Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 836 Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 30 januari 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden
van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA, SP en ChristenUnie bij de wijziging
van de Tijdelijke Wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van
diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie
aardgaswinning Groningen. Graag beantwoord ik de vragen die door de verschillende
fracties zijn gesteld. In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag
integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording daarvan in niet-cursieve
tekst.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie danken de regering voor het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven
het belang van een generatielange inzet om het vertrouwen van inwoners van Groningen
en Noord-Drenthe te herstellen. Zij benadrukken dat voor hen rechtsstatelijkheid,
menselijke maat, transparantie en gelijke behandeling centraal staan bij de beoordeling
van dit wetsvoorstel.
Vraag 1
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe dit wetsvoorstel bijdraagt aan
een overheid die betrouwbaar en voorspelbaar handelt en hoe wordt geborgd dat bewoners
daadwerkelijk minder administratieve lasten, kortere doorlooptijden en meer duidelijkheid
ervaren. Kan de regering uiteenzetten welke concrete verbeteringen voor bewoners merkbaar
zullen zijn binnen het eerste jaar na inwerkingtreding van de wet?
Dit wetsvoorstel draagt bij aan de navolgbaarheid van overheidshandelen doordat de
Minister via een vaste, jaarlijkse cyclus wordt verplicht 1) te rapporteren over de
voortgang van het beleid in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe (hierna: SvGND),
2) hierover in gesprek te gaan met onder andere bewoners(organisaties) en decentrale
overheden, en 3) hierover verantwoording af te leggen aan het parlement, middels een
kabinetsreactie. Hierdoor verbetert de informatiepositie van betrokken partijen, en
kan eerder en gerichter worden bijgestuurd. Hiermee geeft het kabinet opvolging aan
de constatering van de parlementaire enquêtecommissie dat de navolgbaarheid van het
beleid, en transparantie over gemaakte keuzes, gebrekkig was, waardoor het parlement,
decentrale overheden en bewoners op een (kennis)achterstand stonden. Met dit wetsvoorstel
geeft het kabinet tevens invulling aan aanbeveling 7 van de enquêtecommissie om opdracht
te geven tot een jaarlijkse Staat van Groningen.
Dit wetsvoorstel beoogt verschillende concrete verbeteringen te bewerkstellingen voor
bewoners.1 Met de invoering van de maatregel daadwerkelijk herstel2 krijgen bewoners duidelijkheid dat alle schades tot € 60.000 (die naar hun aard mijnbouwschade
kunnen zijn) zonder onderzoek naar de schadeoorzaak hersteld kunnen worden. Doordat
er geen onderzoek naar de schadeoorzaak meer plaatsvindt, komt een aanleiding voor
bezwaar- en beroepsprocedures, die door bewoners als belastend en tijdrovend werden
gezien, te vervallen. Door het wettelijk vastleggen van de koste-wat-kostbepaling
voor de schadeafhandeling en versterking, en het opnemen van zorgplichten voor verduurzaming
en brede welvaart, biedt het kabinet inwoners bovendien maximale duidelijkheid dat
de beloften voor herstel en het inlossen van de ereschuld worden nagekomen. Dit is
een randvoorwaarde voor herstel van het geschonden vertrouwen in de overheid.
Vraag 2
Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie hoe wordt voorkomen dat de verwachtingen
die met dit wetsvoorstel worden gewekt, onder meer rondom zorgplichten en schadeafhandeling,
niet opnieuw leiden tot teleurstelling, zoals de Afdeling advisering van de Raad van
State (hierna: de Afdeling advisering) waarschuwt in haar negatieve dictum bij dit
voorstel.
Het kabinet zal ten minste elke vijf jaar concrete tussentijdse doelen, streefwaarden
en randvoorwaarden voor de uitvoering van de zorgplichten vastleggen in het uitvoeringsprogramma
Rijk. Dit programma vormt ook de basis voor de monitoring in de SvGND. Door concrete,
meetbare doelen te stellen, randvoorwaarden te benoemen ten aanzien van brede welvaart
en verduurzaming, én jaarlijks te laten rapporteren over de voortgang, wil het kabinet
voorkomen dat onrealistische verwachtingen worden gewekt of onjuiste aannames ten
aanzien van de voortgang ontstaan. De SvGND heeft ook betrekking op de schadeafhandeling.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Tijdelijke
wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen
uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning
Groningen. Deze leden hebben hier voor nu geen vragen of opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennis genomen van de
Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering
van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire
enquêtecommissie aardgaswinning Groningen. Deze leden vinden de wetswijziging op punten
een stap in de goede richting, maar zien ook nog stevige verbeterpunten. Tevens constateren
zij dat het leed waarin veel gedupeerden nog zitten vraagt om een stevige wettelijke
verankering met concrete maatregelen en afrekenbare doelen om te komen tot een veilig,
schadevrij en duurzaam huis voor iedereen in Groningen en Noord-Drenthe. Het is goed
dat de beloftes uit Nij Begun een wettelijke verankering krijgen, zodat ook toekomstige
kabinetten zich hieraan houden en beloftes uit Nij Begun ook daadwerkelijk vervuld
worden. Echter wordt er naar de mening van deze leden niet aan alle beloftes voldaan.
Al sinds het opstellen van Nij Begun waarschuwen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
samen met de leden van de SP-fractie dat schade, versterking en verduurzaming niet
gescheiden moet worden. Zodoende is Nij Begun op het verkeerde fundament gebouwd.
Deze zijn voor een totaalaanpak en zien dat veel gedupeerden ontevreden zijn over
de afwikkeling van schade, versterking en verduurzaming. Deze leden missen dit in
het huidige wetsvoorstel.
Vraag 3
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom het sluiten van de kleine gasvelden
in Groningen niet wordt opgenomen in de wet. Wat zijn de juridische mogelijkheden
om dit wel te doen?
De Tijdelijke wet Groningen (hierna: TwG) gaat over de schadeafhandeling en de versterkingsoperatie
die noodzakelijk zijn door bodembewegingen als gevolg van het winnen van gas uit het
Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg en Grijpskerk. Met het voorliggende
wetsvoorstel wordt daar een hoofdstuk aan toegevoegd ten behoeve van het inlossen
van de ereschuld aan de Groningers. Hiervoor is de Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties de verantwoordelijke bewindspersoon. Dit staat los van
het onderwerp gaswinning. De eerdere beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld
is dan ook geregeld door middel van een separate wet3 onder verantwoordelijkheid van de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken
en Klimaat die verantwoordelijk was voor het onderwerp mijnbouw. En sowieso staat
de TwG, die betrekking op afhandeling van schade en versterking vanwege bodembeweging
door gaswinning uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag
bij Grijpskerk, los van de gaswinning uit, en gasopslag in, andere gasvelden in Nederland,
waaronder in de provincie Groningen. Daarop is de Mijnbouwwet van toepassing en dit
valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Klimaat en Groene Groei. Daarom
past het sluiten van kleine gasvelden niet in dit wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Tijdelijke
wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen
uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning
Groningen en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging
van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet. Deze leden onderschrijven het belang
van een generatielange, structurele aanpak van de gevolgen van de gaswinning voor
inwoners van Groningen en Noord-Drenthe. Tegen die achtergrond uiten zij zorgen over
de mate waarin dit wetsvoorstel bijdraagt aan de doelen die door de regering zelf
zijn geformuleerd: een mildere, makkelijkere en menselijkere schadeafhandeling en
een voortvarende versterkingsoperatie, zoals toegezegd in Nij Begun. In de voorliggende
teksten lijkt de nadruk echter te verschuiven naar meer varianten, meer juridische
voorwaarden en daarmee meer complexiteit voor gedupeerde.
Vraag 4
De leden van de SP-fractie benadrukken dat de parlementaire enquêtecommissie heeft
vastgesteld dat bewoners centraal moeten staan in het herstelproces. Deze leden vragen
de regering daarom met dit wetsvoorstel helder te maken hoe bewoners daadwerkelijk
worden ontlast, hun rechtspositie wordt beschermd en verdere ongelijkheid tussen gebieden
wordt voorkomen.
De positie van bewoners in de schadeafhandeling en versterking is na het verschijnen
van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie versterkt door het Instituut
Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). Verschillen
tussen bewoners zijn aangepakt door onder andere de aanvullende vaste vergoeding waarmee
bewoners die in het verleden niet konden kiezen voor de nieuwe schaderegelingen en
die een lager bedrag dan € 10.000 hebben ontvangen, aan te vullen tot een bedrag van
€ 10.000 per adres (in lijn met de vaste eenmalige schadevergoeding). Ook zijn verschillen
in vergoedingen voor immateriële schade binnen huishoudens, en tussen ouders en kinderen,
op geheven. Verder hebben NCG, IMG en gemeenten extra budget gekregen voor het oplossen
van knelpunten en schrijnende situaties. In de huidige TwG, mede gewijzigd door de
wet omissies4, is al een aantal bepalingen opgenomen waarmee de positie van bewoners centraal staat.
Zo kunnen op verzoek van de bewoner in een versterkingsbesluit werkzaamheden worden
opgenomen die niet noodzakelijk zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten
voldoen («koppelkansen»), kunnen bewoners kiezen tussen schadeafhandeling met een
vergoeding in geld of in natura, en hebben bewoners de mogelijkheid gekregen van kosteloze
rechtsbijstand en bijstand door diverse deskundigen. Met het gewijzigd amendement
Beckerman/Bushoff van 4 februari 20255 is dit nog uitgebreid met de mogelijkheid van inzet van extra deskundigen en rechtsbijstand
bij bouwfouten.
Het nu voorliggende wetsvoorstel voegt hier nog een aantal bepalingen aan toe. Zo
krijgen bewoners een extra mogelijkheid voor de afhandeling van schade in de vorm
van daadwerkelijk herstel zonder onderzoek naar schadeoorzaken en kan het IMG stille
gedupeerden (niet-aanvragers) proactief benaderen. Verder wijs ik nog op de met deze
nota naar aanleiding van het verslag meegestuurde nota van wijziging waarin een artikel
is opgenomen voor de aanpak van onaanvaardbare verschillen door de NCG. Ook wordt
daarin de grondslag gecreëerd voor het uitbreiden van de mogelijkheid van kosteloze
rechtsbijstand en bijstand door andere deskundigen. Verder wordt de rechtsbijstand
uitgebreid naar situaties waarin deze nu nog niet bestaat, zoals besluiten gericht
aan huurders en andere niet-eigenaren.
De leden van ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend
wetsvoorstel om de maatregelen uit de kabinetsreactie Nij Begun wettelijk te verankeren.
Deze leden achten het van het grootste belang dat de huidige herstel- en versterkingsoperatie
sterk wordt verbeterd, waardoor gedupeerden zullen ervaren dat de ereschuld die de
Staat aan Groningen en Noord-Drenthe heeft daadwerkelijk wordt ingelost. Deze leden
maken gebruik van de mogelijkheid tot het stellen van enkele vragen over het wetsvoorstel.
2. Inhoud
2.1. Generatielange aanpak en Staat van Groningen en Noord-Drenthe
Vraag 5
De leden van de D66-fractie hebben vragen bij de juridische vormgeving van de zorgplichten
voor brede welvaart en verduurzaming. De Afdeling advisering stelt dat deze plichten
onvoldoende duidelijk zijn en verwachtingen kunnen scheppen die niet waargemaakt kunnen
worden. Kan de regering nader toelichten waarom deze wetgevingstechniek noodzakelijk
is naast het uitvoeringsprogramma, en wat de minimale invulling is die uit de zorgplichten
volgt?
De voorgestelde zorgplichten markeren de positie van de Minister (in de praktijk op
dit moment de Staatssecretaris) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als
aanspreekpunt binnen het kabinet voor het bevorderen van de ontwikkeling van de brede
welvaart, respectievelijk van de verduurzaming richting het aardgasvrij gereed maken
van woningen, in het getroffen gebied. Het kabinet wil verder met de zorgplichten
onderstrepen dat de uitvoering van de met Nij Begun toegezegde generatielange aanpak
niet vrijblijvend is. Dit geeft de bewoners en andere overheden in dit gebied houvast:
de rijksoverheid heeft hiermee een wettelijk vastgelegde, en daarmee niet van kabinetskeuzes
afhankelijke, verplichting om beide belangen te behartigen, en zij kunnen bij één
bewindspersoon terecht om hiervoor binnen het kabinet voldoende aandacht te genereren.
Het uitvoeringsprogramma dient ter invulling van de zorgplichten. Artikel 13q, waarin
het uitvoeringsprogramma wordt geïntroduceerd, verwijst dan ook uitdrukkelijk naar
de twee zorgplichten in de artikelen 13o (brede welvaart) en 13p (verduurzaming).
Het uitvoeringsprogramma bevat in ieder geval:
a. een afbakening van de relevante aspecten van brede welvaart en de invulling daarvan;
b. een nadere invulling van de relevante aspecten van aardgasvrij gereed maken;
c. een uitwerking van de tussentijdse doelen en streefwaarden ten aanzien van de doelen
om in de regio de brede welvaart uiterlijk in 2055 op ten minste het landelijk gemiddelde
te brengen en de woningen uiterlijk in 2035 wat isolatie betreft gereed te maken voor
aardgasvrij gebruik;
d. de in acht te nemen randvoorwaarden en de voorgenomen maatregelen met het oog op het
behalen van deze doelen.
Uw Kamer wordt jaarlijks op de hoogte gehouden van de voortgang hiervan in de SvGND
en mijn reactie daarop.
Vraag 6
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen dat zorgplichten
verwachtingen wekken die niet kunnen worden waargemaakt, zoals de Afdeling advisering
waarschuwt. Hoe wordt voorkomen dat bewoners hierdoor schijnzekerheid krijgen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Vraag 7
Verder vragen deze leden waarom niet is gekozen voor een onafhankelijk orgaan voor
het opstellen van de jaarlijkse Staat van Groningen en Noord-Drenthe, vergelijkbaar
met bestaande planbureaus. Hoe wordt geborgd dat de rapportage onafhankelijk, consistent
en transparant blijft?
De SvGND wordt jaarlijks samengesteld door een onafhankelijk consortium van onderzoeksbureaus
met verschillende, complementaire expertisegebieden en achtergronden. Vanwege de grote
diversiteit aan onderwerpen die worden gemonitord (schadeafhandeling, versterking,
verduurzaming, brede welvaart en vertrouwen in de overheid), lag het niet voor de
hand om deze taak bij één planbureau te beleggen. Data en relevante onderzoeksresultaten
van bijvoorbeeld het Sociaal Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek
worden door het consortium dat de SvGND samenstelt, bij hun werkzaamheden betrokken.
Inmiddels is een Europese aanbestedingsprocedure afgerond en is een consortium gestart
met de werkzaamheden ten behoeve van de SvGND 2026.
De leden van de CDA-fractie ondersteunen de wettelijke verankering van de generatielange
aanpak uit Nij Begun, waarmee ook komende kabinetten worden gehouden aan de uitvoering
van die aanpak en daarover verantwoording moeten afleggen. De regering stelt in dat
kader dat de zichtbare gevolgen van de gaswinning in de vorm van nieuwe bevingen en
nieuwe schades naar verwachting zullen afnemen. Deze leden delen die hoop en verwachting,
maar begrijpen tegelijkertijd dat er in Groningen nog wel de nodige twijfel leeft
over deze verwachting.
Vraag 8
De recente beving in Zeerijp, de op twee na zwaarste beving ooit in Groningen gemeten,
lijkt deze verwachting ook tegen te spreken. Zij vragen de regering uitgebreid in
te gaan op de vraag in hoeverre de ontwikkelingen in Groningen daadwerkelijk in lijn
zijn met de verwachtingen. Wat zijn de exacte verwachtingen met betrekking tot de
frequentie en hevigheid van bevingen en het optreden van nieuwe schades?
Het is wetenschappelijk gezien niet mogelijk om precies te voorspellen waar en wanneer
een aardbeving plaatsvindt en hoe groot die zal zijn. Daarom wordt er in de pSDRA
(publieke seismische dreiging- en risicoanalyse) een inschatting gemaakt van de kans
op een beving met een bepaalde grootte. Daarnaast is ook per jaar een voorspelling
gemaakt van het aantal voelbare aardbevingen (M>1,5). Bij dit laatste wordt ook altijd
een bereik aangegeven omdat de voorspellingen een onzekerheid kennen.
De laatste pSDRA werd uitgevoerd in 2023 en was de eerste uitvoering waarbij gerekend
werd met nul gaswinning vanaf oktober 2023. De uitkomsten en de voorspellingen van
die pSDRA zijn publiek beschikbaar en vindt u hier: TNO – Publieke Seismische Dreigings- en Risicoanalyse Groningen gasveld 2023 – Gaswinning
Groningen – Vaststellingsbesluit 2023–2024. Sinds de sluiting van het veld is het aantal aardbevingen binnen het voorspelde
bereik gebleven.
Bijvoorbeeld in 2024 werden 6 aardbevingen met magnitude 1,5 of hoger verwacht, met
een bereik van 0 tot 8 aardbevingen. Het daadwerkelijke aantal was 6. In 2025 was
de verwachting 5 aardbevingen, met een bereik van tussen de 0 en 7 aardbevingen. Het
daadwerkelijke aantal aardbevingen was 7.
De precieze grootte van een aardbeving is lastiger te voorspellen. De pSDRA publiceert
de kans op een aardbeving van 3,5; 3,6 (de aardbevingen van Huizinge); 4,0; 4,5 en
5,0. Daaruit blijkt dat de kans op een beving met een magnitude van 3,5 (de aardbeving
in Zeerijp van november 2025 had een magnitude van 3,4) nu rond de 5% ligt. Deze kans
neemt langzaam af en ligt in 2032 rond de 2%. Deze getallen geven aan dat er nog steeds
een kans is dat dergelijke aardbevingen kunnen plaatsvinden. Dat deze beving binnen
de verwachting valt, wordt ook door het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) bevestigd.
Zolang de verwachtingen van de seismiciteit binnen het voorspelde bereik vallen, is
er geen reden om aan te nemen dat het aantal en de grootte van de aardbevingen minder
snel afnemen dan verwacht.
Vraag 9
Welke bandbreedtes worden bij deze prognoses gehanteerd en op welke plek binnen die
bandbreedtes past de recente beving in Zeerijp?
In de berekeningen van de pSDRA wordt in elke stap rekening gehouden met de (model)onzekerheden.
Daardoor kan ook bij de resultaten een bereik worden meegegeven. De belangrijkste
indicator voor de seismiciteitsverwachting is het aantal aardbevingen met een magnitude
van 1,5 of hoger. Deze wordt berekend samen met de 95% onzekerheidsband hieromheen.
Dat houdt in dat de kans op 95% wordt geschat dat het aantal aardbevingen binnen deze
marge valt. Zoals in antwoord 8 aangegeven lag de verwachting in 2025 op 5 aardbevingen,
met een bereik van 0 tot 7. De beving in Zeerijp en de naschok waren de vierde en
vijfde beving van 2025 met een magnitude van 1,5 of hoger. In de laatste weken van
2025 hebben nog twee extra aardbevingen plaatsgevonden (Westerwijtwerd, 1,6 en Woudbloem,
2,0). Daarmee is het aantal aardbevingen (7) binnen het verwachte bereik gebleven.
Vraag 10
Deze leden vragen de regering uit te leggen op welke wijze en met welke frequentie
wordt beoordeeld of de oorspronkelijke verwachtingen over het afnemen van bevingen
en de zichtbare gevolgen daarvan nog realistisch zijn.
De NAM is verantwoordelijk voor de monitoring van het veld en SodM houdt daar toezicht
op. Beide informeren de Minister van Klimaat en Groene Groei over ontwikkelingen in
het veld. Het SodM adviseert de Minister van Klimaat en Groene Groei daarnaast ook
over dit onderwerp.
Omdat de NAM op afstand is geplaatst van de schadeafhandeling- en versterkingsoperatie
ligt de verantwoordelijkheid voor de voorspellingen en risicoanalyse primair bij de
Minister van Klimaat en Groene Groei. Het beheer en de ontwikkeling van de onderliggende
modellen is belegd bij TNO. Het SodM adviseert over welke modellen moeten worden aangehouden,
en houdt toezicht op de ontwikkelingen in het Groningenveld. Nu het veld gesloten
is, en daarmee het jaarlijks vaststellingsbesluit geen aanleiding meer is voor een
nieuwe risicoanalyse, geldt er een nieuw regime. Hierbij wordt een tweejaarlijkse
frequentie aangehouden waarbij deze partijen samenkomen om te kijken of en zo ja,
welke ontwikkelingen wat betreft de pSDRA nodig zijn. Hierbij worden recente en relevante
internationale wetenschappelijke ontwikkelingen besproken. Hierna stelt TNO een rapportage
op waarin de resultaten van de modelontwikkeling worden beschreven. Vervolgens verzoekt
de Minister de inspecteur-generaal der mijnen om een advies ten aanzien van de rapportage
op te stellen. Op basis daarvan zal de Minister een besluit nemen over de modelontwikkeling
van de pSDRA. Afhankelijk van het advies van de inspecteur-generaal der mijnen kan
de Minister daarnaast besluiten tot het uitvoeren van de pSDRA. Deze cyclus herhaalt
zich elke twee jaar.
Los daarvan staat het de Minister van Klimaat en Groene Groei altijd vrij om aan het
SodM advies te vragen over het eventueel uitvoeren van een pSDRA, en staat het SodM
ook vrij om daar ongevraagd over te adviseren. De laatste risicoanalyse laat overigens
zien dat zowel het aantal aardbevingen als de grootte van de aardbevingen binnen de
verwachting valt.
Vraag 11
Zij vragen de regering tevens te verduidelijken wanneer en op basis van welke criteria
of drempelwaarden een aanpassing van die verwachtingen aan de orde zou kunnen zijn.
De werkwijze zoals beschreven in het antwoord op vraag 10 is uitgewerkt in de toelichting
op de wijziging van de Mijnbouwregeling en de Uitvoeringsregeling Gaswet in verband
met de sluiting van het Groningenveld.6 Hierin is aangegeven dat de Minister van Klimaat en Groene Groei op basis van de
volgende richtlijnen bepaalt of een pSDRA dient te worden uitgevoerd: er is sprake
van een afwijkende ontwikkeling van de seismiciteit, of er zijn nieuwe wetenschappelijke
inzichten.
Vraag 12
De leden van de SP-fractie vragen waarom in de memorie van toelichting niet helderder
wordt erkend dat de problematiek in het kerngebied voortduurt, ook nadat de winning
is gestopt, als gevolg van cumulerende bodembeweging, wijzigingen in waterhuishouding
en funderingsproblematiek. Kan de regering bevestigen dat herstel ook in de komende
decennia nodig kan blijven?
Een memorie van toelichting is bedoeld als toelichting op hetgeen in een wetsvoorstel
aan voorstellen is opgenomen. De memorie bevat zowel een motivering van die voorstellen
als een nadere duiding van de betekenis ervan. Er wordt geen onderscheid gemaakt in
een kerngebied en andere delen. Daarom wordt hier in de memorie van toelichting ook
verder niet op ingegaan.
Dat laat uiteraard onverlet dat ik mij ervan bewust ben dat ook in de komende jaren
nog schades kunnen blijven ontstaan als gevolg van de voormalige gaswinning. Daarvoor
geldt dat deze schades worden afgehandeld zo lang als nodig is, koste-wat-kost. Daarnaast
heb ik oog voor de door de leden van de SP-fractie genoemde specifieke problematiek
in het kerngebied. Onder meer duurzaam herstel biedt hiervoor aanvullende ruimte.
Met deze tegemoetkoming van het IMG is het mogelijk om constructieve problematiek,
die zélf niet veroorzaakt is door de gaswinning, te verhelpen. Funderingsherstel is
daarbij één van de mogelijke maatregelen. Een belangrijk voorwaarde is dat de constructieve
maatregelen bij duurzaam herstel de kans op terugkerende mijnbouwschade aan de woning
moeten kunnen verkleinen.
2.1.1. Aanleiding, doel en probleemschets
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de conclusie van de parlementaire enquêtecommissie
dat er een ereschuld is richting Groningen en Noord-Drenthe wat vraagt om een lange
termijn aanpak met generatielange investeringen.
Vraag 13
De leden van de SP-fractie vragen voor welke groep gedupeerden de nieuwe maatregel
van daadwerkelijk herstel nadelig kan uitpakken, bijvoorbeeld voor inwoners van wie
een verzoek in het verleden is afgewezen omdat het Instituut Mijnbouwschade Groningen
(IMG) het niet als mijnbouwschade beoordeelde. Hoe groot is naar schatting deze groep
gedupeerden die niet kan profiteren van de maatregel waarbij geen causaliteitsonderzoek
wordt uitgevoerd?
Bij het IMG zijn ruim 108.000 adressen bekend waar een beoordeling naar de schadeoorzaak
heeft plaatsgevonden. Daarvan zijn er bij bijna 85.000 adressen naast schades als
gevolg van de gaswinning óók, één of meer, schades met een aanwijsbare autonome oorzaak
geconstateerd (dus schades die niet door gaswinning kunnen zijn veroorzaakt). Van
de periode van vóór het IMG is deze informatie niet bekend. Deze schades met een aanwijsbare
autonome oorzaak zijn niet vergoed en komen ook niet meer voor daadwerkelijk herstel
in aanmerking. Dat laat onverlet dat op deze adressen wél alle schades als gevolg
van de gaswinning zijn vergoed als zij kunnen zijn veroorzaakt of verergerd door de
gaswinning. Ook kunnen bewoners zo mogelijk gebruikmaken van de aanvullende vaste
vergoeding om eerder ontvangen schadevergoeding op een adres aan te laten vullen tot
maximaal € 10.000. Daarnaast kunnen inwoners een aanvraag indienen voor nog niet behandelde
schades, ook via daadwerkelijk herstel.
Het met terugwerkende kracht uitvoeren van daadwerkelijk herstel zonder onderzoek
naar de schadeoorzaak bij herstelkosten tot € 60.000 in algemene zin is niet uitvoerbaar.
Kortheidshalve wordt voor nadere toelichting over dit onderwerp verwezen naar de Kamerbrief
over de omgang met terugwerkende kracht van 16 juni 20237 en de Kamerbrief van 6 oktober 20238.
Vraag 14
Voorts vragen deze leden hoe de regering met deze mogelijke ongelijkheid omgaat. Kan
de regering daarbij reflecteren hoe dergelijke verschillen zich verhouden tot de doelen
van Nij Begun en van het wetsvoorstel om het vertrouwen van inwoners te herstellen?
Het is onvermijdelijk dat nieuwe maatregelen leiden tot nieuwe verschillen. Wel is
een aantal maatregelen geïntroduceerd om deze verschillen zo veel als mogelijk te
beperken. Zo heeft het IMG de aanvullende vaste vergoeding geïntroduceerd, om bewoners
die in het verleden niet konden kiezen voor de nieuwe schaderegelingen en die een
lager bedrag dan € 10.000 hebben ontvangen, te compenseren door de eerder ontvangen
schadevergoeding aan te vullen tot een bedrag van € 10.000 per adres (in lijn met
de vaste eenmalige schadevergoeding).
Ook heeft het IMG, om ongelijke uitkomsten voor bewoners te beperken, in 2023 iedereen
met een lopende aanvraag de mogelijkheid geboden om in afwachting van de nieuwe schademaatregelen
diens aanvraag te pauzeren totdat er duidelijkheid was over de uitkomsten van Nij
Begun. Daarnaast is ervoor gekozen om in het gehele effectgebied te werken met één
grensbedrag van € 60.000. Daarmee worden nieuwe grenzen en daarmee nieuwe verschillen
voorkomen.
2.1.2. Probleemaanpak en motivering instrumentkeuze
Vraag 15
Deze wet legt drie maatregelen uit Nij Begun vast, namelijk maatregel 1, 3 en 38.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af waarom alleen deze drie maatregelen
wettelijk worden vastgelegd? Kan de regering voor de maatregelen 6, 7, 14, 18, 19,
20 uitleggen waarom die specifieke maatregelen niet worden vastgelegd in deze wet?
Hieronder volgt voor de genoemde maatregelen een verklaring waarom wettelijke vastlegging
niet aan de orde is:
− maatregel 6 («Herhaalde schades worden voorkomen met duurzaam schadeherstel»): Deze
maatregel is al vastgelegd in artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen.
− maatregel 7 («Hogere overlastvergoeding bij meervoudige schademeldingen»): Ook voor
de overlastvergoeding bestaat al een wettelijke grondslag, in artikel 2, derde lid,
onderdeel c, van de Tijdelijke wet Groningen.
− maatregel 14 («Extra geld voor leefbaarheid en wijkontwikkeling»): Het reserveren
van extra geld is een begrotingsaangelegenheid. Het gaat hier om een financiële impuls
voor het verbeteren van de leefbaarheid in de gebieden waar veel woningen worden versterkt.
Daarvoor is geen wetgeving nodig.
− maatregel 18 («Extra budget personeelskosten decentrale overheden»): Hiervoor geldt
hetzelfde als hetgeen over maatregel 14 is gemeld.
− maatregel 19 («Kosten voor juridische, technische en bouwkundige bijstand worden vergoed»):
Deze maatregel is al vastgelegd in artikel 13n van de Tijdelijke wet Groningen. Dit
artikel wordt met het voorliggende wetsvoorstel verder uitgebreid
− maatregel 20 («Geen juridificering»): Deze maatregel vergt geen wettelijke verankering.
Het IMG heeft deze maatregel in zijn werkwijze opgenomen. Zoals ik in mijn brief aan
uw Kamer van 23 januari 20259 heb aangegeven, gaat het IMG alleen nog in zeer uitzonderlijke gevallen in hoger
beroep, namelijk wanneer een rechterlijke uitspraak in een individuele casus indruist
tegen het algemeen belang van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor alle gedupeerden. Sinds het verschijnen van de kabinetsreactie op de parlementaire enquête
in 2023 is dit één keer voorgekomen. De mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep
is een bevoegdheid die aan het IMG als zelfstandig bestuursorgaan toekomt, zoals dit
voor alle (zelfstandige) bestuursorganen geldt. Dit is vastgelegd in de Algemene wet
bestuursrecht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «Het inlossen van de ereschuld een
langjarige, structurele samenwerking tussen het Rijk en de decentrale overheden [vergt].»
Deze leden vinden deze structurele samenwerking wettelijk gezien summier.
Vraag 16
Waarom wordt er niet voor gekozen om wettelijk te verankeren dat het uitvoeringsprogramma
overeenstemming met lokale overheden wordt gemaakt?
Er is niet voor gekozen om het uitvoeringsprogramma Rijk in overeenstemming met de lokale overheden vast te leggen, omdat dit uitvoeringsprogramma ziet op de taken,
bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het Rijk die voortvloeien uit de zorgplichten
voor de Minister (samen met de andere betrokken Ministers). «In overeenstemming met»
betekent in dezen «met akkoord van». Dat is iets anders dan «in overleg met». Omdat
de zorgplichten uitsluitend op de Minister (en de andere betrokken Ministers) rusten,
zou een verplichting tot overeenstemming met lokale overheden de Minister beperken
in zijn ruimte om zijn verplichtingen op grond van deze wet na te komen. Dat is niet
wenselijk.
Het wetsvoorstel voorziet wél nadrukkelijk in overleg met de decentrale overheden.
De inhoud van het uitvoeringsprogramma raakt immers gemeenten en provincies direct.
Naar aanleiding van de consultatiereactie van de decentrale overheden (september 2024)
is in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel verduidelijkt dat het uitvoeringsprogramma
Rijk met betrekking tot brede welvaart voortvloeit uit de sociale en economische agenda’s
die gezamenlijk door het Rijk en de decentrale overheden zijn opgesteld en ondertekend.
De Minister zal de decentrale overheden verzoeken om de inspanningen die zij doen
in verband met de uitvoering van de sociale en economische agenda’s (en daarmee de
brede welvaartsontwikkeling) en de verduurzamingsaanpak ook vast te leggen. Zo ontstaat
vooraf duidelijkheid over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de
verschillende overheden
Vraag 17
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering stelt dat wetgeving het geëigende
instrument om een kabinetsperiode-overstijgende inzet zoals bij de generatielange
aanpak uit Nij Begun vast te leggen. Deze leden kunnen deze redenering volgen, maar
vragen de regering ook te reflecteren op de vraag in hoeverre wetgeving daadwerkelijk
kan borgen dat de noodzakelijke verbeteringen in de aanpak zoals beschreven in Nij
Begun worden gerealiseerd. In hoeverre acht de regering wetgeving op zichzelf voldoende,
vragen deze leden. Zij vragen tevens hoe de regering aankijkt tegen de verhouding
tussen wetgeving en de structurele verandering in houding, cultuur, uitvoeringspraktijk
en verantwoordelijkheid binnen de overheid die daarnaast nodig is om de ereschuld
in te lossen.
Wetgeving is het geëigende instrument om een kabinetsperiode-overstijgende generatielange
juridisch afdwingbare inzet vast te leggen. In het verleden is gebleken dat andere
instrumenten dan wetgeving, zoals bestuursakkoorden tussen het Rijk en de decentrale
overheden, onvoldoende resultaat en zekerheid opleverden. De bevindingen van de parlementaire
enquêtecommissie laten zien dat deze akkoorden weliswaar een bijdrage leverden aan
verbeteringen op deelaspecten, maar in hun totaliteit qua ambitieniveau, doorlooptijd
en afrekenbaarheid onvoldoende waren om de ereschuld aan de regio in te kunnen lossen.
Er is daarom een wettelijke aanpak nodig die verder reikt dan een bestuursakkoord
kan.
Met het vastleggen van die aanpak in de wet, zijn we er uiteraard nog niet. Met wetgeving
alleen lossen we de problemen van de Groningers en Noord-Drenten niet op. Uiteindelijk
gaat het ook om een cultuuromslag die nodig is binnen de overheid en de uitvoeringsorganisaties.
Het kabinet en de uitvoeringsorganisaties IMG en NCG zijn hier nadrukkelijk mee bezig,
bijvoorbeeld door te investeren in meer transparantie, en betere, begrijpelijkere
en meer proactieve communicatie met bewoners. Het IMG werkt onder andere met de invoering
van de generieke intake, aan het verbeteren van de dienstverlening. Onderdelen van
de generieke intake zijn onder andere het stap voor stap begeleiden van de aanvrager
bij het indienen van een aanvraag (bijvoorbeeld door intakegesprekken in de oriëntatiefase)
en het inzichtelijk maken van beschikbare afhandelingsopties en informatie. Zo gaat
het IMG over van een regelingsgerichte naar een meer aanvragersgerichte organisatie.
Ook hebben de betrokken overheden en uitvoeringsorganisaties samen een Agenda voor
Herstel opgesteld, met afspraken om de onderlinge samenwerking te verbeteren.
Het kabinet zal in zijn jaarlijkse reactie op de SvGND, conform de motie Bikker10, zo lang als nodig is ingaan op de resultaten van het lopende cultuurveranderingstraject
binnen de departementen die verantwoordelijk zijn voor het afhandelen van de gevolgen
van de gaswinning.
2.1.3. Uitbreiding taken Minister ten aanzien van de generatielange aanpak
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «Dit wetsvoorstel twee taken in
het leven [roept] met betrekking tot de generatielange aanpak om de ereschuld aan
de regio in te lossen. Het gaat om twee zorgplichten waarmee de Minister van BZK,
in overeenstemming met de andere betrokken Ministers, de taak krijgt om de ontwikkeling
van de brede welvaart en de verduurzaming richting het aardgasvrij-gereed maken van
woningen te bevorderen.»
Vraag 18
Het baart de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgen dat er enkel wordt gekozen
voor een zorgplicht zonder norm en deze leden zijn dan ook van mening dat er concrete
doelen aan verbonden moeten worden. Op deze wijze kunnen derden de regering hieraan
houden wanneer de uitoefening van de taken niet, onvoldoende of niet-tijdig tot het
vereiste resultaat leidt. Kan de regering hierop reflecteren? Waarom is er niet gekozen
voor strakke normen?
Verder lezen deze leden dat «De zorgplicht ten aanzien van het bevorderen van de brede
welvaart erop [is] gericht dat de relatieve achterstand van brede welvaart in de gemeenten
in de provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo ten
opzichte van het landelijk gemiddelde uiterlijk in 2055 wordt ingelopen.»
Beide zorgplichten bevatten wel degelijk een norm. De zorgplichten worden vertaald
naar concrete doelen in artikel 13q, eerste lid:
a. het niveau van de brede welvaart uiterlijk in 2055 op ten minste het landelijk gemiddelde
brengen;
b. de woningen uiterlijk in 2035, wat isolatie betreft gereed te maken voor aardgasvrij
gebruik.
Deze doelen krijgen vervolgens een uitwerking in het uitvoeringsprogramma Rijk. In
het uitvoeringsprogramma wordt gespecificeerd op welke aspecten van brede welvaart
en verduurzaming de inzet van het kabinet zich richt, en worden tussentijdse doelen,
streefwaarden, noodzakelijke randvoorwaarden en voorgenomen maatregelen opgenomen.
Met de SvGND wordt de realisatie van de beleidsdoelen gemonitord en zo nodig worden
maatregelen getroffen.
De bewoners, de overheden in de regio en uw Kamer kunnen het kabinet erop wijzen als
doelen niet (tijdig) worden behaald.11
Vraag 19
Kan nader worden toegelicht waarom er voor het jaar 2055 is gekozen? Hoe kan de Minister
hier tussendoor op worden afgerekend als er geen tussendoelen worden gesteld? Waarom
is er niet voor gekozen om tussendoelen te stellen?
Het jaar 2055 is gekozen om uitdrukking te geven aan een «generatielange» betrokkenheid
bij het voormalig gaswinningsgebied. Een generatie wordt op 30 jaar gesteld. Zoals
in het antwoord op vraag 18 is aangegeven, worden in het uitvoeringsprogramma Rijk
wel degelijk tussentijdse doelen opgenomen om deze inzet te concretiseren (artikel
13q, tweede lid, onderdeel c). De SvGND zal gedurende die periode jaarlijks de resultaten
van de aanpak laten zien. Het kabinet legt hier verantwoording over af aan uw Kamer,
en gaat hierover graag met de Kamer in gesprek. Daarmee onderstreept het kabinet het
langjarige karakter van zijn inzet, waarop het dus ook afrekenbaar is.
Vraag 20
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een zorgplicht verduurzaming
door isolatie komt. Ook hier ontbreekt een norm en dus de mogelijkheid tot controle
of men op koers ligt. Kan de regering nader toelichten waarom er geen norm is? Kan
de regering ook nader toelichten waarom de standaard voor woningisolatie uiterlijk
2035 gereed moet zijn?
Zoals in het antwoord op vraag 18 is aangegeven bevat ook de zorgplicht voor verduurzaming
in artikel 13p een norm, die nader wordt geconcretiseerd in artikel 13q, eerste lid,
onderdeel b. De opgave tot het isoleren van alle gebouwen in Groningen en Noord-Drenthe,
is dermate groot en vergt zodanig veel uitvoeringscapaciteit van marktpartijen dat
besloten is de isolatieaanpak in tien jaar uit te voeren. Een kortere looptijd voor
realisatie van de norm wordt qua uitvoering niet realistisch geacht.
Vraag 21
Waarom dient de regering niet te waarborgen dat alle woningen uit het aardbevingsgebied
uiterlijk in 2035 kunnen voldoen aan de standaard voor woningisolatie en uiterlijk
2035 gereed zijn voor aardgasvrij gebruik, behalve als de gedupeerde expliciet kiest
om hier niet aan mee te werken?
Zoals in de vraag al is opgenomen, kunnen bewoners er zelf voor kiezen niet mee te
werken aan de isolatieaanpak zoals het kabinet die aanbiedt. Het gaat daarom om een
vrijwillige subsidieregeling waar bewoners gebruik van kunnen maken. Daarmee kan het kabinet niet waarborgen dat alle woningen uit het aardbevingsgebied
uiterlijk in 2035 voldoen aan de standaard voor woningisolatie en uiterlijk 2035 gereed
zijn voor aardgasvrij gebruik. Het behalen van dit doel is mede afhankelijk van de
bereidheid van de bewoners om subsidie daadwerkelijk aan te vragen en de werkzaamheden
uit te (laten) voeren. Het is de verantwoordelijkheid van het kabinet om die mogelijkheid
aan te bieden en dat doet het. Daarbij is een uitgebreide ondersteuningsstructuur
opgezet om te bevorderen dat zoveel mogelijk mensen gebruik kunnen maken van de regeling,
en worden ondersteund bij het kiezen en laten uitvoeren van de best passende maatregelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen over ontwikkeling
van de brede welvaart.
Vraag 22
Hoe garandeert de regering dat gebieden en wijken binnen gemeentes ook voldoen aan
de gemiddelde brede welvaart?
Het doel van de aanpak is niet om alle verschillen tussen en binnen gemeenten op te
lossen. Dit zou ook niet haalbaar zijn. Het doel voor 2055 is gericht op het gemiddelde
indexcijfer van alle gemeenten in Groningen en Noord-Drenthe tezamen, ten opzichte
van het op dat moment geldende landelijke gemiddelde van brede welvaart. De focus
van de investeringen om de brede welvaart te bevorderen ligt wél op de gebieden waar
dit het hardst nodig is. Binnen de Sociale Agenda wordt bijvoorbeeld specifiek ingezet
op armoedebestrijding, kansen voor jeugd in een kwetsbare positie, het tegengaan van
voortijdig schoolverlaten en laaggeletterdheid, en het versterken van financiële weerbaarheid.
Binnen de Economische Agenda is het doel om investeringen goed te verdelen over de
hele provincie, zodat het geld terechtkomt waar het nodig is en het grootste verschil
kan maken. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van regiocentra (via het Masterplan
Regiocentra) en de Herstructureringsmaatschappij voor Drenthe en Groningen die ondersteunt
bij het verbeteren van bedrijventerreinen.
De verschillen binnen en tussen gemeenten worden, voor zover gegevens beschikbaar
zijn, jaarlijks zichtbaar gemaakt in de SvGND. Ondanks deze focus kan het kabinet
echter niet garanderen dat elk gebied en elke wijk binnen een gemeente uiteindelijk
op het gemiddelde niveau van Nederland komt.
Vraag 23
Waarom worden er geen ondergrenzen voor brede welvaart opgenomen in het wetsvoorstel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 22. De ondergrens
voor het gemiddelde indexcijfer van alle gemeenten in Groningen en Noord-Drenthe tezamen, ligt op het
op dat moment geldende landelijke gemiddelde van brede welvaart.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de generatielange inzet voor Groningen en
Noord-Drenthe uit Nij Begun ook met zich mee brengt dat betrokken Ministers de taak
hebben om binnen hun portefeuille extra stappen te zetten daar waar het Groningen
en Noord-Drenthe betreft. Als extra stappen noemt de regering het verbreden van de
N33 en het opstellen van specifieke regelgeving binnen ministeriële portefeuilles.
Vraag 24
Deze leden vragen de regering dieper in te gaan op wat de generatielange inzet in
de praktijk concreet zal betekenen voor de uitvoering van beleid en daarbij passende
«extra stappen» in Groningen en Noord-Drenthe. Zij vragen de regering verder uit te
weiden over welk acties burgers, bedrijven en lokale overheden daadwerkelijk kunnen
verwachten van de betrokken Ministers binnen hun portefeuilles.
De generatielange inzet van het kabinet voor brede welvaart in Groningen en Noord-Drenthe
is samen met de betrokken lokale en regionale overheden, bewonersorganisaties, jongeren,
kennisinstellingen, ondernemers en andere partijen uitgewerkt in een Sociale en een
Economische Agenda. Deze agenda’s zijn in 2025 door Rijk en Regio gezamenlijk ondertekend,
en met uw Kamer gedeeld. Op dit moment werken uitvoeringsteams met medewerkers van
verschillende departementen en lokale overheden aan de verdere uitwerking en uitvoering
van de eerste projecten en programma’s. Daarnaast is, als onderdeel van de generatielange
inzet, een verduurzamingsaanpak uitgewerkt. Deze aanpak bevat maatregelen die leiden
tot isolatie, ventilatie en kierdichting naar de standaard voor woningisolatie. Het
isoleren van de woning tot het niveau van de standaard voor woningisolatie is een
belangrijke bijdrage aan de verduurzaming van het woningbestand en zorgt voor lagere
energierekeningen en hoger wooncomfort voor bewoners. De uitwerking van de generatielange
inzet van het kabinet zal, na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, ook worden vastgelegd
in het uitvoeringsprogramma Rijk. Daarin zullen ook de concrete maatregelen worden
beschreven die de betrokken Ministers in de komende vijf jaar binnen hun portefeuilles
nemen. Het uitvoeringsprogramma zal uiteraard ook met uw Kamer worden gedeeld.
Vraag 25
Tevens vragen zij hoe wordt geborgd dat deze maatregelen ook daadwerkelijk worden
doorgevoerd en zichtbaar worden op de korte en lange termijn.
De concrete maatregelen en acties die voortvloeien uit de Sociale en Economische Agenda’s
en de verduurzamingsaanpak worden uitgevoerd onder regie van uitvoeringsteams in de
regio. Over de resultaten van de maatregelen, en de daarvoor gepleegde inzet van het
kabinet, zal jaarlijks in de SvGND worden gerapporteerd. Het kabinet zal hierover
in gesprek gaan met bewoners, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties
en de medeoverheden, en vervolgens aan uw Kamer verantwoording afleggen in een kabinetsreactie.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de zorgplicht die in het wetsvoorstel
is opgenomen. Ook de Afdeling advisering is kritisch op dit punt. De Afdeling advisering
stelt: «In dit geval is het echter onduidelijk wat de burger op basis van de zorgplichten
van de overheid mag verwachten. De toelichting gaat ervan uit dat de zorgplichten
geen individuele rechten creëren.»
Vraag 26
Deze leden vragen de regering uit te leggen op welke wijze deze zorgplicht dan geëffectueerd
zal worden. Kan alleen het parlement de regering aanspreken op het naleven van de
zorgplicht?
Het wetsvoorstel bevat twee zorgplichten: één met betrekking tot brede welvaart en
de ander met betrekking tot verduurzaming. Beide zorgplichten krijgen een invulling
in het uitvoeringsprogramma Rijk. Hierin worden tussentijdse doelen, streefwaarden
en randvoorwaarden opgenomen. De uitvoering van dit uitvoeringsprogramma Rijk wordt
jaarlijks gemonitord in de SvGND, waarna het kabinet hierover met een kabinetsreactie
verantwoording aflegt aan de Kamer. Deze kabinetsreactie volgt op overleg met een
vertegenwoordiging van de betrokken decentrale overheden, de relevante maatschappelijke
organisaties en bewoners. Op deze manier kunnen alle hiervoor genoemde partijen het
kabinet aanspreken op het naleven van de zorgplichten.
Vraag 27
In hoeverre is deze zorgplicht van toegevoegde waarde ten opzichte van de Staat van
Groningen en Noord-Drenthe?
Zoals uit het antwoord op vraag 26 blijkt, gaat het hier om gescheiden onderwerpen.
De zorgplichten creëren verantwoordelijkheden voor de regering voor het bevorderen
van respectievelijk de ontwikkeling van de brede welvaart, en verduurzaming richting
het aardgasvrij gereed maken van woningen. De SvGND is bedoeld om te monitoren of
die verantwoordelijkheden worden waargemaakt.
Vraag 28
Welke extra garantie biedt deze zorgplicht en voor wie?
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Vraag 29
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering ook in te gaan op de kritiek
van de Afdeling advisering dat niet duidelijk is welk bevoegd gezag zorg draagt voor
welk belang. Op welke wijze is nu duidelijk wat de burger op grond van deze zorgplicht
mag verwachten van de Staat?
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Vraag 30
Deze leden vragen aanvullend nader te expliciteren wat precies met de zorgplicht wordt
beoogd en dit begrip nader (wettelijk) in te vullen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 26 bevat het wetsvoorstel twee nieuwe zorgplichten
voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, samen met de andere
Ministers. Voor beide zorgplichten is in artikel 13q, eerste lid, geconcretiseerd
wat het doel is waar de zorgplicht op ziet:
a. het niveau van de brede welvaart uiterlijk in 2055 op ten minste het landelijk gemiddelde
brengen;
b. de woningen uiterlijk in 2035 wat isolatie betreft gereed maken voor aardgasvrij gebruik.
In het wetsvoorstel hebben de zorgplichten als betekenis de positie te markeren van
de Minister (in de praktijk de Staatssecretaris) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
als aanspreekpunt binnen het kabinet voor het bevorderen van de ontwikkeling van de
brede welvaart, respectievelijk van de verduurzamingrichting het aardgasvrij gereed
maken van woningen, in het getroffen gebied. Het kabinet wil verder met de zorgplichten
onderstrepen dat de uitvoering van de met Nij Begun toegezegde generatielange aanpak
niet vrijblijvend is. Dit geeft de bewoners en andere overheden in dit gebied houvast:
de rijksoverheid heeft hiermee een wettelijk vastgelegde, en daarmee niet van kabinetskeuzes
afhankelijke, verplichting om beide belangen te behartigen, en zij kunnen bij één
bewindspersoon terecht om hiervoor binnen het kabinet voldoende aandacht te genereren.
Daarmee beogen de zorgplichten duidelijk te maken welk bevoegd gezag zorg draagt voor
welk belang. Zorgplichten komen veelvuldig voor in wetgeving. In paragraaf 2.1.3 van
de memorie van toelichting worden diverse voorbeelden genoemd, waaronder een reeds
bestaande in de Tijdelijke wet Groningen zelf. De regering heeft er bewust voor gekozen
dit begrip en ook de begrippen «brede welvaart» en «verduurzaming richting het aardgasvrij
gereed maken van woningen» in die zorgplichten niet wettelijk in te vullen, maar die
invulling op te nemen in een vijfjaarlijks uitvoeringsprogramma Rijk. In dat programma
wordt onder andere «een afbakening van de relevante aspecten van brede welvaart» en
«een nadere invulling van de relevante aspecten van aardgasvrij gereed maken» opgenomen.
Wat die relevante aspecten zijn, zal onderwerp van bespreking met de regio zijn en
kan in de tijd ook veranderen. Het wettelijk vastleggen van deze invulling zou te
rigide zijn, want de begrippen kennen vele facetten. Ook zou dit veronderstellen dat
deze invulling een juridische aangelegenheid is, waar de regering van mening is dat
dit een politiek-maatschappelijke aangelegenheid is. Door de vastlegging van de relevante
aspecten in het uitvoeringsprogramma Rijk, de monitoring hiervan in de SvGND, de verantwoording
middels een kabinetsreactie na overleg met de regio, maatschappelijke organisaties
en vertegenwoordigers van bewoners, én het zo nodig bijstellen van de maatregelen
op grond daarvan (artikel 13s, derde lid), vindt de invulling van de zorgplichten
naar het oordeel van de regering op een passende manier plaats.
Vraag 31
De leden van de ChristenUnie-fractie geven de regering in overweging om te kiezen
voor een resultaatsverplichting. Deze leden vragen of de regering een dergelijke verplichting
ook heeft overwogen. Kan de regering nader duiden waarom gekozen is voor een zorgplicht
in plaats van een resultaatsverplichting?
Een wettelijk vastgelegde resultaatsverplichting voor het Rijk zou onrealistische
verwachtingen wekken, en is daarom onwenselijk. Het bereiken van de in het wetsvoorstel
opgenomen doelen ten aanzien van brede welvaart en verduurzaming is namelijk afhankelijk
van verschillende actoren: rijk, regio, maatschappelijke groeperingen, bedrijven en
bewoners. Daarmee kan het bereiken van deze doelen niet als resultaatsverplichting
aan één van deze actoren worden opgelegd. Wel kan elk van de actoren aan rijksoverheidszijde
worden aangesproken op diens aandeel in het behalen van de doelen (inspanningsverplichting).
Deze verplichting is niet vrijblijvend. Concreet betekent dit voor de rijksoverheid
dat zij zich in het uitvoeringsprogramma Rijk vastlegt op het nemen van maatregelen
die haar aandeel in het behalen van de doelen concretiseren. Binnen de inspanningsverplichting
voor het behalen van de doelen, bestaan er daarmee resultaatsverplichtingen voor het
nemen van die maatregelen.
2.1.4. Uitvoeringsprogramma Rijk
Vraag 32
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering nader kan toelichten
hoe het uitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt? Wanneer kan de Kamer deze verwachten?
Waarom is er gekozen voor een termijn van vijf jaar? Wordt wettelijk vastgelegd dat
hier afrekenbare doelen in komen?
Het uitvoeringsprogramma Rijk ís de uitwerking van de zorgplichten die in dit wetsvoorstel
zijn opgenomen. Voor een termijn van vijf jaar is gekozen omdat de maatregelen enerzijds
een bestendig karakter moeten hebben – niemand is erbij gebaat als plannen continu
worden aangepast – en er anderzijds wel binnen afzienbare tijd een herbezinning op
basis van ervaringen in de praktijk moet kunnen plaatsvinden. Een termijn van vijf jaar
is voor dergelijke plannen gebruikelijk. Zo wordt het klimaatplan op grond van de
Klimaatwet (artikel 4) ook om de vijf jaar vastgesteld. Het feit dat het uitvoeringsprogramma
elke vijf jaar wordt vastgesteld laat overigens onverlet dat tussentijdse aanpassing
van de maatregelen in het uitvoeringsprogramma Rijk mogelijk is, indien daartoe aanleiding
bestaat op grond van de SvGND of het overleg in verband daarmee. Dit is expliciet
bepaald in het voorgestelde artikel 13s, derde lid. Voor het antwoord op de vraag
over het vastleggen van afrekenbare doelen verwijs ik tevens naar het antwoord op
vraag 18. De verwachting is dat het eerste uitvoeringsprogramma in 2026 wordt vastgesteld,
na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
Vraag 33
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien het als gevaar dat de doelen van het
uitvoeringsprogramma ook naar beneden vastgesteld kunnen worden. Waarom wordt er niet
gekozen ondergrens aangaande de doelen?
De doelen die in het uitvoeringsprogramma Rijk uitgewerkt worden, zijn in het voorgestelde
artikel 13q, eerste lid, verankerd:
a. het niveau van de brede welvaart uiterlijk in 2055 op ten minste het landelijk gemiddelde
brengen;
b. de woningen uiterlijk in 2035,wat isolatie betreft gereed maken voor aardgasvrij gebruik.
Deze doelen worden met het wetsvoorstel wettelijk vastgelegd en kunnen in het uitvoeringsprogramma
Rijk niet naar beneden worden bijgesteld.
Vraag 34
Ook missen deze leden welke rol precies voor bewoners is weggelegd aangaande het opstellen
van het uitvoeringsprogramma Rijk. Kan de regering daarop reflecteren? In hoeverre
hebben bewoners een wettelijke basis voor daadwerkelijke invloed op het Uitvoeringsprogramma
Rijk? Hoe zou dat eventueel versterkt kunnen worden?
De generatielange inzet van het kabinet voor brede welvaart in Groningen en Noord-Drenthe
is samen met bewoners, maatschappelijke organisaties en andere partijen uitgewerkt
in een Sociale en een Economische Agenda. Zo hebben bijvoorbeeld ruim 700 bewoners
deelgenomen aan bijeenkomsten in het kader van de totstandkoming van de Sociale Agenda.
In 2025 zijn de Sociale en Economische Agenda’s vastgesteld en met uw Kamer gedeeld.
Voor de verduurzamingsaanpak is een subsidieregeling isolatie opgesteld, die in 2025
ter consultatie heeft voorgelegen. Bewoners hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid
om hierop te reageren en de opmerkingen zijn waar mogelijk meegenomen en verwerkt
in de definitieve subsidieregeling die op 2 juni 2025 is gepubliceerd. Het uitvoeringsprogramma
Rijk, dat na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel door het kabinet wordt vastgesteld,
is vooral bedoeld om de specifieke inzet van het kabinet ten aanzien van het realiseren
van de afgesproken doelen vast te leggen, zodat het Rijk hierop kan worden aangesproken
en het kabinet hierop in zijn jaarlijkse reactie op de SvGND kan reflecteren. Een
wettelijk vastgelegde rol voor bewoners bij het vaststellen van het uitvoeringsprogramma
Rijk heeft, gezien de functie van het uitvoeringsprogramma, daarom beperkt toegevoegde
waarde. Het wetsvoorstel regelt wél dat bewoners jaarlijks worden gehoord over de
voortgang van de genomen maatregelen en de daarvoor door het kabinet geleverde inzet,
zoals blijkt uit de SvGND. Zo hebben bewoners ook een wettelijk vastgelegde rol in
de monitoringscyclus, en in het aandragen van verbetersuggesties ten aanzien van het
behalen van de vastgelegde doelen.
2.1.5. De Staat van Groningen en Noord-Drenthe
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het goed dat er jaarlijks wordt gemonitord
hoe het gaat met de voortgang van de schadeafhandeling, versterking, verduurzaming
en andere relevante cijfers. Echter kan dit wat betreft deze leden simpel via een
brief met harde cijfers in combinatie met concrete verhalen van bewoners, zonder irrelevante
onspecifieke informatie. Zodat er geen extra geld wordt verspild.
Vraag 35
Ook vragen deze leden waarom de volgende statistieken daarin niet worden meegenomen:
totaal van de aangemelde schade, totaal van voorgenomen vergoedingen en verwachting
van wanneer de problemen zijn opgelost?
Het voorgestelde artikel 13r, tweede lid, geeft een opsomming van onderdelen die de
SvGND ten minste bevat. Dit laat dus onverlet dat er ook over andere onderdelen kan worden gerapporteerd.
In de Europese aanbestedingsprocedure die in de zomer van 2025 heeft plaatsgevonden,
zijn circa 100 indicatoren opgenomen waarover het onafhankelijke consortium dat de
SvGND samenstelt, jaarlijks moet rapporteren. De indicatoren zijn gekozen naar aanleiding
van een onafhankelijk advies waarvoor tussen april en juni 2025 twaalf verdiepingssessies
zijn georganiseerd met vertegenwoordigers van het Rijk, decentrale overheden, uitvoeringsorganisaties,
maatschappelijke organisaties en kennispartijen. De gekozen indicatoren betreffen
niet alleen de aantallen gemelde en afgehandelde schades, maar ook tal van andere
onderwerpen.12 Aanvullende wensen vanuit uw Kamer, bewoners, medeoverheden en andere partijen, worden
jaarlijks meegenomen in de gesprekscyclus naar aanleiding van de publicatie van de
SvGND.
Vraag 36
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de rapportage van de Nationaal Coördinator
Groningen (NCG) (Kamerstuk 33 529, nr. 1342) dat er grote ontevredenheid heerst onder bewoners. Waarom worden hier geen acties
en consequenties aan verbonden?
De NCG verbindt acties aan de resultaten van de bewonerstevredenheidsonderzoeken.
Uit het onderzoek van 2025 blijkt dat bewoners behoefte hebben aan een meer proactieve
communicatie en dat de grootste onvrede zit in de planvormingsfase. Voor meer proactieve
communicatie maakt de NCG brieven leesbaarder en meer bewonersgericht, verduidelijkt
de NCG in overleg met de bewoners waarom bepaalde besluiten zijn genomen, en wordt
de planning – of eventuele afwijking daarvan – vroegtijdig met de bewoner gecommuniceerd.
Om de communicatie in de planvormingsfase verder te verbeteren werkt NCG, naast het
verduidelijken van de planning aan bewoners, aan een beter inzicht in de voortgang
en het betrouwbaarder worden in naleving van de planningen.
Vraag 37
Hoe kijkt de regering tegen een totaalaanpak aan waarbij herstel, versterking en verduurzaming
gelijktijdig worden opgepakt? Deelt de regering de mening dat dit waarschijnlijk tot
grotere tevredenheid onder gedupeerden leidt?
Over het algemeen leidt het tegelijkertijd oppakken van schade, versterken en verduurzaming
tot meer tevredenheid. Zoals eerder aangegeven13 is een totaalaanpak niet altijd mogelijk, maar wordt daar waar mogelijk, schadeherstel,
versterking en verduurzaming zoveel mogelijk in samenhang opgepakt. Zo hebben bewoners
zo weinig mogelijk hinder van de werkzaamheden.
Met de artikelen 2a van de TwG en 10l van het Besluit Tijdelijke wet Groningen is
ook wettelijk geregeld dat een eigenaar waar mogelijk recht heeft op een samenhangende
aanpak van schadeafhandeling en versterking. Ook hebben de betrokken overheden en
uitvoeringsorganisaties samen een Agenda voor Herstel opgesteld, met afspraken om
de onderlinge samenwerking te verbeteren.
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat «dit bijvoorbeeld het waar
mogelijk stroomlijnen en vereenvoudigen van processen en het gelijktrekken van de
rechten voor huurders en eigenaren van een gebouw [betekent].»
Vraag 38
Deze leden vragen zich af waarom niet wettelijk wordt vastgelegd dat de rechten voor
huurders en woningeigenaren gelijk worden getrokken, dat ze recht hebben op dezelfde
uitkomst – een veilig, duurzaam en versterkt huis – en vergoeding krijgen als er dezelfde
soort vertraging wordt opgelopen.
Om te voldoen aan mijn zorgplicht voor veiligheid in de Tijdelijke wet Groningen neem
ik alle redelijke maatregelen om veiligheid van Groningers en Noord-Drenten te waarborgen.
Dit geldt voor alle inwoners, eigenaren én niet-eigenaren (waaronder huurders). De
situatie van huurders en eigenaren is alleen wel verschillend. De schadeafhandeling
en de versterkingsoperatie loopt vaak via de eigenaar van een gebouw. Het gaat immers
om vergoeding van schade aan, respectievelijk de versterking van diens eigendom. Dat
laat uiteraard onverlet dat ook huurders (en andere rechtmatige gebruikers, niet zijnde
de eigenaar, zoals gezinsleden of andere medebewoners) schade of overlast kunnen hebben
door de gaswinning of door de versterking naar aanleiding daarvan. De wet onderkent
dit en deze schade wordt gewoon vergoed. Denk hierbij aan immateriële schade, een
overlastvergoeding of een vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen. Ook ontvangen
huurders een vergoeding voor overlast en onzekerheid door lang wachten (maatregel 16
uit Nij Begun).
Vraag 39
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af wat deze wet concreet betekent
voor Batch 1588. Krijgt Batch 1588 recht op dezelfde regelingen als andere bewoners
uit het aardbevingsgebied? Wordt dit wettelijk verankerd? Zo nee, waarom niet? Wat
zijn de mogelijkheden om dit wel te doen?
Dit wetsvoorstel brengt geen inhoudelijke wijzigingen aan in hoofdstuk 5 over de versterkingsoperatie
en heeft daarmee ook geen betekenis voor batch 1.588. Bewoners in de batch 1.588 krijgen
los van dit wetsvoorstel wel recht op verschillende vergoedingen, waar bewoners in
het reguliere versterkingstraject ook recht op hebben. Dit is geregeld via een annex
op het Convenant Batch 1588, tussen het Rijk en de betreffende gemeenten. Hiermee
wordt het verschil in vergoedingen tussen bewoners opgelost. Het gaat hier om de vergoeding
voor ongemak, de vergoeding voor eigen tijd (maatregel 16), de vergoeding voor onafhankelijk
adviseurs en de vergoeding voor verduurzaming binnen de versterking (maatregel 28).
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Bushoff/Beckerman14. Dit kan niet wettelijk vastgelegd worden, omdat de batch 1.588 uitgesloten is van
het reguliere versterkingsproces onder de TwG en de genoemde vergoedingen zijn gekoppeld
aan het versterkingsbesluit op grond van de TwG. Per algemene maatregel van bestuur
zal nog worden geregeld dat eigenaren in de batch 1.588 toegang krijgen tot rechtsbijstand,
op grond van een specifieke delegatiegrondslag hiervoor.
De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel vastlegt dat de Staat
van Groningen en Noord Drenthe inzicht dient te verschaffen in de mate waarin de schadeafhandeling
op een milde, makkelijke en menselijke wijze is uitgevoerd.
Vraag 40
Deze leden vragen de regering inzichtelijk te maken op welke wijze er concreet inzicht
kan worden verkregen in de mate waarin de schadeafhandeling op een milde, makkelijke
en menselijke manier plaatsvindt.
Het IMG maakt door middel van tevredenheidsonderzoeken, zoals de halfjaarlijkse Bouwen
aan Herstel Monitor, inzichtelijk in welke mate de schadeafhandeling op een milde,
makkelijke en menselijke manier plaatsvindt en ook als zodanig wordt ervaren door
inwoners.
In de SvGND zal jaarlijks (onder andere met de resultaten uit de Bouwen aan Herstel
Monitor) inzicht worden geboden in «de kwalitatieve en kwantitatieve effecten van
de uitoefening» van (onder andere) de schadeafhandeling, waarbij ook een analyse zal
worden gegeven «in hoeverre de uitoefening van de taken en bevoegdheden [...] door
het Instituut heeft bijgedragen aan het op een ruimhartige wijze afhandelen van aanvragen
om vergoeding». Dit staat in het voorgestelde artikel 13r, tweede lid. Daarmee is
inzichtelijk in welke mate de schadeafhandeling op een milde, makkelijke en menselijke
manier plaatsvindt. In de opdrachtverstrekking aan het onafhankelijke consortium dat
jaarlijks de SvGND samenstelt, is hier nader invulling aan gegeven. Zie ook het antwoord
op vraag 35.
Vraag 41
Zij vragen de regering in ieder geval aan te geven welke indicatoren zij daarbij hanteert,
hoe zij deze zal meten en hoe zij waarborgt dat zowel de kwantitatieve als kwalitatieve
aspecten van de uitvoering betrouwbaar en toetsbaar worden gerapporteerd.
De monitoring in de SvGND is primair aan het onderzoeksbureau dat hiervoor op grond
van artikel 13s, eerste lid, wordt ingeschakeld. In de Europese aanbestedingsprocedure
die in de zomer van 2025 heeft plaatsgevonden, zijn eisen en voorwaarden gesteld aan
de monitoring. Zo zijn circa 100 indicatoren opgenomen waarover het onafhankelijke
consortium dat de SvGND samenstelt, jaarlijks moet rapporteren. De indicatoren zijn
gekozen naar aanleiding van een onafhankelijk advies waarvoor tussen april en juni
2025 twaalf verdiepingssessies zijn georganiseerd met vertegenwoordigers van het Rijk,
decentrale overheden, uitvoeringsorganisaties, maatschappelijke organisaties en kennispartijen.
Ten aanzien van de schadeafhandeling gaat het bijvoorbeeld om de tevredenheid van
bewoners over de algehele afhandeling van hun schade, specifieke aspecten zoals communicatie
en bereikbaarheid van de dienstverlening, en het vertrouwen in het IMG.
2.1.6. Overleg en reactie
De leden van de CDA-fractie merken op dat nadat de Staat van Groningen en Noord-Drenthe
openbaar is gemaakt, verschillende partijen hierover met elkaar in gesprek gaan. Dit
overleg vindt plaats tussen de betrokken Ministers en vertegenwoordigers van de decentrale
overheden, waaronder gedeputeerde staten, colleges van burgemeester en wethouders
van de gemeenten en het dagelijks bestuur van waterschappen in de regio. Daarnaast
is voorzien dat een delegatie van het kabinet in gesprek gaat met decentrale overheden,
bewoners, maatschappelijke organisaties en andere samenwerkingspartners over de resultaten
van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe.
Vraag 42
Deze leden vragen de regering in hoeverre deze gesprekken openbaar zijn en of er bijvoorbeeld
verslagen van de gesprekken zullen worden gemaakt die beschikbaar zijn voor het publiek.
De SvGND zal voor iedereen beschikbaar zijn. De SvGND wordt in een oplage van tenminste
3000 exemplaren verspreid over de regio, zodat deze ten minste beschikbaar kan zijn
in alle dorp- en buurthuizen en in de steun- en versterkingspunten van IMG en NCG.
Daarnaast komt er een online dashboard, dat doorlopend de laatst beschikbare cijfers
toont (www.dashboardgroningen.nl) én een speciale publieksversie van het rapport, die online vindbaar zal zijn. Op
de dag van verschijnen verzorgt het onderzoeksconsortium een openbare toelichting
op de onderzoeksresultaten. Deze toelichting vindt plaats in de provincie Groningen.
Het kabinet gaat over de resultaten in gesprek met verschillende partijen, waaronder
bewoners, en reflecteert op de uitkomsten van deze gesprekken in zijn kabinetsreactie.
Dit is vastgelegd in artikel 13s, tweede lid. Deelname aan het gesprek over de SvGND
met bewoners staat, binnen de beschikbare capaciteit, open voor iedereen.
Vraag 43
Zij vragen de regering tevens aan te geven in welke mate inwoners, maatschappelijke
organisaties en andere betrokken partijen actief in kunnen spreken of participeren
in de gesprekken over de resultaten van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 42. Ik wil graag
benadrukken dat ik zeer hecht aan actieve betrokkenheid van inwoners en maatschappelijke
partijen. Daarom wordt voorgesteld overleg met bewoners over de resultaten uit de
SvGND wettelijk vast te leggen (artikel 13s, tweede lid).
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel bepaalt dat wanneer doelen
of streefwaarden op het gebied van welvaartsverbetering en verduurzaming niet worden
gehaald, de regering moet aangeven wat nodig is om deze alsnog te realiseren. Mogelijke
maatregelen variëren van het stellen van andere prioriteiten, het stimuleren van derden
bij onvoldoende voortgang en het verspreiden van goede voorbeelden tot het bijstellen
van interventies op basis van nieuwe inzichten.
Vraag 44
Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat afgesproken maatregelen wel
leiden tot het realiseren van de gestelde doelen en streefwaarden. Zij vragen de regering
te verduidelijken wat het in de praktijk betekent als andere prioriteiten worden gesteld,
interventies worden aangepast of het beleid wordt aangepast en hoe hierbij de balans
zal worden gevonden tussen stabiliteit, voorspelbaarheid en de noodzaak tot bijsturen.
De regering wil met het wetsvoorstel op een zo transparant mogelijke wijze omgaan
met het inlossen van de ereschuld aan de Groningers en Noord-Drenten door een openbare
cyclus van planvorming in het uitvoeringsprogramma Rijk, de monitoring daarvan in
de SvGND, en de verantwoording in de kabinetsreactie daarop, met betrokkenheid van
alle relevante partijen, in de wet te verankeren. Hiermee kan de regering niet waarborgen
dat de gestelde doelen worden behaald, wel dat alle betrokkenen, inclusief uw Kamer,
in gesprek kunnen over de maatregelen die daarvoor worden getroffen. Zoals in het
antwoord op vraag 32 is aangegeven, is expliciet in het voorgestelde artikel 13s,
derde lid, opgenomen dat de effectiviteit en prioritering van maatregelen jaarlijks
onderwerp van bespreking zijn.
Vraag 45
Tevens vragen zij de regering om te verduidelijken welke mechanismen er bestaan om
te controleren dat eventuele aanpassingen wél effectief bijdragen aan het behalen
van de doelen.
De effectiviteit van eventuele aanpassingen van de maatregelen zal vanaf de eerstvolgende
SvGND worden meegenomen in de rapportage.
2.2. Koste-wat-kost
Vraag 46
De leden van de D66-fractie constateren dat de Afdeling advisering kritisch is op
artikelen 14 en 14a, omdat deze mogelijk spanning veroorzaken met het budgetrecht
van het parlement.
Kan de regering uiteenzetten waarom de gekozen formulering niet leidt tot beperkingen
van het budgetrecht. Op welke wijze wordt voorkomen dat symbolische bepalingen verwachtingen
creëren die juridisch niet kunnen worden waargemaakt?
De Afdeling advisering maakt een opmerking over het budgetrecht van het parlement
ten aanzien van artikel 14a (en niet ten aanzien van artikel 14). Met artikel 14a
wordt geen verplichting voor de wetgever (inclusief de Tweede en Eerste Kamer) opgenomen
om altijd bedragen te reserveren in de begrotingswetten. Dit zou namelijk een schending
van het budgetrecht zijn. Het artikel verplicht de regering (dus niet het parlement)
om gedurende de looptijd van de generatielange betrokkenheid voorstellen voor begrotingswetten
te doen waarin bedragen zijn opgenomen. De Tweede Kamer kan deze voorstellen amenderen,
aannemen of verwerpen. De Eerste Kamer kan de voorstellen ook aannemen of verwerpen.
Bovendien wordt met de bepaling geen budgettaire ondergrens opgenomen, want het artikel
spreekt in algemene zin over «bedragen». Derhalve blijft het budgetrecht onverkort
van kracht en worden ook geen verwachtingen gewekt die niet kunnen worden waargemaakt.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering is dit nog eens verduidelijkt
in de tekst van artikel 14a (door de toevoeging van «onverminderd artikel 2.3 van
de Comptabiliteitswet 2016» in welk artikel dit budgetrecht is verankerd) en in de
memorie van toelichting. Los hiervan wil het kabinet benadrukken dat het zich volledig
gecommitteerd voelt aan het nakomen van de toezegging die in Nij Begun is gedaan aan
Groningen en Noord-Drenthe om gedurende 30 jaar in totaal € 7,5 miljard vrij te maken
voor sociaal herstel, economisch perspectief en verduurzaming, in het kader van het
inlossen van de ereschuld.
In artikel 14 wordt slechts, vanwege de belangrijke politieke en symbolische betekenis,
vastgesteld wat in juridische zin sowieso al geldt: dat de schadeafhandeling en de
versterking voor zo lang als dat nodig is zullen worden betaald. Koste-wat-kost en
zo lang als het duurt dus. Dit volgt namelijk al uit het feit dat er een juridische
aansprakelijkheid geldt voor beide taken. Ook hier kunnen dus geen valse verwachtingen
worden gecreëerd. Artikel 14 dient ter uitvoering van de motie Klaver c.s.15 die opriep om dit koste-wat-kost-principe wettelijk vast te leggen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat versterking en schadeafhandeling
koste-wat-kost zijn geborgd. Er zijn echter nog veel meer zaken die volgens deze leden
wettelijk geborgd zouden moeten worden.
Vraag 47
Zij vragen waarom het voorkomen van onaanvaardbare verschillen tussen gedupeerden
geen onderdeel is van koste-wat-kost. Waarom wordt het aanpakken van onaanvaardbare
verschillen, zoals in het rapport-Van Geel (Kamerstuk 33 529, nr. 1227) beschreven, niet wettelijk verankerd? Waarom worden het bestrijden van de negatieve
effecten op gezondheid, nadelige gevolgen voor ondernemers in hun bedrijfsvoering
of omzetschade die zij derven, nadelige gevolgen voor (het behoud van) erfgoed, combineren
van schadeherstel met verduurzamen zoals de commissie Van Geel adviseert, en maatregel
1 t/m 33 van Nij Begun niet wettelijk geborgd?
Het principe van «koste-wat-kost» geldt voor de twee taken in de wet die verband houden
met wettelijke aansprakelijkheid, te weten schadeafhandeling en maatregelen in verband
met veiligheid (versterking).16 Deze aansprakelijkheid geldt in ruime zin: álle schade als gevolg van de (bodembeweging
door) gaswinning en het niet naleven van de zorgplicht voor veiligheid (inclusief
gezondheid) vallen hieronder. Koste-wat-kost geldt daarbij voor alles wat direct ter
uitvoering van deze taken gebeurt, en niet voor het aanpakken van onaanvaardbare verschillen
indien die aanpak verder gaat dan in het kader van schadeafhandeling en versterking
(veiligheid) nodig wordt geacht. Dit laat uiteraard onverlet dat de regering wel degelijk
de noodzaak ziet om verschillen aan te pakken waar die onaanvaardbaar zijn.
Besloten is om bij nota van wijziging een artikel toe te voegen aan het wetsvoorstel
waarin een aanpak van verschillen wettelijk wordt geregeld, te weten voor verschillen
met betrekking tot de versterking. Daarnaast bestaat er al een artikel wat via een
amendement17 tot stand is gekomen, wat waarborgt dat door de beëindiging van de gaswinning uit
het Groningenveld de verschillen niet worden vergroot. Ook is er binnen de huidige
wet voldoende ruimte voor het IMG om verschillen te verminderen. Hier is geen aanvullende
verankering voor nodig.
Naast de aanpak van verschillen vraagt u naar de wettelijke verankering van de aanpak
van negatieve effecten op gezondheid, nadelige gevolgen voor ondernemers in hun bedrijfsvoering
of omzetschade die zij derven en nadelige gevolgen voor erfgoed. Aantoonbare nadelige
gevolgen van de gaswinning vallen onder de schadeafhandeling, daarmee is dit in de
huidige wet al geborgd. U vraagt ook ten algemene naar de wettelijke waarborging van
maatregel 1 tot en met 33 uit Nij Begun. Daar waar een wettelijke waarborging nodig
is om de maatregel te kunnen uitvoeren is of wordt dit gedaan.
Tot slot vraagt u naar het combineren van schadeherstel met verduurzamen zoals de
commissie Van Geel adviseert, Hierover is uw Kamer eerder geïnformeerd18 dat het meenemen van verduurzamingsmaatregelen door het IMG niet uitvoerbaar is,
omdat dit aanvullende capaciteit en expertise zou vragen welke ten koste zou gaan
van de reguliere schadeafhandeling.
Vraag 48
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het wettelijk kan worden verankerd
dat de inhoud van toekomstig uit te werken maatregelen aangaande Groningen en Noord-Drenthe
leidend zijn en pas daarna het benodigde budget wordt bepaald. Ook indien dit volgens
de regering al praktijk is: hoe en waar zou dit dan in de wet verankerd kunnen worden?
Voor zover het gaat om schadeafhandeling is al vastgelegd dat deze koste-wat-kost
plaatsvindt. Voor versterking wordt dit met het wetsvoorstel nu ook expliciet geregeld.
Dat betekent dat ook voor eventuele toekomstig uit te werken maatregelen in dat kader
geldt dat budgettaire overwegingen geen rol spelen bij het bepalen daarvan; het budget
volgt uit de maatregel en niet andersom. Zie ook het antwoord op vraag 47. Zoals in
datzelfde antwoord is aangegeven, geldt koste-wat-kost niet voor de verschillenaanpak
die verder gaat dan in het kader van schadeafhandeling en versterking (veiligheid)
nodig wordt geacht. Koste-wat-kost geldt ook niet voor andersoortige maatregelen in
het kader van de twee zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming. Dit zijn
extra taken die niet volgen uit een juridische aansprakelijkheid. De wettelijke verankering
van een koste-wat-kostprincipe voor deze taken, waar feitelijk om wordt gevraagd,
zou strijd met het budgetrecht van het parlement opleveren. In dat geval zou namelijk
wettelijk worden vastgelegd dat de vaststelling van de begrotingswetten door de regering
en het parlement gezamenlijk, de maatregelen die de regering nodig acht altijd zou
moeten volgen. Er zou daarmee geen ruimte meer zijn voor het parlement om nog aanpassingen
te doen in het budget of hier niet mee in te stemmen.
Ook bij de onderdelen waarop koste-wat-kost niet van toepassing is, is de inhoud leidend
(geweest). Het vastgestelde budget komt voort uit de beoogde taken en/of maatregelen
die zijn voorzien. Zoals in de brief aan uw Kamer van 27 maart 2025 aangegeven zal
het kabinet op zoek gaan naar oplossingen binnen de begrotingsregels als het budget
niet toereikend is.
Vraag 49
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen «Hiermee biedt het wetsvoorstel de voor
bewoners gewenste maximale duidelijkheid het kabinet zal blijven doen wat nodig is
om schade op ruimhartige wijze af te handelen en zorg te dragen dat hun woningen voldoen
aan de veiligheidsnorm, ook in de toekomst.»» Deze leden zien echter dat veel woningen
«op norm» worden verklaard zonder dat die woningen verbeterd zijn en ze eerder als
onveilig werden beschouwd. Graag een reflectie van de regering.
Wanneer een woning is opgenomen in de versterkingsopgave betekent dit niet per se
dat de woning onveilig is of versterkt dient te worden. Deze woningen dienen eerst
door de NCG beoordeeld te worden om te bepalen of deze woningen aan de veiligheidsnorm
voldoen. Wanneer de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm, dan volgt een versterkingsbesluit
en zal de woning versterkt worden. Wanneer een woning wel aan de veiligheidsnorm voldoet,
dan is er geen versterking nodig.
Op basis van de Bestuurlijke Afspraken uit 2020 hebben bewoners de mogelijkheid gekregen
om vrijwillig een herbeoordeling aan te vragen. Wanneer door de eigenaar voor zijn
woning met een versterkingsadvies op basis van NPR 9998:2018:T2 of ouder vrijwillig
een herbeoordeling is aangevraagd, kan het zijn dat op basis van de herbeoordeling
minder of geen versterkingsmaatregelen nodig zijn. Dit komt doordat in de meest recente
beoordelingsmethoden rekening is gehouden met de afname van seismiciteit en nieuwe
bouwkundige inzichten. De bewoners die zich hebben gemeld voor een herbeoordeling,
zijn door NCG geïnformeerd over wat een herbeoordeling inhoudt en wat de consequenties
daarvan kunnen zijn. Bewoners die hebben gekozen voor een herbeoordeling op basis
van de nieuwste inzichten, hebben een financiële tegemoetkoming ontvangen conform
de Bestuurlijke Afspraken 2020. Van bewoners met een woning die eerder als onveilig
is aangemerkt, is die woning dus niet zomaar als «veilig» aangemerkt. Dit is op eigen
verzoek gedaan, op basis van onafhankelijk gevalideerde methoden.
Wanneer bewoners het niet eens zijn met dit oordeel of hier twijfel over hebben, kunnen
zij hierover in gesprek met de NCG en indien nodig bezwaar en beroep aantekenen. Bewoners
kunnen bij bezwaar en beroep ook gebruik maken van kosteloze rechtsbijstand en via
de advocaat of mediator bouwkundig advies inwinnen. Met het onderhavige wetsvoorstel
wordt het mogelijk gemaakt dat ook bewoners zelf bouwkundig advies kunnen inschakelen
nadat zij een besluit op norm hebben ontvangen.
Vraag 50
Kan de regering nader toelichten hoe zij borgt dat deze woningen ook echt veilig zijn?
Hoe kan het zo zijn dat deze woningen eerst onveilig werden verklaard en later toch
op norm zijn? Hoe verhoudt dit citaat zich tot het feit dat er al in meer dan 200
rapporten van de NCG fouten zijn gevonden? Hoe garandeert de regering dat de veiligheidsnormen
niet verder naar beneden worden bijgesteld?
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik u ook naar het antwoord op vraag 49. Ik
begrijp dat bewoners gevoelens van onveiligheid kunnen ervaren en twijfels kunnen
hebben over de kwaliteit van beoordelingsrapporten, omdat er fouten zijn gevonden
in de beoordelingsrapporten. Om op grotere schaal zekerheid te bieden over de kwaliteit
van beoordelingsrapporten, doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) hier
onafhankelijk onderzoek naar. Het ACVG heeft in de eerste bevindingen geen aanwijzingen
gevonden om te concluderen dat het veiligheidsoordeel uit reguliere beoordelingen
en beoordelingen in de typologieaanpak niet kloppen. In juni 2026 volgt het definitieve
rapport. Ik hecht eraan dat in de tussentijd eventuele fouten worden opgelost en dat
twijfels worden weggenomen, zoals ook beschreven in mijn Kamerbrief van 13 maart 202519.
Ten aanzien van de vraag of de veiligheidsnorm niet verder naar beneden wordt bijgesteld,
is het belangrijk het volgende op te merken. Sinds 2015 geldt de Meijdam-norm. Voor
nieuwbouw en bestaande bouw betekent dit dat de kans op overlijden 1 op 100.000 personen
per jaar (10–5) mag zijn. Is de kans groter dat een persoon overlijdt door een aardbeving, dan is
versterking van het gebouw nodig. Deze norm is eerst vastgelegd in de Mijnbouwwet
en later overgenomen in de Tijdelijke wet Groningen. Deze norm is sinds introductie
nooit gewijzigd en dat zal ook niet gebeuren. Wat wel is veranderd, is de risicodreiging
in het gebied door het stopzetten van de gaswinning in het Groningenveld. Door het
snel afbouwen en uiteindelijk sluiten van de gaswinningslocaties, is het risico op
(zware) aardbevingen verminderd. Ook is de bouwkundige kennis toegenomen. Daarom is
in 2020 met de regio overeengekomen om de typologieaanpak te introduceren en de Nederlandse
praktijkrichtlijn voor de beoordeling van de veiligheid van gebouwen (NPR 9998) te
herijken. Er is toen ook afgesproken om deze beoordelingsmethoden niet nogmaals aan
te passen. Dat is daarna niet meer gebeurd.
Vraag 51
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dat er onvoldoende garantie is dat
de regering de toezeggingen uit Nij Begun nakomt. Waarom wordt er in de wettekst niet
voor gekozen om «in ieder geval tot en met 2055, voldoende middelen beschikbaar» te
stellen?
In de aan de Afdeling advisering voorgelegde versie van het wetsvoorstel was opgenomen
dat er «tot en met in ieder geval het jaar 2055» jaarlijks een bedrag wordt opgenomen
in de begrotingsstaten van de betrokken ministeries. Naar aanleiding van het advies
van de Afdeling advisering is dit gewijzigd in «gedurende de looptijd van de generatielange
betrokkenheid», omdat dit beter aansluit bij de opdracht die het kabinet in Nij Begun
voor zichzelf heeft geformuleerd. Indien wettelijk zou worden vastgelegd dat er «voldoende middelen» ter beschikking worden gesteld, dan zou dit in strijd zou zijn met het
budgetrecht van het parlement. Ik hecht er overigens aan nogmaals te benadrukken dat
het kabinet zich volledig gecommitteerd voelt aan het nakomen van de toezeggingen
die in Nij Begun zijn gedaan om gedurende 30 jaar in totaal € 7,5 miljard vrij te maken voor sociaal
herstel, economisch perspectief en verduurzaming. Hier is de uitwerking van de Sociale
en Economische Agenda, en de verduurzamingsaanpak ook op gestoeld. Het kabinet zal
conform deze toezegging voorstellen voor begrotingswetten aan uw Kamer blijven doen.
Zie verder het antwoord op vraag 46.
De leden van de CDA-fractie delen de constatering van de regering dat de wettelijke
taken en bevoegdheden van uitvoerende instanties impliceren dat voldoende middelen
moeten worden vrijgemaakt in de begrotingen van de betrokken departementen. In het
wetsvoorstel wordt naar aanleiding van de motie-Vedder c.s. ook benadrukt dat het
schadeherstel, het funderingsschadeherstel en de versterkingsoperatie koste-wat-kost
en voor zolang het duurt worden uitgevoerd. Dit roept de vraag op hoe concreet en
toetsbaar wordt vastgesteld dat de beschikbare middelen daadwerkelijk toereikend zijn
om deze wettelijke verplichtingen adequaat uit te voeren.
Vraag 52
Deze leden vragen de regering uiteen te zetten op welke manier wordt beoordeeld of
de beschikbare middelen voldoende zijn om de wettelijk vastgelegde taken adequaat
uit te voeren. Zij vragen de regering aan te geven welke criteria, indicatoren of
evaluatiemomenten worden gebruikt om te bepalen of er daadwerkelijk voldoende middelen
beschikbaar zijn of dat aanvullende middelen nodig zijn.
Elk jaar worden in de Voorjaarsnota meerjarige ramingen opgenomen van de benodigde
middelen voor de schadeafhandeling en versterkingsoperatie. Deze ramingen worden jaarlijks
opgesteld door het IMG en de NCG, en bijgesteld op basis van realisatiecijfers van
het laatste realisatiejaar, eventuele beleidswijzigingen, veranderde veronderstellingen
ten aanzien van keuzes door aanvragers van schadevergoeding of ontwikkelingen in de
versterkingsoperatie. Ook nieuwe informatie over seismiciteit in het gebied wordt
in de uitgavenramingen verwerkt. Verder sta ik in contact met andere bestuurslagen
en organisaties mochten daar tekorten optreden.
Gedurende het begrotingsjaar worden de uitgaven gemonitord en wordt de Kamer periodiek
op de hoogte gesteld van de ontwikkeling van de uitgaven. Dit gebeurt in de Najaarsnota
en bijbehorende suppletoire begrotingen en uiteindelijk bij de Slotwet. Zodoende kijkt
het kabinet op de reguliere begrotingsmomenten of er aanvullend geld benodigd is.
Vraag 53
Tevens vragen zij de regering uit te leggen hoe er wordt geborgd dat eventuele tekorten
tijdig worden gesignaleerd en opgelost, zodat uitvoering van schadeherstel, funderingsschadeherstel
en de versterkingsoperatie «koste-wat-kost» gegarandeerd is.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 52.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering stelt dat dit wetsvoorstel vastlegt
dat de schadeafhandeling, funderingsschadeherstel voor zover veroorzaakt door de gaswinning
en de versterkingsoperatie koste-wat-kost en voor zo lang het duurt, zullen worden
uitgevoerd. Tegelijkertijd wordt erkend dat funderingsproblemen of andere constructieve
gebreken die niet direct door gaswinning zijn veroorzaakt wel van invloed kunnen zijn
op de terugkeer of verergering van schade door gaswinning. In zulke gevallen kan het
IMG deze problemen via duurzaam herstel aanpakken om een toekomstbestendige oplossing
te bieden. Dit roept vragen op over hoe de oorzaak van funderingsschade wordt vastgesteld
en hoe het principe «koste-wat-kost» wordt toegepast bij herstel van funderingsschade
die niet direct door gaswinning is veroorzaakt.
Vraag 54
Deze leden vragen de regering daarom hoe concreet moet worden aangetoond dat funderingsschade
is veroorzaakt door gaswinning. Tevens vragen zij de regering te verduidelijken hoe
wordt omgegaan met funderingsproblemen of andere constructieve gebreken die niet door
gaswinning zijn ontstaan, maar wel bijdragen aan het terugkeren of verergeren van
gaswinningsschade. Zij vragen de regering in ieder geval duidelijk te maken of het
uitvoeren van maatregelen door het IMG in het kader van duurzaam herstel in deze gevallen
wel of niet onder het «koste-wat-kost»-principe valt.
Bij een schadeopname wordt ook gekeken of sprake is van zettingsschade. Als dit het
geval is wordt dit vermeld in het rapport en beoordeelt de deskundige dit aan de hand
van de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen.20 Dit betekent dat, tenzij er evident en aantoonbaar een andere oorzaak dan de gaswinning
is, deze schade gewoon voor vergoeding in aanmerking komt. Hiervoor geldt koste wat
kost, zo lang als nodig. Vaak komt de deskundige echter tot de conclusie dat de zettingsschade
een autonome oorzaak heeft. Meestal kan de deskundige dit op basis van de schadeopname
in het rapport bepalen, soms is nader funderingsonderzoek nodig om vast te stellen
of er sprake is van schade aan de funderingen die kan zijn veroorzaakt door gaswinning.
Hierbij valt te denken aan de situatie dat onder een deel van een gebouw een kelder
is aangelegd. Het deel van het gebouw op de kelder is niet verzakt en de rest van
het gebouw wel, waardoor scheuren ontstaan. Een ander voorbeeld is dat een woning
op verschillende funderingen is gebouwd, waardoor eveneens scheuren kunnen zijn ontstaan.
Dit soort schade kan ook in de rest van Nederland voorkomen. Als de deskundige een
andere oorzaak dan mijnbouw aanwijst, kan voor verergering van de zettingsschade door mijnbouw een vergoeding worden toegekend.
Een zwakke fundering kan (daarnaast) de kans op herhaalschade door de gaswinning vergroten
of leiden tot verergering van schade. Indien de aanpak daarvan kan worden gezien als
een «redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade» vallen de kosten
daarvoor binnen het aansprakelijkheidsrecht21 en geldt ook daarvoor het koste-wat-kost-principe, ook als de fundering zelf niet
beschadigd is door de gaswinning. In de praktijk biedt het aansprakelijkheidsrecht
hiervoor niet altijd voldoende ruimte, maar vindt het IMG soms toch dat een maatregel
moet worden genomen22. In dat geval kan het IMG duurzaam herstel inzetten. Hiervoor heeft de Kamer met
het amendement Agnes Mulder c.s.23 een aanvullende bevoegdheid gecreëerd. Hierin is ook bepaald dat de hoogte van de
financiële middelen voor de uitvoering van duurzaam herstel per ministeriële regeling
worden vastgesteld. Daarmee valt duurzaam herstel dus niet onder het koste-wat-kost-principe.
Het budget voor duurzaam herstel is Nij Begun overigens verhoogd naar € 1,4 miljard. Hiermee is naar de huidige ramingen ruim voldoende
financiering geborgd.
Vraag 55
De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe de generatielange aanpak zich verhoudt
tot de noodzaak kosten aan bureaucratie te beperken, aangezien reeds nu veel te hoge
kosten aan de kant van de bureaucratie komen te liggen.
De generatielange aanpak is bedoeld om de ereschuld aan Groningen en Noord-Drenthe
in te lossen door te investeren in sociaal herstel, economische ontwikkeling en verduurzaming.
Er is gekozen voor een generatielange aanpak omdat zestig jaar gaswinning uit het
Groningenveld diepe sporen heeft nagelaten, die niet zomaar zijn uitgewist. Hierbij
is van belang dat het geld daadwerkelijk ten goede komt aan bewoners en de regionale
economie, en niet opgaat aan bureaucratie. Er zijn geen signalen dat bij de uitwerking
van de generatielange aanpak tot nu toe te veel geld aan bureaucratie is besteed.
2.3. Nieuwe schadeafhandeling
Vraag 56
De leden van de D66-fractie hechten grote waarde aan een snelle, rechtvaardige en
gelijke afhandeling van schade. In dat licht vragen deze leden om een nadere reactie
op de stevige kritiek van de Afdeling advisering op het begrip «veronderstelde schade»,
dat volgens de Afdeling advisering een principiële afwijking van het aansprakelijkheidsrecht
vormt en kan leiden tot ongelijke uitkomsten tussen gedupeerden.
De parlementaire enquêtecommissie heeft met betrekking tot schadeafhandeling geconcludeerd
dat deze milder, makkelijker en menselijker moet. Zij pleitte voor een verruiming
van de wettelijke opdracht aan het IMG omdat de «aansprakelijkheidsclausule en gebondenheid
aan het Burgerlijk Wetboek leiden tot een strikte toepassing van de wet en beperken
in de praktijk een vlotte, coulante afhandeling van alle schadegevallen»24. Om aan deze aanbeveling te voldoen, heeft het vorige kabinet in maatregel 3 van
Nij Begun aangekondigd dat het IMG bij het afhandelen van fysieke schades tot een
bedrag van € 40.000 zou stoppen met het onderzoek naar de oorzaak van schades die
naar hun aard mijnbouwschade kunnen zijn. Later is dit bedrag naar aanleiding van
een motie van de Tweede Kamer verhoogd naar € 60.000. Hiermee is de keuze voor een
principiële afwijking van het aansprakelijkheidsrecht gemaakt. De introductie van
het begrip «veronderstelde schade» is nodig om het IMG zónder onderzoek naar de schadeoorzaak
tóch schade te kunnen laten afhandelen. Daadwerkelijk herstel sluit daarbij tevens
aan bij het advies van de commissie Van Geel om onderlinge verschillen terug te dringen
en daarmee te zorgen voor minder ongelijkheid, aangezien het resultaat voor iedereen
gelijkwaardig is: een herstelde woning.
Vraag 57
Kan de regering specifiek ingaan op hoe wordt gewaarborgd dat bewoners met schade
boven die grens niet slechter af zijn dan bewoners met schade onder die grens?
Met de regeling voor daadwerkelijk herstel wordt bewoners de keuze geboden om tot
€ 60.000 schades (die naar hun aard mijnbouwschade kunnen zijn) zonder onderzoek naar
de schadeoorzaak te laten herstellen. Het grensbedrag van € 60.000 is niet willekeurig:
het is lijn met de motie Vedder/Boulakjar25 en uit de praktijk blijkt dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg van
gaswinning het grensbedrag van € 60.000 overschrijden. Zeker nu veel eerste schademeldingen
op adressen al zijn afgehandeld.
Daarnaast is er bewust voor gekozen om in het gehele effectgebied te werken met één
grensbedrag van € 60.000. Dit leidt tot hetzelfde beleid in de kern als in de rand
van het aardbevingsgebied en gaat uit van het principe dat gedupeerde bewoners in
aanmerking komen voor een gelijkwaardig resultaat; een herstelde woning. Daarmee worden
nieuwe grenzen en nieuwe verschillen voorkomen. Maar ook een gelijkwaardig resultaat
kan als oneerlijk voelen, bijvoorbeeld voor bewoners in gebieden waar de gevolgen
van de gaswinning het grootst zijn. Het is daarbij belangrijk om te noemen dat er
andere regelingen zijn die zich richten op de bewoners met de grootste problematiek,
zoals onder andere duurzaam herstel, de vaste herhaalvergoeding of de immateriële
schadevergoeding.
Het grensbedrag is nadrukkelijk geen grens waarboven bewoners niet meer geholpen worden,
maar het wordt wel rechtvaardig geacht om een grens te trekken. Zonder grensbedrag
zou namelijk zonder enige beperking schade hersteld kunnen worden die een andere oorzaak
kent dan de gaswinning in Groningen. Hierbij is het belangrijk op te merken dat in
het effectgebied gaswinning een belangrijke oorzaak is van schade, maar dat schade
aan woningen zoals scheuren in muren en verzakkingen vanzelfsprekend ook, net zoals
in de rest van Nederland andere oorzaken kan hebben.
In die situaties waar bij de schadeopname de omvang van de totale schade (zowel schades
als gevolg van de gaswinning als autonome schades) groter is dan € 60.000 zijn er
nog steeds mogelijkheden voor de bewoner:
− Zo zijn bewoners niet uitgesloten van de mogelijkheid van daadwerkelijk herstel, maar
kan de bewoner dan alsnog kiezen tot € 60.000 schade te laten herstellen zonder onderzoek
naar schadeoorzaak.
− De bewoner kan ook kiezen voor een maatwerktraject waarbij alle schades als gevolg
van de gaswinning worden vergoed. Hier geldt het grensbedrag van € 60.000 niet. De
bewoner kan kiezen tussen een financiële vergoeding of een vergoeding in natura, waarbij
de schades als gevolg van gaswinning hersteld worden door een aannemer.
Tot slot heeft het IMG voor knelpunten, complexe dossiers, en vastgelopen of anderszins
bijzondere situaties mogelijkheden om met de inwoner tot een oplossing te komen.
Ik heb het IMG gevraagd te signaleren als het wenselijk is om het grensbedrag integraal
te heroverwegen. Het centrale criterium daarbij is dat het overgrote deel van de schades
binnen het grensbedrag valt.
Vraag 58
Hoe wordt ongelijkheid gemonitord en gecorrigeerd, gezien het risico dat bewoners
in vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 57.
Vraag 59
Hoe wordt voorkomen dat uitvoeringskosten en doorlooptijden stijgen, zoals de Afdeling
advisering verwacht?
Ik vind het belangrijk dat de uitvoeringskosten ook in de komende jaren zo laag mogelijk
blijven op voorwaarde dat bewoners hier geen nadeel van ondervinden. In juni 2025
heb ik uw Kamer geïnformeerd26 dat het IMG verwacht dat met de uitvoering van beleidsmaatregelen en organisatorische
wijzigingen de uitvoeringskosten komende jaren zullen schommelen rond een vergelijkbaar
niveau als 2024. Maatregelen zoals de in 2024 ingevoerde forfaitaire schaderegelingen,
de verhoogde VES en de AVV, kennen relatief lage uitvoeringskosten. Vanaf het tweede
kwartaal van 2026 kunnen bewoners daarnaast bij een herhaalschade kiezen voor een
vaste herhaalvergoeding van € 5.000. Deze forfaitaire regelingen komen tegemoet aan
de wens van bewoners voor een eenvoudige en snelle afhandeling van hun schademelding,
wat zich weer vertaalt in een hogere bewonerstevredenheid. Daarnaast kennen deze regelingen
met vaste vergoedingen efficiënte procedures en daardoor lage uitvoeringskosten.
Zowel de uitvoeringskosten als de doorlooptijden hangen sterk af van de keuzes die
bewoners maken. De forfaitaire regelingen kennen korte doorlooptijden en lage uitvoeringskosten.
De optie van daadwerkelijk herstel heeft hogere kosten, maar een groot gedeelte van
de kosten bestaat uit de persoonlijke benadering en intensieve begeleiding van aanvragers.
Zo kent het proces veel ruimte om aan te sluiten bij de wensen van aanvragers. Dit
betreft bijvoorbeeld de keuze van de aannemer of het startmoment van de werkzaamheden.
De uitvoeringskosten per euro, zullen bovendien naar verwachting lager zijn dan bij
de bestaande maatwerkvariant omdat meer schades voor vergoeding in aanmerking komen
en er minder aanleiding is tot bezwaar en beroepsprocedures.
Overigens wil ik benadrukken dat het beperken van de uitvoeringskosten geen doel op
zich is geweest bij de uitwerking van daadwerkelijk herstel zonder onderzoek naar
de schadeoorzaak. Het doel was de schadeafhandeling voor bewoners milder, makkelijker
en menselijker te maken door een belangrijke aanleiding voor (juridische) discussies
in de afhandeling van fysieke schade weg te nemen.
Vraag 60
Kan de regering verduidelijken hoe wordt geborgd dat bewoners met complexe of meervoudige
schades niet alsnog terechtkomen in langdurige causaliteitsdiscussies?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 57.
Vraag 61
Kan de regering tevens bevestigen dat bewoners kosteloos onafhankelijk advies kunnen
verkrijgen bij het maken van keuzes in de schadeafhandelingsroute?
Het IMG adviseert, als een van de Staat en NAM onafhankelijk instituut, aanvragers
over de verschillende regelingen zodat zij goed geïnformeerd zelf een onderbouwd besluit
kunnen nemen welke regeling voor hen persoonlijk de beste keuze is. Om de aanvrager
nog beter in staat te stellen de voor hem best passende fysieke schadeafhandeling
te kiezen, werkt het IMG aan een generiek intakeproces. Onderdelen van de generieke
intake zijn onder andere het stap voor stap begeleiden van de aanvrager bij het indienen
van een aanvraag (bijvoorbeeld door intakegesprekken in de oriëntatiefase) en het
inzichtelijk maken van beschikbare afhandelingsopties en informatie. De verwachting
is dat de generieke intake eind 2026 geïmplementeerd kan worden. Vooruitlopend daarop
werkt het IMG al zoveel mogelijk in de geest ervan.
Ook na de intake moet de eigenaar op verschillende momenten in een schadetraject keuzes
maken, bijvoorbeeld bij het indienen van een zienswijze als reactie op een schaderapport
of als de eigenaar het schadebesluit ontvangt en hiertegen in bezwaar of beroep zou
willen. De eigenaar kan hierbij kosteloos gedurende het hele proces worden bijgestaan
door een advocaat of mediator of voor bepaalde stappen in het proces de deskundigheid
van een bouwkundige, bodemkundige, financieel deskundige, ecoloog of hydroloog inhuren.
Tot slot kan een bewoner ook terecht bij Stut en Steun voor onafhankelijke hulp en
advies.
De leden van de D66-fractie merken op dat de regering bevestigt dat het niet mogelijk
is om de kosten voor daadwerkelijk schadeherstel volledig te verhalen op de Nederlandse
Aardolie Maatschappij (NAM), omdat slechts schade die juridisch aan de NAM kan worden
toegerekend mag worden doorbelast.
Vraag 62
Deze leden vragen de regering uiteen te zetten welk deel van de kosten voor daadwerkelijk
schadeherstel naar verwachting niet zal kunnen worden verhaald op de NAM en daarmee
door de Staat moet worden gedragen? Kan de regering hierbij verschillende scenario’s
schetsen?
De regering heeft vastgesteld dat niet de volledige kosten van daadwerkelijk herstel
in een heffing kunnen worden opgenomen, omdat bij daadwerkelijk herstel het onderzoek
naar mijnbouwgerelateerde schade wordt losgelaten. Voor het verhalen van alle kosten
voor fysieke schade (en ook daadwerkelijk herstel) moet er een inschatting gemaakt
worden voor kosten waar de NAM aansprakelijk voor is. Momenteel is de regering hard
aan het werk om hiervoor een werkwijze vast te stellen. Op dit moment kan daar nog
geen inzicht in worden verschaft. Mocht de Kamer informatie willen ontvangen over
de methodiek die gehanteerd zal worden voor de doorbelasting van de kosten voor daadwerkelijk
herstel aan de NAM in toekomstige heffingen, dan is het mogelijk om uw Kamer hierover
te informeren door middel van een vertrouwelijke technische briefing.
Vraag 63
Deze leden vragen of de regering bereid is jaarlijks inzichtelijk te maken welk deel
van de kosten voor daadwerkelijk schadeherstel op de NAM wordt verhaald en welk deel
niet? Indien dit niet mogelijk is, kan de regering toelichten waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 62.
Vraag 64
Kan de regering bevestigen dat het ontbreken van volledige verhaalbaarheid op de NAM
geen enkele beperking zal opleveren voor de ruimhartige, snelle en gelijkwaardige
afhandeling van schade voor bewoners?
Ja. In hoeverre kosten op de NAM kunnen worden verhaald heeft geen effect op de inwoners
van Groningen en Noord-Drenthe. De afhandeling van schade en het versterken van de
gebouwen gaat onverminderd door. Daarvoor geldt de koste-wat-kost-bepaling in artikel
14. Ook de afhandeling met daadwerkelijk herstel valt daaronder. Bewoners zullen dus
geen belemmering ondervinden door het ontbreken van volledige verhaalbaarheid van
de kosten op de NAM.
2.3.1. Aanleiding en doel van versoepeling schadeafhandeling
Vraag 65
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «met een ruimere bevoegdheid en
het bijbehorende eigen budget het IMG meer schades vlot en genereuzer [kan] afhandelen.
De bevoegdheid kan bijvoorbeeld verruimd worden door uitbreiding van de wettelijke
opdracht of door het mogelijk te maken om naast de wet aanvullend beleid te maken.»
Kan de regering hierop reflecteren?
Het citaat in deze vraag komt uit het rapport van de Parlementaire enquêtecommissie
aardgaswinning Groningen27. De «ruimere bevoegdheid» slaat terug op de zin ervoor waarin de verbondenheid van
het IMG aan het aansprakelijkheidsrecht wordt genoemd.
Het kabinet heeft verschillende stappen gezet om aan deze aanbeveling van de parlementaire
enquêtecommissie te voldoen. Zo is in september 2023 aan het IMG de taak toebedeeld
om knelpunten als gevolg van schade op te lossen. Daarnaast wordt met voorliggend
wetsvoorstel de wettelijke opdracht van het IMG verruimd doordat het IMG schades tot
€ 60.000 daadwerkelijk kan herstellen, waarbij, vanwege het niet onderzoeken van de
oorzaak van de schades, mogelijk ook schades met een autonome oorzaak worden meegenomen.
Ook is het bedrag van de vaste eenmalige schadevergoeding verhoogd van € 5.000 naar
€ 10.000 en kunnen bewoners gebruikmaken van de aanvullende vaste vergoeding om een
eerder ontvangen schadevergoeding op een adres aan te laten vullen tot maximaal € 10.000.
Vraag 66
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat het niet vaak voorkomt dat het
schadebedrag hoger is dan 60.000 euro. Waarom wordt er niet voor gekozen om het grensbedrag
te laten vervallen zodat in alle gevallen voor een soepeler beoordeling gekozen kan
worden? De Afdeling advisering stelt dat het gevaar van dit bedrag is dat mensen die
veronderstellen dat ze meer schade hebben kans lopen geen schadevergoeding te krijgen.
Kan de regering hierop reflecteren?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 57.
Vraag 67
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat kwijting een voorwaarde is voor
vergoedingen die het IMG verstrekt. Deze leden vinden deze voorwaarde onrechtvaardig.
Kan de regering daarop reflecteren? Waarom wordt er toch voor gekozen om kwijting
als voorwaarde toe te passen. Wat zijn de consequenties van het niet hebben van kwijting
als voorwaarde? Kan de regering verschillende opties in kaart brengen voor een versoepeling
van de finale kwijting, bijvoorbeeld lagere grens in de beoordelingssystematiek van
bijvoorbeeld ook twee millimeter per seconde?
Dit wetsvoorstel bevat geen specifieke bepalingen over de toepassing van voorwaardelijke
finaliteit. Het IMG heeft op 1 november 2021 als onderdeel van de vaste eenmalige
schadevergoeding voorwaardelijke finaliteit geïntroduceerd. In de Beleidsregel schadeafhandeling
Tijdelijke wet Groningen is bepaald dat deze voorwaarde ook door het IMG gekoppeld
kan worden aan de overige regelingen voor fysieke schade: daadwerkelijk herstel en
maatwerk.
De voorwaardelijk finaliteit houdt in dat alle schade als afgehandeld wordt beschouwd,
tenzij er op dat adres een nieuwe beving plaatsvindt of als indirecte effecten van
diepe bodemdaling tot schade kunnen leiden. Bij ook maar een kleine kans op nieuwe
schade ten gevolge van de gaswinning wordt een melding door het IMG beoordeeld en
behandeld. Hier is onder andere voor gekozen omdat het IMG zich met deze voorwaarde
kan richten op de gebieden waar nog steeds aardbevingen plaatsvinden als gevolg van
de gaswinning. Waar geen bevingen meer plaatsvinden, hoeft het IMG dan geen schade
meer te behandelen en beoordelen terwijl de kans op toekenning van schade zeer beperkt
is. Dit voorkomt niet alleen een groot beslag op de uitvoering met bijbehorende kosten,
maar ook onterechte verwachtingen, onzekerheid en teleurstelling bij bewoners. Het
zorgvuldig en in één keer opnemen en behandelen van schades zorgt ook bij bewoners
voor duidelijkheid.
Bij de vaste eenmalige schadevergoeding en daadwerkelijk herstel wordt er helemaal
geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van de schade. Dit betekent dat de schade ruimhartig
wordt vergoed, maar ook dat schade waarvoor een andere oorzaak kan bestaan wordt vergoed.
Vanwege deze ruimhartige component in de regelingen wordt het door het kabinet en
het IMG rechtvaardig geacht dat nieuwe schade kan worden gemeld na een beving met
een trillingssnelheid vanaf 5 mm/s. De kans op schade is daarbij lager dan 1%. De
ervaring met de vaste eenmalige schadevergoeding tot op heden en de hoge aanvragerswaardering
laat zien dat deze voorwaarde door bewoners als begrijpelijk wordt gezien. Bij maatwerk
wordt wel naar de oorzaak van de schade gekeken en wordt in lijn met het wettelijk
bewijsvermoeden weer een aanvraag voor schadevergoeding in behandeling genomen als
er sprake is geweest van een beving van minimaal 2 mm/s. Daarbij is de kans op schade
0,01% (1 op 10.000).
Een versoepeling van de voorwaarden betekent dat de kans op overcompensatie toeneemt,
met name in gebieden waar de kans op schade veroorzaakt door gaswinning klein is.
Vraag 68
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat de nieuwe maatregelen van daadwerkelijk
herstel ook weer tot nieuwe vormen van ongelijkheid kunnen leiden. Voorziet de regering
zulke ongelijkheden? Hoe gaat de regering zulke nieuwe onaanvaardbare verschillen
tegen? Zijn er ook gedupeerden die nadeel ondervinden aan de nieuwe maatregelen van
daadwerkelijk herstel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op vraag 13, 14 en 57.
Vraag 69
In de memorie van toelichting lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat het
doel is dat vuistdikke deskundigenrapporten tot de verleden tijd gaan horen. Uitgebreide
rapporten zijn echter ook onderdeel van de maatregel daadwerkelijk herstel. Graag
een reflectie van de regering.
De term «vuistdikke» deskundigenrapporten in deze vraag komt in de memorie van toelichting
voor in een citaat uit het rapport van de eerste evaluatie van de TwG, in september
202228.
Daadwerkelijk herstel heeft tot doel bewoners in staat te stellen schades tot een
bedrag van € 60.000 te laten herstellen door een eigen aannemer of een aannemer van
IMG, ongeacht de oorzaak van die schades. Om dat mogelijk te maken wordt een rapport
opgesteld om die schades volledig in beeld te brengen en de herstelkosten te berekenen.
Dit is van belang voor zowel de bewoner als de aannemer die met het rapport aan de
slag gaat. Een rapport is zo beperkt mogelijk en zo uitgebreid als voor een deugdelijk
herstel minimaal nodig is.
Vraag 70
De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering borgt dat versoepeling daadwerkelijk
leidt tot lastenverlichting voor bewoners en niet tot verdere complexiteit door nieuwe
varianten en regels.
Met het bieden van ruimte aan het IMG om schade te vergoeden zonder onderzoek naar
de schadeoorzaak wordt een belangrijke en breed gedragen wens tot versoepeling van
de schadeafhandeling mogelijk gemaakt. Bij daadwerkelijk herstel is discussie over
het al dan niet bestaan van causale verbanden tussen de gaswinning en de schade namelijk
niet meer aan de orde.
Vraag 71
Deze leden vragen of de regering alternatieve opties heeft overwogen om te voldoen
aan de aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen,
namelijk: ruimere bevoegdheden en een eigen budget voor het IMG ten behoeve van een
vlottere en genereuzere afhandeling van de schades? Zo ja, welke mogelijkheden zijn
verkend en waarom zijn deze niet gekozen?
De parlementaire enquêtecommissie merkte op dat de gebondenheid van het IMG aan het
aansprakelijkheidsrecht en het Burgerlijk Wetboek leidt tot beperkingen in de ruimhartigheid
van de schadeafhandeling. Daarop volgde de aanbeveling om de wettelijke bevoegdheid
van het IMG te verruimen. Er zijn vervolgens, in overleg met het IMG, verschillende
varianten verkend. Zo is gekeken naar meerdere opties om uitvoering te geven aan de
wens om te stoppen met onderzoek naar de causaliteit in de schadeafhandeling. Ook
is er gekeken naar meerdere varianten van de knelpuntenregeling en de hoogte van de
vaste eenmalige schadevergoeding. Uiteindelijk is gekozen voor de variant waarmee
het IMG met de knelpuntenregeling de ruimte heeft gekregen om knelpunten op te lossen
buiten het aansprakelijkheidsrecht en daarnaast ook te kiezen voor ruimhartigheid
in algemene regelingen zoals de vaste eenmalige schadevergoeding, een vaste herhaalvergoeding
en daadwerkelijk herstel. Voor andere varianten is niet gekozen omdat dit bijvoorbeeld
voor slechts een beperkte doelgroep een oplossing bood, het de ongelijkheid vergrootte
of omdat het niet uitvoerbaar bleek.
2.3.2. Daadwerkelijk schadeherstel zonder onderzoek naar de schadeoorzaak
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat daadwerkelijk schadeherstel zonder
onderzoek naar de schadeoorzaak wettelijk wordt vastgelegd. Echter verloopt het daadwerkelijk
schadeherstel dramatisch traag. Afgelopen zomer kwam het bericht naar buiten dat slechts
194 mensen waren geholpen.
Vraag 72
Wat zijn de wettelijke mogelijkheden om dit te versnellen? Hoe reflecteert de regering
op het trage verloop van deze regeling? Heeft de regering overwogen de regeling aan
te passen gezien het trage verloop?
De snelheid waarmee daadwerkelijk herstel wordt aangeboden of uitgevoerd is niet het
gevolg van wettelijke mogelijkheden of wettelijke vereisten.
Ik kan me voorstellen dat het beperkte gebruik van de mogelijkheid van daadwerkelijk
herstel vraagtekens oproept. De kanttekening die ik daarbij wil maken is dat daadwerkelijk
herstel een nieuwe optie is en dat de start van daadwerkelijk herstel in september
2024 gericht was op leren en processen verbeteren. Dan nog blijft het teleurstellend
dat afgelopen zomer het bericht kwam dat het IMG een groot deel van de circa 2.500 aanvragen
moest pauzeren. Mede doordat bewoners de tijd is gegeven om tot een definitieve een
keuze te komen voor daadwerkelijk herstel, bleek door verloop van de tijd een groot
deel van de schade-opnames inmiddels verouderd. Om bewoners niet tekort te doen, moest
de werkwijze hierop worden aangepast. Inmiddels is het IMG met de nieuwe werkwijze
gestart en op dit moment hebben ruim 800 aanvragers definitief gekozen voor daadwerkelijk
herstel. Het IMG verwacht halverwege het jaar 2026 de opnames te hebben afgerond en
alle 2.500 bewoners een voorstel te hebben gedaan voor het daadwerkelijk herstel van
hun woning. Voor de meest actuele voortgangscijfers verwijs ik graag naar het dashboard
van het IMG (www.schadedoormijnbouw.nl/dashboard).
Vraag 73
De leden van de CDA-fractie constateren dat het grensbedrag van 60.000 euro voor daadwerkelijk
herstel bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) zal worden vastgelegd. Hiermee wordt
ruimte geboden om rekening te houden met toekomstige (prijs)ontwikkelingen en kan
het grensbedrag indien nodig worden aangepast zonder dat daar een wetswijziging voor
nodig is. Dit roept bij deze leden de vraag op wanneer een dergelijke aanpassing aan
de orde kan zijn en op basis van welke criteria dit wordt beoordeeld. Zij vragen de
regering te verduidelijken welke afwegingen bepalen of en wanneer het grensbedrag
zal worden verhoogd. Zij vragen de regering tevens aan te geven of bij een eventuele
herziening ook wordt gekeken naar het percentage van schades dat onder het grensbedrag
valt.
Zoals ik bij het antwoord op vraag 57 heb aangegeven, is het grensbedrag van € 60.000
niet willekeurig. Uit de praktijk blijkt dat het zeer beperkt voorkomt dat schades
als gevolg van gaswinning het grensbedrag van € 60.000 overschrijden. Bij de beantwoording
van vragen van uw Kamer heb ik aangegeven dat circa 95% van de schademeldingen binnen
dit grensbedrag valt.29 De laatste cijfers geven aan dat dit percentage inmiddels nog hoger ligt. Dat moet
ook zo blijven en daarom heb ik het IMG gevraagd te signaleren als het wenselijk is
om het grensbedrag integraal te heroverwegen. Het centrale criterium daarbij is dat
het overgrote deel van de schades binnen het grensbedrag valt.
Vraag 74
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Afdeling advisering in haar advies
over het wetsvoorstel stelt dat het niet mogelijk is om de kosten voor daadwerkelijk
herstel volledig in rekening te brengen bij de NAM. Deze constatering wordt door de
regering onderschreven. In de periodieke heffingsbesluiten zal volgens de regering
worden onderbouwd welk gedeelte van de kosten voor daadwerkelijk schadeherstel in
de heffing op de NAM worden betrokken. De leden van de CDA-fractie achten het van
belang dat de Kamer al voorafgaand aan de heffingsbesluiten beter in beeld heeft welk
deel van de kosten voor daadwerkelijk herstel wel en niet in rekening kunnen worden
gebracht bij de NAM. Deze leden vragen de regering hier uitgebreider op in te gaan
en daarbij in ieder geval aan te geven op basis waarvan wordt besloten of kosten al
dan niet in rekening worden gebracht bij de NAM en wat de verwachte totale kosten
zijn voor de Staat van het daadwerkelijk herstel waarvan de kosten niet in rekening
kunnen worden gebracht bij de NAM.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 62.
Vraag 75
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Werkgroep Mijnbouwschade heeft gevraagd om
een uitzonderingsbepaling ten aanzien van het grensbedrag van 60.000 euro. Omdat het
criterium middels een AMvB wordt geregeld, wordt een uitzonderingsbepaling op wetsniveau
niet passend geacht. Deze leden vragen de regering of en op welke een mogelijke uitzonderingsbepaling
ten aanzien van het grensbedrag van 60.000 euro in de AMvB worden opgenomen. Zij vragen
de regering tevens om, indien dat het geval is, te verduidelijken hoe wordt bepaald
onder welke omstandigheden en criteria een uitzondering kan gelden.
Er is geen uitzonderingsbepaling ten aanzien van het grensbedrag van € 60.000 voor
een specifieke doelgroep voorzien in de algemene maatregel van bestuur. Voor een toelichting
daarop verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 57.
Vraag 76
De leden van de CDA-fractie lezen dat op basis van de eerste indicatieve gegevens
in ieder geval 1.800 (van de circa 13.000) bewoners zullen kiezen voor daadwerkelijk
herstel. Deze leden vragen de regering wat op dit moment de actuele status is van
(de uitvoering van) daadwerkelijk herstel en hoeveel bewoners daar (definitief) voor
hebben gekozen. Zij vragen de regering tevens aan te geven welke gevolgen dit keuzegedrag
heeft voor de uitvoering van de schadeafhandeling door het IMG, bijvoorbeeld op het
gebied van planning, capaciteit en regeldrukkosten. Tevens vragen zij de regering
wanneer de eerste ervaringscijfers worden verwacht en welke gegevens en indicatoren
daarin worden meegenomen om inzicht te geven in de effectiviteit, uitvoerbaarheid
en tevredenheid van bewoners.
Daadwerkelijk herstel kan met eigen aannemer of met een aannemer die is ingeschakeld
door IMG, respectievelijk door het IMG afgekort als «HEA» en «HAI». Begin 2026 hebben
355 aanvragers een voorlopige, en hebben 236 een definitieve, keuze gemaakt voor HEA.
Voor HAI hebben 405 aanvragers een voorlopige keuze gemaakt en 317 aanvragers definitief30. Deze aantallen kunnen op dit moment goed worden verwerkt door het IMG. Medio januari
2026 zijn op circa 100 adressen de herstelwerkzaamheden reeds afgerond.
Sinds de start van de herstelregelingen zijn de ervaringen van aanvragers en aannemers
ad-hoc uitgevraagd met als doel doorontwikkeling en verbetering van de regelingen.
Vanaf januari 2026 wordt dit structureel belegd door middel van een bewonerstevredenheidsonderzoek.
Aanvragers ontvangen een uitnodiging voor deelname zodra de herstelwerkzaamheden zijn
afgerond.
In het bewonerstevredenheidsonderzoek wordt onder meer gekeken naar de volgende aspecten:
tevredenheid over het IMG, de regeling en het functioneren van de aannemer (bij HAI),
de moeite die het proces een aanvrager heeft gekost en de mate waarin er oog was voor
de persoonlijke situatie. De resultaten van het bewonerstevredenheidsonderzoek worden
inzichtelijk gemaakt met de halfjaarlijkse Bouwen aan Herstel Monitor van het IMG.
HAI scoort op dit moment een 7.6 en het tevredenheidscijfers voor HEA wordt vanaf
januari 2026 uitgevraagd. Wel zijn alle HEA-aanvragers na afronding van de herstelwerkzaamheden
gebeld en zij geven aan tevreden te zijn.
Vraag 77
De leden van de SP-fractie vragen of de regering heeft overwogen om de maatregel van
daadwerkelijk herstel met de grens van 60.000 euro met terugwerkende kracht toe te
passen, zodat eerdere gevallen die zijn afgedaan zonder deze mogelijkheid niet worden
benadeeld. Welke overwegingen hebben hierbij een rol gespeeld?
Het met terugwerkende kracht uitvoeren van daadwerkelijk herstel zonder onderzoek
naar de schadeoorzaak bij herstelkosten tot € 60.000 in algemene zin is niet haalbaar.
Kortheidshalve wordt voor nadere toelichting over dit onderwerp verwezen naar de Kamerbrief
over de omgang met terugwerkende kracht van 16 juni 202331 en de Kamerbrief van 6 oktober 202332.
Verder verwijs ik u graag naar de antwoorden op de vragen 13 en 14.
2.3.3. Keuzevrijheid voor aanvragers
Vraag 78
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of nader kan worden toegelicht hoe
het bedrag van de forfaitaire vergoeding van 10.000 euro tot stand is gekomen.
Bij de vaststelling van het bedrag van € 10.000 voor de forfaitaire vergoedingen (vaste
eenmalige schadevergoeding en aanvullende vaste vergoeding) is getracht een balans
te vinden tussen snelheid, (uitvoerings)kosten en rechtmatigheid van de afhandeling
binnen de kaders van het aansprakelijkheidsrecht. Voor dit bedrag is gekozen omdat
daarmee een grote doelgroep een snelle en eenvoudige regeling kon worden geboden,
zonder dat een te groot risico op overcompensatie ontstond. De Afdeling advisering
van de Raad van State heeft in haar advies op het voorliggende wetsvoorstel aangegeven
een vaste eenmalige vergoeding van € 10.000 – mede gelet op de uitvoeringskosten van
een maatwerktraject – een goed verdedigbare keuze te achten.
2.3.4. Uitzonderingssituaties
Vraag 79
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie missen een notie over de beoordeling of de
zwaarst gedupeerden wel profiteren van de maatregelen. Waarom wordt zo’n beoordeling
geen onderdeel van het beleid? Waarom krijgt de IMG geen wettelijke bevoegdheid om
in de kern van het gebied tot versoepeling van schadeafhandeling te komen?
Ook ik vind het belangrijk om specifiek aandacht te hebben voor de zwaarst gedupeerden,
dit is dan ook zeker onderdeel van ons beleid. Er zijn meerdere schaderegelingen die
zich met name richten op de bewoners in de kern van het effectgebied, zoals duurzaam
herstel en de vaste herhaalvergoeding.
Specifiek voor daadwerkelijk herstel is er bewust voor gekozen, zoals ook bij vraag
57 is aangeven, om in het gehele effectgebied te werken met één grensbedrag van € 60.000.
Daarmee worden nieuwe grenzen en nieuwe verschillen voorkomen. Daarbij geldt dat ook
in de kern de groep waarbij herstelkosten groter zijn dan € 60.000, heel klein is
en ook deze bewoners goede mogelijkheden hebben hun schade te laten vergoeden of herstellen.
Tot slot is met het Interventieteam Vastgelopen Situaties en de Commissie Bijzondere
Situaties een vangnet beschikbaar voor specifiek schrijnende of complexe dossiers.
Agrariërs, ondernemers en erfgoedeigenaren kunnen aanvullend worden geholpen via het
Agroprogramma, MKB-programma of Erfgoedprogramma.
2.3.5. Voorwaarden in de schadeafhandeling
Vraag 80
De wetstekst geeft aan dat gedupeerden hun schadeclaim op de veroorzaker geheel overdragen
aan de Staat, voorafgaand aan uitkering, herstel en/of versterking. De leden van de
SP-fractie vragen de regering of dit niet in feite neerkomt op een door de Staat opgelegde
algehele kwijting. Deze leden achten het onaanvaardbaar dat bewoners finale kwijting
moeten geven voor schadevergoeding of schadeherstel. Zij verzoeken de regering toe
te lichten hoe deze verplichting zich verhoudt tot het bedrag van de ereschuld en
het blijvend risico op vervolgschade, ook na beëindiging van de gaswinning.
Deze voorwaarde is al sinds de inwerkingtreding van de TwG op 1 juli 2020 in artikel
2, derde lid, onderdeel a, subonderdeel 1, opgenomen. De achtergrond van deze voorwaarde
is dat de bewoner de keuzevrijheid heeft om ofwel de NAM rechtstreeks te blijven aanspreken
op schadevergoeding (zoals de bewoners hebben gedaan die onlangs via DeHaan advocaten
een schikking hebben getroffen met de NAM over immateriële schade en gederfd woongenot)
ofwel de schadeafhandeling door het IMG te laten uitvoeren. Een gemaakte keuze voor
de afhandeling via het IMG moet wel een definitieve zijn. Dat is in paragraaf 3.2.2
van de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel33 nader toegelicht. In de kern: «Het is echter niet de bedoeling dat gedupeerden voor
dezelfde schade verschillende procedures tegelijk of achter elkaar kunnen voeren.
Dit leidt tot onduidelijkheid, dubbel werk en mogelijk tot dubbele vergoedingen.»
Dit maakt het ook mogelijk dat de overheid de kosten op de NAM kan verhalen.
Vraag 81
De leden van de SP-fractie constateren dat het IMG recent finaliteit heeft geïntroduceerd
in de schadeafhandeling, gebaseerd op de veronderstelling dat de seismische activiteit
afneemt en toekomstige schade minder vaak zal optreden. De recente beving in Zeerijp
laat echter zien dat finaliteit vooralsnog niet aan de orde kan zijn. Deze leden vragen
de regering hoe zij deze nieuwe praktijk van finaliteit beoordeelt in het licht van
het kabinetsuitgangspunt «zoveel en zo lang als noodzakelijk», en op welke wijze in
de wet wordt voorkomen dat finaliteit leidt tot onzekerheid bij gedupeerden over de
vergoeding van toekomstige schade?
De voorwaardelijke finaliteit houdt in dat alle schade na het tekenen van een vaststellingsovereenkomst
als afgehandeld wordt beschouwd, maar wel met de belangrijke kanttekening dat als
een nieuwe aardbeving plaatsvindt waarbij er ook maar een kleine kans op schade is,
of als bijvoorbeeld indirecte effecten van diepe bodemdaling tot schade kunnen leiden,
een aanvraag tot schadevergoeding gewoon in behandeling zal worden genomen. Na een
aardbeving als in Zeerijp zal dit voor veel bewoners aan de orde zijn. Aanvullend
verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 67.
2.3.6. Gegevensuitwisseling en verwerking
Vraag 82
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting «zo kan
het IMG ook zogenoemde «stille gedupeerden» actief benaderen om hen te informeren
en te ondersteunen bij fysieke schade aan hun woning, of andere soorten schade zoals
waardedaling of immateriële schade.» Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht? Kan
dit niet worden beschouwd als een recht?
De Wet Groningen kent, indien het voorgelegde wetsvoorstel in werking treedt, drie
zorgplichten: voor de veiligheid (artikel 13ba), voor brede welvaart (artikel 13o)
en voor verduurzaming (artikel 13p). Voor schadeafhandeling bestaat er geen zorgplicht
omdat in de schadeafhandeling het IMG (publiekrechtelijk) de aansprakelijkheid van
de NAM afhandelt. De schadeafhandeling gaat uit van een aanvraag van een eigenaar
van een gebouw of een ander object met schade als gevolg van de gaswinning, die het
IMG vervolgens behandelt. Indien de schade valt binnen het bereik van het IMG, heeft
de aanvrager recht op een vergoeding. Bij stille gedupeerden (niet-aanvragers) gaat
het om mensen die, om welke reden dan ook, nooit een aanvraag hebben gedaan voor een
schaderegeling of niet voor alle relevante regelingen, maar waarvan het IMG op basis
van de hun bekende gegevens vermoedt dat zij wel recht hebben op een schadevergoeding
áls zij een aanvraag zouden indienen. Om deze bewoners te bereiken maakt het IMG al
gebruik van algemene communicatiemiddelen als advertenties, nieuwsberichten en brochures.
Voorliggend wetsvoorstel stelt het IMG daarnaast in staat om gericht bewoners te benaderen
die nog geen schadeaanvraag hebben gedaan en hen te wijzen op de mogelijk om alsnog
een aanvraag in te dienen.
2.4. Collegiaal bestuur SodM
Vraag 83
De leden van de D66-fractie steunen de wens tot versteviging van onafhankelijk toezicht,
maar vragen of de regering nader kan onderbouwen waarom niet wordt gewacht op de Kaderwet
rijksinspecties, waar deze onderwerpen ook worden geregeld. Kan de regering uiteenzetten
hoe wordt voorkomen dat de commissie van advies een dubbelrol krijgt, waarbij zij
zowel moet adviseren over kwaliteitsbeleid als functioneren van bestuurders, wat volgens
de Afdeling advisering de onafhankelijkheid kan ondermijnen?
Er is voor gekozen om niet te wachten met het introduceren van collegiaal bestuur
voor het SodM op de Kaderwet rijksinspecties, omdat met het onderhavige wetsvoorstel
beoogd wordt alle aanbevelingen van de enquêtecommissie en maatregelen uit Nij Begun
die een verankering op wetsniveau behoeven, te bundelen. Nu het introduceren van collegiaal
bestuur bij het SodM een specifieke aanbeveling van de enquêtecommissie was, die ook
al is omarmd in Nij Begun, zie ik geen reden om met het uitvoeren hiervan te wachten
op de Kaderwet rijksinspecties. Verder past de opmerking dat de voorgestelde wijzigingen
van de Mijnbouwwet geheel in lijn zijn met de voorstellen in de Kaderwetrijksinspecties.
Het voorgestelde artikel 4 van de Kaderwet schrijft immers voor dat de Minister onder
wie een rijksinspectie ressorteert voor die rijksinspectie vastlegt of sprake is van
een eenhoofdige of meerhoofdige leiding. Daarmee regelt de Kaderwet dit onderwerp
dus niet, maar laat die regeling aan de desbetreffende Minister over. De voorgestelde
aanpassing van artikel 126 van de Mijnbouwwet ter uitvoering van maatregel 38 uit
Nij Begun past bij deze opdracht, maar legt deze keuze op wetsniveau vast in plaats
van bij ministerieel organisatiebesluit omdat het SodM in de Mijnbouwwet is ingesteld
en de bestuursvorm daar ook is vastgelegd. In de memorie van toelichting bij de Kaderwet
wordt ook expliciet verwezen naar de aangekondigde introductie van collegiaal bestuur
bij het SodM als gevolg van de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie
waarbij wordt opgemerkt dat de gekozen formulering van genoemd artikel 4 van de Kaderwet
daaraan niet in de weg staat.
Voor de figuur van de commissie van advies (hierna: CvA) is aansluiting gezocht bij
artikel 17 van de voorgestelde Kaderwet. Dat artikel schrijft voor dat elke rijksinspectie
een commissie van advies krijgt. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij dat
wetsvoorstel heeft deze commissie een klankbordfunctie richting de leiding van de
rijksinspectie en adviseert zij over de uitvoering van haar taken, de organisatie
van de rijksinspectie, het kwaliteitsbeleid, en de maatschappelijke impact van het
toezicht. De CvA heeft geen hiërarchische bevoegdheden ten opzichte van de inspectie
en heeft evenmin een toezichthoudende taak op die inspectie. Het toekennen van een
extra adviserende taak aan diezelfde CvA in de Mijnbouwwet ten aanzien van het functioneren
van de leden van het bestuur verdraagt zich met genoemde adviestaken en uitgangspunten.
Deze adviestaak vindt net als de introductie van collegiaal bestuur zijn oorsprong
in de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie. De procedure van beoordeling
van de bestuursleden van SodM krijgt zo een extra waarborg op onafhankelijkheid, terwijl
tegelijkertijd de ministeriële verantwoordelijkheid voor de rijksinspectie in stand
wordt gehouden. Doordat de adviestaken voor de CvA op grond van enerzijds de voorgestelde
Kaderwet en anderzijds artikel 126a Mijnbouwwet elk een eigen karakter hebben en de
spectra waarover de advisering plaatsvindt ver uit elkaar liggen, acht ik, anders
dan de Afdeling advisering, het risico op een problematische dubbelrol niet aanwezig.
Advisering over de strategie van een rijksinspectie als geheel bijt niet met het geven
van een advies over het functioneren van de leden van het bestuur. Daarnaast mag van
de leden van de commissie de nodige professionaliteit worden verwacht om beide taken
naar behoren uit te voeren.
2.5. Benoemingsprocedure bestuursleden IMG
Vraag 84
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe de benoemingsprocedure bijdraagt
aan onafhankelijkheid en kwaliteit van het IMG en hoe wordt geborgd dat bewonersperspectief
wordt betrokken bij het opstellen van selectieprofielen.
Aan de onafhankelijkheid en kwaliteit van het IMG wordt in het kader van de benoemingsprocedure
vooral bijgedragen door de instandhouding van de procedure voor benoeming van leden
van het bestuur van het IMG door de regering (bij koninklijk besluit) en het feit
dat de verantwoordelijkheid voor de schadeafhandeling en die voor mijnbouwactiviteiten,
die ten grondslag liggen aan de schade die het IMG behandelt, niet in één hand liggen.
Dat laatste wordt tot nu toe gewaarborgd doordat de benoeming bij koninklijk besluit
geschiedt op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, die geen beleidsverantwoordelijkheid
draagt voor mijnbouw. Het huidige kabinet heeft bij zijn aantreden op 2 juli 2024
de politieke verantwoordelijkheid voor het schadeherstel en de versterkingsoperatie
in het aardbevingsgebied sowieso gescheiden van de verantwoordelijkheid voor mijnbouw.
De schadeafhandeling door het IMG is onder de verantwoordelijkheid gebracht van de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in dezen de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, terwijl de verantwoordelijkheid voor
het beleidsonderwerp mijnbouw bij de Minister van Klimaat en Groene Groei is ondergebracht.
Hierdoor is er geen noodzaak meer om de voordracht voor de benoemingen bij koninklijk
besluit van de leden van het bestuur buiten de verantwoordelijkheid van de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te organiseren.
2.6. Evaluatiebepaling
Vraag 85
Nu de structurele evaluatieverplichting vervalt, vragen de leden van de D66-fractie
of de regering bereid is periodiek een onafhankelijke externe evaluatie aan de Kamer
aan te bieden, ter versterking van de parlementaire controle.
Zoals in paragraaf 2.6 van de memorie van toelichting is aangegeven, is de bestaande
evaluatiebepaling overbodig geworden doordat de SvGND jaarlijks een onafhankelijk
overzicht geeft van, en oordeel biedt over, de resultaten en effecten van de taken
van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op het gebied van schadeherstel,
versteking, verduurzaming en brede welvaart. Deze SvGND neemt daardoor de plaats in
van de evaluatiebepaling en biedt de evaluatie waar de leden van de D66-fractie om
vragen.
2.7. Geografische verduidelijking publiekrechtelijke schadeafhandeling
Vraag 86
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er gereflecteerd kan worden op het
uitsluiten van deze regelingen voor mensen rondom Ekehaar.
Het onderhavig wetsvoorstel ziet op de afhandeling van schades als gevolg van de exploitatie
van het Groningenveld en de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk. Ekehaar ligt op enige
afstand van het gebied waar schade kan zijn veroorzaakt door het Groningenveld of
de gasopslagen en valt als zodanig buiten de reikwijdte van deze schaderegelingen.
3. Verhouding tot nationale wetgeving
Vraag 87
De leden van de D66-fractie vragen of de regering risico ziet op precedentwerking
voor andere mijnbouwgebieden of andere vormen van fysieke schade veroorzaakt door
overheidshandelen of industriële activiteiten.
Het kabinet onderkent dat verschillen in schadeafhandelingsregimes tussen mijnbouwgebieden
in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onrechtvaardigheid en willekeur en de
vraag om meer uitzonderingen op het generieke regime. Dit is de reden dat de keuzes
voor de afwijkende regimes in zowel Groningen als Zuid-Limburg zorgvuldig onderbouwd
zijn. Samengevat verschilt het schadebeeld in deze gebieden in aantal, ernst en omvang
met het schadebeeld als gevolg van mijnbouw in de rest van Nederland. Het kabinet
vindt het daarom gerechtvaardigd dat er zowel in Groningen als in Zuid-Limburg een
andere wijze van schadeafhandeling is. In de rest van het land is eventuele mijnbouwschade
niet vergelijkbaar qua ernst en omvang, en ziet het kabinet dan ook geen reden om
af te wijken van de bestaande werkwijze. Onafhankelijke, toegankelijke en adequate
beoordeling en afhandeling is daar gewaarborgd door de instelling van de Commissie
Mijnbouwschade. Wanneer zich door andere dan mijnbouwactiviteiten uitzonderlijke schade
voordoet, zal het kabinet eenzelfde afweging moeten maken.
4. Uitvoering
Vraag 88
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe de uitvoeringscapaciteit van de
betrokken organisaties voldoende wordt geborgd. Kan de regering aangeven welke aanvullende
investeringen nodig zijn voor uitvoering, digitalisering en personele capaciteit.
Hoe wordt voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan? Kan de regering tevens toelichten
hoe wordt gezorgd voor duidelijke en eenduidige communicatie aan bewoners, zodat keuzemogelijkheden
niet leiden tot extra stress of onduidelijkheid?
Het kabinet erkent het belang van voldoende uitvoeringscapaciteit bij de betrokken
organisaties om de schadeafhandeling en versterkingsoperatie in Groningen adequaat
uit te voeren. Dit betekent dat financiële en personele beperkingen geen belemmering
mogen vormen. Het voorliggende wetsvoorstel kent daarom ook een koste-wat-kostbepaling.
Het kabinet werkt nauw samen met de uitvoeringsorganisaties om knelpunten tijdig te
signaleren en op te lossen, zodat nieuwe achterstanden worden voorkomen.
Het IMG zet in op verdere verbetering van een duidelijke, eenduidige en toegankelijke
informatievoorziening en ontwikkelt daartoe methoden om aanvragers beter te ondersteunen
bij het maken van goed gemotiveerde keuzes in hun schadeproces. Graag verwijs ik u
ook naar het antwoord op vraag 61 over het generieke intakeproces. Dit moet ertoe
leiden dat keuzes voor inwoners juist makkelijker worden.
De NCG houdt met strategische personeelsplanningen, hun jaarplannen en voortgangsrapportages
zicht op de benodigdheden en randvoorwaarden voor de uitvoering van de primaire opgave.
Daarnaast worden besluiten zoveel mogelijk gebaseerd op uitvoeringsanalyses, zodat
vooraf een inschatting is van de mogelijke impact en de benodigdheden voor gedegen
uitvoering. Ook blijft NCG zich inspannen om de communicatie met bewoners te verbeteren
zoals toegelicht in het antwoord op vraag 36, mede op basis van inzichten uit het
jaarlijkse bewonerstevredenheidsonderzoek.
4.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
4.1.1. Uitvoeringsaspecten zorgplichten
Vraag 89
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «De uitvoering van de zorgplicht
verduurzaming wel beperkte uitvoeringsgevolgen [heeft] voor de NCG. In verband met
die zorgplicht zal de NCG namelijk vaker het reeds bestaande artikel 13j, zesde lid,
van de TwG, moeten gebruiken om de verduurzaming tijdens de versterking van het gebouw,
uit te voeren.» Krijgt de NCG hiervoor extra capaciteit, zodat deze extra taak niet
tot enige vertraging leidt?
De NCG heeft om de haalbaarheid van de uitvoering van verduurzaming in combinatie
met versterken te toetsen de proef versterken en isoleren en een uitvoeringsanalyse
uitgevoerd. Conclusie is dat het meenemen van isolatie bij lichte versterkingen uitvoerbaar
is, op basis van de huidige capaciteit. Conform actualisatie Diepteanalyse is uitgegaan
van 11 weken extra per adres voor maximaal 3.400 adressen.
5. Gevolgen en neveneffecten
5.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
5.1.1. Effect voor burgers en bedrijven
Vraag 90
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de toelichting op maatregel 16
uit Nij Begun en de motie van de leden Bushoff en Beckerman (Kamerstuk 33 529, nr. 1346), waarin wordt verzocht om gedupeerden vóór 1 november te compenseren. De regering
geeft echter aan dat een deel van de bewoners deze vergoeding pas kan ontvangen nadat
de regelgeving onder de Tijdelijke wet Groningen, het Besluit en de Regeling, is aangepast.
Deze leden verzoeken de regering daarom aan te geven welke groepen gedupeerden onder
deze wet exact pas tot compensatie kunnen overgaan vanaf het moment dat deze regelgeving
is aangepast, en op welke wijze deze vertraging zich verhoudt tot het doel om bewoners
tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen.
De doelgroep voor wie de huidige regelgeving geen ruimte bood om de vergoeding in
het kader van maatregel 16 uit te keren betreft ten eerste bewoners die vóór 25 april
2023 een versterkingsbesluit hadden ontvangen, maar op 25 april 2023 nog steeds wachtten
op een versterkte, opgeleverde woning. Voor deze doelgroep is de Regeling Tijdelijke
wet Groningen inmiddels aangepast. De NCG zal voor deze groep binnenkort overgaan
tot uitkering van deze vergoeding.
Ten tweede was er nog geen mogelijkheid om de vergoeding uit te keren aan bewoners
uit de batch 1.588 en de Zandplatenbuurt-Zuid te Delfzijl. Omdat deze doelgroep buiten
het reguliere versterkingsregime van hoofdstuk 5 van de TwG valt, was er geen mogelijkheid
voor de NCG om de vergoedingen in het kader van maatregel 16 aan hen uit te keren
onder bestaande regelgeving. Zoals in het antwoord op vraag 39 is aangegeven, wordt
maatregel 16 nu voor deze doelgroep geregeld middels een annex op de convenanten tussen
Rijk en gemeenten.
Verder dient er nog een wijziging in het Besluit Tijdelijke wet Groningen plaats te
vinden, zodat huurders in een zorgpand, die zelf geen zorg ontvangen, ook de vergoeding
van maatregel 16 kunnen ontvangen. Met deze groep is in eerdere regelgeving abusievelijk
geen rekening gehouden. De wijziging in het Besluit, dat parallel aan deze wetswijziging
zal lopen, geeft NCG wel de mogelijkheid om maatregel 16 aan deze groep uit te keren.
5.1.2. Effect op bestuurlijke lasten medeoverheden
Vraag 91
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat deze wetswijziging invloed heeft
op de bestuurlijke lasten van medeoverheden. In hoeverre worden de medeoverheden hiervoor
gecompenseerd?
De bestuurlijke lasten voor medeoverheden vloeien met name voort uit de voorgestelde
gesprekscyclus rondom de SvGND en de betrokkenheid van medeoverheden bij het opstellen
van het uitvoeringsprogramma Rijk. Jaarlijks zullen circa twee bestuurlijke gesprekken
plaatsvinden met gedeputeerde staten van de provincie Groningen, de colleges van burgemeesters
en wethouders van de gemeenten in de provincies Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo,
Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, en het dagelijks bestuur van de
waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s. Deze gesprekken hebben betrekking
op 1) de resultaten van de SvGND (voorjaar), en 2) een voortgangsgesprek over de maatregelen
n.a.v. de SvGND (najaar). Daarnaast zal naar verwachting iedere vijf jaar een gesprek
plaatsvinden over de invulling van het uitvoeringsprogramma Rijk. Deze gesprekscyclus
heeft naar verwachting slechts een beperkte invloed op de bestuurlijke lasten, omdat
er ook in het verleden meerdere keren per jaar gesprekken plaatsvonden tussen bestuurders
van de medeoverheden en het Rijk. De medeoverheden zijn gecompenseerd voor hun werkzaamheden
in het kader van Nij Begun. Er vindt daarnaast geen (extra) compensatie van medeoverheden
plaats.
6. Financiële gevolgen
Vraag 92
De leden van de D66-fractie vragen hoe de regering voornemens is om de ontwikkeling
van uitvoeringskosten, schadevergoedingen en investeringen in brede welvaart en verduurzaming
systematisch te monitoren. Wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over afwijkingen
in kosten en effecten?
Ja, dit zal gebeuren via de SvGND.
6.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
Vraag 93
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom er niet een andere manier is
gekozen voor andere manieren om meerjarig gelden te reserveren, onder de voorwaarde
dat het de generatielange betrokkenheid niet afdoet. Zijn er vergelijkbare wetten
met dezelfde manier van meerjarig gelden reserveren?
De regering vond het van belang in dit wetsvoorstel ten behoeve van de Groningers
en Noord Drenten wettelijk vast te leggen dat gedurende de looptijd van de generatielange
betrokkenheid jaarlijks geld wordt gereserveerd voor het inlossen van de ereschuld.
Op deze manier wordt op de meest vergaande manier vastgelegd dat deze verplichting
ook daadwerkelijk generatielang en dus onafhankelijk van het desbetreffende kabinet
geldt. Er zijn voor zover mij bekend geen vergelijkbare wetten met eenzelfde soort
bepaling.
Voor de kosten van schadeherstel en de versterkingsoperatie wordt reeds gebruik gemaakt
van meerjarenramingen, die jaarlijks met de Voorjaarsnota worden bijgesteld. Het wetsvoorstel
is aanvullend daaraan.
Vraag 94
De leden van de SP-fractie vragen waarom niet is gekozen voor alternatieve manieren
om meerjarig middelen te reserveren binnen de reguliere begrotingssystematiek, bijvoorbeeld
door gebruik te maken van meerjarenramingen, zoals ook de Afdeling advisering in haar
advies naar voren brengt. Welke argumenten hebben ervoor gezorgd dat de regering hier
niet voor heeft gekozen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 93.
7. Advies en consultatie
Vraag 95
De leden van de D66-fractie vragen de regering, in het licht van de door gemeenten,
maatschappelijke organisaties en het IMG geuite zorgen over de uitvoeringsconsequenties
van de zorgplichten en de mogelijke verschillen die kunnen ontstaan in de verduurzamingsaanpak,
hoe deze risico’s worden ondervangen en welke mitigerende maatregelen de regering
daarvoor treft.
De verduurzamingsaanpak is gericht op een gelijkwaardige uitkomst voor alle bewoners,
namelijk een woning die is geïsoleerd tot de standaard voor woning isolatie voor alle
woningen in de provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo.
Bewoners hebben hierin de ruimte om keuzes te maken die passen bij de eigen situatie.
Hierin kunnen verschillen ontstaan, maar deze acht de regering niet onaanvaardbaar.
Daarbij is een uitgebreide ondersteuningsstructuur opgezet om te bevorderen dat zoveel
mogelijk mensen gebruik maken van de regeling, en worden ondersteund bij het kiezen
en laten uitvoeren van de best passende maatregelen.
7.1. Regionaal afstemmingsmoment voorafgaand aan internetconsultatie wetsvoorstel
7.1.1. Zorgplichten verduurzaming en brede welvaart
Vraag 96
De leden van de SP-fractie constateren dat het begrip Brede Welvaart in het wetsvoorstel
onvoldoende helder is gedefinieerd. De regering wordt verzocht uiteen te zetten waarom
geen duidelijke begripsbepaling in artikel 1 is opgenomen, met aandacht voor verschillen
tussen en binnen gemeenten, zoals in de consultatiereactie wordt betoogd.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op respectievelijk de
vragen 30 en 22.
7.2. Internetconsultatie wetsvoorstel
7.2.1. Algemene reacties over de nieuwe schadeafhandeling
Vraag 97
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het grensbedrag van 60.000 euro
niet wordt vastgelegd. Hoe reflecteert de regering op het feit dat een toekomstig
Minister dit dan per AMvB kan wijzigen, en dus ook naar beneden? Waarom is er geen
indexering mogelijk van bijvoorbeeld de gemiddelde kosten van de IMG?
Zoals in de memorie van toelichting is benadrukt (p. 19 en p. 41) heeft uw Kamer een
motie Vedder/Boulakjar34 aangenomen waarin het uitgangspunt is vastgelegd dat dit grensbedrag in de toekomst niet naar beneden wordt bijgesteld.
Overigens doorloopt ook een aanpassing van een algemene maatregel van bestuur een
zorgvuldig proces dat niet aan de Minister is, maar aan de regering als geheel, en
waarbij bijvoorbeeld de Afdeling advisering van de Raad van State opnieuw om advies
zal worden gevraagd.
Omdat het grensbedrag van € 60.000 een criterium is in de schadeafhandeling middels
daadwerkelijk herstel, en geen daadwerkelijke kosten vertegenwoordigt, verhoudt toepassing
van standaard loon- en prijsbijstelling via indexatie zich niet goed tot de uitvoerbaarheid
van de maatregel. Daarnaast leidt standaard indexering van het grensbedrag tot onlogische
grensbedragen.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
E. van Marum
Ondertekenaars
E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.