Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 885 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026)
Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 7 mei 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ba
Artikel 1:46, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt «3:9 en 4:10» vervangen door «3:9, 3:9b, 4:10 en 4:10a».
2. In onderdeel d wordt «3:8 en 4:9» vervangen door «3:8, 3:9b, 4:9 en 4:10a».
B
Artikel I, onderdeel K, wordt als volgt gewijzigd:
1. In het voorgestelde artikel 1:106b, eerste lid, onderdeel 2°, wordt «artikelen 3:96a,
tweede lid, of 3:96c, tweede lid;» vervangen door «artikelen 3:96a, eerste lid, of
3:96c, eerste lid;»
2. In artikel 1:106b, eerste lid, onderdeel 3°, wordt «artikelen 3:96b, tweede lid,
of 3:96d, tweede lid» vervangen door artikelen 3:96b, eerste lid, of 3:96d, eerste
lid.»
C
In artikel I, onderdeel X, vervalt het eerste lid, onder vernummering van het tweede
en derde lid tot het eerste en tweede lid.
D
In artikel I, onderdeel BB, wordt na «de financieel directeur» ingevoegd «werkzaam
bij een onderneming als bedoeld in artikel 91 bis, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten».
E
Na Artikel IV wordt er een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IVa
De Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten wordt ingetrokken.
Toelichting
A
Artikel 1:46, tweede lid, Wft bevat een opsomming van onderwerpen ten aanzien waarvan
de toezichthouders hun algemene verbindende voorschriften en beleidsregels op elkaar
moeten afstemmen. De onderwerpen betrouwbaarheid en geschiktheid zijn in artikel 1:46,
tweede lid, onderdelen c en d, Wft opgenomen. Het nieuwe artikel 3:9b Wft voorziet
in de implementatie van artikel 91 bis CRD1 en regelt de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis voor medewerkers met een sleutelfunctie
bij een bank. Artikel 4:10a Wft regelt hetzelfde voor beleggingsondernemingen onder
de verordening kapitaalvereisten. Omdat artikel 1:46, tweede lid, onderdelen c en
d, Wft over betrouwbaarheid en geschiktheid gaan, moeten deze onderdelen aangevuld
worden met verwijzingen naar de artikelen 3:9b en 4:10a Wft.
B
In het voorstelde artikel 1:106b, eerste lid Wft worden twee verschrijvingen hersteld.
Ten eerste dient onderdeel 2° te verwijzen naar de artikelen 3:96a, eerste lid, en
3:96c, eerste lid, Wft, aangezien daarin de specifieke aanvraag of kennisgeving is
opgenomen. Het tweede lid bevat slechts een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel
van bestuur (AMvB). Om dezelfde reden is onderdeel 3° aangepast, waarbij de wijziging
betrekking heeft op de specifieke aanvraag of kennisgeving, zoals opgenomen in op
3:96b, eerste lid, of 3:96d, eerste lid, Wft.
C
Artikel I, onderdeel X, van de implementatiewet kapitaalvereisten 2026 wordt aangepast,
zodat de voorgestelde wijziging van artikel 3:5, eerste lid, Wft komt te vervallen.
De wijziging zou een zin hebben toegevoegd ter verduidelijking dat het ondernemingen
gezeteld in een staat die geen lidstaat is niet alleen verboden is om opvorderbare
gelden van het publiek aan te trekken, maar ook dat het hen verboden is om van een
ander dan het publiek opvorderbare gelden aan te trekken. Hoewel dit nog steeds geldt
voor ondernemingen in een staat die geen lidstaat is die de bancaire diensten 1, 2,
of 6 uit bijlage I CRD willen verrichten in Nederland, is overwogen dat dit al rechtstreeks
volgt uit artikel 2:20 Wft. Dat artikel verbiedt een onderneming in een staat die
geen lidstaat is om de genoemde bancaire diensten aan te bieden in Nederland zonder
een derde land bijkantoor op te richten met bijbehorende vergunning. Toevoeging van
de zin aan artikel 3:5, eerste lid, Wft is daarmee niet nodig, nu artikel 2:20 Wft
op zichzelf al geldt als verbod.
Bovendien zou de toevoeging mogelijk andere consequenties hebben. Zo zou zonder de
onderhavige aanpassing overwogen kunnen worden dat, ingeval van uitgaande verstrekking
van leningen door Nederlandse ondernemingen aan ondernemingen in staten die geen lidstaat
zijn, het verbod van artikel 3:5 Wft van toepassing is op de onderneming in een derde
land die een lening verkrijgt. Uitgaande verstrekking van leningen (dienst 2 uit bijlage
I CRD) mag echter voortgezet worden door Nederlandse ondernemingen aan ondernemingen
gezeteld in staten die geen lidstaat zijn. Dit leidt niet automatisch tot de kwalificatie
dat een onderneming in een staat die geen lidstaat is opvorderbare gelden aantrekt
en binnen het toepassingsbereik van artikel 3:5 komt. Voorwaarde hiervoor is dat de
lening van een Nederlandse onderneming in de dagelijkse praktijk van een onderneming
in een staat die geen lidstaat is, gebruikt moet worden als lening, en niet fungeert
als verkapt deposito. De lening wordt aangehouden op een bankrekening bij de onderneming
in een staat die geen lidstaat is zelf (als die een bank zou zijn). De gelden verkregen
vanwege de lening zullen dan aangehouden worden bij een bank buiten de Europese Unie.
Met de voorgestelde wijziging wordt ook voorkomen dat artikel 3:5 Wft van toepassing
wordt geacht op het incidenteel aankopen van leningen. Indien een onderneming uit
een staat die geen lidstaat is door de koop van een lening die oorspronkelijk in een
lidstaat is verstrekt, kan worden aangemerkt als de verstrekker van een lening, dan
zou kunnen worden overwogen dat zij dienst 2 uit bijlage I CRD uitvoert. Een dergelijke
aankoop van leningen kan plaatsvinden binnen de normale bedrijfsvoering van een onderneming,
zonder dat een onderneming bedrijfsmatig leningen verstrekt. Als de overdracht van
leningen aan een onderneming uit een staat die geen lidstaat is, plaatsvindt met als
doel dat deze onderneming de verplichting om in Nederland een bijkantoor in een derde
land op te richten met de bijbehorende vergunning kan omzeilen, dan valt dit onder
het verbod van artikel 2:20 Wft. Voor zover leningverstrekking door een onderneming
uit een staat die geen lidstaat is direct verricht wordt aan een in Nederland gezetelde
onderneming of natuurlijk persoon, dan geldt eveneens het verbod uit artikel 2:20
Wft.
D
In artikel 3:9b, met betrekking tot de medewerkers met een sleutelfunctie, wordt voorgeschreven
dat zij geschikt en betrouwbaar moeten zijn alvorens zij deze sleutelfunctie mogen
bekleden. Met deze nota van wijziging wordt tevens geregeld dat artikel 3:9b, tweede
lid, Wft bepaalt dat de externe toetsing door DNB van de hoofden van de internecontrolefuncties
en financieel directeur beperkt is tot de ondernemingen die genoemd worden in artikel 91
bis, vijfde lid, CRD. Dit betreft banken (of dochterondernemingen daarvan) die aangemerkt
kunnen worden als grote instelling (zijnde een mondiaal systeemrelevante bank, een
anderszins systeemrelevante bank, één van de drie grootste banken in een lidstaat,
of een bank met activaomvang van € 30 miljard of meer op individuele of geconsolideerde
basis) alsmede (gemengde) financiële (EU-)moederholdings met een grote instelling
in de groep.
Deze beperking sluit beter aan op het minimumniveau van de CRD en leidt tot een lastenverlichting
voor banken die niet aangemerkt kunnen worden als grote instelling. Op grond van de
omvang van de balans zou dat betekenen dat voor slechts 7 banken de externe toetsing
van hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur nodig zijn.2 Omdat een beleggingsonderneming onder de CRD nooit een grote instelling kan zijn
als bedoeld in artikel 91 bis, vijfde lid, CRD, is artikel 4:10a Wft niet aangepast.
Andere banken die niet aan te merken zijn als grote instelling hebben nog steeds de
verplichting om zelf (intern) te toetsen of hun medewerkers met een sleutelfunctie,
waaronder de hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur, geschikt
en betrouwbaar zijn. Dit volgt uit de artikelen 3:9b, eerste lid, Wft.
E
In het wetsvoorstel wordt artikel IVa ingevoegd. Met dit artikel wordt de Implementatiewet
richtlijn en verordening kapitaalvereisten ingetrokken. Met deze wet is de CRD geïmplementeerd
in de Wft in 2015. Deze implementatiewet bevat nog één bepaling met overgangsrecht
dat inmiddels is uitgewerkt. Om die reden kan de wet worden ingetrokken.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.