Schriftelijke vragen : De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data (ingezonden 10 juli 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is
broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC
van 9 juli 2026?
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode
(R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de
geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid
van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek
worden verbonden?
Vraag 3
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor
Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken,
de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die
data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM
destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie
is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Vraag 4
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata,
terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge
Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde
ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze
hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die
mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Vraag 6
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn
geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar
uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend
is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties
niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar
beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband
tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges
breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Vraag 8
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet
specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op
alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt
dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde
risico zouden zijn?
Vraag 9
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data
digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke
toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den
Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Vraag 10
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke
toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Vraag 11
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium
betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde
dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van
het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Vraag 12
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van
100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door
de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en
8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn
gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging
doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische
gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden
en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die
de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Vraag 14
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische
wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke
bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek
niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en
communicatie richting Kamer en samenleving?
Vraag 15
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het
VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies,
en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke
consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Vraag 16
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving
niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van
onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici
naar voren zijn gebracht?
Vraag 17
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses
richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande
geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Vraag 18
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende
analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een
afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer
statistisch significant is?
Vraag 19
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke
aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie
tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke
onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Vraag 20
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen
jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde
investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee,
bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Vraag 21
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen
en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering,
financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze
gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Vraag 22
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen
en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Indieners
-
Gericht aan
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Gericht aan
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Indiener
Caroline van der Plas, Kamerlid