Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Inge van Dijk over het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’
Vragen van het lid Inge van Dijk (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën over het bericht «Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB» (ingezonden 9 februari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Heijnen (Financiën) (ontvangen 20 februari 2026).
Vraag 1
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te
rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Antwoord 1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting
door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA)
een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende
informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook
ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet
opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel
mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen
pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te
betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan
de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het
moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie
die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn
aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van
het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet
echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren.
Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA
altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar
nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Vraag 2
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve
aanslag voor particulieren en voor het MKB?
Antwoord 2
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op
gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen
is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar,
getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder
meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop
van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen.
Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse
omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar
niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar
in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van
een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de
werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt
de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt
deze uitstelregeling minder vaak voor.
Vraag 3
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke
mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve
Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke
directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
Antwoord 3
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1.
Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van
de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen
te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Vraag 4
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld,
terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Antwoord 4
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd
gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende
aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid
zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit
een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld
op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst
aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van
de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve
aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende
directies zou moeten behoren?
Antwoord 5
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke
taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst.
Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van
de medewerking van burgers.
Vraag 6
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen
en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
Antwoord 6
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit.
In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces
meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere
afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen.
Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van
doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende
en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Vraag 7
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve
aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op
de werkelijkheid?
Antwoord 7
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van
een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken.
Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden
er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te
dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van
inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Vraag 8
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op
te lossen?
Antwoord 8
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een
overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd
en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter
te beleggen binnen de Belastingdienst.
Ondertekenaars
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.