenspecifieke verdeling van het totaalquotum. In potentie kunnen deze
voorstellen ook negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bredere (handels)relaties
met derde landen. De EU heeft met verschillende handelspartners handelsverdragen afgesloten.
Het risico bestaat dat de voorgestelde invoering van tariefquota botst met verplichtingen
uit handelsverdragen. Het kabinet mist een analyse van de Commissie over deze mogelijke
botsende verplichtingen en potentiële (juridische) consequenties daarvan. Het kabinet
zal daarom vragen om een nadere analyse van deze elementen. Ook zal het kabinet duidelijkheid
vragen aan de Commissie over hoe de quota-allocatie per land precies vorm gaat krijgen
als er meerdere onderhandelingen met individuele landen parallel aan elkaar lopen.
Daarnaast dient de impact van de maatregelen op lopende onderhandelingen over handelsverdragen
duidelijk te zijn en goed meegewogen te worden.
Het kabinet is weliswaar positief over het doel van de voorgestelde melted and poured maatregel, namelijk een verbeterde traceerbaarheid van de origine van staal en daarmee
het tegengaan van omzeiling van maatregelen, maar kijkt kritisch naar de precieze
uitvoerbaarheid van deze maatregel. Zo komt hierbij de vraag op hoe dit zich verhoudt
tot bestaande regels met betrekking tot oorsprong van producten, waarover de Commissie
in de voorgestelde verordening nog onvoldoende duidelijkheid geeft. In het verlengde
hiervan zal het kabinet kritisch kijken naar de mogelijke extra regeldruk die deze
maatregel met zich meebrengt voor bedrijven. Een definitief oordeel over de voorgestelde
melted and poured maatregel is afhankelijk van een goed zicht op de regeldrukeffecten van die maatregel,
zodat die regeldrukeffecten kunnen worden meegewogen in de standpuntbepaling. Op dit
moment is er nog onvoldoende zicht op de regeldrukeffecten. Het kabinet zet zich ervoor
in extra regeldruk zoveel mogelijk te beperken. Tevens zal het kabinet de Commissie
vragen inzichtelijk te maken in hoeverre de melted and poured maatregel impact heeft op andere maatregelen die reeds van invloed zijn op de (import)prijs
van staal.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Het merendeel van de lidstaten steunt het voornemen van de Commissie om maatregelen
te treffen ter vervanging van de bestaande vrijwaringsmaatregelen, ter bescherming
van de EU staalproducerende industrie. De analyse van een problematische en alsmaar
groeiende wereldwijde overcapaciteit van staal wordt breed gedeeld. Ook het potentieel
strategisch belang van de staalsector, en de noodzaak om staalproductie binnen de
Unie te behouden, wordt door de meeste lidstaten erkend. Verschillende staalproducerende
lidstaten zijn groot voorstander van de voorgestelde maatregelen. Tegelijkertijd wijzen
meerdere lidstaten op de belangen van de verwerkers, de gevolgen voor downstream industrieën, en de gevolgen voor partnerlanden.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Voorstel voor een verordening
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel
is gebaseerd op artikel 207, lid 2, VWEU. Op grond van artikel 207, lid 2 VWEU kunnen
het Europees Parlement en de Raad maatregelen vaststellen die het kader voor de uitvoering
van het gemeenschappelijk handelsbeleid bepalen, zoals de door de Commissie voorgestelde
tariefquota. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van
de gemeenschappelijke handelspolitiek is sprake van een exclusieve bevoegdheid van
de EU (artikel 3, lid 1, sub e, VWEU).
Aanbeveling voor een Raadsbesluit
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. De aanbeveling
is gebaseerd op artikel 207, lid 4, in samenhang met artikel 218, lid 3, en artikel
218, lid 4, van het VWEU. Artikel 207, lid 4, VWEU bepaalt dat de Raad besluit over
onderhandelingen en sluiting van handelsakkoorden met derde landen. De Europese Commissie
onderhandelt namens de EU over dergelijke handelsakkoorden, op basis van een machtiging
van de Raad. De Raad beslist doorgaans met gekwalificeerde meerderheid. De Raad verleent
haar machtiging voor het openen van onderhandelingen op basis van artikel 218 VWEU.
Op grond van artikel 218, lid 3 VWEU kan de Commissie aanbevelingen doen aan de Raad
voor de vaststelling van een Raadsbesluit waarbij machtiging wordt gegeven om onderhandelingen
over een verdrag te openen en om de onderhandelaar namens de Unie aan te wijzen. Op
grond van artikel 218, lid 4 VWEU kan de Raad de onderhandelaar richtsnoeren meegeven
en een bijzonder comité aanwijzen in overleg waarmee de onderhandelingen moeten worden
gevoerd. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslagen. Op het terrein van
de gemeenschappelijke handelspolitiek is sprake van een exclusieve bevoegdheid van
de EU (artikel 3, lid 1, sub e, VWEU).
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel).
Het subsidiariteitsbeginsel is niet van toepassing aangezien de gemeenschappelijke
handelspolitiek een exclusieve bevoegdheid van de EU is.
c) Proportionaliteit
Voorstel voor een verordening
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief, met
kanttekeningen. De verordening heeft tot doel de staalindustrie in de EU te beschermen
tegen de negatieve effecten van wereldwijde overcapaciteit. Het voorgestelde optreden
is geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat het instellen van lagere invoerquota
en het verhogen van tarieven boven dat quotum zal leiden tot verlaagde importdruk,
ten gunste van de concurrentiepositie van de Europese staalindustrie. Tegelijkertijd
gaat het hier om potentieel vergaande voorstellen, met impact op meerdere sectoren,
en op handelspartners. Een belangrijke kanttekening van het kabinet is, zoals beschreven
onder punt 3b, de onvoldoende uitgewerkte analyse van de Commissie van de impact van
de maatregelen op verschillende downstream industrieën, waaronder de staalverwerkende industrie. Of deze maatregelen niet verder
gaan dan noodzakelijk om het doel te bereiken, is om die reden lastig te zeggen. Een
uitgebreidere impact analyse is voor het kabinet van belang om een definitief oordeel
te kunnen maken over de proportionaliteit. Het kabinet zal zich ervoor inzetten om
nadere analyse en toelichting van de Commissie te verkrijgen.
Aanbeveling voor een Raadsbesluit
De grondhouding van het kabinet is positief. De aanbeveling heeft tot doel om de Commissie
te machtigen om onderhandelingen te starten met WTO-partners om WTO-conforme staalmaatregelen
te treffen. De aanbeveling geeft de Commissie het mandaat om met WTO-partners die
door de voorgestelde tarief-quota geraakt worden in onderhandeling te treden, conform
artikel XXVIII GATT. Het kabinet acht deze aanbeveling voor een Raadsbesluit geschikt
om dat doel te bereiken, omdat het heronderhandelen van quota in WTO-verband dient
te gebeuren. De Commissie vertegenwoordigt de Unie in dit verband, daarom is het afgeven
van een mandaat en richtsnoeren noodzakelijk. De aanbeveling gaat niet verder dan
noodzakelijk omdat het mandaat is afgebakend en zich richt op het heronderhandelen
van de specifieke staalquota.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
a) Consequenties EU-begroting
Afhankelijk van de reactie van de markt zullen door de verhoging van het tarief bij
uitputting van de tarifaire importquota meer invoerrechten geheven worden. Lidstaten
dragen hiervan 75% af aan de EU. Indien er negatieve financiële gevolgen zijn is het
kabinet van mening dat benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in
de Raad afgesproken financiële kaders van het MFK 2021–2027, en dat deze moeten passen
bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Eventuele gevolgen voor de nationale
begroting worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement,
conform de regels van de budgetdiscipline.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden
Eventuele budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke
departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
Ten aanzien van regeldruk kijkt het kabinet kritisch naar de uitwerking van de voorgestelde
melted and poured regel. Bedrijven zullen hiermee een inspanning moeten leveren om de origine van het
ruwe staal te achterhalen, wat zeer waarschijnlijk leidt tot extra regeldruk. De praktische
werking hiervan is in de voorgestelde verordening echter nog onvoldoende uitgewerkt.
De Commissie vraagt hiertoe om input vanuit de industrie, DG TAXUD en nationale douanes.
Het kabinet zal daarvoor in samenspraak met belanghebbenden voorstellen aanleveren
bij de Commissie om te proberen de extra regeldruk zo beperkt mogelijk te houden.
Het kabinet zal er bij de Europese Commissie op aandringen dat de regeldrukeffecten
van een concreet vormgegeven melted and poured maatregel in kaart worden gebracht. Voor het kabinet is het immers belangrijk dat
die regeldrukeffecten kunnen worden meegewogen bij het uiteindelijke oordeel over
de wenselijkheid van invoering van de melted and poured maatregel. Bij het aanleveren van voorstellen zal het kabinet ook het effect op burgers
meenemen.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het kabinet schat de effecten van het voorstel en de aanbeveling op het concurrentievermogen
van de staalproducerende industrie in de Unie positief in. De voorgestelde tariefquota
maken Europees staal concurrerender ten opzichte van staal uit derde landen. Europese
staalproducenten worden hiermee beschermd tegen de negatieve gevolgen van de wereldwijde
overcapaciteit van staal. Ten aanzien van de concurrentiekracht van de staalverwerkende
sectoren is een nadere impactanalyse gewenst. Een verhoging van de staalprijzen als
gevolg van de voorgestelde tariefquota heeft immers gevolgen voor staalverwerkende
bedrijven, die gebaat zijn bij lagere staalprijzen. Het voorstel en de aanbeveling
kunnen daarmee op korte termijn ten koste gaan van het concurrentievermogen van downstream industrieën. Daarnaast kunnen in het kader van de onderhandelingen met WTO-lidstaten
de geldende tarieven op andere producten en sectoren aangepast worden ter compensatie.
Hiermee kan het concurrentievermogen van andere, vooralsnog niet gespecificeerde,
sectoren geraakt worden.
De geopolitieke aspecten van het voorstel en de aanbeveling zijn aanzienlijk. De voorgestelde
tariefquota zullen gelden voor alle landen, met uitzondering van Noorwegen, IJsland
en Liechtenstein. Ook traditionele handelspartners van buiten de EU zullen hierdoor
geraakt worden. Gezien het belang van de staalsector in deze landen – net als in de
EU – kan dit negatieve gevolgen hebben voor de bredere (handels)relaties met derde
landen. De maatregelen kunnen eveneens effect hebben op lopende onderhandelingen voor
handelsverdragen tussen de EU en derde landen.
Tegelijkertijd beoogt de Commissie met het voorstel en de aanbeveling het behoud van
een levensvatbare, duurzame en productieve Europese staalindustrie te bevorderen,
en de uitdagingen van wereldwijde overcapaciteit het hoofd te bieden. Gezien het potentieel
strategisch belang van de staalindustrie, bijvoorbeeld voor de defensie-industrie,
dragen deze plannen dan ook bij aan de weerbaarheid en de open strategische autonomie
van de Unie, waarbij de gevolgen voor de staalverwerkende industrie echter nog onvoldoende
duidelijk zijn, zoals hierboven aangegeven.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo).
Het voorstel voor een verordening en de aanbeveling voor een Raadsbesluit hebben geen
directe effecten op nationale of decentrale wetgeving.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel voor een verordening bevat verschillende bevoegdheden voor de Commissie
om uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen vast te stellen.
Artikel 4, lid 1 van het voorstel bevat een bevoegdheid voor de Commissie om uitvoeringshandelingen
vast te stellen om landenspecifieke quota-allocatie vast te leggen. Het toekennen
van deze bevoegdheid is mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen van de basishandeling
betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, vanwege de noodzakelijke
flexibiliteit, snelheid en om het wetgevingsproces niet te belasten. De keuze voor
uitvoering i.p.v. delegatie ligt hier voor de hand omdat het gaat om uitvoering van
de verordening volgens eenvormige voorwaarden. De uitvoeringshandelingen worden vastgesteld
volgens onderzoeksprocedure uit artikel 5 van verordening 182/2011. Toepassing van
deze procedure is hier volgens het kabinet op zijn plaats, omdat het hier gaat om
uitvoeringshandelingen met betrekking tot de gemeenschappelijke handelspolitiek in
de zin van artikel 2, lid 2, sub b), onder iv), van verordening 182/2011.
Overigens is de Commissie op grond van artikel 4, lid 2 bevoegd om op grond van gemotiveerde
en dwingende redenen van urgentie de spoedprocedure in samenhang met de onderzoeksprocedure
toe te passen voor de vaststelling van de uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel
4, lid 1. De redenen van urgentie moeten verband houden met de noodzaak ervoor te
zorgen dat de inwerkingtreding van de verordening samenvalt met de toewijzing van
de landenspecifieke quota. Het valt op dat in artikel 4, lid 2, niet expliciet wordt
verwezen naar artikel 4, lid 1, dus het kabinet zal tijdens de onderhandelingen om
verduidelijking op dit punt vragen. Het kabinet steunt de mogelijke inzet van de spoedprocedure
om de Commissie de nodige handelingsruimte te verschaffen, gezien het unieke karakter
van het voorstel en de onderbouwing van de redenen van urgentie. Dit laat onverlet
dat een comité van experts uit lidstaten de mogelijkheid behoudt om achteraf een negatief
advies ten aanzien van de uitvoeringshandeling te geven, waarna deze onmiddellijk
moet worden ingetrokken door de Commissie.
Artikel 4bis, lid 1, bevat een uitvoeringsbevoegdheid voor de Commissie om bilaterale
vrijwaringsmaatregelen in stellen voor import van producten die vallen binnen de reikwijdte
van de verordening en die komen uit landen waarmee de EU een handelsakkoord heeft
afgesloten. Het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk, omdat het geen essentiële
onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheid acht het
kabinet wenselijk, vanwege de flexibiliteit, snelheid om en het wetgevingsproces niet
te belasten. De keuze voor uitvoering i.p.v. delegatie ligt hier voor de hand omdat
het gaat om uitvoering van de verordening volgens eenvormige voorwaarden. De uitvoeringshandelingen
worden vastgesteld volgens onderzoeksprocedure artikel 5 van verordening 182/2011.
Toepassing van deze procedure is hier volgens het kabinet op zijn plaats, omdat het
hier gaat om uitvoeringshandelingen met betrekking tot de gemeenschappelijke handelspolitiek
in de zin van artikel 2, lid 2, sub b), onder iv), van verordening 182/2011.
Ook hier geldt dat de Commissie op grond van artikel 4bis, bevoegd is om in naar behoren
gemotiveerde dwingende redenen van urgentie de spoedprocedure in samenhang met de
onderzoeksprocedure toe te passen bij de vaststelling van de uitvoeringshandelingen
als bedoeld in artikel 4bis, lid 1. De redenen van urgentie moeten verband houden
met de noodzaak ervoor te zorgen dat de inwerkingtreding van de verordening samenvalt
met de toewijzing van de landenspecifieke quota. Het valt op dat in artikel 4, lid
2, niet expliciet wordt verwezen naar artikel 4, lid 1, dus het kabinet zal tijdens
de onderhandeling om verduidelijking op dit punt vragen. Voor wat betreft de inzet
van de spoedprocedure geldt hetzelfde als hierboven gesteld bij artikel 4, lid 2.
Artikel 6, lid 1, van het voorstel bevat een delegatiebevoegdheid voor de Commissie
om het volume van tariefquota aan te passen, om zo nodig te reageren op bijvoorbeeld
veranderende marktomstandigheden. Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk,
omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van
deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, vanwege de flexibiliteit, snelheid en
om het wetgevingsproces niet te belasten. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor
de hand omdat het gaat om het wijzigen van de basishandeling. Het kabinet acht deze
bevoegdheid voldoende afgebakend met de criteria genoemd in het betreffende artikel.
Artikel 6, lid 2, bevat een delegatiebevoegdheid voor de Commissie om nadere technische
specificaties voor de implementatie van het melted and poured vereiste uit artikel 3 vast te stellen. Het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk,
omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van
deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, vanwege de flexibiliteit, snelheid en
om het wetgevingsproces niet te belasten. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor
de hand omdat het gaat om het aanvullen van de basishandeling. Het kabinet acht deze
bevoegdheid echter niet voldoende afgebakend. De bevoegdheid is op de inhoud niet
voldoende afgebakend, wat betekent dat het niet duidelijk is wat de Commissie precies
mag regelen en welke gevolgen dat potentieel kan hebben, bijvoorbeeld voor (de regeldruk
voor) het bedrijfsleven. De kabinetsinzet is om die duidelijkheid te verkrijgen, evenals
de relatie tussen dit vereiste en reeds bestaande vereisten rondom oorsprongsregels.
Wederom krijgt de Commissie in artikel 6, lid 3, de bevoegdheid om de gedelegeerde
handelingen via de spoedprocedure vast te stellen, wanneer de verordening snel moet
worden gewijzigd of aangevuld in geval van plotselinge veranderingen op de markten,
of om de tijdige toepassing van artikel 3 te waarborgen of om rekening te houden met
in artikel 4 bis, lid 3, bedoelde vrijwaringsmaatregelen, en als dwingende redenen
van urgentie dit vereisen. Ook hier valt op dat lid 3 zelf niet beschrijft wat voor
soort gedelegeerde handelingen mogen worden vastgesteld, maar vermoedelijk gaat het
om de gedelegeerde handelingen in artikel 6, leden 1 en 2. Het kabinet zal tijdens
de onderhandelingen kijken of dit verduidelijkt kan worden, bijvoorbeeld door een
verwijzing op te nemen naar leden 1 en 2. Voor wat betreft de inzet van de spoedprocedure
geldt hetzelfde als hierboven gesteld bij artikel 4, lid 2.
c) Voorgestelde datum inwerkingtreding
De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking hiervan in het Publicatieblad
van de Europese Unie.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
Het voorstel voor een verordening voorziet in regelmatige evaluatiemomenten: een eerste
beoordeling na twee jaar om te bepalen of de productreikwijdte aangepast moet worden,
en een bredere evaluatie van de effectiviteit van de verordening uiterlijk 2031, waarna
verdere vijfjaarlijkse evaluaties zouden volgen. Het kabinet acht deze evaluatiemomenten
wenselijk.
e) Constitutionele toets
Niet van toepassing.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
a) Uitvoerbaarheid
Uit het voorstel volgt een nieuw zogenaamd «melted and poured» vereiste om de omzeiling van de voorgestelde maatregelen te voorkomen. De samenloop
tussen dit criterium en de regels met betrekking tot de oorsprong van producten en
de wijze waarop bewijs in dit kader moet worden aangeleverd moet nog nader ingevuld
worden. Afhankelijk van de vorm die gekozen zal worden zal mogelijk een aanpassing
in de oorsprongsbepaling, de IT-infrastructuur, de controleprocedures en het aangiftesysteem
van de Douane nodig zijn, om het aansluiten bij het nieuwe criteria te ondersteunen.
Omdat de nieuwe vereisten verder teruggaan in de productieketen zal voor bedrijven
het opleveren van de benodigde gegevens mogelijk tot extra lasten leiden.
b) Handhaafbaarheid
De aanpassingen aan de tarifaire quota en de verhoging van de tariefcomponent zorgen
er in algemene zin voor dat omzeiling van de maatregelen voor sommige bedrijven aantrekkelijker
wordt ten opzichte van de huidige vrijwaringsmaatregelen. De nieuwe «melted and poured» vereisten zijn voor bedrijven mogelijk niet eenvoudig en grijpen terug op eerdere
stappen in de keten, hetgeen controle van de opgegeven informatie complexer maakt.
Deze beide ontwikkelingen leiden ertoe dat het belang van controles op dit gebied
en de controledruk bij de Douane zal toenemen.
De handhavingscapaciteit van de Douane staat al langere tijd onder druk door extra
taken en ontwikkelingen zoals ondermijning, de sanctiepakketten op Rusland en Wit-Rusland
en e-commerce, met een enorme toename van het aantal aangifteregels dat jaarlijks
moet worden verwerkt.
Indien het huidige voorstel wordt aangenomen zal bepaald moeten worden hoe de controlecapaciteit
wordt verdeeld. De Douane brengt nader in kaart hoeveel controles ten minste nodig
zijn om de fiscale risico’s die dit voorstel met zich meebrengt tot een acceptabel
niveau te beperken. Dit kan betekenen dat de totaal beschikbare controlecapaciteit
van de Douane zal moeten worden uitgebreid of de handhaving van de andere fiscale
risico’s afgeschaald moet worden.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Geen implicaties voor ontwikkelingslanden anders dan de genoemde consequenties voor
derde landen in het algemeen zoals aangegeven onder onderdeel 5d.
Indieners
-
Indiener
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.