Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 900 Wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet dieren in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2024/1143 over kwaliteitsaanduidingen
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
I Algemeen
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel betreft een wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet dieren
ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1143 van het Europees Parlement en de Raad
van 11 april 2024 betreffende geografische aanduidingen voor wijn, gedistilleerde
dranken en landbouwproducten, evenals gegarandeerde traditionele specialiteiten en
facultatieve kwaliteitsaanduidingen voor landbouwproducten (hierna: Verordening (EU)
2024/1143). Deze verordening wijzigt de verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2019/787
en (EU) 2019/1753 en vervangt de Verordening (EU) 1151/2012 van 21 november 2012 inzake
kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen.
In Verordening (EU) 2024/1143 zijn kwaliteitsregelingen vastgelegd voor producten
met identificeerbare specifieke kenmerken, waaronder geografische aanduidingen voor
wijn, gedistilleerde dranken en landbouwproducten, met inbegrip van levensmiddelen,
evenals gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen
voor landbouwproducten.
Verordening (EU) 2024/1143 is op 13 mei 2024 in werking getreden (conform artikel 97
van Verordening (EU) 2024/1143), op de twintigste dag na publicatie in het Publicatieblad
van de Europese Unie). De verordening is voor een groot deel van toepassing geworden
op 13 mei 2024, maar gedeeltelijk van toepassing met ingang van 1 januari 2025.De
verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk. De nationale
regelgeving is grotendeels reeds in lijn met deze verordening, maar er moeten nog
bepalingen worden opgenomen over de bevoegdheid om inhoud te verwijderen van of de
toegang te beperken tot een online interface (artikelen 42, derde en vierde lid en
43, tweede lid) en over het in een register bijhouden van meldingen (bijvoorbeeld
van erkende marktdeelnemers). Dit wetsvoorstel voorziet hierin. Ook wordt met dit
wetsvoorstel de verwijzingen naar de oude verordening vervangen door verwijzingen
naar de nieuwe verordening.
In de volgende paragrafen van deze memorie van toelichting wordt achtereenvolgens
ingegaan op de Europese regels over kwaliteitsaanduidingen (hoofdstuk 2), de hoofdlijnen
van dit wetsvoorstel (hoofdstuk 3) en het toezicht op de naleving en de handhaving
(hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 worden de uitgebrachte adviezen en de uitkomsten van
de uitvoerings- en handhavingstoetsen van de bevoegde autoriteiten behandeld en het
gevolg dat daaraan is gegeven. In onderdeel II is de artikelsgewijze toelichting opgenomen.
In onderdeel III van de toelichting is de transponeringstabel opgenomen.
2. De Europese regels over kwaliteitsaanduidingen
2.1. Soorten kwaliteitsaanduidingen
In de loop der jaren hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
kwaliteitsregelingen vastgelegd voor producten met identificeerbare specifieke kenmerken.
Deze kwaliteitsproducten vormen een van de grootste troeven van de (lidstaten van
de) Europese Unie, zowel voor haar economie als voor haar culturele identiteit. De
kwaliteitsproducten worden het sterkst vertegenwoordigd in het merk «made in the EU»,
dat in de hele wereld herkenbaar is. Kwaliteitsregelingen genereren groei en dragen
bij aan het in stand houden van het erfgoed van de Europese Unie. De kwaliteit en
diversiteit van de productie van wijn, gedistilleerde dranken, en van de landbouw-
en voedselproductie, zijn aspecten waarop de producenten zich kunnen onderscheiden
in de concurrentie met anderen. Burgers en consumenten verlangen kwaliteit, traditionele
en toegankelijke producten met specifieke kwaliteiten en kenmerken die zowel aan hun
oorsprong als hun wijze van productie zijn toe te schrijven. Het keurmerk van de kwaliteitsaanduiding
geeft de consument het vertrouwen dat het een zodanig product betreft. Er zijn drie
verschillende categorieën van kwaliteitsaanduidingen geïntroduceerd. Te weten:
1. Geografische aanduidingen voor wijn, gedistilleerde dranken en landbouwproducten (ook
levensmiddelen);
2. Gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen
en wijnazijn;
3. Facultatieve kwaliteitsaanduidingen voor landbouwproducten.
Geografische aanduidingen identificeren producten met kwaliteiten, kenmerken of reputatie als gevolg van natuurlijke
en menselijke factoren die verband houden met hun plaats van herkomst. Er zijn twee
verschillende benamingen ter aanduiding van het verband tussen een product en zijn
plaats van herkomst (oorsprong), te weten de oorsprongsbenaming en geografische aanduiding.
Geografische aanduidingen kunnen dan ook op twee verschillende manieren worden geregistreerd
(mits voldaan aan de betreffende voorwaarden) als beschermede oorsprongsbenaming (BOB)
of als beschermde geografische aanduiding (BGA). Het verschil tussen een BOB en een
BGA heeft te maken met de eisen aan de productgrondstoffen en hoeveel stappen in het
productieproces moeten plaats vinden in het geografische gebied. Bij een BOB moeten
de grondstoffen afkomstig zijn uit het geografische gebied en alle productiestappen
plaats vinden binnen het geografische gebied. Bij een BGA moet ten minste een van
de productiestappen plaats vinden binnen het geografisch gebied. Voorbeelden van Nederlandse
producten met een BOB zijn: Opperdoezer Ronde, Boeren Leidse met sleutels, Noord-Hollandse
Edammer, Noord-Hollandse Gouda, Kanterkaas, Brabantse Wal asperges, Maasvallei Limburg
(wijn) en Mergelland (wijn). Voorbeelden van Nederlandse producten met een BGA zijn:
Limburgse Vlaai, Westlandse Druif, Gouda Holland, Edam Holland, Hollandse geitenkaas
en De Meerlander. Verder hebben alle Nederlandse provincies een BGA voor de wijn die
daar geproduceerd wordt. De actuele en volledige lijst is te vinden op de website
van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO).
Gegarandeerde Traditionele Specialiteiten (GTS)
Met een GTS worden traditionele productiemethoden en recepten beschermd. De productiewijze,
verwerkingswijze of samenstelling van de GTS moet in overeenstemming zijn met het
traditionele gebruik van dat product. «Traditioneel» betekent dat het product onveranderd
en aantoonbaar gebruikt is op de EU-markt gedurende minimaal 30 jaar. Voorbeelden
van Nederlandse producten met een GTS zijn: Boerenkaas, Basterdsuiker, Hollandse Maatjesharing/Hollandse
Nieuwe en Suikerstroop. De actuele en volledige lijst is te vinden op de website van
RVO.
Facultatieve kwaliteitsaanduidingen worden gebruikt wanneer sprake is van een kenmerk van een of meer categorieën producten
of met teelt- of verwerkingseigenschappen die van toepassing zijn op specifieke gebieden.
Nederland heeft geen producten met een facultatieve kwaliteitsaanduiding. Er is een
kwaliteitsaanduiding «product uit de bergen» en «ultraperifere gebieden».
De facultatieve kwaliteitsaanduiding «product uit de bergen» wordt gebruikt om de
aandacht te vestigen op de specifieke kenmerken van een product dat is gemaakt in
berggebieden met moeilijke natuurlijke omstandigheden. Om deze aanduiding op een product
te mogen gebruiken, moeten de grondstoffen en diervoeders afkomstig zijn uit berggebieden.
Verwerkte producten moeten daar ook geproduceerd zijn. Voorbeelden van «product uit
de bergen» zijn: Parmigiano Reggiano di montagna, Tiroler Bergkäse en Montagne-Saint-Emilion.
De kwaliteitsaanduiding «ultraperifere gebieden» wordt gebruikt voor landbouwgebied
waarop specifieke maatregelen van toepassing zijn die de problemen moeten ondervangen
welke voortvloeien uit het ultraperifere karakter, zoals de grote afstand, het isolement,
de kleine oppervlakte, het moeilijke reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid
van de productie van een klein aantal landbouwproducten. Om meer bekendheid te geven
aan landbouwproducten uit de ultraperifere gebieden van de EU (de Franse overzeese
departementen – Guadeloupe, Frans-Guyana, Réunion en Martinique – en de Azoren, Madeira
en de Canarische Eilanden) is een speciaal logo ontwikkeld.
Geografische aanduidingen, GTS en facultatieve kwaliteitsaanduidingen leveren voordelen
op voor de plattelandseconomie en zal het gastronomische en cultureel erfgoed van
de Europese Unie overal ter wereld beschermen. Deze kwaliteitskeurmerken geven producenten
een concurrentievoordeel, omdat zij hun producten beter op de markt kunnen brengen
en, mede dankzij samenwerking met andere lokale producenten, de verkoop kan stijgen.
Het systeem van beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen,
gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen was
geregeld in:
– Verordening (EU) nr. 1151/20121 voor landbouwproducten en levensmiddelen;
– Verordening (EU) nr. 1308/20132 gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten;
– Verordening (EU) 2017/10013 over het Uniemerk en;
– Verordening (EU) nr. 2019/7874 voor gedistilleerd dranken.
– Verordening (EU) 2019/17535 over de uitvoering van de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende
oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen
Verordening (EU) 2024/1143 wijzigt de verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2019/787
en (EU) 2019/1753 en vervangt de Verordening (EU) 1151/2012. De bovengenoemde verordeningen
zijn in de Landbouwkwaliteitswet, de Wet dieren, het Landbouwkwaliteitsbesluit, het
Besluit dierlijke producten, de Landbouwkwaliteitsregeling, de Regeling dierlijke
producten en de Regeling wijn en olijfolie geïmplementeerd.
2.2. hoofdlijnen van Verordening (EU) 2024/1143
Verordening (EU) 2024/1143 laat het bestaande systeem van kwaliteitsaanduidingen grotendeels
in stand.
Uitgangspunt bij Verordening (EU) 2024/1143 is het vereenvoudigen van de procedures
voor de wijziging van productdossiers met een kwaliteitsaanduiding. Daarom heeft de
Commissie de procedureregels voor kwaliteitsaanduidingen voor wijn, gedistilleerde
dranken en landbouwproducten in één enkel rechtsinstrument vastgelegd, met behoud
van product specifieke bepalingen voor wijn in Verordening (EU) 1308/2013, voor gedistilleerde
dranken in Verordening (EU) 2019/787 en voor landbouwproducten in deze verordening.
Met het oog op transparantie en uniformiteit tussen de lidstaten zal een centraal
elektronisch Unieregister van geografische aanduidingen, geregistreerd als beschermde
oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding, worden opgezet en bijgehouden.
Het geregeld geactualiseerde register moet informatie verstrekken aan consumenten
en aan degenen die betrokken zijn bij de handel in alle soorten geografische aanduidingen
die in dat register zijn opgenomen. Het Bureau voor intellectuele eigendom van de
Europese Unie (EUIPO) moet het Unieregister bijhouden en actualiseren.
2.3. Belangrijkste wijzigingen
De belangrijkste wijzigingen zijn:
– De bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen wordt versterkt
en moet ook gelden voor alle domeinnamen die in de Unie toegankelijk zijn;
– Informatie met betrekking tot reclame, promotie en verkoop van goederen die in strijd
is met de bescherming van geografische aanduidingen wordt als illegale inhoud beschouwd,
en nationale autoriteiten kunnen een bevel uitvaardigen om hier tegen op te treden;
– Aan marktdeelnemers kan op verzoek een verklaring van naleving van het productdossier
ter beschikking worden gesteld, of zij kunnen vragen om opgenomen te worden op een
door de bevoegde autoriteit opgestelde lijst van erkende marktdeelnemers;
– De procedures voor het wijzigen van productdossiers zijn vereenvoudigd.
Andere wijzigingen zijn: uitbreiding van de beschermingsomvang naar producten die
als ingrediënt worden gebruikt; meer aandacht voor duurzaamheid (op vrijwillige basis);
introductie van technische bijstand aan de EU door het EUIPO. Dit zijn bepalingen
waaraan geen uitvoering gegeven hoeft te worden.
2.4. Nadere uitwerking van Verordening (EU) 2024/1143
Verordening (EU) 2024/1143 bevat een regeling op hoofdlijnen. Terwijl de verordening
in de lidstaten van toepassing is, zal op diverse onderwerpen nog een nadere invulling
plaatsvinden. Aan de Europese Commissie zijn bevoegdheden gedelegeerd om in uitvoeringshandelingen
nadere regels ter uitwerking van de verordeningen te stellen. Voorbeelden van onderwerpen
waarbij nog nadere uitwerking zal plaatsvinden zijn onder meer het vaststellen van
aanvullende voorschriften inzake het gebruik van kwaliteitsaanduidingen in de naam
van verwerkte producten, het vaststellen van regels ter bepaling van het gebruik van
een plantenras- of dierenrasbenaming en het belasten van het EUIPO met het opzetten
en beheren van een informatie- en waarschuwingssysteem voor domeinnamen. Met dit wetsvoorstel
is voorzien in de uitvoering van deze nadere uitwerking van Verordening (EU) 2024/1143.
Voor alle onderdelen waar uitvoeringshandelingen in de verordening mogelijk wordt
gemaakt, is er reeds een grondslag of het wetsvoorstel voorziet hierin om zo nodig
nadere regels te stellen. Deze delegatiegrondslag is beperkt tot alleen wat op grond
van de Europese uitvoeringsregelgeving noodzakelijk of verplicht is.
2.5. Landbouwproducten, dierlijke producten en diervoeders
De regels over kwaliteit van landbouwproducten staan in de Landbouwkwaliteitswet en
de daarop gebaseerde regelgeving (Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en de Landbouwkwaliteitsregeling
2007). De reikwijdte van de landbouwkwaliteitsregels is beperkt tot landbouwproducten.
Dit zijn producten van «akkerbouw, weidebouw, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt
en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen –, teelt van griendhout en elke andere
vorm van bodemcultuur met inbegrip van bosbouw» (zie artikel 1 van de Landbouwkwaliteitswet).
De bepalingen die krachtens die wet zijn gesteld hebben aldus geen betrekking hebben
op dierlijke producten of diervoeders.
De regels over de kwaliteit van dierlijke producten en van diervoeders is geregeld
in de Wet dieren en de daarop gebaseerde regelgeving (Besluit dierlijke producten
en de Regeling dierlijke producten, Besluit diervoeders 2012 en de Regeling diervoeders
2012). De uitvoering van de EU-verordeningen op het terrein van de kwaliteit van levensmiddelen
van dierlijke oorsprong wordt gebaseerd op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet dieren.
Artikel 8 van de Landbouwkwaliteitswet biedt de mogelijkheid om privaatrechtelijke
rechtspersonen te belasten met het toezicht op de naleving van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gestelde regels. Op grond daarvan waren de Stichting Centraal
Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel wat betreft de regels over zuivel,
pluimvee en eieren en de Stichting Skal ten aanzien van de biologische productie voorheen
(voor 2012) belast met het toezicht op de naleving op regels over kwaliteit van levensmiddelen
van dierlijke oorsprong die waren opgenomen in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007,
de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 en het Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten.
Deze systematiek is voortgezet met de komst van het Besluit dierlijke producten en
daartoe waren de artikelen 8 tot en met 13a van de Landbouwkwaliteitswet met artikel 2.9
van het Besluit dierlijke producten, in samenhang met artikel 10.2, tweede lid, van
de Wet dieren, van overeenkomstige toepassing verklaard. Om dezelfde reden zijn de
artikelen 8 tot en met 10, 11, eerste en vierde tot en met zevende lid, 12 en 13 van
de Landbouwkwaliteitswet met artikel 2.6 van het Besluit diervoerders 2012, in samenhang
met artikel 10.2, tweede lid, van de Wet dieren, op de uitvoering van het toezicht
en de keuring, bedoeld in artikel 2.4 door de Stichting Skal, van overeenkomstige
toepassing verklaard op diervoeders.
Hoofdstuk drie van de Wet dieren is, in samenhang met het zesde hoofdstuk, de basis
voor de regels over dierlijke producten. Artikel 3.1 van de Wet dieren biedt een grondslag
voor het stellen van nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 3.1 ziet op regels over dierlijke producten bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over
dierlijke producten. Hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Wet dieren is de basis voor de
regels over diervoeders. Artikel 2.18 van de Wet dieren biedt een grondslag voor het
stellen van nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de
uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot diervoeders
en andere stoffen of producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren.
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
Voor de uitvoering van Verordening (EU) 2024/1143 is een wijziging nodig van de Landbouwkwaliteitswet
en de Wet dieren. In dit wetsvoorstel wordt hiertoe een aantal wijzigingen voorgesteld.
Daarnaast moeten aanpassingen worden gedaan in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007,
het Besluit dierlijke producten, het Besluit diervoeders 2012, de Landbouwkwaliteitsregeling
2007, de Regeling dierlijke producten, de Regeling diervoeders 2012 en de Regeling
wijn en olijfolie. De wijzigingen zullen bij respectievelijk algemene maatregel van
bestuur en ministeriële regeling geschieden.
Hieronder wordt ingegaan op de hoofdlijnen van het wetsvoorstel en de voorgestelde
keuzes.
3.1. Kwaliteitsaanduidingen
De definities in de Landbouwkwaliteitswet worden aangepast om beter aan te sluiten
bij de definities en bepalingen van de Europese regels omtrent kwaliteitsaanduidingen.
Met de introductie van het systeem van facultatieve kwaliteitsaanduidingen in de Verordening
1151/2012, is in het Landbouwkwaliteitsbesluit het begrip «kwaliteitsaanduidingen»
reeds het centrale begrip geworden, doch niet in de Landbouwkwaliteitswet. In dit
voorstel wordt ook in de Landbouwkwaliteitswet het begrip «kwaliteitsaanduidingen»
als centraal begrip geïntroduceerd. Dit begrip omvat geografische aanduidingen (BOB
en BGA), gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen.
Geografische aanduiding is de overkoepelende term voor beschermde oorsprongsbenaming
(BOB) en beschermde geografische aanduiding (BGA). Een BOB heeft een sterkere verbondenheid
met het geografische gebied dan een BGA. Zo moet bijvoorbeeld bij een BOB alle productiestappen
in het afgebakende geografische gebied plaatsvinden, bij een BGA ten minste een van
de productiestappen. Facultatieve kwaliteitsaanduidingen is de overkoepelende term
voor de aanduidingen «product uit de bergen» en «ultraperifere gebieden». De definitie
kwaliteitsaanduiding wordt gebruikt als het betrekking heeft op alle kwaliteitsaanduidingen,
te weten: geografische aanduidingen (BOB en BGA), gegarandeerde traditionele specialiteiten
en facultatieve kwaliteitsaanduidingen. Als het begrip geografische aanduiding wordt
gebruikt gaat het om een BOB of een BGA.
3.2. Domeinnamen, online-interfaces en illegale inhoud
Er is sprake van een toegenomen gebruik van online intermediaire diensten. De handhaving
van de bescherming van geografische aanduidingen tegen (het gebruik van) domeinnamen
die strijdig zijn met die bescherming, krijgen in de Verordening (EU) 2024/1143 bijzondere
aandacht. Artikel 26 van de Verordening (EU) 2024/1143 schrijft voor dat aan in het
Unieregister van geografische aanduidingen opgenomen namen bescherming moet worden
verleend om te garanderen dat ze eerlijk worden gebruikt en ter voorkoming van praktijken
die de consument kunnen misleiden. De bescherming van geografische aanduidingen moet
gelet op het tweede lid van artikel 26 ook gelden voor alle domeinnamen die in de
Unie toegankelijk zijn. De bevoegde nationale autoriteiten moeten, volgens de Verordening
(EU) 2024/1143 over de instrumenten beschikken om passende maatregelen te nemen om
vanaf hun grondgebied geregistreerde domeinnamen die in strijd zijn met de bescherming
van geografische aanduidingen, ontoegankelijk te maken. Ook moeten de bevoegde nationale
autoriteiten maatregelen nemen om strijdig gebruik, ook via online-interfaces, te
voorkomen of te beëindigen (artikel 42, derde en vierde lid en artikel 43, tweede
lid).
De Landbouwkwaliteitswet en de Wet dieren voorzien al in een deel van deze bevoegdheden
tot handhaving, zoals het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen (artikel 13 van
de Landbouwkwaliteitswet voor landbouwproducten en voor dierlijke producten en diervoeders
is artikel 13 van de Landdouwkwaliteitswet met artikel 10.2, tweede lid, van de Wet
dieren in samenhang met artikelen 2.9 van het Besluit dierlijke producten en 2.6 van
het Besluit diervoeders 2012 van overeenkomstige toepassing verklaard) als een berisping
of geldboete. Bij landbouwproducten, dierlijke producten en diervoeders heeft de Minister
tevens de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen (artikel 19 van
de Landbouwkwaliteitswet en artikel 8.5. van de Wet dieren). De bevoegdheid tot toepassing
van bestuursdwang omvat op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht tevens de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom.
De maatregelen kunnen alleen worden opgelegd aan degene die de overtreding pleegt
of medepleegt.
Verordening (EU) 2017/6256 (hierna: de controleverordening) voorziet eveneens in een aantal maatregelen in geval
van vastgestelde niet-naleving. Dit betreft de passende maatregelen, genoemd in artikel 138
van de controleverordening, die een bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3 van
de controleverordening kan nemen. Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn aanpassing
van etiketten, het verstrekken van corrigerende informatie aan consumenten, een beperking
van of een verbod op het in de handel brengen, en het gelasten van de stopzetting
van het geheel of een deel van de activiteiten van een onderneming of van de door
hem beheerde of gebruikte websites (gedurende een passende periode). De Minister van
Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna: de Minister van LVVN) respectievelijk
de KCB worden in de artikelen 14 respectievelijk 17 van het Landbouwkwaliteitsbesluit
aangewezen als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3 van de controleverordening
voor het toezicht op groente en fruit, aardappelen en bananen, respectievelijk andere
dan voornoemde producten. COKZ wordt in artikel 2.10 van het Besluit dierlijke producten
aangewezen als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3 van de controleverordening
voor het toezicht op de naleving van de regels over de kwaliteit van dierlijke producten.
Stichting Skal wordt in artikel 2.10 van het Besluit dierlijke producten, de artikelen 2.5
en 2.6 van het Besluit diervoeders 2012, en artikel 15 van het landbouwkwaliteitsbesluit
aangewezen als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3 van de controleverordening
ten aanzien van de biologische productiemethode van landbouwproducten, diervoeders
en dierlijke producten.
Echter, voor de maatregelen die op grond van de artikelen 42, tweede en derde lid,
en 43, tweede lid, van Verordening 2024/1143 door een bevoegde autoriteit genomen
moeten kunnen worden, is een nieuwe wettelijke voorziening vereist. De maatregelen
in voornoemde artikelen richten zich namelijk niet per se tot degene die de overtreding
pleegt of medepleegt. De maatregelen kunnen (mede of deels) gericht zijn op een partij
in de digitale keten zoals een aanbieder van een hostingdienst, een beheerder van
een domeinregister of een registrerende instantie.
Beoogd wordt derhalve om de bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last
te introduceren ter uitvoering van de artikelen 42, tweede en derde lid, en 43, tweede
lid, van Verordening (EU) 2024/1143. Voorgesteld wordt de Minister van LVVN bevoegd
te maken om aan degene die daartoe in staat is, te weten aanbieders van hostingdiensten,
beheerders van domeinregisters en registrerende instanties een zelfstandige last op
leggen om inhoud in strijd met de bescherming van kwaliteitsaanduidingen te verwijderen
van een online-interface (inclusief websites en domeinnamen) of de toegang daartoe
te beperken.
Uitgangspunt hierbij is dat pas toepassing gegeven wordt aan deze bevoegdheid om een
zelfstandige last op te leggen indien er geen andere doeltreffende middelen zijn om
strijdig gebruik van namen van producten of diensten te voorkomen of te beëindigen.
Eerst wordt vastgesteld of de overtreding beëindigd kan worden door degene die de
overtreding pleegt of medepleegt (de overtreder). Als dat zo is wordt toepassing gegeven
aan artikel 19 van de Landbouwkwaliteitswet en wordt een last onder dwangsom opgelegd.
Als een last onder dwangsom geen soelaas biedt, bijvoorbeeld omdat bij een overtreding
op het internet niet altijd kan worden achterhaald wie de overtreding begaat, wordt
toepassing gegeven aan de voorgestelde zelfstandige last van artikel 16. De last wordt
dan gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt (anderen dan de overtreder)
en die de overtreding kan beëindigen. In die situatie kan de Minister zich richten
tot degene die een website op het internet geplaatst heeft of degene die in staat
moet worden geacht die website aan te passen of de inhoud daarvan van het internet
te verwijderen (sub a).
De zelfstandige last kan worden opgelegd aan een aanbieder van een hostingdienst,
een beheerder van een domeinregister of een registrerende instantie dan wel aan een
andere partij die ertoe in staat is om de overtreding te stoppen (sub b en c), nadat
de noodzaak daarvan is aangetoond.
In iedere situatie zal de Minister beoordelen welke maatregel het meest doelmatig
is, rekening houdend met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent
dat de last wordt gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt en
in staat is om de overtreding te stoppen. Daarbij ligt het in de rede dat de Minister
gelet op het beginsel van behoorlijk bestuur zich in eerste instantie wendt tot de
(rechts)personen genoemd onder a, en pas in laatste instantie tot de (rechts)personen
genoemd onder c.
Afgezet tegen het strafrecht en het privaatrecht wordt in aansluiting op de bestuursrechtelijke
handhaving die is geregeld in Verordening (EU) 1151/2012, voorgesteld de nieuwe bevoegdheid
tot het opleggen van een zelfstandige last ook als bestuursrechtelijke bevoegdheid
van de Minister van LVVN te introduceren. De regelgeving over de bescherming van geografische
aanduidingen wordt reeds bestuursrechtelijk gehandhaafd. Overtredingen van deze regelgeving
zijn niet als commuun delict strafbaar gesteld. Gelet op het belang van de bescherming
van consumentenvertrouwen in de kwaliteit van producten, vereist de verordening snel
ingrijpen bij inbreuken van de bescherming van de kwaliteitsaanduidingen als bedoeld
in Verordening (EU) 2024/1143. Handhaving door middel van het strafrecht of het privaatrecht
is gelet daarop ook niet passend.
Het is zaak dat een aangesproken (rechts)persoon gevolg geeft aan de opgelegde zelfstandige
last. In het geval dat dit niet gebeurt, is het met het oog op de bescherming van
de consumenten tegen misleiding of bedrog alsook in het belang van de reputatie van
geografische aanduidingen noodzakelijk dat de Minister efficiënt naleving kan afdwingen
door oplegging van een last onder dwangsom. De last onder dwangsom is een herstelsanctie
die als prikkel dient voor een snellere naleving van de last. Verordening (EU) 2023/1143
is gericht op herstel en niet op bestraffing. Daarom past een herstelsanctie beter
dan een bestraffende sanctie zoals een bestuurlijke boete.
Voor de landbouwkwaliteitsregels met betrekking tot dierlijke producten en diervoeders
biedt de Wet dieren de basis. Voorgesteld wordt in artikel 8.4a van de Wet dieren
het voorgestelde artikel 16 van de Landbouwkwaliteitswet van overeenkomstige toepassing
te verklaren, zodat ook bij strijdig gebruik van een kwaliteitsaanduiding van een
product van dierlijke oorsprong of diervoeders door de Minister van LVVN een zelfstandige
last opgelegd kan worden zoals hierboven beschreven. In het tweede lid van artikel 10.2.
van de Wet dieren wordt voorzien in een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur
naast de artikelen 8 tot en met 13a van de Landbouwkwaliteitswet ook het nieuwe artikel 16
van overeenkomstige toepassing te kunnen verklaren.
3.2.1. Aanbieders van een hostingdienst
Voor de aanbieders van een hostingdienst geldt dat zij zich als tussenpersoon kwalificeren
op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van Verordening (EU) 2022/2065 (Digitaledienstenverordening)7 en dat zij zijn gevrijwaard van aansprakelijkheid voor hun aandeel in het ontsluiten
van materiaal dat in strijd is met regelgeving, wanneer zij geen actieve rol hebben
bij het doorgegeven van informatie. Zodra een dergelijke aanbieder daadwerkelijk kennis
heeft of krijgt van illegale informatie, dient hij prompt te handelen om de informatie
te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, op straffe van verlies van
zijn vrijwaring.
Deze vrijwaring laat de mogelijkheid evenwel onverlet dat de aanbieder die als tussenpersoon
optreedt, door een rechterlijke autoriteit wordt bevolen om een inbreuk te beëindigen
of te voorkomen (artikel 4 derde lid, artikel 5, tweede lid en artikel 6, vierde lid
van de Digitaledienstenverordening). Een lidstaat mag de aanbieder geen algemene verplichting
opleggen om toe te zien op de via zijn server verspreide informatie of om actief te
zoeken naar feiten of omstandigheden die op onrechtmatige activiteiten duiden (artikel 7
van de Digitaledienstenverordening).
Tegen die achtergrond mag van communicatiedienstverleners, wanneer via hun dienst
in strijd met artikel 26 van Verordening (EU) 2024/1143 wordt gehandeld of het aannemelijk
is dat in strijd zal worden gehandeld, redelijkerwijs worden verwacht dat zij op aanwijzing
van een bevoegde autoriteit meewerken aan het ontoegankelijk maken van gegevensverkeer
tussen een aanbieder en consumenten in Nederland.
Bij inzet van deze bevoegdheid is ook van belang wat de gevolgen van de zelfstandige
last voor het internetverkeer zijn. De inzet van deze bevoegdheid mag er niet toe
leiden dat dienstverleners van de informatiemaatschappij die fungeren als tussenpersoon
in de positie gebracht worden dat zij het internetverkeer moeten filteren. Het is
immers niet hun taak om op eigen initiatief een inschatting te maken van de onrechtmatigheid
van door hen doorgegeven uitingen. Een zelfstandige last op grond van het eerste lid,
onderdeel a, of b, dient gericht te zijn op de onrechtmatige online inhoud, en kan
niet gericht zijn op filtering van het internetverkeer als zodanig. Hiermee wordt
bedoeld dat niet is toegestaan om een ondernemer te verplichten om DNS- of IP-blokkades
uit te voeren. Met het oog hierop wordt voorgesteld expliciet te bepalen dat geen
zelfstandige last opgelegd kan worden die leidt tot het blokkeren of filteren van
internetverkeer in het voorgestelde artikel 16, tweede lid.
3.2.2. Hoger recht
Het kabinet onderkent dat de toepassing van de voorgestelde maatregel mogelijk kan
leiden tot een beperking van de vrijheid van meningsuiting, die mede de vrijheid omvat
om inlichtingen te ontvangen of te verstrekken (artikel 7 van de Grondwet, artikel 10
van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens – hierna: EVRM –
en artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie). Gebruik
van namen van producten of diensten met een kwaliteitsaanduiding of alle informatie
in verband met reclame voor producten met een kwaliteitsaanduiding kan daaronder vallen.
Artikel 7, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat niemand voorafgaand verlof nodig
heeft voor het openbaren van gedachten en gevoelens door andere middelen dan drukpers
en omroep, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De grondwettelijke
waarborgen ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting zijn niet van toepassing
op handelsreclame gelet op artikel 7, vierde lid van de Grondwet. Handelsreclame is
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt
een commercieel belang te dienen. Het zal in de meeste gevallen van gebruik van namen
van producten of diensten met een kwaliteitsaanduiding gaan om handelsreclame.
Voor zover bij het gebruik van een kwaliteitsaanduiding sprake is van de uitoefening
van de vrijheid van meningsuiting is van belang dat de uitoefening van dit recht op
grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden beperkt indien dit bij de
wet is voorzien. Ook is het in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel
en subsidiair) in het belang van onder meer het voorkomen van wanordelijkheden en
strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming
van de goede naam of de rechten van anderen, of om de verspreiding van vertrouwelijke
mededelingen te voorkomen.
De in het wetsvoorstel opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige
last voldoet, aan de vereisten die in het genoemde verdrag zijn gesteld aan een beperking
van de vrijheid van meningsuiting. Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag
van de bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last. Voorts is geborgd dat
de toepassing van deze bevoegdheid alleen plaatsvindt met het oog op het gerechtvaardigde
belang van de bescherming van consumenten (consumentvertrouwen in kwaliteit) en marktdeelnemers
(eerlijke handelspraktijken, reputatie van het product met de geografische aanduiding
mag niet worden geschaad) tegen inbreuken van de bedoelde bescherming van kwaliteitsaanduidingen,
zoals vereist door de nieuwe Verordening (EU) 2024/1143.
Als uitgangspunt is in de bepaling expliciet geformuleerd dat het gebruik van deze
bevoegdheid noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De voorgestelde bevoegdheid mag
pas worden ingezet indien er geen andere doeltreffende middelen beschikbaar zijn om
de inbreuk te doen beëindigen. Dat betekent dat de last wordt gericht tot degene die
daarvoor het meest in aanmerking komt en die de overtreding kan beëindigen.
Vanwege de mogelijke beperking van grondrechten en het bijzondere belang van rechtsbescherming
daarbij wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld de opgelegde last pas een week na bekendmaking
in werking te laten treden. Door die uitgestelde inwerkingtreding heeft diegene aan
wie de last is opgelegd tijd om bij de bevoegde bestuursrechter (College van Beroep
voor het bedrijfsleven (CBb))8 een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Indien binnen die periode
bij de Minister bezwaar is gemaakt en bij de bevoegde bestuursrechter een voorlopige
voorziening is gevraagd, treedt de zelfstandige last niet in werking voordat op dat
verzoek is beslist (of het verzoek is ingetrokken).
Met het voorgestelde artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 43, tweede lid,
van Verordening (EU) 2024/1143. In artikel 43, tweede lid, van Verordening (EU) 2024/1143
staat dat nationale autoriteiten een bevel kunnen uitvaardigen om op te treden tegen
illegale inhoud zoals gedefinieerd in artikel 3, punt h), van Verordening (EU) 2022/2065.
Het voorgestelde artikel regelt de bevoegdheid voor de Minister van LVVN om – zoals
hierboven beschreven – een zelfstandige last op te leggen om strijdig gebruik van
kwaliteitsaanduidingen te beëindigen, hieronder wordt ook verstaan illegale inhoud.
3.3. Registratie van marktdeelnemers en gegevensuitwisseling
Op grond van artikel 39, eerste lid, van Verordening (EU) 2024/1143 stelt elke marktdeelnemer
die wenst deel te nemen aan activiteiten die onder het productdossier van een met
een kwaliteitsaanduiding aangewezen product vallen de bevoegde autoriteit daarvan
in kennis. De lidstaten stellen een lijst op van marktdeelnemers die activiteiten
verrichten waarvoor een of meer verplichtingen gelden op grond van het productdossier
van een product dat wordt aangewezen met een geografische aanduiding die is ingeschreven
in het Unieregister van geografische aanduidingen van oorsprong uit hun grondgebied,
en houden die lijst actueel.
Op grond van artikel 45 van Verordening (EU) 2024/1143 heeft de lidstaat de keuze
om aan een marktdeelnemer van wie een product na verificatie in overeenstemming blijkt
met het productdossier van een beschermde kwaliteitsaanduiding:
a. een verklaring van naleving te geven of
b. op te nemen in een door een bevoegde autoriteit opgestelde lijst van erkende marktdeelnemers.
Nederland heeft gekozen voor optie b, het opstellen van een lijst (register). Dit
omdat volgens de bevoegde autoriteiten het verstrekken van een verklaring extra administratieve
lasten met zich meebrengt en het fraudegevoelig is. Op grond van artikel 45, eerste
lid, onder b, van Verordening (EU) 2024/1143 heeft een marktdeelnemer van wie een
product na verificatie van naleving in overeenstemming blijkt te zijn met het productdossier
van een geografische aanduiding recht op opneming in een lijst van erkende marktdeelnemers
en kan hiervan op verzoek een uittreksel krijgen.
Om uitvoering te kunnen geven aan artikel 65, van Verordening (EU) 2024/1143 moet
elke marktdeelnemer die wenst deel te nemen aan activiteiten die onder het productdossier
vallen van een gegarandeerde traditionele specialiteit, de bevoegde autoriteit daarvan
in kennis stellen. De lidstaten moeten een lijst opstellen van marktdeelnemers op
hun grondgebied die activiteiten verrichten waarvoor een of meer verplichtingen gelden
op grond van het productdossier van een gegarandeerde traditionele specialiteit die
is ingeschreven in het Unieregister van gegarandeerde traditionele specialiteiten.
Ook moeten de lidstaten die lijst actueel houden.
Ten behoeve van de uitvoering van bovengenoemde artikelen is voor landbouwproducten
reeds een wettelijke grondslag aanwezig voor een register. Op grond van artikel 2,
tweede lid, onder f, van de Landbouwkwaliteitswet kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur ter bevordering van de afzet regelen worden gesteld betreffende
de kwaliteit van producten inzake de registratie van onder die maatregel vallende
betrokkenen. Voor dierlijke producten en diervoeders is in artikel 3.1, eerste lid,
van de Wet dieren een grondslag geregeld om bij of krachtens algemene maatregel regels
te stellen voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over
dierlijke producten.
In het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 wordt KCB ten aanzien van groente, en fruit,
aardappelen en bananen aangewezen als bevoegde autoriteit voor onder meer het ontvangen
van de melding als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van Verordening (EU) 2024/1143.
Ook zal worden geregeld dat zij in een register aantekening mogen houden van de melding.
Ten aanzien van overige landbouwproducten is het voornemen om de Minister van LVVN
aan te wijzen als bevoegde autoriteit voor onder meer het ontvangen van de melding
als bedoeld in artikel 39, eerste lid, en het bijhouden van de melding in een register.
Het voornemen is om in de Regeling dierlijke producten de Stichting Controle Orgaan
Kwaliteits Zaken (COKZ) ten aanzien van dierlijke producten te belasten met het ontvangen
van de melding en het bijhouden hiervan in een register.
Verder zal in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 geregeld worden dat KCB of de Minister
van LVVN (voor zover het een product betreft dat onder hun bevoegdheid valt) in een
register aantekening houdt van marktdeelnemers van wie een product in overeenstemming
blijkt met het productdossier als bedoeld in artikelen 39, derde lid, en 45, eerste
lid, onder b, van Verordening (EU) 2024/1143.
In de Regeling dierlijke producten wordt geregeld dat COKZ in een register aantekening
houdt van marktdeelnemers van wie een product in overeenstemming blijkt met het productdossier
als bedoeld in artikelen 39, derde lid, en 45, eerste lid, onder b, van Verordening
(EU) 2024/1143.
Op verzoek wordt het uittreksel uit de lijst door KCB, COKZ of de Minister van LVVN
online ter beschikking gesteld van elke (erkende) marktdeelnemer. Aan de Commissie
zijn uitvoeringsbevoegdheden verleend met betrekking tot het vaststellen van nadere
regels over de vorm en de inhoud van de opneming in de lijst als bedoeld in artikel 45,
eerste lid, onder b, van Verordening (EU) 2024/1143.
Onder kwaliteit van landbouwproducten valt ook de biologische productie. Zoals blijkt
in de mededeling van de Europese Commissie van 28 mei 2009 over het kwaliteitsbeleid
ten aanzien van landbouwproducten maakt de regeling inzake de biologische productie
deel uit van de kwaliteitsregelingen van de Europese Unie voor landbouwproducten,
samen met de regelingen betreffende geografische aanduidingen en gegarandeerde traditionele
specialiteiten. Met de biologische productie worden in het kader van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid (GLB) dezelfde doelstellingen nagestreefd als met alle kwaliteitsregelingen
van de Unie voor landbouwproducten.
Stichting Skal is in artikel 15 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 voor landbouwproducten
reeds aangewezen als bevoegde autoriteit voor het ontvangen van de melding, bedoeld
in artikel 34 van Verordening (EU) 2018/848 en in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitsregeling
is geregeld dat exploitanten en groepen exploitanten zich moeten melden overeenkomstig
artikel 34, eerste lid, van Verordening (EU) 2018/848.
Voor dierlijke producten en diervoeders is Stichting Skal ook aangewezen als bevoegde
autoriteit voor het ontvangen van de melding als bedoeld in artikel 34 van Verordening
(EU) 2018/848. Dit is geregeld in de artikelen 2.12 en 2.14 van de Regeling dierlijke
producten, respectievelijk artikel 2.5 van het Besluit diervoeders 2012.
Ten behoeve van de verdere uitvoering van artikel 34 van Verordening (EU) 2018/848
is voor landbouwproducten reeds een wettelijke grondslag aanwezig voor een register,
zoals hierboven genoemd. Op grond van artikel 2, tweede lid, onder f, van de Landbouwkwaliteitswet
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter bevordering van de afzet
regelen worden gesteld betreffende de kwaliteit van producten inzake de registratie
van onder die maatregel vallende betrokkenen. Voor dierlijke producten is in artikel 3.1,
eerste lid, van de Wet dieren een grondslag geregeld om bij of krachtens algemene
maatregel regels te stellen voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen
over dierlijke producten. Voor diervoeders is in artikel 2.18, eerste lid, van de
Wet dieren een grondslag geregeld om bij of krachtens algemene maatregel regels te
stellen voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen
met betrekking tot diervoeders en andere stoffen of producten die bedoeld zijn voor
het voederen van dieren.
3.3.1. Persoonsgegevens
De gegevens die in het register worden verwerkt kunnen persoonsgegevens bevatten.
Bij Verordening (EU) 2018/17259 van het Europees Parlement en de Raad zijn er regels vastgesteld betreffende de bescherming
van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de
instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrij verkeer van
die gegevens. Deze verordening (EU) 2018/1725 en de algemene verordening gegevensbescherming,
Verordening (EU) 2016/67910, van het Europees Parlement en de Raad zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens
in het kader van kwaliteitsaanduidingen.
Persoonsgegevens kunnen voorkomen als onderdeel van de naam van de producenten die
zijn opgenomen in de melding en de lijst van marktdeelnemers als bedoeld in artikel 39,
eerste lid, van Verordening (EU) 2024/1143 (zie ook paragraaf 3.3.). Het kan dan gaan
om de voor- en achternaam van natuurlijke personen en de bijbehorende contactgegevens.
Voor een correcte uitvoering van de controle op het gebruik van kwaliteitsaanduidingen
vereist Verordening (EU) 2024/1143 dat deze persoonsgegevens bij worden bijgehouden
in een register. Er is geen sprake van verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
Informatie over de betrokken marktdeelnemers is blijkens de Verordening (EU) 2024/1143
noodzakelijk om hun verantwoordelijkheden vast te stellen en eerlijke concurrentie
en een gelijk speelveld tussen de marktdeelnemers te waarborgen.
Door middel van dit register is immers bekend bij de bevoegde autoriteiten wie activiteiten
verrichten waarvoor een of meer verplichtingen gelden op grond van het productdossier
van een product dat wordt aangewezen met een kwaliteitsaanduiding. Voornoemde autoriteiten
moeten weten bij wie ze controles als bedoeld in artikel 38, tweede lid en 39, derde
lid, van Verordening (EU) 2024/1143 moeten uitvoeren. Bovendien is de verwerking van
de naam van marktdeelnemers in sommige gevallen onontbeerlijk voor het behartigen
van hun belangen of het uitoefenen van hun rechten in verband met de opneming van
hun namen in de bijgehouden lijst van producenten van met een geografische aanduiding
aangegeven producten. Dit komt ten goede aan de werking van het systeem van bescherming
van kwaliteitsaanduidingen.
Persoonsgegevens kunnen ook voorkomen als onderdeel van de naam van erkende marktdeelnemers.
Dergelijke gegevens worden, voor zover het een product betreft dat onder hun bevoegdheid
valt, verwerkt door de Minister van LVVN, COKZ of KCB in verband met de opstelling
van de lijst van producenten van met een geografische aanduiding aangewezen producten
als bedoeld in artikel 45, onder b, van Verordening (EU) 2024/1143. Een marktdeelnemer
van wie een product na verificatie van naleving in overeenstemming blijkt te zijn
met het productdossier van een beschermde kwaliteitsaanduiding, wordt door de Minister
van LVVN, COKZ of KCB, afhankelijk van het soort product, opgenomen in de lijst van
erkende marktdeelnemers. Het kan dan gaan om de voor- en achternaam van natuurlijke
personen en de bijbehorende contactgegevens. Er is geen sprake van verwerking van
bijzondere persoonsgegevens. Het uittreksel van de lijst van (erkende) marktdeelnemers
wordt blijkens de Uitvoeringsverordening11 van de Europese Commissie tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening
(EU) 2024/1143 in elektronische vorm verstrekt en beschikbaar gesteld door weergave
op een webpagina waartoe de marktdeelnemer toegang heeft en waar de marktdeelnemer
een officieel uittreksel van de desbetreffende opneming in de lijst kan downloaden.
De opneming in de lijst vermeldt de datum waarop deze is opgemaakt. Dit stelt de producent
in staat de hem toegekende rechten uit te oefenen en om een gelijk speelveld te waarborgen.
De marktdeelnemer kan het uittreksel ter beschikking stellen van het publiek of van
eenieder die in het kader van zakelijke activiteiten om bewijs van naleving verzoekt.
Een wettelijke grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens ontbreekt in de huidige
Landbouwkwaliteitswet. Voorgesteld wordt in artikel 2, vierde lid, een algemene wettelijke
grondslag te maken zodat wettelijke geborgd is dat persoonsgegeven alleen kunnen worden
verwerkt in een register indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van bindende onderdelen
van EU-rechtshandelingen betreffende de kwaliteit van landbouwproducten.
In geval van uitschrijving worden de persoonsgegevens in het register als bedoeld
in het tweede lid, onder f, gedurende vijf jaar daarna bewaard (artikel 2, zesde lid).
Voorgesteld wordt om in artikelen 3.1 en 2.18 van de Wet dieren het voorgestelde artikel 2,
vierde tot en met zesde lid, van de Landbouwkwaliteitswet van overeenkomstige toepassing
te verklaren voor zover in een register persoonsgegevens worden verwerkt ter uitvoering
van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen betreffende de kwaliteit van producten
van dierlijke oorsprong en diervoeders. De Wet dieren voorziet namelijk nog niet in
een dergelijke bevoegdheid.
3.3.2. Gegevensuitwisseling
Artikel 42, vijfde lid en artikel 74, vierde lid van Verordening (EU) 2024/1143 geeft
de verplichting aan aangewezen autoriteiten (in dit geval KCB, COKZ en de Minister
van LVVN) om informatie-uitwisseling te faciliteren tussen de betrokken organisaties.
Ter uitvoering van bijvoorbeeld Verordening (EU) 2017/625 dient iedere lidstaat een
meerjarig nationaal controleplan (MNCP) op te stellen dat alle gebieden omvat die
onder de agro-voedselketenwetgeving van de Unie vallen en dat informatie over de structuur
en organisatie van zijn systeem van officiële controles bevat, en dat plan regelmatig
te actualiseren. Bovendien is de lidstaten verplicht om bij de Commissie een jaarverslag
in te dienen met informatie over controleactiviteiten en de uitvoering van de MNCP's.
Om aan deze verplichting te voldoen is het noodzakelijk dat gegevens die in het register
worden verwerkt op verzoek kunnen worden uitgewisseld tussen de Minister van LVVN
en de bevoegde autoriteiten, controle-instellingen en controleautoriteiten.
Een wettelijke grondslag voor deze uitwisseling van gegevens ontbreekt in de Landbouwkwaliteitswet
en de Wet dieren. Om een zorgvuldig en efficiënte verificatie-en controlesysteem van
iedere kwaliteitsaanduiding mogelijk te maken wordt in artikel 2, vijfde lid, van
de Landbouwkwaliteitswet een grondslag gemaakt dat de gegevens die in het register
worden verwerkt op verzoek kunnen worden verstrekt tussen de Minister van LVVN en
de bevoegde autoriteiten, controle-instellingen en controleautoriteiten (COKZ of KCB)
als dat noodzakelijk is om uitvoering te geven aan bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen
betreffende de kwaliteit of kwaliteitsaanduiding van producten. Het gaat dan om aangewezen
ambtenaren en personen die de gegevens nodig hebben om uitvoering te geven aan taken
die zij hebben ter uitvoering van voornoemde EU-rechtshandelingen.
De grondslag voor gegevensuitwisseling over kwaliteitsaanduidingen van dierlijke producten
en diervoeder wordt eveneens in dit wetsvoorstel geregeld. Hiertoe wordt artikel 2,
vijfde lid, van de Landbouwkwaliteitswet in artikelen 3.1 en 2.18 van de Wet dieren
van overeenkomstige toepassing verklaard voor zover in een register persoonsgegevens
worden verwerkt ter uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen betreffende
de kwaliteit van dierlijke producten of diervoeders.
4. Uitvoering
De taken van RVO blijven hetzelfde en betreffen het verstrekken van informatie over
kwaliteitsaanduidingen (via de website en telefonisch), het beoordelen van Nederlandse
aanvragen tot registratie van een kwaliteitsaanduiding, het behandelen van aanvragen
tot wijziging van een productdossier (standaard en Unie), het annuleren van een Nederlandse
kwaliteitsaanduiding, en het behandelen van bezwaren van Nederlandse ingezetene tegen
aanvragen vanuit het buitenland. RVO heeft een uitvoeringstoets verricht, zie paragraaf 7.3.
5. Toezicht en handhaving
Evenals onder Verordening (EU) 1151/2012 is het op grond van Verordening (EU) 2024/1143
de taak van de bevoegde autoriteiten om de nodige maatregelen te nemen om het gebruik
van namen van producten die in strijd zijn met de regels inzake geografische aanduidingen
te voorkomen of te beëindigen. Elke marktdeelnemer moet worden onderworpen aan een
controlesysteem waarmee de naleving van het productdossier wordt geverifieerd.
Ter uitvoering van Verordening (EU)1151/2012 is in de Landbouwkwaliteitswet, de Wet
dieren, het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en het Besluit dierlijke producten en Besluit
diervoeders geregeld welke instanties bevoegd zijn controle te houden op de naleving
van de regels ter bescherming van geografische aanduidingen en om handhavend op te
treden bij overtredingen.
De KCB is (en blijft) op grond van artikel 4, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet
en artikel 14, tweede lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 aangewezen als controle-instelling
en bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3, onderdeel 3, van Verordening (EU)
2017/625 voor de officiële controles die betrekking hebben op het verifiëren of een
product in overeenstemming is met het productdossier voor de onder haar bevoegdheid
vallende producten, te weten groenten, fruit en aardappelen (artikel 38, tweede lid,
onderdeel a, van Verordening (EU) 2024/1143).
De COKZ is als controle-instelling op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wet
dieren in samenhang met artikel 8 van de Landbouwkwaliteitswet belast met het toezicht
op de naleving van regels over de kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong.
Artikel 8 van de Landbouwkwaliteitswet biedt de mogelijkheid om privaatrechtelijke
rechtspersonen te belasten met het toezicht op de naleving van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gestelde regels. Op grond daarvan is COKZ in artikel 2.10 van
het Besluit dierlijke producten in samenhang met artikelen 2.11 en 2.19 van de Regeling
dierlijke producten ten aanzien van nationale productdossiers voor zuivelproducten,
eieren en vlees van pluimvee verantwoordelijk gemaakt voor de controles met betrekking
tot de in verordening (EU) 1151/2012 gestelde verplichtingen en voor de verificatie
inzake de inachtneming van productdossiers voordat een product op de markt wordt gebracht.
Deze systematiek blijft gehandhaafd. Omdat aan COKZ verantwoordelijkheden zijn opgedragen
kwalificeert zij evenals KCB als een bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3,
onderdeel 3, van Verordening (EU) 2017/625 waar het gaat om gebruik en etikettering
van beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen en gegarandeerde
traditionele specialiteiten (artikel 1, tweede lid, van Verordening (EU) 2017/625).
Ten aanzien van producten die niet onder de bevoegdheid van de KCB en de COKZ vallen
blijft de Minister van LVVN op grond van artikel 4, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet
en artikel 17 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 aangewezen als bevoegde autoriteit
in de zin van artikel 3, onderdeel 3, van Verordening (EU) 2017/625 voor de officiële
controles die betrekking hebben op het verifiëren of een product in overeenstemming
(artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2024/1143) is met het productdossier.
Voorbeelden van Nederlandse producten die de NVWA namens de Minister van LVVN controleert
zijn: Limburgse vlaai, en Hollandse Maatjesharing/Hollandse Nieuwe.
Ten aanzien van alle producten (behalve producten die onder de bevoegdheid vallen
van de COKZ) is en blijft de Minister van LVVN aangewezen als bevoegde autoriteit
in de zin van artikel 3, onderdeel 3, van Verordening (EU) 2017/625 om officiële controles
uit te oefenen die betrekking hebben op verificatie van het gebruik van geografische
aanduidingen op de markt, ook op online-interfaces. De NVWA voert deze taken uit namens
de Minister van LVVN.
De ambtenaren van de NVWA en de daartoe gekwalificeerde medewerkers van de KCB zijn
in artikel 26 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 aangewezen als toezichthouders
belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van
de Landbouwkwaliteitswet. De ambtenaren van de NVWA zijn belast met het toezicht op
de naleving van bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit gestelde eisen. Het
toezicht op de naleving en de keuringen ten aanzien van de kwaliteit van dierlijke
producten vindt plaats door controleurs van COKZ. De bevoegdheid van deze controle-instellingen
bestaat ten aanzien van de onderwerpen waarvoor de instellingen bij ministeriële regeling
bevoegd zijn verklaard. In artikel 2.19 van de Regeling dierlijke producten is de
COKZ ten aanzien van nationale productdossiers voor zuivelproducten, eieren en vlees
van pluimvee verantwoordelijk voor de controles met betrekking tot de in verordening
(EU) nr. 1151/2012 gestelde verplichtingen en voor de verificatie inzake de inachtneming
van productdossiers voordat een product op de markt wordt gebracht.
5.1. Toezichtsbevoegdheden
De ambtenaren en personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de regels
ter bescherming van geografische aanduidingen, beschikken over de bevoegdheden die
zijn opgenomen in afdeling 5.2. van de Algemene wet bestuursrecht: het betreden van
plaatsen (artikel 5:15), het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16), het vorderen
van de identificatie van personen (artikel 5:16a), het vorderen van inzage van gegevens
en bescheiden (artikel 5:17), het doen van onderzoek, opneming en monsterneming (artikel 5:18)
en het doen van onderzoek van vervoermiddelen (artikel 5:18).
5.2. (Bestuurlijke) handhaving
Handhaving omvat alle maatregelen waarmee wordt beoogd de naleving van de Verordening
(EU) 2024/1143 te waarborgen. Op grond van artikel 6 van het landbouwkwaliteitsbesluit
2007 geschiedt de bescherming van kwaliteitsaanduidingen overeenkomstig het bij of
krachtens verordening (EU) 1151/2012 bepaalde en de bij of krachtens dit besluit gestelde
regels.
Na constatering van een overtreding door KCB of COKZ kan zij tuchtrechtelijke maatregelen
opleggen op grond van artikel 13 van de Landbouwkwaliteitswet, in samenhang met artikel 2.9
van het Besluit dierlijke producten en artikel 10.2, tweede lid, van de Wet dieren.
Op grond van artikel 19 en hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht van de Landbouwkwaliteitswet
is de Minister van LVVN bevoegd om een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom
op te leggen tegen de overtreder.
Het voorgestelde nieuwe artikel 16 van de wet voorziet in de bevoegdheid aan de Minister
van LVVN om aanbieders van hostingdiensten, beheerders van domeinregisters en registrerende
instanties een zelfstandige last op leggen. De zelfstandige last kan worden gericht
aan diegene die de overtreding kan beëindigen. Zie nader paragraaf 3.
6. Financiële gevolgen
Aan de wijzigingen die zijn opgenomen in dit wetsvoorstel zijn geen budgettaire gevolgen
verbonden. De nieuwe taken (controle op domeinnamen en op verzoek aan marktdeelnemer
verstrekken van een verklaring dat zijn product in overeenstemming is met productdossier)
zorgen voor een minimale extra last, die inpasbaar is binnen de bestaande werkzaamheden
van RVO en NVWA. Het is mogelijk dat er door de vereenvoudiging van de procedure voor
meer producten een kwaliteitsaanduiding aangevraagd zal worden. Gelet hierop en vanwege
voornoemde nieuwe taken zal worden onderzocht of het mogelijk is om retributies in
te voeren, bijvoorbeeld voor het behandelen van een aanvraag voor een productdossier.
7. Advies en internetconsultatie
Dit wetsvoorstel is voor advisering aangeboden aan diverse organen. In dit hoofdstuk
worden de hoofdlijnen van de uitkomsten van die adviezen beschreven. Hieronder volgt
een korte samenvatting van de ontvangen uitvoerings- en handhaafbaarheidstoetsen,
met daarbij de reactie van het kabinet. Er zijn toetsen ontvangen van: COKZ, KCB,
NVWA, RVO, Adviescollege toetsing regeldruk, en de Raad voor de Rechtspraak (zie de
paragrafen 7.1. tot en met 7.6). Ook heeft een internetconsultatie plaats gevonden
(zie nader paragraaf 7.7.).
7.1. KCB
KCB is de bevoegde autoriteit voor de verificatie dat groente en fruit, aardappelen
en bananen met een kwaliteitsaanduiding overeenkomstig het productdossier is geproduceerd.
KCB ziet voor zichzelf geen taak bij controles in relatie tot BOB/BGA/GTS van domeinnamen,
die de webwinkels voeren, en de daarmee samenhangende zaken (online-interfaces, illegale
inhoud). Het KCB denkt, dat de aantoonbaarheid van het legitiem voeren van een beschermde
naam het meest eenvoudig kan worden bewerkstelligd door het opnemen daarvan in een
lijst van erkende marktdeelnemers (een register). Gelet op de uitvoerbaarheid heeft
dit de voorkeur boven het verstrekken van verklaringen aan marktdeelnemers. Dit laatste
betekent namelijk extra handelingen voor de uitvoeringsorganisatie. Daarnaast heeft
de afgifte van een verklaring de beperking, dat de legitimiteit daarvan samenhangt
met het (nog steeds) voldoen van een marktdeelnemers aan de vereisten voor het mogen
voeren van een beschermde naam. Of een verklaring (nog steeds) legitiem is en er geen
sprake is van misbruik, is echter voor burgers en bedrijven op zich moeilijk vast
te stellen. Bij een register, dat in beheer is bij de bevoegde autoriteit, speelt
dat probleem niet, omdat het up-to-date informatie bevat. Een aandachtspunt is wel,
dat met het opnemen van bedrijven in een openbaar register de uitvoeringsorganisatie
niet moet aanlopen tegen beperkingen, die vanuit andere regelgeving worden opgelegd,
waar bedrijven mogelijk een beroep op doen. Gedacht wordt aan regelgeving, die de
privacy van personen/bedrijven beoogt te beschermen.
In dit wetsvoorstel wordt – zoals KCB voorstelt – voorgesteld om een register in te
richten. In overleg met de bevoegde autoriteiten worden onderzocht hoe het register
wordt vormgegeven.
7.2. COKZ
COKZ is ten aanzien van nationale productdossiers voor zuivelproducten, eieren en
vlees van pluimvee verantwoordelijk voor de controles met betrekking tot kwaliteitsaanduidingen
en voor de verificatie inzake de inachtneming van productdossiers voordat een product
op de markt wordt gebracht. COKZ vraagt zich af of toezicht op domeinnamen, online-interfaces
en illegale inhoud wel tot het toezicht gebied van het COKZ gerekend worden. In vrijwel
alle relevante gevallen zal gebruik van de beschermde benamingen zich voordoen bij
webwinkels en andere online-platformen die tot de retail/detailhandel gerekend kunnen
worden. De verantwoordelijkheid voor het houden van toezicht op het voornoemde deel
van de markt is belegd bij de NVWA. Het COKZ heeft hierin geen taak.
Het COKZ heeft de voorkeur voor een register, mits dit wettelijk goed geregeld gaat
worden. Een register is meer fraudebestendig dan het afgeven van een verklaring van
naleving van het productdossier, omdat het in tegenstelling tot de verklaring te allen
tijde in beheer van de bevoegde autoriteit blijft. In dit wetsvoorstel wordt een register
voorgesteld.
7.3. RVO
RVO heeft opmerkingen over de controle op domeinnamen, online-interfaces en illegale
inhoud, en over het register van marktdeelnemers. RVO merkt op dat heldere afspraken
gemaakt moeten worden over de controle en de handhaving op domeinnamen, online-interfaces
en illegale inhoud. De verantwoordelijkheid voor het houden van toezicht hierop is
belegd bij de NVWA. RVO heeft hierin geen taak.
Over het register van marktdeelnemers merkt RVO op dat het opstellen van een (online)
register is uit te voeren, doch dat bepaald moet worden waar dat register wordt gehouden.
Voorts stelt RVO dat de reeds erkende en geregistreerde marktdeelnemers in het nieuwe
register moeten worden opgevoerd, om onvolledigheid van het register te voorkomen.
Verder wijst RVO op het risico dat dergelijke gegevens AVG gevoelig zijn. LVVN heeft
met de bevoegde autoriteiten (COKZ, KCB en NVWA) en RVO afgesproken dat het register
door RVO opgezet zal worden, waarbij het uitgangspunt is dat iedere instantie toegang
heeft tot alleen dat deel van het register waarvoor zij is aangewezen en alleen voor
dat deel verantwoordelijk is voor het actueel houden daarvan. In de data protection
impact assessment (DPIA) zijn de privacyrisico’s van de verwerking van de persoonsgegevens
in en vanwege dit door Verordening (EU) 2024/1143 voorgeschreven register in kaart
gebracht, alsook de maatregelen om deze risico’s te verkleinen. Het gaat hier overigens
in zeer beperkte mate om persoonsgegevens. De reeds beschikbare gegevens van marktdeelnemers
worden in het register opgenomen.
7.4. NVWA
De NVWA acht het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar, binnen de gestelde bevoegdheden.
Er moeten duidelijke afspraken/kaders worden opgesteld met de opdrachtgever over de
frequentie m.b.t. het screenen van het internet. De genoemde interventies (bestuursrecht
en strafrecht (met toestemming RC)) zijn nog niet ingeregeld, dat vergt de nadere
afstemming NVWA en de IOD. In artikel 16 van de landbouwkwaliteitswet worden wel de
maatregelen benoemd die de bevoegde nationale autoriteiten moeten nemen om strijdig
gebruik, ook via online-interfaces, te voorkomen of te beëindigen.
Er zijn verder adviezen uitgebracht door Adviescollege toetsing regeldruk en De Raad
voor de Rechtspraak.
7.5. Adviescollege toetsing regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk (Atr) adviseert om de regeldrukgevolgen in beeld
te brengen door een beschrijving en kwantificering, conform de Rijksbrede methodiek.
Dat is echter niet mogelijk voor geografische aanduidingen omdat het om een veelheid
aan verschillende bedrijfstypen en diverse omvang gaat. Nederland heeft 44 producten
met een geografische aanduiding. Er zijn 15 landbouwproducten en levensmiddelen met
een GA, 22 wijnen en 7 soorten van gedistilleerde dranken. Er zijn 3 soorten geografische:
Beschermde Oorsprongsbenaming (BOB), Beschermde Geografische Aanduiding (BGA), Gegarandeerde
Traditionele Specialiteit (GTS). De BOB en BGA zijn voor alle producten aan te vragen,
de GTS alleen voor landbouwproducten en levensmiddelen. Een geografische aanduiding
dient een collectief belang, dus iedereen die voldoet aan de voorwaarden van het productiedossier
heeft het recht om de beschermde aanduiding te gebruiken. Marktdeelnemers die een
product met een geografische aanduiding produceren zijn zeer divers, kleine MKB bedrijven,
bijvoorbeeld bakkers die Limburgse vlaaien bakken maar ook multinationals als Friesland
Campina die Noord-Hollandse Gouda kaas produceren. Het is daarom lastig de regeldrukgevolgen
in beeld te brengen dat verschilt voor iedere marktdeelnemers. Een schatting is dat
het online aanmelden bij de bevoegde autoriteit inclusief de daarvoor benodigde gegevens
verzamelen ongeveer 1 uur in beslag neemt. Voor de inschatting van de kosten is gebruik
gemaakt van de standaard uurtarieven opgenomen in het handboek meting regeldrukkosten
van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 29 november 2023. Het uurtarief
van hoogopgeleide medewerkers is € 77,– per uur en dat van laaggeschoold en ongeschoold
personeel € 23,– is per uur.
7.6. Raad voor de rechtspraak
In het voorstel zoals voorgelegd aan de Raad werd nog voorgesteld om de inzet van
de bevoegdheid van het opleggen van een zelfstandige last afhankelijk te stellen van
een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris belast met de behandeling van
strafzaken. De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) geeft over dat voorstel van een machtiging
voor het opleggen van een zelfstandige last door de rechter-commissaris aan dat hierdoor
de strafrechter gaat fungeren als bestuursrechter. Voorts stelt de RvdR dat een toetsing
ex post door de bestuursrechter van een ex ante door de strafrechter rechtmatig bevonden
last tot een onnodig lange procedure leidt, waarmee het materiële doel van het Wetsvoorstel
niet wordt gediend. Indien de last wordt opgelegd, kan door belanghebbenden daartegen
worden opgekomen bij de bestuursrechter. Dat betekent dat een vergelijkbare afweging
en beoordeling in zowel procedures voor de strafrechter als in beroepsprocedure voor
de bestuursrechter zullen plaatsvinden. Ook omwille van het bevorderen van de rechtseenheid
heeft het de voorkeur van de RvdR om de rechtsbescherming bij één onderdeel van de
rechtspraak, in dit geval de bestuursrechter, onder te brengen. Deze aspecten en gevolgen
van het aan de RvdR voorgelegde voorstel acht de Raad onwenselijk. De Raad adviseert
in plaats van een machtiging van de rechter-commissaris in het wetsvoorstel te regelen
dat een opgelegde last pas in werking treedt na een korte periode (van bijvoorbeeld
één week), tenzij binnen die periode bezwaar is gemaakt en een voorlopige voorziening
bij het CBb is gevraagd en zolang daarop nog niet is beslist. Dit advies is opgevolgd.
7.7. Internetconsultatie
Tussen 28 juni en 31 juli 2024 was een ontwerp van dit wetsvoorstel met het oog op
publieke consultatie gepubliceerd op internet. Er zijn geen reacties ingediend.
8. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Uitgangspunt is dat het wetsvoorstel in zijn geheel in werking treedt. Er vindt alleen
gedeeltelijke inwerkingtreding plaats als dat noodzakelijk is gebleken.
II Artikelen
Artikel I, onderdeel A
Voorgesteld wordt in artikel 1 de begripsbepalingen waarin wordt verwezen naar de
oude Verordening (EU) 1151/2012 aan te passen aan de nieuwe verordening. De definitie
van Verordening (EU) 2024/1143 wordt opgenomen. Om aan te sluiten bij het Landbouwkwaliteitsbesluit
2007 wordt het begrip kwaliteitsaanduiding gebruikt. Ook wordt de betekenis van het
begrip Onze Minister aangepast aan de nieuwe benaming.
Artikel I, onderdeel B
Het voorgestelde artikel 2, vierde lid, voorziet in een wettelijke grondslag voor
het verwerken van persoonsgegevens indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van
bindende EU-rechtshandelingen over de kwaliteit van landbouwproducten. Zie nader paragraaf 3.
Artikel I, onderdeel D
Het voorgestelde artikel 16 van de wet voorziet kort gesteld in de bevoegdheid om
aanbieders van hostingdiensten, beheerders van domeinregisters en registrerende instanties
een zelfstandige last op leggen. Zie voor de noodzaak hiervan hoofdstuk 3.
De zelfstandige last kan worden gericht aan diegene die de overtreding kan beëindigen.
Bij een overtreding op het internet kan niet altijd worden achterhaald wie de overtreding
begaat. In die situatie kan de Minister zich richten tot degene die een website op
het internet geplaatst heeft of degene die in staat moet worden geacht die website
aan te passen of de inhoud daarvan van het internet te verwijderen. Als de marktdeelnemer
die de overtreding begaat wel bekend is, vergt het vereiste van subsidiariteit dat
de Minister voordat zij zich wendt tot een ander dan de marktdeelnemer, eerst vaststelt
dat de overtreding niet kan worden voorkomen met een maatregel gericht aan de overtreder.
Onder het «beperken van de toegang» kunnen verschillende maatregelen worden verstaan
om te voorkomen dat consumenten van de gegevens kunnen kennisnemen of daarvan gebruik
kunnen maken. Bij het «verwijderen van gegevens» gaat het om vernietiging. Dit mag
alleen worden gevraagd van een aanbieder als dat noodzakelijk is voor het voorkomen
van nieuwe overtredingen.
Met «registrerende instantie» wordt gedoeld op partijen die domeinnaamdiensten aanbieden
en rechtstreeks toegang hebben tot een domeinregistratiesysteem. Een voorbeeld van
een beheerder van een domeinregister is Stichting Internet Domeinregistratie Nederland,
die het .nl-domeinregister beheert. Een ander voorbeeld is Verisign, die het .com-
en .net-domeinregister beheert. Andere voorbeelden van een «registrerende instantie»
zijn internetservice-, hosting- en accessproviders, webdesign-, merken- en reclamebureaus,
zoals KPN, XS4ALL, Mijndomein, en Yourhosting.
In iedere situatie zal de Minister beoordelen welke maatregel het meest doelmatig
is, rekening houdend met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent
dat het bevel wordt gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt.
Daarbij ligt het in de rede dat de toezichthouder zich in eerste instantie wendt tot
de (rechts)personen genoemd onder a, en pas in laatste instantie tot de (rechts)personen
genoemd onder c.
Artikel I, onderdeel E
Dit is een uitgewerkte bepaling strekkende tot wijziging van de Wet economische delicten
en wordt daarom vervallen verklaard.
Artikel II, onderdelen B, C en D
De Wet dieren biedt mede de basis voor de landbouwkwaliteitsregels met betrekking
tot dierlijke producten en diervoeders. Artikelen 2, vierde tot en met zesde lid,
en 16 van de Landbouwkwaliteitswet worden van overeenkomstige toepassing verklaard.
III Transponeringstabel
Bepaling EU-regeling Vo (EU) 2024/1143
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling:
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze bij de invulling van de beleidsruimte
Artikel 1 (onderwerp)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat dit artikel in zijn algemeenheid
aangeeft over welke onderwerpen in de verordening regels worden vastgelegd
Geen
–
Artikel 2 (definities) lid 1 onder a
Artikel 1 Landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder b
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder c
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder d
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder e
Artikel 1 Landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder f
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder g
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder h
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder i
–
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder j
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 1 onder k
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
Artikel 2 lid 2 onder a
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 2 onder b
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 2 lid 3
Behoeft geen implementatie, omdat de definitie duidelijk blijkt uit de verordening.
Geen
–
Artikel 3 (gegevensbescherming) lid 1
Behoeft naar aard geen implementatie
Geen
Verwerking van persoonsgegevens gebeurt al overeenkomstig avg-verordening.
Artikel 3 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie. Artikel is gericht aan de commissie
Geen
–
Artikel 3 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 3 lid 4
Behoeft geen implementatie, Artikel gericht aan EUIPO.
Geen
–
Artikel 4 lid 1 onder a tot en met f (Doelstellingen)
Behoeft naar aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 5 lid 1 (toepassingsgebied)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 5 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 5 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 6 lid 1 (Indeling)
Uitvoeringspraktijk. Behoeft geen implementatie.
Classificatie, ingedeeld volgens gecombineerde nomenclatuur op acht indien een lidstaat
daartoe besluit.
Er wordt geen gebruik gemaakt van het indelen met acht cijfers. Een onderverdeling
in van categorieën onder hoofdgroep komt niet tot acht cijfers.
Artikel 6 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie.
Geen
–
Artikel 7 lid 1 (duurzaamheid)
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 7 lid 2 onder a tot en met f
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 7 lid 3
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 8 lid 1 (Duurzaamheidsverslag)
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 8 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 9 lid 1 (aanvrager)
Artikel 17 landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 9 lid 2
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. Wij hebben
een producentengroepering voor gedestilleerde drank (Spirits). De mogelijkheid is
niet nieuw en was ook al mogelijk in artikel 24, tweede lid, van verordening 2019/787.
Artikel 9 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 9 lid 4
Artikel 17, eerste lid onder a landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 10 lid 1 (registratieprocedure nationaal)
Zie ook artikel 56
– Artikel 17 lid 1 onder a, landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 2.21 lid 1 van de regeling dierlijke producten.
– artikel 16 en 17 regeling wijn en olijfolie
Geen
–
Artikel 10 lid 2 onder a tot en met c
Uitvoeringspraktijk, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 10 lid 3
Feitelijke handeling,
– artikel 17 lid 4 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 2.21 lid 3 van de regeling dierlijke producten
Geen
–
Artikel 10 lid 4
– artikel 17 lid 2 en lid 3 van de landbouwkwaliteitsregeling
– Artikel 2.21 lid 1 en 2 van de regeling dierlijke producten.
– Artikel 18 regeling wijn en olijfolie
Geen
–
Artikel 10 lid 5
– Artikel 17 landbouwkwaliteitsregeling (en de Awb)
Geen
–
Artikel 10 lid 6
– Artikel 17 lid 4 van de landbouwkwaliteitsregeling.
– artikel 2.21. lid 3 van de regeling dierlijke producten
– artikel 17 lid 5 van de landbouwkwaliteitsregeling
– en artikel 2.21. lid 4 van de regeling dierlijke producten.
Geen
–
Artikel 10 lid 7
– Artikel 17 lid 5 en 6 landbouwkwaliteitsregeling.
– Algemene wet bestuursrecht
Geen
–
Artikel 10 lid 8
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 11 lid 1 (voorlopige nationale bescherming)
Verlenen van tijdelijke voorlopige bescherming op nationaal niveau
Geen nieuwe bepaling. Eerder werd er ook geen gebruik van gemaakt. Nog steeds betreft
het een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. Dit om te veel
administratieve lasten en claims te voorkomen.
Artikel 11 lid 2
Betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt, om te veel
administratieve lasten en claims te voorkomen.
Artikel 11 lid 3
Betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt
Artikel 11 lid 4
Betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt
Artikel 12 lid 1 onder a tot en met d (begeleidende documentatie)
Behoeft geen implementatie,
Geen
–
Artikel 12 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de commissie
Geen
–
Artikel 13 lid 1 onder a tot en met e (aanvraag unieniveau)
Uitvoeringspraktijk, feitelijke handeling, gericht aan unie, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 13 lid 2 onder a tot en met e
Uitvoeringspraktijk, feitelijke handeling, gericht aan unie, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 13 lid 3
Behoeft geen implementatie, feitelijke handeling
Geen
–
Artikel 13 lid 4
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 13 lid 5
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 14 lid 1 (aanvraag unieniveau)
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie, ziet op registratie op unieniveau
Geen
–
Artikel 14 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 14 lid 3
Zie ook artikel 58 lid 3
Artikel 17 lid 1 sub a landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 14 lid 4
Behoeft geen implementatie, unieniveau
Geen
–
Artikel 15 lid 1 (onderzoek door commissie)(zelfde als artikel 60)
Behoeft geen implementatie gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 15 lid 2
Behoeft geen implementatie gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 15 lid 3
Behoeft geen implementatie gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 15 lid 4
Behoeft geen implementatie gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 16 lid 1 (nationale betwisting)
Zie ook artikel 60
Behoeft geen implementatie, feitelijk handelen.
Artikel 16 lid 2 onder a tot en met b
Behoef geen implementatie, feitelijke handeling.
Geen
Artikel 16 lid 3
Behoeft geen implementatie, feitelijke handeling
Geen
Artikel 16 lid 4
Behoeft geen implementatie, feitelijke handeling.
Geen
Artikel 17 lid 1 (bezwaar unieniveau)
Zie ook artikel 62
– Artikel 2.22 lid 3 regeling dierlijke producten
– Artikel 18 lid 3 landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 17 lid 2
– Artikel 18 lid 2 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 2.22 lid 2 regeling dierlijke producten
Termijnen voor het indienen van bedenkingen kan worden vastgelegd in nationaal recht.
De termijn is reeds vastgelegd op 8 weken.
Artikel 17 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 17 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 17 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 17 lid 6
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 17 lid 7
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 17 lid 8
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 17 lid 9
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 17 lid 10
Behoeft geen uitvoering, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 17 lid 11
Behoeft geen uitvoering, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 18 lid 1 (opmerkingen)
Behoeft geen implementatie. Feitelijke handeling.
Geen
–
Artikel 18 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 18 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 18 lid 4
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 19 lid 1 onder a tot en met c (bezwaargronden)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 19 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 20 lid 1 (overgangsperiode gebruik)
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 20 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 20 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 20 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 20 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, uitvoeringspraktijk, feitelijke handeling
Geen
–
Artikel 20, lid 6
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Bestond al onder de oude verordening in artikel 15, vierde lid. In de praktijk wordt
hier gebruik van gemaakt en wordt de overgangstermijn in het productdossier opgenomen.
Artikel 20 lid 7
Verlenging overgangsperiode met vijf jaar
Facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt
Artikel 20 lid 8
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
Artikel 21 lid 1 (besluit commissie)
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 21 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 21 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 21 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 21 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 22 lid 1 (unieregister)
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 22 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan EUIPO
Geen
–
Artikel 22 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 22 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 22 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 22 lid 6
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 22 lid 7
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 22 lid 8
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 23 lid 1 (uittreksel unieregister)
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 23 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 23 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 24 lid 1
Zie ook artikel 66
– Artikel 17, lid 1, onder b, + lid 5 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 2.21, lid 1 van de regeling dierlijke producten
Geen
–
Artikel 24 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 24 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 24 lid 4
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 24 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 24 lid 6
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie.
Geen
–
Artikel 24 lid 7
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 24 lid 8
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 24 lid 9
Artikel 17, vierde lid landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 24 lid 10
Behoeft naar aard geen implementatie, de bepaling is gericht tot commissie.
Geen
–
Artikel 24 lid 11
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 25 lid 1 (annulering van de registratie)
Zie ook artikel 67
– Artikel 17, lid 1 onder c, landbouwkwaliteitsregeling
– regeling dierlijke producten artikel 2.21. lid 3
– artikel 16 en 17 regeling olijfolie
Geen
–
Artikel 25 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 25 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 25 lid 4
– Artikel 17 lid 2 en 5 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 2.21. regeling dierlijke producten dient te worden aangepast.
– Artikelen 16 en 17 regeling wijn en olijfolie
Geen
–
Artikel 25 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 25 lid 6
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 25 lid 7
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 26 lid 1 onder a tot en met d (bescherming)
– Artikel 14 lid 1 landbouwkwaliteitswet
– Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 26 lid 2
– Artikel 14 lid 1 landbouwkwaliteitswet
– Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 26 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 26 lid 4 onder a tot en met c
– Artikel 14 lid 1 landbouwkwaliteitswet
– Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 26 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 26 lid 6
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 26 lid 7
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 27 lid 1 onder a tot en met c (gebruik product ingrediënt)
– Artikel 14 lid 1 landbouwkwaliteitswet
– Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 27 lid 2
Behoeft geen implementatie
De lidstaten kunnen voorzien in aanvullende maatregelen betreffende producten van
voorverpakte levensmiddelen.
het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. Onderling
overleg tussen producenten van een voorverpakt levensmiddel en producentengroepering
is voldoende.
Artikel 27 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 27 lid 4
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 27 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de commissie.
Geen
–
Artikel 28 lid 1 en 2 (generieke termen)
Behoeven geen implementatie
Geen
–
Artikel 29 lid 1 (gelijkluidende aanduidingen)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 29 lid2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 29 lid 3 onder a tot en met d
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 29 lid 4
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 30 (merken)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 31 lid 1 (verband merken)
Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 31 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 31 lid 3
Behoeft geen implementatie.
Geen
–
Artikel 31 lid 4
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 31 lid 5
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 32 lid 1 onder a tot en met c (producentengroeperingen)
Zie ook artikel 55
De lidstaten kunnen het lidmaatschap beperken tot bepaalde categorieën van producenten.
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. Niet wenselijk
om lidmaatschap te beperken tot bepaalde categorieën producenten.
Artikel 32 lid 2
De lidstaten kunnen besluiten dat marktdeelnemers, lid kunnen zijn van een producentengroepering.
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. Geen wens
om te bepalen dat marktdeelnemers lid kunnen zijn van een productengroepering.
Artikel 32 lid 3
De lidstaten kunnen aanvullende regels vaststellen met betrekking tot de organisatie,
statuten en aard van het lidmaatschap.
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. Geen beleidsmatige
wens om aanvullende voorschriften vast te stellen.
Artikel 32 lid 4 onder a tot en met g
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 32 lid 5
Behoeft geen implementatie, feitelijke handeling
Artikel 32 lid 6
Behoeft geen implementatie, de lidstaten kunnen de taken uitvoeren, feitelijke handeling
Artikel 32 lid 7
De lidstaten kunnen een openbaar register opzetten voor producentengroeperingen.
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt.
Artikel 33 lid 1 (erkende producentengroeperingen)
Een lidstaat kan een systeem van erkenning van producentengroeperingen toepassen.
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. In nl gaat
het om een kleine hoeveelheid productengroeperingen. Om de administratieve lasten
niet te verzwaren is het niet wenselijk om een systeem van erkende producentengroepering
op te tuigen. Ook is er in de praktijk geen behoefte aan.
Artikel 33 lid 2
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. In nl gaat
het om een kleine hoeveelheid productengroeperingen. Om de administratieve lasten
niet te verzwaren is het niet wenselijk om een systeem van erkende producentengroepering
op te tuigen. Ook is er in de praktijk geen behoefte aan.
Artikel 33 lid 3 onder a tot en met g
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. In nl gaat
het om een kleine hoeveelheid productengroeperingen. Om de administratieve lasten
niet te verzwaren is het niet wenselijk om een systeem van erkende producentengroepering
op te tuigen. Ook is er in de praktijk geen behoefte aan.
Artikel 33 lid 4 onder a en b
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt. In nl gaat
het om een kleine hoeveelheid productengroeperingen. Om de administratieve lasten
niet te verzwaren is het niet wenselijk om een systeem van erkende producentengroepering
op te tuigen. Ook is er in de praktijk geen behoefte aan.
Artikel 33 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 33 lid 6
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 33 lid 7
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt.
Artikel 33 lid 8
Het betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt.
Artikel 34 lid 1 (verenigingen van producentengroeperingen)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 34 lid 2 onder a tot en met e
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 35 lid 1 (bescherming aanduiding in domeinnamen)
Behoeft geen implementatie, gericht aan de unie
Geen
–
Artikel 35 lid 2
Behoeft geen implementatie, gericht aan de Unie.
Geen
–
Artikel 35 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 36 (gebruiksrecht)
artikel 6, 14 en artikel 17 van het landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 37 lid 1 (symbolen)
Uitvoering, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 2
Uitvoering, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 3
Uitvoering, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 4
Uitvoering behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 5
Uitvoering, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 6
Uitvoering behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 7
Uitvoering, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 8
Uitvoering behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 9
Uitvoering behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 10
Uitvoering behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 37 lid 11
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Controles en handhaving
Artikel 38 lid 1 (toepassingsgebied)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 38 lid 2 onder a en b
Zie ook artikel 72
– Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 14 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 17 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 38 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 38 lid 4
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 39 lid 1 (verificatie naleving productdossier)
Nieuw artikel 17a landbouwkwaliteitsregeling
Geen
Artikel 39 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 39 lid 3
– Artikel 14 en 17 landbouwkwaliteitsbesluit
-2.19 regeling dierlijke producten
Geen
–
Artikel 39 lid 4
Behoeft geen implementatie.
Geen
–
Artikel 39 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 39 lid 6
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 39 lid 7
Artikel 11 landbouwkwaliteitswet
Artikel 39 lid 8
Behoeft geen implementatie, gericht aan de commissie
Geen
–
Artikel 40 lid 1 (openbare informatie)
Openbaarmaking, behoeft geen implementatie, Uitvoeringspraktijk, feitelijke handeling.
Artikel 40 lid 2
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 40 lid 3
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 41 lid 1 (accreditatie)
Behoeft geen implementatie,
Geen
–
Artikel 41 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 42 lid 1 (verificatie markt)
– Artikel 14, lid 2 en artikel 17 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 2.19 regeling dierlijke producten
Geen
–
Artikel 42 lid 2
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
–
–
Artikel 42 lid 3
Artikel 14, 18 en 19 (en nieuw artikel 16) landbouwkwaliteitswet
Lidstaten nemen passende maatregelen om gebruik, ook via online-interfaces, om strijdig
gebruik, te voorkomen of te beëindigen
Gekozen is voor een zelfstandige last als passende maatregel.
Artikel 42 lid 4
Artikel 14, 18 en 19 (en nieuw artikel 16) landbouwkwaliteitswet
De lidstaten nemen passende administratieve en gerechtelijke maatregelen om de toegang
tot domeinnamen die in strijd zijn met artikel 26, lid 3, van hun grondgebied te verwijderen
of om die domeinnamen vanaf hun grondgebied ontoegankelijk te maken.
Gekozen is voor een zelfstandige last als passende maatregel.
Artikel 42 lid 5
Zie ook 74 lid 4
Artikel 5:16 Algemene wet bestuursrecht
Artikel 43 lid 1 (verplichtingen onlinemarkt)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 43 lid 2
Zie ook artikel 75 lid 2
Nieuw artikel 16 landbouwkwaliteitswet
De relevante autoriteiten kunnen overeenkomstig artikel 9 van Verordening 2022/2065
een bevel uitvaardigen op te treden tegen illegale inhoud
Er is gekozen voor het mogelijk opleggen van een zelfstandige last.
Artikel 43 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 44 lid 1 (wederzijdse bijstand)
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 44 lid 2
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 45 lid 1
Zie ook artikel 77 (verklaring van naleving)
– Nieuw artikel 17 landbouwkwaliteitswet
– artikel 10 lid 2 onder d landbouwkwaliteitsbesluit
Keuze tussen de uitgifte van een verklaring waaruit blijkt dat de productie in overeenstemming
is met het productdossier of opneming in een lijst van erkende marktdeelnemers.
Gelet op de administratieve lasten en om deze zoveel mogelijk te beperken is gekozen
voor een lijst van erkende deelnemers
Artikel 45 lid 2
Behoeft geen implementatie, feitelijke handeling
Geen
–
Artikel 45 lid 3
artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 45 lid 4
Behoeft naar aard geen uitvoering, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 46 lid 1 onder a tot en met c (geografische aanduidingen)
Artikel 1 landbouwkwaliteitswet
Geen
Artikel 46 lid 2
Artikel 1 landbouwkwaliteitswet
Geen
Artikel 46 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 47 lid 1 (regels diervoeder)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 47 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 47 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 47 lid 4
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 47 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 48 lid 1 (planten- en dierenrassen)
Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 48 lid 2
Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 48 lid 3
Artikel 6 Landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 48 lid 4
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 49 lid 1 onder a tot en met f (productdossier)
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 49 lid 2 onder a tot en met c
Behoeft geen implementatie – uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 49 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 49 lid 4
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 50 lid 1 onder a tot en met b (enig document)
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 50 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 51 (toepassingsgebied)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 52 lid 1 (doelstellingen
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 52 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 53 lid 1 (geschikhtheidscriteria)
– Artikel 1 landbouwkwaliteitswet en landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 53 lid 2
– Artikel 1 landbouwkwaliteitswet en landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 53 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 53 lid 4
Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 53 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 54 lid 1 onder a tot en met d (productdossier)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 54 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 54 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 55 lid 1 (producentengroeperingen)(lijkt op artikel 32)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 55 lid 2
Zie ook artikel 32 lid 2
De lidstaten kunnen besluiten dat marktdeelnemers lid kunnen zijn van een producentengroepering.
Betreft een facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt.
Artikel 55 lid 3 onder a tot en met d
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 56 lid 1 (registratie nationaal)
– artikel 2.21 van de regeling dierlijke producten
– artikel 17 lid 1 onder a en lid 4 landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 56 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 56 lid 3
Artikel 17 landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 56 lid 4
Artikel 17 lid 3 landbouwkwalitetisregeling
Geen
–
Artikel 57 lid 1 onder a tot en met c (registratie unieniveau)
Behoeft geen implementatie.
Geen
–
Artikel 57 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 57 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 57 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 58 lid 1 (aanvraag unieniveau)
Behoeft geen implementatie, gericht tot de commissie
Geen
–
Artikel 58 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 58 lid 3
Zie ook artikel 14 lid 3
artikel 17 landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 58 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 59 lid 1 (onderzoek commissie)
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 59 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 59 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 59 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 60 lid 1 (nationale betwisting van een registratieaanvraag)
Zie ook artikel 16
Feitelijke handeling, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 60 lid 2
Feitelijke handeling, behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 60 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 60 lid 4
Feitelijke handeling, behoeft geen implementatie
–
Artikel 61 lid 1 (bezwaarprocedure op Unieniveau)
Zie ook artikel 17
– Artikel 2.22 lid 2 regeling dierlijke producten
– artikel 18 lid 2 en 3 van de landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 61 lid 2
Artikel 18 lid 2 van de landbouwkwaliteitsregeling
En
Artikel 2.22 lid 2 regeling dierlijke producten
De lidstaten kunnen de termijn vastleggen in hun wetgeving.
De termijn is vastgelegd.
Artikel 61 lid 3
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 61 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 61 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 61 lid 6
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 61 lid 7
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 61 lid 8
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 61 lid 9
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 61 lid 10
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 61 lid 11
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 62 lid 1 (bezwaargronden)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 62 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 63 lid 1 (Overgangsperioden voor het gebruik van gegarandeerde traditionele
specialiteiten)
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 63 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 64 lid 1 (Besluit van de Commissie betreffende de registratieaanvraag)
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 64 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 64 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 64 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 64 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 65 lid 1 (Unieregister van gegarandeerde traditionele specialiteiten)
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 65 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 65 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 66 lid 1 (wijziging van een productdossier)
Zie ook artikel 24
– Artikel 17, lid 1, onder b, + lid 2 + lid 5 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 18 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 2.21, lid 1 van de regeling dierlijke producten
Geen
–
Artikel 66 lid 2
– Artikel 17, lid 1, onder b, + lid 2 + lid 5 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 18 landbouwkwaliteitsregeling
– artikel 2.21, lid 1 van de regeling dierlijke producten
Geen
–
Artikel 66 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 66 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 67 lid 1 (Annulering van de registratie)
Artikel 17 lid 1 onder c, landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 67 lid 2
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 67 lid 3
Artikel 17 lid 1 onder c, landbouwkwaliteitsregeling
Geen
–
Artikel 67 lid 4
Behoeft geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 67 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen.
–
Artikel 67 lid 6
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 68 lid 1 (Beperking op het gebruik van geregistreerde gegarandeerde traditionele
specialiteiten)
– Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 2 landbouwkwaliteitswet
– Artikel 14 landbouwkwaliteitswet
Geen
–
Artikel 68 lid 2
Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 68 lid 3
– Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 2 landbouwkwaliteitswet
– Artikel 14 landbouwkwaliteitswet
Geen
–
Artikel 68 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 68 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie
Geen
–
Artikel 69 (Uitzonderingen voor bepaalde gebruiken)
– artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 14 landbouwkwaliteitswet
Geen
–
Artikel 70 lid 1 (Symbool)
Behoeft geen uitvoering, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 70 lid 2
uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 70 lid 3
uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 70 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 71 lid 1 (deelname)
Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 71 lid 2
– Artikel 2.19 regeling dierlijke producten
– Artikel 6+ 17 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 14 lid 2 landbouwkwaliteitsbesluit
–
Artikel 72 lid 1 (controles en handhaving)
Artikel 14 en 17 landbouwkwaliteitsbesluit
Artikel 14 en 19 landbouwkwaliteitswet
Geen
Artikel 72 lid 2
Artikel 14 en 17 landbouwkwaliteitsbesluit
Artikel 14 en 19 landbouwkwaliteitswet
Artikel 72 lid 3
artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Artikel 72 lid 4
Zie ook artikel 39 lid 1
Artikel 17a landbouwkwalitetisregeling
Geen
Artikel 72 lid 5
Behoeft geen implementatie
Geen
Artikel 72 lid 6
– Artikel 14 lid 2 + artikel 17 landbouwkwalitetisbesluit
-2.19 regeling dierlijke producten
Geen
Artikel 72 lid 7
Artikel 11 landbouwkwaliteitswet
Artikel 72 lid 8
Zie ook artikel 40 eerste lid
Feitelijke handeling, behoeft geen implementatie.
Artikel 72 lid 9
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 72 lid 10
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 72 lid 11
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 72 lid 12
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 73 lid 1 (acreditatie)
Behoeft geen implementatie,
Geen
–
Artikel 73 lid 2
Behoeft geen implementatie, ook onder oud artikel 39 niet geïmplementeerd, zelfde
artikel
Geen
–
Artikel 74 lid 1 (verificatie markt)
– artikel 6, 14 lid 2 en 17 landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 2.19 regeling dierlijke producten
Geen
Artikel 74 lid 2
– artikel 6, 14 lid 2 en 17 landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 2.19 regeling dierlijke producten
Artikel 74 lid 3
Artikel 13 en 19 landbouwkwaliteitswet
Artikel 74 lid 4
Artikel 5:16 Algemene wet bestuursrecht
Geen
Artikel 75 lid 1 (verplichtingen onlinemarkt)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 75 lid 2
artikel 16 van de landbouwkwaliteitswet
Geen
Artikel 76 lid 1 en 2 (wederzijdse bijstand)
Behoeft geen implementatie, feitelijke handeling
Geen
Artikel 77 lid 1 (verklaring van naleving)
Zie ook artikel 45
– Artikel 17 landbouwkwaliteitswet
– artikel 17 landbouwskwaliteitsregeling
Artikel 77 lid 2
Behoeft geen implementatie, feitelijke handeling
Geen
Artikel 77 lid 3
Artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Artikel 77 lid 4
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 78 (Doel)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 79 lid 1 (Nationale voorschriften)
Er zijn geen nationale voorschriften inzake facultatieve kwaliteitsaanduidingen. Betreft
een facultatieve bepaling waar geen gebruik van gemaakt wordt.
Artikel 79 lid 2
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 80 lid 1 (Facultatieve kwaliteitsaanduidingen)
Artikel 1 landbouwkwaliteitswet
Geen
–
Artikel 80 lid 2
Artikel 1 landbouwkwaliteitswet en artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 80 lid 3
Artikel 1 landbouwkwaliteitswet en artikel 6 landbouwkwaliteitsbesluit
Geen
–
Artikel 80 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 80 lid 5
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 80 lid 6
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 81
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
Artikel 82 lid 1 (aanvullende kwaliteitsaanduidingen)
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk
Geen
–
Artikel 82 lid 2
Behoeft geen implementatie, uitvoeringspraktijk.
Geen
–
Artikel 82 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 82 lid 4
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 83 lid 1 (beperkingen van het gebruik en controles)
– Artikel 2.19 regeling dierlijke producten
– Artikel 6, 10 + 17 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 2, 7 en 14 landbouwkwaliteitswet
Geen
Artikel 83 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 83 lid 3
Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot commissie
Geen
–
Artikel 83 lid 4
– Artikel 2.19 regeling dierlijke producten
– Artikel 6+ 17 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 14 lid 2 landbouwkwaliteitsbesluit
– Artikel 13 en 19 landbouwkwaliteitswet
Artikel 84 (wijziging verordening 1308/2013)
– artikel 17 onder c landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 17 landbouwkwaliteitsregeling
Artikel 85 (wijziging verordening 2019/787)
– artikel 17 onder a landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 17 landbouwkwaliteitsregeling
Artikel 86 (wijziging verordening 2019/1753)
– artikel 17 onder a landbouwkwaliteitsbesluit
– artikel 17 landbouwkwaliteitsregeling
Artikel 87 lid 1 tot en met 6 (uitoefening bevoegdheidsdelegatie)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 88 lid 1 en 2 (comiteprocedure)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 89 (overgangsbepaling indeling)
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 90 lid 1 (overgangsbepalingen aanvraag)
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 90 lid 2
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 90 lid 3
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 90 lid 4
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 90 lid 5
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 90 lid 6
Behoeft geen implementatie, gericht aan commissie
Geen
–
Artikel 91 (overgangsbepalingen bezwaar)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 92 lid 1 (overgangsbepalingen)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 92 lid 2
Geen
–
Artikel 93 lid 1 (continuïteit van de registers)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 93 lid 2
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 94 (intrekking)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 95 (concordantietabel)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 96 (intrekking handelingen)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
Artikel 97 (inwerkingtreding)
Behoeft geen implementatie
Geen
–
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Ondertekenaars
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.