Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (Kamerstuk 36592-55)
36 592 Defensienota 2024 – Sterk, slim en samen
Nr. 57 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 12 februari 2026
De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris
van Defensie over de brief van 19 december 2025 inzake het Definitief Nationaal Programma
Ruimte voor Defensie (NPRD)(Kamerstuk 36 592, nr. 55).
De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 12 februari 2026. Vragen
en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie, Paternotte
Adjunct-griffier van de commissie, Manten
1
Op welke termijn worden de uitgangspunten voor «agrarisch medegebruik» definitief
vastgesteld en besproken met agrarische koepelorganisaties?
Defensie zoekt bij de uitvoering van het NPRD zoveel mogelijk naar koppelkansen met
andere functies, waaronder de landbouw. Om de mogelijkheden voor agrarisch medegebruik
op militaire oefenterreinen vast te stellen, worden uitgangspunten voor dit beoogde
medegebruik opgesteld. Dit vindt plaats om goed te kunnen blijven oefenen, in lijn
met de motie-Diederik van Dijk c.s. (Kamerstuk 36 592, nr. 35) en de motie-Heite (Kamerstuk 36 124, nr. 54). Daarna worden de uitgangspunten met de koepelorganisaties besproken om te kunnen
vaststellen in hoeverre er relevante mogelijkheden zijn voor agrarisch medegebruik
op militaire oefenterreinen. Deze afstemming vindt in de eerste helft van 2026 plaats.
2
Welke rol speelt de aangekondigde pilot bij De Haar in Midden-Drenthe bij het «agrarisch
medegebruik»?
Op basis van nader op te stellen uitgangspunten zal in afstemming met de koepelorganisaties
worden onderzocht in hoeverre in de nieuwe situatie van het oefenterrein De Haar mogelijkheden
bestaan voor agrarisch medegebruik. Afhankelijk hiervan zal, als onderdeel van het
gebiedsproces, een pilot worden uitgevoerd. Een dergelijke pilot is bedoeld om eventuele
mogelijkheden voor agrarisch medegebruik in de praktijk zorgvuldig te toetsen op uitvoerbaarheid.
3
Hoe verhoudt de ambitie van «waardig perspectief» en «volledige schadeloosstelling»
zich tot de constatering in het NPRD dat «immateriële schade» en «schaduwschade» (schade
ontstaan voorafgaand aan een formeel besluit) volgens de Omgevingswet niet voor vergoeding
in aanmerking komen?
Uw Kamer heeft in het Nota-overleg over het ontwerp-NPRD door middels van meerdere
moties opgeroepen tot een zorgvuldige omgang met en ruimhartige compensatie van gedupeerden.
In mijn aanbiedingsbrief bij het definitieve NPRD (Kamerstuk 36 592, nr. 55) heb ik aangegeven dat ik mij zeer bewust ben van de grote impact die de plannen
van Defensie voor bewoners en betrokkenen. Daarom heb ik hiervoor een proces ingericht
dat aan deze impact zo goed mogelijk recht doet. Als Staatssecretaris heb ik veel
bezoeken gebracht aan direct getroffen bewoners en eigenaren van bedrijven en keukentafelgesprekken
met deze mensen gevoerd. Met als doel om de situatie ter plekke goed te begrijpen
en om de betrokkenen een zo goed mogelijk perspectief te kunnen bieden.
Het vooruitzicht van uitkoop leidt tot zorgen over directe schade, zoals investeringen
in woningen, en indirecte schade, zoals omzetrisico en beperkingen door veiligheidszones.
Voor de verwerving van grond binnen het voorkeursalternatief waarover Defensie voor
de uitvoering van het voorgenomen project binnen het Nationaal Programma Ruimte voor
Defensie (NPRD) moet kunnen beschikken, is een proces ingericht om op een zo vroeg
mogelijk moment een volwaardig en waardig perspectief te kunnen bieden aan getroffenen.
Dat perspectief is in beginsel gericht op volledige schadeloosstelling en in specifieke
gevallen het zo goed als mogelijk helpen bij verplaatsing van bijvoorbeeld agrarische
bedrijven.
Volledige schadeloosstelling betekent dat niet alleen de waarde van de grond en opstallen
wordt vergoed maar ook andere schadeposten worden meegenomen, zoals bijvoorbeeld misgelopen
omzet of investeringen die niet kunnen worden terugverdiend.
Ook kan op andere manieren (financiële) schade worden geleden naar aanleiding van
het NPRD. In deze gevallen kan nadeelcompensatie aan de orde zijn. Defensie is daarbij
gebonden aan wet- en regelgeving in de Omgevingswet die de kaders bepaalt voor wat
mogelijk is ten aanzien van dergelijke nadeelcompensatie, in verband met het waarborgen
van het gelijkheidsbeginsel (egalitébeginsel). Volgens deze kaders komen immateriële
schade en schaduwschade niet voor vergoeding in aanmerking.
4
Op welke wijze gaat u borgen dat de benodigde stikstofruimte voor militaire activiteiten
niet ten koste gaat van de broodnodige stikstofruimte voor de legalisering van PAS-melders
in de betreffende regio's?
In het NPRD is aangegeven dat het tempo van de realisatie afhangt van factoren die
maar ten dele kunnen worden beïnvloed door Defensie, zoals de beschikbare stikstofruimte.
De realisatie van voldoende stikstofruimte voor verschillende projecten binnen het
NPRD vraagt om een kabinetsbrede aanpak. Het is aan een nieuwe kabinet hier keuzes
in te maken.
5
Om hoeveel hectare grond gaat het in totaal dat momenteel een agrarische functie heeft,
en wat is de verwachte verhouding tussen vrijwillige verkoop en gedwongen onteigening
bij de realisatie van de 57 behoeften?
In het NPRD is de verdeling van de uitbreidingen naar de huidige ruimtelijke functie
van die gebieden in kaart gebracht (zie p. 81 van het definitief NPRD). Op dit moment
heeft 1.133 Ha van de beoogde defensie-uitbreidingen momenteel een agrarische functie.
In totaal gaat het om 2.587 Ha die benodigd is voor de gehele uitbreiding.
Inmiddels zijn met de meeste grondeigenaren de gesprekken gestart om tot minnelijke
verwerving te komen op basis van volledige schadeloosstelling. Dit heeft ook al geleid
tot verschillende transacties, maar een compleet beeld hoe de verhouding vrijwillige
verkoop en gedwongen onteigening zal uitvallen is nog niet te geven. Defensie zet
zich ervoor in om gedwongen onteigening te voorkomen.
6
Hoe wordt concreet invulling gegeven aan het «lichte planologisch regime» voor laagvlieggebieden,
zodat agrarische ondernemers niet onnodig worden beperkt in hun bedrijfsvoering of
de bouw van stallen?
Het planologisch regime zal ruimtelijke ontwikkelingen niet op voorhand uitsluiten.
In de laagvlieggebieden blijft ruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen waardoor agrarische
ondernemers niet onnodig worden beperkt in hun bedrijfsvoering Er moet wel rekening
worden gehouden met de status van het gebied als laagvlieggebied, en er gelden beperkingen
voor ontwikkelingen die de functionaliteit van het laagvlieggebied significant beïnvloeden. Dit betekent bijvoorbeeld dat versnippering van een laagvlieggebied
door ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk wordt voorkomen of dat overlast niet
onevenredig op een bepaald gebied wordt afgewenteld. Het planologisch regime gaat
vooral uit van een goede en tijdige afstemming met Defensie in geval van grootschalige
ontwikkelingen of bouwwerken die de hoogte ingaan zoals windmolens of een hoogspanningsverbinding.
Het planologisch regime wordt opgesteld in afstemming met de betrokken provincies.
7
Welke concrete stappen onderneemt u nu om de behoefte aan een nieuw terrein voor het
trainen met explosieven alsnog te realiseren, en worden hierbij opnieuw agrarische
zoeklocaties in overweging genomen die eerder in het proces zijn afgevallen?
Hoewel met het NPRD geen locatie kon worden aangewezen, blijft Defensie wel behoefte
houden aan uitbreiding van de mogelijkheid om te trainen met explosieven. Defensie
zal de uitgangspunten van deze behoefte heroverwegen om te bezien in hoeverre het
mogelijk is om de behoefte op een andere manier in te vullen, bijvoorbeeld gedeeltelijk
verdeeld over Nederland en/of met bestaande oefenmogelijkheden in het buitenland.
Na deze heroverweging volgt eventueel vervolgonderzoek en mogelijk op termijn een
nieuwe politieke-bestuurlijke afweging. Welke eventuele zoeklocaties dan mogelijk
in beeld kunnen komen, is nu nog niet aan te geven.
8
Kan per bovenregionale behoefte een grofmazige planning gegeven worden wanneer verwacht
wordt dat inpassing gereed is en hoe daar gekomen wordt (inclusief benodigde infrastructurele
aanpassingen)?
In het NPRD is voor elk van de behoeften aangegeven op welk moment volledige ingebruikname
is voorzien en wat hiervoor is benodigd. Waar dit aan de orde is, moeten de noodzakelijke
inpassingen zijn gerealiseerd die horen bij die fase van ingebruikname.
9
Hoe wordt er gegarandeerd dat de defensieontwikkelingen in diverse gebieden (bijv.
Weert en Zeewolde) geen blokkade vormen voor woningbouwplannen c.q. dat er een gezamenlijk
stikstofpakket ontwikkeld wordt dat zowel defensie-ontwikkelingen, woningbouw en economische
groei mogelijk maakt?
In het traject naar de vaststelling van het definitieve NPRD is voor de nationale,
regionale en lokale niveaus getoetst of de beoogde defensie-uitbreiding samen kon
gaan met bestaande plannen. Hierbij is ondermeer gekeken naar de woondeals, de regionale
verstedelijkingsstrategieën en concrete lokale plannen.
Zoals gezegd, in het NPRD is aangegeven dat het tempo van de realisatie afhangt van
factoren die maar ten dele kunnen worden beïnvloed door Defensie, zoals beschikbare
stikstofruimte. De realisatie van stikstofruimte vraagt een kabinetsbrede aanpak.
Het is aan een nieuw kabinet hier keuzes in te maken.
10
Krijgen betrokken gemeenten waarbinnen een bovenregionale behoefte fysiek wordt uitgevoerd
(bijv. Weert, Staphorst, Zeewolde, enz.) budget om de benodigde gebiedsprocessen,
participatie en omgevingscommunicatie te faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Uit de rijksbijdrage aan het gemeentefonds en provinciefonds worden andere overheden
in algemene zin gefinancierd. Op het moment dat zij procedures zoals vergunningen
en ruimtelijke besluiten moeten uitvoeren, in dit geval voor Defensie, ontvangen zij
hiervoor leges. In het NPRDtraject heeft Defensie zelf zorg gedragen voor de bekostiging
van informatietrajecten en – bijeenkomsten en onderzoeken.
Defensie zal in specifieke gevallen, waar deze wijze van bekostiging evident te kort
schiet, bezien of een vorm van projectfinanciering kan worden toegekend. Dit zal per
project worden vastgesteld. Belangrijk daarbij zijn o.a. de scope van het project
en afspraken hierover met belanghebbenden en betrokkenen over taak- en rolverdeling
en verantwoordelijkheden.
11
Op welke wijze neemt u bij besluiten over ruimtelijke impact van defensie-ontwikkelingen
lokale gemeenten tijdig en in samenspraak mee?
In het traject van het NPRD is door Defensie steeds nauw samengewerkt met betrokken
provincies en gemeenten. In elke fase zijn de mede-overheden zoveel als mogelijk vooraf
betrokken bij de gemaakte locatiekeuzes. Deze werkwijze zet Defensie door in de realisatiefase.
12
Hoe wordt de Tweede Kamer betrokken bij verdere realisatie van het NPRD? Kunt u schetsen
of en waar de Tweede Kamer bepaalde bevoegdheden en/of instemmingsrecht heeft in het
proces van totstandkoming en uitvoering van het NPRD?
Defensie informeert via de Stand van Defensie periodiek uw Kamer over de voortgang
van projecten inclusief het NPRD. In antwoord op de feitelijke vragen bij de Stand
van Defensie najaar 2025 (Kamerstuk 36 800 X, nr. 3), is aangeven dat dit zal gebeuren op basis van prestatie- indicatoren.
Verschillende juridische processen en besluiten maken deel uit van de planologische
voorbereiding en borging van de realisatie van het NPRD. Het gaat in elk geval om
aanpassing van de regelgeving in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsregeling.
Deze aanpassingen moeten worden voorgehangen zowel bij de Eerste als uw Kamer (tenzij
het om technische wijzigingen gaat of implementatie van EU recht).
Daarnaast kan het gaan om besluiten tot het vestigen van voorkeursrechten, voorbereidingsbesluiten,
besluiten tot vaststelling van omgevingsplannen en projectbesluiten. Uw Kamer heeft
geen bevoegdheden en/of instemmingsrecht bij het vestigen van een voorkeursrecht,
het nemen van een voorbereidingsbesluit of vaststellen van een projectbesluit.
13
Welke mitigerende maatregelen zullen nog worden genomen om cumulatie van hinder met
al bestaande militaire activiteiten op de Veluwe te voorkomen?
Naar aanleiding van aanvullend onderzoek is voor de Veluwe geconcludeerd dat in beperkte
mate sprake is van een cumulatie van defensieactiviteiten. Dit geldt rondom het Artillerie
Schietkamp (ASK) in relatie met de daar nabijgelegen helikopterlandingsplaatsen en
rondom Deelen vanwege activiteiten van helikopters, drones en de «dirt strip». Defensie
kan mitigerende maatregelen nemen door bijvoorbeeld activiteiten goed af te stemmen
of ‘s nachts te beperken.
14
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van het NPRD momenteel niet uitvoerbaar
zijn door de stikstofsituatie in Nederland?
Dat kunnen we nu nog niet aangeven omdat we per project locatiespecifiek onderzoeken
wat de problemen en oplossingsmogelijkheden zijn.
15
In welke mate en voor welke locaties zou congestie op het stroomnet (in de toekomst)
een probleem kunnen vormen? Hoe wordt daarmee omgegaan? Wat zijn de verwachte gevolgen
van de benodigde defensie-ontwikkelingen voor de stroomaansluitingen van nieuwe woonwijken
en economische ontwikkeling?
Dat kunnen we nu nog niet aangeven omdat we per project locatiespecifiek onderzoeken
wat de problemen en oplossingsmogelijkheden zijn. Defensie beziet ook mogelijkheden
voor het vergroten van de eigen energiezekerheid. Om mogelijke problemen met defensie-
en overige stroomaansluitingen te voorkomen zal Defensie in ieder geval in een vroegtijdig
stadium van de planvorming over de projecten waarvoor dit nodig is afstemming zoeken
met de relevante netbeheerder.
16
Hoe bewerkstelligt het kabinet dat zowel besluitvorming als financiering van infrastructurele
aanpassingen die nodig zijn voor het NPRD zoveel mogelijk integraal én met lokale
overheden plaatsvindt?
Defensie is direct na het uitbrengen van het ontwerp-NPRD met het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat (IenW) in gesprek gegaan over mogelijke infrastructurele aanpassingen
in relatie tot de hoofdinfrastructuur. Hierbij hebben de departementen afgesproken
(zie Kamerbrief Langetermijnperspectief infrastructuur en woningbouw, Kamerstuk 29 435, nr. 270) dat de Ministeries van Defensie en IenW bezien waar deze opgaven al een plek hebben
of kunnen krijgen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT).
Dit gesprek moet worden voortgezet door het nieuwe kabinet.
Daar waar het om mogelijke aanpassingen gaat op de onderliggende wegennetten wordt
dit met betrokken overheden besproken via de gebiedsprocessen die worden ingericht.
17
Hoe wordt concreet invulling gegeven aan de door de Kamer aangenomen motie waarin
de regering wordt verzocht om de infrastructurele aanpassingen, die noodzakelijk zijn
als gevolg van de uitvoering van het NPRD, als prioritair te beschouwen en deze ook
zo spoedig mogelijk te realiseren? (Kamerstuk 36 592, nr. 30)
Zie het antwoord op vraag 16.
18
Kunt u een lijst geven met alle NPRD-locaties, met daarbij een schatting van de benodigde
financiële bijdrage van de Rijksoverheid, en een weergave van wat er al gedekt wordt
in de Rijksbegroting?
Deze informatie is nog niet beschikbaar omdat dit wordt vastgesteld op basis van de
nog te doorlopen gebiedsprocessen en nadere afstemming met de andere betrokken departementen
en medeoverheden.
19
Wat waren de voornaamste punten en bezwaren van de betrokkenen?
In de Nota van Antwoord op het ontwerp-NPRD zijn in hoofdstuk 3 de hoofdlijnen uit
de ontvangen zienswijzen opgenomen.
20
Hoeveel mensen hebben bezwaar aangetekend tegen het NPRD?
Het NPRD is een programma onder de Omgevingswet, hierom was bezwaar maken niet mogelijk
tegen het ontwerp-NPRD. Wel konden zienswijzen worden ingediend. In totaal heeft Defensie
1.960 zienswijzen ontvangen, waarvan 1.256 van inwoners.
21
In hoeverre zijn gezondheidsrisico's meegenomen in de overlast-analyse?
In het planMER is, waar dit een relevant aspect was, ook gekeken naar gezondheidseffecten.
Naar aanleiding van de zienswijzen op de Notitie Reikwijdte en Detail (NRD) is op
de thema’s gezondheid en geluid het onderzoek voor de luchtvaart gerelateerde behoeften
verdiept.
22
Op welke wijze is de reistijdontwikkeling voor personeel naar de locatie aan de Spiekweg
gemodelleerd (aannames, scenario’s, referentiejaar), en zijn daarbij routes via Nijkerk
en via knooppunt Hoevelaken expliciet meegenomen?
De routering van het personeel (herkomst/bestemming) is in het verkeersonderzoek gebaseerd
op de verdeling van het verkeersmodel Stravela (Strategisch verkeersmodel Lelystad-Almere).
Dit model bepaalt op diverse uitgangspunten de herkomst van het personeel van de kazerne.
In de actualisatie van het verkeersonderzoek dat nu wordt uitgevoerd is deze verdeling
verder aangescherpt met een herverdeling van het verkeer van het personeel. Voor het
verkeersonderzoek is uitgegaan van het prognosejaar 2040. Hierbij is een vergelijking
gemaakt tussen een referentiesituatie 2040 (zonder kazerne) en de plansituatie 2040
met kazerne, zodat de verkeerseffecten van alleen de kazerne in beeld kunnen worden
gebracht. Hierbij is ook gekeken naar de verkeerseffecten op de routes in de omgeving,
inclusief de A28 en de weg naar Nijkerk. Er is beoordeeld wat de toename is en of
dat tot verkeerseffecten leidt.
23
In hoeverre zijn bij de modellering en de beoordeling van bereikbaarheid bestaande
én geplande infrastructurele knelpunten in en rond Nijkerk (waaronder knooppunt Hoevelaken)
meegenomen, en welke bronnen/plannen zijn daarbij gebruikt?
Ook hier geldt dat de basis voor het verkeersonderzoek het regionale verkeersmodel
Stravela is waar de gemeente Zeewolde een onderdeel van is. Dit verkeersmodel geeft
een goed beeld van de verkeersafwikkeling van onder andere de directe omgeving van
de nieuwe kazerne. Dit model is in 2025 geactualiseerd met de nieuwste inzichten in
onder andere woningbouwontwikkelingen in de omgeving. In het verkeersonderzoek dat
nu wordt uitgevoerd door Defensie, wordt de meest geactualiseerde versie toegepast.
Naast input die onder andere is aangeleverd door de diverse wegbeheerders en overheden
(provincie en gemeenten) wordt voor het gebied dat niet onder het studiegebied van
het verkeersmodel valt, uitgegaan van uitgangspunten van het Nederlands regionaal
verkeersmodel NRM). Dit model wordt voor heel Nederland ontwikkeld en beheerd door
Rijkswaterstaat. Het NRM bevat het hoofdwegennet van Nederland waar het knooppunt
Hoevelaken een onderdeel van is.
24
Welke rijksmaatregelen en projecten zijn op dit moment voorzien voor knooppunt Hoevelaken
(scope, planning, verantwoordelijke partijen en financiering), en welke (tussen)mijlpalen
en opleverdata horen daarbij?
In het Bestuurlijk Overleg MIRT van januari jl. is afgesproken de aanpak voor het
knooppunt verder uit te werken, ondanks dat geen rijksmiddelen zijn gereserveerd.
Hierbij wordt gekeken naar een gefaseerde aanpak gericht op volledige realisatie op
termijn. De uitvoering is afhankelijk van de vergunbare stikstofruimte, personele
capaciteit en de beschikbaarheid van financiële middelen. Over de voortgang en aanpak
van dit project wordt u geïnformeerd via de MIRT-brief van IenW.
25
In hoeverre leidt de realisatie en ingebruikname van de kazerne aan de Spiekweg tot
aanpassing van de prioritering, planning of scope van maatregelen rond knooppunt Hoevelaken,
en zo ja: welke aanpassingen?
Zie het antwoord op vraag 24.
26
Is het Rijk bereid financieel of bestuurlijk bij te dragen aan de realisatie van een
keervoorziening voor de trein in Harderwijk, en zo ja: welke bijdrage (bedrag/regeling),
onder welke voorwaarden en met welk tijdpad?
In het Bestuurlijke Overleg MIRT van januari jl. is afgesproken dat het Rijk uit de
WoMomiddelen (Woningbouw en Mobiliteit) bijna 100 miljoen bijdraagt aan een keervoorziening
bij Harderwijk en overwegmaatregelen op de Veluwelijn om een frequentieverhoging mogelijk
te maken. ProRail onderzoekt momenteel wat hier precies voor nodig is en werkt een
planning hiervoor uit.
27
Welke (dienstregelings)effecten worden met de keervoorziening in Harderwijk beoogd
(bijv. kwartierdienst vanaf station Nijkerk richting Amersfoort en Zwolle), en welke
stappen/besluiten zijn daarvoor nodig bij ProRail/NS/Rijk en wanneer?
Dit is nog onderdeel van onderzoek door ProRail en NS. Rond deze zomer worden de eerste
resultaten hiervan verwacht.
28
Bij welke overlegstructuren (bestuurlijk/ambtelijk) over de kazerne en de regionale
bereikbaarheid is de gemeente Nijkerk momenteel betrokken, welke rol heeft Nijkerk
daarin (deelnemer/adviseur/besluitvormend), en hoe vaak vinden deze overleggen plaats?
In het Bestuurlijk Overleg dat de Staatssecretaris van Defensie met de provincie Gelderland
heeft gevoerd voorafgaand aan het kabinetsbesluit over het definitieve NPRD, is toegezegd
dat de gemeente Nijkerk volwaardig wordt betrokken bij de gebiedsontwikkeling voor
de nieuwe kazerne voor het versterken en concentreren van ondersteunende eenheden.
Op dit moment werkt Defensie uit hoe aan dit overleg concreet vorm wordt gegeven.
29
Welke afspraken worden gemaakt om te borgen dat Nijkerk als directe buurgemeente en
«sleutelgemeente» tussen drie provincies structureel betrokken blijft in de verdere
uitwerking en besluitvorming, en waar worden die afspraken vastgelegd (mede gelet
op de toezegging van de Staatssecretaris in het notaoverleg NPRD van 8 september 2025:
«Als de gemeente Nijkerk daar voor de volgende BO’s de behoefte aan heeft dan zijn
ze zeker welkom en dan nemen we ze daarin gewoon mee»)?
Zie het antwoord op vraag 28.
30
Kunt u aangeven welke concrete regionale effecten (mobiliteit, woningmarkt, voorzieningen,
netcongestie, stikstofruimte) worden verwacht door de vestiging van de centrale kazerne
aan de Spiekweg in Zeewolde en de intensivering van kazernes in de regio zoals Ermelo
en Stroe, en welke Rijksbrede aanpak hiervoor wordt voorzien?
In het planMER zijn deze effecten op hoofdlijnen onderzocht. Uit het planMER is gebleken
dat, alle effecten afwegend, realisatie op de locatie Spiekweg mogelijk is. In het
NPRD is aangegeven dat de realisatie van de behoefte op deze locatie omgevingseffecten
heeft. Samen met de regio wordt dit verder in beeld gebracht. Daarbij worden uitstralingseffecten
en ontwikkelingen in de naastgelegen provincies, zoals verkeer van en naar Nijkerk
in combinatie met de intensivering van activiteiten in Stroe en Ermelo, ook meegenomen.
31
Hoe borgt u dat omliggende gemeenten zoals Nijkerk «aan de voorkant» structureel worden
betrokken bij planuitwerking, en hoe wordt de regionale governance ingericht (Rijk-
provincies-gemeenten)?
Zie het antwoord op vraag 28.
32
Het oostelijk deel van Nijkerk valt binnen bestaand laagvlieggebied voor helikopters,
welke concrete gevolgen heeft dit voor toekomstige hoogbouw/ruimtelijke ontwikkeling,
en welke procedure/compensatie is er als plannen hierdoor niet doorgaan of vertragen?
Er wordt een licht planologisch regime voor alle laagvlieggebieden opgesteld. Binnen
dit planologisch regime blijft ruimte voor andere ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor
een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk is. Er zal rekening mee moeten worden
gehouden of deze ontwikkeling het laagvlieggebied significant beïnvloedt. Dit betekent bijvoorbeeld dat versnippering van een laagvlieggebied zoveel
mogelijk wordt voorkomen en dat overlast niet onevenredig op een bepaald gebied wordt
afgewenteld.
33
Op welke wijze wordt de extra verkeersdruk op de Nijkerkerbrug door de komst van de
kazerne en woningbouw in de regio meegenomen in de opdracht van Rijkswaterstaat om
het Nijkerkersluis en -brug te renoveren, gelet op de start van het renovatieproces
van het Nijkerkersluiscomplex en de beperking van de opdracht van Rijkswaterstaat
tot het opknappen van wat er nu
is?
Rijkswaterstaat is op dit moment bezig met de planfase van de renovatiewerkzaamheden
aan de Nijkerkerbrug/sluis. Daarin is geen capaciteits- of functie-uitbreiding voorzien.
34
Is het nog mogelijk voor omwonenden om vanaf dit moment nog inspraak te krijgen of
klachten in te dienen over het NPRD? Zo ja, op welke manier en hoe worden deze opgevolgd;
door wie en met welke termijnen?
Voor de locaties en gebieden die in het NPRD definitief zijn aangewezen is in deze
fase geen inspraak meer mogelijk. Dit zijn de locaties die zijn opgenomen in hoofdstuk
8. Voor deze locaties is een zorgvuldig traject doorlopen met informatiebijeenkomsten
en webinars. Zowel op de Notitie Reikwijdte en Detail (opzet van het planMER onderzoek)
als het ontwerp-NPRD was er de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Deze zienswijzen
zijn beantwoord in Nota’s van Antwoord. Daarbij is aangegeven op welke wijze de zienswijzen
doorwerking hebben gehad op de plannen van Defensie. Wel is participatie en inspraak
mogelijk in de vervolg- en realisatiefase.
In hoofdstuk 9 van het NPRD zijn voor 9 defensiebehoeftes ontwerp-voorkeurslocaties
aangewezen. Voor deze locaties zijn eind januari/begin februari informatiebijeenkomsten
georganiseerd. Op deze kabinetskeuzes is het mogelijk tot 2 maar 2026 zienswijzen
in te dienen.
35
Van hoeveel gedwongen uitzettingen is er sprake?
Inmiddels zijn met de meeste grondeigenaren de gesprekken gestart om tot minnelijke
verwerving te komen op basis van volledige schadeloosstelling, en dit heeft ook al
tot verschillende transacties geleid. De inzet van Defensie is om gedwongen onteigening
zo veel mogelijk te voorkomen.
36
Op welke manier worden de omwonenden, die te maken krijgen met gedwongen uitzetting,
gecompenseerd?
Voor de verwerving van grond binnen het voorkeursalternatief waarover Defensie voor
de uitvoering van het voorgenomen project moet kunnen beschikken, is een proces ingericht
om op een zo vroeg mogelijk moment een volwaardig en waardig perspectief te kunnen
bieden aan getroffenen. Dat perspectief is in beginsel gericht op volledige schadeloosstelling
en in specifieke gevallen het zo goed als mogelijk helpen bij verplaatsing van agrarische
bedrijven.
Volledige schadeloosstelling betekent dat niet alleen de waarde van de grond en opstallen
worden vergoed maar ook andere schadeposten worden meegenomen, zoals bijvoorbeeld
misgelopen omzet of investeringen die niet kunnen worden terugverdiend. De inzet van
Defensie is om gedwongen onteigening zo veel mogelijk te voorkomen.
37
Hoe wordt er omgegaan met bezwaren tegen deze compensatie? Kunt u een concreet overzicht
geven van het proces dat daarin wordt gevolgd, wie daar een rol heeft en wanneer,
en hoe hierover wordt gecommuniceerd naar betrokkenen?
Een onteigeningsprocedure bestaat uit een bestuursrechtelijk deel, waarbij een onteigeningsbeschikking
wordt getoetst door de bestuursrechter, en een civiel deel, waarbij de hoogte van
de schadeloosstelling wordt vastgesteld door de burgerlijk rechter. De onteigenaar,
de eigenaar en andere belanghebbenden kunnen tegen deze beschikking over de schadeloosstelling
in cassatie gaan bij de Hoge Raad.
Nadeelcompensatie is geregeld in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling
15.1 van de Omgevingswet. Tegen besluiten over het toekennen van nadeelcompensatie
staat bezwaar en bestuursrechtelijk beroep open. Defensie bereidt in aanvulling op
de wettelijke regels een proces voor de behandeling van nadeelcompensatie naar aanleiding
van het NPRD voor.
38
Hoe wordt de financiering van grootschalige munitieopslag in de gemeente Staphorst
geborgd?
In het definitieve NPRD is aangegeven dat de volledige vastgoedbehoefte van het NPRD
in de periode 2026–2040 (geraamd op 8,2 mld. euro) bij de eerste suppletoire begroting
van 2026 wordt ingepast in de begroting van Defensie. De vastgoedbehoefte voor de
munitieopslag Staphorst is hier onderdeel van. Ook grondverwervingskosten die volgen
uit het NPRD zijn gedekt in de begroting van Defensie. De dekking voor aanvullende
zaken, bijvoorbeeld infrastructurele aanpassingen en ontsluitingen, is op dit moment
niet geregeld. Eventuele budgettaire gevolgen dienen te worden ingepast op de begrotingen
van de beleidsverantwoordelijke departementen.
39
Hoe krijgt de interdepartementale afstemming en regierol van Defensie vorm bij het
realiseren van munitieopslag?
Defensie is per NPRD-project waar dit aan de orde is actief in overleg met betrokken
departementen (VRO, IenW, LVVN, KGG, EZ, OCW) over de defensiebehoeften die raken
aan de beleidsterreinen van andere departementen.
40
Zijn er landelijke afspraken of overeenkomsten met Staatsbosbeheer over de planontwikkeling
en realisatie van munitieopslag?
In september 2025 heeft Defensie een intentieovereenkomst gesloten om tot meer structurele
samenwerking te komen, ondermeer op de NPRD-behoeften. Defensie en Staatsbosbeheer
werken nu deze intentieovereenkomst uit tot een samenwerkingsovereenkomst. Een van
de uitbreidingen waar in dit kader naar wordt gekeken, is de munitieopslag Staphorst.
41
Komt er regelgeving die een snelle realisatie van urgente opgaven kan waarborgen?
In het definitieve NPRD is aangegeven dat Defensie kijkt naar versnellingsmogelijkheden
binnen de geldende procedures. Defensie versnelt waar mogelijk en zal bij de uitvoering
per behoefte kijken welke ruimte er is voor versnelling van uitvoering. In de praktijk
kan dit bijvoorbeeld betekenen dat Defensie de overweging maakt om geen projectMER
uit te voeren als dit niet strikt noodzakelijk is en waarbij het planMER voldoende
informatie geeft. Defensie heeft ook een Commando Post Vastgoed ingericht om met het
Rijksvastgoedbedrijf en marktpartijen gezamenlijk sneller vastgoedopdrachten te kunnen
realiseren.
Daarnaast werkt Defensie ook aan de Wet op de Defensie Gereedheid (WODG). De WODG
biedt een kader voor het waarborgen van de gereedstelling van de krijgsmacht en afstemming
daarvan op andere algemene belangen in een weerbare samenleving. Voor de fysieke leefomgeving
maakt het wetsvoorstel, omgeven door passende waarborgen, vrijstellingen en gerichte
afwijkingen mogelijk dat Defensie geselecteerde gereedstellingsactiviteiten sneller
en vaker kan uitvoeren. Eind december 2025 is het wetsvoorstel voor advies aan de
Raad van State aangeboden.
42
Hoe ziet het uitvoeringsproces eruit in samenwerking met provincies en gemeenten?
In de aanpak die Defensie uitwerkt wordt een onderscheid gemaakt naar omvang en impact
op de omgeving van de uitbreiding. Afhankelijk van die omvang en impact wordt een
gezamenlijk gebiedsontwikkelingsproces ingericht. Provincies en betrokken gemeenten
worden hier direct bij betrokken. Ook actief omgevingsmanagement is onderdeel van
deze aanpak.
43
Hoe geeft Defensie vorm aan het gebiedsproces rond het Staphorster bod?
In het NPRD is aangegeven dat het Staphorster bod het uitgangspunt is voor de realisatie
van de grootschalige munitieopslag. Defensie, de provincie Overijssel en de gemeente
Staphorst maken samen over een programmatische aanpak. Defensie coördineert het proces
rond het Staphorster bod en de realisatie van de nieuwe grootschalige munitieopslag,
inclusief de hiervoor benodigde interdepartementale afstemming.
44
Welke besluiten zijn verder nodig op het niveau van Rijk en provincie om het Staphorster
bod succesvol in te passen?
Welke besluiten hiertoe specifiek nodig zijn maakt onderdeel uit van deze gezamenlijke
programmatische aanpak, zoals beschreven in het antwoord op vraag 43.
45
Nu met het NPRD geen locatie kan worden aangewezen voor een tweede springterrein,
in hoeverre wordt onderzocht of hiervoor een terrein gevonden kan worden net over
de grens in Duitsland, om zo in de toekomst toch te kunnen oefenen met zwaardere explosieven?
Defensie zal de uitgangspunten van deze behoefte heroverwegen en bezien in hoeverre
het mogelijk is om de behoefte op een andere manier in te vullen, bijvoorbeeld gedeeltelijk
verdeeld over Nederland en/of bestaande oefenmogelijkheden in het buitenland. Dit
vergt eventueel vervolgonderzoek en op termijn opnieuw een politieke-bestuurlijke
afweging. Welke eventuele zoeklocaties mogelijk in beeld zijn, is nu nog niet aan
te geven.
46
In welke mate worden lokale overheden hierbij betrokken? Kan hier inzicht worden gegeven
op zowel gemeentelijk als provinciaal niveau?
Net als in het traject naar totstandkoming van het definitieve NPRD zullen betrokken
provincies en gemeenten actief worden betrokken bij de komende fase van het NPRD,
de uitvoering. Dit zal zowel gebeuren in specifieke gebiedsprocessen die worden georganiseerd
als periodiek met provinciebrede bestuurlijke overleggen. Defensie werkt dit proces
uit. Hierbij wordt, zoals gezegd, in de beoogde aanpak een onderscheid gemaakt naar
omvang en impact op de omgeving van de uitbreiding. Afhankelijk van die omvang en
impact wordt een gezamenlijk gebiedsontwikkelingsproces ingericht.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie -
Mede ondertekenaar
N.E. Manten, adjunct-griffier