Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Stultiens over de budgettaire derving van de nieuwe voorgestelde fiscale regeling om vastgoed uit te zonderen van de vermogensaanwasbelasting
Vragen van het lid Stultiens (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Financiën over de budgettaire derving van de nieuwe voorgestelde fiscale regeling om vastgoed uit te zonderen van de vermogensaanwasbelasting (ingezonden 22 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Heinen (Financiën) (ontvangen 29 januari 2026).
Vraag 1
Klopt het dat u voornemens bent om vastgoed uit zonderen van de vermogensaanwasbelasting
in box 3 door hiervoor een vermogenswinstbelasting te hanteren?
Antwoord 1
Ja. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om met ingang
van 1 januari 2028 het werkelijke rendement te belasten in box 3. De belasting wordt
als hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken
en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt als uitzondering
op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting.
Vraag 2 en 3
Klopt het dat u in het toetsingskader fiscale regelingen aangeeft dat deze uitzondering
voor vastgoed «in de eerste jaren kan oplopen tot één miljard euro per jaar» maar
niet aangeeft wat de totale budgettaire derving is?
Klopt het dat u in hetzelfde toetsingskader fiscale regelingen wél aangeeft wat de
totale budgettaire derving is bij de uitzondering voor startups? Waarom heeft u hier
wel het totale bedrag genoemd en bij de uitzondering voor vastgoed niet?
Antwoord 2 en 3
Dat klopt. Ten behoeve van het toetsingskader fiscale regelingen is een eerste indicatie
gegeven voor de kosten van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken, ten
opzichte van een volledige vermogensaanwasbelasting. Recent is een gedetailleerde
raming gemaakt, zie onderstaande tabel. De raming voor de budgettaire derving van
een vermogenswinstbelasting op aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen
staat in het toetsingskader.
Tabel 1 Budgettaire gevolgen van een vermogensaanwasbelasting voor vastgoed afgezet
tegen het voorgesteld hybride stelsel in miljoenen euro's in prijspeil 2026.
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
3035
2036
Struc (2060)
VAB voor vastgoed
3.538
3.225
2.925
2.721
2.506
2.335
2.176
2.065
1.925
533
Vraag 4
Klopt het dat de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA eerder in het verslag over
het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 hebben gevraagd wat de budgettaire gevolgen
zijn van deze uitzondering voor vastgoed en dat daarop uw antwoord was dat deze uitzondering
voor vastgoed de komende tien jaar zo’n 23 miljard euro gaat kosten aan budgettaire
derving?
Antwoord 4
In de nota naar aanleiding van het verslag is een vraag van de leden van de fractie
van GroenLinks-PvdA beantwoord over de budgettaire gevolgen als gekozen zou worden
voor een volledige vermogensaanwasbelasting in plaats van het hybride stelsel (bij
gelijkblijvende parameters).1 Daaruit valt inderdaad af te leiden dat het cumulatieve budgettaire belang van een
vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende
ondernemingen in de eerste 10 jaar uitkomt op circa 23 miljard euro. De structurele
opbrengsten van een vermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting (met gelijke
parameters) zullen gelijk zijn.
Vraag 5
Klopt het dat u tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 19 januari 2026 hebt erkend
dat deze uitzondering voor vastgoed de komende dertig jaar zo’n 42 miljard euro gaat
kosten aan budgettaire derving?
Antwoord 5
Het klopt dat de vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen
van startende ondernemingen in de komende dertig jaar cumulatief een budgettair belang
van zo’n € 42 miljard heeft. Echter, het kabinet heeft als uitgangspunt gehanteerd
dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt. Ook bij een volledige vermogensaanwasbelasting
zou het kabinet gekozen hebben voor een budgetneutrale invoering ten opzichte van
het basispad. Het basispad is in dit geval het stelsel dat gold tot en met 2022 inclusief
alle structurele wijzigingen sindsdien en exclusief de kosten van de hersteloperaties.
Zodoende zouden de parameters van een stelsel met volledige vermogensaanwasbelasting
worden aangepast zodat de opbrengst overeenkomt met de opbrengst van het hybride stelsel
dat in het huidige wetsvoorstel is opgenomen. Er kan dus niet geconcludeerd worden
dat een stelsel op basis van volledige vermogenswinstbelasting € 42 miljard meer oplevert
in de eerste 30 jaar dan het voorgestelde hybride stelsel.
Vraag 6 en 7
Wat is het totale bedrag dat deze uitzondering voor vastgoed gaat kosten, dus het
totale bedrag (cumulatief) totaan het moment dat de structurele opbrengsten van vermogensaanwas
en vermogenswinst aan elkaar gelijk zijn?
Antwoord 6 en 7
Het moment waarop de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid ligt verder in
de toekomst dan het jaar tot waar op dit moment geraamd kan worden (2060). Het is
dus niet mogelijk om een reeks te presenteren tot het moment dat de vermogenswinstbelasting
volledig is ingegroeid.
Vraag 8
Klopt het dat, in tegenstelling tot wat door sommige Kamerleden in het wetgevingsoverleg
werd beweerd, deze budgettaire derving nooit wordt ingelopen omdat je bij een vermogenswinstbelasting
constant (nieuwe) belastinginkomsten naar de toekomst doorschuift?
Antwoord 8
Het klopt dat bij een vermogenswinstbelasting de derving die in de eerste jaren ontstaat
in latere jaren niet meer wordt ingelopen. Bij een vermogenswinstbelasting wordt pas
belasting geheven op het moment van vervreemding. Dit betekent dat per jaar maar over
een deel van de vermogensbestandsdelen belasting wordt geheven. Stel dat de gemiddelde
bezitsduur 4 jaar is (in werkelijkheid is dit bij woningen aanzienlijk langer). Dan
wordt per jaar over een kwart van de vermogensbestandsdelen belasting geheven. Pas
als alle vermogensbestandsdelen minimaal één keer van eigenaar zijn gewisseld is de
vermogenswinstbelasting volledig ingegroeid, maar de ontstane derving niet ingelopen.
Vraag 9
Kunt u, in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet, heel stevig onderbouwen
waarom deze fiscale uitzondering voor vastgoed doelmatig zou zijn, gelet op de budgettaire
derving van minstens 42 miljard euro?
Antwoord 9
Voor alle vermogensbestanddelen geldt dat het werkelijke rendement wordt belast. Voor
onroerende zaken wordt een vermogenswinstbelasting voorgesteld. De waardeontwikkeling
wordt daardoor in de heffing betrokken bij vervreemding. Dit levert een liquiditeitsvoordeel
op voor bezitters van onroerende zaken. Bezitters van onroerende zaken betalen in
veel gevallen namelijk op een later moment belasting over hun vermogenswinst. Bij
de indiening van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is als onderbouwing
van de gemaakte beleidskeuzes opgemerkt dat in het wetsvoorstel een balans is gezocht
tussen uitvoerbaarheid en doenlijkheid, het evenwichtig belasten van verschillende
vermogensbestanddelen en het zo goed als mogelijk aansluiten bij het werkelijke rendement.
Dit is onder andere tot uitdrukking gekomen in het vermogenswinststelsel voor onroerende
zaken (en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen) en in de forfaitaire
vaststelling van de vastgoedbijtelling. Het kabinet is van mening dat deze balans
met het ingediende voorstel zo goed als mogelijk gevonden is en dat het voorstel daarmee
ook doelmatig is.
Als onroerende zaken onder de vermogensaanwasbelasting belast zouden zijn, dan zou
dit bij een grote, ongerealiseerde (dus niet in liquiditeiten tot uitdrukking komende)
waardestijging bij een beperkt aantal belastingplichtigen kunnen leiden tot liquiditeitsproblemen.
Indien belastingplichtigen in liquiditeitsproblemen komen bestaat onder omstandigheden
de mogelijkheid tot een betalingsregeling bij de Belastingdienst. In het geval dat
dit geen soelaas biedt, zou de belastingplichtige de onroerende zaak moeten verkopen
om de belastingheffing over de vermogensaanwas van die onroerende zaak te kunnen voldoen.
Daarbij komt dat onroerende zaken niet altijd eenvoudig zijn te verkopen. Als gevolg
hiervan zouden deze bezitters van onroerende zaken eventueel met schuldproblematiek
te maken kunnen krijgen. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen. Daarom is
gekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken.
Vraag 10
Kunt u aangeven wat de totale budgettaire derving is van een vermogenswinstbelasting
ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting (cumulatief, tot aan het moment dat
de opbrengsten structureel gelijk zijn)?
Antwoord 10
Zoals beschreven in het antwoord op vragen 4 en 5, zouden bij gelijkblijvende parameters
de opbrengsten van een volledige vermogensaanwasbelasting in de eerste 10 jaar uitkomen
op circa € 23 miljard euro meer dan in het voorgestelde hybride stelsel, oplopend
tot circa € 42 miljard de eerste 30 jaar. De incidentele derving van een volledige
vermogenswinstbelasting hangt af van de parameters die gekozen worden. In de Kamerbrief
van 8 september 2023 is een eerste inschatting gemaakt dat de derving van een volledige
vermogenswinstbelasting kan oplopen tot ruim boven de € 5 miljard in de eerste 5 jaar.2 Het kabinet heeft altijd het uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3
budgettair neutraal uitpakt.
Vraag 11
Kunt u deze vragen, een voor een, beantwoorden gelijktijdig met de toegezegde antwoorden
op openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg?
Antwoord 11
De antwoorden op de openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg zijn op 22 januari
2026 verzonden.3 Het is helaas niet gelukt om de beantwoording op deze vragen in die brief op te nemen.
Ondertekenaars
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.