Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Inge van Dijk over de publicatie 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens' van het CPB
Vragen van het lid Inge van Dijk (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën over de publicatie «De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens» van het CPB van 6 mei 2026 (ingezonden 13 mei 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 9 juni 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het CPB en hoe beoordeelt u in grote lijnen
de conclusies van het CPB?1
Antwoord 1
Ik heb met interesse kennisgenomen van het CPB-rapport «De hoogste bomen vangen minder
wind: belastingdruk op inkomens en vermogens». Dit rapport geeft aan dat economische
verschillen tussen huishoudens kunnen toenemen als inkomen uit vermogen verschillend
wordt belast. Wanneer deze verschillen blijven toenemen, dan kan dat leiden tot minder
kansengelijkheid en een afname van de toekomstige welvaart. Het CPB geeft daarbij
aan dat het in die zin een aanknopingspunt kan zijn voor beleid en bijvoorbeeld mee
worden gewogen bij keuzes voor het belastingstelsel. Deze boodschap van CPB zijn helder
en relevant om ter harte te nemen. Tegelijkertijd is deze boodschap niet nieuw. In
2022 is het IBO Vermogensverdeling verschenen met dezelfde boodschap. De analyse van
het CPB over de belastingdruk op het inkomen betreft de jaren 2011–2019. In de afgelopen
jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht
in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zo is per 2023 het lage Vpb-tarief
verhoogd van 15% naar 19% en de bijbehorende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar
€ 200.000, is in 2023 de Wet excessief lenen ingevoerd en is in 2024 een tweede schijfgrens
in box 2 ingevoerd. Deze maatregelen zien met name op het tegengaan van belastinguitstel
in box 2. Verwacht mag worden dat deze maatregel de effectieve belastingdruk van de
top 1% hebben verhoogd. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie
van de tweede schijf in box 2 volgend jaar. Op basis van deze evaluaties verwacht
ik een goed beeld te kunnen schetsen van de effecten van de maatregelen. Verder is
het maximum pensioengevend loon in 2025 en 2026 niet geïndexeerd en gelijk aan het
in 2024 geldende maximum van € 137.800 euro. In het coalitieakkoord is afgesproken
dit maximum ook voor de komende 6 jaren geldt. Daardoor wordt de fiscale ondersteuning
voor pensioenopbouw bij hogere inkomens beperkt. Ook werkt dit kabinet aan het invoeren
van een stelsel dat werkelijk rendement belast in box 3, wat ook voor meer evenwicht
gaat zorgen. Het wetsvoorstel daartoe ligt in de Eerste Kamer. Tot slot zet het kabinet
stappen op andere aanbevelingen van het CPB, onder andere in de herziening van het
belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet
komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het
kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis
op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe
te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten
met deze hervormingsagenda.
Vraag 2
Is het volgens u terecht dat vermogen in box 2 volledig in de inkomens- en vermogenspositie
van DGA’s wordt meegenomen, terwijl hier uiteindelijk bij uitkering toch een keer
belasting over betaald zal moeten worden?
Antwoord 2
Het kabinet volgt de inkomens- en vermogensstatistieken van het CBS die ook internationaal
gangbaar zijn. De statistische definitie van vermogen van huishoudens luidt als volgt:
Alle financiële en niet-financiële bezittingen van huishoudens (spaargelden, aandelen,
deelnemingen in bedrijven, ondernemingsvermogen, de eigen woning, overig onroerend
goed en overige bezittingen) minus de schulden en leningen. Het aanmerkelijk belang
(deelneming in bedrijven) behoort dus tot het vermogen van huishoudens.
Het Nederlandse belastingstelsel belast inkomen uit vermogen in de inkomstenbelasting.
Volgens de inkomensstatistieken van het CBS maken winsten van ondernemingen deel uit
van het inkomen van aanmerkelijkbelanghouders op het moment dat ze uitgekeerd worden.
Dat is tevens het moment dat ze worden belast in box 2.
Vraag 3
Bent u van mening dat de vermogenspositie van DGA’s verder genuanceerd zou moeten
worden omdat in het box 2 vermogen ook de oudedagsvoorziening is opgebouwd, terwijl
pensioenvermogen van werknemers (opgeteld zo’n € 1.800 miljard) opgebouwd in de tweede
pijler niet wordt meegenomen in de vergelijking?
Antwoord 3
Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen telt niet mee in reguliere statistieken
over het vermogen van huishoudens. De reden daarvan is dat mensen hun collectief opgebouwde
pensioenvermogen niet direct in handen hebben en het ook niet aan iemand anders kunnen
geven. Wordt het pensioenvermogen wel bij het vermogen van huishoudens meegeteld,
dan maakt het 35% uit van het totale vermogen van huishoudens begin 2024. Het meetellen
van collectief opgebouwde pensioenvermogens vermindert de vermogensongelijkheid. Verder
geldt dat – net als het collectief opgebouwde pensioenvermogen – het pensioen eigen
beheer (PEB) respectievelijk de oudedagsvoorziening (ODV) die in de bv zijn opgebouwd,
ook niet zijn meegenomen in de vermogensstatistiek. Het PEB en ODV behoren niet tot
het eigen vermogen van een bv (het betreft immers een pensioentoezegging) en daarmee
niet tot het aanmerkelijk belang. Ten slotte zij voor de volledigheid vermeld dat
ook individuele oudedagsvoorzieningen bij een bank, verzekeraar of beleggingsinstelling
(het zogeheten derde pijler oudedagsvoorzieningen) niet worden meegenomen in de vermogensstatistiek.2
Vraag 4
Klopt het dat het wel meenemen van pensioenvermogen in de vermogensvergelijking in
een eerdere analyse van het CPB de verschillen met ca. 10% verkleinde?
Antwoord 4
Het CBS heeft voor de jaren 2006 tot en met 2021 ook de vermogensverschillen tussen
huishoudens berekend waarbij het collectief opgebouwde pensioenvermogen is meegenomen.3 Het meenemen van het collectief opgebouwde pensioenvermogen verkleint de vermogensongelijkheid
in termen van de Gini-coëfficiënt4 en het aandeel van de top 1% in de vermogensverdeling van huishoudens. Dit komt doordat
huishoudens met weinig of geen vermogen vaak wel pensioenvermogen in de tweede pijler
hebben. De meer vermogende huishoudens hebben uiteraard ook vaak pensioenvermogen
in de tweede pijler, maar voor hen is het aandeel van pensioenvermogen in hun totale
vermogen relatief kleiner. Daarom wordt het verschil tussen huishoudens aan de onderkant
en de bovenkant in verhouding kleiner als het pensioenvermogen wordt meegenomen in
de verdeling. Het CBS heeft voor het jaar 2021 berekend dat de 10 procent meest vermogende
huishoudens zonder het collectief opgebouwd pensioenvermogende 59% van het totale
vermogen van huishoudens bezit. Mét pensioenvermogens was dat 48%. In 2021 was de
Gini-coëfficiënt van het vermogen exclusief pensioen 0,74. Inclusief pensioenvermogen
is dat bijna 0,10 lager.
Vraag 5
Wat is volgens u de verwachte invloed op aanmerkelijk belangvermogen als gevolg van
maatregelen die na 2019 zijn genomen, zoals een hoger en beperkter opstaptarief in
de Vpb, twee tarieven in box 2 en inperking van lenen bij de eigen vennootschap, aangezien
het CPB zich baseert op de geobserveerde groei tussen 2011 en 2019?
Antwoord 5
Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk
belang van huishoudens in Nederland volgens de vermogensstatistiek van het CBS.5 De toename van de waarde van het aanmerkelijk belang bedroeg daarmee 44% in de periode
2019 -2024. Hierbij betreft 2024 nog een voorlopig cijfer. In de periode 2011–2019
steeg de totale waarde van het aanmerkelijk belang met 80%. In beide perioden was
de gemiddelde groei per jaar vrijwel gelijk: 7,6% per jaar.
Ontwikkeling aanmerkelijk belang (in miljard euro)
2019
2020
2021
2022
2023
2024
390
431
400
492
580
563
Wat het effect van de genoemde maatregelen op de ontwikkeling van de totale waarde
van het aanmerkelijk belang is geweest in de periode na 2019 is niet bekend. Hiervoor
moet het effect van de maatregelen worden gescheiden van effecten als gevolg van economische
ontwikkelingen. De Wet excessief lenen die in 2023 van kracht is geworden wordt dit
jaar geëvalueerd en de invoering van een tweede schijf in box 2 van de inkomstenbelasting
per 2024 volgend jaar. Pas na verloop van tijd kunnen uitspraken worden gedaan over
de structurele effecten van de opeenvolgende beleidsmaatregelen sinds 2019.
Vraag 6
Klopt het dat het rapport niet alleen laat zien dat de hoogste inkomens en vermogens
het sterkst zijn gegroeid en relatief minder belastingdruk ervaren, maar ook dat de
welvaart in bredere zin in vrijwel alle inkomens- en vermogensgroepen is toegenomen?
Antwoord 6
Het doorsnee vermogen van huishoudens in de afgelopen decennia sterk is gestegen. Deze toename
hangt samen met de stijging van de materiële welvaart in Nederland in het algemeen
en met de stijgende huizenprijzen in het bijzonder. De vermogensontwikkeling wordt
door twee trends gedreven. Deze trends zijn de sterk stijgende huizenprijzen die woningeigenaren
ten goede zijn gekomen en die vooral in het midden en de top van de verdeling zitten,
en daarnaast de toename van de aanmerkelijk-belangvermogens van de dga’s onder de
meest vermogenden. De vermogensverschillen tussen eigenwoningbezitters en huurders
en tussen dga’s en andere type werkenden zijn door deze twee trends groter geworden.
Hierdoor zijn in absolute zin de vermogens van de meest vermogenden het sterkst gestegen
en zijn de vermogens van de middengroepen in relatieve zin sterker gestegen.
Vraag 7
Klopt het dat de groeiende vermogens bij doorsnee huishoudens vooral het gevolg zijn
van eigenwoningbezit en klopt het dat de verschillen tussen kopers en huurders door
de stijgende woningprijzen steeds groter worden?
Antwoord 7
Ja.
Vraag 8
Klopt het dat aan de onderkant van de inkomensverdeling een grote herverdeling plaatsvindt
met toeslagen en belastingkortingen, die in het rapport niet in de vergelijking wordt
meegenomen?
Antwoord 8
Er vindt via de collectieve uitgaven (waaronder toeslagen) en overdrachten in geld
en natura een grote herverdeling plaats van hogere inkomens naar lagere inkomens.
Het CPB heeft in zijn rapport gekeken naar de rol van het belastingstelsel in de verdeling
van vermogen van huishoudens en stelt dat het belastingstelsel bestaande inkomens-
en vermogensverschillen tussen huishoudens eerder vergroot dan verkleind. Belastingkortingen
maken deel uit van het belastingstelsel. Toeslagen betreffen uitgavensubsidies en
verhogen inkomens van huishoudens. Het betoog van het CPB is dat de overheid nauwelijks
herverdeelt via belastingen maar vooral door middel van collectieve uitgaven en overdrachten
in geld (waaronder toeslagen) en in natura. Het CPB heeft dit geanalyseerd voor het
jaar 2016 en hierover in de CPB Policy Brief «Inkomens en herverdeling» uit 2022 gepubliceerd.6 Onderstaande figuren uit het CPB rapport uit 2022 tonen respectievelijk de betaalde
belastingen en sociale premies als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep
respectievelijk de overheidsuitgaven als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep
in 2016.
Overheidsuitgaven per type (als% inkomen), 2016 aandeel%
Onderstaande infographic uit het CPB-rapport uit 2022 illustreert de herverdeling
via belastingen versus overheidsuitgaven per inkomensgroep op een wat andere manier.
Deze infographic laat zien dat in 2016 50% van de mensen een aandeel had van 19% van
het totale inkomen in Nederland en daarmee een gemiddeld bruto jaarinkomen had van
€ 17.524 en daarover 55% aan belastingen betaalde en een bedrag aan overheidsuitgaven
kreeg toebedeeld gelijk aan 129% van hun inkomen. Verder had 40% van de mensen in
2016 een aandeel 49% van het totale inkomen in Nederland, had daarmee gemiddeld een
bruto jaarinkomen van € 54.865 en betaalde daarover 40% aan belastingen en kreeg een
bedrag aan overheidsuitgaven toebedeeld van omgerekend gemiddeld 24% van hun bruto
inkomen. En ten slotte ontving 10% van de mensen in 2016 32% van het totale inkomen
in Nederland, en had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 142.584, betaalde
daarover 36% aan belastingen en kreeg omgerekend 8% van hun gemiddeld inkomen aan
overheidsuitgaven toebedeeld.
Verdeling: wie verdient welk deel van de taart
Vraag 9
Klopt het dat vooral de belastingdruk (na herverdeling) op de middenklasse, ten opzichte
van de laagste en hoogste inkomens, relatief hoger is?
Antwoord 9
Nederland heeft een progressieve inkomstenbelasting. Dat betekent dat huishoudens
met de hoogste inkomens gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan huishoudens
in de middenklasse. En dat huishoudens in de middenklasse gemiddeld genomen een hogere
belastingdruk hebben dan inkomens in de lagere klassen van het inkomensgebouw. Het
CPB laat dat ook zien, zie onderstaande figuur uit het CPB-rapport. Het CPB neemt
daarbij de stelling in dat de inkomstenbelasting alleen in theorie progressief is,
doordat de top 1% inkomens weliswaar met de hoogste belastingtarieven te maken hebben,
maar in de praktijk de top 1% een lagere belastingdruk kennen doordat zij een groot
deel van hun vermogen in een bv aanhouden en box 2-belasting langdurig kan worden
uitgesteld. Anders dan in de fiscaliteit telt het CPB ingehouden winsten van een bv
wel mee als inkomen van huishoudens waardoor de belastingdruk bij de top 1% bij CPB
lager uitvalt dan op basis van de fiscale inkomensgrondslag het geval zou zijn geweest.
Er kunnen ook goede bedrijfseconomische redenen zijn om winst van een bv niet uit
te keren vanwege toekomstige investeringen of vanwege een noodzakelijke liquiditeitsreserve
en daarmee zal een deel van de winst nooit tot uitkering komen aan aandeelhouders.
Het CPB geeft verder aan dat als alle winsten van een bv zouden worden uitgekeerd
aan huishoudens het belastingstelsel gemiddeld genomen ook progressief uitpakt voor
de top 1%.
Gemiddeld genomen hebben huishoudens uit de middenklasse een hogere belastingdruk
dan huishoudens uit de lagere inkomensklassen. Als gevolg van de gunstige fiscale
behandeling van de eigenwoning en collectieve pensioenopbouw kunnen echter grote verschillen
in belastingdruk ontstaan bij huishoudens met een gelijk bruto-inkomen. Met andere
woorden, een deel van de huishoudens in de middenklasse (die met een eigen woning
vaak gepaard met een relatief groot collectief pensioenvermogen) kent een lagere belastingdruk
dan een ander deel van de huishoudens in die klasse (die met een huurwoning gepaard
met een laag tot geen pensioenvermogen).
Vraag 10
Deelt u de mening dat, hoewel er iets af te dingen is op de mate van ongelijkheid
die het CPB constateert, de boodschap van het rapport vooral is dat we moeten opletten
dat welvaartsgroei zich niet te veel bij een of enkele groepen concentreert omdat
dit negatieve effecten kan hebben voor de samenleving?
Antwoord 10
Het kabinet deelt de constatering van het CPB dat als economische welvaartsgroei zich
sterk concentreert bij een beperkt aantal huishoudens, dit op termijn kan leiden tot
een afname van de toekomstige welvaart en daarmee tot negatieve effecten voor de samenleving
als geheel.
Vraag 11
Hoewel het CPB ook constateert dat niet te zeggen is wat een optimale mate van ongelijkheid
in een samenleving is, bent u van mening dat de inkomens- en vermogensverdeling op
dit moment te scheef aan het verdelen is en dat maatregelen nodig zijn om meer balans
te brengen?
Antwoord 11
Wat als een redelijke verdeling van inkomen en vermogen kan worden gezien, is deels
een kwestie van voorkeuren. Een relatief lage inkomensongelijkheid en een goed functionerend
vangnet en een toegankelijk zorgstelsel zijn belangrijk voor het welbevinden van mensen.
Mede door directe inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen en uitkeringen voor
werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en de AOW behoort Nederland al decennia samen
met Zweden, Denemarken en België tot de landen met de meest gelijk verdeelde inkomens
binnen de EU. Nederland kent met de AOW en de mogelijkheid om via de werkgever dan
wel via een bank- of verzekeraar fiscaal gefaciliteerd pensioen op te bouwen een van
de beste pensioenstelsels ter wereld. Ook dat is cruciaal voor het welbevinden van
mensen. Qua vermogensverdeling scoort Nederland volgens de World Inequality Database
van Thomas Piketty beter dan landen als Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Zweden en
Finland. Het kabinet heeft daarmee geen reden aan te nemen dat de inkomens- en vermogensverdeling
in Nederland op dit moment te scheef is. De inkomens- en vermogensverdeling blijken
ook vrij constant over de jaren heen. Door voortdurend alert te zijn op een evenwichtige
jaarlijkse koopkrachtontwikkeling tracht het kabinet dat zo te houden.
Vraag 12
Bent u het met ons eens dat fiscaliteit voor ondernemers vooral gericht moet zijn
op het stimuleren van investeren, innoveren en werkgeverschap, en niet enkel op het
«zijn» van ondernemer?
Antwoord 12
Het kabinet is van mening dat het verstandig is om activiteiten met positieve externe
effecten te stimuleren. Denk daarbij aan innovaties, investeringen en werkgelegenheid.
Dit kabinet zet met het Coalitieakkoord stevig in om investeringen te stimuleren en
het vestigingsklimaat en de financieringsketen te versterken. Dit wil het kabinet
onder andere doen door bedrijven te ondersteunen in investeringen die passen bij onze
economie van de toekomst, door uitbreiding van de WBSO voor ontwikkeling van AI en
technologie en behoud van de Innovatiebox. Daarbij wil het kabinet de fiscale energie-aftrek
(EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de regeling die het mogelijk maakt milieu-investeringen
willekeurig af te schrijven (VAMIL) waar mogelijk samenvoegen tot één robuuste investeringsregeling.
Het kabinet is hier hard mee bezig.
Vraag 13
Bent u bereid, naar het voorstel van het CPB, in kaart te brengen of en hoe actief
ondernemingsvermogen en passief beleggingsvermogen in BV’s gescheiden kan worden,
zodat vermogen op de juiste plaats belast kan worden?
Antwoord 13
Het CPB geeft onder andere een beleidsrichting aan die zorgt voor minder economische
verstoringen en verschillen in belastingdruk bij een gelijk inkomen kleiner maakt.
Het CPB geeft hierbij als beleidsoptie dat fiscale regelingen die niet doelmatig of
doeltreffend zijn, worden afgeschaft of vervangen door regelingen die beter bijdragen
aan het nagestreefde beleidsdoel. Dit sluit ook aan bij de ambitie van het kabinet
om fiscale regelingen die ingewikkeld zijn en hun doel niet of nauwelijks bereiken
en het stelsel nodeloos complex maken, te schrappen en op die manier het stelsel eenvoudiger
en voorspelbaarder maken. Daarnaast geeft het CPB aan dat fiscale prikkels beter gericht
worden op ondernemerschap, risicobereidheid en innovatie. Het CPB benoemt hier het
scheiden van ondernemings- en beleggingsvermogen in bv’s als beleidsoptie.
Tegelijkertijd geeft het CPB daarbij aan dat in de praktijk deze vermogens lastig
te scheiden zijn, en dat het daarom kansrijker is om in te zetten op het tegengaan
van fiscaal gedreven gedrag door ondoelmatige of ondoeltreffend fiscale regelingen
te versoberen, af te schaffen en de opbrengsten daarvan gericht te gebruiken voor
het stimuleren van innovaties. Dit strookt met de ambities van het kabinet. Het kabinet
deelt de opvatting van het CPB dat het in praktijk lastig zal zijn om ondernemingsvermogen
en beleggingsvermogen in een bv te scheiden en is met CPB van mening dat het dan kansrijker
is om in te zetten op versoberen en afschaffen van fiscale regelingen en de opbrengst
gerichter in te zetten op het stimuleren van innovaties. Dit beschouw als aan van
mijn belangrijkste taken deze kabinetsperiode.
Een tweede beleidsrichting van het CPB is om belastingen meer naar draagkracht te
heffen, door het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomen en vermogen.
Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In
de afgelopen jaren zijn er diverse maatregelen genomen om daarin meer evenwicht aan
te brengen. Denk aan het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% in 2023,
de invoering van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in 2023 en het invoeren
van een tweede schijf in box 2 in 2024. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke
rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement
in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen.
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling
in de Eerste Kamer. Het nieuwe box 3 stelsel op werkelijk rendement wordt daarna doorontwikkeld
naar een vermogenswinstsystematiek.
Vraag 14
Ten aanzien van de mogelijkheid tot arbitrage tussen box 2 en box 3, welke effecten
verwacht u van het voorgenomen nieuwe box 3-stelsel en vervolgens van de verdere doorontwikkeling
tot een volledige vermogenswinstbelasting?
Antwoord 14
Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende
stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. De prikkel voor box-arbitrage
neemt hierdoor in algemene zin af omdat hierdoor – net als in box 2 – belasting wordt
geheven over het werkelijke rendement in plaats van over een forfaitair rendement.
Als box 3 wordt doorontwikkeld tot een volledige vermogenswinstbelasting, dan nemen
de verschillen met box 2 verder af.
Vraag 15
Wat zijn volgens u de oorzaken van de door het CPB geconstateerde (relatief) lage
effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%? Hoe zou dit,
met het oog op de verwachte omvangrijke vermogensoverdrachten van ouders aan kinderen,
meer in de buurt kunnen worden gebracht van de beoogde progressieve tarieven in de
erf- en schenkbelasting?
Antwoord 15
De betreffende percentages die in het onderhavige CPB-rapport worden vermeld zijn
door CPB berekend over het jaar 2015. Het CPB heeft daarover in 2019 gepubliceerd.7 Op het titelblad van dit rapport benoemt het CPB dat in 2015 de gemiddelde belastingdruk
voor erfenissen en schenkingen waarover belastingaangifte is gedaan 12% voor erfenissen
bedroeg en 6% voor schenkingen. Dat de effectieve tarieven voor de schenk- en erfbelasting
lager uitkomen dan de statutaire progressieve tarieven komt allereerst door diverse
vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. Door het verlagen van deze vrijstellingen
kunnen de effectieve tarieven meer in de buurt worden gebracht van de statutaire progressieve
tarieven. Onderstaande tabellen tonen de actuele tarieven en vrijstellingen in de
schenk- en erfbelasting. De schenk- en erfbelasting kennen een progressieve tariefstructuur
met een tarief eerste schijf en een tarief tweede schijf, waarbij de progressieve
tarieven afhankelijk zijn van de relatie met de verkrijger. Daarnaast kent de schenk-
en erfbelasting verschillende vrijstellingen afhankelijk van de relatie met de verkrijger.
De schijven en tarieven voor de schenk- en erfbelasting 2026
Grondslag
Tarief partners en kinderen
Tarief (achter)kleinkinderen
Tarief overige verkrijgers
€ 0–€ 158.669
10%
18%
30%
> € 158.669
20%
36%
40%
Vrijstellingen voor de schenk- en erfbelasting 2026
Vrijstelling in euro’s
Erfbelasting
Schenkbelasting
Partner1
€ 828.035
€ 2.769 (jaarlijks)
Kind
€ 26.230
€ 6.908 (jaarlijks)
Kind (18–40 jaar)
€ 33.129 (eenmalig)
Kind
€ 69.009 (eenmalig voor dure studie)
Invalide kind
€ 78.671
Ouder
€ 62.110
Kleinkind
€ 26.230
€ 2.769 (jaarlijks)
Overige verkrijgers
€ 2.769
€ 2.769 (jaarlijks)
X Noot
1
Het partnerbegrip is voor ongehuwden anders dan voor andere belastingen. Belangrijke
voorwaarden zijn een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting
of ten minste 5 jaar samenwonend.
De jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling (€ 6.908 in 2026) is recent geëvalueerd
en op 2 maart jl. naar uw Kamer verzonden.8 Een kabinetsreactie volgt later dit jaar. Verder zijn in 2024 de eenmalig verhoogde
schenkingsvrijstellingen voor een dure studie en de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling
voor een vrij te besteden doel geëvalueerd en naar de Tweede Kamer verzonden.9 Naast deze vrijstellingen kent de schenk- en erfbelasting de bedrijfsopvolgingsregeling
(BOR). De BOR bestaat uit een algehele vrijstelling in de schenk- en erfbelasting
voor ondernemingsvermogen tot circa € 1,5 miljoen en een vrijstelling van 75% over
het bedrag daarboven. In 2022 is de BOR geëvalueerd.10 Daaruit blijkt dat erfenissen en schenkingen onder de BOR relatief groot zijn ten
opzichte van de gemiddelde schenking en erfenis en een veel lagere belastingdruk kennen.
Uit de evaluatie blijkt dat het bij de BOR in de periode 2010–2017 gemiddeld genomen
om een erfenis of schenking ging van € 1,3 miljoen euro aan ondernemingsvermogen,
waarover 2% belasting bij een schenking en 5% bij een erfenis werd betaald. Naar aanleiding
van de evaluatie is de BOR op verschillende aspecten aangepast en robuuster gemaakt
tegen oneigenlijk gebruik. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken de
BOR niet verder te versoberen.
Verder kunnen papieren schenkingen de effectieve belastingdruk verlagen. Papieren
schenkingen zorgen voor een lagere grondslag van de (toekomstige) erfbelasting. Een
papieren schenking kan eenmalig worden gedaan, maar ook meerdere jaren of jaarlijks.
De schenker betaalt jaarlijks 6% rente aan de betreffende begiftigden over het totaal
van het aan die persoon op papier geschonken bedrag. De rentevergoeding is fiscaal
gezien geen schenking en betekent daarom een voor de schenkbelasting onbelaste vermogensoverdracht.
In bijlage 7 van de Voorjaarsnota zijn beleidsopties beschreven om papieren schenkingen
tegen te gaan.11 Met de beschrijving van deze opties is invulling gegeven aan de toezegging van voormalig
Staatssecretaris van Financiën Heijnen om opties in kaart te brengen om papieren schenkingen
tegen te gaan.12
Ten slotte zorgen verouderde forfaits in schenk- en erfbelasting voor een lagere effectieve
belastingdruk. Sinds 1979 geldt er een rekenrente (forfait) van 6% in de schenk- en
erfbelasting. De rekenrente wordt het meest toegepast bij onderbedelingsvorderingen
die ontstaan bij het openvallen van nalatenschappen. Rentedragende onderbedelingsvorderingen
zijn een manier om de nalatenschap van de langstlevende in de toekomst voor de kinderen
te verkleinen aangezien de rente die niet tijdens het leven door de langstlevende
ouder is betaald, een schuld in diens nalatenschap vormt en op die manier de erfbelasting
van de kinderen drukt. Hoe hoger de rekenrente des te groter het drukkend effect.
In januari jl. is een ambtelijke uitwerking van een actualisatie van de forfaits in
de schenk- en erfbelasting naar de Tweede Kamer gestuurd op basis van de huidige marktrentes
en de huidige levensverwachting.13 Over de modernisering van de forfaits in de schenk- en erfbelasting heeft geen besluitvorming
plaatsgevonden.
Vraag 16
Deelt u de mening dat ook een inkomensonafhankelijke arbeidskorting per gewerkt uur
ondoelmatige inkomensverschillen tussen groepen kan verkleinen omdat dit economisch
effectiever kan uitwerken als daadwerkelijke beloning voor meer werken?
Antwoord 16
Een van de ambities uit het coalitieakkoord van dit kabinet is dat het moet lonen
om meer uren te werken. Nu loont dat soms te weinig. Onderzoek naar het omzetten van
de huidige arbeidskorting in een arbeidskorting per gewerkt uur is een van de onorthodoxe
maatregelen die het kabinet daartoe wil onderzoeken. Het inkomensonafhankelijk maken
van de arbeidskorting maakt ook nadrukkelijk deel uit van de agenda uit het coalitieakkoord
om het belasting- en toeslagenstelsel te hervormen en te vereenvoudigen. Dit kan het
voor mensen inzichtelijker maken hoeveel meer uren werken daadwerkelijk loont.
Vraag 17
Bent u voornemens om in uw plannen voor herziening van het belastingstelsel de boodschap
van het CPB mee te nemen, namelijk om verschillende soorten inkomen en vermogen gelijker
te belasten en fiscale regelingen die inefficiënt en scheef verdeeld zijn aan te pakken
om economische verstoring te voorkomen?
Antwoord 17
Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In
de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor
meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zoals vorige
kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een
stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het
evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box
3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het kabinet zet verder
stappen op de aanbevelingen van het CPB over ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale
regelingen én in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken
in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het
belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren
waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de
horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra
aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.