Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Patijn over de houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet)
Vragen van het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet) (ingezonden 27 februari 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 12 maart
2026).
Herdruk ivm het verschijnen van een nieuwe versie.
Hierbij zend ik u de gecorrigeerde antwoorden op de Kamervragen van het lid Patijn
(GroenLinks-PvdA) over de houdbaarheid van de AOW. Op 9 maart 2026 is de oorspronkelijke
beantwoording uw Kamer toegekomen. Er is geconstateerd dat er een fout zat in het
antwoord op vraag 2. Dit betrof een feitelijke onjuistheid. Met deze nazending zet
ik dit recht. Mijn excuses voor deze fout.
Vraag 1
Kunt u onder elkaar zetten hoe groot de beroepsbevolking naar verwachting is ten opzichte
van het aantal AOW’ers in 2033, 2040, 2050 en 2060, op basis van de huidige wetgeving
en de meeste recente bevolkingsprognose? Hoeveel werkenden zijn er naar verwachting
in die jaren per AOW’er?
Antwoord 1
Onderstaande figuur geeft de verwachte AOW-druk uit het afgelopen rapport van de Studiegroep
Begrotingsruimte weer.1 Die laat zien dat de AOW-druk per 2033 ongeveer 35% is. In 2040, 2050 en 2060 is
dat respectievelijk ongeveer 37%, 35% en 34%. De AOW-druk wordt berekend op basis
van de bevolkingsprognose. Dat is het aantal mensen in werkzame leeftijd (vanaf 20
tot AOW-leeftijd) ten opzichte van het aantal mensen boven de AOW-leeftijd in Nederland.
De AOW-gerechtigden die in het buitenland wonen worden hierin dus niet meegerekend.
(x 1.000 personen, jaargemiddelde)
2033
2040
2050
2060
Aantal personen in Nederland boven AOW-leeftijd
3.870
4.135
4.064
4.032
Aantal personen in Nederland van 20 jaar tot AOW-leeftijd
11.147
11.222
11.576
12.013
Vraag 2
Kunt u ook onder elkaar zetten wat de verwachtingen hierover waren in 2019, nadat
het pensioenakkoord werd afgesloten, op basis van de afspraken in het pensioenakkoord
en de bevolkingsprognoses uit die tijd?
Antwoord 2
Zie onderstaande figuren uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen»2 uit 2019. Daarin wordt ingegaan op de gevolgen van de vergrijzing voor onder meer
de AOW. Er wordt ook stilgestaan bij de AOW-druk. Als u de figuur van vraag 1 met
die hieronder vergelijkt kunt u zien dat de verwachting van de AOW-druk voor 2033
en 2060 is afgenomen.
Vraag 3
Kunt u onder elkaar zetten hoeveel de verwachte uitgaven aan de AOW zijn als percentage
van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in 2033, 2040, 2050 en 2060? Wat was de verwachting
hierover in 2019, na het afsluiten van het pensioenakkoord?
Antwoord 3
In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de verwachtingen waren ten aanzien van
de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP. De cijfers zijn afkomstig
uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen» (2019) en het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De percentages voor 2033 en 2050 zijn niet beschikbaar.
2025
2040
2060
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2019)
5,1%
6,5%
5,9%
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2025)
4,7%
5,7%
5,4%
Vraag 4
In hoeverre zijn de verwachtingen over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW
volgens u verbeterd of verslechterd sinds 2019, toen het pensioenakkoord werd afgesloten?
Antwoord 4
Zoals bij vraag 2 aangegeven is de verwachting dat in 2033 en 2060 de AOW-druk minder
hoog uitvalt dan in 2019 verwacht werd. De AOW-uitgaven als percentage van het BBP
vallen volgens de prognoses uit 2025 lager uit dan in 2019 verwacht werd, zoals uit
de tabel bij vraag 3 is af te lezen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervoor
niet alleen de AOW-uitgaven zelf, maar ook de ontwikkeling van het BBP van belang
is.
Op het gebied van de financiering van de AOW constateerde het CBS in 2024 dat voor
het eerst meer dan 50% van de AOW-uitkeringen gefinancierd uit de algemene middelen
oftewel belastinggeld. Dit betekent dat premie-inkomsten de AOW-uitkeringen steeds
minder dekken. Sinds 2001 zijn de AOW-premies niet meer toereikend om de volledige
uitkeringen te dekken, omdat de AOW-premie op 17,9% is gemaximeerd. Het aandeel van
de AOW-uitkeringen dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt een steeds
groter deel van de overheidsuitgaven in beslag. De sneller stijgende AOW-uitgaven
komen vooral door de vergrijzing. Daarnaast zijn de uitkeringen zelf verhoogd, omdat
ze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (Wml). De premie-inkomsten
stijgen veel minder dan de uitgaven. De verwachting is dat het aandeel gefinancierd
vanuit algemene middelen in de toekomst verder zal toenemen.
Vraag 5
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen?
In hoeverre is dit vanwege de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW, en hoe verhoudt
dit zich tot de prognoses in 2019 en de onderbouwing van de afspraken over dit onderwerp
in het pensioenakkoord?
Antwoord 5
De uitkeringslasten van de AOW stijgen vanwege de toename van het aantal AOW’ers door
de vergrijzing. Daarnaast stagneert de groei van de beroepsbevolking. Het gevolg is
dat premies in de toekomst door minder werkenden moeten worden opgebracht en de AOW
een groter beslag op de Rijksbegroting legt, zoals bij vraag 4 is uitgelegd. Daarom
adviseerde de Studiegroep Begrotingsruimte om maatregelen te nemen die gericht zijn
op het verlagen van de vergrijzingsgevoelige uitgaven.
Vraag 6
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei
dat er in 2033 maar twee werkenden per AOW’er zijn? Waar baseerde hij dat cijfer op?
Antwoord 6
In het debat over de regeringsverklaring is voor deze verhouding de grijze druk gebruikt.
Grijze druk laat de verhouding tussen het aantal mensen van 65 jaar of ouder en het
aantal personen van 20 tot 65 jaar zien. Deze cijfers komen terug in publicaties van
de SVB en het UWV.3 Het is echter zorgvuldiger om bij deze verhouding de «AOW-druk» te gebruiken. Dit
laat de verhouding tussen AOW-gerechtigden en de beroepsbevolking. De AOW-leeftijd
ligt immers niet meer op 65 jaar.
Vraag 7
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei
dat de reden om de AOW versneld te verhogen was dat het kabinet zich zorgen maakt
over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW? Waarom heeft het kabinet die zorgen,
gegeven de ontwikkeling van de prognoses hierover in de afgelopen tien jaar?
Antwoord 7
Zoals in de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 aangegeven ziet het kabinet een opgave
om de AOW-uitgaven houdbaar te houden in de context van de grote opgaven waar we voor
staan. Hierover gaat het kabinet graag de komende periode met uw Kamer en de sociale
partners in gesprek.
Vraag 8
Kunt u een tabel maken met de jaarlijkse kosten van de AOW tot en met 2060, zowel
vóór als na de voorgenomen maatregel?
Antwoord 8
De uitgaven aan de AOW volgens de 2/3e koppeling en 1-op-1 koppeling is hieronder weergegeven. Dit bevat niet de weglek
naar andere sociale zekerheid.
(x € mln.)
2026
2027
2028
2029
2030
AOW uitgaven 2/3e koppeling
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
AOW uitgaven 1-op-1
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
Verschil
–
–
–
–
–
(x € mln.)
2031
2032
2033
2034
2035
AOW uitgaven 2/3e koppeling
62.172
63.568
64.775
65.137
66.224
AOW uitgaven 1-op-1
62.172
63.568
63.705
64.080
65.170
Verschil
–
–
– 1.070
– 1.057
– 1.054
(x € mln.)
2036
2037
2038
2039
2040
AOW uitgaven 2/3e koppeling
67.398
67.761
68.855
69.856
69.860
AOW uitgaven 1-op-1
65.268
66.648
66.661
67.724
67.776
Verschil
– 2.130
– 1.113
– 2.195
– 2.133
– 2.084
(x € mln.)
2041
2042
2043
2044
2045
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.392
70.800
70.338
70.449
70.616
AOW uitgaven 1-op-1
68.397
68.017
68.537
68.713
68.014
Verschil
– 1.995
– 2.783
– 1.802
– 1.737
– 2.602
(x € mln.)
2046
2047
2048
2049
2050
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.777
70.237
70.370
70.636
70.121
AOW uitgaven 1-op-1
68.185
67.620
67.731
67.053
67.394
Verschil
– 2.592
– 2.617
– 2.639
– 3.583
– 2.727
(x € mln.)
2051
2052
2053
2054
2055
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.253
70.438
70.687
70.204
70.519
AOW uitgaven 1-op-1
66.652
66.879
67.099
66.540
66.779
Verschil
– 3.601
– 3.559
– 3.588
– 3.664
– 3.739
(x € mln.)
2056
2057
2058
2059
2060
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.965
70.570
70.999
71.621
72.358
AOW uitgaven 1-op-1
66.191
66.696
66.134
66.699
67.291
Verschil
– 4.775
– 3.873
– 4.865
– 4.922
– 5.067
Vraag 9
Welk deel van de mensen die langer door zouden moeten werken door het voorstel om
de AOW-leeftijd versneld te verhogen houdt het volgens u vol om daadwerkelijk langer
door te werken? Welk deel komt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA),
Werkloosheidswet (WW) of Participatiewet terecht?
Antwoord 9
Uit de meest recente «Monitor verhoging AOW-gerechtigde leeftijd» van SEO Economisch
Onderzoek4 blijkt niet dat het actieve gebruik van de WW, WIA of bijstand toeneemt door de geleidelijke
verhoging van de AOW-leeftijd. Er is geen actief substitutie-effect, waarbij ouderen
eerder zouden stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd
een uitkering te gebruiken, zoals SEO dit omschrijft. Sinds 2013 is de AOW-leeftijd
gestegen van 65 jaar naar 67 jaar in 2026. Door de verhoging blijven mensen die al
een WW-, WIA- of bijstandsuitkering ontvangen langer in deze uitkering. Dit wordt
het passieve substitutie-effect genoemd. Hoewel het risico op instroom in deze uitkeringen
toeneemt zijn er geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe
AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Het Ministerie van SZW monitort
de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd jaarlijks.
Vraag 10
Bent u zich ervan bewust dat het CPB uitgaat van een ombuiging op de AOW van € 4,9 miljard
en een netto ombuiging van € 2,7 miljard in 2060 als gevolg van de voorgenomen versnelde
verhoging van de AOW-leeftijd? Klopt het dat daarmee zo’n 45%, dat wil zeggen bijna
de helft, van de groep die langer door zou moeten werken in plaats daarvan een andere
uitkering krijgt?
Antwoord 10
De raming van het CPB over de budgettaire gevolgen van de 1-op-1 koppeling van de
AOW aan de levensverwachting sluit aan op de raming zoals opgenomen in het Coalitieakkoord.
De 1-op-1 koppeling leidt tot een besparing op de AOW-uitgaven in 2060. Tegelijkertijd
leidt dit er toe dat mensen een langere periode een andere uitkering ontvangen of
voor de periode dat zij later een AOW ontvangen een andere uitkering instromen.
Deze weglekeffecten naar andere sociale zekerheid zijn gebaseerd op een analyse over
realisatiecijfers uit 2019 t/m 2021. Hierin is geanalyseerd wat de totale uitgaven
aan andere sociale zekerheid is van de groep mensen die in een gegeven jaar de AOW
instromen. Uit deze analyse blijkt dat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid
voor de mensen die op het punt staan de AOW-leeftijd te bereiken ca. 45% is van de
uitgaven aan AOW zodra zij zijn ingestroomd. Met andere woorden, de uitgaven aan overige
sociale zekerheidsuitkeringen, als gevolg van een hogere AOW-leeftijd, bedragen 45%
van het bedrag dat anders aan de AOW uitgegeven zou zijn. Indien de AOW-leeftijd omhoog
gaat zit deze groep dus langer in de betreffende socialezekerheidsuitkering. Deze
analyse ziet echter alleen op de totale Rijksuitgaven. Er kunnen geen conclusies verbonden
worden over het aantal mensen om wie dit gaat aangezien de gemiddelde hoogte van de
AOW niet gelijk is aan de gemiddelde hoogte van de andere uitkeringen. Circa 34 procentpunt
van de 45% aan weglek gaat immers om Arbeidsongeschiktheids-, WW en Ziektewetuitkeringen.
De gemiddelde uitkeringshoogte hiervan ligt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde hoogte
van een AOW-uitkering.
De 45% aan weglek zegt dus uitsluitend iets over de Rijksuitgaven, maar niet over
het aantal mensen dat een uitkering ontvangen in plaats van inkomen uit werk voordat
zij de AOW instromen.
Vraag 11
Kunt u deze cijfers nader uitsplitsen? Hoeveel meer mensen komen respectievelijk terecht
in de WIA, WW en Participatiewet, en met hoeveel nemen de kosten van deze regelingen
respectievelijk toe?
Antwoord 11
Zoals toegelicht is uit de analyse niet op te maken hoeveel mensen terechtkomen in
de WIA, WW of Participatiewet als gevolg van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de
levensverwachting. Wel kan uiteengezet worden wat op basis van de analyse op basis
van cijfers uit 2019 t/m 2021 de geraamde toename aan uitgaven aan deze regelingen
is. Hieronder is de uitsplitsing van het weglekeffect naar andere sociale zekerheid
weergegeven t/m 2035 en structureel.
Uitsplitsing weglekeffect (x € mln.)
2031
2032
2033
2034
2035
Struc.
Participatiewet
45
44
44
211
AO1
284
280
279
1344
IOAW/IOAZ2
56
56
56
267
Werkloosheidswet
72
72
71
343
Ziektewet
15
14
14
69
Algemene nabestaandenwet
14
13
13
65
Totaal
485
479
478
2.299
X Noot
1
Hieronder vallen de WAZ, WAO en WIA.
X Noot
2
Hieronder vallen de IOAW, IOAZ, Wajong, BBZ en IOW.
Vraag 12
Welke overlap ziet u tussen de plannen voor de AOW, WIA en WW? Hoeveel mensen hebben
door de voorgenomen plannen dubbel of driedubbel pech, bijvoorbeeld omdat zij later
AOW krijgen én korter WW, en daardoor in de bijstand terechtkomen?
Antwoord 12
Het kabinet heeft de sociale partners goed gehoord. Met betrekking tot de aanpassing
van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting maakt het kabinet een
pas op de plaats. We gaan samen met uw Kamer en met de sociale partners in de komende
periode kijken of, en zo ja, welke alternatieven er mogelijk zijn. In de verkenning
en uitwerking zal rekening gehouden worden met de mogelijke samenloop van regelingen.
Vraag 13
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en de antwoorden vóór aanvang van de
plenaire behandeling van de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026 aan de
Tweede Kamer doen toekomen?
Antwoord 13
Aan beide verzoeken is voldaan.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.