Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Lahlah over Nibud-onderzoek over het forse verlies in inkomsten van huishoudens als kind 18 wordt
Vragen van het lid Lahlah (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over Nibud-onderzoek over het forse verlies in inkomsten van huishoudens als kind 18 wordt (ingezonden 21 januari 2026).
Antwoord van Minister Paul (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(ontvangen 12 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Nibud: alleenstaande ouder verliest veel inkomen als
kind 18 wordt» en met het betreffende rapport «De financiële knip op 18 jaar»?1,
2
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met het NOS-artikel naar aanleiding van het Nibud-rapport «De financiële
knip op 18 jaar».
Vraag 2
Wat is uw reactie op het rapport?
Antwoord 2
Het Nibud-rapport laat zien dat veel huishoudens met kinderen minder te besteden krijgen
zodra een kind 18 jaar wordt. Dit komt vooral doordat ouders dan geen recht meer hebben
op kinderbijslag en kindgebonden budget, waardoor het huishoudinkomen daalt. Tegelijkertijd
komen er extra kosten bij, zoals de premie voor een zorgverzekering. Naast kinderbijslag
en kindgebonden budget kan ook ondersteuning via gemeentelijke regelingen vervallen
zodra een kind 18 jaar wordt, hoewel dit niet is meegenomen in het Nibud-onderzoek.
Ik begrijp dat het voor sommige huishoudens lastig kan zijn om deze inkomensdaling
op te vangen, en ik begrijp ook dat mensen zich hier zorgen over maken. Het gaat soms
immers om grote bedragen. De inkomensterugval door verlies aan kinderbijslag en kindgebonden
budget kan – omgerekend naar maandbedragen – oplopen tot € 436 per kind voor tweeoudergezinnen.
Bij alleenstaande ouders kan dit oplopen tot € 715 per kind als het jongste kind 18
jaar wordt.
Het is onvermijdelijk dat de ondersteuning voor de kosten van kinderen op enig moment
ophoudt te bestaan. Op dit moment ligt die grens op 18 jaar. Dat is ook de leeftijd
waarop jongeren meer rechten krijgen (zoals het recht om te stemmen, zelfstandig auto
te rijden of te trouwen) en ook meer verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld dat jongeren
een zorgverzekering moeten afsluiten of aansprakelijk zijn voor schulden die zij maken).
In dat kader is 18 jaar ook een logische leeftijd om te verwachten dat jongeren zelf
financieel meer gaan bijdragen.
Het vervallen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget betekent niet dat er
helemaal geen ondersteuning meer is. Zodra een kind 18 jaar wordt, zijn er een aantal
andere regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen. Zo komen de
meeste jongeren in aanmerking voor zorgtoeslag. Jongeren die studeren komen in aanmerking
voor studiefinanciering. Jongeren die nog voortgezet onderwijs volgen komen in aanmerking
voor de tegemoetkoming scholieren (WTOS). En jongeren die niet werken of studeren
kunnen een beroep doen op algemene bijstand.
Ouders en kinderen kunnen ook zelf een bijdrage leveren door in te spelen op het feit
dat een kind 18 jaar wordt en dat de regelingen dan stoppen. Ouders zouden bijvoorbeeld
meer uren kunnen gaan werken. En meerderjarige kinderen kunnen wellicht ook bijdragen
in de kosten als zij studiefinanciering ontvangen, een bijbaan hebben, en eventueel
meer uren gaan werken. Studenten die vanwege een medische beperking niet kunnen bijverdienen
naast hun studie, kunnen mogelijk via hun gemeente studietoeslag krijgen. En als het
echt niet lukt om rond te kunnen komen, dan kunnen mensen voor onvoorziene bijzondere
omstandigheden ook een beroep doen op individuele bijzondere bijstand.
Het is vooral belangrijk dat ouders met hun kinderen (en eventueel de gemeente) in
gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en over de mogelijkheden
om hiermee om te gaan.
Vraag 3
In hoeverre waren deze signalen bij u bekend?
Antwoord 3
Ik ben ermee bekend dat het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget vervalt
zodra een kind 18 jaar wordt.
Vraag 4
Wat is uw reactie op de uitspraak van Nibud-directeur Mattias Gijsbertsen dat de harde
financiële overgang van een 17-jarig naar een 18-jarig kind de kansenongelijkheid
versterkt?
Antwoord 4
Het effect van 18 jaar worden op kansenongelijkheid hangt af van de individuele situatie.
Niet alleen regelingen voor meerderjarige kinderen zijn van belang, maar ook de mogelijkheden
die ouders en kinderen zelf hebben om een inkomensdaling op te vangen spelen een belangrijke
rol. Als ouders meer uren kunnen gaan werken, of als meerderjarige kinderen een bijbaan
hebben, hoeft dat niet automatisch te leiden tot grotere kansenongelijkheid. Op langere
termijn kan het hebben van een bijbaan helpen om waardevolle vaardigheden te ontwikkelen,
een netwerk op te bouwen en werkervaring op te doen, wat kansenongelijkheid zelfs
kan verminderen.
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat de noodzakelijke verhoging van het kindgebonden budget in
2023, nadat de Commissie sociaal minimum concludeerde dat gezinnen soms honderden
euro’s per maand tekort kwamen, niet tot gevolg zou mogen hebben dat ouders bij de
18e verjaardag van hun kind opnieuw of dieper in armoede terecht komen?
Antwoord 5
Het klopt inderdaad dat de verhogingen van het kindgebonden budget in de afgelopen
jaren tot gevolg hebben gehad dat ouders nu meer kindgebonden budget verliezen wanneer
een kind 18 jaar wordt. Hoewel dit een nadeel is, was dat voor de regering destijds
geen reden om af te zien van de verhogingen van het kindgebonden budget, omdat de
wens om huishoudens met kinderen gericht te ondersteunen zwaarder woog. Het is daarom
van belang dat ouders bij dreigende geldzorgen naar de gemeente gaan om te bezien
wat passende ondersteuning voor hen zou kunnen zijn.
Vraag 6
Deelt u de zorgen over het feit dat alleenstaande ouders in de bijstand de hoogste
inkomensdaling hebben? Zij verliezen bijna 720 euro per maand als hun jongste kind
17 wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe deze grote daling voor deze specifieke
groep kan worden opgevangen of verzacht?
Antwoord 6
Ik herken dat de inkomensdaling voor eenoudergezinnen groter kan zijn dan voor tweeoudergezinnen.
Dit is het geval in situaties waarin het jongste kind 18 jaar wordt. In principe zijn
de bedragen per kind binnen de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor eenouder-
en tweeoudergezinnen gelijk. Voor 17-jarigen is dat – omgerekend naar maandbedragen
– € 141 per kind aan kinderbijslag en maximaal € 295 per kind aan kindgebonden budget.
Alleenstaande ouders ontvangen binnen het kindgebonden budget echter een verhoging
van het bedrag in de vorm van de zogenaamde alleenstaande ouderkop (ALO-kop). De hoogte
van dit bedrag (€ 279 per maand) is onafhankelijk van het aantal kinderen. Als een
kind 18 jaar wordt en er zijn geen andere kinderen jonger dan 18 jaar, dan verliezen
eenoudergezinnen dus in totaal € 715 per maand aan kinderbijslag en kindgebonden budget,
terwijl dit voor tweeoudergezinnen € 436 per maand is.
Ik begrijp dat een inkomensdaling moeilijker op te vangen is als deze groter is, en
dat het voor alleenstaande ouders dus moeilijker kan zijn. Tegelijkertijd is de inkomensverandering
niet het enige dat relevant is. Uiteindelijk is het ook belangrijk hoeveel mensen
onderaan de streep te besteden hebben. Een grotere inkomensdaling betekent daarom
niet automatisch dat eenoudergezinnen altijd moeilijker rond kunnen komen dan tweeoudergezinnen.
Het Nibud-onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat de financiële situatie van een alleenstaande
ouder in de bijstand met twee kinderen van 15 en 18 jaar doorgaans beter is dan de
financiële situatie van een stel in de bijstand met twee kinderen van dezelfde leeftijd
– ook nadat een kind 18 is geworden. In de begrotingen die het Nibud opstelde voor
dit onderzoek is bovendien geen rekening gehouden met een aantal regelingen die in
de praktijk wel een rol kunnen spelen, zoals kinderalimentatie. Een deel van de kinderen
van gescheiden ouders heeft hier recht op totdat zij 21 jaar worden.
Op basis van het Nibud-onderzoek kan dus niet meteen worden gesteld dat de financiële
gevolgen van 18 jaar worden vaker tot problemen leiden in eenoudergezinnen dan in
tweeoudergezinnen. Daarom zie ik op dit moment geen reden om specifiek voor alleenstaande
ouders te onderzoeken hoe de inkomensdaling bij 18 jaar kan worden opgevangen of verzacht.
Het antwoord op vraag 10 gaat wel uitgebreider in op de mogelijkheden om de gevolgen
van een inkomensdaling in algemene zin te matigen.
Vraag 7
Hoe beziet u de tegenstelling van het wegvallen van inkomsten als kinderbijslag en
het kindgebonden budget bij de 18e verjaardag en de wettelijke verantwoordelijkheid die ouders hebben tot de 21e verjaardag voor de kosten van levensonderhoud en studie?
Antwoord 7
Ouders zijn inderdaad financieel verantwoordelijk voor hun kinderen totdat zij 21
jaar worden. Maar dat betekent niet dat meerderjarige kinderen van 18–20 jaar geen
enkele bijdrage kunnen leveren. Het is belangrijk dat ouders tijdig met hun kinderen
in gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en de mogelijkheden
om hiermee om te gaan.
Vraag 8
Deelt u de mening dat het type vervolgopleiding geen invloed zou mogen hebben op de
financiële situaties van kinderen en hun ouders?
Antwoord 8
Nee. Doordat er verschillen zijn in kosten van een studie, zullen er ook verschillen
in inkomsten en uitgaven zijn tussen huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten. Die
verschillen zijn er enerzijds tussen de onderwijstypes onderling, maar ook tussen
opleidingen binnen hetzelfde onderwijstype kan dit het geval zijn. Zo verschillen
de uitgaven van studenten in het mbo en hbo/wo op het gebied van schoolkosten (deze
zijn over het algemeen hoger in het mbo3) en de hoogte van het les- en collegegeld. Het collegegeld in het hbo en wo ligt
met € 2.601 hoger dan het lesgeld van € 1.458 in het mbo. Verder betalen minderjarige
mbo-studenten geen lesgeld, terwijl minderjarige hbo- en wo-studenten wel collegegeld
betalen.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de verschillen tussen in inkomensdaling van ouders van mbo-studenten
enerzijds, die voor hun 18e nog geen studiefinanciering krijgen, en hbo- en wo-studenten anderzijds, die voor
hun 18e wel studiefinanciering ontvangen? Is dit wat u betreft eerlijk?
Antwoord 9
De situaties van huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten zijn niet goed met elkaar
te vergelijken, zoals ook in het antwoord op vraag 8 is uitgelegd. Het saldo van inkomsten
en uitgaven daalt ten eerste harder in huishoudens met studerende hbo-/wo-studenten
zodra het kind 18 jaar wordt, doordat het inkomen van een gezin met een minderjarige
hbo/wo-student al hoger is dan dat van een gezin met een minderjarige mbo-student.
De reden hiervoor is dat minderjarige hbo/wo-studenten al studiefinanciering ontvangen
en mbo-studenten nog niet.4 Tegelijkertijd betaalt een minderjarige hbo/wo-student al wel collegegeld en een
minderjarige mbo-student nog geen lesgeld. Verder ontvangt een mbo-student die 18
jaar wordt studiefinanciering en betaalt lesgeld (vanaf het studiejaar nadat die 18
jaar is geworden). De hbo/wo-student die 18 jaar wordt, krijgt dus al studiefinanciering
en betaalt al collegegeld. Voor beide huishoudens geldt dat de kinderbijslag en kindgebonden
budget vervallen zodra het kind 18 jaar wordt.
Hoewel het inkomen van een gezin met een hbo/wo-student harder daalt zodra het kind
18 jaar wordt, is het saldo van inkomsten en uitgaven nadat het kind 18 jaar is geworden
wel vergelijkbaar met dat van een huishouden met een mbo-student.
Vraag 10
Hoe kan worden voorkomen dat de overgang van kind naar volwassene de verschillen tussen
jongeren verder versterkt doordat sommigen noodzakelijk moeten bijdragen aan het huishoudbudget,
maar daardoor weinig tot geen financiële ruimte hebben om te sparen voor hun eigen
toekomst?
Antwoord 10
Zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 2 en 4 bestaan er al verschillende regelingen
die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen, en daarmee de mogelijke effecten
op kansenongelijkheid te matigen.
Vraag 11
Hoe kijkt u naar de constatering van het Nibud dat de sterke inkomstendaling de vraag
oproept of de harde overgang bij het 18 worden gedempt zou moeten worden, zodat het
verdwijnen van het kindgebonden budget een jongere niet alsnog op achterstand kan
zetten? Bent u bereid dit verder te onderzoeken?
Antwoord 11
Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit nu verder te onderzoeken. Zoals toegelicht
in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al regelingen die kunnen helpen om
de inkomensdaling op te vangen.
Vraag 12
Gaat u stappen ondernemen naar aanleiding van het rapport? Zo nee, waarom niet? Zo
ja, welke en op welke termijn?
Antwoord 12
Ik zie op dit moment geen aanleiding om extra stappen te nemen naar aanleiding van
het rapport. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al
regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen.
Vraag 13
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Antwoord 13
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede namens
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.