Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 956 (R 2220) Goedkeuring van het op 26 mei 2023 te Belle Plaine / Belvédère tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek inzake de afbakening van de grens tussen het Koninkrijk der Nederlanden (Sint Maarten) en de Franse Republiek (Saint-Martin) (Trb. 2023, 66 en Trb. 2026, 33)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
A. Algemeen deel
1. Inleiding
Dit voorstel van rijkswet heeft betrekking op de goedkeuring van het op 26 mei 2023
te Belle Plaine / Belvédère tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk
der Nederlanden en de regering van de Franse Republiek inzake de afbakening van de
grens tussen het Koninkrijk der Nederlanden (Sint Maarten) en de Franse Republiek
(Saint-Martin) (hierna: het Verdrag).
De oudste en laatste afspraak over een verdeling van het land op het eiland Sint Maarten
dateert van 1648. Op 23 maart van dat jaar ondertekenden vertegenwoordigers van Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het Verdrag van Concordia. Hierbij werd het eiland Sint Maarten opgesplitst in twee delen: het zuidelijke deel werd toebedeeld aan de Republiek en de noordelijke helft werd toebedeeld aan Frankrijk. In dat verdrag werd echter geen duidelijke afbakening
van de grens vastgelegd en ook later zijn daarover geen duidelijke afspraken gemaakt.
Met dit Verdrag komt daar verandering in; de landsgrens tussen Sint Maarten en Saint-Martin
wordt afgebakend en daarmee verband houdende aangelegenheden worden geregeld, zoals
de instandhouding en onderhoud van de grens, de wederzijdse rechten van (onderdanen
van) verdragspartijen in grensoverschrijdende binnenwateren, alsmede het respecteren
van de (rechts)positie van natuurlijke en rechtspersonen die door de in het Verdrag
vastgelegde afbakening worden geraakt. Het Verdrag voorziet tevens in een institutioneel
mechanisme in de vorm van een gezamenlijke grenscommissie (hierna: de Commissie) met
specifieke taken ter uitvoering van de bepalingen van het Verdrag. Alhoewel de bepalingen
van het Verdrag grotendeels bestemd zijn om alleen de overheden van beide landen te
binden in hun onderlinge relatie, zal ook via de lokale regelgeving op Sint Maarten
uitvoering moeten worden gegeven aan de verdragsafspraken, voor zover noodzakelijk
om de rechten en plichten van rechtssubjecten te kunnen effectueren.
2. Verloop van de onderhandelingen
In 2016 is er tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek overeenstemming
bereikt over het verloop van de zeegrens, vastgelegd in het op 6 april 2016 te Philipsburg
tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en
de regering van de Franse Republiek inzake de maritieme afbakening in het Caribisch
gebied (Trb. 2016, 52; hierna Maritieme afbakeningsverdrag). Daarna zijn besprekingen gestart tussen beide
staten over het vaststellen van de landsgrens tussen Sint Maarten en Saint-Martin.
Hoewel het ontbreken van een vastgestelde grens op het eiland door de eeuwen heen
niet tot grote problemen heeft geleid, ontstond in de afgelopen jaren een discussie
over de aanspraken op een watergebied in het oosten van het eiland (Oyster Pond) en
de daarin gelegen jachthaven, waarvoor een vergunning is verleend door Sint Maarten.
Het verschil van inzicht in dit gebied ging over de vraag of de grens in het midden
door het water loopt of langs de noordoever. Het Koninkrijk maakte aanspraak op het
gehele watergebied.
De voorbereidende fase van de onderhandelingen, bestaande uit het identificeren van
de delen van de grens waarover verschil van inzicht bestaat en het in kaart brengen
van de juridische posities van beide partijen, had in de daaropvolgende jaren vanwege
orkaan Irma en in verband met de COVID-19 maatregelen vertraging opgelopen. Na drie
eerdere technische besprekingen werd in september 2022 tijdens een formele onderhandelingsronde
een principe-akkoord bereikt over de landsgrens tussen Sint Maarten en Saint-Martin.
De oude Werbata-kaart van 1915 en historische stenen muren hebben de basis gevormd
voor de identificatie van de landsgrens. Voor het watergebied Oyster Pond stelt het
landsgrensverdrag vast dat Oyster Pond wordt verdeeld op basis van een middellijn,
waardoor de herbouw van de jachthaven een Franse aangelegenheid wordt. Dit was alleen
aanvaardbaar voor het Koninkrijk mits er overeenstemming kon worden bereikt over het
verloop van de andere delen van de landsgrens, en dat is gelukt.
Deze afbakening tussen het Koninkrijk en de Franse Republiek is met actieve betrokkenheid
van Sint Maarten tot stand gekomen, omdat de tot stand gebrachte afbakening betrekking
heeft op het land Sint Maarten.
3. Een ieder verbindende bepalingen
Naar het oordeel van de regering bevat het Verdrag enkele een ieder verbindende bepalingen
in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, die rechtstreeks rechten toekennen
of verplichtingen opleggen aan rechtssubjecten. Dit betreft:
• Artikel 6, vijfde lid, voor wat betreft de kosten gedragen door een eventuele concessiehouder;
en verder het zevende en het achtste van dit artikel ten aanzien van o.a. onderhouds-
en gedoogverplichtingen van eigenaren (natuurlijke of rechtspersonen anders dan de
verdragspartijen) van onroerende zaken.
• Artikel 7 dat de vrije toegang van wegen, straten en paden die langs de grens lopen
garandeert.
• Artikel 8, vierde lid, voor wat betreft het gedogen van bestaande bouwwerken in overeenstemming
met verworven rechten.
• Artikel 11, dat ziet op de eigendomsrechten en verworven rechten van degenen wier
situatie als gevolg van het Verdrag zal veranderen.
4. Koninkrijkspositie
Het Verdrag zal het voor het gehele Koninkrijk gelden, aangezien het Verdrag een grens
van het Koninkrijk vaststelt.
B. Artikelsgewijze toelichting
Het Verdrag bestaat, naast de preambule, uit zeven titels en bevat vier bijlagen (A,B,
C en D). Hieronder volgt – voor zover noodzakelijk – een toelichting daarop.
Preambule
In de preambule wordt naar een drietal verdragen verwezen die in het kader van het
Verdrag relevant zijn en onderdeel uitmaken van de context ervan. In onderdeel 1 is
de (historische) relevantie van het Verdrag van Concordia als juridische grondslag
voor de verdeling van het eiland al benoemd. In dat verdrag ontbrak het evenwel aan
een duidelijke afbakening van de grens tussen beide delen. In lijn met de historische
verdeling van het eiland, legt dit Verdrag de afbakening van de grens vast. Tevens
wordt verwezen naar het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag
van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83; hierna: VN-Zeerechtverdrag). De bepalingen van dit Verdrag zijn daarmee in overeenstemming,
zoals hierna, waar relevant, zal worden toegelicht. Tenslotte wordt het Maritieme
afbakeningsverdrag uit 2016 benoemd, waarvan de in dat verdrag gedefinieerde eindpunten
C en D, zoals eveneens hierna toegelicht, moesten worden «gekoppeld» aan de afbakening
van de landsgrens in het onderhavige Verdrag.
Titel 1 (Algemene bepalingen)
Het algemene deel van het Verdrag geeft in artikel 1 begripsomschrijvingen met betrekking
tot enige termen uit het Verdrag, waaronder een definitie van binnenwateren in overeenstemming
met de definitie in artikel 8, eerste lid, van het VN-Zeerechtverdrag.
Artikel 2 beschrijft het voorwerp van het Verdrag. Dit betreft de afbakening van de
landsgrens tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek op het eiland
Sint Maarten tussen Sint Maarten en Saint-Martin alsmede de verbinding van de aldus
vastgelegde landsgrens met de eindpunten C (westelijke afbakening) en D (oostelijke
afbakening) vastgelegd in het Maritieme afbakeningsverdrag.
Titel 2 (Loop van de grens)
Artikel 3.1 legt vast dat de loop van de grens is bepaald door middel van geografische
coördinaten opgenomen in Bijlage A bij het Verdrag. De afbakening wordt gevormd door
geodetische lijnen die de opeenvolgende coördinaten met elkaar verbinden.
Artikel 3.2 betreft de verbinding tussen de afbakening op land en de maritieme afbakening
overeengekomen in het Maritieme afbakeningsverdrag. De eindpunten C, aan de westzijde
van Sint Maarten, en D, aan de oostzijde van het eiland, zoals overeengekomen in dat
verdrag, worden in dit Verdrag nader (met grotere nauwkeurigheid) gedefinieerd. Een
geodetische lijn verbindt deze punten met de eindpunten van de afbakening op land.
De artikelen 3.3 en 3.4 bevatten technische informatie over de in het Verdrag gebruikte
coördinaten. Dit is voor wat betreft de zeegebieden vastgelegd in het gangbare geodetische
referentie systeem WGS 84.
Op grond van artikel 3.5 kan de Commissie voorstellen doen voor aanpassing van de
in Bijlage A vastgelegde coördinaten. Het doel van deze bepaling is te voorzien in
een mechanisme voor aanpassing van coördinaten door de verdragspartijen in bepaalde
situaties zonder dat hiervoor het Verdrag hoeft te worden gewijzigd. Hierbij valt
in het bijzonder te denken aan het herstellen van geconstateerde fouten, technische
of historische onnauwkeurigheden bij de vaststelling van coördinaten alsmede het toevoegen
van ontbrekende coördinaten. Bij het doen van een dergelijk voorstel is de Commissie
verplicht rekening te houden met de loop van de grens zoals ingetekend in de Werbatakaart
gepubliceerd in 1915 en voor wat betreft de afbakening in Oyster Pond dient de Commissie
rekening te houden met het equidistantiebeginsel. In het Verdrag is bepaald dat een
voorstel van de Commissie tot aanpassing van de coördinaten opgenomen in Bijlage A
de instemming van verdragspartijen overeenkomstig artikel 16.2 behoeft.
Titel 3 (Bijzondere bepalingen inzake Oyster Pond en Simpson Bay Lagoon)
Deze titel bevat enkele bijzondere bepalingen met betrekking tot de status van Oyster
Pond en gemeenschappelijke bepalingen die zowel voor Oyster Pond als voor Simpson
Bay Lagoon gelden. Ten aanzien van de status van de wateren van Oyster Pond legt artikel 4.1
vast dat het binnenwateren betreft. De formulering komt overeen met de definitie uit
artikel 8, eerste lid, van het VN-Zeerechtverdrag. In artikel 4.2 is verder bepaald
dat schepen van alle staten het recht op onschuldige doorvaart genieten in Oyster
Pond. Deze afspraak komt voort uit het feit dat Frankrijk de noordelijke helft van
de wateren van Oyster Pond vóór de totstandkoming van het Verdrag beschouwde als territoriale
zee. Uit artikel 8, tweede lid, van het VN-Zeerechtverdrag volgt namelijk, dat indien
wateren die vroeger niet als zodanig werden beschouwd, als binnenwateren worden ingesloten,
in die wateren het recht van onschuldige doorvaart (voort)bestaat. Het recht op onschuldige
doorvaart geldt voor het gehele wateroppervlak. Artikel 4.3 definieert de afsluitlijn
van Oyster Pond, waarmee deze als binnenwateren wordt ingesloten.
Artikel 5 bevat gemeenschappelijke bepalingen voor het gebruik van de gedeelde binnenwateren
van Oyster Pond en Simpson Bay Lagoon. Het Koninkrijk en Frankrijk erkennen en garanderen
over en weer, binnen de kaders van op hun grondgebied geldende wet- en regelgeving,
specifieke rechten voor Nederlandse en Franse schepen in beide binnenwateren: de wederzijdse
erkenning van toegang tot de wateren, vrijheid van navigatie in de wateren, het recht
om aan te meren en de vrijheid van kleinschalige ambachtelijke visserij. Artikel 5.2
zondert oorlogsschepen en andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan
commerciële doeleinden uit van deze rechten en vrijheden, met dien verstande dat het
recht op onschuldige doorvaart onverminderd van toepassing is in de wateren van Oyster
Pond. Het Verdrag biedt daarmee geen grondslag voor samenwerking met betrekking tot
oorlogsschepen en staatsschepen. Deze dient in afzonderlijke regelingen of overeenkomsten
te worden vastgelegd.
Titel 4 (Afbakening, toegang tot en onderhoud van de grens)
Artikel 6 regelt de markering en het onderhoud van de op grond van het Verdrag vastgelegde
afbakening van de landsgrens. Uitgangspunt is daarbij dat de markering zodanig moet
worden gespecificeerd en onderhouden dat de grenslijn over de gehele lengte gemakkelijk
kan worden geïdentificeerd.
Artikel 6.2 specificeert dat de markering van de landsgrens in eerste instantie wordt
vastgesteld aan de hand van bestaande fysieke kenmerken, zoals muren of lage muurtjes,
monumenten en wegen. De bepaling draagt de Commissie op deze markeringen na inwerkingtreding
van het Verdrag te beschrijven en te inventariseren. De Commissie is tevens bevoegd
om nieuwe grenstekens te plaatsen of bestaande te wijzigen of te verwijderen, indien
het dit nodig acht.
Op grond van artikel 6.3 moet iedere verdragspartij ervoor zorgen dat het in het kader
van de eigen wet- en regelgeving of bestuurlijke praktijk de noodzakelijke maatregelen
treft ten behoeve van het toezicht op en het onderhoud van grensmarkeringen, in het
bijzonder waar die zijn gelegen op het eigen grondgebied. Die maatregelen dienen tevens
te zijn gericht op het voorkomen en tegengaan van de vernietiging, de verslechtering
en het ongepast gebruik van de fysieke grenstekens.
In artikel 6.4 is afgesproken dat de Commissie kan besluiten om een strook grond van
ten hoogste 4 meter breed (2 meter aan elke kant van de grens) permanent vrij te houden
van begroeiing voor zover noodzakelijk voor de toegang tot, het toezicht op en het
onderhoud van de grens. Artikel 6.5 regelt de kosten die gemoeid zijn met de markering
en het onderhoud van de grens. Afgesproken is dat die kosten gelijkelijk verdeeld
tussen de verdragspartijen zullen worden gedragen. Als (onderhouds)werkzaamheden noodzakelijk
zijn door werkzaamheden die onder een concessie vallen, komen de kosten hiervan ten
laste van de concessiehouder.
Artikel 6.6 anticipeert op het feit dat in het kader van werkzaamheden ten behoeve
van het onderhoud van de grens verplaatsingen van materieel, d.w.z. uitrusting, machines,
bouwmateriaal etc., van de ene kant van de grens naar de andere kant kunnen plaatsvinden
en garanderen de vrije toegang daarvan tot het grondgebied van de andere verdragspartij.
Het is dan wel de bedoeling dat het (resterend) materieel na voltooiing van de werkzaamheden
weer wordt teruggebracht naar het grondgebied van de verdragspartij waarvan het afkomstig
is.
Artikel 6.7 beoogt te regelen dat bestaande onroerende goederen die als grenstekens
dienen in goede staat van onderhoud zijn en blijven en, in gegeven gevallen, kunnen
worden geruimd. Hiertoe is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor het onderhoud
van bestaande onroerende goederen bij de huidige particuliere (natuurlijke personen
en/of rechtspersonen) of (lokale) publieke eigenaren ligt en niet ten laste komt van
de verdragspartijen als zodanig. De bepaling bepaalt tevens dat de eigenaren eventuele
voorschriften van de Commissie dienen op te volgen en toegang tot of inspecties van
grenstekens door de bevoegde vertegenwoordigers van de verdragspartijen te allen tijde
mogelijk moeten maken. Tenslotte is voorzien in de mogelijkheid dat de verdragspartijen
zelf optreden als een eigenaar toch in gebreke zou blijven ten aanzien van zijn onderhoudsverplichtingen
en dat door dat optreden ontstane kosten op die eigenaar kan worden verhaald. De bepaling
ziet dus niet op nieuwe grenstekens of markeringen. Dit is uitdrukkelijk bepaald in
artikel 6.8. In artikel 6.9 zijn afspraken vastgelegd over het eigendom van dergelijke
nieuwe markeringen.
Artikel 7 regelt de vrije toegang tot de grens. Dit moet ruim worden opgevat en behelst
in de eerste plaats vrije toegang via openbare wegen, doorgangen, paden etc. die langs
de grenslijn lopen. Artikel 7.2 bevat daarnaast een specifieke bepaling die vastlegt
dat bevoegde vertegenwoordigers/gezagsdragers in de uitoefening van een openbare taak
ook een recht op toegang tot de grens hebben, indien de toegang tot de grens via een
particuliere doorgang loopt.
In artikel 8 hebben de verdragspartijen afspraken vastgelegd over constructies en
bouwwerken in nabijheid van de grens. De hoofdregel neergelegd in artikel 8.1 is dat
er geen nieuwe bouwwerken mogen worden gebouwd binnen twee meter van beide zijden
van de grens. Deze afstand wordt bij waterlopen en paden die de grens vormen, gemeten
vanaf de oevers en de kanten daarvan. Op grond van artikel 8.3 geldt de hoofdregel
niet voor constructies of bouwwerken bedoeld voor de uitoefening van publieke functies
van de ene of de andere verdragspartij of openbare werken die met toestemming van
de betreffende verdragspartij worden verricht. In alle andere gevallen kan alleen
de Commissie op grond van artikel 8.2 besluiten om van de hoofdregel af te wijken
als dat nodig zou zijn vanwege de bijzondere situatie of omstandigheden op het eiland
op voorwaarde dat toegestane bouwwerken of installaties niet de toegang tot, het onderhoud
van of het toezicht op de grens belemmeren.
Op grond van artikel 8.4 worden bestaande bouwwerken die conform de geldende voorschriften
op het grondgebied van elk van de verdragspartijen zijn gebouwd, getolereerd. Indien
deze bouwwerken worden afgebroken of gewijzigd, moeten bij een eventuele wederopbouw
of wijziging ervan wel de bepalingen van artikel 8.1 en 8.2 in acht worden genomen
in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de betreffende verdragspartij. Hetzelfde
geldt ook voor de wederopbouw of wijziging van bestaande bouwwerken die nu in vervallen
staat verkeren.
Artikel 9 voorziet in de oprichting van een gezamenlijke grenscommissie (de Commissie)
en bevat afspraken over samenstelling, kosten, frequentie van bijeenkomsten en methode
van besluitvorming. Ook omschrijft de bepaling de taken van de Commissie, zoals voorzien
in verschillende andere bepalingen van het Verdrag. De Commissie zal in de praktijk
een belangrijke taak hebben ten aanzien van de uitvoering en de naleving van het Verdrag,
met inbegrip van de grensafbakening. De Commissie zal bestaan uit zes leden, drie
vertegenwoordigers van iedere verdragspartij. Daarnaast kan iedere delegatie zich
nog laten bijstaan door deskundigen. Iedere verdragspartij draagt de kosten van de
eigen delegatie in de Commissie, met inbegrip van eventuele deskundigen. In het Verdrag
is vastgelegd dat de Commissie op verzoek van een van beide delegaties minimaal eenmaal
per jaar bijeen zal komen, het ene jaar op een locatie in het Koninkrijk der Nederlanden,
het andere jaar in Frankrijk. Het gastland zal de Commissie ook voorzitten. Besluitvorming
in de Commissie vindt plaats met eenparigheid van stemmen. In geval binnen de Commissie
geen overeenstemming kan worden bereikt over bepaalde kwesties, voorziet het Verdrag
erin dat deze aan de Ministeries van Buitenlandse Zaken van de verdragspartijen worden
voorgelegd om te proberen hiervoor in onderling overleg een oplossing te vinden.
Artikel 9.8 omschrijft de taken van de Commissie. De taakopdracht van de Commissie
omvat, in aanvulling op de taken die de Commissie krachtens andere bepalingen van
het Verdrag zijn opgedragen, onder andere het opstellen, bijhouden en toezien op de
uitvoering van een werkverdelingsplan voor het onderhoud en de markering van de grens.
Mede om die taak naar behoren te kunnen vervullen moet de Commissie er ook voor zorgen
dat de loop van de grens zonder onnodige vertraging wordt gedocumenteerd. Dit houdt
in dat positie van grenstekens wordt gedocumenteerd, de loop van de grenslijn wordt
beschreven en in het terrein wordt gerealiseerd. De Commissie moet er ook voor zorgen
dat de betreffende documentatie wordt bijgehouden en geactualiseerd. Tenslotte neemt
de Commissie kennis van informatie over mogelijke problemen die kunnen ontstaan in
de uitvoering van het Verdrag en kan het op basis daarvan voorstellen doen aan de
verdragspartijen om deze problemen op te lossen.
Concrete werkzaamheden aan de grens, zoals het onderhoud, de vervaardiging, het plaatsen
en vervangen van grenstekens en het toezicht daarop zullen worden uitgevoerd onder
leiding van daartoe bevoegde vertegenwoordigers die door elk der verdragspartijen
zullen worden aangewezen. Artikel 10 bevat een regeling over hun specifieke taken
en stelt enkele inhoudelijke voorwaarden aan de uitvoering van die taken. Een belangrijk
taak bestaat uit het verrichten van een gezamenlijke grensinspectie ten behoeve van
het opstellen van een opgave van de uit te voeren werkzaamheden aan de grens met vermelding
van de daarmee verbonden kosten. Na goedkeuring door de Commissie zijn de vertegenwoordigers
ook belast met de uitvoering en realisatie van die werkzaamheden en dienen zij, na
afloop van de werkzaamheden, daarvan verslag te doen aan de Commissie. In artikel 10.5
is een voorziening getroffen die de bevoegde vertegenwoordigers in staat stelt en
machtigt om in uitzonderlijke situaties conserverende maatregelen te treffen, zonder
voorafgaande tussenkomst van de Commissie. Het gaat hierbij om spoedeisende situaties
waarin, bijvoorbeeld ter afwending van dreigend gevaar of ter voorkoming van (verdere)
schade aan goederen, wegen, etc., onmiddellijk ingrijpen vereist is om erger te voorkomen.
De Commissie dient wel zo snel mogelijk te worden ingelicht over de situatie en de
getroffen maatregelen.
Titel 5 (Gevolgen van de afbakening voor eerder ontstane situaties)
Deze titel bevat een regeling ten aanzien van de (rechts)positie van natuurlijke personen
en rechtspersonen die worden geraakt door de grensafbakening in het Verdrag. Artikel 11
garandeert dat de verworven rechten van deze personen worden geëerbiedigd en dat zij
hun (economische) activiteiten kunnen voortzetten, in overeenstemming met de geldende
wet- en regelgeving van de betreffende verdragspartij. Artikel 12 bevat in aanvulling
daarop de opdracht aan verdragspartijen om binnen 12 maanden na inwerkingtreding van
het Verdrag al het mogelijke te doen om de (rechts)positie van natuurlijke personen
en rechtspersonen die door het Verdrag worden geraakt te regulariseren en eventuele
administratieve aangelegenheden te regelen.
Titel 6 (Grensoverschrijdende samenwerking)
In aanloop naar de onderhandelingen over dit Verdrag is ook het onderwerp grensoverschrijdende
samenwerking tussen Sint Maarten en Saint-Martin besproken. Er is van afgezien om
die samenwerking in dit Verdrag te regelen en in de toekomst daarvoor aparte afspraken
te maken (in de vorm van een kaderverdrag). Artikel 13 voorziet in een inspanningsverplichting
om dergelijke afspraken te realiseren. Artikel 13.2 bevat een oproep aan de verdragspartijen
om zich vooral in te zetten voor de bevordering van lokale mechanismen in Sint Maarten
en Saint-Martin om die grensoverschrijdende samenwerking vorm te geven.
Titel 7 (Slotbepalingen)
Deze titel bevat slotbepalingen die voor een bilateraal verdrag gebruikelijk zijn,
waaronder een geschillenbeslechtingsregeling en de procedure voor wijziging van de
bijlagen A en B bij het Verdrag. Wat betreft het eerste voorziet artikel 14 in een
consultatie- en onderhandelingsverplichting tussen de verdragspartijen, indien sprake
mocht zijn van een verschil van inzicht over de uitleg of toepassing van dit Verdrag.
Deze bepaling is identiek aan de bepaling die het Koninkrijk en Frankrijk zijn overeengekomen
in het Maritieme afbakeningsverdrag.
Ten aanzien van aanpassing van de bijlagen A en B bij het Verdrag bepaalt artikel 16,
tweede lid, dat de verdragspartijen hun overeenstemming daartoe in de vorm van een
notawisseling kunnen vastleggen. Een dergelijke overeenstemming in de vorm van een
notawisseling behoeft op grond van artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring
en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal
zich thans het recht tot goedkeuring terzake voorbehouden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.