Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 966 Wijziging van de Wet milieubeheer ten behoeve van de implementatie van de Verordening (EU) 2024/3012 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor permanente koolstofverwijderingen, koolstoflandbeheer en koolstofopslag in producten (Uitvoeringswet verordening certificeringskader voor permanente koolstofverwijderingen, koolstoflandbeheer en koolstofopslag in producten)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel strekt tot invoering van een wettelijke grondslag in de Wet milieubeheer
die noodzakelijk is om volledig uitvoering te kunnen geven aan Verordening (EU) 2024/3012
van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot vaststelling van een
certificeringskader van de Unie voor permanente koolstofverwijderingen, koolstoflandbeheer
en koolstofopslag in producten. Het certificeringskader wordt in deze memorie van
toelichting verder aangeduid met «het CRCF»; de bijbehorende verordening wordt verder
aangeduid met «de CRCF-verordening». De CRCF-verordening creëert een geharmoniseerd
kader om permanente koolstofverwijdering, koolstoflandbeheer en opslag van koolstof
in producten te stimuleren. Dit is in aanvulling op voortdurende emissiereducties
en heeft tot doel: het vergroten van de milieu-integriteit en transparantie van koolstofverwijderingsactiviteiten
en het bevorderen van het vertrouwen in de certificering.
De CRCF-verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk
in elke lidstaat. De verordening is inwerking getreden op 26 december 2024. Enkel
de bepalingen die nodig zijn om de CRCF-verordening uit te kunnen voeren in de Nederlandse
rechtsorde zijn opgenomen in dit wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel wordt de grondslag
geschapen voor de aanwijzing van toezichthouders die zijn belast met het toezicht
op certificerende instanties die werkzaamheden in het kader van de CRCF-verordening
uitvoeren. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 10, vierde lid, van de CRCF-verordening,
dat regelt dat de lidstaten toezicht moeten houden op de werking van de certificerende
instanties. De daadwerkelijke aanwijzing van deze ambtenaren vindt plaats bij besluit
van de Minister van Klimaat en Groene Groei.
2. Achtergrond bij de verordening en het wetsvoorstel
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de achtergrond van de CRCF-verordening en dit wetsvoorstel
geschetst. Achtereenvolgens wordt hieronder ingegaan op de aanleiding (paragraaf 2.2),
de probleembeschrijving (paragraaf 2.3), de kern van het Nederlandse beleid (paragraaf
2.4) en de totstandkoming van de CRCF-verordening (paragraaf 2.5).
2.2 Aanleiding
De Europese Unie heeft ambitieuze klimaatdoelstellingen vastgesteld, met als doel
klimaatneutraliteit te bereiken in 2050 en de opwarming van de aarde te beperken.
Naast het verminderen van uitstoot van koolstofdioxide, is het om dat doel te bereiken
noodzakelijk om koolstofdioxide uit de atmosfeer te verwijderen en langdurig op te
slaan. Koolstofverwijdering speelt een cruciale rol in het behalen van deze doelen.
Het ontbreken van een eenduidig, betrouwbaar en uniform certificeringskader voor koolstofverwijdering
belemmert echter de ontwikkeling van een transparante en betrouwbare markt voor koolstofverwijderingseenheden.
Dit tekort aan regulering leidt tot onzekerheid bij aanbieders en afnemers van koolstofverwijderingseenheden,
wat investeringen en innovatie in koolstofverwijderingstechnologieën remt. Om deze
redenen is een certificeringskader van de Unie voor permanente koolstofverwijderingen,
koolstoflandbeheer en koolstofopslag in producten ontwikkeld. De CRCF-verordening
voorziet in dit Uniekader voor de certificering.
2.3 Probleembeschrijving
Hoewel koolstofverwijdering een belangrijk element is in de Europese klimaatstrategie,
verkeren veel koolstofverwijderingstechnieken nog in een vroeg ontwikkelingsstadium.
De vrijwillige koolstofmarkt, die momenteel de belangrijkste stimulans biedt voor
koolstofverwijdering, is vooralsnog grotendeels ongereguleerd. Deze markt stelt bedrijven
in staat om bijvoorbeeld een eigen klimaatdoelstelling te halen en duurzaamheidsdoelen
te ondersteunen. Ook zien partijen de vrijwillige koolstofmarkt bijvoorbeeld als plek
om bij te dragen aan de ontwikkeling van innovatieve technieken en wordt er door aanbieders
verdienvermogen gezien. Tegelijkertijd maakt het feit dat de vrijwillige koolstofmarkt
vooralsnog grotendeels ongereguleerd is, het voor marktpartijen lastig om de kwaliteit
en betrouwbaarheid van koolstofverwijderingseenheden te beoordelen. Daarnaast verschillen
koolstofverwijderingsmethoden sterk in effectiviteit en duurzaamheid, waarbij het
risico bestaat dat opgeslagen koolstofdioxide weer vrijkomt. Het ontbreken van een
uniforme certificering leidt tot een wildgroei aan standaarden, waardoor het vertrouwen
in de markt beperkt blijft. Adequaat overheidsoptreden, ook specifiek gericht op koolstofverwijdering,
is belangrijk om het klimaatdoel van netto nul uitstoot in 2050 te kunnen halen.
2.4 Kern van het Nederlandse beleid
De regering ondersteunt de ontwikkeling van een vrijwillig Europees certificeringskader
voor koolstofverwijdering, zoals geregeld in de CRCF-verordening, om de vrijwillige
koolstofmarkt te reguleren en te verduurzamen. Het beleid richt zich op het stimuleren
van betrouwbare koolstofverwijderingstechnieken en het bevorderen van markttransparantie.
De regering werkt bijvoorbeeld aan het integreren van koolstofverwijdering in bredere
klimaatbeleidstrajecten. De regering erkent dat een uniform en betrouwbaar certificeringskader
noodzakelijk is om innovatie en investeringen in koolstofverwijderingstechnieken te
vergroten en zo bij te dragen aan de nationale en Europese klimaatdoelstellingen.
De CRCF-verordening biedt een kader voor zowel private als publieke certificeringsregelingen.
Er is momenteel geen voornemen tot het opzetten van een publieke certificeringsregeling.
2.5 Kort overzicht van de totstandkoming van de verordening
De Europese Commissie heeft op 30 november 2022 het voorstel voor het vrijwillige
Europese certificeringskader voor koolstofverwijdering (de CRCF-verordening) gepresenteerd.
Dit initiatief maakt deel uit van de bredere EU-strategie voor duurzame koolstofcycli
en sluit aan bij de ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn, zoals vastgelegd in
de Europese Klimaatwet (Verordening (EU) 2021/1119) en de doelstellingen van de EU
Green Deal.
De totstandkoming van de CRCF-verordening volgt op eerdere beleidsinitiatieven, waaronder
de Commissiemededeling «Duurzame koolstofcycli» van december 20211. Het kader is ontwikkeld om een uniform, transparant en betrouwbaar certificeringssysteem
te bieden dat de kwaliteit en effectiviteit van koolstofverwijdering kan waarborgen.
Dit is essentieel voor het stimuleren van investeringen en technologische innovatie
in koolstofverwijdering binnen de EU.
Tijdens het ontwikkelproces is intensief overleg gevoerd met diverse belanghebbenden,
waaronder lidstaten, marktpartijen, certificeringsinstanties en wetenschappelijke
experts. Samen is gewerkt aan het adresseren van de technische en methodologische
uitdagingen die gepaard gaan met het meten, verifiëren en certificeren van koolstofverwijdering.
Daarnaast speelt het CRCF een belangrijke rol in het beschermen van de integriteit
van Europese klimaatmaatregelen. Het kader voorkomt dubbeltelling van gecertificeerde
koolstofverwijderingseenheden, wat onder andere inhoudt dat eenheden niet automatisch
mogen meetellen voor de nationale bijdragen van landen of voor internationale nalevingsregelingen.
Dit versterkt de geloofwaardigheid van koolstofverwijderingscertificaten en zorgt
voor vertrouwen bij zowel publieke als private partijen die betrokken zijn bij klimaatinitiatieven.
Op 17 november 2023 werd in de Raad een algemene oriëntatie bereikt, waarna het Europees
Parlement op 21 november 2023 zijn positie vaststelde. Over de voortgang van de onderhandelingen
is regelmatig verslag gedaan aan de Tweede Kamer. Op 19 februari 2024 werd tijdens
de derde triloog tussen de Europese Raad, het Europees Parlement en de Commissie een
voorlopig politiek akkoord bereikt. Hierna volgde de formele goedkeuring in zowel
het Europees Parlement als de Raad in november 2024. De CRCF-verordening werd vervolgens
gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU op 6 december 2024.2 De inwerkingtreding van de CRCF-verordening vond 20 dagen na publicatie plaats, op
26 december 2024.
Het CRCF wordt momenteel verder uitgewerkt in gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.
Deze nadere regelgeving regelt de technische details, zoals methoden voor meten en
verifiëren. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met lidstaten en belanghebbenden om
een betrouwbaar en werkbaar certificeringssysteem te waarborgen.
3. De CRCF-verordening op hoofdlijnen
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de CRCF-verordening op hoofdlijnen inhoudelijk behandeld. In
paragraaf 3.2 wordt het doel van de CRCF-verordening toegelicht. In paragraaf 3.3
wordt ingegaan op het certificeringsproces. In paragraaf 3.4 wordt de structuur achter
de certificering besproken, waarbij wordt ingegaan op de verschillende actoren en
de rolverdeling. In hoofdstuk 4 van deze memorie van toelichting wordt vervolgens
ingegaan op de wijze van uitvoering van de CRCF-verordening in Nederland, en de rol
van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) bij het toezicht op de naleving van de
verordening.
3.2 Doel van de CRCF-verordening
De CRCF-verordening voert een vrijwillig Europees certificeringskader in om zo op
betrouwbare wijze hoogwaardige koolstofverwijdering te kunnen certificeren. Het certificeringskader
richt zich op permanente koolstofverwijdering, koolstoflandbeheer en koolstofopslag
in producten en beoogt hoogwaardige koolstofverwijdering en bodememissiereducties
te versnellen en te stimuleren en zowel publieke als private investeringen te bevorderen.
Dit is als aanvulling op duurzame emissiereducties in alle sectoren en met volledige
inachtneming van de klimaatdoelstellingen van de Unie en de andere doelstellingen
in de EU Green Deal. Dit brede kader moet bijdragen aan de klimaatdoelstellingen van
de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs3, met name de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn, zoals vastgelegd
in de Europese Klimaatwet4.
De CRCF-verordening voert een vrijwillig Unie-certificeringskader in voor koolstofverwijdering.
Dit betekent dat bestaande en nieuwe, publieke en private certificeringsregelingen
om erkenning door de Commissie kunnen verzoeken, maar daartoe niet verplicht zijn.
Koolstofverwijdering is essentieel voor het behalen van onze klimaatdoelstellingen,
omdat het een noodzakelijke aanvulling vormt op voortdurende emissiereducties en het
komen tot negatieve emissies. Om effectieve koolstofverwijdering op te schalen, moeten
geschikte technieken worden ontwikkeld en vastgestelde methodologieën worden opgesteld
die de volledige keten van verwijdering betrouwbaar meten. Vervolgens is het belangrijk
dat aanbieders deze methoden toepassen en dat afnemers de kwaliteit kunnen herkennen
en waarderen. Certificering speelt hierbij een cruciale rol doordat daarmee een onafhankelijke
partij standaarden vaststelt en het proces transparant wordt gemaakt. Dit voorkomt
verwarring door een wildgroei aan certificeringsstandaarden en vergroot het vertrouwen
in de geleverde koolstofverwijdering. Met de uitrol van het CRCF krijgen certificeringsregelingen
een eenduidige standaard waaraan zij hun methodologieën kunnen toetsen en wordt de
vrijwillige koolstofmarkt gereguleerd. Hierdoor ontstaat meer duidelijkheid voor aanbieders
over de gestelde verwachtingen, terwijl afnemers eenvoudiger kunnen bepalen welke
koolstofcertificaten betrouwbaar zijn. Dit draagt tevens bij aan een hogere kwaliteit
en een langere opslagduur van de gecertificeerde koolstofverwijderingen. Als gevolg
hiervan wordt de zakelijke rechtvaardiging (businesscase) voor koolstofverwijdering versterkt, wat investeringen stimuleert, innovatie en
ontwikkeling van technologieën bevordert en de markt als geheel verder helpt groeien.
Uiteindelijk leidt dit tot een grotere en meer betrouwbare bijdrage van koolstofverwijdering
aan de klimaatdoelstellingen.
Het vrijwillige karakter schuilt in het feit dat zowel partijen die koolstofverwijderingseenheden
aanbieden, als partijen die koolstofverwijderingseenheden kopen, niet verplicht zijn
om gebruik te maken van dit specifieke certificeringskader dat de CRFC-verordening
invoert.
Het CRCF beoogt een bijdrage te leveren aan Brede Welvaartsthema’s Gezondheid (Tegengaan
milieuvervuiling, Sustainable Devolopment Goals (SDG) 3), Consumptie en inkomen en
Economisch Kapitaal (Duurzame inclusieve economische groei, SDG 8); Duurzame Infrastructuur,
kennis en innovatie, SDG 9; Circulaire productie en consumptie, SDG 12), Ruimtelijke
samenhang en -kwaliteit (Duurzame landbouw, SDG 2), en Natuurlijk kapitaal (Klimaatactie,
SDG 13; Biodiversiteit op land en in de zee, SDG’s 14 en 15).
3.3 Het certificeringsproces
Exploitanten die koolstofverwijderingsactiviteiten uitvoeren kunnen, als de activiteiten
voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals bepaald in hoofdstuk 2 van de CRCF-verordening,
een conformiteitscertificaat krijgen van certificerende instanties zoals geregeld
in hoofdstuk 3 van de CRCF-verordening.
De CRCF-verordening heeft betrekking op drie typen activiteiten:
– Permanente koolstofverwijdering. Dit betreffen menselijke activiteiten die koolstofdioxide uit de atmosfeer verwijderen
en het veilig en duurzaam opslaan voor meerdere eeuwen. Voorbeelden zijn Direct Air of bioenergy Carbon Capture and Storage (DACCS en BECCS) en andere technologische toepassingen die langdurige opslag garanderen.
Voor deze activiteiten kunnen «permanente koolstofverwijderingseenheden» worden uitgegeven.
– Koolstofopslag in producten. Dit betreffen activiteiten waarbij koolstof afgevangen en gedurende minstens 35 jaar
wordt opgeslagen in duurzame producten, waarbij de opgeslagen koolstof ter plaatse
gemonitord kan worden en gedurende de gehele monitoringperiode gecertificeerd is.
Voor deze activiteiten kunnen «eenheden koolstofopslag in producten» worden uitgegeven.
– Koolstoflandbeheer. Dit betreffen activiteiten gerelateerd aan het beheer van een land- of kustomgeving
die resulteren in het afvangen en tijdelijk opslaan van koolstof in biogene koolstofreservoirs
of in de reductie van bodememissies. Voor deze activiteiten kunnen «koolstoflandbeheervastleggingseenheden»
of «bodememissiereductie-eenheden» worden uitgegeven.
Het certificeringsproces van het CRCF omvat meerdere fasen, gericht op het waarborgen
van de transparantie, betrouwbaarheid en integriteit van koolstofverwijderingsactiviteiten.
De exploitant of groep exploitanten van een koolstofverwijderingsactiviteit dient
een aanvraag bij een door de Commissie erkende certificeringsregeling in. Indien de
aanvraag wordt geaccepteerd, dient de exploitant een gedetailleerd activiteiten- en
monitoringsplan in bij een door de certificeringsregeling aangewezen certificeringsinstantie.
Vervolgens dient deze certificeringsinstantie een onderzoek (audit) uit te voeren
om vast te stellen dat de koolstofverwijderingsactiviteit voldoet aan de gestelde
criteria op het gebied van kwantificatie, additionaliteit, langetermijnopslag (permanentie)
en duurzaamheid. Na een positief afgerond onderzoek, geeft de certificeringinstantie
een conformiteitscertificaat voor de activiteit af. Vanuit het register van de certificeringsregeling
of het EU-register kunnen, afhankelijk van het type activiteit, gecertificeerde eenheden
worden uitgegeven op basis van het conformiteitscertificaat van de desbetreffende
activiteit. De certificeringsinstantie voert periodiek een hercertificeringsaudit
uit om te bevestigen dat de activiteit blijvend voldoet aan de vereisten van het certificeringskader.
3.4 Rolverdeling binnen het kader
De CRCF-verordening biedt een vrijwillig kader voor het realiseren van koolstofverwijdering
en is bedoeld voor zowel aanbieders (exploitanten) als afnemers van gecertificeerde
eenheden. Omdat het verschillende verwijderingstechnieken omvat, is het aantal betrokken
aanbieders divers, van boeren en landbeheerders tot industriële partijen zoals technologieontwikkelaars
en biobrandstofproducenten. De afnemers zijn nog breder: iedereen, van burgers en
bedrijven tot overheden, heeft de mogelijkheid via het CRCF op een transparante manier
gecertificeerde eenheden te kopen. Ook bestaande certificeringsregelingen die actief
zijn op de vrijwillige koolstofmarkt kunnen gebruikmaken van het vrijwillige certificeringskader
van de CRCF-verordening (mits erkend door de Europese Commissie) en zijn daarom belangrijk.
Het CRCF kent de volgende actoren:
– Exploitanten of groepen exploitanten (operator of group of operators) zijn de partijen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van koolstofverwijderingsactiviteiten.
– Certificerende instanties (certification bodies) als bedoeld in artikel 10 van de CRCF-verordening zijn instanties die, op basis
van het certificeringsreglement van de certificeringsregeling, controles uitvoeren
om vast te stellen of de koolstofverwijderingsactiviteiten van exploitanten in overeenstemming
zijn met de door de Europese Commissie vastgestelde certificeringsmethoden. Bij een
positieve beoordeling verstrekken zij het certificaat aan de exploitant.
– Certificeringsregelingen (certification schemes) als bedoeld in artikel 11 van de CRCF-verordening zijn erkende schema’s die de normen
en procedures bevatten waarmee certificerende instanties de naleving van de door de
Europese Commissie uitgewerkte certificeringsmethoden kunnen beoordelen.
– De Europese Commissie is belast met het uitwerken en vaststellen van nadere regels
met gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, onder andere voor certificeringsmethoden
en eisen voor de betrokken partijen. Ook bewaakt de Commissie de goede toepassing
van de verordening. Indien bezorgdheden bestaan omtrent een certificeringsregeling,
kunnen toezichthouders zich tot de Commissie wenden. Daarnaast mag een certificeringsregeling
pas opereren na op grond van artikel 13 van de CRCF-verordening door de Commissie
erkend te zijn. Tevens zal de Commissie in 2028 een register opzetten voor alle conformiteitscertificaten.
– De Raad voor Accreditatie (accreditation body) is verantwoordelijk voor de accreditatie van de certificerende instanties die in
Nederland gevestigd zijn. In Nederland wordt deze taak uitgevoerd door de private
stichting de Raad voor Accreditatie. De wettelijke basis hiervoor is artikel 2, eerste
lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, waarin de Raad is aangewezen
als nationale accreditatie-instantie in de zin van artikel 4 van verordening (EG)
nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli
2008.
– De bevoegde instantie van de lidstaat belast met toezicht (supervisor) is de publieke toezichthouder die toeziet op de certificerende instanties en eventuele
tekortkomingen rapporteert aan zowel de certificerende instanties als de certificeringsregeling.
Voor Nederland wordt beoogd deze rol te laten vervullen door de Nederlandse Emissieautoriteit
(NEa). Indien een certificeringsregeling niet voldoet aan de gedelegeerde handelingen
of uitvoeringshandelingen, kan de toezichthouder tevens contact opnemen met de Europese
Commissie.
4. Inhoud wetsvoorstel
4.1 Inleiding
Een EU-verordening heeft rechtstreekse werking. Dit betekent dat zij automatisch deel
uitmaakt van de nationale rechtsorde en dat nationale wetgeving niet is vereist om
de verordening van toepassing te laten zijn. Het is daarom niet nodig de bepalingen
ervan over te nemen in nationaal recht. Wel verplichten verordeningen de lidstaten
om alle noodzakelijke maatregelen te nemen voor een volledige uitvoering. Zo vereist
een goede werking vaak aanvullende nationale regels voor bijvoorbeeld toezicht, handhaving,
rechtsbescherming en de aanwijzing van uitvoeringsinstanties.
4.2 Toezicht door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
Artikel 10, vierde lid, van de CRCF-verordening verplicht lidstaten om toezicht te
houden op certificerende instanties. Het wetsvoorstel strekt ertoe de Minister van
Klimaat en Groene Groei de bevoegdheid te geven tot aanwijzing van ambtenaren voor
het toezicht op de naleving van de CRCF-verordening. Beoogd wordt vervolgens ambtenaren
van de NEa aan te wijzen voor dit toezicht op in Nederland geaccrediteerde certificerende
instanties. Met haar expertise op het gebied van klimaatbeleid, de monitoring en verificatie
van emissies, en de werking van certificeringsprocessen, is de NEa hiervoor de meest
geschikte toezichthouder.
4.3 Onderzoeksbevoegdheden
De CRCF-verordening specificeert niet welke concrete onderzoeksbevoegdheden de nationale
toezichthouder heeft; dit laat de verordening over aan de nationale wetgever. Daarom
zal de NEa voor haar toezicht gebruikmaken van de bestaande bevoegdheden uit titel
5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De belangrijkste hiervan zijn:
– het betreden van plaatsen anders dan woningen (artikel 5:15 van de Awb);
– het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16 van de Awb);
– het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17 van de Awb);
– het onderzoeken van zaken (artikel 5:18 van de Awb).
4.4 Procedure bij non-conformiteit
Constateert de NEa tijdens haar toezicht non-conformiteit met de CRCF-verordening,
dan informeert zij, zoals beschreven in artikel 10 van de CRCF-verordening, hierover
onverwijld de betreffende certificerende instantie en de certificeringsregeling. Deze
informatie wordt vervolgens openbaar gemaakt in het certificeringsregister of, na
de oprichting daarvan, in het Unieregister.
5. Gevolgen
Naar verwachting heeft het wetsvoorstel zeer beperkte regeldrukeffecten, aangezien
de CRCF-verordening rechtstreeks werkt. Wel zijn er als gevolg van dit wetsvoorstel
beperkte gevolgen voor de certificerende instanties in verband met het toezicht dat
de NEa uitoefent. Zij zullen namelijk moeten voldoen aan de informatieverzoeken van
de NEa.
Op basis van artikel 10, vierde lid, moeten certificerende instanties op verzoek van
de nationale bevoegde autoriteiten alle relevante informatie tijdig verstrekken die
nodig is voor toezicht, inclusief de datum, tijd en locatie van geplande certificerings-
en hercertificeringsaudits. Als non-conformiteit wordt geconstateerd, moeten lidstaten
de certificerende instantie en het betreffende certificeringssysteem direct informeren.
Informatie over non-conformiteit wordt vervolgens gepubliceerd in het certificeringsregister
of, zodra beschikbaar, in het Unieregister.
Het is lastig om een exacte inschatting te maken van het aantal certificerende instanties
voor het CRCF. Een mogelijke benadering is om het aantal certificerende instanties
voor biomassa als uitgangspunt te nemen, ervan uitgaande dat een deel van deze instanties
ook betrokken zal zijn bij het CRCF. In dit geval zou men een marge van circa 20%
bovenop het aantal biomassa-certificerende instanties kunnen toevoegen, wat resulteert
in ongeveer 33 certificerende instanties voor het CRCF. Dit aantal zal grotendeels
overlappen met de bestaande biomassa-certificerende instanties, maar blijft een voorlopige
schatting die afhankelijk is van verdere ontwikkelingen.
Het toezicht door de NEa op certificerende instanties wordt steekproefsgewijs uitgevoerd,
doorgaans op basis van signalen en risico-inschattingen. Voor de taak met betrekking
tot het CRCF wordt het jaarlijkse totale aantal toezichtbezoeken door de NEa bij certificerende
instanties geschat op ongeveer tien, met een gemiddelde werklast van zestien uren
per bezoek. Deze schatting is in overleg met de NEa tot stand gekomen. Volgens het
«Handboek meting regeldrukkosten» wordt voor het berekenen van regeldrukkosten een
fictief uurtarief van € 54 gehanteerd. Op basis van dit tarief resulteert de jaarlijkse
kosteninschatting in: 10 toezichtbezoeken x 16 uur x € 54 = € 8.640 per jaar.
Deze kosten vormen een indicatie van de administratieve lasten die voor de certificerende
instanties in totaal ontstaan door het toezicht van de NEa. Gezien het vrijwillige
karakter van het CRCF kunnen deze lasten op termijn toenemen, afhankelijk van de ontwikkelingen
in het aantal certificerende instanties voor het CRCF en de uitvoering van het toezicht.
6. Uitvoering
Het wetsvoorstel is op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid getoetst door de NEa, die
ingevolge dit wetsvoorstel kan worden belast met het toezicht op de werking van certificerende
instanties op grond van de CRCF-verordening. De NEa concludeert dat de CRCF-verordening
voldoende geoperationaliseerd is en met de wijziging van de Wet milieubeheer correct
wordt geïmplementeerd. Ook concludeert de NEa dat de NEa op een juiste manier wordt
aangewezen als de toezichthouder in Nederland. De NEa constateert een aantal onduidelijkheden
in de verordening zelf, zoals duidelijke inkadering van periodiciteit en reikwijdte
van het toezicht op certificerende instanties en ziet zij beperkingen bij tweedelijns
toezicht. De NEa verzoekt de Minister van Klimaat en Groene Groei onder andere om
zich in Europa in te zetten op verbetering van de door hun gemaakte punten. Opmerkingen
en bevindingen van de NEa zijn verwerkt in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.
7. Advies en consultatie
Van internetconsultatie is afgezien. Dit wetsvoorstel beperkt zich tot de noodzakelijke
implementatie van de CRCF-verordening, met name de aanwijzing van een nationale toezichthouder.
Gelet op dit technische karakter en de beperkte beleidsmatige keuzes is internetconsultatie
niet noodzakelijk geacht.
Het wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR).
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke
gevolgen voor de regeldruk heeft.
II ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I, onderdeel A
Dit onderdeel voegt een begripsomschrijving van de CRCF-verordening toe aan de Wet
milieubeheer. Hiermee wordt een verkorte, eenduidige aanduiding ingevoerd om herhaling
van gehele opschrift van de verordening in de wet te vermijden. Dit bevordert de leesbaarheid
en beknoptheid van de wetstekst.
Artikel I, onderdeel B
De CRCF-verordening wordt toegevoegd aan de opsomming van Europese verordeningen waarop
het handhavingsregime van de Omgevingswet van toepassing wordt verklaard. Dit is noodzakelijk
om een wettelijke basis te scheppen voor het aanwijzen van toezichthouders die toezien
op de naleving van de verordening.
Verder regelt dit onderdeel dat enkel artikel 18.6 van de Omgevingswet van toepassing
is, waarmee uitsluitend de bevoegdheid ontstaat voor het aanwijzen van toezichthouders.
Het toezicht op de naleving van de CRCF-verordening bestaat primair uit het controleren
of certificerende instanties correct functioneren en het opvragen van informatie.
De toezichthoudende bevoegdheden uit titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht,
die van toepassing zijn zodra een toezichthouder is aangewezen, volstaan hiervoor.
Bij besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei zullen ambtenaren van de NEa
worden aangewezen als toezichthouders op artikel 10, vierde lid, van de CRCF-verordening.
De handhaving van de CRCF-verordening is reeds in die verordening geregeld, waardoor
het niet wenselijk is om Omgevingswet-bepalingen over handhavingsinstrumenten, zoals
bestuursdwang of intrekking van begunstigende beschikkingen, van toepassing te verklaren.
Artikel III
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de wet. Gekozen is voor inwerkingtreding
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt
geplaatst. Deze spoedige inwerkingtreding is, in afwijking van de vaste verandermomenten
en de minimuminvoeringstermijn, noodzakelijk omdat de CRCF-verordening reeds op 26 december
2024 in werking is getreden en het wetsvoorstel de noodzakelijke regelgeving betreft
om uitvoering te kunnen geven aan de CRCF-verordening.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
III TRANSPONERINGSTABEL
Verordening (EU) 2024/3012 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024
tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor permanente koolstofverwijderingen,
koolstoflandbeheer en koolstofopslag in producten
Bepaling verordening
Bepaling in wetsvoorstel of bestaande regeling. Toelichting indien niet geïmplementeerd
of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 (Onderwerp en toepassingsgebied)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 2 (Definities)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 3 (In aanmerking komen voor certificering)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
HOOFDSTUK 2 KWALITEITSCRITERIA
Artikel 4 (Kwantificering)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 5 (Additionaliteit)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 6 (Opslag, monitoring en aansprakelijkheid)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 7 (Duurzaamheid)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 8 (Certificeringsmethoden)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
HOOFDSTUK 3 CERTIFICERING
Artikel 9 (Certificering van de naleving)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 10 (Certificerende instanties)
Eerste lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Tweede lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Derde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Vierde lid
Artikel 18.1a van de Wet Milieubeheer
Geen
HOOFDSTUK 4 CERTIFICERINGSREGELINGEN
Artikel 11 (Werking van certificeringsregelingen)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 12 (Unieregister voor permanente koolstofverwijderingen, koolstoflandbeheer
en koolstofopslag in producten, en certificeringsregisters)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 13 (Erkenning van certificeringsregelingen)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 14 (Rapportagevereisten)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN
Artikel 15 (Wijzigingen van de bijlagen)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 16 (Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 17 (Comitéprocedure)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 18 (Evaluatie)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Artikel 19 (Inwerkingtreding)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.