Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Michon-Derkzen over het bericht 'Grote ontslagrondes geen ramp: Nederland heeft een matchingprobleem'
Vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Grote ontslagrondes geen ramp: Nederland heeft een matchingprobleem» (ingezonden 5 december 2025).
Antwoord van Minister Paul (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 22 januari
2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Grote ontslagrondes geen ramp: Nederland heeft
een matchingprobleem»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Hoeveel Nederlanders verliezen door ontslag per jaar hun baan, en hoeveel mensen vinden
een nieuwe baan? Hoeveel van die nieuwe banen zijn bij de overheid?
Antwoord 2
De publieke cijfers van het CBS tonen alleen hoeveel werknemers jaarlijks door faillissement
ontslagen worden. Tussen 2015 en 2024 ging dit gemiddeld om 24 duizend mensen per
jaar, met als hoogste niveau 47,5 duizend in 2015 en als laagste niveau 7,4 duizend
in 2021.
In een verdiepende studie over 2023 gaat het CBS dieper in op beëindigde banen. In
dat jaar werden gemiddeld per kwartaal 106 duizend banen op initiatief van de werkgever
beëindigd, dus ruim 400 duizend op jaarbasis. Dit was een klein deel van het totaal
aantal beëindigde banen, omdat banen vaker op initiatief van de werknemer beëindigd
worden. In totaal werden er in 2023 gemiddeld 661 duizend banen per kwartaal beëindigd.
In datzelfde jaar vonden per kwartaal gemiddeld 690 duizend mensen een nieuwe baan.
Van de mensen waarvan in 2023 de baan eindigde, had 59% binnen drie maanden een nieuwe
baan. Van de mensen bij wie het dit op initiatief van de werkgever was, ging het om
47%. In totaal waren er in 2023 79 duizend meer banen van werknemers dan in 2022.
Binnen de sector «Openbaar bestuur en overheidsdiensten» was die toename 26,1 duizend.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u het proces van creatieve destructie op de Nederlandse arbeidsmarkt?
Vindt dat wat u betreft voldoende plaats, of juist niet en ondervinden innovatieve
sectoren daar nadelen van? Kunt u daarbij ingaan op het recente rapport «Proces van
creatieve destructie verzwakt in Nederland»2 van het Centraal Planbureau (CPB)?
Antwoord 3
Het is belangrijk voor onze productiviteit en welvaart om werkenden in te zetten op
die plekken waar zij het meeste waarde toevoegen. Het proces van creatieve destructie
is daarbij een belangrijk mechanisme: als werkenden de beweging maken van laagproductieve
of niet-levensvatbare bedrijven naar hoogproductieve bedrijven, versterkt dat onze
economie.
Het kabinet ziet het verhogen van de arbeidsproductiviteit als grote opgave. Afnemende
arbeidsproductiviteitsgroei laat zien dat we er in Nederland onvoldoende in slagen
innovatieve bedrijvigheid en de daarbij horende nieuwe banen te creëren. Dat blijkt
ook uit het CPB rapport over het proces van creatieve destructie, dat een negatieve
trend laat zien in het aantal nieuwe banen dat ontstaat en het aantal banen dat verdwijnt.
Dit loopt samen met een afnemende bedrijvendynamiek, waarin er minder nieuwe bedrijven
worden opgericht.
Er zijn verschillende factoren die innovatie en creatieve destructie kunnen remmen.
Vandaar dat de productiviteitsagenda vijf overkoepelende pijlers heeft, en ook bijvoorbeeld
het rapport Wennink spreekt van verschillende randvoorwaarden die gezamenlijk op orde
moeten zijn voor een innovatieve economie. De werking van de arbeidsmarkt is één van
deze factoren. Het CPB rapport over creatieve destructie laat zien dat de dalende
trend in banendynamiek (aantal nieuwe en opgeheven banen) niet samengaat met een dalende
dynamiek van werknemers (mate waarin werknemers van werkplek wisselen). In die studie
wordt afnemende creatieve destructie dus niet direct verbonden aan knelpunten op de
arbeidsmarkt. Tegelijkertijd ziet het kabinet wel degelijk kansen om matching op de
Nederlandse arbeidsmarkt te verbeteren, en onze productiviteit te vergroten door betere
allocatie van werkenden.
Vraag 4
In het artikel wordt gesproken van een matchingprobleem, vindt u dat er op de Nederlandse
arbeidsmarkt een matchingsprobleem is? Zo ja, kunt u dan barrières identificeren die
de matching bemoeilijken? Welke maatregelen treft de overheid om die barrières weg
te nemen? Op basis van welke criteria beoordeelt u dit beleid?
Antwoord 4
Er gaat veel goed op de Nederlandse arbeidsmarkt. De langdurige werkloosheid is laag
en veel mensen vinden relatief snel werk na een periode van werkloosheid. Toch zien
we dat er barrières zijn die de matching tussen werkzoekenden en werkgevers bemoeilijken.
Met name op de punten:
1) Het overzicht van arbeidsmarktkansen is soms beperkt, waardoor werkzoekenden niet
altijd weten waar banen beschikbaar zijn. Ook hebben werkenden niet altijd zicht op
de mogelijkheden die hun eigen vaardigheden bieden om in een bepaalde functie aan
de slag te gaan (zie ook antwoord vraag 2).
2) Niet iedereen heeft toegang tot passende scholing of bijscholing. Zo faciliteren werkgevers/O&O-fondsen
omscholing naar andere sectoren nog maar beperkt. We zien ook dat een deel van de
werkgevers vasthoudt aan hoge beroepsvereisten en nog beperkt inzet op zij-instroom
van mensen zonder passende opleidingsachtergrond. Daarnaast sluit het opleidingsaanbod
voor volwassenen nog niet voldoende aan op de vraag van de veranderende (regionale)
arbeidsmarkt.
3) Bepaalde groepen, zoals mensen met een beperking, nieuwkomers of langdurig werklozen
ervaren extra drempels om aan het werk te komen, omdat zij niet altijd de extra ondersteuning
krijgen die zij nodig hebben en/of te maken krijgen met vooroordelen.
De overheid neemt maatregelen om deze barrières weg te nemen. Recent ontving uw Kamer
de Voortgangsbrief Leven Lang Ontwikkelen, waarin deze maatregelen worden toegelicht.
Ook in brieven over het Breed Offensief, de banenafspraak en de infrastructuur van
sociaal ontwikkelbedrijven, is uw Kamer geïnformeerd over welke stappen worden gezet
om meer mensen met een ondersteuningsvraag aan het werk te helpen. Daarnaast kunnen
per 1 januari 2026 in alle arbeidsmarktregio’s werkzoekenden, werkenden en werkgevers
terecht bij een Regionaal Werkcentrum met vragen over werk, scholing en personeel.
Tevens zetten gemeenten en UWV dagelijks in op het begeleiden van uitkeringsgerechtigden
naar werk en zetten sociale partners in op de begeleiding Van-Werk-Naar-Werk van werkenden.
Daarnaast werken we aan sectorale Ontwikkelpaden. Een Ontwikkelpad maakt zichtbaar
welke functies er in een sector zijn, welke skills hiervoor nodig zijn en via welke
(delen van) opleidingen mensen op deze functie kunnen in- of doorstromen. Via de SLIM-scholingssubsidie
kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de opleidingen uit Ontwikkelpaden
voor maatschappelijk cruciale sectoren (zoals de zorg, techniek en kinderopvang).
Ook heeft het kabinet onderzoek laten doen naar uitbreiding van de wettelijke taak
op LLO voor publieke onderwijsinstellingen. Het onderzoek toont hoe de publieke infrastructuur
beter kan worden ingericht voor bij- en omscholing. In het voorjaar volgt een reactie
op deze verkenning.
Matching is breder dan het SZW beleidsdomein, en betreft ook het onderwijs. Het onderwijs
werkt samen met werkgevers aan het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs
en arbeidsmarkt, Bijvoorbeeld door het versterken van loopbaanoriëntatie- en begeleiding,
met de Werkagenda mbo en de maatregel Versterking aansluiting beroepsonderwijskolom
(vo-mbo-hbo).
Vraag 5
Hoeveel investeert de overheid (landelijk, lokaal) jaarlijks in arbeidsbemiddeling
en re-integratie? Hoeveel hiervan is voor bij- en omscholing? Worden al deze middelen
besteed?
Antwoord 5
De rijksoverheid investeert in 2026 circa € 1,6 miljard in arbeidsbemiddeling en re-integratie
gericht op de matching van werkzoekenden op de reguliere arbeidsmarkt. Daarnaast investeert
de overheid circa € 2,1 miljard in het aan het werk helpen van mensen met een grotere
ondersteuningsbehoefte via sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk. Ook investeert
het Ministerie van SZW in 2026 circa € 0,1 miljard en investeren verschillende vakdepartementen
in specifieke scholing voor publieke sectoren (zoals de zorg, onderwijs en defensie).
Op basis van de begroting 2026 is in onderstaande tabel een uitsplitsing van dit bedrag
naar de verschillende onderwerpen binnen het Ministerie van SZW opgenomen.
2025
2026
2027
2028
2029
2030
TOTAAL(Bedragen x € 1.000.000)
3.776
3.769
3.783
3.706
3.610
3.587
Re-integratie en arbeidsbemiddeling
1530
1599
1674
1724
1710
1756
Re-integratie inkoopbudget UWV
221
222
220
217
200
198
Dienstverlening aan werkzoekenden UWV1
630
650
650
650
650
650
Hervorming arbeidsmarktinfrastructuur: Impulsbudget arbeidsmarktregio's2
40
29
39
45
0
0
Individuele Plaatsing en Steun
8
12
16
14
12
12
Wet van school naar duurzaam werk
0
12
12
12
12
12
Dienstverlening afgewezen wajongers
0
0
4
8
13
17
Loonkostensubsidie
601
644
703
748
793
837
Scholingsbudget WW
15
15
15
15
15
15
Subsidieregeling ernstige scholingsbelemmeringen
15
15
15
15
15
15
Sociale werkvoorziening en beschut werk
2.160
2.081
2.015
1.908
1.840
1.775
Wet sociale werkvoorziening (Wsw)
1.927
1.837
1.756
1.676
1.596
1.516
Beschut werk
178
192
205
176
187
200
Rijksbijdrage sociale infrastructuur
20
21
23
25
26
28
Impulsbudget sociale infrastructuur
35
31
31
31
31
31
Bij- en omscholing
86
89
94
74
60
56
Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen
3
14
14
12
14
12
Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM)
79
72
77
59
43
41
Werkgeverssubsidie praktijkleren in de derde leerweg
4
3
3
3
3
3
X Noot
1
In het jaarplan 2026 verwacht UWV in 2026 € 650 mln. uit te geven aan dienstverlening
aan werkzoekenden. Dit budget groeit of daalt mee met de ontwikkelingen in het aantal
werkzoekenden (jaarverslag UWV).
X Noot
2
De arbeidsmarktregio’s ontvangen in de periode 2025–2028 een tijdelijk impulsbudget
om gezamenlijke dienstverlening te ontwikkelen met de partners in de regio.
Gemeenten ontvangen, naast bovenstaande financiering, ook via de algemene uitkering
van het gemeentefonds middelen voor de arbeidstoeleiding van mensen die vallen onder
de Participatiewet. Dit budget is onderdeel van de algemene uitkering van het gemeentefonds,
waardoor niet precies te volgen is hoe de omvang van het budget zich ontwikkelt. Inschatting
is dat in 2026 zo’n € 800 tot 900 miljoen aan re-integratiebudget binnen de algemene
uitkering beschikbaar is voor gemeenten. Gemeenten bepalen zelf welk deel van de re-integratiemiddelen
zij inzetten voor scholing. Van de middelen voor de sociaal ontwikkelbedrijven, beschut
werk en loonkostensubsidie kan gesteld worden dat de uitgaven overeenkomen met de
budgetten voor deze drie doelen. Voor de re-integratiemiddelen in de algemene uitkering
van het gemeentefonds geldt dat ze overeenkomstig de beleidsvrijheid van gemeenten
op deze terreinen kunnen worden ingezet en verantwoord. De controle op een doelmatige
besteding is belegd bij de gemeenteraden. Hierdoor is het lastig om op macroniveau
de omvang van de uitgaven precies vast te stellen. Op basis van recent onderzoek van
Significant dat in december aan Uw Kamer is aangeboden blijkt dat gemeenten in 2024
€ 1,3 miljard uitgeven aan re-integratie in het kader van de Participatiewet. Hoewel
dit bedrag niet zomaar vergeleken kan worden met het bedrag in het gemeentefonds,
is het aannemelijk dat gemeenten ook eigen middelen inzetten voor re-integratie. Ook
is het, op basis van meerdere rapporten, aannemelijk dat gemeenten met het huidige
budget niet iedereen in de doelgroep van de Participatiewet passend kunnen ondersteunen
naar werk en dat gemeenten daarom keuzes maken wie ze in meerdere of mindere mate
ondersteunen.
In 2025 zijn niet alle vooraf begrote middelen voor bij- en omscholing besteed. Dit
komt voornamelijk doordat middelen voor de Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM)
en duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen naar latere jaren zijn doorgeschoven,
zoals toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2025. Tevens valt de besteding van
SLIM middelen in 2025 lager uit door een lager aantal betalingen vanwege vaststellingen
en voorschotten, zoals toegelicht in de Suppletoire Begroting September. Op de budgetten
voor re-integratie en arbeidsbemiddeling hebben tot en met de 2e suppletoire begroting
geen grote wijzigingen plaatsgevonden. In het Jaarverslag 2025 zal worden gerapporteerd
over de definitieve besteding van de middelen in 2025.
Vraag 6
Hoeveel investeert de private sector (werknemers, zelfstandigen en particuliere werkgevers)
jaarlijks in bij- en omscholing? Indien u deze cijfers niet heeft, kunt u hier een
inschatting van maken? Kunt u dit vergelijken met vergelijkbare landen?
Antwoord 6
Het geven van een volledig antwoord over de investeringen van de private sector in
bij- en omscholing is complex. Zo maken werkgevers directe kosten voor scholing, maar
financiering kan ook indirect plaatsvinden door (betaald) studieverlof. Daarbij wordt
informeel leren veelal buiten beschouwing gelaten, terwijl onderzoek aantoont dat
mensen juist via deze weg veel leren op de werkvloer. Ook dragen veel werkgevers jaarlijkse
premiebijdragen af aan sectorfondsen (O&O-fondsen) voor scholing en ontwikkeling.
Daarnaast kan een werknemer uiteraard ook op eigen initiatief scholing volgen in de
eigen tijd.
Op basis van enkele studies kunnen we wel een inschatting maken. Private aanbieders
van beroepsopleidingen hebben in 2022 een omzet behaald van circa € 4,5 miljard. Dat
geeft een indruk van de omvang aan directe kosten aan scholing. Onderzoek uit 2017
berekende dat bedrijven in 2015 € 6,9 miljard (incl. gederfde arbeidstijd) aan kosten
maakten voor bij- en omscholing. Op basis van cijfers van het CBS is het aannemelijk
dat investeringen in 2020 van vergelijkbare ordegrootte zijn. Het aandeel van de arbeidskosten
dat wordt besteed aan cursusuitgaven incl. gemiste arbeidsuren was in 2015 (2,2%)
en in 2020 (2,3%). De nieuwe cijfers over 2025 worden in 2027 verwacht.
Een internationale vergelijking is niet goed te maken. Dit komt doordat er internationaal
geen uniforme methode bestaat om investeringen in om- en bijscholing te meten. In
algemene zin kan gesteld worden dat Nederland opvalt door een hoge deelname aan scholing,
en daarbij behorende investeringen.
Vraag 7
Hoeveel fte is gemoeid met arbeidsbemiddeling binnen het UWV? Hoe wordt de effectiviteit
van arbeidsbemiddeling door het UWV gemeten?
Antwoord 7
Met arbeidsbemiddeling binnen UWV zijn ca. 2500 – 2600 directe fte gemoeid. Dit zijn
adviseurs werkzoekendendienstverlening met direct klantencontact in het kader van
WW-dienstverlening en arbeidsongeschiktheids (AG) dienstverlening en adviseurs Werkgeversdienstverlening
voor het deel dat zij zich bezighouden met arbeidsbemiddeling. Naast deze functies
met directe klantcontacten zijn er ondersteunende functies en operationeel management.
Die zijn buiten beschouwing gelaten.
Om de effectiviteit van overheidsbeleid periodiek te meten is een evaluatiestelsel
ingericht waarbij een beleidsterrein iedere vier tot zeven jaar wordt doorgelicht.
In de laatste periodieke rapportage (2023) binnen het thema «Werkloosheid werknemers»
is aangetoond dat arbeidsbemiddeling door het UWV effectief is. De belangrijkste wetenschappelijke
onderbouwing hiervoor is een effectmeting van persoonlijke dienstverlening aan WW-gerechtigden.
De effectmeting toont aan dat de inzet van persoonlijke dienstverlening door adviseurs
van het UWV een positief effect heeft op het vinden van werk. Daarnaast daalt het
beroep op de WW dankzij deze persoonlijke dienstverlening. De maatschappelijke baten
zijn blijkens de eindrapportage hoger dan de uitvoeringskosten. Ook de effectiviteit
van de dienstverlening aan mensen met een WIA-uitkering is recent onderzocht en effectief
gebreken. Met mijn brief van 5 november 2025 (TK 2025/26, 26 448, nr 855) heb ik uw kamer hierover nader geïnformeerd.
Vraag 8
In het artikel wordt de suggestie gedaan om een breder beeld van een werkzoekende
te krijgen door expliciteren van soft skills en vaardigheden, naast diploma’s en werkervaring,
deelt u deze stelling? Zo ja, op welke wijze kunt u dit stimuleren cq faciliteren?
Antwoord 8
Juist met de toenemende arbeidskrapte wordt matching en ontwikkeling op basis van
vaardigheden steeds belangrijker. Zo wordt ieders potentie optimaal benut en kun je
veel gerichter omscholen. Om een meer op skills gerichte arbeidsmarkt mogelijk te
maken hebben we de skillstaal CompetentNL ontwikkeld, zodat verschillende skillsinitiatieven
en organisaties op basis van een objectieve standaard informatie over vaardigheden
met elkaar kunnen uitwisselen. In september 2025 is CompetentNL live gegaan en er
is veel interesse en enthousiasme bij ontwikkelaars om gebruik te maken van CompetentNL.
In de eerste twee maanden zijn er al meer dan honderd afnemers aangesloten op CompetentNL.
Daarnaast stimuleren we de transitie naar een op vaardigheden gerichte arbeidsmarkt.
UWV en TNO krijgen de aankomende jaren middelen voor het bevorderen van de adoptie
van CompetentNL voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Verder financieren we VNO-NCW om
het skillgericht denken bij werkgevers te stimuleren. Via Stichting Nederland onderneemt
maatschappelijk! worden werkgevers geïnformeerd en geïnspireerd over de kansen van
het skillsgericht werven en selecteren in de zoektocht naar geschikt personeel. Daarbij
is ook specifiek aandacht voor de MKB-ondernemers.
Ondertekenaars
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.