Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Stultiens, Jimmy Dijk, Teunissen en Tseggai over het Oxfam-rapport 'Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power'
Vragen van de leden Stultiens (GroenLinks-PvdA), Jimmy Dijk (SP), Teunissen (PvdD) en Tseggai (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» (ingezonden 22 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Heijnen (Financiën), mede namens de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 11 februari 2026)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels
is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de
wereldbevolking in armoede leeft?
Antwoord 2
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Vraag 3
Wat vindt u ervan dat de tien procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent)
van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent
van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen
circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts
0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Antwoord 3
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal
ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen
gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat
op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in
de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland
is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid
in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt
voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt
dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde
pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal
gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een
veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World
Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien
uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor
mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid
een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen
te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek.
Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen
van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte
wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de
vermogensverdeling valt te geven.
Vraag 4
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige
politieke
invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening
dat het
onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische
besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de
rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie
in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid
in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland
is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden
net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun
arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis)
en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting.
Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden
in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat
elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat
er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen
zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk.
Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming
te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag
geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast
meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder
meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Vraag 5
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige)
Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote
giften aan politieke partijen?
Antwoord 5
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander
toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke
partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500
en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling
en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor
politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven
ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van
politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum
vastgesteld op 100.000 euro.
Vraag 6
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende
individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Antwoord 6
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor
alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo
gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële
giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd
kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging
door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen
in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen
staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie
nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames
is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan
politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn
uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen
transparant te maken.
Vraag 7
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Antwoord 7
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant
is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt.
Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer
is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen,
maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen).
Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden
en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers
zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate
van besluitvorming in het algemeen belang.
Vraag 8
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed
van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te
gaan?
Antwoord 8
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed
beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Vraag 9
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod
op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke
besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het
uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds
onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet
op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door
uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn
die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat
politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard
wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen
kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke
partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële
speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang
om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding
van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken
in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig
wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid
van vereniging anderzijds.
Vraag 10
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten
en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang
hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 10
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers
praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo
kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen
en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister
is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan
die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister
naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking
kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het
volgende kabinet laat.
Vraag 11
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van
de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing
onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht
te bieden aan deze ontwikkelingen?
Antwoord 11
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op
het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd
zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd
wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe
afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking.
Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework
over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket»
erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die
doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen
jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen
naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket,
waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van
minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal
verband.4
Vraag 12
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van
grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels
ondermijnen?
Antwoord 12
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van
grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels
kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20
en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel
de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Vraag 13
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese
Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder
de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven
welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland
verder af te bouwen?
Antwoord 13
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten
binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder
aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van
de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord
van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale
ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief
de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen
van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een
minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in
stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal
verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen
via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de
Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal
misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur
om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen
is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Vraag 14
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Antwoord 14
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.