Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 939 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten die betrekking hebben op de BES eilanden (Fiscale verzamelwet BES eilanden 2027)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 15 juli 2026
Inhoudsopgave
Inleiding
1
I.
Aanleiding
1
1.
Voorgestelde wijzigingen
1
2.
Voorgestelde wijzigingen
3
3.
Budgettaire aspecten
7
4.
Uitvoeringsaspecten
7
5.
Doenvermogen
7
6.
Administratieve lasten/gevolgen voor bedrijfsleven en burger
7
7.
EU-aspecten
7
8.
Advies en consultatie
7
9.
Doelmatigheid, doeltreffendheid en evaluatie
7
II.
Artikelsgewijze toelichting
8
Overig
8
INLEIDING
Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de
leden van de fracties van PRO, ChristenUnie, CDA en de VVD. Hierna wordt bij de beantwoording
van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden.
I. Aanleiding
1. Voorgestelde wijzigingen
De leden van de fractie van PRO vragen of de regering in een overzichtelijk schema
kan weergeven waar de belangrijkste verschillen zitten tussen het belastingstelsel
in Europees Nederland en Caribisch Nederland. Verder vragen de leden of het kabinet
hierbij ook kan aangeven welke wijzigingen er redelijkerwijs de komende jaren mogelijk
zijn om te voldoen aan het principe van comply of explain.
Tijdens de ontmanteling van het Nederlands-Antilliaanse staatsverband is de samenstelling
van de fiscale wetgeving voor Caribisch Nederland tweeledig geweest. Daarbij is het
uitgangspunt dat de Europees Nederlandse belastingwetgeving ongeschikt is voor een
kleine, insulaire gemeenschap zoals de openbare lichamen. Om die reden zijn destijds
een aantal Nederlandse-Antilliaanse wetten (landsverordeningen) vrijwel integraal
overgenomen (inkomsten- en loonbelasting, overdrachtsbelasting). Anderzijds is bewust
gekozen voor de invoering van een aantal compleet nieuwe belastingen (de opbrengst-
en vastgoedbelasting en de algemene bestedingsbelasting). Hiermee is bedoeld meer
recht te doen aan de uitgangspunten van een eenvoudig maar doeltreffend fiscaal stelsel.
In de bijlage bij deze Nota is een overzicht opgenomen van de belangrijkste rijksbelastingen
die in Europees Nederland en/of in Caribisch Nederland van toepassing zijn, inclusief
de geldende tarieven.
Het belangrijkste uitgangspunt van het «comply or explain»-principe is dat alle beleidsintensiveringen
en de daaruit voortvloeiende wetgeving en/of financiële consequenties in Europees
Nederland ook van toepassing (zullen) zijn voor Caribisch Nederland, tenzij er redenen
zijn om hiervan af te wijken. Specifiek bij het belastingstelsel is bij de ontmanteling
van de Nederlandse Antillen met onder meer de eilandsraden van Bonaire, Sint Eustatius
en Saba overeengekomen dat structureel van de Europees Nederlandse fiscale wetgeving
wordt afgeweken:
«(...) dat na de ontmanteling van het land de Nederlandse Antillen op de BES eilanden
in beginsel wordt gestart met het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel en dat ook
structureel kan worden afgeweken van de Nederlandse regelgeving mits voldoende rekenschap
wordt gegeven van de elementen die zijn opgesomd in punt 5» (geringe bevolkingsomvang,
insulaire karakter en de grote afstand van Nederland).1
De Raad van State herhaalde deze redenering medio 2006 inzake de hervorming van de
staatkundige verhoudingen van de Nederlandse Antilliaanse eilanden:
De sociaaleconomische omstandigheden van de eilanden en hun directe omgeving brengen
mee dat onverkorte toepassing van de Nederlandse wetgeving op het gebied van de sociale
zekerheid en de belastingen ontwrichtend zou werken.2
Het kabinet blijft achter dit uitgangspunt staan. Het onverkort toepassen van het
«comply or explain»-principe op fiscaal gebied zou betekenen dat vrijwel alle Europees
Nederlandse belastingwetgeving van toepassing wordt in Caribisch Nederland. Dit zou
daar echter leiden tot forse belastingverhogingen en financiële én administratieve
lastenverzwaringen voor inwoners en ondernemers, en meer complexe wetgeving die voor
de Belastingdienst Caribisch Nederland op korte termijn niet uitvoerbaar is.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in hoeverre bij de totstandkoming
van eerdere Belastingplannen BES eilanden (2024 en 2025) ook expliciet is gekeken
naar inkomenseffecten voor specifieke groepen.
Bij de totstandkoming van de eerdere belastingwetgeving voor Caribisch Nederland zijn
de conclusies van de Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland, onder leiding
van dhr. Glenn Thodé, als uitgangspunt genomen.3 Dit heeft geleid tot enkele belangrijke aanpassingen in 2024 en 2025. Voor inwoners
met de laagste (minimum)inkomens is de wetgeving zodanig aangepast dat zij geen belasting
meer hoeven te betalen. Dat is gerealiseerd door de belastingvrije som te koppelen
aan het wettelijk minimumloon. Daarnaast is in het Belastingplan 2026 het tarief van
de eerste schijf in de inkomstenbelasting verlaagd van 30,4 procent naar 29,4 procent.
Voor kleine ondernemers zonder vennootschap (eenmanszaken) is de kleine ondernemersregeling
vanaf 2024 de omzetgrens fors verhoogd (van USD 20.000 naar USD 30.000 en bedraagt
thans USD 32.000). Hierdoor kunnen kleine ondernemers in veel gevallen de gefactureerde
ABB behouden en hoeven zij deze niet af te dragen aan de Belastingdienst.
2. Voorgestelde wijzigingen
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het kabinet onderbouwt dat de winstgevendheid
van hotels voldoende is toegenomen om de verhoging van de vastgoedbelasting voor hotels
in eigendom van niet-natuurlijke personen te rechtvaardigen. Verder vragen de leden
welke effecten het kabinet verwacht van deze tariefsverhoging op investeringen in
de toeristische sector op de BES eilanden. Tot slot vragen de leden van de fractie
van de VVD welke bredere economische effecten worden verwacht, bijvoorbeeld ten aanzien
van de werkgelegenheid op de BES eilanden.
De achtergrond van deze maatregel is dat de hotelsector reeds vijftien jaar profiteert
van een verlaagd tarief, vergeleken met overige onroerende zaken. Dit gunstige tarief
werd ingevoerd met het Belastingplan 2013 (met terugwerkende kracht tot 1 januari
2011), omdat juist de hotelsector beschikt over omvangrijke onroerende zaken terwijl
hun winstgevendheid in de jaren na de bankencrises (2011–2013) achterbleef. Sindsdien
is de rentabiliteit in de hotelsector verbeterd, met uitzondering van de coronaperiode.
Het aantal toeristen dat naar Bonaire, Sint Eustatius en Saba komt in de periode na
2022 fors toegenomen,4 en deze stijging is groter dan de toename van het aantal hotelbedden. Ook is de waarde
van de onroerende zaken waarop hotels zijn gebouwd gestegen, vooral omdat veel hotels
aan of vlakbij de kustlijn zijn gebouwd; die plekken in Caribisch Nederland waar de
waarde van grond sowieso al hoger is. Deze waardestijging komt dan weer niet altijd
tot uiting in de zogenoemde leggerwaarde; de (veelal lagere) waarde waarop de Belastingdienst
Caribisch Nederland de aanslagen voor de vastgoedbelasting baseert en die voor vijf
jaar geldt.
Aangezien het effectieve tarief van de vastgoedbelasting voor hotels (0,44% van de
leggerwaarde) nog altijd relatief laag is in vergelijking met het effectieve tarief
van de vastgoedbelasting op overige zaken (0,7%), verwacht het kabinet niet dat de
verhoging van het tarief de rentabiliteit van hotelondernemingen noemenswaardig aantast,
en verwacht het kabinet dat de werkgelegenheid in de toerismesector onverminderd hoog
blijft. Wat het kabinet in de afweging ook heeft meegenomen is dat de toerismesector
in hoge mate profiteert van de voorzieningen in Caribisch Nederland. Ook op grond
daarvan is een laag tarief ook om die reden niet meer passend.
De leden van de fractie van PRO vragen om een toelichting over het doel van de verhoging
van de vastgoedbelasting als het niet gaat om een hogere opbrengst. Ook vragen deze
leden of het kabinet heeft overwogen om deze maatregel, alsmede de vrijstelling in
de ABB voor de vervaardiging van goederen die in de landbouw worden gebruikt, op te
nemen in een Belastingplan in plaats van een verzamelwet en wat de reden is voor opname
van dit voorstel in de verzamelwet.
Individuele financiële of budgettaire opbrengsten of derving vanaf € 1 miljoen worden
apart gespecificeerd. Instrumenten en regelingen met een budgettaire impact onder
die grens worden vaak als pro memorie aangeduid. De aanpassing van het tarief van
de vastgoedbelasting voor hotels in eigendom van niet-natuurlijke personen heeft een
beperkte geschatte opbrengst van circa € 350.000. Niettemin is de budgettaire opbrengst
niet de reden voor de aanpassing van het tarief geweest. Een uitzonderingspositie
voor de vastgoedbelasting, waardoor voor hotels fors minder vastgoedbelasting wordt
betaald dan voor ander vastgoed (tweede woningen, bedrijfspanden), is met de verbeterde
economische omstandigheden dan ook steeds lastiger te rechtvaardigen. Ook om die reden
is het tarief voor hotels aangepast, zodat het verschil in belastingheffing tussen
hotel-gerelateerd onroerend goed en andere onroerende goederen wordt verkleind.
Vertegenwoordigers van Caribisch Nederland hebben reeds een aantal jaren geleden aangegeven
dat zij de voorkeur geven aan het bundelen van periodieke aanpassingen in de belastingwetgeving
in één wetsvoorstel, in plaats van verspreide wijzigingen over meerdere afzonderlijke
wetsvoorstellen. In dat kader heeft het kabinet vanaf 2024 waar mogelijk alle fiscale
wijzigingen die op Caribisch Nederland betrekking mogelijk in een apart wetsvoorstel
gebundeld. Daarbij geldt voor 2027 dat de meeste wijzigingen van dien aard dat zij
beter opgenomen kunnen worden in een verzamelwet in plaats van een Belastingplan.
De meeste maatregelen zijn betreffen technische en redactionele aanpassingen zonder
noemenswaardig budgettair belang.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe groot het probleem is van cumulatie
van ABB in de huidige wet en waarom is gekozen voor een harde 100 procentseis, en
welke economische activiteiten vallen hierdoor buiten de regeling. De leden van de
fractie van de VVD vragen ook hoe de complexiteitsverhoging voor de Belastingdienst
zich tot de beoogde lastenverlichting voor ondernemers verhoudt en of het kabinet
kan toelichten waarom gekozen is voor een maatregel die expliciet leidt tot complexiteitsverhoging
voor de Belastingdienst. Tot slot vragen de leden van de fractie van de VVD hoe wordt
geborgd dat de benodigde ICT-aanpassingen tijdig en binnen budget worden gerealiseerd.
Met het voorstel om een fiscale eenheid in de ABB te introduceren komt het kabinet
tegemoet aan een dringende wens van ondernemers in Caribisch Nederland. Hierdoor kan
de ABB op interne prestaties worden opgelost, zonder dat ondernemers kunstgrepen hoeven
toe te passen, zoals het opzetten van structuren met commanditaire vennootschappen,
het aangaan van partage-overeenkomsten of het aangaan overeenkomsten van kosten voor
gemene rekening tussen vennootschappen. In tegenstelling tot de regels in de BTW in
Europees Nederland werkt de ABB vooral bij interne prestaties kostprijsverhogend zonder
dat een prestatie in het economisch verkeer wordt verricht. Voor wat betreft de aard
en opzet van de fiscale eenheid is aangesloten bij de regeling zoals die in Aruba
geldt, aldaar goed werkt en nauwelijks tot uitvoeringsproblemen leidt. Er wordt in
dat kader dan ook geen economische activiteit van de regeling uitgesloten. De regeling
zoals die nu is vormgegeven sluit ook beter aan bij de praktijk waar het merendeel
van de ondernemingen die worden uitgeoefend met behulp van meerdere vennootschappen
in handen zijn van één houdstervennootschap. Een belangrijke overweging is bovendien
de omstandigheid dat elke grens voor het aandelenpercentage lastig te controleren
is. In Caribisch Nederland kunnen aandelen in vennootschappen namelijk nog steeds
onderhands, dat wil zeggen zonder tussenkomst van een notaris worden geleverd. Bij
een 100 procent grens is die controle minder complex.
Bij de afweging om een fiscale eenheid voor de ABB in te voeren is uitgebreid stilgestaan
bij de relatieve complexiteit en de kosten die deze faciliteit met zich brengt. Het
kabinet heeft er echter toch voor gekozen om aan de wens van ondernemers in Caribisch
Nederland tegemoet te komen. Op deze wijze wordt niet alleen lastenverlichting voor
ondernemers gerealiseerd, maar profiteren ook eindafnemers van producten en diensten
hiervan. De ICT-aanpassingen die hiervoor nodig zijn volgen het reguliere traject
en voor de daaraan gekoppelde kosten is budget vrijgemaakt.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan kwantificeren welk effect
de vrijstellingen in de ABB en overdrachtsbelasting naar verwachting hebben op de
lokale landbouwproductie. Deze leden vragen eveneens hoe wordt voorkomen dat deze
vrijstellingen leiden tot oneigenlijk gebruik of fiscale constructies. De leden van
de fractie van CDA vragen in dat verband hoeveel extra landbouwactiviteit wordt verwacht.
De leden van de fractie van PRO vragen tot slot of het klopt dat er geen noemenswaardige
kosten aan de maatregel zijn verbonden.
Op dit moment beoefenen ongeveer 25–30 ondernemers in Caribisch Nederland het landbouwbedrijf.
Dit betreffen allen kleinschalige initiatieven die weliswaar kwalitatief goede opbrengsten
oogsten, maar relatief duur zijn. Bovendien ontbreekt elke vorm van marktbescherming
voor die ondernemers. Het kabinet beoogt met de vrijstellingen voor landbouw in de
ABB en de overdrachtsbelasting vooral om een tweetal fiscale drempels weg te nemen
die de voortzetting van het landbouwbedrijf onnodig zouden kunnen belemmeren. Op die
wijze hoopt het kabinet de landbouwactiviteit in kwantiteit en kwaliteit te kunnen
bevorderen zonder verwachtingen uit te spreken hoeveel nieuwe landbouwinitiatieven
de komende jaren daadwerkelijk worden opgestart. Vanwege de kleinschaligheid van de
landbouw (beschikbaarheid van grond) zijn de kosten en de daaraan gekoppelde economische
bedrijvigheid is de budgettaire derving voor beide maatregelen ook zeer beperkt. Bij
de vrijstelling van ABB voor landbouwproducten is daarentegen specifiek beoogd om
het onderscheid op te heffen tussen de invoer van goederen die in de landbouw worden
gebruikt en de vervaardiging van diezelfde goederen door lokale ondernemers. Dat ongelijke
speelveld wordt door dit voorstel opgeheven.
Het kabinet verwacht niet dat de vrijstellingen leiden tot belastingconstructies.
Net als in Europees Nederland zal grond na een overdracht een lange tijd als landbouwgrond
moeten worden gebruikt. De Belastingdienst Caribisch Nederland is door middel van
controle (waarnemingen, informatieverzoeken) goed in staat om ongewenst gebruik van
de regelingen tegen te gaan.
De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet wil voorkomen dat burgers
rechtsmiddelen missen doordat post niet aankomt. Deze leden vragen hoe actief opvolging
wordt gegeven aan verstuurde dwangschriften en hoe hulp er concreet zal uitzien. Tot
slot vragen de leden van de fractie van CDA hoe wordt voorkomen dat geen verdere stappen
in het invorderingstraject worden gezet voordat iemand daadwerkelijk op de hoogte
is van een uitstaande belastingschuld.
Met de aanpassing van de regeling voor de betekening van dwangschriften is deze in
overeenstemming gebracht met de regeling zoals die in Europees Nederland geldt. Dat
betekent onder andere dat de belastingschuldige wordt beschermd zodra aannemelijk
is dat het aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, en/of betekening per
post niet mogelijk is. Juist vanwege de gebrekkige postbezorging wordt de menselijke
maat altijd toegepast bij het innen van belastingschulden. De Belastingdienst Caribisch
Nederland biedt overigens nu al uitgebreid voorlichting en hulp aan inwoners die problemen
hebben met de betaling van belastingen en zal dit in de toekomst blijven doen. Er
zijn mogelijkheden voor gespreide betaling van belastingen (betalingsregelingen),
het vragen om uitstel van betaling en hulp bij het (geheel of gedeeltelijk) kwijtschelden
van belastingen. Voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging zal een hernieuwd bevel
tot betaling nodig blijven. Dit document zal door de deurwaarder worden betekend en
zal de zinsnede bevatten dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging in verzet
(civiel) kan komen. Op deze manier wordt ondervangen dat belastingschuldigen rechtsmiddelen
missen.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel belastingplichtigen jaarlijks worden
geconfronteerd met de nadelige effecten van de huidige regeling inzake de toerekening
van aftrekposten tussen echtgenoten in een jaar van scheiding. Ook vragen deze leden
welke gevolgen het schrappen van deze regeling heeft voor de rechtszekerheid en voorspelbaarheid
van belastingheffing.
Uit cijfers van de Belastingdienst Caribisch Nederland blijkt dat in de afgelopen
vijf jaar zo’n 100 belastingplichtigen met de nadelige gevolgen van deze regeling
zijn geconfronteerd. De maatregel geldt namelijk ook voor echtparen die buiten gemeenschap
van goederen zijn gehuwd. De regeling is dus niet beperkt tot het jaar van (echt)scheiding
of de eventuele wijziging van het huwelijksvermogensregime. Door het laten vervallen
van de regeling wordt de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid van de belastingheffing
fors verbeterd. Echtelieden kunnen immers nu niet meer verrast worden door de eenzijdige
toepassing van de toerekeningsregels door de andere echtgenoot, waardoor de belastingdruk
bij die echtgenoot toeneemt zonder dat die daarvan eerder op de hoogte is gesteld.
Daarnaast geldt dat de huidige systematiek van de gescheiden heffing in sommige gevallen
leidt tot uitkomsten die belastingplichtigen niet verwachten. De uiteindelijk verschuldigde
belasting wordt immers gezamenlijk berekend en vervolgens omgeslagen naar rato van
ieders zuivere inkomen, terwijl bij belastingplichtigen regelmatig de indruk bestaat
dat sprake is van een individuele aangifte.
De leden van de fractie van PRO vragen of het klopt dat de voorgestelde aanpassing
aan de gebruikelijkloonregeling neerkomt op een lastenverlichting voor directeuren-grootaandeelhouders
en of het kabinet dat wenselijk vindt. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet
kan beargumenteren waarom de koppeling tussen de belastingvrije som en het gebruikelijk
loon niet meer wenselijk is, afgezien van het feit dat de belastingvrije som gestegen
is.
De aanpassing van het normbedrag van de gebruikelijkloonregeling zal ertoe leiden
dat de hoogte ervan enkel wordt aangepast door toepassing van de tabelcorrectiefactor.
De verhoging het wettelijk minimumloon (en de belastingvrije som) kan, naast de jaarlijkse
aanpassing, ook worden verhoogd op basis van niet fiscale beleidsmatige overwegingen.
Het kabinet vindt het niet wenselijk dat niet-fiscale maatregelen ertoe leiden dat
het normbedrag van het gebruikelijk loon op die wijze wordt aangepast. Tegen die achtergrond
wordt het normbedrag van de gebruikelijkloonregeling alleen aangepast met de tabelcorrectiefactor.
Dat betekent dat directeur-grootaandeelhouders een minder hoog normbedrag hoeven aan
te geven in de jaren dat het wettelijk minimumloon (en de belastingvrije som) ook
beleidsmatig nog wordt verhoogd (extra verhoging). Het kabinet blijft het wel belangrijk
vinden dat de belastingvrije som aan het wettelijk minimumloon blijft gekoppeld. Op
die manier worden inwoners met enkel een minimuminkomen niet in de heffing van inkomstenbelasting
betrokken en wordt hun inkomen niet fiscaal afgeroomd.
3. Budgettaire aspecten
4. Uitvoeringsaspecten
5. Doenvermogen
6. Administratieve lasten/gevolgen voor bedrijfsleven en burger
7. EU-aspecten
8. Advies en consultatie
9. Doelmatigheid, doeltreffendheid en evaluatie
De leden van de fractie van VVD vragen of het kabinet concreet kan aangeven welke
knelpunten in de uitvoeringspraktijk met dit verzamelwetsvoorstel worden opgelost,
en hoe urgent deze knelpunten zijn. Voorts vragen deze leden hoe wordt geborgd dat
het bundelen van uiteenlopende maatregelen in één verzamelwet de parlementaire controle
op individuele onderdelen niet bemoeilijkt. Tot slot vragen de leden van de fractie
van VVD waarom het kabinet ervoor kiest om geen evaluatie over de impact van een maatregel
uit te voeren, en of het kabinet bereid om op zijn minst een ex post evaluatie te
doen van de belangrijkste maatregelen, zoals de fiscale eenheid in de ABB.
Met dit wetsvoorstel lost het kabinet een aantal knelpunten op, waarvan de belangrijkste
zijn:
– De invoering van een fiscale eenheid in de ABB,
– De invoering van de bevoegdheid om motorrijtuigen stil te laten houden om een dwangschrift
ten uitvoer te leggen,
– De invoering van de bevoegdheid om dwangschriften per post te bezorgen,
– Het aanpassen van de boetebepaling rondom het indienen van een verzamelloonstaat,
– Het vervallen van de mogelijkheid om aftrekposten tussen echtgenoten ter zake van
de scheiding van goederen afwijkend te verdelen,
– De aanpassing van de gebruikelijkloonregeling, en
– Het invoeren van een eindheffing voor het loon ter zake van aan een of meer werknemers
ter beschikking gestelde auto’s.
De redenen voor het aanpassen van deze knelpunten zijn uitgebreid neergelegd in de
memorie van toelichting. Kort gezegd passen de oplossingen in het pakket maatregelen
waarmee het kabinet in 2023 is begonnen om tevens vele andere knelpunten in het belastingstelsel
van Caribisch Nederland op te lossen waarvoor sinds de staatskundige wijzigingen in
2010 nauwelijks aandacht is geweest.
Het kabinet meent dat het bundelen van uiteenlopende (vaak kleine) maatregelen in
één verzamelwet die specifiek op Caribisch Nederlands betrekking hebben de parlementaire
controle op onderdelen verbetert. Juist door inzichtelijk een aantal individuele maatregelen
te bundelen in één verzamelwet specifiek voor Caribisch Nederland geeft het de Tweede
Kamer veel meer tijd en ruimte om die maatregelen beter inhoudelijk te beoordelen
dan het verspreid opnemen van (een deel van) de maatregelen in een belastingplan en
overige wetgeving waarvoor vaak ook minder tijd beschikbaar is. Ook is het niet doelmatig
noch overzichtelijk om voor iedere individuele maatregel een apart wetsvoorstel in
te dienen.
De leden van de fractie van de VVD vragen waarom het kabinet ervoor kiest om geen
evaluatie van de voorgestelde maatregelen uit te voeren, terwijl cumulatief sprake
kan zijn van een substantiële impact. Deze leden vragen daarom ook of het kabinet
bereid is om een ex-post evaluatie te doen van de belangrijkste maatregelen.
Alle maatregelen die thans in het wetsvoorstel zijn opgenomen zijn beoordeeld op doenvermogen
en uitvoerbaarheid. Voor wat de uitvoerbaarheid betreft is hiervoor een uitvoeringstoets
opgemaakt die als bijlage bij de memorie van toelichting is opgenomen. Daaruit blijkt
dat alle voorgestelde maatregelen uitvoerbaar zijn. De voorgestelde wijzigingen hebben
slechts beperkte gevolgen voor de administratieve lasten voor inwoners en ondernemers.
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft de maatregelen uit het wetsvoorstel ook
niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke
gevolgen voor de regeldruk heeft. Uiteraard zal het kabinet, indien signalen vanuit
Caribisch Nederland daartoe aanleiding geven, maatregelen evalueren als blijkt dat
zij tot nieuwe of onverwachte knelpunten leiden.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
OVERIG
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het rapport van de Centraal
Dialoog Bonaire over de impact van belastingwijzigingen op kleine ondernemers op Bonaire
aanleiding is om reparatie toe te passen voor de groep kleine, meewerkende ondernemers
en dit nader te motiveren, mede in het licht van de gesignaleerde effecten onder het
sociaal minimum. Deze leden vragen ook op welke termijn de Tweede Kamer deze concrete
voorstellen tegemoet kan zien en of de aanbevelingen in het impactonderzoek van de
Centraal Dialoog Bonaire wordt gebruikt om tot gerichte reparatiemaatregelen te komen.
Tot slot vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of het kabinet per aanbeveling
uit het rapport kan aangeven hoe deze wordt beoordeeld en in hoeverre deze wordt overgenomen.
Het rapport van de Centraal Dialoog Bonaire, waar de leden van de fractie van de ChristenUnie
naar verwijst, volgt op een aantal wijzigingen in de belastingwetgeving van Caribisch
Nederland. Meer in het bijzonder betreft het:
– de aanpassingen ter zake van het gebruikelijk loon,
– het laten vervallen van de dividendvrijstelling en
– aanpassing van het tarief voor inkomsten uit aanmerkelijk belang alsmede de cijfermatige
gevolgen die dit met zich brengt voor ondernemers.
In het rapport wordt geconcludeerd dat voor een aantal kleine ondernemers de belastingdruk
op het inkomen door deze maatregelen is toegenomen.
Die conclusie is op zichzelf juist. Tot 2023 werden ondernemers namelijk nauwelijks
betrokken in de belastingheffing. Het zwaartepunt van de heffing lag, buiten de algemene
bestedingsbelasting, op de loon en inkomstenbelasting voor werknemers. Ondernemers
die een bedrijf uitoefenen betalen ook geen winst- of vennootschapsbelasting en de
hoogte van het gebruikelijk loon in de jaren tot 2023 lag dicht tegen de belastingvrije
som aan. Het toenmalige kabinet heeft het onwenselijk gevonden dat ondernemers significant
minder belasting betaalden dan werknemers. Daarom is per 2024 de dividendvrijstelling
buiten werking gesteld, is in twee fasen het gebruikelijk loon voor de directeur-grootaandeelhouder
verhoogd, en eenmalig het tarief voor inkomsten uit aanmerkelijk belang/opbrengstbelasting
aangepast.
De gevolgen van deze maatregelen hebben eveneens centraal gestaan tijdens het indienen
van de motie Ceder c.s. ten tijde van het Belastingplan BES-eilanden 2025.5 Het kabinet heeft indertijd toegezegd om in wezenlijke samenspraak met (vertegenwoordigers)
van Caribisch Nederland in kaart te brengen wat de precieze koopkrachteffecten zijn
van de voorgestelde lastenverzwaringen en eventuele voorstellen te doen hoe dit te
repareren. Het kabinet wil hier in de tweede helft van dit jaar uitvoering aan geven.
De daarvoor vereiste informatie (de belastingaangiften en de jaarrekeningen voor het
jaar 2025) komen namelijk op dit moment pas binnen bij de Belastingdienst Caribisch
Nederland. Tevens verzamelt het Centraal Bureau voor de Statistiek dit jaar pas de
informatie die voor de beoordeling van de impact van de maatregelen van belang zijn.
Uw Kamer zal na afronding van de beoordeling over de inhoud van het rapport worden
geïnformeerd waarbij de aanbevelingen per onderdeel op hun merites worden beoordeeld.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën