Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het rapport ‘Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum’
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het rapport «Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum» (ingezonden 17 december 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rummenie (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
(ontvangen 10 februari 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 801.
Vraag 1
Bent u bekend met het rapport «Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen
van het referentiegebied Rottum – Tussenrapportage 18 jaar na sluiting (situatie tot
en met 2023)»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar
effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op soortenrijkdom, dichtheid, diversiteit
of gelijkmatigheid van de bodemdiergemeenschap?
Antwoord 2
Ik deel de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar
effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op de genoemde natuurwaarden. Ik betreur
dat het lang heeft geduurd om te beseffen dat de oorspronkelijke opzet van het onderzoek
niet voldoende resultaat kan opleveren. Daarom laat ik een evaluatie uitvoeren. Ik
zal dat betrekken bij de opzet van de monitoring voor de opgaven die voortvloeien
uit Natuurherstelverordening.
Het lijkt erop dat de opzet van het onderzoek deels de oorzaak is dat er tot op heden
geen significante verschillen in natuurontwikkeling worden gevonden. Afgelopen jaar
is een eerste stap in het verbeteren van de onderzoeksopzet gezet door wijzingen aan
te brengen in de bemonsteringmethoden met behoud van de bestaande monitoringreeksen.
Hierdoor wordt naar verwachting naast een betere vergelijking tussen de geulen binnen
het onderzoeksgebied ook een betere vergelijking mogelijk met de natuurlijke ontwikkeling
in de westelijke Waddenzee.
Vraag 3
Deelt u de conclusie uit het rapport dat de natuurlijke variatie binnen geulen veel
groter is dan de verschillen tussen geulen onderling en dat verschillen tussen geulen
waarschijnlijk beter worden verklaard door abiotische factoren, zoals waterdiepte,
bodemtype en afstand tot het zeegat, dan door de gebiedssluiting?
Antwoord 3
Op basis van de opzet van het onderzoek kan deze conclusie getrokken worden.
Vraag 4
Deelt u de conclusie dat dit onderzoek erop wijst dat het effect van garnalenvisserij
op de bodemdiergemeenschap zeer beperkt moet zijn, aangezien zelfs na 18 jaar sluiting
geen significante verschillen zijn gevonden tussen open en gesloten gebieden?
Antwoord 4
Er kunnen vanuit dit onderzoek geen conclusies worden getrokken over het effect van
de garnalenvisserij. Dit was niet het doel van het onderzoek en de proefopzet is voor
de beantwoording van die vraag ook niet geschikt. Bovendien is het gesloten gebied
bij Rottum niet representatief voor de hele Waddenzee.
Vraag 5
Het rapport vermeldt dat met de huidige meetopzet alleen grote verschillen (een factor
2) statistisch aantoonbaar zijn en dat het aantonen van kleinere verschillen een onrealistisch
groot aantal monsters vereist. Acht u de huidige monitoringsopzet nog geschikt voor
beleidsdoeleinden?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 6
Bent u bereid de monitoringsstrategie te herzien, conform de aanbevelingen in het
rapport?
Antwoord 6
Op basis van de aanbevelingen van het rapport is de monitoringsstrategie in 2025 aangepast.
Vraag 7
Kunt u aangeven hoe de resultaten uit het Nederlandse referentiegebied zich verhouden
tot die uit referentiegebieden in Duitsland en Denemarken? Zijn daar wél ecologische
effecten vastgesteld na langdurige sluiting en zo ja, hoe verklaart u deze verschillen?
Antwoord 7
Er is Duits-Deens onderzoek gepubliceerd (CRANIMPACT) waar men de effecten van uitsluiting
garnalenvisserij heeft onderzocht in 5 referentiegebieden die sinds 1977 zijn gesloten.
Hier werden significante verschillen gevonden als gevolg van visserijintensiteit en
slibgehalte. Kleine bodemdieren namen toe en grotere predatoren namen juist af. De
verschillen worden zichtbaar vanaf een visserijdruk van 1.5x per jaar. Soortelijke
conclusies werden ook gevonden in een wetenschappelijk artikel «The relative effects
of bottom trawling, organic enrichment, and natural environmental factors on coastal
seabed communities» van december 2024.
De verschillen met het Nederlandse onderzoek kunnen verklaard worden doordat het doel
en de proefopzet in het Nederlandse referentiegebied niet geschikt zijn om het effect
van garnalenvisserij te onderzoeken. Om effecten van garnalenvisserij beter inzichtelijk
te kunnen maken zijn meer representatieve referentiegebieden van voldoende omvang
en met langdurige sluiting voor bodemberoerende visserij nodig.
Vraag 8
Bent u bekend met de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek?
Antwoord 8
Ja.
Vraag 9 en 10
Bent u bekend met het feit dat met deze methodiek de kwaliteit van bodemhabitats (H1110A)
in de Waddenzee wordt beoordeeld aan de hand van theoretisch bepaalde referentiewaarden?
Bent u bekend met het feit dat hierbij wordt uitgegaan van maximumdichtheden die in
sommige gevallen zijn verdubbeld of verhoogd met de standaarddeviatie?
Antwoord 9 en 10
Ja, deze werkwijze is uitvoerig beschreven in rapport «Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene
habitattypen voor Natura 2000», (Escaravage et al., 2024) Indicatoren en maatlatten
voor de beoordeling van structuur en functie van mariene habitattypen voor Natura
2000 – Wageningen University & Research.
Vraag 11
Leidt deze werkwijze er volgens u niet toe dat automatisch zeer lage BISI-scores ontstaan
en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is?
Antwoord 11
Deze werkwijze leidt er naar verwachting niet toe dat er automatisch zeer lage BISI-scores
ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is.
Vraag 12
Waarom wordt deze methode toegepast terwijl de BISI-score die hoort bij een goede
staat van instandhouding nog niet is vastgesteld?
Antwoord 12
Nederland is verplicht onder de Europese Habitatrichtlijn (Artikel 17) om elke 6 jaar
te rapporteren over de landelijke staat van instandhouding van habitattypen. Een habitattype
is een bepaald type ecosysteem op het land of in het water met kenmerkende eigenschappen.
De landelijke staat van instandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op basis
van 4 parameters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functie inclusief
typische soorten, toekomstperspectief). Voor het bepalen van de parameter structuur
en functie wordt daarbij, voor alle mariene habitattypen gebruik gemaakt van de BISI,
zoals beschreven in het eerder genoemde rapport van Wijnhoven (2025). Er is een maatlat
ontwikkeld waarmee aan de hand van de BISI een score kan worden gegenereerd voor structuur
en functie van mariene habitattypen (Escaravage et al., 2024)2. Deze score is gebruikt om samen met de scores van de 3 andere hierboven genoemde
parameters de landelijke staat van instandhouding te beoordelen. De BISI-score is
daarin dus niet doorslaggevend maar slechts één van de gebruikte parameters. Over
de meest recente beoordeling heb ik u recentelijk over geïnformeerd3.
Vraag 13
Waarom is voor de Waddenzee gekozen voor een theoretische referentie, terwijl in de
Waddenzee een referentiegebied is ingesteld waaruit feitelijke referentiewaarden kunnen
worden afgeleid?
Antwoord 13
Het ingestelde referentiegebied is niet representatief voor de variatie aan omstandigheden
die voorkomen in de Waddenzee.
Vraag 14
Bent u bereid om de BISI-score voor het referentiegebied vast te laten stellen en
deze te vergelijken met de score voor habitat H1110A in de doeluitwerking Waddenzee?
Antwoord 14
Nee, het referentiegebied in de Waddenzee is hiervoor niet representatief. Het onderzoek
in het referentiegebied is enkel opgezet om de ongestoorde ontwikkeling van de natuur
in de Waddenzee te kunnen volgen. Daarnaast is het gebied en het aantal monsternames
te klein voor een betrouwbare BISI-score. Daarom zie ik geen aanleiding om de BISI-score
vast te laten stellen voor het referentiegebied.
Vraag 15
Is het, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, ook uw verwachting dat de
BISI-scores binnen en buiten het referentiegebied vrijwel identiek zullen zijn?
Antwoord 15
De verwachting is dat er op basis van de BISI-scores berekend met de gegevens die
zijn verzameld met de huidige onderzoeksopzet nauwelijks verschillen te vinden zijn
tussen het gesloten gebied en omliggende gebieden. Daarom wordt de onderzoeksopzet
verbeterd.
Vraag 16
Betekent dit dat de staat van instandhouding van habitat H1110A binnen het referentiegebied
eveneens als slecht wordt beoordeeld en zo ja, hoe verklaart u dat?
Antwoord 16
De staat van instandhouding wordt alleen op landelijk niveau beoordeeld, niet voor
afzonderlijke gebieden.
Vraag 17
Bent u, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, bereid de BISI-methodiek nader
tegen het licht te houden en deze voorlopig niet langer te gebruiken als onderbouwing
voor gebiedssluitingen?
Antwoord 17
Nee. De BISI-methodiek is, in combinatie met het gebruik van andere parameters, zeer
nuttig gebleken om de kwaliteitsontwikkeling van de natuur te volgen, of maatregelen
effectief zijn en om habitats en/of gebieden te vergelijken. De BISI-methodiek is
daarbij wel afhankelijk van de kwaliteit van de gegevens die in de berekening worden
gebruikt. Gebiedssluiting wordt nooit alleen op basis van de kwaliteitstoestand (die
onder andere kan worden bepaald met een indicator zoals de BISI) ingesteld. Er worden
nog vele andere aspecten meegewogen, zoals relevante wetenschappelijke informatie,
de sociaaleconomische impact en de handhaafbaarheid van de beoogde beheermaatregel.
Ondertekenaars
J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.