Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) (Kamerstuk 25087-359)
25 087 Internationaal fiscaal (verdrags)beleid
Nr. 361 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 13 maart 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 5 januari 2026 over Side-by-Side-pakket
wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) (Kamerstuk 25 087, nr. 359).
De vragen en opmerkingen zijn op 13 februari 2026 aan de Staatssecretaris van Financiën
voorgelegd. Bij brief van 13 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van de Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
Vragen en opmerkingen van de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 5 januari 2026 over
het Side-by-Side pakket minimumbelasting (Pijler 2), alsmede van de op 3 februari
2026 ontvangen antwoorden op schriftelijke vragen over dat onderwerp van de leden
van de VVD-, JA21- en Volt-fracties. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden enkele
vragen.
Op 5 januari 2026 is er een akkoord bereikt over maatregelen waarmee bepaalde belastingstelsels
onder voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd als equivalent aan Pijler 2. De leden
van de D66-fractie merken op dat dit in de praktijk neerkomt op een versoepeling van
de regels voor de Verenigde Staten. Deze leden betreuren het dat de Verenigde Staten
hiermee een uniforme wereldwijde systematiek voor een minimumbelastingheffing voor
multinationals ondergraaft. De leden van de D66-fractie vragen tot welke voordelen
dit akkoord in de praktijk leidt voor ondernemingen, die zijn gevestigd in de Verenigde
Staten ten opzichte van ondernemingen, die zijn gevestigd in een land dat Pijler 2
volledig heeft geïmplementeerd.
Op grond van de Side-by-Side-veiligehavenregel wordt de bijheffing onder de inkomen-inclusiemaatregel
en de onderbelastewinstmaatregel niet toegepast ten aanzien van alle binnenlandse
en buitenlandse winsten van multinationale groepen waarvan de uiteindelijke moederentiteit
zich in een kwalificerende jurisdictie bevindt. Deze veiligehavenregel heeft als doel
om te voorkomen dat een multinationale groep zowel aan Pijler 2 als aan een kwalificerende
equivalente minimumbelasting wordt onderworpen. Het Inclusive Framework (IF) heeft
geoordeeld dat in de Verenigde Staten (VS) een kwalificerende equivalente minimumbelasting
van toepassing is die een minimumniveau van belasting waarborgt over zowel binnenlandse
als buitenlandse winsten van een multinationale groep. Concreet betekent dit dat Amerikaanse
multinationale groepen voor hun binnenlandse en buitenlandse winsten geen Pijler 2-bijheffing
verschuldigd zijn op grond van de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel,
omdat deze winsten geacht worden gelijkwaardig te worden belast op grond van het Amerikaanse
belastingstelsel. Wel moeten Amerikaanse multinationale groepen binnenlandse bijheffing
blijven betalen voor zover die wordt geheven in andere jurisdicties waar zij opereren.
Tevens moeten de VS voor die bijheffing verrekening verlenen. Of een multinationale
groep met het hoofdkantoor in de VS een voordeel heeft als gevolg van de Side-by-Side-veiligehavenregel,
in die zin dat die groep minder belasting verschuldigd is over de binnenlandse of
buitenlandse winsten dan een vergelijkbare groep met het hoofdkantoor in een implementerende
jurisdictie verschuldigd zou zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Dat hangt onder meer af van de grondslag waarover wordt geheven en de mogelijkheid
tot verrekening van de belasting die is geheven in een ander land. Uitgangspunt van
het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen
vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
De leden van D66-fractie lezen in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat
er herhaaldelijk wordt gesproken over «robuuste» en strikte» voorwaarden. Tegelijk
constateren ook deze leden dat in de criteria redelijk open normen terugkomen als
«materieel risico» en «substantieel deel». Het Inclusive Framework van de OESO spreekt
bovendien van een «pragmatic assessment of the overall operation of the tax system».
De leden van de D66-fractie zijn benieuwd of de Staatssecretaris nader kan toelichten
en onderbouwen waarom hij de Side-by-Side-veiligehavenregel (afdoende) robuust en
strikt acht.
De toepassingsvoorwaarden van de Side-by-Side-veiligehavenregel en de Ultimate Parent
Entity (UPE) veiligehavenregel zijn een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve
criteria. In de onderlinge samenhang acht het kabinet deze criteria robuust. Zo geldt
er voor de toepassing van de Side-by-Side-veiligehavenregel dat er sprake moet zijn
van een kwalificerend binnenlands en wereldwijd belastingstelsel dat een minimumniveau
van belastingheffing waarborgt over zowel binnenlandse als buitenlandse winsten van
een multinationale groep. Van een kwalificerend binnenlands belastingstelsel is allereerst
sprake indien een statutair vennootschapsbelastingtarief van ten minste 20% van toepassing
is. Daarnaast dient er een binnenlandse bijheffing of alternatieve binnenlandse minimumbelasting
met een tarief van ten minste 15% van kracht te zijn die van toepassing is op een
substantieel deel van de binnenlandse winsten van een multinationale groep die onder
de reikwijdte van Pijler 2 valt. Tot slot is vereist dat het belastingstelsel niet
in overwegende mate het risico met zich brengt van een belasting naar de winst van
in die jurisdictie gevestigde groepsentiteiten tegen een effectief belastingtarief
van minder dan 15%. Voor een kwalificerend wereldwijd belastingstelsel geldt – kort
gezegd – dat er zowel actief als passief inkomen uit activiteiten gelegen in een andere
jurisdictie in aanmerking worden genomen. Voor een kwalificerend wereldwijd belastingstelsel
is bovendien vereist dat wordt voorzien in voldoende maatregelen tegen uitholling
van de belastinggrondslag en winstverschuivingen. Een kwalificerend wereldwijd belastingstelsel
dient tot slot niet in overwegende mate het risico met zich te brengen dat de gezamenlijke
winst van in andere jurisdicties gevestigde groepsentiteiten wordt belast tegen een
effectief belastingtarief van minder dan 15%. De UPE-veiligehavenregel heeft betrekking
op de binnenlandse activiteiten van multinationale groepen waarvan de uiteindelijkemoederentiteit
is gevestigd in een jurisdictie die beschikt over een kwalificerend binnenlands belastingstelsel.
De criteria die gelden voor een kwalificerend binnenlands belastingstelsel bij de
UPE-veiligehavenregel zijn gelijk aan de criteria die gelden voor een kwalificerend
binnenlands belastingstelsel bij de Side-by-Side-veiligehavenregel.
De effectiviteit van de Pijler 2-regels wordt daarnaast ook gewaarborgd door de onveranderde
werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke
speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien
alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing
– voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie
van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel
blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel
in te voeren. Deze prikkel wordt bewerkstelligd doordat onder de Sidy-by-Side-veiligehavenregel
is vereist dat er een verrekening wordt verleend voor de binnenlandse bijheffing.
Deze prikkel bestaat ook onder de UPE-veiligehavenregel omdat de onderbelastewinstmaatregel
alleen niet wordt toegepast ten aanzien entiteiten die gevestigd zijn in de jurisdictie
van de uiteindelijkemoederentiteit indien die jurisdictie beschikt over een kwalificerend
binnenlandsbelastingstelsel. Voor de entiteiten die niet gevestigd zijn in de staat
van de uiteindelijke moederentiteit geldt in dergelijke gevallen dat de onderbelastewinstmaatregel
en inkomen-inclusiemaatregel wel van toepassing zijn. Voor deze gevallen blijft er
een prikkel om een binnenlandse bijheffing in te voeren. Op dit moment kennen zo’n
vijfenzestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing of zullen die invoeren1. Daarnaast hecht het kabinet aan de afgesproken toekomstige evaluatie om te volgen
hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt. Als onderdeel van het akkoord
is afgesproken om waar nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het
gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
De leden van de D66-fractie vragen hoe de criteria voor een kwalificerend belastingstelsel
tot stand zijn gekomen. Zijn deze geformuleerd op basis van het vigerende stelsel
van de Verenigde Staten of moet het stelsel van de Verenigde Staten nog worden aangepast
om aan de eisen voor een kwalificerend belastingstelsel te voldoen?
Het Side-by-Side-akkoord is in het IF overeengekomen mede naar aanleiding van de verklaring
van de G7 over de wereldwijde minimumbelastingen van 28 juni 2025.2 Een van de uitgangspunten van die verklaring is dat bijheffing onder de inkomen-inclusiemaatregel
en de onderbelastewinstmaatregel niet wordt toegepast ten aanzien van multinationale
groepen met een hoofdkantoor in de VS over al hun binnenlandse en buitenlandse winsten.
Het IF heeft geoordeeld dat in de VS een kwalificerend belastingstelsel van toepassing
is dat een minimumniveau van belasting waarborgt over zowel binnenlandse als buitenlandse
winsten van een multinationale groep aangezien de VS een robuust stelsel hebben voor
de belastingheffing van binnenlandse en buitenlandse winsten. Wel is vereist dat de
VS een verrekening geven voor de binnenlandse bijheffing die op grond van Pijler 2
is geheven in een andere jurisdictie. De grondslagen van dit stelsel hebben weliswaar
de basis gevormd voor de criteria voor een kwalificerende equivalente minimumbelasting,
maar dat wil niet zeggen dat andere jurisdicties niet ook een verzoek zouden kunnen
doen (binnen de daarvoor gestelde termijn) om als een kwalificerende jurisdictie te
kunnen worden aangemerkt.
De leden van de D66-fractie merken op dat de Staatssecretaris in de appreciatie van
het akkoord veel thema’s «van belang» vindt. Deze leden kunnen uit de appreciatie
echter niet opmaken wat het oordeel van de Staatssecretaris op deze thema’s is over
het bereikte akkoord. Kan de Staatssecretaris hierop nader ingaan?
Een wezenlijk element in het Side-by-Side-pakket betreft de onverkorte toepassing
van de binnenlandse bijheffing. De toepassing van de binnenlandse bijheffing blijft
namelijk onverkort van kracht op groepsentiteiten die in een andere jurisdictie zijn
gevestigd dan de jurisdictie van de uiteindelijkemoederentiteit die voldoet aan de
Side-by-Side-veiligehavenregel dan wel aan de UPE-veiligehavenregel. Bovendien geldt
onder de Side-by-Side-veiligehavenregel de verplichting om te voorzien in een verrekening
van de binnenlandse bijheffing. Als gevolg hiervan prevaleert de toepassing van de
binnenlandse bijheffing, hetgeen recht doet aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Dat is van belang voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen
van Pijler 2. De erkenning van een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel
is noodzakelijk om een fiscaal coherent en internationaal werkbaar systeem te waarborgen.
Dit geldt in het bijzonder voor jurisdicties die de Pijler 2-regels niet hebben geïmplementeerd,
maar wel beschikken over een robuust minimumbelastingregime dat materieel aansluit
bij de doelstellingen van Pijler 2. Het doel van Pijler 2 is tweeledig. Ten eerste
beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende
jurisdicties te verminderen. Ten tweede beoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen
aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties. Hiermee moet de race naar de bodem
in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor
internationaal opererende bedrijven. Een akkoord – waarbij Pijler 2 van kracht blijft –
acht het kabinet van belang om een wereldwijd netwerk van minimumbelastingen zo goed
mogelijk in stand te houden en een gelijk speelveld te creëren. Het akkoord is bovendien
van belang om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem.
Daarnaast is het voor het kabinet belangrijk dat verschillende vereenvoudigingen zijn
opgenomen in het Side-by-Side pakket. De voorgestelde permanente Simplified Effective
Tax Rate veiligehavenregel voorziet in een vereenvoudiging van een van de ingewikkeldste
onderdelen van de Pijler 2-regels, namelijk de berekening van het effectieve belastingtarief.
Hoewel bij deze berekening de financiële jaarverslaggevingstandaard het uitgangspunt
is, dienen daar de nodige correcties te worden aangebracht om tot het kwalificerende
inkomen of verlies te komen. Dat geldt ook voor het bepalen van de gecorrigeerde betrokken
belastingen om de effectieve belastingdruk te berekenen. De opgenomen vereenvoudigingen
bewerkstelligen dat een aantal correcties uit de Pijler 2-regels voor de berekening
van het effectieve belastingtarief achterwege kan blijven. De voorgestelde verlenging
van de tijdelijke Country-by-Country-Reporting (CbCR) veiligehavenregel leidt er daarnaast
toe dat een multinationale groep een langere periode verlichting krijgt van haar nalevingsverplichtingen.
Een multinationale groep hoeft, als gevolg van een tijdelijke CbCR-veilige havenregel,
geen gedetailleerde Pijler 2-berekening op te stellen ten aanzien van haar entiteiten
in staten waar de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel van toepassing is. Voor toepassing
van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel wordt gebruik gemaakt van gegevens waarover
de multinationale groep al beschikt.
Tot slot is het positief dat de gunstige behandeling van kwalificerende fiscale regelingen
ertoe leidt dat bepaalde fiscale regelingen die in een jurisdictie van toepassing
zijn onder voorwaarden niet ongedaan worden gemaakt als gevolg van een bijheffing.
Dit betekent dat ondernemingen uit jurisdicties die de Pijler 2-regels hebben geïmplementeerd
onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als ondernemingen
uit jurisdicties die de Pijler 2-regels niet hebben geïmplementeerd en die kwalificeren
voor de Side-by-Side of UPE-veiligehavenregel. Tegelijkertijd vindt het kabinet het
goed dat er een maximum is afgesproken waarmee is gewaarborgd dat de gunstige behandeling
van kwalificerende fiscale regelingen alleen is toegestaan voor zover dit gepaard
gaat met reële economische activiteit en investeringen in de jurisdictie zelf om uitholling
van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2 te voorkomen.
Voorts schrijft de Staatssecretaris dat het IF bepaalt of een regime als een Qualified
Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Kan de Staatssecretaris nader toelichten
hoe deze aanmerking verloopt? Hoe wordt voorkomen dat andere grootmachten met politieke
druk ervoor zorgen dat hun belastingstelsel wordt erkend als equivalent voor de toepassing
van de Pijler 2-regels?
Als een IF-jurisdictie een verzoek indient om aangemerkt te worden als kwalificerende
jurisdictie voor de toepassing van de Side-by-Side-veiligehavenregel, zal het IF in
de eerste helft van 2026 beoordelen of het desbetreffende belastingstelsel aan de
criteria voldoet die in het Side-by-Side-pakket zijn overeengekomen. Wanneer het IF
beoordeelt dat aan de criteria is voldaan, wordt de desbetreffende jurisdictie opgenomen
als een kwalificerende jurisdictie in het centrale register van de OESO. In dit overzicht
is nu reeds de Verenigde Staten opgenomen als kwalificerend Side-by-Side-regime.3
Het is op dit moment niet bekend of andere IF-jurisdicties zo’n verzoek zullen indienen.
Het kabinet vertrouwt erop dat het IF, ondersteund door de OESO, een adequaat proces
zal verzorgen wanneer een andere IF-jurisdictie een verzoek zal indienen.
Na 2026 kunnen IF-jurisdicties alleen in 2027 of 2028 nog een verzoek indienen ter
beoordeling door het IF of ze aan de criteria voldoen voor de toepassing van de Side-by-Side-veiligehavenregel.
Bij dat beoordelingsproces zal rekening worden gehouden met de doelstelling van het
IF dat de wereldwijde minimumbelasting het primaire systeem moet zijn voor het waarborgen
van een minimumniveau van belasting, met name door de implementatie van gekwalificeerde
binnenlandse bijheffingen. Ook zal rekening worden gehouden met de verzamelde informatie
als onderdeel van de toekomstige evaluatie («stocktake») van het Side-by-Side-pakket.
De leden van de D66-fractie zijn ook benieuwd naar de mate waarin het framework handhaafbaar
is in een wereld met toenemende politieke omwentelingen. Zo zijn de leden benieuwd
hoe sterk de Staatssecretaris het Side-by-Side-systeem acht als landen na een regeringswisseling
hun belastingstelsel versoepelen of minder strikt handhaven. Welke handhavingsinstrumenten
bestaan er in dat geval?
Een jurisdictie die is opgenomen in het centrale register als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie
is verplicht het IF op de hoogte te stellen indien zij haar kwalificerende Side-by-Side-regime
wezenlijk wijzigt binnen drie maanden na de relevante wijziging (bijvoorbeeld de datum
van inwerkingtreding wanneer de wijziging voortvloeit uit wetgeving). Na ontvangst
van een dergelijke melding zal het IF overwegen wat de beste vervolgstappen zijn.
Een wijziging wordt als wezenlijk beschouwd indien deze naar verwachting van invloed
zou kunnen zijn op de beoordeling van een regime als kwalificerend.
In dit kader zijn deze leden ook benieuwd hoe wordt gewaarborgd dat de binnenlandse
bijheffing niet alleen formeel bestaat, maar ook daadwerkelijk effectief wordt geheven
en geïnd. Hoe wil de Staatssecretaris dit borgen, behalve door te leunen op een toekomstige
evaluatie?
Jurisdicties die een binnenlandse bijheffing hebben ingevoerd, zijn onderworpen aan
een peer review proces bij de OESO. Een binnenlandse bijheffing zal alleen als kwalificerend
worden beschouwd als het IF deze bijheffing als zodanig heeft aangemerkt. Voorwaardelijke
of discriminatoire binnenlandse bijheffingen zullen niet als kwalificerend worden
aangemerkt. Daarnaast is binnen het IF afgesproken dat een binnenlandse bijheffing
niet ongedaan mag worden gemaakt door het verlenen van verbonden voordelen («related
benefits»). In het kader van het peer review proces zal ook de uitvoering van de kwalificerende
binnenlandse bijheffing voortdurend worden opgevolgd.
De leden van de D66-fractie lezen ook dat in deze evaluatie eventuele structurele
concurrentieverstoringen in kaart zouden moeten worden gebracht. Deze leden constateren
dat het dus jaren kan duren voordat een structurele concurrentieverstoring is geconstateerd
en verholpen. Welke acties onderneemt de Staatssecretaris om voorafgaand aan de evaluatie
eventuele concurrentieverstoringen te monitoren en aan te kaarten?
Als onderdeel van het Side-by-Side-akkoord heeft het IF afgesproken dat eventuele
substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling
en winstverschuiving zullen worden geadresseerd om de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen
van de wereldwijde minimumbelasting en het Side-by-Side-systeem te waarborgen. De
toekomstige evaluatie («stocktake»), die het IF in 2029 wil afronden, is hiertoe een
middel. Het kabinet heeft begrip voor dit tijdspad. IF-jurisdicties moeten het Side-by-Side-akkoord
nu immers eerst nog implementeren en vervolgens kost het ook tijd om data te verzamelen
en een gedegen analyse te maken van eventuele structurele effecten. Het kabinet blijft
in gesprek met het bedrijfsleven om vroegtijdig signalen van concurrentieverstoring
te ontvangen als ook van eventuele intenties om vanwege dergelijke verstoringen het
hoofdkantoor te verplaatsen. Wanneer daar aanleiding toe is, zal het kabinet uw Kamer
daarover informeren.
De leden van de D66-fractie hebben ook zorgen over de toenemende mondiale fricties
en de gevolgen hiervan op het akkoord. Deze leden vragen of en, zo ja, hoe rekening
wordt gehouden met een «revenge tax» of een dreiging daartoe als antwoord op binnenlandse
bijheffingen.
In het bereikte Side-by-Side-akkoord is uitdrukkelijk opgenomen dat de Side-by-Side-veiligehavenregel
geen gevolgen heeft voor de toepassing van de binnenlandse bijheffing. In de verklaring
van de G7 over de wereldwijde minimumbelasting van 28 juni 2025 werd ook benadrukt
dat de intrekking van het voorstel voor een zogenoemde strafheffing door de VS van
cruciaal belang is voor het bereiken van een akkoord over een Side-by-Side-systeem.
Deze leden lezen ook dat de Staatssecretaris er belang aan hecht dat onder het Side-by-Side-systeem
een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden
dan wel in te voeren. Kan de Staatssecretaris nader uiteenzetten hoe en in hoeverre
deze prikkel in het huidige akkoord wordt geborgd?
Indien de effectieve belastingdruk van de groepsentiteiten van een multinationale
groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt, is een bijheffing voor het verschil
verschuldigd. Als de desbetreffende jurisdictie niet zelf voorziet in een bijheffing
door middel van een kwalificerende binnenlandse bijheffing, zullen andere jurisdicties
bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelastewinstmaatregel.
Jurisdicties hebben dus belang bij een kwalificerende binnenlandse bijheffing om geen
belastinginkomsten mis te lopen. De in het Side-by-Side-pakket afgesproken veiligehavenregels
staan de toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing niet in de weg.
Bij de bepaling van de binnenlandse bijheffing wordt geen rekening gehouden met een
Controlled Foreign Company (CFC) -heffing of andere belastingen die op het niveau
van de groepsentiteit-belanghouder worden geheven. Bovendien zal een kwalificerende
equivalente jurisdictie de binnenlandse bijheffing onder dezelfde voorwaarden verrekenen
als elke andere verrekenbare buitenlandse winstbelasting. Gezien het belang van de
ondersteuning van jurisdicties bij de implementatie van de binnenlandse bijheffing,
zal het IF de werkzaamheden voortzetten om de administratieve lasten voor jurisdicties
te verminderen en de naleving te vereenvoudigen voor multinationale groepen die onder
de wereldwijde minimumbelasting vallen. Deze werkzaamheden omvatten het identificeren
van mogelijke verdere coördinatiemogelijkheden die de nalevingslasten kunnen verlagen
voor multinationale groepen met activiteiten in jurisdicties die een binnenlandse
bijheffing hebben ingevoerd. Een binnenlandse bijheffing zal alleen als kwalificerend
kunnen worden aangemerkt als zij consistent, onvoorwaardelijk en zonder onderscheid
wordt toegepast. Het peer review proces en de werkzaamheden ten behoeve van het tegengaan
van zogenoemde verbonden voordelen zijn hierbij van groot belang. Daarnaast zullen
de werkzaamheden aan de integriteitsmaatregelen ertoe bijdragen dat de essentiële
rol van de binnenlandse bijheffing wordt behouden.
Ten slotte lezen de leden van de D66-fractie dat sommige grote landen Pijler 2 niet
(volledig) hebben geïmplementeerd. Deze leden vragen of de Staatssecretaris een lijst
kan verstrekken van landen die Pijler 2 wel hebben geïmplementeerd en welke belangrijke
handelslanden niet? Kan de Staatssecretaris nader uiteenzetten in hoeverre het hier
gaat om dan wel landen, die net als de Verenigde Staten beogen hun belastingstelsel
te laten erkennen als equivalent voor de toepassing van de Pijler 2-regels, dan wel
nog voornemens zijn te implementeren, dan wel zich geheel te onthouden van deelname
aan de afspraken?
Op dit moment hebben zo’n 65 jurisdicties Pijler 2 ingevoerd of zijn daarmee bezig.4 Voor een overzicht van de kwalificerende maatregelen en regimes van implementerende
jurisdicties wordt verwezen naar de centrale registratie zoals de OESO die bijhoudt.5 Daarnaast beoordeelt het IF momenteel Pijler 2-minimumbelastingen van nog een aantal
jurisdicties voor kwalificatie in het kader van het peer review proces. Van de vijftien
belangrijkste handelspartners van Nederland6 heeft, naast de VS, alleen China de Pijler 2-regels niet ingevoerd. Het is niet bekend
of China Pijler 2 zal invoeren of een verzoek zal doen om te worden aangemerkt als
een jurisdictie met een kwalificerend equivalent belastingstelsel voor de Side-by-Side-veiligehavenregel
of de UPE-veiligehavenregel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Staatssecretaris over het Side-by-Sidepakket. Deze leden memoreren dat zij al eerder
schriftelijke vragen over dit pakket hebben gesteld. Deze leden maken zich zorgen
over het gelijke speelveld voor Europese en specifiek Nederlandse bedrijven en willen
vooral het belang van een sterk Nederlands vestigingsklimaat benadrukken.
De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris in te gaan op het mondiale
gelijke speelveld. Leidt het verschil in behandeling tussen Nederland en de VS tot
een mondiaal gelijk speelveld en gelijke behandeling? Zo niet, kan de Staatssecretaris
toelichten wat de gevolgen hiervan zijn?
Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is (vooralsnog) alleen het Amerikaanse
belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van
de Side-by-Side-veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet
bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelastewinstmaatregel
over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale
groep met het hoofdkantoor in de VS. In dat verband is het van belang om op te merken
dat in de VS reeds minimumbelastingregels van kracht zijn. Dat betreft een samenstel
van onder meer de CFC-regels, het zogenoemde Subpart F, de zogeheten Global Intangible
Low-Taxed Income-regeling (GILTI) tot en met 2025 en daarna de zogeheten Net CFC Tested
Income-regeling (NCTI) en de Corporate Alternative Minimum Tax-regeling (CAMT). Deze
regels beogen kort gezegd zowel de binnenlandse als buitenlandse winsten van Amerikaanse
groepen aan een minimumniveau van belastigheffingheffing te onderwerpen. Het voorgaande
laat onverlet dat op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel wordt bijgeheven
tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15% ten aanzien van groepsentiteiten
buiten de VS indien aldaar een binnenlandse bijheffing van toepassing is. Deze binnenlandse
bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten
aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep
met het hoofdkantoor in de VS. In dergelijke gevallen dient de uiteindelijkemoederentiteit
in de VS te voorzien in een verrekening van de binnenlandse bijheffing. Als gevolg
hiervan prevaleert de toepassing van de binnenlandse bijheffing, hetgeen recht doet
aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Dat is van belang voor het gelijke speelveld
en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2. Veel jurisdicties
hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen
zo’n vijfenzestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing of zullen die invoeren.7 De gunstige behandeling van kwalificerende fiscale regelingen leidt er bovendien
toe dat bepaalde fiscale regelingen die in een jurisdicties van toepassing zijn onder
voorwaarden niet ongedaan worden gemaakt als gevolg van een bijheffing. Dit betekent
dat jurisdicties die de Pijler 2-regels hebben geïmplementeerd onder grotendeels dezelfde
omstandigheden kunnen blijven opereren als jurisdicties die de Pijler 2-regels, zoals
de VS, niet hebben geïmplementeerd. De toepassing van de binnenlandse bijheffing in
buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van kwalificerende fiscale regelingen
komt ten goede aan het gelijke speelveld.
Deze leden constateren dat in antwoord op vragen van de VVD-fractie de Staatssecretaris
aangeeft geen risico te zien op het vertrek van hoofdkantoren van (Nederlandse) bedrijven
naar de Verenigde Staten. Kan de Staatssecretaris dit monitoren en meenemen in de
jaarlijkse monitoringsbrief?
Het is complex om precies te monitoren wat de redenen van bedrijven zijn om activiteiten
geheel of gedeeltelijk naar het buitenland te verplaatsen. Een beslissing tot verplaatsing
van activiteiten is meestal het gevolg van een mix van factoren, die bijna in alle
gevallen bedrijfsspecifiek is. De motieven waarom bedrijven een investering doen in
Nederland, of juist desinvesteren, kunnen niet worden bijhouden. Wel kan op basis
van enquêtes een beeld worden verkregen. De Monitor Ondernemingsklimaat die het kabinet
jaarlijks uitbrengt, geeft een actueel beeld van het Nederlandse ondernemingsklimaat.
Overwegingen van bedrijven, waaronder multinationals, om naar het buitenland te vertrekken
zijn onderdeel van de Monitor.
Het kabinet blijft in gesprek met het bedrijfsleven om vroegtijdig signalen van concurrentieverstoring
te ontvangen als ook van eventuele intenties om vanwege dergelijke verstoringen het
hoofdkantoor te verplaatsen. Wanneer daar aanleiding toe is zal het kabinet uw Kamer
daarover informeren.
De Staatssecretaris geeft daarnaast aan dat er geen reden zou zijn om een verzoek
te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side-veiligehavenregel
en de UPE veiligehavenregel. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke punten de Nederlandse
vennootschapsbelasting moet worden aangepast om te voldoen aan de voorwaarden die
gelden voor de Side-by-Side-veiligehavenregel? Indien dit niet bekend is, kan dit
dan verder worden uitgewerkt? Kan de Staatssecretaris ook aangeven wat de budgettaire
impact zou zijn van de wijzigingen in de Nederlandse vennootschapsbelasting om te
kwalificeren voor de Side-by-Side veiligehaven?
Het kabinet ziet geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse
stelsel onder de Side-by-Side-veiligehavenregel en de UPE-veiligehavenregel. In dat
kader zijn de volgende elementen van belang.
Binnen het IF is afgesproken dat de OESO-modelregels voor Pijler 2 het primaire systeem
vormen voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. In het Side-by-Side-pakket
wordt in dat verband expliciet opgemerkt: «the adoption of a co-ordinated Global Minimum Tax (GMT), based on a common approach,
should be the primary system for ensuring minimum taxation.»8 De Side-by-Side-veiligehavenregel en de UPE-veiligehavenregel moeten tegen deze achtergrond
worden bezien. Deze veiligehavenregels gelden voor jurisdicties die de Pijler 2-regels
niet hebben ingevoerd maar desondanks wel een vorm van minimumbelasting kennen. De
genoemde veiligehavenregels regelen dat de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel
niet worden toegepast indien een jurisdictie beschikt over een kwalificerend minimumbelastingstelsel.
De veiligehavenregels laten de werking van de kwalificerende binnenlandse bijheffing
ongewijzigd.
Op Nederland rust de verplichting om de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing
(Richtlijn (EU) 2022/2523) in wetgeving te implementeren. Aan deze verplichting heeft
Nederland voldaan door invoering van de Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024). De genoemde
richtlijn is gebaseerd op de OESO-modelregels en administratieve richtsnoeren inzake
Pijler 2. In Nederland worden de Pijler 2-regels derhalve al volledig toegepast via
de WMB 2024. Door de combinatie van de kwalificerende binnenlandse bijheffing, de
inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel wordt een effectief minimumniveau
van 15% per jurisdictie gewaarborgd. Het minimumniveau van belastingheffing in Nederland
wordt derhalve reeds gewaarborgd via deze systematiek. Een kwalificatie van het Nederlands
stelsel onder de Side-by-Side-veiligehavenregel zou dit minimumniveau niet wijzigen.
Hoewel het kabinet geen reden ziet om een kwalificatieverzoek in te dienen, wordt
– mede met het oog op de volledigheid van de beantwoording – opgemerkt dat een eventuele
beoordeling en aanpassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting niet kan worden
beperkt tot één afzonderlijke bepaling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
(Wet Vpb 1969) maar dat een grondige herziening van de Wet Vpb 1969 zou zijn vereist.
Het kabinet wijst erop dat de Side-by-Side-veiligehavenregel onder meer vereist dat
sprake moet zijn van een belasting naar de winst ter zake van zowel actief als passief
inkomen uit activiteiten gelegen in een andere staat. Voor actieve buitenlandse ondernemingswinsten
geldt dat deze in beginsel van Nederlandse heffing zijn vrijgesteld. Dit sluit aan
bij het Nederlandse verdragsbeleid en de nationale fiscale wetgeving (zoals de deelnemingsvrijstelling)
die er van oudsher op zijn gericht om zoveel mogelijk het principe van kapitaalimportneutraliteit
te realiseren voor actieve inkomsten, zodat Nederlandse ondernemingen en werknemers
in de buitenlandse markt zich in dezelfde concurrentiepositie bevinden als lokale
bedrijven en werknemers. Om deze gelijke concurrentiepositie te realiseren stelt Nederland
actief inkomen in principe vrij en wordt de heffing over resultaten met voldoende
binding aan het buitenland overgelaten aan het desbetreffende land. Het in de heffing
betrekken van actief inkomen, hetgeen een vereiste is voor de toepassing van de Side-by-Side-veiligehavenregel,
doet afbreuk aan de vrijstellingsmethode die leidt tot kapitaalimportneutraliteit.
Hierbij wordt, wellicht ten overvloede, opgemerkt dat in het regeerakkoord is afgesproken
dat met het oog op een gelijk speelveld de vaak ter discussie gestelde regelingen
moeten worden behouden die belangrijk zijn voor bedrijven, waaronder de deelnemingsvrijstelling.9 Daarnaast geldt dat de Wet Vpb 1969 van toepassing is op alle belastingplichtige
lichamen, terwijl de minimumbelasting uitsluitend ziet op groepen met een omzet van
ten minste € 750 miljoen. Aanpassingen in de Wet Vpb 1969 zouden derhalve in beginsel
een bredere reikwijdte kunnen hebben dan de doelgroep van Pijler 2. Het is daarom
de vraag of een dergelijke systematische wijziging van het systeem gerechtvaardigd
is.
Voor de UPE-veiligehavenregel geldt dat deze uitsluitend de onderbelastewinstmaatregel
buiten werking stelt ten aanzien van de jurisdictie waar de uiteindelijkemoederentiteit
is gevestigd die aan deze veiligehavenregel voldoet. De kwalificerende binnenlandse
bijheffingsmaatregel en de inkomen-inclusiemaatregel blijven daarbij onverkort van
toepassing. In Nederland wordt het minimumniveau van belastingheffing gewaarborgd
door de binnenlandse bijheffing. Als gevolg hiervan kan de onderbelastewinstmaatregel
ten aanzien van groepsentiteiten in Nederland niet worden toegepast. Voor laagbelaste
winsten van groepsentiteiten van een in Nederland gevestigde uiteindelijkemoederentiteit
vindt bijheffing in beginsel plaats via de inkomen-inclusiemaatregel, waarbij geldt
dat de onderbelastewinstmaatregel fungeert als een soort «backstop» van de inkomen-inclusiemaatregel.
De toepassing van de UPE-veiligehavenregel zou derhalve geen materiële wijziging brengen
in de heffingspositie van Nederland.
Ten slotte is van belang dat de toepassing van Pijler 2 plaatsvindt binnen een kader
van wederzijdse beoordeling (peer review) door het IF, waaronder de toetsing van de
kwalificerende binnenlandse bijheffing. Nederland heeft de Pijler 2-regels integraal
opgenomen in de WMB 2024 conform de OESO-modelregels en neemt daarmee deel aan het
reguliere beoordelingskader van het IF. De veiligehavenregels zijn binnen datzelfde
kader vormgegeven voor jurisdicties met een afzonderlijk kwalificerend minimumbelastingstelsel.
Voor een jurisdictie die reeds volledig de Pijler 2-regels conform de OESO-modelregels
heeft opgenomen in de nationale wetgeving ligt daarom een kwalificatie als gelijkwaardig
stelsel binnen datzelfde kader niet voor de hand.
Gelet op het voorgaande ziet het kabinet geen reden om het Nederlandse stelsel te
laten kwalificeren onder de Side-by-Side-veiligehavenregel of de UPE-veiligehavenregel.
De budgettaire gevolgen zouden met name zien op de effecten van het belasten van actief
buitenlandse inkomen. Een dergelijke aanpassing zou gepaard gaan met grote gedragseffecten.
Een inschatting hiervan is niet beschikbaar.
Kan de Staatssecretaris daarnaast uitgebreid stilstaan bij de (on)houdbaarheid van
de dynamische verwijzing naar OECD-soft law via artikel 32 van de Richtlijn (EU) 2022/2523?
Kan de Staatssecretaris, indien hij van mening is dat de dynamische verwijzing wel
houdbaar is, ingaan op de door specialisten in het Europees (belasting)recht geuite
kritiek, bijvoorbeeld de kritiek van 8 januari 2026 in het Kluwer International Tax
Blog («The Pillar 2 – Side-by-Side Package: A Structural Breach of EU Tax Law»), en
aangeven waarom deze kritiek onjuist is?
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 202610 het Side-by-Side-pakket erkend en bevestigd dat de daarin opgenomen veiligehavenregels
toepassing kunnen vinden in het kader van de Richtlijn (EU) 2022/2523. De Commissie
heeft daarmee de vraag beantwoord naar de houdbaarheid van de veiligehavenregels uit
het Side-by-Side-pakket onder artikel 32 van de richtlijn. De kritiek uit de literatuur
waar de VVD-fractie naar verwijst, is dat sprake zou zijn van een verboden delegatie
in de zin van het Meroni-arrest. Dit is echter een arrest dat in een geheel andere
context is gewezen. Bij toetsing aan deze doctrine is een aantal elementen relevant
om in de beschouwing te betrekken. Bijvoorbeeld de vraag of de beoordeling (kwalificatie)
van een veiligehaven is gedelegeerd aan een andere instelling, in dit geval het IF.
Van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veiligehavens is alleen
sprake indien de lidstaten hiermee hebben ingestemd. Artikel 32 van de Richtlijn (EU)
2022/2523 bepaalt dat onder een «kwalificerende internationale overeenkomst veilige
havens» wordt verstaan een internationaal geheel van regels en voorwaarden «waarmee
alle lidstaten hebben ingestemd». De richtlijn veronderstelt daarmee expliciete instemming
van de lidstaten voor de toepassing van dergelijke veiligehavenregels. Het IF kan
derhalve niet zelfstandig bepalen dat sprake is van een veiligehaven in de zin van
artikel 32 van de richtlijn. Van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake
veiligehavens is slechts sprake indien de lidstaten daarmee instemmen en – daarmee –
een dergelijke overeenkomst binnen het toepassingsbereik van de richtlijn brengen.
Dat geen impliciete instemming kan worden verondersteld, blijkt ook uit de positie
van Cyprus. Cyprus maakt geen deel uit van het IF een neemt als gevolg daarvan niet
deel aan de besluitvorming binnen dat verband. Cyprus heeft evenwel (expliciet) verklaard11 met het Side-by-Side-pakket in te stemmen, hetgeen bevestigt dat de toepassing van
dergelijke veiligehavenregels afhankelijk blijft van de instemming van alle lidstaten.
De bevoegdheid tot wijziging van de richtlijn blijft onverkort bij de Uniewetgever
berusten. Artikel 32 voorziet derhalve niet in een overdracht van een normstellende
bevoegdheid aan het IF, maar in een mechanisme waarbij onder voorwaarden de werking
van bepaalde internationale afspraken binnen het bestaande richtlijnkader kunnen worden
erkend.
De leden van de VVD-fractie hebben eveneens gelezen dat de Staatssecretaris concludeert
dat het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden
aangemerkt. Hoe werkt deze procedure? Welk deel van het IF moet instemmen met deze
kwalificatie? Is unanimiteit vereist? Zijn er landen met een vetorecht?
Verwezen wordt naar het antwoord op de vraag van de fractie van D66 over de beoordeling
door het IF van mogelijke Side-by-Side-regimes op pagina 4. Besluitvorming in het
IF vindt plaats op basis van consensus.
Deze leden vragen daarnaast wat de criteria van de veiligehavenregel zijn en hoe moeten
deze worden geïnterpreteerd. Kan uitgebreider op dit punt worden ingegaan dan uitsluitend
de tekst van de Side-by-Side-veiligehavenregel te benoemen? Hoe moeten deze criteria
worden toegepast op andere landen dan de Verenigde Staten?
Om te kwalificeren voor de Side-by-Side-veiligehavenregel moet een jurisdictie een
kwalificerend belastingstelsel hebben. Een kwalificerend belastingstelsel dient een
minimumniveau van belasting te waarborgen over zowel binnenlandse als buitenlandse
winsten van een multinationale groep. Om te beoordelen of een belastingstelsel voldoende
robuust is, zijn verschillende criteria afgesproken.
Een kwalificerend binnenlands belastingstelsel dient te voldoen aan de volgende criteria:
1. Een statutair vennootschapsbelastingtarief van ten minste 20%. Hierbij wordt rekening
gehouden met algemene vrijstellingen of gelijksoortige preferentiële regimes alsmede
met vennootschapsbelastingen die worden geheven door lagere overheden. Het wettelijke
nominale belastingtarief is het belastingtarief dat over het algemeen wordt geheven
ten aanzien van multinationale groepen op basis van een veelomvattende winstbelastinggrondslag,
het is te zeggen een belastinggrondslag waarop geen wezenlijke uitzonderingen van
toepassing zijn.
2. Een binnenlandse bijheffing of een alternatieve binnenlandse minimumbelasting gebaseerd
op de winst volgens de financiële verslaggevingsstandaard met een tarief van ten minste
15%, welke belasting van toepassing is op een substantieel deel van de binnenlandse
winsten van multinationale groepen die onder Pijler 2 zouden vallen. Bij een alternatieve
binnenlandse minimumbelasting worden ondernemingen belast op basis van het hoogste
bedrag van de belastingplicht volgens de regels van de alternatieve minimumbelasting
of het bedrag van de belastingplicht volgens de reguliere vennootschapsbelasting.
Een alternatieve minimumbelasting moet gebaseerd zijn op de winst volgens de financiële
verslaggevingsstandaard (van de multinationale groep als geheel of van een deel daarvan).
Aanpassingen zijn echter toegestaan, mits deze in overeenstemming zijn met de beleidsdoelstellingen
van de minimumbelasting. Aanpassingen aan de winst volgens de financiële verslaggevingsstandaard
die bijvoorbeeld gericht zijn op het overnemen van afschrijvingsschema's uit het belastingstelsel
of op het in lijn brengen met de fiscale behandeling van een beloning in aandelen,
worden geacht in overeenstemming te zijn met de beleidsdoelstellingen van de minimumbelasting.
Evenzo zou een uitsluiting van inkomsten met een hoog belastingtarief van de alternatieve
minimumbelasting ook in overeenstemming zijn met de beleidsdoelstellingen van de minimumbelasting.
Bovendien kan de vennootschapsbelasting worden gecompenseerd door buitenlandse of
binnenlandse belastingtegoeden (tax credits), mits deze tegoeden in overeenstemming
zijn met de beleidsdoelstellingen van de minimumbelasting. De alternatieve minimumbelasting
zou bijvoorbeeld van toepassing kunnen zijn op het wereldwijde inkomen van de belastingplichtige
waarbij belastingtegoeden voor buitenlande belastingen meetellen om aan het vereiste
minimumtarief te voldoen.
3. Geen materieel risico dat de binnenlandse winsten van multinationale groepen die onder
Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor in de jurisdictie hebben, onderworpen zijn
aan een effectief tarief van minder dan 15%. De beoordeling hiervan moet worden gebaseerd
op de opzet en de werking van de Pijler 2-regels, met inbegrip van de toepasselijke
veiligehavenbepalingen en met inachtneming van eenzelfde behandeling van stimuleringsmaatregelen,
waaronder de gunstige behandeling van fiscale regelingen voor bedrijven met reële
economische activiteit. Verder moet de beoordeling zijn gebaseerd op een pragmatische
inschatting van de algehele werking van het belastingstelsel dat van toepassing is
in de desbetreffende jurisdictie, inclusief de beschikbaarheid en behandeling van
belastingtegoeden en -faciliteiten binnen dat stelsel. De enkele mogelijkheid dat
een multinationale groep in een hypothetisch scenario zou zijn onderworpen aan een
effectief belastingtarief van minder dan 15% over de binnenlandse winst, betekent
niet dat een jurisdictie niet aan dit criterium voldoet. Een jurisdictie zou bijvoorbeeld
nog steeds aan dit criterium kunnen voldoen als het een vennootschapsbelastingregime
hanteert met een effectief belastingtarief van iets minder dan 15% over bepaalde soorten
inkomsten, maar de multinationale groep die van deze faciliteit gebruik maakt, waarschijnlijk
aanzienlijke andere inkomsten uit binnenlandse activiteiten heeft die ruim boven de
15% worden belast, waardoor het gemiddelde belastingtarief zeer waarschijnlijk boven
de 15% ligt. Aan de andere kant zou een regime niet aan dit criterium voldoen als
multinationale groepen in deze jurisdictie in aanmerking komen voor belastingvoordelen
waarvan de potentiële omvang en het gewicht een zodanig materieel risico met zich
brengen dat een multinationale groep onderworpen zal zijn aan een effectief belastingtarief
van minder dan 15% over de binnenlandse winst. Dit criterium moet in zijn geheel,
over een langere periode en op geaggregeerd niveau worden beschouwd en niet afzonderlijk
voor elke multinationale groep. Aan dit criterium kan worden voldaan door de toepassing
van de alternatieve minimumbelasting. Daarnaast kan ook rekening worden gehouden met
eventuele wettelijke regelingen ter bestrijding van BEPS12-risico's.
Een kwalificerend buitenlands belastingstelsel dient te voldoen aan de volgende criteria:
1. Een belastingstelsel dat van toepassing is op zowel actief als passief buitenlands
inkomen van buitenlandse dochtermaatschappijen, met slechts beperkte uitzonderingen.
Het moet gaan om een alomvattend belastingstelsel dat van toepassing is op vennootschappen
met buitenlands inkomen. De grondslag voor de berekening van buitenlands inkomen moet
breed zijn en mag geen materiële uitzonderingen bevatten. Het inkomen moet zowel het
actieve als het passieve inkomen van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen omvatten,
zelfs wanneer dat inkomen niet aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd. Voor deze doeleinden
moet onder gecontroleerde buitenlandse vennootschap elke buitenlandse vennootschap
worden verstaan die wordt gecontroleerd door een aandeelhouder in de kwalificerende
jurisdictie. Beperkte uitzonderingen op de belastbare inkomsten zijn mogelijk, mits
deze uitzonderingen stroken met de beleidsdoelstellingen van minimumbelasting. Bijvoorbeeld
wanneer de regeling alleen inkomsten uitsluit die in het land van herkomst doorgaans
tegen een hoog tarief worden belast (bijvoorbeeld inkomsten uit de winningssector,
zoals olie en gas). Als een regeling echter een type zeer mobiel inkomen zou uitsluiten
(zoals royalty-inkomsten), zou deze niet aan dit criterium voldoen.
2. Voldoende mechanismen om risico’s ten aanzien van grondslaguitholling en winstverschuiving
(BEPS) te adresseren. Het kwalificerende buitenlandse belastingstelsel moet gerichte
en doeltreffende mechanismen bevatten die zijn ontworpen om aanmerkelijke BEPS-risico's
aan te pakken. Een stelsel zou bijvoorbeeld aan dit criterium kunnen voldoen door
regels te hanteren die voorkomen dat de belasting over passief en in het buitenland
laagbelast inkomen wordt gecompenseerd door verrekening met belastingtegoeden (tax
credits) die betrekking hebben op actief en in het buitenland hoogbelast inkomen.
Op dezelfde manier zou een stelsel aan dit criterium kunnen voldoen door een belastingplichtige
te verplichten om afzonderlijk rekening te houden met inkomsten uit CFC's die onderworpen
zijn aan een laag belastingtarief en inkomsten die onderworpen zijn aan een hoog belastingtarief.
3. Geen materieel risico dat de buitenlandse winsten van multinationale groepen die onder
Pijler 2 zouden vallen en hun uiteindelijke moederentiteit in de jurisdictie hebben,
onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. De beoordeling van dit
criterium moet worden gemaakt op basis van de opzet en werking van de Pijler 2-regels.
Verder is de beoordeling gebaseerd op een pragmatische inschatting van de algehele
werking van het belastingstelsel. De toelichting op het derde criterium voor een in
aanmerking komend binnenlands belastingstelsel is in het algemeen ook van toepassing
op dit criterium.
Deze criteria zouden ten aanzien van andere landen dan de VS op dezelfde wijze moeten
worden toegepast.
De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast vragen over staatssteunrisico’s van de
safe harbours. Heeft de Europese Commissie getoetst aan de staatssteunregels in het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)? Blijkt uit de mededeling
van 12 januari 2026 van de Europese Commissie dat is getoetst aan het staatssteunverbod?
Zo nee, waarom is dit niet gebeurd?
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke
voorwaarden voorstellen tot EU-regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels
(artikelen 107 e.v. VWEU). De Europese Commissie heeft namens de Europese Unie de
bevoegdheid om regels voor te stellen. Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese
Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving
met betrekking tot staatssteun ontstaat. Of bij de mededeling van 12 januari 2026
rekening is gehouden met staatssteunregels valt onder de verantwoordelijkheid van
de Europese Commissie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de brief van de Staatssecretaris met
interesse gelezen. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris om te reflecteren
op het proces om te komen tot de BEPS-maatregelen. Hoe kijkt de Staatssecretaris aan
tegen het feit dat in eerste instantie louter in OESO-verband is gesproken over mondiale
belastingafspraken, waarbij opkomende economieën niet zijn meegenomen?
In 2012 is de OESO in opdracht van de G20, gestart met het BEPS-project. Dit was het
begin van de herziening van mondiale belastingafspraken. Het BEPS-project is uniek
vanwege de betrokkenheid van een grote hoeveelheid landen waaronder zowel ontwikkelde
landen als ontwikkelingslanden. Meer dan 80 niet-OESO-landen zijn geconsulteerd gedurende
het BEPS-project. Na een fase van consultaties met ontwikkelingslanden in 2014, hebben
vanaf januari 2015, mede op aandringen van en met ondersteuning van Nederland, veertien
ontwikkelingslanden en een aantal regionale vertegenwoordigende organen van ontwikkelingslanden
deelgenomen aan het Committee on Fiscal Affairs («CFA») van de OESO en aan diverse
BEPS-werkgroepen. Ontwikkelingslanden zijn daardoor nauw betrokken geweest bij de
discussies en besluitvorming in het BEPS-project en konden daaraan op gelijke voet
met OESO-landen deelnemen. Hoewel de belangen van ontwikkelingslanden en ontwikkelde
landen bij het beschermen van de belastinggrondslag vaak niet verschillen, hebben
ontwikkelingslanden door de nauwe betrokkenheid mede hun stempel kunnen drukken op
de uitkomsten van het BEPS-project. Naast betrokkenheid bij de besluitvorming, is
gezorgd voor de technische ondersteuning van ontwikkelingslanden tijdens het BEPS-project.
De OESO heeft, in overleg met ontwikkelingslanden, handleidingen op de belangrijkste
onderdelen van de BEPS-uitkomsten ontwikkeld om zeker te stellen dat ontwikkelingslanden
ook daadwerkelijk de BEPS-uitkomsten kunnen implementeren. Opkomende economieën zijn
dus meegenomen bij de herziening van mondiale belastingafspraken van het BEPS-project.
Deelt de Staatssecretaris de analyse dat het OESO-proces structureel onvoldoende inclusief
is geweest en dat dit de legitimiteit van mondiale belastingafspraken ondermijnt?
Is de Staatssecretaris bereid om zich in te zetten voor een inclusiever proces in
de toekomst?
Maatregelen om belastingontwijking en ontduiking tegen te gaan werken het beste als
zoveel mogelijk landen meedoen. In 2016 is daarom het Inclusive Framework on BEPS
(IF) opgericht, om de discussie hierover met zoveel mogelijk landen te kunnen voeren.
Het BEPS-project is ook voor ontwikkelingslanden van majeur belang in de strijd tegen
belastingontwijking. Wanneer ontwikkelingslanden onvoldoende vertegenwoordigd zijn
of niet op gelijke voet kunnen deelnemen aan het maken van afspraken om belastingontwijking
en -ontduiking tegen te gaan, ondermijnt dit niet alleen de legitimiteit, maar ook
de effectiviteit van deze afspraken. Het is derhalve van belang dat het IF ook daadwerkelijk
inclusief is en ontwikkelingslanden op gelijke voet met OESO-lidstaten daaraan kunnen
deelnemen. Daartoe zijn in het verleden al belangrijke aanbevelingen gedaan door de
OESO13, met als concreet resultaat bijvoorbeeld dat het IF inmiddels wordt voorgezeten door
zowel een OESO-land als een niet-OESO/niet-G20-land. Nederland blijft onverkort een
evenwichtige representatie van ontwikkelingslanden in het IF steunen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de helft van de Afrikaanse landen
geen lid zijn van het Inclusive Framework. Klopt het dat landen alleen lid kunnen
worden als zij eerder BEPS-besluiten onderschrijven, terwijl zij niet mee hebben kunnen
praten over deze besluiten omdat die in OESO-verband zijn genomen. Kan de Staatssecretaris
toelichten wat hij hiervan vindt?
Voor toetreding tot het in 2016 opgerichte IF geldt dat landen zich committeren aan
de BEPS-minimumstandaarden om zo een gelijk speelveld en effectieve implementatie
te waarborgen. De standaarden zien onder meer op afspraken over schadelijke belastingconcurrentie,
maatregelen tegen treaty shopping, landenrapportages (Country-by-Country Reporting)
en geschilbeslechting. Ook landen die willen toetreden tot het IF en niet betrokken
zijn geweest bij het opstellen van deze minimumstandaarden hebben baat bij deze standaarden.
Wel kunnen de standaarden administratieve lasten met zich brengen. Het is van belang
dat ontwikkelingslanden daarin ondersteund worden, zodat zij de mogelijkheid hebben
deel te nemen. Zoals aangegeven in de beantwoording van voorgaande vragen is er ook
in de jaren voorafgaand aan de oprichting nauwe betrokkenheid geweest van niet-OESO-landen
bij de ontwikkeling van deze standaarden. Met de oprichting van het IF is beoogd de
betrokken groep te vergroten en om de gehele groep landen een volwaardige plaats aan
tafel te geven bij de verdere uitwerking, monitoring en toekomstige ontwikkelingen
van de internationale belastingregels.
Er zijn op dit moment 148 landen lid van het IF, waaronder ook Afrikaanse landen.14 Niet alle Afrikaanse landen zijn lid van het IF. Het kabinet vindt een zo breed mogelijke
deelname juist van belang om belastingontwijking effectief tegen te gaan en een gelijk
speelveld te bevorderen. Daarom is het ook belangrijk dat regionale vertegenwoordigende
organen ook actief deelnemen aan het IF, zo is onder andere het African Tax Administration
Forum wél nauw en actief betrokken bij de discussies in het IF. Het kabinet erkent
dat voor sommige (met name ontwikkelings-)landen de implementatiecapaciteit een belemmering
kan vormen. Nederland blijft zich daarom inzetten voor ondersteuning en inclusiviteit
binnen het bestaande multilaterale kader, onder andere door capaciteitsopbouw via
technische assistentieprogramma’s. Tevens zet het kabinet zich in voor een nog inclusievere
governance en samenwerking binnen het IF, zodat niet-OESO-landen op gelijke voet invloed
kunnen uitoefenen.
Deze leden merken voorts op dat het aanvullende Side-by-Side pakket is voortgekomen
uit de weigerachtige opstelling van de Verenigde Staten, die niet alleen Pijler 1
niet willen ratificeren, maar zich ook hebben verzet tegen Pijler 2 en zelfs hebben
gedreigd met handelsmaatregelen tegen landen die Pijler 2 toepassen op Amerikaanse
multinationals. Deze leden maken zich dan ook zorgen dat het Side-by-Side pakket Pijler 2
niet versterkt, maar uitholt doordat de minimumheffing minder effectief wordt. Deelt
de Staatssecretaris deze zorgen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet waardeert de nadruk die in het IF-akkoord wordt gelegd op het belang van
Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing.
Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de minimumbelasting
op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een gemeenschappelijke belastinggrondslag.
De Nederlandse inzet was erop gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem
tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang
van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk
internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere
jurisdicties die een eigen belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing
waarborgt. Een minimumbelasting in een zo groot mogelijk internationaal verband is
immers het meest doeltreffend om een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie,
waardoor ook het voordeel van kunstmatige winstverschuiving sterk wordt verkleind.
Daarbij is het belangrijk dat afspraken zijn gemaakt over de manier waarop een belastingstelsel
dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt, kan worden gekwalificeerd als
gelijkwaardig aan Pijler 2. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van
de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het
waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale
groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt
geheven in jurisdicties waar zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris om de criteria
voor kwalificerende binnenlandse belastingstelsels binnen de Safe Harbour-regel verder
toe te lichten. Betekent het minimale statutaire vennootschapsbelastingtarief van
20 procent, bijvoorbeeld dat Nederland niet zou kunnen kwalificeren, omdat Nederland
een laag tarief van 19 procent hanteert? Hoe wordt omgegaan met stelsels met verschillende
tarieven, waarvan een deel onder de 20 procent?
Een minimaal statutair vennootschapsbelastingtarief van ten minste 20% is één van
de criteria om te kunnen worden aangemerkt als een kwalificerende jurisdictie onder
de Side-by-Side of UPE-veiligehavenregel. Nederland zal geen verzoek doen om als een
kwalificerende jurisdictie onder de Side-by-Side of UPE-veiligehavenregel te worden
aangemerkt. Voor een uitgebreide toelichting op de criteria voor kwalificerende binnenlandse
belastingstelsels wordt verwezen naar het antwoord op de gelijkluidende vraag van
de VVD-fractie op pagina 10. Het wettelijke nominale belastingtarief is het belastingtarief
dat over het algemeen wordt geheven ten aanzien van multinationale groepen. Voor Nederland
ligt het voor de hand dat het tarief van 25,8% als zodanig zou worden beschouwd aangezien
het tarief van 19% alleen van toepassing is voor zover de belastbare winst niet meer
dan € 200.000 bedraagt.
Deze leden vragen ook wat «een substantieel deel van de binnenlandse winsten» in de
praktijk betekent.
Een van de criteria van een kwalificerend binnenlands belastingstelsel is dat een
alternatieve binnenlandse minimumbelasting moet zijn gebaseerd op de winst volgens
de financiële verslaggevingsstandaard met een tarief van ten minste 15%, welke belasting
van toepassing is op een substantieel deel van de binnenlandse winsten van multinationale
groepen die onder Pijler 2 zouden vallen. Dit criterium is niet kwantitatief ingevuld.
Klopt het dat de Verenigde Staten voor hun bijheffing een drempel hanteren van één
miljard dollar wereldwijde winst, terwijl Pijler 2 wordt toegepast vanaf 750 miljoen euro
omzet? Kan de Staatssecretaris toelichten of deze twee maatstaven wat hem betreft
equivalent zijn en waarom wel of niet?
De alternatieve minimumbelasting in de VS, de Corporate Alternative Minimum Tax (CAMT),
is van toepassing op multinationale groepen met een winst op grond van de commerciële
jaarrekening van ten minste één miljard dollar. Om te kwalificeren voor de Side-by-Side-veiligehavenregel
moet zowel aan de criteria voor een kwalificerend binnenlands belastingstelsel als
aan de criteria voor een kwalificerend buitenlands belastingstelsel zijn voldaan.
De CAMT is slechts één van de onderdelen van het Amerikaanse belastingstelsel op grond
waarvan de VS als een kwalificerende jurisdictie zijn aangemerkt. Daarnaast zijn onder
andere de Amerikaanse minimumbelastingregels voor buitenlandse dochterondernemingen,
het regime voor Net Tested CFC Income15 (NCTI), hiervoor ook van groot belang. Het NCTI-regime kan van toepassing zijn op
alle gecontroleerde buitenlandse lichamen. Grosso modo is sprake van een gecontroleerd
lichaam indien de multinationale groep daarin een belang van ten minste 50% heeft.
Voor de toepassing van het NCTI-regime geldt geen omzet- of winstdrempel.
Hoe wordt het criterium «geen materieel risico dat de binnenlandse winsten van multinationale
groepen die onder Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor in de jurisdictie hebben,
onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15 procent» in de praktijk
toegepast? Wanneer wordt bepaald dat sprake is van een materieel risico?
Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar het antwoord op de vraag van
de VVD-fractie naar een toelichting op de criteria voor een kwalificerende binnenlandse
winstbelasting op pagina 10.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast of het klopt dat de Verenigde
Staten naar het totaal aan buitenlandse winsten kijken, terwijl de reguliere Pijler 2-berekening
per afzonderlijk land gemaakt wordt. Klopt het dat multinationals daardoor hogere
belastingen in het ene land kunnen wegstrepen tegen lagere belastingen in andere landen,
waardoor zij effectief nog steeds gebruik kunnen maken van gunstige regelingen in
belastingparadijzen? Wat vindt de Staatssecretaris ervan dat dit als «equivalent»
moet worden beschouwd volgens het Side-by-Side pakket? Is de Staatssecretaris van
mening dat Amerikaanse multinationals door de Side-by-Side afspraken een concurrentievoordeel
hebben tegenover multinationals uit andere landen en vindt de Staatssecretaris dat
wenselijk?
Onder het NCTI-regime in de VS wordt in beginsel 60% van de gezamenlijke winsten van
buitenlandse dochterondernemingen belast tegen het normale tarief van 21%, waarbij
een verrekening wordt gegeven van ten hoogste 90% van de in het buitenland geheven
belasting over die winsten. Op passief inkomen van laagbelaste dochtermaatschappijen
zijn in de VS de «gewone» CFC-regels (ook wel «Subpart F» genoemd) van toepassing
op grond waarvan dat inkomen is belast tegen 21%. Onder de Pijler 2-regels geldt een
bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de desbetreffende groepsentiteiten
in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. De Pijler 2-regels zijn dus niet één-op-één
vergelijkbaar met de Amerikaanse belastingregels voor buitenlandse inkomen. Of een
multinationale groep met het hoofdkantoor in de VS een voordeel heeft als gevolg van
de Side-by-Side veilige havenregel, in die zin dat die groep minder belasting verschuldigd
is over de binnenlandse of buitenlandse winsten is dan een vergelijkbare groep met
het hoofdkantoor in een implementerende jurisdictie zou zijn, is afhankelijk van de
omstandigheden van het geval. Dat hangt ook af van de grondslag waarover wordt geheven
en de mogelijkheid tot verrekening van de belasting die is geheven in een ander land.
Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor
multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende
gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet benadrukt daarbij het overkoepelende
belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot
mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan
andere jurisdicties die een eigen belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van
belastingheffing waarborgt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de mogelijkheden om
op een lager effectief tarief uit te komen dan het minimum van 15 procent, bijvoorbeeld
via substance carve-outs en qualified refundable tax credits. Kan de Staatssecretaris
toelichten hoe hij op dit moment aankijkt tegen qualified refundable tax credits?
Is de Staatssecretaris het ermee eens dat het aantal uitzonderingen tot een minimum
beperkt zou moeten worden om te voorkomen dat het minimumtarief van 15 procent wordt
ondergraven?
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat het aantal uitzonderingen op de Pijler 2-regels
tot een minimum dienen te worden beperkt. Nederland heeft zich dan ook vanaf het begin
binnen het IF ingezet om uitzonderingen zo beperkt en eenvoudig mogelijk te houden.16 Zo was Nederland ook geen groot voorstander van de opname van het uitgesloten inkomen
op basis van reële aanwezigheid in de OESO-modelregels.17 Ook bij de onderhandelingen over het Side-by-Side pakket was de Nederlandse inzet
om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd
dient het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen
in een zo groot mogelijk internationaal verband niet te worden onderschat, ook als
dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel
hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt.
Voor de toepassing van de WMB 2024 geldt dat een bijheffing aan de orde is indien
het effectieve belastingtarief in een staat lager is dan het minimumbelastingtarief
van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats
door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen
door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk). Indien het berekende
effectieve belastingtarief lager is dan 15%, dan wordt het verschil bijgeheven.
Voor de WMB 2024 wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare
belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende
belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend
indien deze restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de WMB 2024. Hiervoor
gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. In Nederland kennen we geen fiscale
regelingen die aan deze strikte voorwaarden voldoen. Kwalificerende restitueerbare
belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden worden voor de
toepassing van minimumbelasting aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van
de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen
invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling
tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen
verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts
effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere
mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.18
Onderdeel van het Side-by-Side-pakket is de veiligehavenregel voor kwalificerende
fiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit. Deze veiligehavenregel
houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd
met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de kwalificerende fiscale regelingen.
Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling
tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven).19 Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden
toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De toepassing
van deze veiligehavenregel is gelimiteerd door middel van een maximum dat gekoppeld
is aan de loonkosten of materiële vaste activa.
Het kabinet is van mening dat met de hiervoor beschreven veiligehavenregel voor kwalificerende
fiscale regelingen internationaal afspraken zijn gemaakt die passen binnen de kaders
van de minimumbelasting, waarbij de gehanteerde waarborgen in de vorm van een maximum
binnen de doelstellingen van de minimumbelasting vallen. Met dit maximum wordt namelijk
gewaarborgd dat de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen alleen
is toegestaan voor zover dit gepaard gaat met reële economische activiteit en investeringen
in een staat zelf. Verder acht het kabinet het van belang dat deze veiligehavenregel
een gelijker speelveld creëert voor de verschillende soorten belastingtegoeden en
fiscale regelingen. Een gelijker speelveld is positief voor de concurrentiekracht
van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven ten opzichte van bedrijven in een staat
die kwalificeert voor de Side-by-Side-veiligehavenregel of de UPE-veiligehavenregel.
Het kabinet vindt het dan ook een goede ontwikkeling dat de veiligehavenregel ruimte
biedt om innovatie en specifieke (duurzaamheids)investeringen binnen de minimumbelasting
te ondersteunen.
Welke adviezen heeft de Staatssecretaris sinds juni 2025 gekregen over dit onderwerp?
In het kader van de onderhandelingen over het Side-by-Side-pakket is op ambtelijk
niveau met diverse stakeholders in verschillende gremia meermaals gesproken over de
minimumbelasting, waaronder de behandeling van fiscale regelingen. Ook de OESO heeft
intensief contact met stakeholders om input op te halen voor de vormgeving van de
regels.
Deze leden vragen tot slot of de Staatssecretaris het ermee eens is dat het OESO-proces
er tot nu toe niet volledig in is geslaagd om belastingontwijking en een race to the
bottom effectief tegen te gaan. Deelt de Staatssecretaris de mening dat een ambitieuzere
en inclusievere aanpak nodig is en dat een VN-verdrag daarvoor het meest geschikte
instrument is?
Het kabinet vindt dat het BEPS-project van de OESO er in belangrijke mate in is geslaagd
om belastingontwijking en een race naar de bodem effectief tegen te gaan. Het BEPS-project
heeft geleid tot een grote herziening van mondiale belastingafspraken die de mogelijkheden
om belasting te ontwijken zeer effectief heeft beperkt.
Ik zie vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat een raamwerkverdrag van
de Verenigde Naties voor internationale belastingsamenwerking hier effectiever in
kan zijn. Van belang is allereerst dat het belangrijkste onderwerp van het raamwerkverdrag
is gericht op een herverdeling van de heffingsrechten over inkomen uit grensoverschrijdende
dienstverlening in een digitaliserende en globaliserende economie. Het raamwerkverdrag
is zodoende niet in eerste instantie gericht op de bestrijding van belastingontwijking.
In de huidige concepttekst wordt daarnaast gewezen op het belang van bestrijding van
zogenoemde «illicit financial flows» (illegale geldstromen) en het bestrijden van
belastingontwijking, maar het is nog niet duidelijk hoe dit doel bereikt moet worden.
Een belangrijk gegeven vind ik verder dat een grote groep van de 193 lidstaten van
de Verenigde Naties eveneens behoort tot de 148 jurisdicties die lid zijn van het
IF. In de praktijk blijkt bovendien dat de jurisdicties die geen lid zijn van het
IF ook niet participeren in het werk van het VN Intergovernmental Negotiating Committee
dat is begonnen aan de ontwikkeling van het genoemde raamwerkverdrag. De vraag komt
dan op of het realistisch is dat dezelfde groep landen bij de Verenigde Naties tot
betere oplossingen komt. Binnen het IF geldt daarnaast dat afspraken worden gemaakt
op basis van consensus, om te bewerkstelligen dat de gemaakte afspraken door zoveel
mogelijk landen worden onderschreven. Bij de Verenigde Naties dreigt het risico dat
de tekst van het bedoelde raamwerkverdrag wordt vastgesteld op basis van een gewone
meerderheid, waardoor de kans groter is dat het uiteindelijke resultaat niet door
alle landen wordt onderschreven, geïmplementeerd en uitgevoerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het side-by-side
pakket. Zij vinden dat een internationale minimumwinstbelasting alleen effectief kan
zijn als zoveel mogelijk landen ter wereld zich daarbij aansluiten, zodat de strijd
tegen belastingontwijking gezamenlijk gevoerd wordt. Deze leden vragen de Staatssecretaris
of de kwalificatie als «equivalent» vergelijkbaar stevig is als de reguliere voorwaarden
onder Pijler 2, of dat de Verenigde Staten en andere staten die pijler 2 niet hebben
ondertekend, nu een competitief voordeel hebben. Zo ja, wat houdt dit voordeel dan
precies in?
Voor een beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op de gelijkluidende
vraag van de fractie van D66 op pagina 1.
Overigens kan een jurisdictie die de Pijler 2-regels heeft ingevoerd, ook onder het
Side-by-Side-akkoord blijven bijheffen over de laagbelaste winst van groepsentiteiten
in jurisdicties die de Pijler 2-regels niet hebben ingevoerd en waarvan het hoofdkantoor
niet is gevestigd in een kwalificerende jurisdictie.
De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat meer ruimte wordt gegeven onder Pijler 2
aan regelingen, die echte economische activiteit stimuleren. Zij vragen of de Staatssecretaris
een opsomming kan geven van fiscale faciliteiten in het Nederlandse fiscale regime
die onder deze nieuwe definitie zouden vallen. Indien geen regelingen zich daarvoor
kwalificeren, dan vragen deze leden of de Staatssecretaris voorbeelden kan geven van
type regelingen die zich wel als zodanig zouden kwalificeren en ook bij het Nederlandse
fiscale systeem passen.
Onderdeel van het Side-by-Side-pakket is de veiligehavenregel voor kwalificerende
fiscale regelingen. Deze veiligehavenregel ziet voor de toepassing van de minimumbelasting
op een gunstige behandeling van fiscale regelingen voor bedrijven met reële economische
activiteit. Om onder de reikwijdte van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale
regelingen te vallen, is het allereerst van belang dat een fiscale regeling van invloed
is op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk). Voor de minimumbelasting
gaat het daarbij – kortgezegd – om winstbelastingen. Aangezien de Wet Bevordering
Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) zich bevindt in de loonheffing- en inkomstenbelastingsfeer
is de WBSO niet relevant voor de hiervoor genoemde veiligehavenregel.
Daarnaast ziet de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen niet op
fiscale regelingen met tijdelijke verschillen tot gevolg, zoals versnelde afschrijvingen.20
Verder is voor toepassing van de veiligehavenregel van belang dat sprake is van een
kwalificerende fiscale regeling. Hierbij is van belang dat bij dergelijke fiscale
regelingen er doorgaans een direct en duidelijk verband is met de investering die
ze beogen te stimuleren. Onder kwalificerende fiscale regelingen worden fiscale regelingen
verstaan die worden berekend aan de hand van de gemaakte uitgaven in de desbetreffende
staat of die worden bepaald aan de hand van de hoeveelheid materiële goederen die
in een staat worden geproduceerd. Voorts kan het bedrag van de fiscale regelingen
die worden berekend op basis van gemaakte uitgaven, niet hoger zijn dan de gemaakte
uitgaven zelf. Fiscale regelingen berekend aan de hand van het inkomen worden niet
gezien als kwalificerende fiscale regelingen voor toepassing van deze veiligehavenregel.
Tot slot geldt voor toepassing van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale
regelingen een maximum, om te waarborgen dat deze alleen geldt indien sprake is van
daadwerkelijke reële economische activiteiten in een staat.
Het belastingstelsel in Nederland kent diverse fiscale regelingen om ondernemen te
stimuleren.21
Zo kent Nederland de innovatiebox waarmee kwalificerende voordelen uit hoofde van
door de belastingplichtige zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa slechts
voor een bepaald deel in aanmerking worden genomen om een stimulans te geven aan ontwikkelaars
van het intellectueel eigendom. De innovatiebox kent in beginsel geen één-op-één-koppeling
tussen de uitgave en het voordeel uit de innovatiebox. Als gevolg hiervan kan onder
bepaalde omstandigheden het voordeel hoger zijn dan de gemaakte uitgaven zelf. Op
basis hiervan voldoet de innovatiebox niet aan de voorwaarden die gelden voor de toepassing
van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen.
Fiscale regelingen die wel voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de veiligehavenregel
voor kwalificerende fiscale regelingen zijn de investeringsaftrekken die van toepassing
zijn in de vennootschapsbelasting. Met de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek
(MIA) en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) wordt een extra aftrek op de
fiscale winst verleend gebaseerd op het investeringsbedrag. Daarnaast kan het bedrag
van deze investeringsaftrekken niet hoger zijn dan de gemaakte uitgaven zelf. Daarmee
kunnen deze investeringsaftrekken worden gezien als fiscale regelingen die worden
berekend aan de hand van de gemaakte uitgaven in de betreffende staat. De MIA en EIA
richten zich op duurzaamheid (milieu/energie) en vereisen melding bij RVO22, terwijl de KIA algemeen van aard en voor kleinere investeringen is.
Deze leden merken op dat eerder alleen een qualified refundable tax credit werd genoemd
als verenigbare fiscale faciliteit, maar dat deze in het Nederlandse systeem nog niet
bestaat. Veel andere landen, waaronder de Verenigde Staten, hebben zulke tax credits
al wel geïmplementeerd. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe Nederland in dit speelveld
ook concurrerend kan blijven, en wat voor faciliteiten daarvoor opportuun zouden zijn?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn voor het Nederlandse
vestigingsklimaat dan alleen fiscaliteit in het algemeen en Pijler 2 in het bijzonder.
De concurrentiepositie wordt bepaald door een breed palet aan voorwaarden, waaronder
bereikbaarheid, opleidingsniveau, leefklimaat en betrouwbaarheid van de overheid.
Op veel van deze factoren scoort Nederland goed. Zo is de ligging van Nederland gunstig,
is onze infrastructuur goed en is onze beroepsbevolking goed opgeleid. Ook het leefklimaat
in Nederland is gunstig en ons hoge voorzieningenniveau en de betrouwbaarheid van
de overheid dragen daar aan bij.
De minimumbelasting kan weliswaar van invloed zijn op de effectiviteit van fiscale
regelingen, maar omdat in Nederland groepen vrijwel altijd ook reguliere winsten hebben
die in Nederland tegen 25,8% worden belast, is het niet de verwachting dat fiscale
regelingen worden geraakt. Dit kan nader worden gekwantificeerd als de aangiftegegevens
voorhanden zijn. Deze worden medio 2026 verwacht. De gevolgen van de minimumbelasting
voor Nederland zal in de jaarlijkse monitoringsbrief over de effecten van de aanpak
van belastingontwijking worden betrokken. Daarnaast zal ook de OESO de implementatie
van de minimumbelasting in de verschillende jurisdicties monitoren en zal er een evaluatie
plaatsvinden om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt zodat
waar nodig maatregelen kunnen worden genomen om risico’s met betrekking tot het gelijke
speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. Het kabinet
houdt de effecten van de minimumbelasting derhalve nauwlettend in de gaten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 5 januari 2026
inzake het Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2). Naar aanleiding
daarvan en ondanks de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen, hebben deze
leden nog een aantal vragen.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Staatssecretaris de mening deelt dat de
Substance-based Tax Incentive (SBTI) Safe Harbour het mogelijk maakt om bepaalde fiscale
regelingen zo vorm te geven, dat zij een Pijler 2-bijheffing voorkomen.
De manier waarop fiscale regelingen behandeld worden, is relevant voor het berekenen
van de effectieve belastingdruk en de mate waarin bijheffing plaatsvindt onder Pijler 2.
Voor een toelichting op de werking van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale
regelingen wordt verwezen naar het antwoord op de gelijkluidende vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie
op pagina 16.
Daarbij wordt opgemerkt dat het IF een doorlopend monitoringproces zal ontwikkelen
voor kwalificerende fiscale regelingen. Het IF zal toezien op een gecoördineerde beoordeling
van kwalificerende fiscale regelingen als mogelijke verbonden voordelen (related benefits).
Omdat kwalificerende fiscale regelingen in de berekening worden meegenomen als een
verhoging van de gecorrigeerde aangepaste belastingen, terwijl zij niet worden betaald,
bestaat het risico dat zij een verbonden voordeel zouden kunnen zijn. Een fiscale
stimuleringsmaatregel zou formeel kunnen voldoen aan de definitie van een kwalificerende
fiscale regelingen, maar in de praktijk gericht zijn om de werking van de minimumbelasting
te verminderen, in plaats van te functioneren als een fiscale stimulering voor een
specifieke substantiële activiteit of investering in de betreffende staat. Het IF
zal verder werken aan het aanpakken van deze mogelijke risico’s van fiscale stimuleringsmaatregelen
en ervoor zorgen dat fiscale stimuleringsmaatregelen die als gerelateerde voordelen
worden aangemerkt, niet als kwalificerende fiscale regelingen worden behandeld.
Verder vragen deze leden of de Staatssecretaris concreet kan aangeven welke bestaande
(bijvoorbeeld de WBSO en de Innovatiebox) of voorgenomen Nederlandse regelingen kwalificeren
als expenditure-based of production-based tax incentives en welke expliciet buiten
de SBTI Safe Harbour vallen omdat zij income-based zijn. In aanvulling hierop vragen
de leden van de JA21-fractie of bij de uitbreiding van de WBSO en het behoud van de
Innovatiebox expliciet getoetst is of deze regelingen (geheel of gedeeltelijk) als
Qualified Tax Incentives binnen de SBTI Safe Harbour kunnen worden vormgegeven.
Voor een beantwoording van de vraag welke fiscale regelingen onder de reikwijdte vallen
van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen wordt verwezen naar
het antwoord op de gelijkluidende vraag van de CDA-fractie op pagina 18.
Ten slotte vragen deze leden of het kabinet bereid is, net als andere West-Europese
landen, te kiezen voor investeringsconcurrentie via SBTI-kwalificerende prikkels en
deze keuze ook beleidsmatig en wetstechnisch te concretiseren in plaats van vast te
houden aan terughoudendheid uit vrees voor grondslaguitholling.
Voor een beantwoording van de vraag waarop Nederland concurrerend kan blijven, wordt
verwezen naar het antwoord op de gelijkluidende vraag van de CDA-fractie op pagina
19.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier