Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van Ark en Van den Brink over het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’
Vragen van de leden Van Ark en Tijs van den Brink (beiden CDA) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid over het bericht «Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken» (ingezonden 23 maart 2026).
Antwoord van Minister Aartsen (Werk en Participatie) (ontvangen 28 april 2026). Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1567.
Vraag 1
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief
is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf,
vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot
vervolging?1
Antwoord 1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog
onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke
casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op
die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde
en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk
te waarborgen, waaronder:
– Vierogenprincipe
– Meld-, overleg- en aangifteplicht
– Continue screening
Vierogenprincipe
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken
of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met
zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee
kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of
door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse
opvang en gastouderopvang.
Meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA)>
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega.
Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de
houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel
misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder
geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
A. Wanneer een medewerker een vermoeden heeft wat kan duiden op mogelijk seksueel misbruik
of mishandeling door een andere medewerker is hij/zij verplicht om dit onverwijld
te melden bij de houder van de kinderopvangorganisatie of het gastouderbureau.
B. De houder is dan verplicht om onverwijld te overleggen met de vertrouwensinspecteurs
van de Inspectie van het Onderwijs (VI). De vertrouwensinspecteur overlegt met de
houder of er sprake is van een redelijk vermoeden van een mogelijk strafbaar feit
en daaruit volgt of de houder aangifte moet doen.
C. Als dat redelijke vermoeden wordt vastgesteld uit het overleg tussen de VI en de houder
volgt daaruit voor de houder een aangifteplicht. De VI zien erop toe dat de houder
ook daadwerkelijk aangifte doet. De houder stelt de VI onverwijld in kennis van gedane
aangifte.
Continue screening
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De
persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent
het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG
is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang
extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening
heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat
is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met
de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst
bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis
beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol
van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst
Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert
de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de
houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een
nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker
op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover
zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang
een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter
wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever
vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven.
Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of
omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om
samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s
in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector
om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk
dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij
de houder.
Vraag 2
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers
sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker,
ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Antwoord 2
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders
en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren.
Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk
(privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker.
Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige
werkplek(ken) van medewerkers.
Vraag 3
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen
van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen
in de opvangsector?
Antwoord 3
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er
in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld
mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde
functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue
screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico
vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder,
maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn
dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als
houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang.
Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties
zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk
bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind
veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen
ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden
er zijn.
Vraag 4 en 5
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop
staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet
in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de
risicovolle omgeving kunnen blijven?
Antwoord 4 en 5
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan
moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te
waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen
dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid
en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent
niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen.
Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om
te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Vraag 6, 7, 8 en 9
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht
heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid
om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem
moet worden ingesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch
mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s
in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met
de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve
maatregelen?
Antwoord 6, 7, 8 en 9
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken
hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen
worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen
we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk
te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen
mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren
over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Ondertekenaars
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.