Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Brenk over de Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten'
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de «Analyses van additionele koopkracht instrumenten» (ingezonden 11 juni 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 9 juli
2026)
Vraag 1
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld
die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid,
draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt
u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Antwoord 1
Reeds in de eerder met de kamer gedeelde brieven over dit thema2 worden een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan additionele koopkrachtvarianten
moeten voldoen. Een aantal van deze randvoorwaarden gaan over elementen die te kwantificeren
zijn zoals ex-ante herverdeling en de effecten op koopkracht, andere zijn meer kwalitatief
van aard zoals uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid. De DNB-analyse gaat over de kwantificeerbare
elementen in de randvoorwaarden.
Vraag 2
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden
geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk
invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert
u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar
streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk
verhogen?
Antwoord 2
In de bijlage bij de brief wordt weergegeven dat eerder perspectief op een koopkrachtig
pensioen op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zo kan een pensioenfonds ernaar
streven om het koopkrachtniveau te behouden: de uitkeringen volgen dan zoveel mogelijk
het patroon van de jaarlijkse gerealiseerde inflatie. Anderzijds kan het doel van
een pensioenfonds ook zijn om de mate van koopkrachtverlies of koopkrachtwinst te verlagen respectievelijk verhogen. Dit draait om de kans en omvang van verlaging
respectievelijk verhoging in reële uitkeringen in enig jaar te verbeteren.3
Ik ben het dus niet zonder meer eens met de interpretatie dat enkel het streven om
het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig
pensioen. Er moet ook een afweging worden gemaakt tussen het jaar-op-jaar kunnen volgen
van de inflatie tegenover op de lange termijn een hogere uitkering te kunnen bieden
waarbij het patroon van de feitelijke inflatie minder goed wordt gevolgd dan de jaar-op-jaar-ontwikkeling.
Elke doelstelling kent hierbij haar eigen afruilen. Zo zou bijvoorbeeld de doelstelling
om het zo goed mogelijk jaar-op-jaar volgen van de inflatie-ontwikkeling in de praktijk
tot gevolg kunnen hebben dat de initiële startuitkering voor gepensioneerden lager
moet zijn.
Vraag 3
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt
in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt
dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk
beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het
onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen
tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
Antwoord 3
De doelstelling eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen is een doelstelling
van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en heeft betrekking op de stijging van de pensioenuitkering.
Eén van de randvoorwaarden om de additionele koopkrachtinstrumenten te beoordelen
is: «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers.
Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten
ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte
van het wettelijk beschikbare koopkrachtinstrumentarium.» Dit is dus additioneel op
het koopkrachtinstrumentarium dat de Wtp al biedt, waarbij geldt dat de Wtp reeds
meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Vraag 4
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief
bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Antwoord 4
Uit de analyse blijkt dat de basisvarianten een geringer koopkrachtverlies kennen
dan een zuivere DC-variant met een regeling zonder solidariteitsreserve. Dit resultaat
doet daarmee niks af aan eerdere analyses van DNB over de transitie effecten bij de
Wtp4 en van Netspar5 tijdens het wetstraject van de Wtp die lieten zien dat het nieuwe pensioenstelsel
eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Vraag 5
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie
en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf
of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
Antwoord 5
In de Kamerbrief wordt weergegeven dat er geen sprake is van een zogeheten «free lunch». Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie
en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf
of met andere deelnemers binnen het collectief). Deze afruil blijft bestaan, ook als
bijvoorbeeld meer herverdeling plaatsvindt via de solidariteitsreserve.
Vraag 6
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door
DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens
met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Antwoord 6
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft DNB verzocht de koopkrachtinstrumenten
kwantitatief door te rekenen, waarbij is afgesproken zoveel mogelijk aan te sluiten
bij de modellering in eerdere transitieberekeningen.6 De opzet van de analyse, inclusief model en aannames, is vooraf afgestemd met experts.
Gedurende het traject zijn aanvullende gesprekken met experts gevoerd, die hebben
geleid tot nieuwe inzichten en aanvullende gevoeligheidsanalyses om de robuustheid
van de uitkomsten te toetsen. Daarnaast is een klankbordgroep van externe experts
betrokken, die ook bij eerdere doorrekeningen heeft geadviseerd. Dit draagt bij aan
de vergelijkbaarheid en consistentie met eerdere analyses. Ook het Ministerie van
SZW als opdrachtgever is gedurende het traject nauw betrokken geweest bij de verkenning.
Vraag 7
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er
onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit
de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
Antwoord 7
In de basisvariant wordt gekeken naar het koopkrachtinstrumentarium dat wettelijk
mogelijk is. Deze variant betreft daarmee één van de keuzes binnen de solidaire premieregeling
die binnen het huidige wettelijk kader mogelijk zijn, maar deze betreft niet per definitie
een praktijkvoorbeeld. Door het in kaart brengen van een basisvariant kunnen de uitkomsten
vergeleken worden met het wettelijke kader. Sociale partners en pensioenfondsen maken
zelf een afweging in hoeverre zij gebruik willen maken van het instrumentarium. Er
zijn pensioenfondsen die overwegen de solidariteitsreserve zo vorm te geven dat deze
tot uitkeringen leidt wanneer de gerealiseerde inflatie hoger uitvalt dan de verwachte
inflatie. Waar het hier om gaat is dat er geen wettelijke beperking is om gebruik
te maken van de koopkrachtinstrumenten in de basisvariant.
Vraag 8 en 9
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste
fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het
feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid
fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het
gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant
1 de alternatieven af te serveren?
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook
wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen
enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen
theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven
af te serveren?
Antwoord 8 en 9
Ik herken het beeld niet dat in de kwalitatieve en kwantitatieve analyse één van de
koopkrachtvarianten niet gelijkwaardig in de overwegingen mee is genomen. In de analyse
wordt elke variant op basis van dezelfde criteria gewogen ten opzichte van dezelfde
basisvariant. Dit zorgt voor een gelijkwaardige weging van de verschillende varianten,
wat leidt tot een betere vergelijkbaarheid van de verschillende instrumenten. Voor
de basisvarianten geldt dat het de wettelijke kaders weergeeft waarbinnen sociale
partners en pensioenfondsen reeds de ruimte hebben om beleid te voeren.
Vraag 10
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen
met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig
pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het
Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Antwoord 10
Het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» heeft als input gediend voor de
koopkrachtvariant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» en de auteur heeft
ook meermaals commentaar gegeven op de uitkomsten van deze variant. Bovendien is de
auteur als externe expert in diverse sessies betrokken. Daarmee is voldoende de kennis
uit dit rapport meegenomen in de analyses van DNB. Momenteel kijkt de pensioensector
naar de verschillende koopkrachtvarianten en zullen deze toetsen op uitvoerbaarheid
en uitlegbaarheid. Zij is ook beter in staat om de praktische uitwerking en de resultaten
van deze varianten verder te onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie
zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden.
Ik wacht de inzichten vanuit de praktijk af en zal daarna nagaan of verdere berekeningen
benodigd zijn.
Vraag 11
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident
de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend
aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger
pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5
niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Antwoord 11
Zoals ik heb aangegeven in de kamerbrief geldt bij het bieden van additionele koopkracht
aan gepensioneerden dat er nooit sprake is van een free lunch. Dit betekent dat er kosten of risico’s tegenover kunnen staan zoals ex-ante herverdelingseffecten,
een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase.
Gegeven deze afruil concludeer ik op basis van de analyses in de kamerbrief dat geen
van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient.
Vraag 12
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de
brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen
voor
herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»
Antwoord 12
In de brief wordt in de variant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» de
feitelijke constatering gedaan dat in de bewuste variant sprake is vaneen afruil tussen
koopkrachtbehoud enerzijds en geen koopkrachtwinst en forse ex-ante herverdeling van
deelnemers boven de 45 jaar naar jongeren anderzijds. Daarmee is ex-ante herverdeling
niet per definitie onwenselijk en hangt de beoordeling af van de onderliggende redenen,
de omvang van de herverdeling en de mate waarin deze vooraf uitlegbaar is.
Vraag 13
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie
van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die
tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen
die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na
het invaren?
Antwoord 13
Uitvoeringspartijen in de pensioensector zullen de varianten toetsen op uitvoerbaarheid
en uitlegbaarheid en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken.
Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal de pensioensector hier verder vorm
aan geven binnen de genoemde randvoorwaarden in de brief. Om dit op een degelijke
manier te doen is voldoende tijd nodig. Eén van de randvoorwaarden voor de additionele
koopkrachtinstrumenten genoemd in de brief is dat de varianten niet mogen leiden tot
vertraging van de pensioentransitie. Om die reden zouden de koopkrachtvarianten pas
na de transitie in werking kunnen treden en zullen de uiteindelijke resultaten en
aanbevelingen van de initiatieven uit de pensioensector worden meegenomen in de evaluatie
van de Wtp.
Vraag 14
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen
van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders
en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij
deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen
van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke
partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten
in deze evaluatie bedacht heeft?
Antwoord 14
Ten eerste ben ik van mening dat uitvoeringspartijen in de pensioensector het best
gepositioneerd zijn om de varianten en diverse denkbare modaliteiten te toetsen op
uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk. Daarnaast herken ik het beeld niet
dat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie tegenstanders zijn van aanpassingen
van de Wtp in zijn algemeenheid. Aanpassingen aan de Wtp gedurende deze transitieperiode
die de transitie ondersteunen kunnen juist op steun vanuit de pensioensector rekenen.
De pensioensector geeft daarbij evenwel aan dat gegeven de enorme uitvoeringsopgave
van de transitie een zo stabiel, voorspelbaar wettelijk kader de beheerste uitvoering
van de transitie in de nog restende periode tot 1 januari 2028 ten goede komt. Het
kabinet heeft daar oog voor en is daarom terughoudend met voorgenomen aanpassingen
van de pensioenwetgeving die niet direct benodigd zijn voor de transitie. De genoemde
verkenning ziet op eventuele aanpassingen van het wettelijke kader ná afronding van
de pensioentransitie.
Vraag 15
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie
voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht
geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het
klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen
aan de Wtp?
Antwoord 15
De Pensioenfederatie zal een coördinerende rol hebben in het vervolgtraject waarbij
uitvoeringspartijen in de pensioensector de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en
uitlegbaarheid in de praktijk en de praktische uitwerking van deze varianten verder
onderzoeken. Binnen de Pensioenfederatie zal via de Commissie Actuariaat hiervoor
een werkgroep worden gevormd. Inmiddels hebben vijf pensioenuitvoerders c.q. uitvoeringsorganisaties
kenbaar gemaakt hierin te willen participeren.
Vraag 16
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert
dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële
solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde
van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Antwoord 16
Zoals ook in kwalitatieve analyse is aangegeven dient wet- en regelgeving te worden
aangepast om de verschillende koopkrachtvarianten te kunnen uitvoeren. Dat neemt niet
weg dat de pensioensector goed in staat is de voor- en nadelen in kaart te brengen
van een invulling van de solidariteitsreserve die buiten het huidige wettelijk kader
valt.
Vraag 17
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen
zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies,
terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel?
Graag een toelichting.
Antwoord 17
Zoals eerder aangegeven schetst de kamerbrief «Analyses van additionele koopkrachtinstrumenten»
alleen de feitelijke afruilen tussen additionele koopkracht enerzijds en ex-ante herverdelingseffecten,
een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase anderzijds.
In de brief worden door mij geen beleidsmatige afwegingen gemaakt. Dergelijke afwegingen
zal ik met uw Kamer maken.
Vraag 18
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie
ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake
is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de
Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Antwoord 18
Een verplichte reële doelstelling kan ten onrechte de indruk wekken bij deelnemers
dat zij een garantie hebben op een inflatiecorrectie. Dergelijk garanties zijn niet
te geven in een kapitaalgedekt pensioenstelsel, mede gezien het ontbreken van voldoende
activa (zoals inflatiegerelateerde obligaties) waarvan de rendementen meebewegen met
de inflatie. Dergelijke garanties kunnen leiden tot nieuwe teleurstellingen in de
toekomst. Dergelijke lessen hebben we uit het oude pensioenstelsel geleerd. Daarom
gaat het nieuwe pensioenstelsel uit van premieregelingen, waarbij de pensioenpremie
de daadwerkelijke toezegging is.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.