Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jimmy Dijk over het bericht 'Vlaams Parlement eensgezind over aanpak asbestproducent: 'Externe juridische expertise inwinnen'
Vragen van het lid Jimmy Dijk (SP) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Vlaams Parlement eensgezind over aanpak asbestproducent: «Externe juridische expertise inwinnen»» (ingezonden 3 februari 2026).
Antwoord van Minister Aartsen (Werk en Participatie), mede namens de Staatssecretarissen
van Infrastructuur en Waterstaat en van Justitie en Veiligheid (ontvangen 24 maart
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1087.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vlaams Parlement eensgezind over aanpak asbestproducent:
«Externe juridische expertise inwinnen»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u van de aanpak in het Vlaams Parlement dat bepaalt dat asbestproducenten
moeten opdraaien voor het opruimen van asbest?
Antwoord 2
Het Vlaams Parlement handelt naar eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Het
is niet aan mij om een oordeel over dit handelen uit te spreken. In Nederland geldt
het uitgangspunt dat de veroorzaker van schade aan gezondheid, natuur of milieu verantwoordelijk
is voor het herstellen van die schade.
Vraag 3
Waarom heeft het Nederlandse kabinet nooit gekozen voor een aanpak die de vervuiler,
zoals het Twentse Eternit, laat opdraaien voor het doelbewust vervuilen van de omgeving?
Antwoord 3
In Nederland geldt het uitgangspunt dat de veroorzaker van schade aan gezondheid,
natuur of milieu verantwoordelijk is voor het herstellen van die schade. Hiertoe zijn
verschillende civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden,
afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er zijn echter meerdere factoren
die bepalen of het mogelijk is om tot aansprakelijkstelling te komen. Deze zijn relevant
bij de afweging of verdere juridische stappen mogelijk en wenselijk zijn. Het is uiteindelijk
aan de rechter om vast te stellen of er sprake is van juridische aansprakelijkheid
en of er schadevergoeding moet worden toegekend.
Eerder liet het kabinet door de Landsadvocaat onderzoeken of Eternit civiel aansprakelijk
kon worden gesteld voor saneringskosten van asbestwegen. Uit het advies bleek dat
verhaal juridisch weinig kansrijk was, waardoor het kabinet geen civiele procedure
startte.2 Uiteraard blijft het kabinet het verloop van de ontwikkelingen in Vlaanderen volgen.
Wanneer deze hiertoe aanleiding geven zal opnieuw onderzoek naar de mogelijkheid van
aansprakelijkheidsstelling worden gedaan.
Vraag 4
Waarom kiest het kabinet er nu niet voor om op plekken waar asbest opduikt de vervuiler,
indien mogelijk en aantoonbaar, verantwoordelijk te maken voor het opruimen of het
financieren van het opruimen?
Antwoord 4
Het is een belangrijk uitgangspunt van het kabinet dat de vervuiler betaalt. Indien
het mogelijk is om in een concrete situatie de kosten op de vervuiler te verhalen,
dan wordt daar op ingezet. Echter er spelen bij aansprakelijkheid, zoals genoemd bij
vraag 4, meerdere factoren die worden meegewogen in mogelijkheid en wenselijkheid
van juridische stappen.
Vraag 5
Neemt u naar aanleiding van dit bericht contact op met het Vlaams Parlement om te
informeren naar hun aanpak en de door hun ingewonnen juridische expertise? Zo ja,
kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 3 en 4.
Vraag 6
Is het kabinet bereid om net als het Vlaamse Parlement juridische expertise in te
winnen om te onderzoeken of asbestproducenten aangepakt kunnen worden?
Antwoord 6
Nee, zie mijn antwoord op vraag 4.
Vraag 7
Waarom kiest het kabinet ervoor om een door de Tweede Kamer aangenomen motie die uitspreekt
dat het 30-jarige verjaringstermijn voor alle asbestslachtoffers moet vervallen niet
uit te voeren?3
Antwoord 7
In zijn brief van 4 juli 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 25 834/25 883, nr. 199, hierna: de brief) is de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uitgebreid
ingegaan op de motie waaraan u refereert. In deze zogenaamde «spreekt-uit-motie» (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 507) is de wens verwoord om de absolute verjaringstermijn van asbestschade van 30 jaar
(artikel 3:310 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) met terugwerkende kracht te
laten vervallen voor alle asbestslachtoffers.
Sinds 1 februari 2004 geldt deze lange verjaringstermijn niet meer voor schadeveroorzakende
gebeurtenissen die vanaf die datum hebben plaatsgevonden (artikel 3:310 lid 5 BW).
De motie heeft dus het oog op slachtoffers die vóór 1 februari 2004 zijn blootgesteld
aan asbest. Er is daarom in de motie sprake van het met terugwerkende kracht afschaffen
van de verjaringsregeling.
In de brief beschrijft de toenmalig Staatssecretaris het streven van het kabinet om
het beroep op verjaring door de (voormalig) werkgever van het slachtoffer tot een
minimum te beperken en de stappen die vanuit dat oogpunt sinds eind 2021 door de voormalig
Minister voor Rechtsbescherming en de voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) zijn gezet. Cruciaal daarin is de afspraak
van 21 oktober 2022 van de leden van de Raad van Toezicht en Advies van het IAS, waaronder
werkgeversorganisaties en het Verbond van Verzekeraars. Zij hebben het IAS-convenant
aangevuld met een bepaling waarin staat, dat de convenantspartijen, waaronder werkgeversorganisaties
en verzekeraars, niet langer een beroep doen op de absolute verjaringstermijn (zie
par. 2.1 van de brief).
Ook het huidige kabinet is van mening dat, zoals ook beschreven is in de brief, het
op deze wijze met terugwerkende kracht wijzigen van de wet op gespannen voet staat
met de rechtstatelijke beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Dit past
een betrouwbare overheid niet (zie par. 3 van de brief). Daarnaast is het van belang
te onderkennen dat de oorzaak van het niet-slagen van een bemiddelingspoging van het
IAS om tot een schadevergoeding van de (voormalig) werkgever voor het asbestslachtoffer
te komen, gelegen is in een complex van factoren. Het gebrek aan bewijs over wat er
zich lang geleden heeft voorgedaan, vormt daarbij het grootste knelpunt. Dit wordt
niet opgelost door het met terugwerkende kracht schrappen van de verjaring (zie par.
2.4 van de brief). Dit alles afwegend, meent het kabinet dat andere wegen prevaleren
om asbestslachtoffers tegemoet te komen boven het met terugwerkende kracht afschaffen
van de verjaringstermijn.
De belangrijkste vorm van tegemoetkoming is de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers
(hierna: de TAS) en de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers
van mesothelioom (hierna: de TNS-regeling), waarop in het volgende antwoord nader
wordt ingegaan. Het kabinet blijft ook in de toekomst graag in gesprek met het IAS
om samen te werken in het belang van de slachtoffers.
Vraag 8
Bent u het ermee eens dat een asbestslachtoffer ook 30 jaar na besmetting nog recht
heeft op compensatie voor een op het werk opgelopen ziekte? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Er is in alle gevallen erkenning voor het ontegenzeggelijke grote leed van asbestslachtoffers
met mesothelioom. Een slachtoffer heeft daarom in alle gevallen recht op een financiële
tegemoetkoming van de staat van € 27.030 op grond van de TAS of de TNS-regeling, ook
als de asbestblootstelling veel langer dan 30 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het
IAS zet zich ook in om tot een schadevergoeding voor het slachtoffer te komen door
kosteloze bemiddeling tussen het slachtoffer en zijn (voormalig) werkgever, in alle
gevallen waarin sprake is van vermeende asbestblootstelling in loondienst (zie par.
1.3 van de brief).
Vraag 9
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om ervoor te zorgen dat asbestslachtoffers die
30 jaar na besmetting achter hun door asbest veroorzaakte ziekte komen daarvoor worden
gecompenseerd door hun werkgever, ook als de termijn is verlopen?
Antwoord 9
Zie het antwoord op vraag 8. Verder verwijs ik graag naar de brief van 4 juli 2025.
Daarin is uitgebreid ingegaan op aanpassing van het IAS-convenant, de zogenoemde doorbrekingsrechtspraak
van de Hoge Raad en de mogelijkheid die het deelgeschil het slachtoffer kan bieden
in het beperkt aantal gevallen dat er nog een beroep op verjaring wordt gedaan (zie
par. 2.1, 1.2, respectievelijk 2.2 – 2.4 van de brief). Deze ontwikkelingen dragen
bij aan de mogelijkheid van het slachtoffer om zijn schade te verhalen op zijn (voormalig)
werkgever. Zoals in het antwoord op vraag 7 al aangegeven, is het kabinet graag bereid
om samen met het IAS verder te zoeken naar mogelijkheden om het leed van asbestslachtoffers
te verzachten en hun juridische lijdensweg te bekorten.
Vraag 10
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 10
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie -
Mede namens
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.