Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over de CPB publicatie analyse Coalitieakkoord 2026-2030
36 848 Kabinetsformatie 2025
Nr. 56
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 25 februari 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister
van Economische Zaken over de brief inzake de CPB publicatie analyse Coalitieakkoord
2026–2030.
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 25 februari 2026. Vragen en
antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
Vraag 1: Kunt u een inschatting maken van de jaarlijkse overdekking van de Aof-premie na doorvoering
van de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord?
Antwoord: Voor de periode 2027–2030 bestaat er in het basispad een vermogensoverschot bij de
arbeidsongeschiktheidsfondsen (Aof en Whk). De verhoging van de Aof-premie en de ombuiging
op de WIA uit het coalitieakkoord dragen verder bij aan dit vermogensoverschot. Bij
het uitbrengen van het Centraal Economisch Plan 2026 op 12 maart 2026 zal het CPB
een nieuwe inschatting van de vermogenspositie van de arbeidsongeschiktheidsfondsen
publiceren (bijlage 15).
Vraag 2: Klopt het dat het beperken van de tabelcorrectiefactor in absolute bedragen tot een
hogere lastenverzwaring leidt voor modale inkomens dan voor topinkomens (meer dan
€ 140.000)?
Antwoord: In doorsnee is het effect van het beperken van de tabelcorrectiefactor voor elk inkomenskwintiel
grofweg hetzelfde. Dat wil zeggen dat in absolute zin het effect groter wordt naarmate
het inkomen toeneemt. Het effect kan afhankelijk van de huishoudsituatie wel verschillen,
waardoor er sprake is van spreiding binnen inkomensgroepen.
Vraag 3: Hoe hoog wordt de Aof-premie door de maatregelen uit het coalitieakkoord?
Antwoord: De nieuwe inschatting van de gemiddelde Aof-premie volgt bij het Centraal Economisch
Plan 2026 op 12 maart (bijlage 16).
Vraag 4: Kunt u een inschatting maken van de jaarlijkse overdekking van de ww-premie na doorvoering
van de verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord?
Antwoord: Voor de periode 2027–2030 bestaat er in het basispad een vermogensoverschot bij de
werkloosheidsfondsen (AWf en Ufo). De ombuiging op de WW uit het coalitieakkoord draagt
verder bij aan dit vermogensoverschot. Bij het Centraal Economisch Plan 2026 zal het
CPB een nieuwe inschatting van de vermogenspositie van de werkloosheidsfondsen publiceren
(bijlage 15).
Vraag 5: Kunt u de tabel (3.1.3) met beleidsmatige lastenontwikkeling ook weergeven inclusief
basispad?
w.v. inkomen en arbeid
w.v. vermogen en winst
w.v. klimaat en milieu
w.v. overig
Totaal
w.v. gezinnen
10,7
3,2
1,4
0,5
15,8
w.v. bedrijven
3,0
– 0,5
0,9
1,0
4,4
w.v. buitenland
0,0
0,0
0,1
0,0
0,1
Totaal
13,7
2,7
2,4
1,6
20,3
Antwoord: De beleidsmatige lastenontwikkeling inclusief het basispad is weergegeven in de tabel
hierboven. Het gaat om de mutatie in miljarden euro’s voor de periode 2027–2030.
Vraag 6: Klopt het dat het CPB niet twee pijltjes geeft bij woningaanbod en dat dit betekent
dat het CPB ervan uitgaat dat het kabinet onvoldoende doet om 100.000 woningen per
jaar bij te gaan bouwen de komende jaren?
Antwoord: Het CPB kent één opwaarts pijltje toe voor het effect op woningaanbod op de lange
termijn, waarbij het pakket langs dezelfde lat is gelegd als bij Keuzes in Kaart (KiK).
Aangezien de indicator van kwalitatieve aard is, kunnen wij geen uitspraak doen over
het totale aantal woningen dat hiermee gerealiseerd kan worden. Onzekerheden in het
basispad vormen daarbij een extra beletsel.
Vraag 7: Hoeveel neemt de inkomensongelijkheid toe de komende kabinetsperiode? (Gini-coëfficiënt)
Antwoord: Het CPB heeft geen raming gemaakt van de inkomensongelijkheid tijdens de kabinetsperiode
aan de hand van de Gini-coëfficiënt. Tijdens de kabinetsperiode gaan lagere inkomens
er in koopkracht iets meer op achteruit dan hogere inkomens. Zowel door beleid uit
het coalitieakkoord als door beleid dat al in het basispad lag besloten.
Vraag 8: Hoeveel extra CO2-reductie is er nodig in 2030, 2040 en 2050 om wél te voldoen aan de afgesproken klimaatdoelen?
Antwoord: Enkel voor 2030 en 2050 zijn er nationale klimaatdoelen opgesteld en vastgelegd in
de Klimaatwet. Voor 2030 is dat 55% uitstootreductie t.o.v. 1990 en in 2050 moet de
netto-uitstoot van broeikasgassen tot nul gereduceerd zijn.
In de KEV 2025 kwam de raming voor het basispad uit op 45 tot 53 procent emissiereductie
in 2030. Uitgedrukt in absolute emissie is dat 107 tot 125 megaton CO2-equivalenten. Om het klimaatdoel van 2030 te halen, moet de uitstoot 102 megaton
CO2-equivalenten of minder bedragen. Voor 2040 en 2050 zijn er nog geen ramingen gepubliceerd
in de KEV. De KEV 2026 die op Prinsjesdag 2026 wordt gepubliceerd, zal wel een raming
voor 2040 bevatten.
Vraag 9: Hoeveel extra stikstofreductie is er nodig om in 2030 en in 2035 wél te voldoen aan
de afgesproken natuurdoelen?
Antwoord: Volgens de Omgevingswet moet in 2030 in ten minste 50 procent en in 2035 in ten minste
74 procent van het stikstofgevoelige Natura 2000-areaal de stikstofdepositie (neerslag)
lager zijn dan de «kritische depositiewaarden». Om dat te bereiken, is naar schatting
een generieke emissiereductie van ruim 50 procent in 2030 en ruim 60 procent in 2035
nodig ten opzichte van 2019 (zie p. 21, en voetnoot 7; zie ook analyse PBL van het
beleidspakket MCEN, p 31). In het basispad daalt de ammoniakemissie van de landbouw
in 2035 met circa 25 procent ten opzichte van 2019; naar verwachting dalen de ammoniakemissies
door het maatregelenpakket van het CA in 2035 met 30 tot 42 procent ten opzichte van
2019.
Vraag 10: Hoeveel kost het voornemen van de coalitie om over te stappen op een volledige vermogenswinstbelasting
in totaal (cumulatief) aan budgettaire derving (ceteris paribus)?
Antwoord: De doorrekening is gebaseerd op de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord. Het
CPB heeft geen inschatting gemaakt van de budgettaire effecten van een volledige vermogenswinstbelasting.
Vraag 11: Kunt u per jaar aangeven in hoeverre het kabinet voldoet aan de 0,7%-norm voor ontwikkelingssamenwerking
in de komende tien jaar? (Basispad, effect beleidspakket en basispad + effect beleidspakket)
Antwoord: Het CPB heeft niet uitgerekend hoeveel % bni na verwerking van het coalitieakkoord
aan ontwikkelingssamenwerking wordt uitgegeven. In de Startnotitie voor Keuzes in
Kaart (https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/CPB-publicatie-startnotitie-ke…) staat dat uitgaven aan ontwikkelingshulp gelijk zijn aan 0,44% bni in 2030 in het
toen gebruikte basispad. Het verhogen van de uitgaven aan ontwikkelingshulp tot 0,7%
bni om aan de OESO-norm te voldoen, is een intensivering van 3,3 mld euro in 2030.
Vraag 12: Kunt u een reactie geven op het bericht van Eenvandaag dat lage- en midden inkomens
relatief en absoluut meer gaan bijdragen aan de vrijheidsbijdrage dan hoge inkomens?
Zou u dit ook kunnen kwantificeren, bijvoorbeeld door middel van gemiddeldes voor
deze groepen of voorbeeldberekeningen hoe dit voor representatieve personen in de
verschillende groepen zou uitpakken qua koopkracht.
Kunt u daarbij ook aangeven welke regelingen, uitkeringen, etc. beïnvloed worden door
het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Indien mogelijk kunt u hier ook
een kwantitatief beeld schetsen van de omvang van het effect op de regelingen en de
koopkracht. https://eenvandaag.avrotros.nl/artikelen/werken-moet-lonen-van-coalitie…
Antwoord: Het CPB maakt geen koopkrachtramingen van zogenoemde voorbeeldhuishoudens. De beperkte
toepassing van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting heeft tot gevolg dat
de schijfgrenzen en de heffingskortingen lager uitvallen dan in het basispad. Iemand
valt daardoor eerder in een hogere belastingschijf. In artikel 10.1 Wet IB 2001 staat
een overzicht van alle bedragen in de inkomstenbelasting die jaarlijks met de tabelcorrectiefactor
gecorrigeerd worden en waarvoor in 2027 en 2028 de beperkte toepassing geldt. Het
gaat voornamelijk om de schijfgrenzen en heffingskortingen, maar ook om bijvoorbeeld
de giftenaftrek en de hoogste schijfgrens in het eigenwoningforfait.
Vraag 13: Klopt het dat figuur 3.3.1 uit het «databestand figuren en tabellen» dat het percentiel
dat het meest benadeeld wordt qua koopkracht zich in de laagste (twee) inkomensgroep(en)
bevindt? Kunt u toelichten welke kabinetsmaatregelen het sterkst bijdragen aan deze
uitkomst?
Antwoord: De waarde van het 5e percentiel van de gemiddelde koopkrachtmutatie over de periode 2027–2030 (basispad
+ effect coalitieakkoord) is het laagst voor het eerste en het tweede inkomenskwintiel.
Dit zijn met name huishoudens die relatief veel nadeel hebben van de afschaffing van
de aftrek specifieke zorgkosten en de verlaging van de vermogensgrenzen van de zorgtoeslag.
Vraag 14: Klopt het dat figuur 3.3.1 uit het «databestand figuren en tabellen» dat het percentiel
dat het meest voordeel ondervindt qua koopkracht zich in de hoogste inkomensgroep
bevindt? Kunt u toelichten welke kabinetsmaatregelen het sterkst bijdragen aan deze
uitkomst?
Antwoord: De waarde van het 95e percentiel van de gemiddelde koopkrachtmutatie over de periode 2027–2030 (basispad
+ effect coalitieakkoord) is het hoogst voor het hoogste inkomenskwintiel. Dit komt
met name door beleid dat al besloten lag in het basispad. Door dit beleid ging het
95e percentiel van het hoogste inkomenskwintiel er al meer op vooruit in vergelijking
met andere inkomenskwintielen. Dit is niet veranderd door de maatregelen van het coalitieakkoord.
Vraag 15: Stel dat in plaats van enkele bezuinigingen op de sociale zekerheid met de polder
wordt afgesproken dat de komende jaren de loonstijging wordt gematigd, bijvoorbeeld
de komende vier jaar met 1 procentpunt onder het basispad zonder inhaalgroei daarna,
wat zijn daarvan de budgettaire en andere effecten?
Antwoord: Het CPB heeft geen alternatieve beleidspakketten of maatregelen doorgerekend.
Vraag 16: Kunt u inzichtelijk maken wat het gevolg is van het voorgenomen niet of minder indexeren
van de tabelcorrectiefactor op de schijflengtes in de IB en de heffingskortingen,
en ook opnemen wat deze parameters zouden zijn geweest als de tcf in de afgelopen
jaren altijd volledig geïndexeerd was geweest?
Antwoord: De beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting heeft
tot gevolg dat de schijfgrenzen en de heffingskortingen lager uitvallen dan in het
basispad. Het CPB heeft niet berekend wat de waarden van de parameters in de inkomstenbelasting
waren geweest als de tabelcorrectiefactor de afgelopen jaren altijd volledig toegepast
was.
Vraag 17: Klopt het dat u «Vernieuwing Rijksdienst» van miljard euro niet heeft meegenomen
in de financiële doorrekening?
Antwoord: Dat klopt. Nadere toelichting hierover is te vinden in tabel 5.1.1 onder maatregel
CA_171 (pagina 22).
Vraag 18: Kunt u schetsen welke effecten u verwacht in het geval de maatregelen «Vernieuwing
Rijksdienst» en «Apparaatskorting» volledige toegepast zouden worden? Welke effecten
zijn te verwachten voor onder andere de kwaliteit van dienstverlening, betrouwbaarheid
van overheidsbeleid, en voor het aantrekken van voldoende personeel?
Antwoord: Het CPB heeft geen analyse gemaakt van de effecten van de maatregelen Vernieuwing
Rijksdienst en Apparaatskorting. Deze effecten zullen afhangen van de precieze vormgeving,
die nu nog onbekend is.
Vraag 19: Kunt u voor tabel 3.6.1 kwantificeren hoeveel de werkgelegenheid toeneemt bij Defensie?
Antwoord: De werkgelegenheid bij de overheid, waar defensie onder valt, stijgt als gevolg
van het beleidspakket in de periode 2027–2030 met gemiddeld 1,4%-punt per jaar ten
opzichte van het basispad. Dat is het gevolg van intensiveringen in defensie, en in
mindere mate ook in onderwijs en veiligheid. Het CPB heeft geen inschatting gemaakt
van de arbeidsmarkteffecten van individuele maatregelen of op afzonderlijke bedrijfstakken.
Vraag 20: Kunt u alle extra investeringen van het kabinet t/m 2035 per jaar weergeven in een
tabel?
Antwoord: De doorrekening van het CPB is gebaseerd op de door de coalitie aangeleverde budgettaire
bijlage, aangevuld met enkele normeringen voor klimaat en stikstofbeleid. Een volledig
overzicht van de door het CPB doorgerekende maatregelen is te vinden in hoofdstuk 5.
Vraag 21: Kunt u schetsen (of indien mogelijk kwantificeren) in welke mate verschillende typen
bedrijven of sectoren geraakt worden door het verhogen van de AOF-premie? Raakt dit
bijvoorbeeld in gelijke mate mkb, arbeidsintensieve bedrijven, kapitaalintensieve
bedrijven en multinationals?
Antwoord: De omvang van de lastenverhoging voor bedrijven is afhankelijk van de loonsom. De
lasten stijgen daardoor relatief meer voor arbeidsintensieve dan voor kapitaalintensieve
bedrijven. Verder vindt op bedrijfsniveau een kleine verschuiving plaats van werkgeverslasten
van bedrijven met veelverdienende werknemers naar andere bedrijven, als doorwerking
van het lagere maximumdagloon.
Vraag 22: Kunt u schetsen wat de verwachte (indirecte) effecten zijn van het verhogen van de
AOF premie voor werknemers? Is het mogelijk dat dit invloed heeft op de mate van vaste/flexibele
contracten of op loononderhandelingen?
Antwoord: Een verhoging van de Aof-premie heeft, via de loononderhandelingen, een dempend
effect op de cao-loonstijging. In de doorrekening is daarmee rekening gehouden, maar
dit effect kan niet afzonderlijk in beeld gebracht worden. Het CPB heeft geen inschatting
gemaakt van het effect van een verhoging van de Aof-premie op de verhouding tussen
vaste en flexibele contracten.
Vraag 23: Met betrekking tot de doorwerking van het lage maximumdagloon, kunt u een indicatie
geven van sectoren met veel veelverdienende werknemers en met weinig?
Antwoord: Het CPB heeft in de doorrekening niet naar de effecten hiervan per sector gekeken.
Deze informatie is wel verkrijgbaar via het CBS (bijvoorbeeld https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/81431ned/table)
Vraag 24: Met betrekking tot de toename van personen in armoede: kunt u toelichten (liefst
kwantificeren) welke vijf maatregelen hier het sterkst effect op hebben?
Antwoord: De toename van het aantal personen in armoede ontstaat vooral door de lastenverzwaring
via het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor en de schijftarieven in box 1.
Vanwege de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor stijgt de algemene heffingskorting
minder hard. In combinatie met het hogere tarief in de eerste schijf zorgt dit voor
een lager nettominimumloon en daardoor via de netto-nettokoppeling voor lagere bijstands- en AOW-uitkeringen. Het verhogen van het eigen risico
in de Zvw heeft ook een beperkt verhogend effect op het aantal mensen in armoede (rekening
houdend met de nominale premie en zorgtoeslag).
Vraag 25: Aangenomen wordt dat de verlaging van de maximumpremiegrens in de Aof, Whk en Awf
burgetneutraal gecompenseerd wordt door een verhoging van deze tarieven. Hoeveel procentpunt
zouden de tarieven van de premies verhoogd moeten worden ter compensatie?
Antwoord: Het CPB heeft deze analyse bij de doorrekening van het coalitieakkoord niet uitgevoerd.
Bij het CEP wordt een nieuwe inschatting van de premietarieven gepubliceerd (bijlage 16).
Vraag 26: Kunt u het afzonderlijke effect van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor
op de koopkracht kwantificeren, uitgesplitst naar werkenden, uitkeringsgerechtigden
en gepensioneerden?
Antwoord: Het CPB heeft geen raming gemaakt van de koopkrachteffecten van individuele maatregelen
of voor verschillende type huishoudens.
Vraag 27: Welke inkomensgroepen ondervinden door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor
een negatieve koopkrachtontwikkeling t.o.v. het huidige beleid, en met hoeveel euro
per jaar (mediaan en gemiddeld)?
Antwoord: Het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor raakt alle inkomensgroepen, al
is er wel sprake van heterogeniteit binnen groepen. Het CPB brengt geen gemiddelde
of mediane koopkrachteffecten in euro’s in beeld.
Vraag 28: Wat is het effect van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor op de marginale
druk voor werkenden, uitgesplitst naar inkomensgroepen?
Antwoord: Het CPB heeft geen raming gemaakt van de marginale druk per inkomensgroep.
Vraag 29: Kunt u het afzonderlijke effect van het verhogen van de tarieven in de eerste en
tweede schijf van box 1 op de koopkracht kwantificeren, uitgesplitst naar werkenden,
uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden?
Antwoord: Het CPB heeft geen raming gemaakt van de koopkrachteffecten van individuele maatregelen.
Vraag 30: Welke inkomensgroepen ondervinden door het verhogen van de tarieven in de eerste
en tweede schijf van box 1 een negatieve koopkrachtontwikkeling t.o.v. het huidige
beleid, en met hoeveel euro per jaar (mediaan en gemiddeld)?
Antwoord: Het verhogen van de tarieven in de eerste en tweede schijf van box 1 raakt alle inkomensgroepen,
al is er wel sprake van heterogeniteit binnen groepen. Het CPB heeft geen raming gemaakt
van de koopkrachteffecten van individuele maatregelen.
Vraag 31: Wat is het effect van het verhogen van de tarieven in de eerste en tweede schijf
van box 1 op de marginale druk voor werkenden, uitgesplitst naar inkomensgroepen?
Antwoord: Het CPB heeft geen raming gemaakt van de marginale druk per inkomensgroep.
Vraag 32: Hoeveel bedraagt de lastenverzwaring in euro’s per jaar voor een alleenstaande werkende
met (i) modaal inkomen, (ii) 1,5× modaal en (iii) 2× modaal?
Antwoord: Het CPB heeft geen raming gemaakt van de lastenverzwaring voor alleenstaande werkenden
per inkomensgroep.
Vraag 33: Welke gedragseffecten verwacht het CPB als gevolg van de hogere lastendruk voor werkenden,
en wat is het geraamde effect hiervan op arbeidsaanbod/werkgelegenheid?
Antwoord: Het CPB schat het totale gedragseffect als gevolg van de fiscale maatregelen met
betrekking tot de lastendruk op arbeid en inkomen in op –0,1%.
Vraag 34: Kunt u kwantificeren welk deel van de lastenverzwaring van € 1,7 miljard door de
verhoging van de Aof-premie neerkomt bij werknemers via lagere loonstijgingen, en
welk deel bij werkgevers via lagere winsten?
Antwoord: Een verhoging van de Aof-premie heeft, via de loononderhandelingen, een dempend effect
op de cao-loonstijging. In de doorrekening is daarmee rekening gehouden, maar dit
effect kan niet afzonderlijk in beeld gebracht worden.
Vraag 35: Kunt u toelichten waarom de kapitaalstorting voor de nationale investeringsinstelling
volgens het CPB leidt tot een hogere EMU-schuld, terwijl het kabinet stelt dat deze
niet EMU-saldorelevant is?
Antwoord: Voorlopig is aangenomen dat de investeringsinstelling binnen de sector overheid wordt
geclassificeerd, dit is uiteindelijk aan het CBS en Eurostat. Een kapitaalstorting
van de rijksoverheid naar een instelling binnen de sector overheid is neutraal voor
het EMU-saldo. Het CPB gaat er dus ook vanuit dat deze kapitaalstorting niet saldorelevant
is. Het CPB neemt aan dat de overheid leent voor deze kapitaalstorting, dit verhoogt
wel de EMU-schuld.
Vraag 36: Kunt u kwantificeren welke structurele budgettaire bijsturing (ombuigingen en/of
lastenverzwaring) vanaf 2031 nodig zou zijn om de mediaan EMU-schuld in 2060 op ≤60%
bbp te krijgen (in mld euro per jaar en % bbp)?
Antwoord: Het CPB heeft deze analyse bij de doorrekening van het coalitieakkoord niet uitgevoerd.
Bij de cMEV2026 was een structurele aanpassing van 2% bbp in 2027 nodig om in 2060
op een overheidsschuld van 60% bbp uit te komen. De verwachte overheidsschuld in 2060
is nu 10% bbp hoger en de aanpassingsperiode vanaf 2031 is vier jaar korter, dus de
benodigde aanpassing zal groter zijn.
Vraag 37: Kunt u deze bijsturing ook weergeven voor 2040, 2050 en 2060, zodat zichtbaar wordt
hoe de opgave oploopt in de tijd?
Antwoord: Het CPB heeft deze analyse bij de doorrekening van het coalitieakkoord niet uitgevoerd.
Vraag 38: Kunt u een scenario-uitsplitsing geven van de benodigde bijsturing: (i) volledig
via lastenverzwaring, (ii) volledig via ombuigingen, en (iii) 50/50-mix, inclusief
effecten op koopkracht
Antwoord: Het CPB heeft deze analyse bij de doorrekening van het coalitieakkoord niet uitgevoerd.
Voor de effecten zouden daarnaast ook specifieke aannamen moeten worden gedaan over
de invulling van de ombuigingen en/of lastenverzwaringen.
Vraag 39: Kunt u kwantificeren hoeveel van de door het CPB geraamde schuldtoename in 2060 (+19%
bbp t.o.v. het basispad) wordt verklaard door uitgaven die pas na 2030 plaatsvinden?
Antwoord: De EMU-schuld neemt in 2030 met 0,2% bbp toe ten opzichte van het basispad. Het CPB
heeft niet uitgerekend welk effect de uitgaven na 2030 hebben op de schuldquote in
2060.
Vraag 40: Kunt u voor de grootste klimaat- en energieposten (waaronder wind op zee en de SDE++)
de cumulatieve uitgaven kwantificeren tot en met 2035, 2040 en 2060, en aangeven welk
aandeel deze posten hebben in de door CPB geraamde EMU-schuldontwikkeling?
Antwoord: De cumulatieve uitgaven voor klimaat en energie bedragen 17,8 mld euro tot en met
2035, 46,2 mld euro tot en met 2040 en 88,3 mld euro tot en met 2060.
Deze bedragen hebben betrekking op:
• CA_123 – Intensivering in indirecte kostencompensatie ETS,
• CA_125 – Verlenging SDE++,
• CA_126 – Verlenging capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid,
• CA_127 – Intensivering in wind op zee.
De bijdrage aan de EMU-schuldontwikkeling van die uitgaven is daarmee ex ante 88,3 mld
euro of 6,8% bbp in 2060. De ex-post doorwerking op het schuldniveau is alleen berekend
voor het hele maatregelenpakket.
Vraag 41: Wat is volgens het CPB de geraamde doorwerking van de suikerbelasting op consumentenprijzen
en welk percentage van de belastingdruk wordt uiteindelijk gedragen door huishoudens?
Antwoord: Deze maatregel is meegenomen als een heffing op producenten. Bij de analyse van het
coalitieakkoord is niet op maatregelniveau de doorwerking op prijzen meegenomen.
Vraag 42: Kunt u uitsplitsen welke in het basispad verwerkte ombuigingen, taakstellingen of
aflopende middelen leiden tot een daling van de uitgaven aan binnenlandse veiligheid
richting 2030, los van de intensiveringen uit het coalitieakkoord?
Antwoord: De afloop van de uitgaven aan de functie veiligheid is met name het gevolg van de
afloop van de gelden voor asiel.
Vraag 43: Kunt u toelichten wat het gevolg is van netcongestie voor het behalen van de klimaatdoelstellingen
onder het coalitieakkoord?
Antwoord: Bij de inschatting van het effect van het coalitieakkoord op de reductie van broeikasgasemissies
is rekening gehouden met netcongestie. Het startpunt voor de analyse van het coalitieakkoord
is de raming uit de Klimaat- en Energie-verkenning (KEV) 2025. In de KEV 2025 zijn
aannames gedaan over de mate van toekomstige netcongestie die meegenomen worden in
de ramingen. Dit wordt nader toegelicht (p. 46–47 van de KEV 2025).
Op het gebied van netcongestie zijn er geen maatregelen opgenomen in de budgettaire
bijlage van het coalitieakkoord, daarnaast zijn er ook geen andere maatregelen (normen)
bij de planbureaus ingediend. Het CPB en het PBL hebben geen inschatting gemaakt van
de effecten daarvan.
Vraag 44: Wat is het effect van het ontbreken van aanvullende middelen voor het oplossen van
netcongestie op de geraamde klimaatdoelstellingen en de uitvoerbaarheid van het beleid?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 43.
Vraag 45: Zijn de gevolgen van netcongestie meegenomen in de beoordeling van het investeringsklimaat
en zo ja, op welke wijze?
Antwoord: Het beschouwde pakket bevat geen normeringen of maatregelen met een budgettair effect
die betrekking hebben op netcapaciteit. Mogelijke gevolgen van netcongestie die samenhangen
met het stimuleren van wind op zee en van elektrificatie van energie-intensieve industrie
zijn buiten beschouwing gelaten.
Vraag 46: Kunt u ramen wat de totale kosten zijn van het verzwaren en uitbreiden van het elektriciteitsnet
in de periode tot en met 2035, 2040 en 2055?
Antwoord: Het CPB en het PBL hebben geen kostenraming gemaakt voor het verzwaren en uitbreiden
van het elektriciteitsnet. Voor een raming van deze kosten verwijzen we naar de resultaten
van het interdepartementaal beleidsonderzoek bekostiging elektriciteitsinfrastructuur.
Dit onderzoek is op 7 maart 2025 door de Minister van Klimaat en Groene Groei aangeboden
aan de Kamer (2025D09695).
Vraag 47: Kunt u aangeven in hoeverre de in het coalitieakkoord opgenomen verduurzamingsmaatregelen
(zoals elektrificatie van industrie, wind op zee en warmtepompen) leiden tot extra
kosten voor verzwaring en uitbreiding van het elektriciteitsnet?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 46.
Vraag 48: Wat is het geraamde effect van de normering van de hybride warmtepomp (per 2029)
op het elektriciteitsverbruik en de belasting van het elektriciteitsnet? Wat is de
geraamde besparing op aardgasverbruik en fossiele brandstoffen als gevolg van deze
normering?
Antwoord: In de doorrekening is verondersteld dat een hybride warmtepomp per 2029 de norm wordt
bij ketelvervanging. De normering geeft duidelijkheid aan woning- en gebouweigenaren,
installateurs en warmtepompproducenten. Zie ook hoofdstuk 5 maatregel CA_183.
In de doorrekening worden geen effect van individuele maatregelen op het energieverbruik
gepresenteerd. Het beleidspakket is als geheel bekeken en er is rekening gehouden
met autonome effecten en interacties tussen beleidsmaatregelen, zoals subsidies en
beprijzing.
De effecten op de belasting van het elektriciteitsnet zijn afhankelijk van een groot
aantal factoren, zoals de mate waarin het net nu al vol is en de toepassing van zonnepanelen,
warmtepompen, laadpalen en batterijen. Het is daarom niet mogelijk om het individuele
effect van de normering op de belasting van het elektriciteitsnet aan te geven.
Vraag 49: Is in de doorrekening rekening gehouden met de budgettaire impact van deze normering
op netcongestie en benodigde netuitbreiding?
Antwoord: De gevolgen van de normering voor het benodigde budget voor netuitbreiding en de
aanpak van netcongestie zijn niet bepaald op het niveau van deze individuele beleidsmaatregel.
Zie het antwoord op vraag 46.
Vraag 50: Zijn op dit moment voldoende middelen gereserveerd voor de financiering van hybride
warmtepompen, mede gelet op de ISDE-subsidie waarvan (hybride) warmtepompen gebruikmaken?
Antwoord: Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) biedt de
overheid onder andere subsidie voor na-isolatie en warmtepompen in de bestaande bouw.
De ISDE is een van de belangrijkste stimulansen voor investeringen in warmtepompen.
Voor de periode na 2030 zijn nog geen ISDE-middelen gereserveerd, zodat niet alle
investeringen in warmtepompen gesubsidieerd kunnen worden.
Vraag 51: Er wordt in de analyse aangegeven dat middelen voor wind op zee mogelijk niet volledig
worden uitgeput. Kunt u dit nader toelichten en aangeven op basis van welke aannames
dit is geconcludeerd?
Antwoord: In de analyse is uitgegaan van het recente advies dat het PBL aan het Ministerie
van KGG heeft gegeven over de tenderbedragen voor wind-op-zee (Lensink, S. en Henriquez,
C. (2026), Advice Offshore Wind Tender 2026, Maximum tender amount for the TOWOZ-concept.
Den Haag: PBL). Daarin wordt een maximum tenderbedrag van 0,104 Euro/kWh geadviseerd. Wat de daadwerkelijke subsidies zullen zijn, is onzeker en hangt
onder andere af van de ontwikkeling van de elektriciteitsprijs en de kosten van windenergie
op zee. De subsidie kan daarom lager uitvallen dan het maximumbedrag en daarmee leiden
tot onderuitputting van het beschikbare budget.
Vraag 52: Kunt u de cumulatieve uitgaven voor het klimaatbeleid kwantificeren tot en met 2055?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 40.
Vraag 53: Welke ambities uit het coalitieakkoord zijn niet meegenomen in de doorrekening omdat
zij niet in de budgettaire tabel of normeringen zijn opgenomen?
Antwoord: De doorrekening van het CPB is gebaseerd op de door de coalitie aangeleverde budgettaire
bijlage, aangevuld met enkele normeringen voor klimaat en stikstofbeleid. Andere maatregelen
maken geen deel uit van de analyse. Een volledig overzicht van de door het CPB doorgerekende
maatregelen is te vinden in hoofdstuk 5.
Vraag 54: In de analyse wordt vermeld dat subsidiegelden voor de indirecte kostencompensatie
ETS mogelijk niet tot besteding kunnen komen vanwege Europese staatssteunregels. Kunt
u specificeren om welke staatssteunregels het hier gaat, op welke sectoren of typen
bedrijven deze mogelijke beperking betrekking heeft en wat de potentiële financiële
impact is indien deze middelen na 2030 niet kunnen worden uitgekeerd?
Antwoord: Het gaat om de richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader
van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (2020/C317/04).
In alinea 50 staat dat de duur van de steunregelingen in het kader waarvan de steun
wordt verleend, niet langer mag zijn dan de looptijd van deze richtsnoeren (2021–2030).
Het gaat om bedrijfstakken met een reëel koolstoflekkagerisico als gevolg van aanzienlijke
indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen doordat broeikasgasemissiekosten in
de elektriciteitsprijzen worden doorberekend. Als de maatregel niet verlengd mag worden,
kan circa 2,5 mld euro niet tot besteding komen.
Vraag 55: Kunt u kwantificeren of de geraamde middelen voor digitalisering en digitale autonomie
in lijn zijn met de omvang van de geformuleerde beleidsambities, en zo nee, wat de
indicatieve aanvullende budgettaire opgave zou zijn?
Antwoord: Het CPB heeft in de doorrekening gekeken naar de effecten van de aangeleverde maatregelen,
maar deze, met uitzondering van doelen op het gebied van klimaat en stikstof, niet
getoetst aan de geformuleerde beleidsambities.
Vraag 56: Kunt u kwantificeren wat het geraamde effect is van de digitale agenda op het bbp,
arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid in 2030 en op lange termijn?
Antwoord: Het CPB heeft geen raming gemaakt van het effect van de digitale agenda op het bbp,
productiviteit en werkgelegenheid.
Vraag 57: Voor welke maatregelen zijn in de doorrekening aannames gehanteerd vanwege ontbrekende
beleidsuitwerking? Kunt u per maatregel toelichten welke aannames zijn gedaan en hoe
gevoelig de uitkomsten zijn voor afwijkingen daarvan?
Antwoord: De doorrekening is gebaseerd op de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord; waar
nodig en mogelijk is nadere toelichting verkregen. Hoofdstuk 5 geeft een overzicht
van de gemaakte aannames op maatregelniveau. De uitkomsten zoals beschreven in de
analyse zijn op pakketniveau. Mede vanwege interactie-effecten tussen maatregelen
is het niet goed mogelijk een uitspraak te doen over onzekerheidsmarges op maatregelniveau.
Vraag 58: Welke nog beschikbare middelen zijn er tot en met 2029 voor de stimulering van woningbouw?
Antwoord: Het pakket bevat boven op het basispad een verruiming van de investeringscapaciteit
van woningcorporaties via een lastenverlichting in de vpb. Deze gaat per 2028 in.
Daarnaast bevat het akkoord nieuwe subsidies voor woningbouw vanaf 2029.
Vraag 59: Wat doen alle maatregelen (inclusief fiscale) met investeringsbereidheid voor nieuwbouwwoningen?
Antwoord: Het pakket in zijn geheel vergroot de prikkel voor de marktsector en de mogelijkheden
voor de corporatiesector om te investeren in woningbouw. Dit leidt tot een lichte
toename in het woningaanbod op lange termijn.
Vraag 60: Kunt u toelichten welke effecten de maatregelen uit het coalitieakkoord hebben op
de woningbouwproductie in relatie tot netcongestie? Is in de doorrekening rekening
gehouden met mogelijke vertraging van woningbouw als gevolg van beperkte netcapaciteit?
Antwoord: In de doorrekening is een globale inschatting gemaakt van de effecten van het pakket
op het woningaanbod op lange termijn, ten opzichte van het basispad. Mogelijke vertraging
in de woningbouw door beperkte netwerkcapaciteit kan een rol spelen in het basispad,
maar ook in dat scenario leidt het beleidspakket in het coalitieakkoord naar verwachting
tot een lichte toename van woningbouw.
Vraag 61: Kunt u kwantificeren welk deel van de extra hernieuwbare elektriciteitsproductie
die voortvloeit uit de maatregelen in het coalitieakkoord naar verwachting wordt gebruikt
voor binnenlands verbruik, en welk deel resulteert in export van elektriciteit (in
TWh en als percentage van de additionele productie)?
Antwoord: Er is geen precieze inschatting te geven van welk deel van de extra hernieuwbare
elektriciteitsproductie binnen Nederland wordt gebruikt en welk deel wordt geëxporteerd.
Evenmin is aan te geven welk deel van de publieke uitgaven dit betreft. De Nederlandse
elektriciteitsmarkt is sterk verweven met de Europese elektriciteitsmarkt, de consequentie
daarvan is dat de impact van beleid in de elektriciteitssector in Nederland in meer
of mindere mate neerslaat in het buitenland. En omgekeerd hebben veranderingen in
vraag en aanbod van elektriciteit in andere landen in Europa een grote invloed op
de CO2-emissies van de Nederlandse elektriciteitssector. Zo zal bijvoorbeeld een toename
van CO2-vrije elektriciteitsproductie in andere landen, ook leiden tot minder CO2-emissies in Nederland.
Bij de export van elektriciteit is niet aan te geven of het gaat om hernieuwbare (wind)energie
of anderszins opgewekte elektriciteit. Wel zal meer productie van hernieuwbare (wind)energie
ertoe leiden dat er minder elektriciteit wordt geïmporteerd en dat er meer elektriciteit
wordt geëxporteerd. Dit draagt niet bij aan vermindering van de emissies binnen Nederland,
maar wel aan een afname van de emissies in andere landen en daarmee aan het beperken
van klimaatverandering.
Vraag 62: Kunt u toelichten of en hoe de export van hernieuwbare (wind)energie bijdraagt aan
het halen van de Nederlandse klimaatdoelen?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 61.
Vraag 63: Kunt u kwantificeren welk deel van de publieke uitgaven voor additionele hernieuwbare
elektriciteitsopwekking onder het coalitieakkoord (inclusief de SDE++ en de geraamde
€ 60,2 miljard aan Contracts for Difference) samenhangt met elektriciteitsproductie
die niet binnenlands wordt verbruikt maar wordt geëxporteerd?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 61.
Vraag 64: Kunt u kwantificeren in welke mate het afschaffen van de IVA bijdraagt aan de toename
van het arbeidsaanbod en via welk mechanisme dit effect volgens uw raming tot stand
komt?
Antwoord: Het afschaffen van de IVA heeft een positief arbeidsaanbodeffect door twee mechanismes.
Ten eerste ontstaat er door de lagere uitkering een sterkere prikkel om werk te zoeken
en te accepteren. Ten tweede zijn er sterkere prikkels voor werkgevers om hun werknemers
te re-integreren, omdat nieuwe duurzaam arbeidsongeschikten in de WGA met premiedifferentiatie
vallen in plaats van het publieke stelsel. Het CPB gaat ervan uit dat iemand aan het
werk gaat voor minder uren dan het gemiddeld aantal uren van de huidige werkenden.
Het effect op de uren per werkende is daarom negatief. Voor meer informatie over onze
aannames, zie «Kansrijk arbeidsmarktbeleid: update sociale zekerheid» en de gerelateerde
publicaties. Het CPB deelt geen exacte arbeidsmarkteffecten op maatregelniveau.
Vraag 65: Kunt u kwantificeren in welke mate het verkorten van de WW-duur en het verlagen van
het maximumdagloon leidt tot snellere uitstroom naar werk, uitgedrukt in de gemiddelde
verkorting van de werkloosheidsduur en de toename van de uitstroomkans naar werk?
Antwoord: Het verkorten van de WW-duur heeft een positief werkgelegenheidseffect. Het werkgelegenheidseffect
bestaat uit een directe component, omdat de duur van de WW korter wordt, en een indirecte
component, omdat de WW-uitkering door de kortere duur minder aantrekkelijk wordt.
Ook het verlagen van het maximumdagloon heeft een positief werkgelegenheidseffect,
omdat door de lagere uitkering een sterkere prikkel ontstaat om werk te zoeken en
te accepteren. Voor meer informatie over onze aannames, zie «Kansrijk arbeidsmarktbeleid:
update sociale zekerheid» en de gerelateerde publicaties. Het CPB heeft geen aparte
doorrekening gemaakt van arbeidsmarkteffecten op maatregelniveau.
Vraag 66: Kunt u nader toelichten hoe de verlaging van het maximumdagloon door databeperking
alleen meegenomen kan worden in het koopkrachtbeeld voor WW-uitkeringen, terwijl deze
maatregel wel in bredere zin volledig kan worden meegenomen als kostenbesparing?
Antwoord: Voor het berekenen van de koopkrachteffecten van de verlaging van het maximumdagloon
voor AO-uitkeringen is onder andere informatie nodig over in hoeverre iemand arbeidsongeschikt
is, hoe lang iemand in de WIA zit en wat het laatstverdiende salaris was. Het CPB
beschikt niet over deze informatie. Voor de raming van het budgettaire effect is deze
aanvullende informatie niet nodig.
Vraag 67: Kunt u nader specificeren welk toenemend beroep op de arbeidsongeschiktheids-, WW-
en bijstandsuitkeringen u verwacht als gevolg van de verdere verhoging van de AOW-leeftijd
en welke budgettaire en koopkrachteffecten hiermee gepaard zullen gaan?
Antwoord: Het CPB gaat uit van een structurele intensivering van 2,2 mld euro in 2060 door
een hoger beroep op arbeidsongeschiktheids-, WW- en bijstandsuitkeringen. De structurele
ombuiging op AOW-uitkeringen in 2060 bedraagt 4,9 mld euro, wat per saldo leidt tot
een structurele ombuiging van 2,7 mld euro in 2060.
De koopkrachtramingen van het CPB zijn statisch, wat betekent dat persoonlijke veranderingen
als trouwen, het krijgen van een kind, werk verliezen of met pensioen gaan niet meegenomen
worden. Uitstel van de pensionering valt ook onder deze dynamische veranderingen.
Vraag 68: Kunt u aangeven hoe en in welke mate bij de ramingsbijstellingen voor asiel en crisisnoodopvang
rekening is gehouden met voorziene instroombeperking door nieuwe asielwetgeving en
-maatregelen? Kunt u specificeren welke gevolgen deze hebben voor de voorziene kosten
op deze posten?
Antwoord: De ramingsbijstelling voor asiel en crisisnoodopvang zijn niet het gevolg van nieuwe
asielwetgeving. Het gaat hier om een bijstelling van het budgettaire effect gegeven
de huidige verwachte instroom van asielzoekers. In de begroting was het budget voor
asielopvang en crisisnoodopvang vanaf 2027 namelijk te laag voor de te verwachten
instroom. Hiervoor is nu gecorrigeerd. Het CPB had hiermee in het basispad al grotendeels
rekening gehouden, waardoor de ramingsbijstelling ten opzichte van het basispad een
stuk kleiner is dan ten opzichte van de begroting.
Vraag 69: Op welke manier is de afschrijvingsvoet op leerwinst bijgesteld in deze nieuwe versie
ten opzichte van de vorige en hoe werkt dat door in de effecten?
Antwoord: De afschrijvingsvoet van het human capital model is verhoogd, waardoor deze in de
huidige modelversie gelijk is aan de veronderstelde reële productiviteitsgroei. Door
deze bijstelling werkt het CPB nu conform de berekeningen die in Kansrijk Onderwijsbeleid
zijn gemaakt. Hierdoor valt het effect op menselijk kapitaal lager uit. Om consistentie
met de uitkomsten in Keuzes in Kaart te waarborgen, zijn de bandbreedtes op de menselijkkapitaalindicator
opnieuw gekalibreerd.
Vraag 70: Welk alternatieve maatvoering dan verhoging van de tarieven in de IB en een hogere
Aof-premie is denkbaar om lagere Zvw-premies voor gezinnen en bedrijven in het inkomstenkader
te compenseren?
Antwoord: De invulling van compensatie van de Zvw-premies is een politieke keuze. Het CPB heeft
geen alternatieve invullingen doorgerekend.
Vraag 71: Is het in het kader van de lagere Zvw-premies logisch en verstandig om technisch
te blijven veronderstellen dat de Aof-premies dan zullen stijgen, terwijl er jaarlijks
al miljarden meer aan Aof-premies binnenkomen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds dan
strikt noodzakelijk voor de uitgaven?
Antwoord: Voor de periode 2027–2030 bestaat er in het basispad een vermogensoverschot bij de
arbeidsongeschiktheidsfondsen (Aof en Whk). De verhoging van de Aof-premie draagt
verder bij aan dit vermogensoverschot. Bij het CEP wordt de nieuwe inschatting van
de vermogenspositie van de arbeidsongeschiktheidsfondsen gepubliceerd (bijlage 15).
De keuze om de compenserende lastenverhoging voor de lagere Zvw-premies in de Aof-premie
te laten neerslaan, is politiek.
Vraag 72: Waarop komt de EMU-schuld in 2060 uit als wordt verondersteld dat de AOW en andere
uitkeringen tot en met 2060 louter met de wettelijke koppeling stijgen?
Antwoord: Voor de lange termijn neemt het CPB aan dat de AOW-uitgaven stijgen met de werkelijke loonstijging. De AOW is wettelijk gekoppeld aan
de stijging van het minimumloon, maar dit impliceert dat de AOW op lange termijn zou
achterblijven bij de totale loonontwikkeling die gemiddeld hoger ligt. Dit past niet
bij de verdeling zoals het huidige beleid impliceert, en daarom stijgen de uitkeringshoogtes
in de langetermijnanalyse mee met de totale loonontwikkeling. Ook voor andere inkomsten
en uitgaven worden soortgelijke aannamen gedaan. Voor meer informatie zie: https://www.cpb.nl/publicatie/overheidsschuld-op-lange-termijn-en-de-ef…, specifiek het kader op pagina 13. Het CPb heeft geen analyse gemaakt van het effect
van een koppeling aan het minimumloon, maar het schuldniveau zou in dat geval enigszins
lager uitkomen.
Vraag 73: Kunt u het tabel beleidsmatige lastenontwikkeling (3.1.3) uitsplitsen per jaar in
de periode 2027–2030?
Antwoord: Een uitsplitsing van de beleidsmatige lastenontwikkeling per jaar volgt bij het Centraal
Economisch Plan 2026 op 12 maart.
Vraag 74: Kunt u een overzicht geven van alle lastenverzwarende maatregelen incl. het budgettair
belang, uitgesplitst per jaar in de periode 2027–2030? Kunt u tevens per jaar en maatregel
aangeven hoeveel euro mensen erop achteruit gaan?
Antwoord: Een overzicht van alle lastenmaatregelen is te vinden in tabel 5.2.2 op pagina 33.
De maatregelen met een positief budgettair bedrag betreffen de lastenverzwarende maatregelen.
Het CPB heeft geen inschatting gemaakt van de koopkrachteffecten van individuele maatregelen.
Vraag 75: Kunt u de defensie-uitgaven per jaar weergeven t/m 2035?
Antwoord: Uitgaven per functie per jaar na de kabinetsperiode volgen bij het Centraal Economisch
Plan 2026 op 12 maart.
Vraag 76: Met hoeveel wordt het eerste en tweede tarief in de inkomstenbelasting verhoogd?
Met hoeveel worden de lasten verzwaard al gevolg hiervan? Kunt u per inkomensgroep
aangeven hoeveel een werknemer minder overhoudt op zijn loonstrook als gevolg hiervan?
Hoe weegt dit op tegen de lagere zorgpremies?
Antwoord: De tarieven nemen (ten opzichte van het basispad) toe met de volgende percentages:
2027
2028
2029
2030
Tarief 1e schijf
0,72%
0,68%
0,89%
0,93%
Tarief 2e schijf
0,72%
0,68%
0,89%
0,93%
Het uiteindelijke percentage is weergegeven in het antwoord op vraag 96. De lastenverzwaring
bedraagt in totaal 5,0 mld euro (in 2030). Hoeveel iemand overhoudt op zijn of haar
loonstrook, hangt af van meer elementen dan in welke inkomensgroep men valt (zoals
het recht op IACK). De lastenverzwaring compenseert voor de inkomensderving uit de
nominale premies (exclusief de rijksbijdrage), plus de derving uit IAB-premies, min
de gedaalde kosten voor de zorgtoeslag. Het vormt dus een compenserende lastenverzwaring
voor de gevolgen van maatregelen binnen de Zorgverzekeringswet in het coalitieakkoord.
Vraag 77: Kunt u de systematiek achter de vrijheidsbijdrage en dus achter het beperkt toepassen
van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting nader toelichten? Kunt u per
inkomensgroep in zowel absolute als relatieve cijfers aangeven hoeveel burgers erop
achteruitgaan per jaar? Hoeveel houden burgers in verschillende inkomensgroepen zowel
bruto als netto minder over per jaar op hun loonstrook als gevolg van deze maatregel?
Antwoord: Schijfgrenzen en heffingskortingen in de inkomstenbelasting groeien jaarlijks mee
met de inflatie via de tabelcorrectiefactor. De beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor
in de inkomstenbelasting heeft tot gevolg dat de schijfgrenzen en de heffingskortingen
lager uitvallen dan in het basispad. Hierdoor betalen mensen meer belasting zonder
dat de schijftarieven veranderen. Het CPB heeft geen raming gemaakt van de koopkrachteffecten
van individuele maatregelen.
Vraag 78: Wat betekent de verlaging van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die met zwangerschapsverlof
gaan?
Antwoord: Zwangerschapsverlof (WAZO) is een loongerelateerde uitkering en is dus onderdeel
van deze maatregel. Dit betekent dat een werkgever met zwangere vrouwen in dienst
boven het nieuwe maximumdagloon, na invoering van deze maatregel, een lagere uitkering
ontvangen. Afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de vrouwen en de aanvulling
van de werkgever kan hun inkomen tijdens zwangerschapsverlof lager uitvallen.
Vraag 79: Met hoeveel dalen de zorgpremies? Kunt u dit per inkomensgroep weergeven? Hoe weegt
dit op tegen een hoger eigen risico?
Antwoord: In onderstaande tabel is te zien met hoeveel euro de nominale zorgverzekeringspremie
(op jaarbasis) daalt ten opzichte van het basispad in lopende prijzen. De nominale
premie is niet afhankelijk van het inkomen, dus deze verschilt niet per inkomensgroep.
De tabel laat ook de stijging van het maximale eigen risico ten opzichte van het basispad
zien. De stijging van het maximale eigen risico is in alle jaren hoger dan de daling
van de nominale premie. Volwassenen profiteren allemaal van de daling van de nominale
premie, maar niet alle volwassenen betalen het maximale eigen risico. Het hangt dus
van de individuele situatie af of iemand voordeel of nadeel heeft van de lagere nominale
premie.
Mutatie per jaar t.o.v. basispad (euro’s)
2027
2028
2029
2030
Nominale premie
– 236
– 230
– 312
– 339
Maximaal eigen risico
295
315
335
350
Verschil
59
85
23
11
Vraag 80: Met hoeveel neemt de zorgtoeslag af? Kunt u dit per inkomensgroep weergeven?
Antwoord: De maximale zorgtoeslag per maand voor een alleenstaande neemt met 3 euro af in 2027,
met 5 euro in 2028, met 11 euro in 2029 en met 13 euro in 2030 ten opzichte van de
bedragen in het basispad. Voor aanvragers met een toeslagpartner gaat het om een afname
van 6 euro in 2027, 10 euro in 2028, 22 euro in 2029 en 25 euro in 2030.
Vraag 81: Hoe zou de lastenverzwaring in box 1 moeten worden vormgegeven, zodanig dat de armoede
niet toeneemt met 0,2% ten opzichte van het basispad, maar gelijk blijft?
Antwoord: Het CPB heeft geen alternatieve beleidspakketten of maatregelen doorgerekend.
Vraag 82: Hoeveel mensen zullen er in armoede leven in 2030?
Antwoord: Naar verwachting leven er in 2030 na invoering van de maatregelen uit het coalitieakkoord
475.000 mensen in armoede.
Vraag 83: Wat is het budgettair effect van het samenvoegen het kindgebonden budget en de kinderbijslag
in een nieuwe kindregeling met hogere vaste en lagere variabele bedragen? Kunt u dit
per inkomensgroep weergeven in zowel absolute als relatieve cijfers?
Antwoord: Het samenvoegen van de kinderbijslag en het kindgebondenbudget bedraagt een intensivering
van 0,3 mld euro in 2027 en 0,6 mld euro vanaf 2028. Zie ook hoofdstuk 5, pagina 23,
maatregel CA_159. Het CPB maakt geen raming van de koopkrachteffecten van individuele
maatregelen.
Vraag 84: Tot welke toename van menselijk kapitaal leidt het beleidspakket, welke andere effecten
worden daar aan toegeschreven, en welke aannames liggen aan die inschatting ten grondslag?
Antwoord: Het beleidspakket leidt tot een toename van het menselijk kapitaal. De exacte toename
van het menselijk kapitaal is afhankelijk van veel keuzes en aannames omtrent de modellering.
Door de stapeling van keuzes en aannames is de modeluitkomst met veel onzekerheid
omgeven.
De menselijkkapitaalindicator is een op zichzelf staande indicator die door het CPB
gebruikt wordt om afruilen tussen diverse beleidsterreinen in kaart te brengen. Deze
indicator heeft geen verdere doorwerking in andere modellen van het CPB.
Voor de inschatting van het effect op menselijk kapitaal wordt het human capital model
van het CPB gebruikt. Dit model wordt toegelicht in de Startnotitie van Keuzes in
Kaart: https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/CPB-publicatie-startnotitie-ke…. In de loop van dit jaar publiceert het CPB een uitgebreidere beschrijving van het
model.
Vraag 85: Welk stikstofreductie-effect is toegekend aan de aangekondigde, maar nog niet ingevulde
normeringen, zoals voor grondgebondenheid, zonering en vergunningen op basis van doelvoorschriften?
Antwoord: De maatregelen grondgebondenheid (CA_191), zonering (CA_192) en doelsturing (CA_115)
waren nog niet ingevuld. Daarom is in deze analyse vooralsnog ingeschat dat er geen
sturend effect van uitgaat op de stikstofemissies. Dat kan veranderen als die maatregelen
wel concreet worden ingevuld. Zie ook p. 28, 34 & 35 van de doorrekening van het Coalitieakkoord
van de planbureaus.
Vraag 86: Op pagina 16 wordt een hogere groei van de werkgelegenheid bij de overheid geraamd
(1,4 procentpunt per jaar t.o.v. het basispad). Kunt u deze groei uitsplitsen naar:
(i) defensie (ii) onderwijs (iii) veiligheid en de (iv) kerndepartementen?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 19.
Vraag 87: Wat zijn de budgettaire gevolgen als het eigen risico in 2030 niet wordt verhoogd
naar 520 euro, maar bevroren blijft op 385 euro dan wel na 2027 gedurende de kabinetsperiode
bevroren blijft op 460 euro?
Antwoord: Het CPB heeft geen alternatieve beleidspakketten of maatregelen doorgerekend.
Vraag 88: Hoe verklaart u het dat de werkgelegenheid bij de overheid als gevolg van dit beleidspakket
met 1,4% toeneemt?
Antwoord: Als gevolg van de intensivering in defensie, en in mindere mate ook die in onderwijs
en veiligheid, neemt de werkgelegenheidsgroei bij de overheid toe met 1,4% gemiddeld
per jaar. Het CPB maakt geen inschatting van de arbeidsmarkteffecten van individuele
maatregelen of op afzonderlijke bedrijfstakken.
Vraag 89: Heeft sec de omvang van de hypotheekrenteaftrek een gelijk effect op de woningprijzen
als de hoogte van de besteedbare inkomens in het woningmarktmodel van het CPB?
Antwoord: In het woningprijsmodel van het CPB is de verhouding tussen de gebruikskosten van
een woning en het inkomen leidend voor de woningprijsontwikkeling op de langere termijn.
Een gelijke, percentuele toename van de gebruikskosten en het inkomen heeft op lange
termijn per saldo geen effect op woningprijzen. De hypotheekrenteaftrek is een belangrijke
parameter voor de gebruikskosten, maar werkt niet een-op-een door op de gebruikskosten
doordat aflossingen, belastingen en inbreng van overwaarde ook een rol spelen in de
gemiddelde gebruikskosten in het model. Een gelijke percentuele aanpassing van het
inkomen en de hypotheekrenteaftrek heeft daardoor niet hetzelfde effect op woningprijzen.
Vraag 90: Met hoeveel zal het woningaanbod licht toenemen als gevolg van het kabinetsbeleid?
Waarom worden er geen getallen genoemd in tabel 3.11?
Antwoord: Er worden geen getallen genoemd in de tabel, omdat de woningaanbodindicator van kwalitatieve
aard is. Deze is geschikt om de effecten van verschillende partij- en coalitiepakketten
onderling te vergelijken, maar niet om een gekwantificeerde inschatting te geven van
het aantal extra woningen dat gebouwd wordt als gevolg van een beleidspakket.
Vraag 91: Kunt u specificeren welke beleidsvoornemens met gevolgen voor het functioneren van
het openbaar bestuur niet in de doorrekening zijn meegenomen omdat zij buiten de budgettaire
tabel vallen (zoals vermeld op pagina 20)? Kunt u per voornemen aangeven of er naar
verwachting wel economische of budgettaire effecten zijn?
Antwoord: Het CPB heeft alleen maatregelen uit de budgettaire bijlage meegenomen in de doorrekening
en heeft geen inschatting gemaakt van de budgettaire of economische effecten van andere
beleidsvoornemens. Zie hoofdstuk 5 voor een overzicht van de door het CPB meegenomen
maatregelen.
Vraag 92: Stel dat alle WW-maatregelen worden overgenomen, uitgezonderd de verhoging naar 80%
in de eerste twee maanden en de verkorting met 6 maanden van 1,5 naar 1 jaar, wat
zijn dan de budgettaire effecten?
Antwoord: Het CPB heeft geen alternatieve beleidspakketten of maatregelen doorgerekend.
Vraag 93: Als de huishoudelijke hulp uit de Wmo wordt gehaald, zijn de uitgaven per cliënt
die een extra beroep doen op de Wlz dan hoger c.q. is de zorg vanuit de Wlz duurder
dan de ondersteuning die wegvalt vanuit de Wmo?
Antwoord: Uit onderzoek1 blijkt dat het wegvallen van Wmo-ondersteuning, zoals huishoudelijke hulp, ertoe leidt dat een deel van de cliënten doorstroomt
naar andere, zwaardere (en duurdere) zorgvormen, waaronder verpleeghuiszorg binnen
de Wlz. Voor het deel van de cliënten dat uitwijkt naar de Wlz, zullen de uitgaven
per cliënt naar verwachting hoger zijn dan bij uitsluitend Wmo-ondersteuning.
Vraag 94: Welk gedragseffect aan de kant van de aanbieders van producten is bij de suikerbelasting
verondersteld?
Antwoord: Deze maatregel is taakstellend ingeboekt. Daarbij is de opbrengst na gedragseffecten
leidend. Er is hiervoor dus geen aanname gedaan over een gedragseffect.
Vraag 95: Is de invulling van CA_182 (verhoging schijftarieven) gebaseerd op een aanname van
het CPB of op een keuze van de coalitiepartijen?
Antwoord: De invulling van maatregel CA_182 is gebaseerd op een technische aanname in overleg
met de formerende partijen.
Vraag 96: Hoe hoog worden de tarieven in de eerste twee schijven van box 1 door maatregel CA_182?
Antwoord: De tarieven komen op de onderstaande waardes te staan als gevolg van CA_182.
2027
2028
2029
2030
Tarief 1e schijf
8,73%
8,54%
8,70%
8,74%
Tarief 2e schijf
38,31%
38,17%
38,33%
38,37%
Vraag 97: Met welke percentuele verhoging van de tarieven in box 1 komt de verhoging met 5,0 miljard
euro overeen?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 76.
Vraag 98: Stel dat de tabelcorrectiefactor niet wordt beperkt bij de algemene heffingskorting,
en dat daardoor ter budgettaire compensatie de tabelcorrectiefactor elders meer beperkt
wordt, wat zijn daarvan de effecten voor de koopkracht per kwintiel?
Antwoord: Het CPB heeft geen alternatieve beleidspakketten of maatregelen doorgerekend.
Vraag 99: Stel dat de vrijheidsbijdrage fifty-fifty wordt verdeeld over burgers en bedrijven,
wat zijn daarvan de effecten?
Antwoord: Het CPB heeft geen alternatieve beleidspakketten of maatregelen doorgerekend.
Vraag 100: Hoe komt het dat maatregel CA 156, het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten,
fors meer oplevert dan voor de aftrek specifieke zorgkosten en tegemoetkoming specifieke
zorgkosten samen is begroot? Is het verschil puur toe te rekenen aan een lager recht
op inkomensafhankelijke regelingen vanwege een hoger verzamelinkomen of zijn er andere
redenen? Kan in het eerste geval een uitsplitsing gemaakt worden naar de verschillende
inkomensafhankelijke regelingen waar het om gaat?
Antwoord: Het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten zorgt voor een hoger verzamelinkomen,
waardoor er minder recht is op inkomensafhankelijke regelingen. Het gaat hierbij om
ongeveer 150 mln euro van de totale budgettaire opbrengst van de maatregel. Het CPB
heeft geen aparte uitsplitsing naar de verschillende inkomensafhankelijke regelingen
gemaakt.
Vraag 101: Wat worden de schijftarieven in de energiebelasting op elektriciteit na doorvoering
van maatregel CA 124?
Antwoord: Deze maatregel is taakstellend ingeboekt. Daarbij is de opbrengst leidend en niet
een specifieke invulling.
Vraag 102: Stel dat de aftrek specifieke zorgkosten niet wordt afgeschaft, maar in plaats daarvan
de doorwerking van alle aftrekposten wordt geschrapt voor wat betreft het recht op
inkomensafhankelijke regelingen, wat zijn daarvan de (budgettaire) effecten?
Antwoord: Het CPB heeft geen alternatieve beleidspakketten of maatregelen doorgerekend.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier