Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg inzake Voorhang wijziging statuten stichting Inlichtingenbureau (Kamerstuk 26448-860)
26 448 Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI)
32 761
Verwerking en bescherming persoonsgegevens
Nr. 866
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 12 februari 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de
brief van 3 december 2025 Voorhang wijziging statuten stichting Inlichtingenbureau
(Kamerstukken 26 448 en 32 761, nr. 860).
De vragen en opmerkingen zijn op 12 januari 2026 aan de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 12 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Burg
Adjunct-griffier van de commissie, Morrin
Inhoudsopgave
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inleiding
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
en reactie van de bewindspersoon
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
en reactie van de bewindspersoon
7
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inleiding
Ik dank de leden van de fracties voor hun inbreng en inspanningen. Ik maak graag van
de gelegenheid gebruik om voorafgaand aan de beantwoording van de vragen een onjuistheid
in de voorhangbrief te corrigeren. In de Voorhang wijziging statuten stichting Inlichtingenbureau1 is abusievelijk vermeld dat de Algemene Rekenkamer de statutenwijziging van de Stichting
Inlichtingenbureau heeft goedgekeurd. Op grond van artikel 4.7 van de Comptabiliteitswet
2016 voert de Minister vooraf overleg met de Algemene Rekenkamer. Hierbij is geen
sprake van goedkeuring. In dit kader heeft de Algemene Rekenkamer conform de geldende
procedure advies gegeven over de voorgenomen statutenwijziging.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de voorhang wijziging
statuten stichting Inlichtingenbureau. Deze leden hebben geen vragen.
Ik dank de leden van de D66-fractie voor hun kennisname van de voorhangbrief over
de wijziging van de statuten van de stichting Inlichtingenbureau die onder meer de
naamswijziging in Bureau InformatieDiensten Nederland (hierna: BIDN) regelt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken met betrekking
tot de wijziging van de statuten van het Inlichtingenbureau. Deze leden hebben hier
meerdere vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie merken op dat de oorspronkelijke bedoeling
was dat het Inlichtingenbureau (IB) onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en
nu de Wet open overheid (Woo) zou vallen. Deze leden merken op dat de Kamer hier per
motie om had gevraagd. Dit is technisch gezien wettelijk nog niet het geval met de
voorgenomen statutenwijzigingen, al merken deze leden op dat in de stukken staat dat
deze organisatie in praktische zin tegemoet komt aan alle Woo-verzoeken. Waarom is
er niet voor gekozen om het IB zo in te richten dat deze ook wettelijk onder de Woo
valt?
Het BIDN valt niet rechtstreeks onder de Wet open overheid (Woo), omdat het geen bestuursorgaan
is. De stichtingsvorm wordt in stand gehouden omdat dit aansluit bij de aanbevelingen
uit het AEF-rapport Grip op gegevensuitwisseling (2022)2, waarin verschillende organisatievormen zijn afgewogen, inclusief een publiekrechtelijke
variant. Het rapport concludeert dat behoud van de stichtingsvorm op dit moment het
best past bij het interbestuurlijke karakter van het BIDN.
Op dit moment bestaat er geen passend model dat een wettelijke Woo-plicht combineert
met een interbestuurlijke positie zoals die van het BIDN. Dit vraagstuk speelt breder
dan alleen bij het BIDN. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) onderzoekt daarom of het mogelijk is om in de wetgeving vast te leggen dat organisaties
zoals het BIDN ook aan regels op het gebied van archivering, informatiebeveiliging,
financieel beheer en de Woo moeten voldoen. Het streven is dat de Minister van BZK
de Kamer hierover in de tweede helft van 2026 informeert.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in dit kader dat de Algemene Rekenkamer
(ARK) opmerkt dat er een bredere zoektocht is naar een hybride vorm van publiek-private
inrichting. Deze leden vragen hoe de verkenning hiernaar vorm krijgt en wanneer de
Kamer hierover wordt geïnformeerd.
Het Ministerie van BZK is op dit moment bezig met het in kaart brengen hoe bij hybride
samenwerking tussen bestuurslagen recht kan worden gedaan aan het publieke karakter
van de werkzaamheden. Hierbij wordt gekeken naar de waarborgen voor transparantie,
politieke verantwoordelijkheid op alle niveaus en de daarbij horende democratische
controle en rechtsbescherming. Dit gaat breder dan het BIDN. Het streven is dat de
Minister van BZK de Kamer hierover in de tweede helft van 2026 informeert.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook een vraag over de overige aanbevelingen
van de ARK. Zo beveelt de ARK aan om een toezichtregime op te stellen. Deze leden
vragen of het kabinet deze aanbeveling overneemt en zo ja welk tijdspad hiervoor gevolgd
wordt.
Het Kabinet neemt de aanbeveling voor het opstellen van een toezichtarrangement over.
De Kamer zal hierover nog dit jaar worden geïnformeerd.
Daarnaast lezen deze leden in de brief van de ARK dat de Minister niet expliciet ingaat
op welke visie zij heeft op haar verhouding tot de stichting. Zij vragen de Minister
hierop in te gaan en expliciet alle vragen van de ARK te beantwoorden (zie pagina
4 van de brief).
Het BIDN opereert als een interbestuurlijk uitvoeringsorgaan binnen wettelijk vastgestelde
kaders met een sturings- en toezichtrelatie met het Ministerie van SZW en de VNG.
Het AEF-rapport constateert dat er op dit moment geen passend model is dat een publieke
organisatievorm combineert met de interbestuurlijke positie van het BIDN. Het ontbreken
van een passende interbestuurlijke vorm is een vraagstuk dat breder speelt dan alleen
voor het BIDN. Het Ministerie van BZK is daarom op dit moment bezig met het in kaart
brengen hoe bij hybride samenwerking tussen bestuurslagen, zoals bij het BIDN, recht
kan worden gedaan aan het publieke karakter van de werkzaamheden. Afhankelijk van
de uitkomsten van dit onderzoek kan worden bekeken hoe verdere verbeteringen en aanpassingen
kunnen plaatsvinden. Mogelijk levert later dit jaar ook de evaluatie van de Wet SUWI
extra input voor deze afwegingen en vervolgstappen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben na zorgvuldige bestudering en overweging van de
voorliggende stukken, kennisgenomen van de daarin vervatte inhoud en wensen naar aanleiding
daarvan nog enkele nadere vragen aan de orde te stellen.
De leden van de JA21-fractie merken op dat het IB grote hoeveelheden persoonsgegevens
voor uiteenlopende overheden verwerkt en daarmee feitelijk deel uitmaakt van een gevoelig
gegevens- en algoritmisch ecosysteem. Kan de Minister helder uiteenzetten wie in de
politieke lijn Minister, gemeenten, Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), of
de stichting zelf waarop aanspreekbaar is bij datalekken, onrechtmatige gegevensverwerking
of ongewenste uitkomsten, en hoe die verantwoordelijkheid juridisch is geborgd?
Het is de missie van het BIDN om gegevens op een zorgvuldige manier te verwerken.
Dit betekent in de praktijk dat het BIDN, wanneer het verwerkingsverantwoordelijke
is, verantwoordelijk is voor de naleving van de AVG en daarmee aanspreekbaar is op
datalekken of onrechtmatige gegevensverwerking. In de meeste gevallen is het BIDN
geen verwerkingsverantwoordelijke, maar verwerker van gegevens. Als het BIDN optreedt
als verwerker en er sprake is van een datalek of een mogelijke onrechtmatige verwerking,
informeert het de verwerkingsverantwoordelijke. Dat zijn over het algemeen de gemeenten
zelf als afnemers van de gegevens en dienstverleners aan de burger.
De leden van de JA21-fractie merken op dat het takenpakket van het IB de afgelopen
jaren is verbreed naar meerdere domeinen, terwijl de doelomschrijving breed en open
is geformuleerd. Deze leden vragen wat de politieke eindvisie van de Minister is:
blijft het BIDN Bureau Informatiediensten Nederland een beperkte, technisch ondersteunende
stichting of is de feitelijke koers dat dit de centrale nationale data-hub wordt voor
gemeenten en verschillende ministeries?
In de (nieuwe) statuten is de taak- en doelomschrijving van het BIDN beschreven. Hierin
staat dat het BIDN gemeenten ondersteunt bij de uitvoering van hun wettelijke taken.
In de afgelopen jaren is het aantal opdrachten van het BIDN uitgebreid. Om de Kamer
goed inzicht te geven in de werkzaamheden van het BIDN wordt de Kamer bij nieuwe opdrachten
altijd vooraf betrokken via het wetgevingsproces, de Stand van de Uitvoering en/of
via specifieke Kamerbrieven. Een voorbeeld hiervan is de Kamerbrief waarin de beoogde
positionering van het Schuldenknooppunt bij het BIDN wordt toegelicht3. Nieuwe opdrachten worden vooraf wettelijk verankerd. Hierbij heeft uw Kamer een
rol als medewetgever.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de gekozen vorm een privaatrechtelijke
stichting is en blijft, terwijl daar niet automatisch de publieke waarborgen gelden
die we normaal bij overheidsorganisaties vanzelfsprekend vinden. Waarom is, ondanks
deze bekende tekortkomingen, niet gekozen voor een publieke rechtsvorm waarbij de
Kamer directe en volle controle kan uitoefenen?
De stichtingsvorm wordt in stand gehouden, omdat dit aansluit bij de aanbevelingen
uit het AEF-rapport Grip op gegevensuitwisseling (2022)4. Het rapport concludeert dat behoud van de stichtingsvorm op dit moment het best
past bij het interbestuurlijke karakter van het BIDN. De keuze om het BIDN om te vormen
tot een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) of agentschap zou betekenen dat het BIDN
zijn karakter als interbestuurlijke dienstverlener verliest. Ook zou een publieke
vorm het opdrachtgeverschap door andere departementen en medeoverheden complexer maken.
In lijn met de aanbevelingen uit het AEF-rapport zijn, binnen de huidige constructie,
maatregelen genomen om de democratische controle te versterken. Zo krijgt de Minister
door de statutenwijziging meer bevoegdheden om invloed uit te oefenen op de stichting.
Ook onderzoekt het Ministerie van BZK of wettelijk kan worden vastgelegd dat organisaties
zoals het BIDN moeten voldoen aan dezelfde verplichtingen voor archivering en financieel
beheer als andere publieke organisaties. Daarnaast wordt de zichtbaarheid van het
BIDN richting de Kamer vergroot door jaarplannen en jaarverslagen te delen en de Kamer
te informeren wanneer het BIDN nieuwe wettelijke taken krijgt.
Met de voorgenomen statutenwijziging worden, zonder de rechtsvorm te wijzigen, stappen
gezet om de democratische controle te versterken. Voor de langere termijn adviseert
AEF om te werken aan een duurzaam en toekomstbestendig stelsel voor gegevens in de
sociale zekerheid. Afhankelijk van de uitkomsten hiervan kan in de toekomst verdere
doorontwikkeling plaatsvinden.
Deze leden merken op dat door de privaatrechtelijke vorm het IB niet automatisch onder
de Woo, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en andere regels voor financieel beheer,
archivering en informatiebeveiliging valt. Is de Minister bereid deze kaders integraal
van toepassing te verklaren op het BIDN en daarbij een concrete termijn te noemen,
zodat burgers niet langer zijn aangewezen op indirecte routes via andere bestuursorganen?
Het BIDN valt niet rechtstreeks onder de Wet open overheid (Woo), omdat het geen bestuursorgaan
is. Dit geldt ook voor andere wet- en regelgeving. Het BIDN werkt met gegevens van
bestuursorganen, zoals het Ministerie van SZW, andere departementen en gemeenten.
Informatie over het BIDN kan daarom wél worden opgevraagd via een Woo-verzoek bij
deze bestuursorganen. Het BIDN werkt in de praktijk mee aan dergelijke verzoeken.
Het Ministerie van BZK onderzoekt of het mogelijk is om in de wetgeving vast te leggen
dat organisaties zoals het BIDN ook aan regels op het gebied van archivering, informatiebeveiliging,
financieel beheer en de Woo kunnen voldoen. Het streven is dat de Minister van BZK
de Kamer hierover in de tweede helft van 2026 informeert.
De leden van de JA21-fractie constateren dat het huidige bestuur wordt vervangen door
een Raad van Toezicht met een directeur-bestuurder, terwijl de Minister extra instemmings-
en consultatierechten krijgt en de VNG een stevige positie inneemt. Kan de Minister
concreet maken hoe deze nieuwe governance in de praktijk leidt tot kortere lijnen
en efficiëntere besluitvorming, in plaats van extra overlegtafels, goedkeuringsrondes
en bureaucratische rompslomp?
De statutenwijziging heeft als doel de directe lijn tussen het BIDN en de Minister
te versterken door de Minister extra bevoegdheden te geven. Dit heeft geen gevolgen
voor het aantal overlegtafels. Op dit moment beschikt het BIDN over een goed functionerende
planning- en controlcyclus met SZW, gecombineerd met vier keer per jaar overleg tussen
de pSG van SZW, VNG en het BIDN. Deze bestaande afspraken zorgen voor korte lijnen
en een efficiënte besluitvorming.
De leden van de JA21-fractie merken op dat het IB ooit is opgezet om gemeenten te
ontzorgen in gegevensverwerking, maar de praktijk is volgens deze leden dat er nu
een complexe interbestuurlijke IT-stichting is ontstaan. Welke concrete indicatoren
gebruikt de Minister om te meten of de statutenwijziging leidt tot minder dubbel werk
en minder rapportage- en verantwoordingseisen voor gemeenten, en welke consequenties
verbindt de Minister daaraan als dat effect uitblijft?
De nieuwe statuten bevatten geen bepalingen over de verantwoordingseisen voor gemeenten
en hebben daarom geen invloed op de rapportage- of verantwoordingsverplichtingen van
gemeenten.
De leden van de JA21-fractie constateren dat in de juridische analyse een kader wordt
geschetst om te bepalen of activiteiten niet-economisch zijn en dus buiten aanbestedingsplicht
vallen. Deze leden vragen welke concrete, toetsbare criteria de Minister hanteert
bij de vraag óf het BIDN een nieuwe taak krijgt, en op welke wijze wordt de Kamer
vooraf betrokken bij die afweging, in plaats van achteraf via jaarverslagen kennis
te nemen van een feitelijk gegroeid takenpakket?
Het Ministerie van SZW maakt bij de beoordeling of het BIDN een nieuwe taak krijgt
gebruik van meerdere instrumenten. Daarbij wordt per geval beoordeeld of de beoogde
gegevensuitwisseling noodzakelijk en geschikt is voor het beleidsdoel en of het BIDN
geschikt is om de taak uit te voeren. Gebruikte instrumenten:
• Via het Kader ICT-sourcing SZW wordt beoordeeld of de uitvoerende partij effectief
en betrouwbaar kan opereren en of de taak past binnen overheidstaken.
• Bij nieuwe opdrachten wordt standaard een uitvoeringstoets uitgevoerd door de opdrachtgever
en het BIDN. In deze toets wordt beoordeeld of de taak helder is geformuleerd en of
het BIDN organisatorisch en inhoudelijk voldoende is toegerust. Daarbij wordt onder
meer gekeken naar de wettelijke grondslag, privacyborging, bestuurbaarheid, financiële
consequenties en de impact op de organisatie, inclusief de continuïteit en toekomstbestendigheid
van het BIDN.
• Bij nieuwe opdrachten wordt standaard een data protection impact assessment (DPIA)
uitgevoerd door het BIDN. In deze DPIA wordt inzicht verkregen in de gevolgen voor
de privacy van betrokkenen en worden eventuele risico’s besproken met de opdrachtgever.
De Kamer wordt bij nieuwe opdrachten altijd vooraf betrokken via het wetgevingsproces,
de Stand van de Uitvoering en/of via specifieke Kamerbrieven. Een voorbeeld hiervan
is de Kamerbrief waarin de beoogde positionering van het Schuldenknooppunt bij het
BIDN wordt toegelicht5.
De leden van de JA21-fractie merken op dat er behoefte is aan een helder toezichtarrangement
waarin staat hoe toezicht, risicobeheersing, informatievoorziening en interventiemogelijkheden
zijn georganiseerd. Is de Minister bereid een dergelijk arrangement, inclusief een
vaste evaluatiemoment (bijvoorbeeld na drie jaar) en een reële terugvaloptie naar
een andere, meer publieke vorm aan de Kamer voor te leggen?
Het Kabinet zal de aanbeveling voor het opstellen van een toezichtarrangement overnemen.
De Kamer zal hierover nog dit jaar worden geïnformeerd.
Het rapport van AEF constateert dat er op dit moment geen passend model is dat een
publieke organisatievorm combineert met de interbestuurlijke positie van het BIDN.
Het ontbreken van een passende interbestuurlijke vorm is een vraagstuk dat breder
speelt dan alleen voor het BIDN. Het Ministerie van BZK is op dit moment bezig met
het in kaart brengen hoe bij hybride samenwerking tussen bestuurslagen, zoals bij
het BIDN, recht kan worden gedaan aan het publieke karakter van de werkzaamheden.
Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan worden bekeken hoe verdere verbeteringen
en aanpassingen kunnen plaatsvinden. Mogelijk levert later dit jaar ook de evaluatie
van de Wet SUWI extra input voor deze afwegingen en vervolgstappen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van 50PLUS-fractie danken de Minister van Sociale Zaken & Werkgelegenheid
voor de brief en het toezenden van de relevante adviezen. Deze leden hebben daarbij
nog de volgende vragen.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de Minister bekend is met het rapport «Onzichtbare
Macht – het Inlichtingenbureau doorgelicht» van het Wetenschappelijk Bureau NSC (WB-NSC)6, waarin wordt geconcludeerd dat de huidige constructie van het IB als private stichting
kwetsbaar is en vragen oproept over democratische verantwoording.
Ja.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen waarom de Minister in de voorliggende statutenwijziging
opnieuw kiest voor de stichtingsvorm, terwijl het Ministerie van Financiën alsook
onderzoeksbureau AEF (expliciet) hebben geadviseerd de stichtingsvorm los te laten
indien er een wens is naar meer democratische controle. Hoe verhoudt de keuze van
de Minister om de organisatie niet om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan
(zbo) zich tot de aanbevelingen van onder anderen het Ministerie van Financiën, de
ARK, en het WB-NSC, dat stelt dat een zbo-status (vergelijkbaar met het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen (UWV) of de Sociale Verzekeringsbank (SVB)) de transparantie,
democratische controle en rechtsbescherming van burgers aanzienlijk zou vergroten?
De stichtingsvorm wordt in stand gehouden omdat dit aansluit bij de aanbevelingen
uit het AEF-rapport Grip op gegevensuitwisseling (2022)7. Het rapport concludeert dat behoud van de stichtingsvorm op dit moment het best
past bij het interbestuurlijke karakter van het BIDN. De keuze om het BIDN om te vormen
tot een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) of agentschap zou betekenen dat het BIDN
zijn karakter als interbestuurlijke dienstverlener verliest. Ook zou een publieke
vorm het opdrachtgeverschap door andere departementen en medeoverheden complexer maken.
Het AEF-rapport constateert dat er op dit moment geen passend model is dat een publieke
organisatievorm combineert met de interbestuurlijke positie van het BIDN. In lijn
met de aanbevelingen uit het AEF-rapport zijn daarom binnen de huidige constructie
maatregelen getroffen om de democratische controle te versterken. Zo krijgt de Minister
door de statutenwijziging meer bevoegdheden om invloed uit te oefenen op de stichting.
Ook onderzoekt het Ministerie van BZK of wettelijk kan worden vastgelegd dat organisaties
zoals het BIDN moeten voldoen aan dezelfde verplichtingen voor archivering en financieel
beheer als andere publieke organisaties. Daarnaast wordt de zichtbaarheid van het
BIDN richting de Kamer vergroot door jaarplannen en jaarverslagen te delen en de Kamer
te informeren wanneer het BIDN nieuwe wettelijke taken krijgt.
De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat de Minister stelt dat een zbo-status
niet mogelijk is omdat het IB geen besluiten met rechtsgevolg neemt. Deze leden vragen
of de Minister echter erkent, zoals beschreven in het WB-NSC-rapport alsook eerdere
onderzoeken van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en verschillende hoogleraren,
dat deze stelling in de praktijk weerbarstig is, aangezien gemeenten dermate afhankelijk
zijn van de data-analyses van het bureau dat er feitelijk nauwelijks sprake is van
zelfstandige besluitvorming zonder het bureau evenals het feit dat sommige gemeenten
zonder eigen onderzoek onmiddellijk overgaan tot maatregelen na een signaal van BIDN.
De beantwoording van de vraag of het BIDN besluiten neemt met rechtsgevolg in de zin
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een bestuursrechtelijk vraagstuk. Zelfstandig
bestuursorganen (zbo’s) zijn zelfstandige organisaties die bij wet zijn bekleed met
openbaar gezag. In de Awb en de rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat «bekleed zijn
met openbaar gezag» aan de orde is indien de organisatie de rechtspositie van de burger
eenzijdig kan bepalen op grond van een wettelijke bevoegdheid. Dit betekent dat een
organisatie zelf besluiten neemt die direct gevolgen hebben voor burgers. Denk bijvoorbeeld
aan het toekennen of beëindigen van een uitkering. Dat doet het BIDN niet. Het is
de gemeente die een besluit neemt met rechtsgevolg en niet het BIDN. Het BIDN ondersteunt
gemeenten bij de uitvoering van hun wettelijke taken.
Het BIDN ondersteunt gemeenten met de uitvoering van hun wettelijke taken door hen
te voorzien van informatieproducten. Het BIDN zorgt ervoor dat een daartoe geautoriseerde
gemeenteambtenaar eenvoudig inzicht krijgt in relevante gegevens van mensen die recht
hebben op bijvoorbeeld kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Als die gegevens
aanleiding geven tot verder onderzoek, dan wordt dat bepaald door de gemeenteambtenaar.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de Minister kan reflecteren op de kritiek
van de ARK, die stelt dat met deze statutenwijziging de mate van democratische controle
niet toeneemt en dat verplichtingen rondom archivering en financieel beheer niet geregeld
worden zoals bij andere overheidsorganisaties?
De democratische controle op een stichting is beperkter dan op organisaties onder
volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dit volgt uit de interbestuurlijke positie
van het BIDN.
Zoals de Algemene Rekenkamer aangeeft worden door de nieuwe statuten de bevoegdheden
van de Minister van SZW wél uitgebreid. Hierdoor krijgt de Minister meer mogelijkheden
om invloed uit te oefenen op de stichting.
Naast de statutenwijziging wordt actief gewerkt aan het versterken van de democratische
controle op het BIDN door de aanbevelingen van het AEF-rapport te volgen. Zo onderzoekt
het Ministerie van BZK of het mogelijk is om in de wet vast te leggen dat organisaties
zoals het BIDN moeten voldoen aan dezelfde verplichtingen voor archivering en financieel
beheer die gelden voor andere publieke organisaties.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de Minister de zorg deelt dat het IB (straks),
ondanks de cruciale publieke taak die het uitvoert voor 400.000 uitkeringsgerechtigden,
niet onder de Woo valt? Is de Minister bereid om in de statuten of wetgeving op te
nemen dat wel aan de Woo moet voldoen?
Het BIDN valt niet rechtstreeks onder de Wet open overheid (Woo), omdat het geen bestuursorgaan
is. Dit geldt ook voor andere wet- en regelgeving.
Het BIDN werkt met gegevens van bestuursorganen, zoals het Ministerie van SZW, andere
departementen en gemeenten. Informatie kan daarom worden opgevraagd via een Woo-verzoek
bij deze bestuursorganen en het BIDN werkt in de praktijk mee aan dergelijke verzoeken.
Het Ministerie van BZK onderzoekt momenteel of het mogelijk is om in de wetgeving
vast te leggen dat organisaties zoals het BIDN ook aan regels op het gebied van archivering,
informatiebeveiliging, financieel beheer en de Woo moeten voldoen.
Deze leden vragen daarnaast waarom het IB niet onder het toezicht van de Nationale
ombudsman valt, zoals bij uitvoeringsorganisaties als het UWV wel het geval is. Vindt
de Minister het wenselijk dat burgers bij klachten over de bejegening of werkwijze
van BIDN zijn aangewezen op een interne klachtenprocedure zonder mogelijkheid tot
onafhankelijk bezwaar of beroep en/of zij worden doorverwezen naar hun eigen gemeente
die voor beantwoording/afdoening volledig afhankelijk is van (de expertise van) BIDN?
Het BIDN valt niet onder toezicht van de Nationale ombudsman omdat de Nationale ombudsman
thans alleen bevoegd is om klachten te behandelen over gedragingen van bestuursorganen.
Het BIDN is geen bestuursorgaan.
Het Ministerie van BZK verkent momenteel of het nodig is om de bevoegdheden van de
Nationale ombudsman in wet- en regelgeving uit te breiden of te verduidelijken. In
een brief van juni 2025 heeft de Minister van BZK aangegeven daarbij onder meer te
kijken naar het domein bestaanszekerheid8. Binnen dat domein wordt gekeken naar private partijen die een overheidstaak uitoefenen,
zoals het BIDN. De komende maanden wordt in nauwe afstemming met de Nationale ombudsman
en een aantal ministeries vervolg gegeven aan deze verkenning. De Minister van BZK
heeft in de Kamerbrief van juni 2025 toegezegd uw Kamer begin 2026 te informeren over
de verdere voortgang en daarbij in ieder geval de eerste contouren van de oplossingsrichtingen
te schetsen.
De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat in het rapport «Grip op gegevensuitwisseling»
van AEF9 werd aanbevolen om te werken met een Raad van Toezicht en een directeur-bestuurder,
maar ook om democratische controle te borgen. Waarom wordt de governance-structuur
wel aangepast, maar wordt de aanbeveling om het takenpakket wettelijk te verankeren
vooralsnog niet opgevolgd? Wanneer is de Minister voornemens deze omissie in de wetgeving
en wettelijke kadering te herstellen?
De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat het IB opgericht is voor de rechtmatigheidscontrole
van uitkeringen, maar dat het takenpakket inmiddels is uitgebreid naar onder andere
vroegtijdige schoolverlaters, schuldhulpverlening en de beslagvrije voet. Deze leden
vragen of de Minister voor alle taken die BIDN nu uitvoert kan aangeven wat de specifieke
wettelijke grondslag is, en of de Minister de conclusie van het WB-NSC deelt dat er
sprake is van «function creep» zonder duidelijk wettelijk kader. Is de Minister bereid
om, conform de aanbevelingen uit de rapporten van AEF en het WB-NSC en de adviezen
van het Ministerie van Financiën en de ARK, het volledige takenpakket van wettelijk
te verankeren om zo democratische controle mogelijk te maken?
Voor alle gegevens die het BIDN verwerkt, geldt dat deze zijn gebaseerd op taken op
basis van wettelijke grondslagen in de betreffende domeinen, zoals de Participatiewet
(rechtmatigheidscontrole), de Wet educatie en beroepsonderwijs (vroegtijdige schoolverlaters),
de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Regeling beslagvrije voet. Op basis
van de huidige situatie kan daarom niet worden gesproken van een zogenoemde «function
creep». Via de gegevensregisters en de openbare diensten- en productencatalogus op
de website is een overzicht waarbij per verwerking aangegeven is wat de wettelijke
grondslag is. Waar nog geen wettelijke basis is, worden geen gegevens verwerkt.
Sinds een paar jaar wordt de Kamer bij nieuwe opdrachten altijd vooraf betrokken via
het wetgevingsproces, de Stand van de Uitvoering en/of via specifieke Kamerbrieven.
Een voorbeeld hiervan is de Kamerbrief waarin de beoogde positionering van het Schuldenknooppunt
bij het BIDN wordt toegelicht10. Voor opdrachten die buiten het SZW-domein vallen en waarvoor nog geen specifieke
wettelijke verankering is ingericht, wordt gewerkt als verwerker onder verantwoordelijkheid
van de betreffende publieke opdrachtgever. Zoals aangegeven gaat SZW in gesprek met
deze opdrachtgevers om te bezien of en hoe wettelijke verankering kan worden gerealiseerd.
Middels de Stand van de Uitvoering wordt u hiervan op de hoogte gehouden.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of het wenselijk is dat een private stichting
met een feitelijke monopoliepositie essentiële infrastructuur ontwikkelt voor het
sociaal domein (zoals knooppunten voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
en Jeugdzorg) zonder dat hier een aanbesteding of publiekrechtelijk besluit aan ten
grondslag ligt.
Het BIDN werkt uitsluitend voor publieke opdrachtgevers en staat onder toezicht van
SZW en VNG. Voor nieuwe opdrachten geldt dat vooraf wordt getoetst of deze passen
binnen het niet-economische kader en de aanbestedingsregels.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen in hoeverre de Minister de maandelijkse controle
van alle uitkeringsgerechtigden op autobezit, zoals beschreven in het rapport van
het WB-NSC naar aanleiding van controles van de AP, proportioneel en in overeenstemming
met de onschuldpresumptie acht. Deze leden vragen of de Minister bekend is met de
kritiek van de AP dat er bij deze massale controles vaak geen sprake is van een concrete
verdenking van fraude. Waarom wordt deze werkwijze, waarbij burgers preventief worden
doorgelicht, gefaciliteerd door een organisatie die op afstand staat van de overheid?
Het BIDN is geen organisatie op afstand van de overheid, maar een interbestuurlijk
uitvoeringsorgaan van het Ministerie van SZW en de VNG. De maandelijkse geautomatiseerde
controle op autobezit is bedoeld om gemeenten te ondersteunen bij het tijdig en correct
vaststellen van het recht op een uitkering. Op basis van de signalen van het BIDN
doen gemeenten onderzoek en krijgen mensen de kans hun situatie uit te leggen. Zo
wordt de wet- en regelgeving juist toegepast en kunnen gemeenten handhaven waar nodig.
De maandelijkse controle dient ook het belang van de uitkeringsgerechtigde, omdat
vroege signalering voorkomt dat achteraf formeel juiste maar ingrijpende terugvorderingen
ontstaan. Door wijzigingen snel te verwerken, blijft het uitkeringsbedrag beter aansluiten
bij de actuele situatie van de betrokkene. Minder frequente controles vergroten het
risico dat afwijkingen pas laat worden vastgesteld, wat kan leiden tot hoge terugvorderingen
en financiële problemen voor burgers.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen de Minister of zij kan garanderen dat alle algoritmen
die invloed hebben op de bestaanszekerheid van burgers per direct openbaar worden
gemaakt in het register. Binnen welke termijn zal dit gebeuren?
De algoritmen die het BIDN toepast, genereren signalen en inzichten die gemeenten
en waterschappen gebruiken in hun eigen werkprocessen. Het BIDN maakt alleen gebruik
van algoritmen die zijn gebaseerd op beslisregels. Dit betekent dat deze algoritmen
door mensen bedachte regels uitvoeren en dus niet zelflerend zijn.
Het BIDN voldoet aan alle regels rondom algoritmen. Alle 21 als impactvol aangemerkte
algoritmen zijn gepubliceerd in het Algoritmeregister van het Ministerie van BZK volgens
de richtlijnen van de Handreiking Algoritmeregister van BZK. Dit biedt inzicht in
doelen, gegevensgebruik, werking, risico’s en beheersmaatregelen.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen hoe de Minister willekeur en rechtsongelijkheid
voorkomt, gezien het feit dat gemeenten zeer verschillend omgaan met de signalen van
het IB; waarbij sommige gemeenten direct uitkeringen stopzetten en andere eerst in
gesprek gaan. Hoe wordt geborgd dat de maatschappelijke voorkeur van lokale ambtenaren
en medewerkers geen doorslaggevende rol speelt bij het wel of niet overgaan tot actie
naar aanleiding van signalen van het IB?
Voor het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan is het college van burgemeester
en Wethouders verantwoording schuldig aan de Gemeenteraad. Het is niet aan de Minister
van SZW om daarin te treden. Signalen van het BIDN leiden niet automatisch tot besluiten
over stopzetting van uitkeringen. De gemeente doet altijd eerst onderzoek naar het
desbetreffende signaal. Het BIDN draagt bij aan voorkoming van willekeur door duidelijke
kaders en richtlijnen voor gegevensgebruik vast te stellen, zodat signalen op dezelfde
manier worden geïnterpreteerd. Daarnaast werkt het BIDN aan transparantie en uniforme
werkwijzen, onder meer via afnemersoverleggen en door wettelijke verankering van taken.
In het licht van het toeslagenschandaal vragen de leden van de 50PLUS-fractie hoe
de Minister het risico beoordeelt dat door de geautomatiseerde massa controles kwetsbare
burgers onterecht als fraudeur worden aangemerkt, mede gezien het gebrek aan «tegenmacht»
binnen de huidige inrichting van het IB.
Het BIDN ondersteunt gemeenten met de uitvoering van hun wettelijke taken door hen
te voorzien van informatieproducten. Het BIDN zorgt ervoor dat een daartoe geautoriseerde
gemeenteambtenaar eenvoudig inzicht krijgt in relevante gegevens van mensen die recht
hebben op bijvoorbeeld kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Als die gegevens
aanleiding geven tot verder onderzoek, dan wordt dat bepaald door de gemeenteambtenaar.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de Minister de mening deelt dat de huidige
positionering van het inlichtingenbureau ten minste vraagt om een regelmatige cyclus
van extern onderzoek en externe evaluatie, teneinde de rechtmatigheid en eenduidigheid
van de werkzaamheden van het inlichtingenbureau geloofwaardig te houden.
Het BIDN is opgenomen in de vijfjaarlijkse SUWI-evaluatie. Op grond van de Wet SUWI
moet de Minister van SZW elke vijf jaar verplicht een evaluatie uitvoeren naar de
uitvoering van de socialezekerheidswetgeving, waarbij wordt gekeken in hoeverre het
SUWI-stelsel rechtmatig, doelmatig, doeltreffend en klantgericht functioneert. Dit
gaat ook over het functioneren van het BIDN. De SUWI-evaluatie is mede gebaseerd op
alle onderzoeken die de afgelopen jaren zijn verricht. Voor het BIDN is dat bijvoorbeeld
het recente onderzoek van SIRA Consulting hoe effectief de gegevensuitwisseling door
het BIDN en het BKWI binnen het SUWI-stelsel verloopt. Dit onderzoek is samen met
de stand van uitvoering naar uw Kamer verzonden. De SUWI-evaluatie zal later dit jaar
met een kabinetsreactie naar uw Kamer worden gestuurd.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of er landelijk zicht is op het aantal incidenten,
procedures en klachten van burgers, naar aanleiding van de werkzaamheden van het IB,
per gemeente. Zo ja, kan dat als geanonimiseerd overzicht per gemeente worden gegeven?
Een landelijk overzicht van het aantal incidenten, procedures en klachten van burgers
over het BIDN per gemeente is niet beschikbaar. Bij vragen van burgers, informatieverzoeken
of inzageverzoeken op grond van de AVG bij het BIDN zelf, werkt het BIDN altijd samen
met de betreffende gemeente om deze zorgvuldig te beantwoorden en af te handelen.
Het is voor burgers mogelijk om een klacht in te dienen bij het BIDN. Dit gaat via
een klachtenformulier op de website. In 2024 zijn er bij het BIDN geen klachten in
de zin van de klachtenprocedure ontvangen.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen tot slot of de Minister bereid is de statutenwijziging
aan te houden en eerst te onderzoeken hoe kan worden omgevormd tot een publiekrechtelijke
organisatie (zoals een zbo of agentschap), zodat fundamentele waarborgen zoals de
Woo, het klachtrecht bij de Ombudsman en directe ministeriële verantwoordelijkheid
gegarandeerd zijn.
Ik zie geen reden om de statutenwijziging nu aan te houden. Met de statutenwijziging
worden enkele concrete verbeteringen doorgevoerd in de huidige situatie. Het rapport
van AEF constateert dat er op dit moment geen passend model is dat een publieke organisatievorm
combineert met de interbestuurlijke positie van het BIDN. Het ontbreken van een passende
interbestuurlijke vorm is een vraagstuk dat breder speelt dan alleen voor het BIDN.
Het Ministerie van BZK is op dit moment bezig met het in kaart brengen hoe bij hybride
samenwerking tussen bestuurslagen, zoals bij het BIDN, recht kan worden gedaan aan
het publieke karakter van de werkzaamheden. Afhankelijk van de uitkomsten van dit
onderzoek kan worden bekeken hoe verdere verbeteringen en aanpassingen kunnen plaatsvinden.
Mogelijk levert later dit jaar ook de evaluatie van de Wet SUWI extra input voor deze
afwegingen en vervolgstappen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van der Burg, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
C.E. Morrin, adjunct-griffier