Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Duijvenvoorde over het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo
Vragen van het lid Van Duijvenvoorde (FVD) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo (ingezonden 26 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Becking (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
18 december 2025)
Vraag 1
Bent u bekend met het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt
dat 40 procent van de leerlingen vmbo basis en kader onder het basisniveau schrijf-
en rekenvaardigheid zitten?1
Antwoord 1
Ik ben bekend met dit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.
Vraag 2
Laaggeletterdheid in Nederland neemt ieder jaar toe, welke oorzaken ziet u voor deze
trend?
Antwoord 2
De gemiddelde taalvaardigheid van Nederlandse volwassenen is al dertig jaar relatief
stabiel en ook in de afgelopen tien jaar niet significant afgenomen. Het percentage
Nederlanders dat als laaggeletterd kan worden getypeerd is dus niet toegenomen. Wel
is het zo dat laaggeletterde Nederlanders in 2023 een lager taalvaardigheidsniveau
hadden dan tien jaar eerder. De afwezigheid van een toename in het percentage laaggeletterden
betekent dus niet dat we tevreden zijn: het verbeteren van de taalvaardigheid van
deze groep is en blijft een prioriteit.
Vraag 3
Hoe verklaart u dat de taal- en rekenprestaties, ondanks jaren van basisvaardighedenbeleid,
blijven dalen?
Antwoord 3
De taal- en rekenprestaties van leerlingen blijven gelukkig niet over de hele linie
dalen. Dat kunt u ook lezen in mijn brief van 4 december 2025 over het Masterplan
basisvaardigheden en de Monitor basisvaardigheden 2025 met de meest actuele data over
de leerprestaties.2 Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs zich
na de coronapandemie goed hersteld hebben. Groep 3-leerlingen doen het zelfs iets
beter dan voor corona, met name bij begrijpend lezen en spelling. Het beeld in het
vo is helaas in de onderbouw minder positief, maar ook daar zien we soms tekenen van
stabilisatie en herstel en lijken leerlingen tijd het eindexamen stabieler te presteren
over de jaren heen. De verschillende onderzoeken in het kader van het Masterplan basisvaardigheden
bevestigen dat we op de goede weg zijn, maar ook hoe belangrijk het is om nu door
te zetten. Om de focus op de basisvaardigheden vast te houden, scholen te ondersteunen
evidence-informed onderwijs te geven en te helpen bij de invoering van een actueel
en kennisrijk curriculum.
Vraag 4
Volgens het onderzoek beginnen veel kinderen aan groep 1 met taalachterstand, hoe
bent u van plan om dit probleem aan te pakken?
Antwoord 4
Alle kinderen verdienen het om een goede start te maken in het basisonderwijs. Vaak
is dit ook het geval, maar helaas niet altijd. Daarom hebben we in 2024 een onderzoek
laten uitvoeren naar kansrijke beleidsmaatregelen om jonge kinderen goed te laten
starten in het basisonderwijs.3 Het gaat hierbij onder andere over de verlaging van de leerplicht en de verhoging
van de kwaliteit en het bereik van voorschoolse educatie. In de beleidsreactie van
24 juni jl. worden hiervoor verschillende maatregelen aangedragen.4 Het Ministerie van VWS stelt daarnaast vanuit de aanpak Kansrijke Start subsidie
beschikbaar voor het project Taalschatten. Vanuit Taalschatten is een aanpak ontwikkeld
die als doel heeft om kinderen taalvaardig aan de basisschool te laten beginnen. Zo
heeft Taalschatten praktische tools en voorbeelden ontwikkeld voor ouders, zorgprofessionals,
en gemeenten die willen werken aan de taalontwikkeling van kinderen.
Vraag 5
Hoe verklaart u dat vooral leerlingen vmbo basis en kader ver onder het gewenste niveau
voor taal en rekenen zitten in tegenstelling tot leerlingen op vmbo-t, havo, en vwo?
Antwoord 5
Het is van groot belang dat óók deze leerlingen de basisvaardigheden voldoende beheersen
om mee te doen in de samenleving en arbeidsmarkt. Zo zien we dat in het vmbo sprake
is van een hardere daling van de leerprestaties sinds corona. Daarom geven we binnen
de aanpak basisvaardigheden het vmbo op verschillende manieren prioriteit. Leerlingen
uit vmbo basis en kader hebben over het algemeen wat meer tijd nodig dan leerlingen
in de tl, havo of het vwo om het gewenste niveau 2F te halen. Hierbij geldt wel dat
2F het gewenste eindniveau voor leerlingen is die het voortgezet onderwijs verlaten.
Dit onderzoek heeft in klas 2 plaatsgevonden en dat betekent dat deze leerlingen in
het vmbo nog twee jaar de tijd hebben om dit niveau te bereiken. Hierbij geldt bovendien
dat het vmbo geen eindonderwijs is, deze leerlingen vervolgen hun onderwijs in het
mbo, om daar hun startkwalificatie te halen.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de arbeidsmarkt wanneer mbo-studenten hun opleidingen
afronden met onvoldoende taal- en rekenvaardigheden?
Antwoord 6
Het mbo leidt studenten op zodat zij onder andere goed kunnen functioneren op de arbeidsmarkt.
De generieke taal- en rekeneisen voor het behalen van een mbo-diploma zijn daarop
afgestemd. Voor specifieke beroepen waarvoor een hoger taal- en/of rekenniveau nodig
is, is dit opgenomen als eis in een beroepsgericht vak. Studenten die niet aan deze
diploma-eisen voldoen, kunnen niet gediplomeerd uitstromen naar de arbeidsmarkt.
Vraag 7
Volgens het Ministerie van OCW wordt er sinds 2000 elk jaar structureel meer geïnvesteerd
in het onderwijs, zowel door de overheid als door bedrijven en huishoudens. Hoe verklaart
de Minister dat we in 2025 dan toch kampen met dalende onderwijskwaliteit en leerlingen
die moeite hebben met basisvaardigheden zoals schrijven en rekenen?
Antwoord 7
Er zijn in deze periode verschillende investeringen gedaan. Zo is de loonkloof tussen
onderwijspersoneel in het po en het vo gedicht en zijn er, om het beroep van leraar
aantrekkelijker te maken, werkdrukmiddelen toegevoegd aan de bekostiging. Vanaf 2021
is tijdelijk geïnvesteerd met het Nationaal Programma Onderwijs en vanaf 2022 is specifiek
structureel geïnvesteerd om leerprestaties van leerlingen op de basisvaardigheden
te herstellen en te verbeteren met het Masterplan basisvaardigheden. Scholen zijn
positief over de resultaten die zij behalen met de extra middelen voor basisvaardigheden,
maar we zijn er nog niet.
Vraag 8
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen genomen zullen worden om deze neerwaartse
trend te keren?
Antwoord 8
Het Masterplan basisvaardigheden dat in 2022 van start is gegaan is een integrale
en langjarige aanpak dat bestaat uit een breed pakket aan maatregelen. De dalende
trend in de leerprestaties, met name bij lezen, was de directe aanleiding. Vanaf het
eerste jaar van het Masterplan is ieder jaar een deel van de scholen in staat gesteld,
om met subsidie en ondersteuning, evidence-informed in te zetten op de verbetering
van de basisvaardigheden. Vanaf 1 januari 2027 kunnen alle scholen rekenen op structurele
middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
Naast deze snelle start op scholen omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen
om de randvoorwaarden voor goed onderwijs voor de lage termijn te verbeteren. Het
gaat daarbij om zaken als de curriculumherziening, de Bibliotheek op School, de kwaliteit
van leermiddelen, het bevorderen van evidence-informed onderwijs en de professionalisering
van leraren. Al deze maatregelen dragen bij aan een structurele verbetering van de
onderwijskwaliteit in de klas. En ook met de lerarenstrategie, school en omgeving
en de schoolmaaltijden wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van basisvaardigheden.
In mijn brief van 4 december jl. kunt u meer lezen over het Masterplan basisvaardigheden.5
Vraag 9
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld de afgelopen vijf jaar is besteed aan programma’s
die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in basisvaardigheden hebben
opgeleverd?
Antwoord 9
Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in de afgelopen vijf jaar geld is
besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in
de basisvaardigheden hebben opgeleverd.
Vraag 10
Hoe kijkt u naar de inzet van zogeheten «brede brugklassen» en de invloed die gemengde
klassen hebben op de taal- en rekenvaardigheden?
Antwoord 10
Uit onderzoek weten we dat onderwijs in een brede(re) brugklas (bijv. in een dakpanklas
voor vmbo-t/havo) voor de meeste leerlingen positieve effecten heeft op leerprestaties:
de cognitief minder sterke leerlingen kunnen zich optrekken aan de cognitief sterkere
leerlingen (het zogenoemde «peereffect»). Dit positieve effect op de leerprestaties
zien we voor leerlingen met een vmbo tot en met havo/vwo-advies. Het effect van brede(re)
brugklassen op de leerprestaties van leerlingen met een vwo-advies is niet eenduidig
uit onderzoek op te maken. Uit een recente meta-analyse blijkt dat vroege selectie
niet leidt tot hogere onderwijsprestaties, maar wel de ongelijkheid in het onderwijssysteem
vergroot. Om dit te onderzoeken loopt er onder andere via het NRO een leertraject
«Van breder naar beter: De effecten van verschillende inrichtingsvarianten van heterogene
brugklassen op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen.»
Dit leertraject zal nader ingaan op het effect van verschillende brugklasvarianten
op cognitief sterkere leerlingen.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u het risico dat toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand
ertoe leidt dat reguliere scholen minder tijd en aandacht hebben voor overige leerlingen?
Antwoord 11
Er zijn bij mij geen cijfers bekend die een toenemende instroom van kinderen met een
leerachterstand bij aanvang van hun schoolloopbaan bevestigen. Er zijn wel indicaties
dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen.
Een enquête van de Academie en Vakvereniging voor Schoolleiders wees bijvoorbeeld
uit dat 80 procent van de schooldirecteuren aangeeft dat de instroom van kinderen
die eigenlijk voorschool nodig hadden, maar niet zijn geweest, voor extra uitdagingen
zorgt op school.6 Een leerkracht kan zijn of haar aandacht maar één keer verdelen, dus het is voorstelbaar
dat dit betekent dat leerkrachten minder tijd en aandacht over hebben voor de overige
leerlingen.
Die signalen neem ik serieus, en dit bevestigt opnieuw het belang van voorschoolse
educatie. Uit onder andere het pre-COOL-cohortonderzoek blijkt dat voorschoolse educatie
helpt om achterstanden terug te dringen, mits de kwaliteit goed is.7 Tegelijkertijd zien we dat het bereik van voorschoolse educatie de laatste jaren
lijkt te dalen.8 In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een goede start» worden verschillende
maatregelen aangedragen om het bereik van voorschoolse educatie te verhogen.9
Daarnaast wijs ik graag op het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, dat
wordt uitgevoerd in de 20 meest kwetsbare focusgebieden in Nederland. De focusgebieden
ontvangen onder andere extra middelen om extra te investeren in de voor- en vroegschoolse
periode. Die worden bijvoorbeeld besteed aan extra professionalisering van jonge kind
professionals, of aan de inzet van een extra beroepskracht in groep 1 en 2.
Vraag 12
Hoe ziet u een mogelijk verband tussen de toename aan inzet van digitale leermethoden
– zoals tablets, notebooks, computers – voor het verwerken van opdrachten en de dalende
trend in schrijfvaardigheid?
Antwoord 12
De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillende mogelijke oorzaken,
zoals het toenemende aantal taken voor scholen, het tekort aan leraren en schoolleiders
en een verouderd en overladen curriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieve
schermtijd dragen hier eveneens aan bij.
Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW sinds 2022 volop in op ondersteuning
van scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardigheden van
leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardigheden en het Groeifondsprogramma
Impuls Open Leermateriaal, onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen –
zowel digitaal als papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen.
Zo is het Kwaliteitskader Taal ontwikkeld door een werkgroep van onderwijsprofessionals,
experts en wetenschappers. Dit kader is in juni van dit jaar gelanceerd. Met dit kader
kunnen scholen en educatieve uitgevers de kwaliteit van leermiddelen en aangeboden
teksten beoordelen. Daarnaast onderzoekt het Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab
AI momenteel de mogelijkheden die digitale media bieden om verhalen op nieuwe, interactieve
manieren te presenteren en kinderen beter te ondersteunen bij het lezen. Tegelijkertijd
worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat kinderen enkel korte, oppervlakkige
teksten online lezen, wat ten koste kan gaan van diep lezen. Het nieuwe curriculum
legt de focus op lezen, schrijven en rekenen. Het verplicht scholen om rijke, kwalitatief
hoogstaande teksten aan te bieden, zoals originele artikelen uit kranten, tijdschriften
en passages uit literatuur.
Om een sociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heeft OCW met een brede
vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken dat niet-educatief gebruik van mobiele
telefoons en andere persoonlijke devices niet langer is toegestaan in de klas. Deze
afspraak werpt zijn vruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken
geconcentreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.
Vraag 13
Deelt u de mening dat (de gevolgen van de) massale immigratie niet bevorderlijk is
voor het algemene taal- en rekenniveau?
Antwoord 13
Het funderend onderwijs in Nederland is erop gericht dat alle leerlingen het benodigde
taal- en rekenniveau halen.
Vraag 14
Kunt u aangeven welk percentage van de leerlingen met ernstige taalachterstanden bestaat
uit kinderen die geen Nederlands spreken bij aanvang van de schoolloopbaan?
Antwoord 14
Nee, dat kan ik niet. Ik heb geen cijfers van kinderen die bij aanvang van hun schoolloopbaan
ernstige taalachterstanden hebben. Zoals ik bij vraag 11 heb aangegeven zijn er wel
indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen
binnenkomen. Daarnaast blijkt uit de Kansrijke Start monitor 2024 van het RIVM uit
de gegevens van Jeugdgezondheidsorganisaties dat het aantal kinderen met een spraak-taalontwikkelingsachterstand
op tweejarige leeftijd toeneemt.10
In de data wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende oorzaken van deze
taalachterstand. Het is dus niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken over het
percentage kinderen dat geen Nederlands spreekt.
Wel blijkt hieruit dat er des te meer reden is om al op jonge leeftijd in te zetten
op extra ondersteuning, zoals ook in de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op
een goede start is aangehaald.11
Vraag 15
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie
en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs?
Antwoord 15
Nee, ik ben niet voornemens een separaat onderzoek te laten doen naar de relatie tussen
immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs. Met onder meer het Masterplan
Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van
alle leerlingen in het onderwijs. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak
met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op de lees-,
schrijf- en -rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. In de monitoring
van het Masterplan wordt via het Nationaal Cohortonderzoek ook gekeken naar de achtergrondkenmerken
van leerlingen, waaronder een eventuele migratieachtergrond. Daarnaast investeert
het kabinet al extra in kinderen met een groter risico op een achterstand door middel
van voorschoolse educatie en extra financiering van scholen met een relatief grote
populatie leerlingen met een groter risico op een achterstand.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.