Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Beckerman over het bericht “Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af”
Vragen van het lid Beckerman (SP) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het bericht «Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af» (ingezonden 13 februari 2026).
Antwoord van Minister van Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 16 maart 2026)
Vraag 1 en 2
Hoe beoordeelt u de signalen dat het draagvlak onder huurders voor de energietransitie
ernstig onder druk staat door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap?1
Deelt u de analyse dat dit risico’s oplevert voor het behalen van de klimaatdoelen
in de gebouwde omgeving?
Antwoord 1 en 2
Ik acht het zorgelijk als het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig
onder druk zou staan door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap. Ik deel de
analyse dat een afnemend draagvlak tot risico’s zou leiden voor het behalen van de
klimaatdoelen in de gebouwde omgeving. Daarom acht ik het een goede zaak dat bij verduurzaming
op verschillende manieren rekening wordt gehouden met de betaalbaarheid en de zeggenschap
van huurders.
In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties serieuze stappen
zetten in het isoleren van huurwoningen. Ze zijn daarmee goed op weg. Met deze doelstellingen
verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te
verlagen met 330 m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een
significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van € 350 tot € 550
per jaar. Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke
stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen
is namelijk blijvend lager. Daarbij geldt dat corporaties woningen isoleren zonder
daarvoor een huurverhoging te vragen. Ook zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten
toegekend voor de energielabels E, F en G. Dit heeft geleid tot lagere maximale huurprijzen
voor woningen met die energielabels.
De huurder heeft voorts met verschillende instrumenten de nodige zeggenschap waardoor
bij de verduurzaming goed aandacht kan zijn voor de betaalbaarheid.
Zo is met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Omgevingswet goede
participatie van bewoners, waaronder huurders, geborgd bij de wijkgerichte aanpak
van een gemeente. Zo moeten gemeenten in de toelichting bij een warmteprogramma en
omgevingsplan motiveren hoe onder andere burgers worden betrokken bij de voorbereiding
en wat de resultaten daarvan zijn. Ook zal een verhuurder op grond van de huurregelgeving
niet zonder meer een woning kunnen verduurzamen zonder overleg met de huurder en zonder
diens instemming.
Vraag 3
Deelt u de analyse van de Woonbond dat het risico bestaat dat de energietransitie
in de gebouwde omgeving stagneert als 3,6 miljoen hurende huishoudens het financiële
voordeel van verduurzaming niet meer ervaren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Ik deel de analyse niet dat er sprake is van een groot risico. Zie mijn antwoord op
vraag 1 en 2 waarin ik aangeef, dat op verschillende manieren rekening wordt gehouden
met het financiële voordeel dat huurders ervaren bij verduurzaming.
Vraag 4
Klopt het dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten
een vergoeding betalen voor deze installatie, terwijl zij door de afbouw van de salderingsregeling
en oplopende terugleverkosten deze investering niet langer kunnen terugverdienen?
Antwoord 4
Het klopt dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten
een vergoeding betalen voor deze installatie. Voor het effect van de afbouw van de
salderingsregeling wijs ik u op het rapport dat is toegezonden bij brief van 30 mei
20252. Daarin is onder meer aangegeven dat de huurder met zonnepanelen door de afschaffing
van de salderingsregeling per saldo € 4 tot € 8 meer betaalt dan de huurder zonder
zonnepanelen. De huurder betaalt namelijk voor de zonnepanelen via de servicekosten.
Dit weegt niet op tegen het voordeel van de terugleververgoeding en de opwek voor
eigen verbruik. Het is van belang te vermelden dat de resultaten gemiddelden zijn:
de effecten kunnen per huishouden behoorlijk verschillen. Afhankelijk van onder andere
gezinsgrootte, verbruik en hoeveelheid panelen, kan het voorkomen dat huurders voordeel
behouden met hun zonnepanelen. Het verhogen van het eigen gebruik beperkt de negatieve
financiële effecten bij huurders, maar zal het niet volledig wegnemen.
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat dit in feite kan neerkomen op een verkapte huurverhoging?
Acht u dit wenselijk in een periode waarin veel huurders al kampen met hoge woonlasten?
Antwoord 5
Ik erken dat huurders de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling zullen
gaan voelen. Tegelijkertijd zijn er diverse maatregelen genomen die leiden tot afnemende
woonlasten bij huurders. Ik wijs daarbij op Nationale prestatieafspraken waardoor
corporaties huurwoningen isoleren met een besparing van € 350 tot € 550 per jaar zonder
daarvoor een huurverhoging te vragen, en de aftrekpunten voor de energielabels E,
F en G. Dit heb ik toegelicht in mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Daarnaast geldt dat de netto huurquote, de verhouding tussen de netto huur en het
netto besteedbaar inkomen, tussen 2021 en 2024 afnam: van 25,4% naar 24,7%3. Voor de jaren daarna wijs ik onder meer op de Wet betaalbare huur en het pakket
aan maatregelen inzake de huurtoeslag. De Wet betaalbare huur heeft geleid tot uitbreiding
van huurprijsbescherming naar de woningen in het middensegment en tot aftrekpunten
en daardoor lagere maximale huurprijzen voor huurwoningen met een energielabel E,
F of G. Het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag heeft geleid tot een verhoging
van € 215 miljoen extra huurtoeslag in 2025 en structureel € 650 miljoen per jaar
vanaf 2026.
Vraag 6
Bent u bereid te onderzoeken of en hoe de rijksoverheid de resterende investeringskosten
van zonnepanelen bij woningcorporaties kan overnemen, zodat huurders niet geconfronteerd
worden met hogere woonlasten en corporaties hun investeringsruimte behouden voor nieuwbouw
en renovatie? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoek gevoegd. In de brief
was ook aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders
in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20264 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief van 9 januari 2026 meldt dat
financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik wijs voorts
op mijn antwoord op vraag 5 waarin ik wijs op de verschillende maatregelen die bijdragen
aan de betaalbaarheid voor huurders.
Ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek zoals wordt gevraagd.
Vraag 7
Klopt het dat huurders die worden aangesloten op een warmtenet op grond van de huidige
wetgeving vaak de maximale vaste kosten betalen, terwijl hun huurprijs niet wordt
aangepast omdat het woningwaarderingsstelsel uitgaat van een gasaansluiting? Hoe beoordeelt
u dit?
Antwoord 7
Het klopt dat de huidige tariefregulering bij warmte op basis van gasreferentie de
kosten van een cv-ketel zijn meegenomen. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus
ook voor huurders. Warmtebedrijven hanteren vaak het maximale gereguleerde tarief.
Het klopt ook, dat het met woningwaarderingsstelsel mogelijk is dat een cv-ketel of
een warmtenet ertoe leidt dat huurders een hogere huurprijs betalen. Er kunnen namelijk
met het woningwaarderingsstelsel punten worden toegekend voor vertrekken die verwarmd
zijn door middel van een onroerende voorziening zoals een cv-ketel of een warmtenet,
en voor een goed energielabel bij een energiezuinige cv-ketel. Het woningwaarderingsstelsel
maakt hierbij geen onderscheid tussen een cv-ketel of een warmtenet.
Mijn oordeel is dat de betaalbaarheid van warmte voor huurders een belangrijk aandachtspunt
is. Er is ook al actie op ondernomen: sinds 2025 worden de stijgingen van energiebelasting
op aardgas niet meegenomen in de warmtetarieven en de berekening van de vaste tarieven
is aangepast, waardoor de tarieven lager zijn geworden en beter aansluiten op de praktijk.
Daardoor is ook voor huurders de betaalbaarheid ten opzichte van aardgas verbeterd.
Dit blijft zo in fase 1 tariefregulering onder de wet collectieve warmtevoorziening.
Ook bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving blijft de betaalbaarheid voor
huurders een belangrijk aandachtspunt. Zo is met het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke
instrumenten warmtetransitie (Bgiw) het amendement Erkens c.s.5 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor
eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Gemeenten
moeten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen
het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven
de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder
de gevolgen voor de maandlasten, juist ook bij de groep kwetsbare afnemers. Anders
kunnen gemeenten de aanwijsbevoegdheid niet inzetten. De wijkaanpak is bij uitstek
een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen,
mee te laten doen aan de verduurzaming.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aansluiting op een warmtenet huurders gemiddeld circa
€ 370 per jaar extra kan kosten?
Antwoord 8
Het kabinet herkent de observatie dat huurders soms duurder uit zijn na overstap op
een warmtenet. Woonlastenneutraliteit is een belangrijke ambitie, maar kan niet in
elke individuele situatie gerealiseerd worden. De betaalbaarheid van warmte voor huurders
ten opzichte van aardgas is een belangrijk aandachtspunt.
In veel gevallen beschermt huurregelgeving huurders tegen kostenstijging na overstap
op een warmtenet. Zo vergt overstap dat de huurder daarmee instemt; bij een complex
gaat het om instemming van minimaal 70% van de huurders. Om deze instemming te verkrijgen,
zal de verhuurder in de praktijk oog moeten hebben voor woonlastenneutraliteit. Om
woonlastenneutraliteit te bereiken, maken verhuurders vaak afspraken met warmtebedrijven
waarbij zij een deel van het vastrecht afkopen, waardoor de rekening voor de huurders
constant blijft. Deze werkwijze is ook afgesproken in het Startmotorkader, waarin
woningcorporaties en warmtebedrijven afspraken maken over verduurzaming van huurwoningen.
Vraag 9
Deelt u de mening dat deze stapeling van kosten leidt tot afnemend draagvlak voor
verduurzaming onder huurders?
Antwoord 9
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen
die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten.
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8.
Vraag 10
Bent u bereid het woningwaarderingsstelsel zodanig aan te passen dat huurders niet
financieel worden benadeeld bij aansluiting op een warmtenet? Zo ja, op welke termijn?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 7 is mijn mening, dat de betaalbaarheid
voor huurders van belang is bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving. Het
kabinet wil binnen vier jaar bij warmtenetten overstappen naar kostengebaseerde tarieven.
Vanaf fase 2 van de wet collectieve warmtevoorziening worden warmtetarieven namelijk
gebaseerd op kosten van warmtebedrijven. In deze wet is opgenomen dat de overgang
naar fase 2 van de tariefregulering pas plaatsvindt wanneer de relatieve betaalbaarheid
van collectieve warmte ten opzichte van het gangbare alternatief voldoende is geborgd.
Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Bij de voorbereiding
van die overstap zal ook worden bezien of een aanpassing van het woningwaarderingsstelsel
noodzakelijk is.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u het feit dat het merendeel van de verduurzamingssubsidies de afgelopen
jaren terecht is gekomen bij eigenaar-bewoners, terwijl huurders minder directe financiële
voordelen hebben ontvangen?
Antwoord 11
Ook huurders hebben de afgelopen jaren bij verduurzaming financiële voordelen genoten,
ook bij subsidieverstrekking voor verduurzaming aan uitsluitend de verhuurder. In
de eerste plaats geldt, dat met de Nationale prestatieafspraken is overeengekomen
dat corporaties geen huurverhoging verbinden aan het isoleren van de woning. In de
Nationale prestatieafspraken is aangegeven, dat woningen die een significante sprong
maken in isolatie een besparing opleveren van € 350 tot € 550 per jaar. Voor een private
verhuurder die met instemming van de huurder verduurzaamt en wel een huurverhoging
vraagt, geldt dat de verhuurder daarvoor de ontvangen subsidies buiten beschouwing
dient te laten. Een huurder heeft daardoor indirect voordeel van een subsidie die
de verhuurder heeft ontvangen. In de tweede plaats zijn met de Wet betaalbare huur
aftrekpunten geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G. Deze huurwoningen
kregen daardoor een lagere maximale huur hetgeen leidde tot voordeel voor de huurder.
Tenslotte geldt, dat een hogere huur na verduurzaming leidt tot meer recht op huurtoeslag.
Ook dit is een financieel voordeel voor de huurder.
Vraag 12
Bent u bereid te bezien hoe publieke middelen eerlijker kunnen worden verdeeld, zodat
huurders evenredig profiteren van subsidies en fiscale regelingen voor verduurzaming?
Antwoord 12
De verdeling van publieke middelen is aan de orde bij de vaststelling van de Rijksbegroting.
Op dat moment kan worden bezien hoe deze publieke middelen eerlijk kunnen worden verdeeld
gezien de verschillende beleidsdoelen van de regering.
Vraag 13
Hoe waarborgt u dat bij grootschalige renovaties waarvoor instemming van 70% van de
huurders vereist is, daadwerkelijk sprake is van vrijwillige en geïnformeerde instemming,
en niet van druk of financiële dwang?
Antwoord 13
Vrijwillige en geïnformeerde instemming, zonder druk of financiële dwang bij grootschalige
renovaties van huurders is geborgd door een reeks aan maatregelen. In de eerste plaats
is de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht
de nodige participatie te laten plaatsvinden bij de wijkgerichte aanpak. In de tweede
plaats is een verhuurder bij grootschalige renovaties op grond van de Wet overleg
huurders verhuurder verplicht de huurdersorganisatie te betrekken. In de derde plaats
betekent een grootschalige renovatie met instemming van 70% van de huurders niet,
dat een individuele huurder van betrokken complex, zonder meer een renovatie moet
accepteren. Die individuele huurder kan zich wenden tot de kantonrechter. Tenslotte
wijs ik u op een aantal maatregelen die hebben geleid tot een voordeel bij de huurders,
en dus niet tot financiële dwang. Dit betreft de Nationale prestatieafspraken waarin
is afgesproken, dat corporaties geen huurverhoging zullen verbinden aan isolatie.
Ook wijs ik op de aftrekpunten die met de Wet betaalbare huur zijn geïntroduceerd
voor huurwoningen met energielabels E, F en G.
Vraag 14
Deelt u de opvatting dat verlaging van het instemmingspercentage geen structurele
oplossing is voor afnemend draagvlak, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat verduurzaming
per saldo leidt tot lagere woonlasten voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 14
Ik ben van oordeel dat huurders in beginsel zelf het beste kunnen afwegen of en welke
vorm van verduurzaming het beste past bij hun situatie. Daarbij kunnen zij niet alleen
lagere woonlasten voor ogen hebben, maar ook een aspect als meer wooncomfort. Daarbij
wordt ook met andere wet- en regelgeving ingezet op betaalbare verduurzaming voor
huurders. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, moeten gemeenten bij de inzet
van de aanwijsbevoegdheid de betaalbaarheid voor bewoners in de wijk, waaronder de
huurders, waarborgen. Gemeenten moeten in de wijkaanpak rekening houden met de financierbaarheid
van de maatregelen en de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame
energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens. Gemeente
kunnen via de wijkaanpak huishoudens met een lager inkomen ondersteunen. Daarmee kan
voor deze huishoudens een comfortabeler huis worden gerealiseerd tegen acceptabele
energielasten. Of het vereiste instemmingspercentage van 70% moet worden gehandhaafd,
acht ik afhankelijk van de vraag of bij een ander percentage voldoende draagvlak aanwezig
blijft.
Vraag 15
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat de energietransitie
in de huursector onbetaalbaar wordt en het draagvlak onder huurders verder afneemt?
Antwoord 15
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen
die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten.
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8. Daarnaast wil ik
wijzen op een ontwerpwetsvoorstel ter aanpassing van het instemmingsrecht en initiatiefrecht.
In dit ontwerp blijft draagvlak onder de huurders van belang, door de huurdersvertegenwoordiging
een belangrijkere positie te geven. Ook wijs ik op het ontwerpbesluit ter aanpassing
van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit ontwerpbesluit is gericht op uitfasering
van de energielabels E, F en G in de huursector. De verhuurder wordt daarmee verplicht
tot verduurzaming van huurwoningen met een energielabel E, F of G. Dit ontwerpwetsvoorstel
en dit ontwerpbesluit zijn ter internetconsultatie beschikbaar gesteld. Ik verwacht
u rond de zomer te melden of deze internetconsultaties zullen leiden tot aanvullende
maatregelen.
Vraag 16
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over
compensatie voor huurders die worden getroffen door de afschaffing van de salderingsregeling
(Kamerstuk 36 725-XXII, nr. 14).
Antwoord 16
De genoemde motie verzocht te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden,
en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei
2025 was een onderzoekrapport toegezonden waarin de omvang van de compensatie was
aangegeven die aan de orde zou kunnen zijn. In die brief was tevens aangegeven dat
er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing
van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20266 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief meldt dat financiële dekking
ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik acht de genoemde motie hiermee
afgehandeld.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.