Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van Lanschot, Van Ark en Van den Brink over de positie van Arameeërs in Syrië
Vragen van de leden Van Lanschot, Van Ark en Tijs van den Brink (allen CDA) aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de positie van Arameeërs in Syrië (ingezonden 23 april 2026).
Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken), mede namens de Minister van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (ontvangen 8 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten
(ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging
over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt
gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar
deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
Antwoord 2
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is
een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering
van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze
gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse
Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen
van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel
bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten
consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken
Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet
benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere
Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen
en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan.
Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de
Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus
en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens
in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch
geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen
en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd
is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier
een voorbeeld van.
Vraag 3
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij
onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische
identiteit en taal?
Antwoord 3
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en
taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie.
Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe
Grondwet die Syrië opstelt.
Vraag 4
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere
inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid
van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning?
Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende
inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Antwoord 4
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese
gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het
kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië
oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief
dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming
van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning
van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van
een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie,
op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Vraag 5
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor
inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de
Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet
invulling aan?
Antwoord 5
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal
als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die
reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele
en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet
heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse
Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid
in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Vraag 6
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen
voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief
kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
Antwoord 6
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis
van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt
de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle
mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee
maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen
bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden
(OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde.
De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring-
en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen
worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee
wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse
en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs,
sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke
steun hebben kunnen profiteren?
Antwoord 7
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om
in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning
die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen
indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate
worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners
in Syrië.
Vraag 8 en 9
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende
circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese
inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit
in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen
aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed
in Syrië?
Antwoord 8 en 9
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid
(ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden
zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel
erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen
zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie,
erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee
projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten
was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft
geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek
dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig
onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees
in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek
bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Vraag 10
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden
in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke
civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw
van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie
en sociale cohesie?
Antwoord 10
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader
Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit,
inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de
bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en
levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband
wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet
zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter
versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Vraag 11
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland
structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Antwoord 11
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers
van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende
informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen
heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Vraag 12
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in
Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en
maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Antwoord 12
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in
Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten
binnen lopende programma’s.
Vraag 13
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer,
landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige
intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Antwoord 13
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten
over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse
expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Vraag 14
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs
met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen
vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Antwoord 14
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van
Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de
wederopbouwopgave.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken -
Mede namens
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.