Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over de Kabinetsreactie op Deltaprogramma 2026 (Kamerstuk 36800-J-3)
36 800 J Vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2026
Nr. 7
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 23 januari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 16 september 2025
inzake de Kabinetsreactie op Deltaprogramma 2026 (Kamerstuk 36 800 J, nr. 3).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 23 januari 2026. Vragen en
antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De fingerend voorzitter van de commissie, Peter de Groot
Adjunct-griffier van de commissie, Meedendorp
Vragen en antwoorden
1
Vraag:
Wanneer kan de Kamer de verkenning waar in de Kamerbrief over wordt gesproken verwachten?
Antwoord:
De voorbereiding van de verkenning, waaronder de uitwerking van de opdracht en planning,
vereist de nodige zorgvuldigheid. Zodra dat afgerond is, kan aangegeven worden wanneer
de verkenning kan starten en wanneer deze kan worden opgeleverd.
2
Vraag:
Voor hoeveel geplande woningbouwlocaties (aantal woningen) vormt waterveiligheid of
waterbeschikbaarheid op dit moment een beperkende factor volgens de laatste gebiedsanalyses?
Antwoord:
Er is geen totaaloverzicht van alle geplande woningbouwlocaties (inclusief aantal
woningen). Vanuit zoetwaterbeschikbaarheid zijn er geen beperkingen voor woningbouwlocaties.
Wat betreft drinkwater is in de ontwerp Nota Ruimte de beschikbaarheid van voldoende
drinkwater een belangrijke randvoorwaarde bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties.
Dat is ook de reden dat de Minister van VRO de bevoegde gezagen in de betreffende
regio’s gevraagd om vroegtijdig de afstemming te zoeken met de drinkwaterbedrijven.
In algemene zin vormt waterveiligheid voor het grootste deel van de woningbouwlocaties
geen beperking. Door het Nederlandse waterveiligheidsbeleid kan in principe overal
achter primaire keringen worden gebouwd; deze gebieden vallen onder het landelijk
stelsel van waterveiligheidsnormen. In de delen van het rivierbed die nodig zijn voor
waterafvoer en -berging geldt dit niet. In deze gebieden is de Beleidslijn Grote Rivieren
van toepassing.
3
Vraag:
Welke waterstaatswerken (sluizen, gemalen, keringen) naderen vóór 2040 het einde van
hun technische levensduur en wat is de geschatte vervangingsinvestering?
Antwoord:
Op 8 december jl. is de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat naar de Kamer
gestuurd. In deze rapportage wordt een overzicht gegeven van de infrastructuur waar
grootschalig onderhoud en vernieuwing is gepland, onderhoud is uitgesteld of waar
een verhoogd inspectieregime van kracht is. Daarnaast wordt per netwerk een oordeel
gegeven over de veiligheid van de infrastructuur.
Enkele omvangrijke objecten van het hoofdwatersysteem die op dit moment of zeer binnenkort
het einde van hun technische levensduur hebben bereikt, zijn het gemaal- en spuicomplex
IJmuiden en de spuimiddelen in de Afsluitdijk. Voor gemaal- en spuicomplex IJmuiden
bedraagt de huidige bandbreedte van de verwachte vervangingsinvestering circa 1,4
tot 2,3 miljard euro.
De totale geschatte vervangingsinvestering zal enkele miljarden zijn.
4
Vraag:
Welke drie wateropgaven worden in 2026–2027 expliciet als «nationaal te besluiten»
aangemerkt en welke als «regionaal in te vullen»?
Antwoord:
De drie wateropgaven van het Deltaprogramma, zoetwater, waterveiligheid en ruimtelijke
adaptatie hebben allen zowel nationale als een regionale besluiten nodig. De nationale
verankering vindt met name plaats in het kader van het Nationaal Waterprogramma 2028–2033
(NWP) dat begin 2027 ter inzage wordt gelegd. Extra aandacht is nodig voor wateroverlast
binnen ruimtelijke adaptatie, wat specifiek regionaal in te vullen is.
5
Vraag:
In hoeveel stedelijke gebieden is nu al sprake van structurele overbelasting van het
stedelijk watersysteem bij buien van 60 mm/uur of hoger?
Antwoord:
Een gemiddeld stedelijk watersysteem (in de vorm van het riool) kan 20 tot 30 mm per
uur aan. Als er een bui valt van 60 mm/uur of meer is het systeem daarmee in de meeste
gevallen overbelast, wat kan leiden tot schade. Dit wil niet zeggen dat er ook altijd
schade optreedt. Het ontwerpen van de publieke buitenruimte om tijdelijk water te
bergen is een belangrijk onderdeel van een klimaatadaptieve wijk. Voldoende ruimte
voor tijdelijke wateropvang op straat, in een plantsoen of schoolplein kan veel schade
voorkomen.
6
Vraag:
Hoeveel procent van de huidige landelijke zoetwatervraag kan in droge zomers vanaf
2050 volgens de huidige inzichten niet meer worden gedekt?
Antwoord:
De zoetwatertekorten in 2050 zijn afhankelijk van de mate van klimaatverandering en
de ontwikkeling van de watervraag (inclusief de watervraag voor het tegengaan van
verzilting). Daarnaast zijn er grote verschillen tussen gebieden met aanvoer vanuit
de grote rivieren en gebieden die zijn aangewezen op de neerslag die er valt.
Uit de Deltascenario’s 2024 blijkt dat het wateraanbod (neerslag en aanvoer via rivieren)
sterk vermindert, terwijl de watervraag sterk toeneemt. Hierdoor raakt het evenwicht
tussen watervraag en -aanbod steeds verder uit balans en treden er vaker zoetwatertekorten
op in het zomerhalfjaar.
Ook heeft het beschikbare water steeds vaker niet de gewenste kwaliteit: door verzilting,
door hogere temperaturen en doordat verontreinigingen minder verdund worden bij lage
afvoeren.
In het kader van de Herijking van het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma
2028–2033 (NWP) worden momenteel knelpuntenanalyses uitgevoerd, waaruit blijkt met
welke percentages de zoetwatertekorten landelijk en regionaal zullen toenemen, zonder
aanvullend beleid en met een autonome groei van de watervraag. Ook worden momenteel
maatregelen geïnventariseerd om de watertekorten te mitigeren.
7
Vraag:
Hoeveel extra ruimtereservering (in hectares of meters strookbreedte) is landelijk
nodig voor toekomstige dijkversterkingen, uitgesplitst per dijkringgebied?
Antwoord:
Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging heeft voor een aantal gebieden een eerste ordegrootte-inschatting
opgeleverd van de extra ruimte die nodig is voor toekomstige dijkversterkingen als
gevolg van zeespiegelstijging. Daaruit blijkt dat, bij de voortzetting van de huidige
waterveiligheidsstrategie, ongeveer twee derde van de primaire waterkeringen na 2050
opnieuw versterkt moet worden. Er is dan extra hoogte nodig om te voorkomen dat het
water over de kering komt, en extra breedte om te voorkomen dat de dijk doorbreekt.
De extra opgave is gebiedsafhankelijk. Bij het beschouwde scenario van 1 meter zeespiegelstijging
varieert de gemiddelde extra hoogte tussen 0,7 en 1,4 meter voor de gebieden die bekeken
werden, met uitschieters tot meer dan 3 meter. De extra benodigde gemiddelde breedteopgave
bij 1 meter zeespiegelstijging varieert tussen 15 en 30 meter voor de beschouwde gebieden,
met uitschieters tot meer dan 100 meter. Bij het beschouwde scenario van 3 meter zeespiegelstijging
varieert de gemiddelde extra hoogte tussen 2 en 4 meter voor de gebieden die bekeken
werden met uitschieters tot 6,5 meter. De extra benodigde gemiddelde breedte bij 3
meter zeespiegelstijging varieert tussen 50 en 150 meter voor de beschouwde gebieden,
met uitschieters tot 200 meter breed. Over deze tussentijdse resultaten uit het Kennisprogramma
zeespiegelstijging bent u op 23 juni 2023 per brief geïnformeerd (Kamerstukken 36 200 J, nr. 7.).
De inzichten uit het Kennisprogramma Zeespiegelstijging vormen de basis waarop waterschappen
de ruimteopgave voor hun eigen gebieden verder uitwerken en de profielen van vrije
ruimte actualiseren, conform de gezamenlijke bestuurlijke afspraken met het Rijk,
provincies en gemeenten. Gemeenten en provincies stemmen vervolgens hun ruimtelijke
plannen en instrumenten hierop af. Daarbij is het uitgangspunt dat de reserveringszones
toekomstige dijkversterkingen mogelijk maken, terwijl ruimte blijft voor passende
functies en medegebruik.
8
Vraag:
Hoeveel gemeenten hebben de verplichte stresstest Ruimtelijke Adaptatie uit 2024 nog
niet uitgevoerd of geactualiseerd?
Antwoord:
In het kader van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) zijn in 2019 en 2020
door gemeenten en waterschappen en in sommige gevallen door provincies stresstesten
uitgevoerd (zie
https://ruimtelijkeadaptatie.nl/stresstest/monitor/kaart/
). In 2024 en 2025 hebben de in DPRA samenwerkende partijen bepaald in hoeverre bestaande
stresstestinformatie voldoende is en in hoeverre de stresstesten geactualiseerd moesten
worden. Dit was niet verplicht.
9
Vraag:
Welke functies (landbouw, drinkwater, natuur, industrie, scheepvaart) worden volgens
de nationale systematiek als eerste beperkt bij structurele zoetwaterschaarste en
op basis van welke criteria?
Antwoord:
Bij zoetwatertekorten wordt het beschikbare oppervlaktewater verdeeld aan de hand
van de verdringingsreeks, zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De verdringingsreeks geeft een prioriteitsvolgorde van maatschappelijke en economische
behoeften die bij watertekorten of dreigende watertekorten bepalend is voor het verdelen
van het beschikbare oppervlaktewater.
De verdringingsreeks bestaat uit vier categorieën. Bij de verdeling van het water
krijgt categorie 1 de meeste prioriteit, dan 2, dan 3 en dan 4 (zie onderstaande figuur
1). Met andere woorden, als er sprake is van (dreigend) watertekort, worden de belangen
in categorie 4 als eerste gekort. De rangorde van belangen binnen de categorieën 1
en 2 is in het Bkl vastgelegd. Binnen de categorieën 3 en 4 legt het Bkl geen rangorde
vast. De provincie kan in de omgevingsverordening een rangschikking binnen categorie
3 en 4 vastleggen. Dit kan alleen binnen deze categorieën, maar niet tussen de categorieën.
Ten grondslag aan de prioritering ligt het voorkomen van maatschappelijk ontwrichting
en het minimaliseren van economische schade. De verdringingsreeks wordt door alle
waterbeheerders in Nederland toegepast. De Landelijke Commissie Waterverdeling (LCW)
en de regionale-droogteoverleggen (RDO’s) adviseren de waterbeheerders over de toepassing
van de verdringingsreeks.
Overigens is het nationale en regionale waterbeleid er onder meer op gericht om met
structurele maatregelen (Deltaplan Zoetwater 2022–2028) de inzet van de verdringingsreeks
zo lang mogelijk uit te stellen. In het huidige Nationaal Water Programma (NWP) is
in verband daarmee een voorkeursvolgorde voor maatregelen aangegeven. Deze geeft aan
dat er in de ruimtelijke inrichting en het landgebruik rekening moet worden gehouden
met waterbeschikbaarheid. De volgorde daarna is 1) zuiniger omgaan met water 2) water
beter vasthouden, bergen en opslaan 3) water slimmer verdelen en 4) eventuele (rest)schade
te accepteren.
Figuur 1: Verdringingsreeks, verdeling water bij droogte.
10
Vraag:
Welke concrete herijkingsvoorstellen zijn aangepast of verworpen na toepassing van
de intergenerationele toekomsttoets?
Antwoord:
In het Deltaprogramma 2024 is het idee omarmd om de generatietoets nader uit te werken
en toe te passen. Sinds 2025 is er een toekomst-ambassadeur Water en Klimaatadaptatie
die bijdraagt aan het ontwikkelen van de werkwijze voor het in beeld brengen van het
toekomstperspectief vanuit verschillende generaties bij mogelijke keuzes. In de tweede
herijking wordt vanuit nieuwe inzichten en ontwikkelingen afgewogen welke aanpassingen
nodig zijn in de huidige Deltabeslissingen en voorkeursstrategieën. In deze afweging
zijn de basiswaarden: solidariteit, flexibiliteit en duurzaamheid onderdeel van de
vergelijkingssystematiek. Onderdeel van de basiswaarde solidariteit is het in beeld
brengen van afwenteling, waaronder afwenteling op toekomstige generaties. In 2026
worden de voorstellen beoordeeld op verschillende onderdelen, waaronder de (intergenerationele)
solidariteit.
11
Vraag:
Volgens welke kwantitatieve normen wordt beoordeeld of nieuwe woningbouwlocaties voldoen
aan de landelijke Maatlat voor klimaatadaptatie, en hoeveel projecten voldoen hier
op dit moment niet aan?
Antwoord:
De landelijke maatlat telt zowel kwantitatieve als kwalitatieve normen en richtlijnen.
De maatlat is bedoeld om duidelijke kaders te stellen waar een ontwikkeling aan moet
voldoen om klimaatadaptief te zijn Hierbij is er altijd een lokale vertaling nodig
voor de lokale situatie. De maatlat is op dit moment geen verplicht instrument. Wel
wordt er via het proces van de Woontop gewerkt aan uniforme normen voor wateroverlast
en bodemdaling om zo projecten te versnellen.
12
Vraag:
Welke verschillen in kosten, ruimtebeslag en veiligheidsniveau komen uit de eerste
vergelijkende analyse van de vier zeespiegelstrategieën?
Antwoord:
Deze informatie is onderdeel van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Momenteel
wordt gewerkt aan het verwerken van de opgedane kennis, deze zal in juni 2026 aan
de Tweede Kamer worden aangeboden.
De vier zeespiegelstrategieën voor de lange termijn bevatten onderdelen (bouwstenen).
Bouwstenen uit de verschillende strategieën kunnen naast elkaar bestaan. Er hoeft
dus niet noodzakelijkerwijs één strategie voor heel Nederland te worden toegepast.
Het antwoord hangt dan ook af van de combinatie van bouwstenen die worden toegepast.
13
Vraag:
Welke indicatieve bandbreedte in benodigde extra versterkingscapaciteit van primaire
waterkeringen geldt richting 2050 en 2100 per regio, en hoe verhoudt die zich tot
de huidige uitvoeringscapaciteit?
Antwoord:
In de afgelopen jaren zijn binnen het HWBP en het Programma Rijkskeringen belangrijke
stappen gezet in de versterking van de primaire waterkeringen. Doel daarbij is om
in 2050 alle primaire waterkeringen te laten voldoen aan de nieuwste veiligheidsnormen.
Uit de recente 12-jaarlijks landelijke beoordelingsronde (LBO-1) is gebleken dat de
keringen versterkt moeten worden. Deze normen lopen vooruit op de verwachte situatie
in 2050, waarmee er nog voldoende tijd is om de keringen te versterken. De opgave
is bij zowel de Waterschappen als Rijkswaterstaat nog niet afgerond. Er is hierbij
geen beeld de geven per regio.
Ondertussen blijft de zeespiegel stijgen. Dit vraagt om blijvend te investeren in
grote programma’s zoals het HWBP en het programma Rijkskeringen. Zodoende kan er geanticipeerd
worden op toekomstige risico’s en kan worden voorkomen dat problemen zich opstapelen
tot onoplosbare crisissituaties. Parallel aan de uitvoering van deze opgave staat
de benodigde uitvoeringscapaciteit voor de versterking van de primaire waterkeringen
bij Rijkswaterstaat onder druk. Onder andere door het bundelen van de opdrachten voor
de instandhoudingopgave in portfolio’s, geeft Rijkswaterstaat de benodigde uitvoeringscapaciteit
vorm.
14
Vraag:
Welke drie gebieden worden volgens de huidige modelanalyses het meest kwetsbaar voor
gecombineerde risico’s van verzilting, bodemdaling en extremere neerslag?
Antwoord:
De kwetsbaarheid van een gebied vanuit water en bodem wordt over het algemeen in kaart
gebracht in relatie tot de functie die er is, of gewenst is. Bijvoorbeeld brengt het
ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving (Kamerstukken 27 625, nr. 666) voor heel Nederland de gecombineerde risico’s voor wateroverlast, waterveiligheid
en bodemdaling in kaart. Deze risico’s zijn relevant voor de functie van woningbouw.
Er is hier geen combinatie gemaakt met verzilting omdat dit voornamelijk een risico
vormt voor de functie van landbouw. Daarom is het op dit moment niet mogelijk om de
drie meest kwetsbare gebieden aan te geven vanuit deze gecombineerde risico’s.
15
Vraag:
Wat is het berekende effect van regionale waterbergingsmaatregelen, zoals Hoogwater
Aanpak Brabant Oost (HoWaBo), op het nationale waterveiligheidsniveau bij Maas- en
Rijnpiekafvoeren?
Antwoord:
De regionale waterbergingsmaatregelen, zoals de Hoogwater Aanpak Brabant Oost zijn
bedoeld om wateroverlastproblemen te voorkomen. Deze maatregelen hebben geen effect
op het nationale waterveiligheidsniveau bij Maas- en Rijnpiekafvoeren.
16
Vraag:
Wat is de geprojecteerde jaarlijkse financiële opgave voor waterveiligheid, zoetwater
en adaptatie na 2035 volgens de interne ramingen, en hoe verhoudt zich dit tot het
huidige Deltafondsbudget?
Antwoord:
Voor de jaren voorbij de tijdshorizon van de begroting worden door IenW geen interne
ramingen opgesteld. Over de financiële opgave voor het HWBP tot en met 2050 is de
Kamer in januari 2025 afzonderlijk geïnformeerd (Kamerstukken 32 698, nr. 90). De nog te starten bestuurlijke verkenning (zie vraag 1) zal meer inzicht geven
in de langjarige financiële opgave voor het Deltafonds.
In het Deltaprogramma 2026 brengt de Deltacommissaris de verwachte financiële opgave
tot 2050 in kaart voor waterveiligheid, zoetwater en klimaatadaptatie (excl. waterkwaliteit)
en zet deze af tegen de budgettaire ruimte. Volgens deze opgave ligt de totale bandbreedte
aan benodigd budget, inclusief het HWBP, tussen de € 34 miljard en € 42 miljard (gemiddeld
circa € 38 miljard). Dit is € 9 miljard hoger dan het veronderstelde beschikbare budget
in het Deltafonds van circa € 29 miljard.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Meedendorp, adjunct-griffier