Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Nieuw financieringsstelsel kinderopvang (Kamerstuk 31322-571)
31 322 Kinderopvang
Nr. 573
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 16 december 2025
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en Financiën over de volgende brieven: Toelichting op verhoging vergoedingspercentages
kinderopvangtoeslag in 2026 (Kamerstuk 31 322, nr. 562), Herziene versie «Overzicht dossiers vertrouwensinspectie Kinderopvang 2022 – 2024
(Kamerstuk 31 322, nr. 563), Toegankelijkheid en doelmatigheid in het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang
(Kamerstuk 31 322, nr. 569), Verzamelbrief Kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 570), Nieuw financieringsstelsel kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 571) en Regeldruk en toezicht kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 572).
De vragen en opmerkingen zijn op 11 december 2025 aan de staatssecretarissen van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en Financiën voorgelegd. Bij brief van 16 december 2025 zijn
de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Burg
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek
Inleiding
Hierbij zenden wij u de antwoorden op de vragen die door de Kamer zijn gesteld naar
aanleiding van het schriftelijk overleg over kinderopvang d.d. 10 december 2025.
Tevens bieden wij u hierbij de uitkomsten van de doenvermogentoets op het wetsvoorstel
financiering kinderopvang aan. De Behavior Change Group en het Kenniscentrum Psychologie
en Economisch Gedrag hebben afgelopen najaar een doenvermogentoets uitgevoerd op het
nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang. Zij hebben de «doenlijkheid» van het
financieringsstelsel onderzocht met vier specifieke (en kwetsbare) doelgroepen.
Uit de toets blijkt dat het stelsel voor de meeste ouders doenlijk en overzichtelijk
is. De onderzoekers zien het wetsvoorstel als een verbetering ten opzichte van het
huidige financieringsstelsel met de kinderopvangtoeslag en raden aan om het stelsel
zo snel mogelijk in te voeren. De onderzoekers doen ook een aantal aanbevelingen.
Wij zijn de onderzoekers zeer erkentelijk voor hun inspanningen en nemen hun aanbevelingen
mee in de verdere uitwerking van het wetsvoorstel financiering kinderopvang.
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken op de
agenda voor het schriftelijk overleg over kinderopvang. Bijna gratis kinderopvang
geeft duidelijkheid aan ouders, na jaren van onzekerheid over toeslagen. Daarom willen
deze leden graag deze herziening voortvarend doorzetten. Zij hebben enkele vragen
ten aanzien van de stelselwijziging en de toegankelijkheid.
De leden van de D66-fractie steunen de koers van de Staatssecretaris om de stelselherziening
door te zetten, met oog voor toegankelijkheid van het stelsel en rechtmatige en doelmatige
besteding van overheidsgeld. Bovendien achten zij het noodzakelijk om de situatie
te voorkomen waarbij er ongeoorloofde staatssteun wordt gegeven. Deze leden vinden
het terecht om maatregelen te nemen ten behoeve van doelmatige besteding, gezien het
risico op tariefstijgingen en de bijna complete publieke financiering van de dienst.
Wel hebben zij enkele vragen over de praktische uitvoering. Deze leden vragen hoe
de Staatssecretaris de besluitvorming over de Dienst van Algemeen en Economische Belang
(DAEB-)aanwijzing voor ogen ziet. Zij vragen daarbij hoe hij gaat voorkomen dat extra
activiteiten die nu worden aangeboden door kinderopvangorganisaties ten behoeve van
de ontwikkeling van kinderen niet buiten de definitie van de omschreven werkzaamheden
gaat vallen. Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris ervoor gaat zorgen dat
administratieve lasten zo laag mogelijk zijn voor kinderopvangorganisaties.
De leden van de D66-fractie zijn enthousiast over de manier waarop het nieuwe stelsel
wordt uitgewerkt, waarbij er nauwere samenwerking is tussen beleid en uitvoering.
Deze leden vragen daarbij of daar al lessen uit te trekken zijn voor andere hervormingen,
met name op het gebied van de (interne) ontwikkeling van ICT-functionaliteiten en
de ontwikkeling van prototypes. Ook vragen deze leden hoe ouders en kinderopvangorganisaties
betrokken worden bij het verdere proces en ontwikkeling van het systeem.
De leden van de D66-fractie steunen de lijn om gemeenten meer mogelijkheden te geven
om de eigen bijdrage van ouders te vergoeden, maar vragen daarbij wel aandacht voor
uniformiteit tussen gemeenten. Deze leden zijn blij dat de handreiking Sociaal Medische
Indicatie (SMI) in januari 2026 gepresenteerd wordt, naar aanleiding van vragen van
deze leden. Zij vinden het onwenselijk dat onrechtvaardige verschillen zijn in de
uitvoering van SMI. Ook zijn zij blij met de toename in middelen in 2025 en 2029 in
het gemeentefonds voor het verstrekken van maatwerk via SMI. Wel vragen zij in hoeverre
de Staatssecretaris zicht blijft houden op het effect van de handreiking en modeldocumenten.
Op welke wijze monitort de Staatssecretaris om te zien of de handreiking ook daadwerkelijk
het beoogde effect heeft? Daarbij vragen deze leden hoe de extra middelen voor gemeenten
om maatwerk te leveren voor ouders met een SMI zich verhouden tot voor- en vroegschoolse
educatie, of dat deze enkel bestemd zijn voor de reguliere kinderopvang.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
over de kinderopvang. Deze leden hebben nog een aantal vragen en opmerkingen.
Allereerst zijn de leden van de PVV-fractie benieuwd of er reeds een concreet ingroeipad
is vastgesteld voor de situatie in 2028 en, zo ja, hoe dit pad er precies uitziet.
De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd of en welke maatregelen de Staatssecretaris
in gedachten heeft indien de wachtlijsten in 2029 te lang worden door de grote instroom
van nieuwe kinderen.
De leden van de PVV-fractie vragen wat de Staatssecretaris gaat doen om de administratieve
lasten van de DAEB te beperken.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom er, naast de DAEB, niet voor is gekozen
om andere alternatieven verder uit te werken.
De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd wat de Staatssecretaris beschouwt als een
redelijk rendement voor kinderopvangorganisaties.
De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd hoeveel procent van de kinderopvangorganisaties
volgens de verwachting boven de maximum uurprijs (MUP) zal uitkomen.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de forse stijging verklaart
van het aantal dossiers over fysiek geweld bij de vertrouwensinspecteurs kinderopvang:
van 103 in 2022 naar 200 in 2024, een toename van bijna 100%.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris een overzicht kan geven
van de gemeenten waarin deze 200 meldingen over fysiek geweld in 2024 hebben plaatsgevonden.
De leden van de PVV-fractie willen tevens begrijpen waarom het aantal strafrechtelijke
aangiften naar aanleiding van deze meldingen is gedaald van 28 in 2022 naar 22 in
2024, terwijl het aantal meldingen zelf bijna verdubbelde.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris een verdere stijging dan
wel een daling verwacht van het aantal incidenten met fysiek geweld op het moment
dat kinderopvang vrijwel gratis wordt.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris gevallen bekend zijn waarin
kinderopvangorganisaties genoodzaakt zijn beveiligers in te huren ter bescherming
van kinderen en/of personeel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met tevredenheid kennisgenomen van de inzet van
de Staatssecretaris om de regeldruk in de kinderopvangsector te verminderen en onder
controle te houden, met name voor kleine ondernemers. Deze leden moedigen hem aan
deze koers onverminderd voort te zetten, en vragen hem of hij zijn ambities en de
reden hierachter nader kan toelichten. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij
een volledig overzicht kan geven van de regels die door de sector op dit moment nog
als knellend of onnodig belastend worden ervaren, maar waarvoor nog geen concrete
stappen zijn gezet richting vereenvoudiging of afschaffing. Indien dergelijke regels
bestaan, vernemen zij graag om welke regels het gaat, welke gevolgen deze hebben voor
met name klein- en middenbedrijven binnen de sector, en of de Staatssecretaris voornemens
is deze te schrappen, te vereenvoudigen of anderszins te verlichten.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de ambitie van de Staatssecretaris om te
komen tot daadwerkelijke deregulering. In met Kamerstuk 31 322, nr. 572 geeft de Staatssecretaris aan bij enkele maatregelen nog te zullen bezien hoe en
of tot versoepeling kan worden gekomen. Deze leden verzoeken de Staatssecretaris per
maatregel inzichtelijk te maken welk besluitvormingstraject wordt voorzien, binnen
welke termijn de Kamer een vervolgstap of keuze tegemoet kan zien, en hoe de voortgang
meetbaar en controleerbaar wordt gemaakt. Deze leden wijzen daarbij op de werkwijze
van de Minister van Economische Zaken, waar concrete reductiedoelen voor regeldruk
expliciet worden geformuleerd en periodiek worden gemonitord, en vragen of een dergelijke
systematiek ook hier toegepast kan worden.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van het kabinet
om de formele kinderopvang in Nederland aan te wijzen als DAEB. Deze leden begrijpen
de noodzaak om staatssteunrisico’s te voorkomen, mede gezien het feit dat terugvordering
van miljarden aan financiering een onverantwoord risico zou vormen voor ouders, aanbieders
en overheid. Tegelijkertijd nemen zij zorgen uit de sector serieus, onder andere op
het gebied van investeringsbereidheid en innovatiekracht. Daarom vragen deze leden
naar de stand van zaken m.b.t. de doenvermogentoets. Wat zijn de resultaten hiervan?
Deze leden willen ook weten hoe het kabinet de impact inschat van een sectorbrede
DAEB-aanwijzing op het investeringsklimaat, en in het bijzonder op de beschikbaarheid
van financiering voor uitbreiding, innovatie en kwaliteitsontwikkeling. Hoe lang wordt
er al gesproken met de kinderopvangsector over een mogelijke DAEB-aanwijzing? Kan
de Staatssecretaris ook delen hoeveel medewerkers de kinderopvang in de afgelopen
jaren heeft weten te werven? Deze leden verzoeken de Staatssecretaris tevens toe te
lichten in hoeverre de stabiliteit van een jaarlijkse directe overheidsfinanciering
van circa € 8,6 miljard kan worden gezien als een compenserende zekerheid met een
positief effect op het investeringsperspectief, en in hoeverre dit opweegt tegen mogelijke
beperkingen die voortvloeien uit regels omtrent overcompensatie en normrendement.
De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris daarnaast op welke wijze eerdere
ervaringen met DAEB-aanwijzingen in andere sectoren inzicht geven in financieringsbereidheid
bij banken en institutionele beleggers, en welk beeld uit deze vergelijkingen relevant
is voor de kinderopvangsector. Tevens vragen deze leden het kabinet te verduidelijken
of DAEB, anders dan soms wordt gesuggereerd, niet moet worden gezien als een noodmaatregel
maar als een regulier instrument voor publieke diensten zoals kinderopvang, zorg en
sociale huisvesting, en of de Staatssecretaris deze duiding kan bevestigen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet van oordeel is dat voor de continuïteit
van kinderopvangorganisaties een redelijk rendement noodzakelijk is. Deze leden vragen
de Staatssecretaris welke bandbreedte hij op voorhand redelijk acht, gegeven de uiteenlopende
kostprijsstructuren in de sector zoals uit het kostprijsonderzoek blijkt, de omvangrijke
investeringsopgave in huisvesting en personeel, en het belang van een aantrekkelijk
ondernemingsklimaat voor aanbieders van iedere omvang. Daarnaast vragen zij welke
informatie het kabinet reeds heeft over de bereidheid van financiers om binnen een
DAEB-kader langjarige investeringen mogelijk te blijven maken. Deze leden vragen tevens
hoe het kabinet voornemens is te borgen dat een normrendement voldoende ruimte laat
voor meerjarige investeringen en voor het opbouwen van reserves die noodzakelijk zijn
voor een gezonde bedrijfsvoering. Daarbij vragen zij in hoeverre het kabinet duidelijke
kaders kan schetsen over de ruimte voor rendement die zij wil bieden, zodat ondernemers
perspectief hebben en diversiteit in het aanbod behouden kan blijven.
Met betrekking tot tariefregulering constateren de leden van de VVD-fractie dat het
kabinet uitgebreid uiteenzet dat tariefregulering risico’s kent voor de reële toegankelijkheid,
de diversiteit van het aanbod en de kwaliteit. Deze leden vragen de Staatssecretaris
te bevestigen dat tariefregulering geen verplicht element is binnen een DAEB-kader
en dus een afzonderlijke politieke keuze betreft, en alleen overwogen zal worden indien
gegarandeerd kan worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de beschikbaarheid
van kinderopvangplekken, de groei van het aanbod en de kwaliteit van de opvang.
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie hoe de Staatssecretaris, in het licht
van de groeiopgave en de DAEB-kaders het ondernemersvertrouwen in de sector actief
borgt en versterkt. Deelt hij de opvatting van deze leden dat ondernemerschap cruciaal
is om deze belangrijke stelselwijziging mogelijk te maken? Deze leden verzoeken de
Staatssecretaris uiteen te zetten welke aanvullende maatregelen overwogen worden om
ervoor te zorgen dat ondernemers, van klein tot groot, daadwerkelijk kunnen blijven
investeren in uitbreiding, innovatie en kwaliteit richting 2029, zodat het nieuwe
stelsel niet alleen eenvoud en zekerheid biedt, maar ook een duurzaam en toekomstbestendig
aanbod van kinderopvang.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
geagendeerde stukken. Deze leden vinden dat de kinderopvang een publieke voorziening
hoort te zijn, net als scholen. Zij moedigen stappen aan die gratis kinderopvang voor
alle kinderen mogelijk maken. Deze leden constateren echter ook dat het kabinet een
eigen bijdrage in stand houdt, nog geen duidelijkheid geeft in hoeverre de maximumuurprijs
wordt beperkt waardoor kinderopvang juist duurder in plaats van goedkoper wordt voor
minder vermogende ouders, en dat nog steeds complexiteit en ongelijkheid wordt gecreëerd
door het in stand houden van de arbeidseis. Deze keuzes staan haaks op de uitgangspunten
van zekerheid, eenvoud en gelijke kansen. Deze leden hebben daarom verschillende vragen
aan de Staatssecretaris.
Arbeidseis en eigen bijdrage
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat kinderopvang op allerlei vlakken
goed is voor de ontwikkeling van jonge kinderen en ervoor zorgt dat onze kinderen
samen opgroeien. Daarom vinden deze leden het van cruciaal belang dat alle kinderen
toegang krijgen tot kinderopvang, en niet alleen kinderen van werkende ouders. Deze
leden pleiten dan ook voor het loslaten van de zogeheten arbeidseis. Deelt de Staatssecretaris
de opvatting dat kinderopvang meer is dan een arbeidsmarktinstrument? Deelt de Staatssecretaris
de opvatting van deze leden dat investeren in (bijna) gratis kinderopvang voor iedereen
zorgt voor maatschappelijke baten, zoals meer gelijke ontwikkelkansen, minder stress
bij ouders en minder segregatie? Wat zijn de uitvoeringskosten van het in stand houden
van de arbeidseis en van het innen van de 4% eigen bijdrage? Kan de Staatssecretaris
de maatschappelijke baten van (bijna) gratis kinderopvang voor alle kinderen in kaart
brengen samen met andere departementen, waaronder Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), en deze baten afwegen tegen de kosten
van het in stand houden van de arbeidseis en het innen van de eigen bijdrage van 4%?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het Toeslagenschandaal een
diep litteken heeft achtergelaten in de samenleving en bij ouders in het bijzonder.
Het vertrouwen in de overheid is diep beschadigd en er leeft angst rondom het gebruikmaken
van overheidsregelingen. Om dit vertrouwen terug te winnen is het belangrijk dat ouders
het gevoel hebben dat de overheid naast hen staat en dat zij laagdrempelig gebruik
kunnen maken van kinderopvang, zonder bewijslast en complexe regelingen. Deze leden
constateren dat het kabinet een belangrijke stap zet in het terugdringen van de complexiteit
door te kiezen voor een inkomensonafhankelijk stelsel. Helaas constateren deze leden
dat met het in stand houden van de arbeidseis en de eigen bijdrage het stelsel onnodig
complex blijft. Hoe verhoudt het voorliggende wetsvoorstel zich volgens de Staatssecretaris
tot de constatering van de Raad van State in een eerder advies dat «werkelijke reductie
van complexiteit alleen [kan] worden bereikt als ingeleverd wordt op de uitgangspunten
van inkomensafhankelijkheid en arbeidsparticipatie»?1 Zijn extra kosten als gevolg van het laten vallen van de arbeidseis (indien kosten
hoger zijn dan baten) niet beter op te lossen in fiscaliteit dan door de ene groep
kinderen te bevoordelen ten opzichte van een andere groep kinderen?
De keuze om de eigen bijdrage in stand te houden houdt het systeem onnodig complex,
constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Deze leden vragen hoeveel uitvoeringskosten
er concreet gemoeid zijn met het innen van de 4% eigen bijdrage, en hoe dit zich verhoudt
tot het bedrag dat op wordt gehaald met de eigen bijdrage. Wat is de reden om deze
4% in stand te houden? Deze leden constateren daarnaast dat in het nieuwe stelsel
derden in staat worden gesteld om ouders die de 4% eigen bijdrage niet kunnen opbrengen
financieel te helpen. Te denken valt aan gemeenten, de werkgever of familieleden.
Hoe voorkomt de Staatssecretaris ongelijkheid tussen gemeenten of sectoren op de arbeidsmarkt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast zorgen over de ouders in
de laagste inkomensgroepen. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat zij erop achteruitgaan?
Hun vergoedingspercentage is immers reeds 96%. Er bestaat een reëel risico dat in
het nieuwe stelsel kinderopvanglocaties hun uurtarief verhogen, waardoor deze ouders
meer moeten betalen dan zij nu doen en dus juist de eerste groep zijn die worden verdrongen.
Ouders die werken kunnen vijf dagen bijna gratis kinderopvang afnemen ongeacht hoeveel
zij werken. Wanneer de uurtarieven verhoogd worden in de schaarste die ontstaat, zijn
het de ouders met de laagste inkomens die als eerste verdrongen worden. Hoe voorkomt
de Staatssecretaris dat de ouders met de laagste inkomens als eerste verdrongen worden,
wanneer de uurtarieven verhoogd worden in de schaarste die ontstaat? Is het mogelijk
om in het stelsel te regelen dat ouders toegang hebben tot een aantal dagen zonder
arbeidseis?
Daarnaast is de keuze om de arbeidseis in stand te laten volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
een gemiste kans om zowel segregatie als stress bij ouders tegen te gaan. In de kabinetsplannen
blijven kinderen namelijk onder een breed scala aan regelingen vallen afhankelijk
van de (werk)situatie van hun ouders. Een greep uit de opties: een kind met werkende
ouders gaat bijna gratis naar de kinderopvang, een kind wiens ouders niet werken blijft
thuis en een kind wiens ouders niet werken maar waar thuis een andere taal gesproken
wordt gaat naar de voor- en vroegschoolse educatie (vve). Deze kinderen komen elkaar
niet tegen. Welke gevolgen heeft dit op het gebied van segregatie en vindt de Staatssecretaris
dat wenselijk? Daarnaast wordt specifiek op de vve ouderparticipatie verwacht. Hoe
verhoudt dat zich tot de mogelijkheid tot arbeidsparticipatie?
De keuze om de vele verschillende regelingen in stand te houden is daarnaast volgens
de GroenLinks-PvdA-fractie een gemiste kans om stress bij ouders tegen te gaan. We
weten dat het huidige stelsel van kinderopvang veel stress veroorzaakt bij ouders.2 Hoewel het nieuwe stelsel hier op sommige vlakken aan tegemoet komt, blijft er met
de arbeidseis een bron van stress bestaan vanwege alle verschillende regelingen. Hoeveel
verschillende regelingen blijven in stand omdat de arbeidseis blijft bestaan? Een
van de oorzaken van stress en onzekerheid is de tijdelijkheid van toegang, bijvoorbeeld
in geval van een sociaal-medische indicatie (SMI) of gedurende een re-integratietraject.
In hoeverre deelt de Staatssecretaris de opvatting dat het loslaten van de arbeidseis
stress bij ouders kan verminderen? Deze leden hebben daarnaast zorgen over de positie
van ouders die chronisch ziek zijn. De bestaande gemeentelijke regeling bij ziekte
(de SMI) is tijdelijk en dus per definitie niet toereikend voor ouders die chronisch
ziek zijn. Bovendien zijn gemeenten niet verplicht om deze regeling aan te bieden.
Door de arbeidseis in stand te houden, blijft deze groep tussen wal en schip vallen.
Hoe zorgt de Staatssecretaris voor een passende oplossing voor ouders die kampen met
een chronische ziekte? Daarnaast zijn er ouders met onregelmatig werk voor wie het
lastiger is om aan te tonen dat zij werken, bijvoorbeeld seizoenswerkers of flexwerkers.
Kan de Staatssecretaris in kaart brengen voor welk type werkenden het lastiger is
om aan te tonen dat zij voldoen aan de arbeidseis? Hoe voorkomt hij dat deze bewijslast
leidt tot stress en zelfs angst rondom het gebruikmaken van kinderopvang? Hoe voorkomt
de Staatssecretaris dat ouders die (net) werken en dat lastig kunnen aantonen in de
eerste fase zelf de kinderopvang moeten betalen? En in hoeverre kunnen ouders met
terugwerkende kracht de kinderopvang vergoed krijgen, als zij toch aan de arbeidseis
blijken te voldoen? Hoe werkt het voor werkenden die hun baan kwijtraken, of mensen
met flexibele contracten of opdrachten die tussentijds zonder werk zitten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er in het wetsvoorstel twee
stelsels blijven bestaan, namelijk de vve en de kinderopvang. Waarom is niet gekozen
om de harmonisatie te volmaken? Hoe werkt het ministerie aan de aansluiting van de
gemeentelijke regelingen op het nieuwe stelsel?
DAEB/uurtarief
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn positief over het voornemen van de Staatssecretaris
om een DAEB te vestigen en over de keuze voor een inkomensafhankelijk stelsel. Hoeveel
middelen worden bespaard in de uitvoering door het stelsel inkomensonafhankelijk te
maken? Op welke manier wordt de kinderopvang betrokken bij de uitwerking van de DAEB
en hoe zorgt de Staatssecretaris dat dit niet tot uitstel leidt? Welke voorbeelden
zijn er uit het buitenland waar kinderopvang in een vergelijkbare structuur is geregeld?
Hoewel het vestigen van een DAEB een positieve stap is, hebben deze leden zorgen over
het feit dat in het wetsvoorstel nog geen wettelijk maximumuurtarief is opgenomen.
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat (commerciële) kinderopvanginstellingen hun uurtarieven
flink verhogen? Wat is het verwachte effect wat betreft kwaliteitsverschillen wanneer
er geen maximumuurtarief wordt ingesteld? Zoals eerder in deze bijdrage omschreven
betekent dit dat juist ouders in de laagste inkomensgroepen meer gaan betalen. Hun
eigen bijdrage is in het huidige stelsel immers al 4%, en door verhoging van de uurprijs
zal het te betalen bedrag hoger worden. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit negatieve
gevolgen heeft voor segregatie en kansengelijkheid? Hoe voorkomt de Staatssecretaris
dat ouders in de laagste inkomenscategorie straks geen kinderopvang meer kunnen betalen?
Zijn er voorbeelden van andere sectoren die in vergelijkbare mate gefinancierd worden
met overheidsgeld, waar geen maximumtarieven gelden?
Inwerkingtreding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien het wetsvoorstel als een belangrijke
stap richting gratis kinderopvang voor alle kinderen. Kan de Staatssecretaris toezeggen
dat invoering per 2029 prioriteit heeft? De kinderopvang en ouders hebben een duidelijke
stip op de horizon nodig en een betrouwbare overheid, en niet voor de derde keer uitstel.
In hoeverre ziet de Staatssecretaris risico voor vertraging en hoe kan hij dit voorkomen?
Personeelstekort
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat met de invoering van het
nieuwe financieringsstelsel het personeelstekort in de kinderopvang speciale aandacht
vergt. Op welke manier zijn de in zijn brief genoemde pijlers van de aanpak van het
personeelstekort (nieuw personeel aantrekken, huidig personeel behouden en hen stimuleren
meer uren te werken) uitgewerkt in concreet beleid? Heeft de Staatssecretaris zicht
op de effectiviteit van elke pijler, en ziet hij aanknopingspunten om de pijlers verder
uit te bouwen? Deze leden zijn van mening dat het uitbreiden van het ouderschapsverlof
naast deze pijlers een heilzame weg is. Langer ouderschapsverlof is goed voor ouder
en kind, en ontlast daarnaast de kinderopvang. Dit effect is des te sterker voor de
kleinste kinderen, omdat er voor nuljarigen meer personeel nodig is dan voor oudere
kinderen. Kan de Staatssecretaris in kaart brengen wat het effect is van langer ouderschapsverlof
op de personeelstekorten in de kinderopvang? Is dit element onderdeel van het door
de Staatssecretaris uitgezette onderzoek naar de personeelskrapte, uitgevoerd door
Ipsos I&O en SEO? Zo nee, is de Staatssecretaris bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Daarnaast geloven deze leden dat meer samenwerking met het onderwijs veel baten heeft,
waaronder het feit dat er meer doorlopende leerlijnen en een meer eenduidig pedagogisch
klimaat kan worden gecreëerd. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken wat
de baten zijn van een betere samenwerking met het onderwijs, waarbij kinderopvangmedewerkers
zowel op school als in de kinderopvang aan de slag kunnen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hechten veel waarde aan het onderwerp kinderopvang, omdat
onze kinderen kwetsbaar, kostbaar en beschermwaardig zijn. Kinderopvang markeert voor
veel gezinnen een belangrijk dagelijks ritueel, namelijk het moment dat je je kind
achterlaat in de goede handen van de kinderopvang of gastouder. Ouders zijn in de
manier waarop zij hun dag en werk inrichten afhankelijk van de beschikbaarheid van
en het vertrouwen in de mensen die de kinderen opvangen. Kinderopvang moet daarom
vanzelfsprekend, beschikbaar en betaalbaar zijn. Vanuit deze uitgangspunten hebben
deze leden een aantal vragen bij de staat van de kinderopvangmarkt en de beweging
naar een nieuw stelsel, omdat zij zorgen hebben dat de beoogde doelen op gespannen
voet staan met elkaar.
Staat van de kinderopvang
De leden van de CDA-fractie merken op dat de huidige discussie over de staat van de
opvangmarkt en het nieuwe stelsel overlappen. In de huidige markt is een tekort van
zo’n 7.000 opvangkrachten en in de meeste gevallen is sprake van wachttijden, vooral
in de grote steden. Onderzoeksuitkomsten laten zien dat met het nieuwe financieringsstelsel
de vraag naar opvang met 20% zal stijgen, terwijl onderzoek van het CBS laat zien
dat sinds 2022 de groei in het aantal opvangplekken afzwakt. Deze leden merken op
dat dit de doelen van betaalbaarheid en toegankelijkheid onder druk zet, zowel in
de huidige situatie met een vraag groter dan het aanbod en vrije prijzen die kinderopvang
voor lagere inkomens duurder maakt, maar ook in de plannen voor een nieuw gereguleerd
subsidiestelsel wat marktwerking drukt. Zij vragen of de Staatssecretaris deze spagaat
herkent en het met deze leden eens is dat links- of rechtsom de druk van de ketel
moet.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de enige oplossing die de Staatssecretaris overweegt
is proberen een groot aantal nieuwe medewerkers aan te trekken, of medewerkers meer
in te zetten. Deze leden vragen of de Staatssecretaris de kans van slagen van deze
aanpak met onderzoek kan onderbouwen. Zij vragen hoe de Staatssecretaris het advies
van de Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) weegt, die een goede afweging van het
voorgenomen stelsel niet mogelijk acht, omdat onvoldoende onderbouwd is hoe aan een
forse stijging van de vraag kan worden voldaan, en dat de gevolgen daarvan voor ouders
onvoldoende transparant zijn. Ook vragen zij of de Staatssecretaris kan ingaan op
de zorgen geuit in de brief van CNV dat de stelselwijziging alleen kans van slagen
heeft als de omstandigheden in de kinderopvang dit mogelijk maken, dus oplossen van
de te hoge werkdruk en meer waardering voor professionals in de kinderopvang.
De CDA-leden lezen dat het kabinet een evaluatie van het arbeidsmarktkraptebeleid
laat uitvoeren, die pas begin 2026 verschijnt. Hoe ziet de Staatssecretaris het voor
zich om «lerenderwijs» beleid te verbeteren, terwijl er vooraf voldoende zekerheid
moet zijn alvorens met een nieuw stelsel kan worden ingestemd dat de krapte mogelijk
vergroot? Wat betekent «lerenderwijs» concreet? Voor deze leden staat vast dat de
kinderopvang juist zekerheid en voorspelbaarheid moet bieden en geen terrein mag zijn
voor experimenten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet alternatieven heeft overwogen, zoals
beperken van het aantal opvangdagen, of meer verlof in het eerste jaar te geven, maar
hier niet voor kiest. Ook wordt niet meer ruimte gecreëerd voor gastouders. Het versoepelen
leidster-kind ratio is niet overwogen, en inzet van MBO 2 medewerkers ook niet, omdat
dit tot verminderde kwaliteit zou kunnen leiden. Deze leden hebben daarover een aantal
vragen. Zij vragen de Staatssecretaris waarom inzet van MBO 2 geschoolde medewerkers
tot minder kwaliteit zou leiden, terwijl de eis voor gastouders ook MBO2 is, met een
aanvullende pedagogische module. Waar zit dan het verschil? Ook vragen zij waarom
niet verder verkend wordt of meer verlof voor ouders in het eerste levensjaar kan
helpen de druk in het eerste jaar naar beneden te brengen, als juist de leidster-kind
ratio het hoogst is. Ook vragen deze leden waarom niet juist meer wordt geïnvesteerd
in gastouderopvang, als bekend is dat het aantal gastouders afgelopen jaren een dalende
trend laat zien, terwijl zij juist veel flexibel aanbod kunnen creëren. Waarom zoekt
de Staatssecretaris hiervoor geen ruimte, als hij juist in zijn brief schrijft dat
de kosten van gastouders hoger liggen dan hun maximumuurprijs? Deze leden zijn van
mening dat hier juist mee aan de slag moet worden gegaan om de druk op opvanglocaties
te verminderen. Zij vragen of de Staatssecretaris de mening deelt dat goedkope kinderopvang
voor ouders geen meerwaarde biedt, als deze niet beschikbaar is, waar de kwaliteit
en aandacht voor kinderen onder te leiden heeft.
Ruimte voor de markt
In de brieven van de Staatssecretaris lezen de leden van de CDA-fractie dat meer investeringen
in de markt nodig zijn, maar zij merken op dat deze nu erg onrustig is vanwege de
plannen voor aanmerken van kinderopvang als DAEB-activiteit. Het kabinet zegt dat
ook onder een kwalificatie van kinderopvang als DAEB-activiteit, een redelijk rendement
boven de netto kostprijs behaald moet kunnen worden, maar voor het vaststellen van
een redelijk rendement zal nader onderzoek worden uitgezet bij een onafhankelijk extern
bureau. Deze leden vragen wie dit onderzoek zal gaan doen en wanneer de Staatssecretaris
de uitvoering van dit onderzoek verwacht. Worden hierbij marktpartijen betrokken?
En op welke wijze wordt hun advies gerapporteerd?
Ook lezen de leden van de CDA-fractie dat in de nadere uitwerking centraal zal staan
dat er vrijheid moet zijn voor ondernemers in de kinderopvang om te ondernemen en
investeren in innovatie, kwaliteit en capaciteit, en dat voor invoering van DAEB een
impactanalyse zal plaatsvinden waarbij ook de effecten op ondernemers en het aanbod
zullen worden onderzocht. Deze leden vragen waarom het kabinet pas tijdens de internetconsultatie
start met dit impact onderzoek, in plaats van voor de internetconsultatie, om minder
onrust te creëren. Zij wijzen hierbij ook op het ATR-advies, dat eveneens zegt dat
de impact eerst in kaart gebracht moet worden. Zij vragen wat de tijdsplanning van
de impactanalyse is. Ook vragen zij waarom DAEB als ultieme middel wordt aangegrepen
om staatssteun te vermijden. Waarom worden geen andere middelen ingezet. Kijk bijvoorbeeld
naar de jeugdzorg ook direct gefinancierd wordt met overheidsmiddelen. Zij vragen
wat hierin het verschil is
De leden van de CDA-fractie lezen verder dat om voldoende aanbod te houden, ruimte
voor ondernemerschap volgens de Staatssecretaris belangrijk is, dus verminderen van
regeldruk. Deze leden vragen of volgens de Staatssecretaris een DAEB-activiteit niet
juist meer regeldruk veroorzaakt en hoe de Staatssecretaris dit wil mitigeren. De
stijging van de regeldruk voor kinderopvang organisaties werd tijdens de technische
briefing duidelijk, waarbij werd aangegeven dat er een marktmeester als toezichthouder
zal functioneren. Deze leden vragen welke organisatie deze rol zal krijgen toebedeeld
en op welke wijze het toezicht wordt vormgegeven.
De leden van de CDA-fractie vinden het tegengaan van spookregelgeving een mooi streven.
Daarbij gaat de Staatssecretaris sectorpartijen vragen om hierbij behulpzaam te zijn.
Deze leden vragen hoe zij dit moeten zien. Krijgen sectorpartijen meer informatie,
of wordt van sectorpartijen verwacht een eigen interpretatie te geven aan regelingen?
Een andere interessante verkenning van de Staatssecretaris om regeldruk te verlagen,
vinden deze leden meer ruimte in het toezicht om af te wijken van regels, maar dit
lijkt tot meer druk op de uitvoering te leiden. Een ontheffingsbevoegdheid voor gemeenten
verhoogt de uitvoeringskosten. En het niet meer noteren van iedere overtreding, maar
alleen naar redelijkheid en proportionaliteit leidt weer tot nieuwe benodigde competenties
op het gebied van oordeelsvorming, waar scholing voor moet worden gevolgd. Deze leden
vragen de Staatssecretaris of hier niet op meer praktische wijze mee kan worden omgegaan
en vanuit vertrouwen op ervaring en onderling overleg van/tussen toezichthouders.
De leden van de CDA-fractie zien ook dat ouders in de grensregio de rechten op financiering
van hun opvangplekken verliezen. Worden deze ouders ondersteund met het vinden van
een volwaardig alternatief?
Uitvoering
De leden van de CDA-fractie hebben voorts een aantal vragen bij de uitvoering van
het nieuwe stelsel, met inkomensonafhankelijk 96% vergoeding. Deze leden lezen dat
de beoogd uitvoerder voor de nieuwe financieringssystematiek Dienst Toeslagen is.
Zij vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen dat zij hiermee transformeren van
uitvoerder op het niveau van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir),
naar een uitvoerder als Subsidient. Klopt het dat dat inhoudt dat zij een andere juridische
en financiële relatie krijgen met de partijen, zowel met de ouders als de kinderopvangorganisaties?
Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de transformatie van Awir dienstverlener naar
subsidient plaats moet vinden?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Staatssecretaris aangeeft dat de uitvoering
voor zowel ouders als houders stapsgewijs gaat. Het nieuwe systeem gaat pas in per
1 januari 2029. Dat betekent dat het ingroeipad tot 2029 met verhoging van het vergoedingspercentages
en de verruiming van de groep die in aanmerking komt (al dan niet via de gemeente)
nog volgens de bestaande regeling «ingroeit». De risico’s en de nadelen zoals de Staatssecretaris
schetst van het huidige systeem, blijven dan aanwezig. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris
om dit helder te communiceren, is de Staatssecretaris daartoe bereid? Het ingroeiscenario
wordt gezien als mitigerend voor de zorgen die leven op de o.a. markteffecten. De
Staatssecretaris gebruikt de komende periode om aan knoppen te draaien indien er ongewenste
effecten zich voordoen. Deze leden vragen hoe verantwoord het is om aan de knoppen
te draaien en het ministerie te laten bijsturen op onderdelen, terwijl de risico’s
voor de ouders blijven bestaan. Hoe weegt het Staatssecretaris deze risico’s? En welk
mandaat is er nodig om aan die knoppen te mogen draaien binnen de bestaande Awir constellatie?
Verder vragen zij wat dit betekent voor de risico’s van te hoge bijdragen en terugvorderingen
voor ouders.
Tijdens de technische briefing van 9 december 2026 werd aangegeven dat ten behoeve
van de technische uitvoering door Dienst Toeslagen in week 13 van 2026 een go-no go
moment is gepland. De leden van de CDA-fractie vragen wat de criteria zijn waarop
deze weging plaatsvindt. Deze leden vragen wie weegt of een go verantwoord is, of
een no go logisch is, en hoe de Kamer hierbij betrokken wordt.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van een makkelijker pakket van kindregelingen
binnen één gezinsbudget, dat wil zeggen voor het samenvoegen van kinderbijslag, kindgebonden
budget en kinderopvangtoeslag binnen één kader. Deze leden vragen of de nieuwe definities
voor ouder en gezin getest zijn op ruimere toepasbaarheid voor kindregelingen en exporteerbaarheid
van regelingen, voor Nederlanders die op grond van internationaal recht een toeslag
mag meenemen bij een verhuizing of lager verblijf in het buitenland.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de rol van subsidient een nieuwe rol is
voor de uitvoerder, en dat de dienstverlening ook aanzienlijk wijzigt. De Staatssecretaris
geeft aan dat er sprake zal zijn van een responsieve en proactieve dienstverlening,
voor zowel de ouders als de houders. Gebruikelijke subsidie beschikkingstermijnen
van 8 weken worden ingekort tot 5 dagen. Bij onduidelijkheden worden klanten gebeld.
Deze leden vragen of de uitvoerder in staat is om een ingroei scenario op te pakken.
Zij vragen of in de overgangsperiode twee stelsels naast elkaar blijven bestaan, en
zo ja, wie dan bepaalt welke ouder en houder overgaat naar het nieuwe stelsel en wie
blijft in het oude stelsel, en op basis van welke criteria.
De leden van de CDA-fractie willen los van de complexe route naar een stelselherziening,
graag ook op korte termijn aanpassen wat het meest urgent en mogelijk is. Zij vragen
of het klopt dat uit de uitvoeringsgegevens van de Dienst Toeslagen blijkt dat de
grootste oorzaak van terugvorderingen niet de hoogte van het inkomen, maar verkeerd
doorgeven van het aantal opvanguren is. Zij vragen of dit niet eenvoudig kan worden
opgelost, door het doorgeven van uren bij ouders weg te halen, omdat kinderopvanginstellingen
dit toch al maandelijks moeten doorgeven. Ook merken zij op dat het inkomen vooral
een probleem is bij financieel kwetsbare inkomens, die vaak ook onregelmatig inkomen
hebben. Zij vragen of verhogen van de 96% tot een dubbelmodaal inkomen niet al veel
druk en onzekerheid van gezinnen kan wegnemen, omdat juist de combinatie van terugvorderingen
en lage inkomens kwetsbaar is.
De leden van de CDA-fractie vinden dat tot nu toe het voorstel voor een nieuw financieringsstelsel
op onderdelen niet voldoende uitgewerkt is. Deze leden willen evenals het kabinet
graag een oplossing voor de financiering van de kinderopvang. Zij zijn tegelijkertijd
voorstander om samen met de sector een realistisch langetermijnplan te maken, waarin
de doelen van toegankelijkheid en betaalbaarheid worden ingepast, zodat zekerheid
bestaat ouders en de sector. Deze leden twijfelen of er überhaupt zekerheid te bieden
is, omdat het budget er wel is, maar de markt er niet klaar voor is. Zij willen voorkomen
dat er een deuk in het precaire vertrouwen in het kinderopvangstelsel komt, als er
iets wordt aangeboden dat in praktijk niet werkt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie
De leden van de FvD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van 27 november
2025 over het voorgestelde nieuwe financieringsstelsel kinderopvang. Deze leden onderschrijven
de ambitie van het kabinet om het financieringsstelsel eenvoudiger te maken, zeker
gezien de problemen in het verleden met het terugvorderen van toeslagen. Het voorgestelde
nieuwe financieringsstelsel maakt het voor ouders inderdaad makkelijker en het risico
op grote terugvorderingen verdwijnt grotendeels. Dat is een goede zaak.
Toch zijn de leden van de FvD-fractie bezorgd omdat het erop lijkt dat de risico’s
en de regeldruk niet zozeer verdwijnen uit het nieuwe stelsel maar verplaatst worden
naar de kinderopvangorganisaties (en gastouders) die in het nieuwe stelsel grotendeels
verantwoordelijk worden voor het financieringsstelsel en waar allerlei eisen aan zullen
(moeten) worden opgelegd. Eisen waar kinderopvangorganisaties niet blij mee zijn.
Al met al vragen deze leden of het stelsel hierdoor eenvoudiger en beter gaat worden.
In het nieuwe stelsel zal de kinderopvangsector worden aangewezen als een DAEB, lezen
de leden van de FvD-fractie. Dit brengt veel extra regelgeving met zich mee en beperkt
de ondernemingsvrijheid. De sector spreekt in een brief zelfs over «een complete ontregeling
van een stelsel dat internationaal juist als voorbeeld geldt» en beschouwt het als
een «feitelijke nationalisatie» van de kinderopvang waardoor innovatie wordt belemmerd
en investeringen in de sector zullen gaan afnemen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?
Vooral kleine aanbieders, is de verwachting, zullen hierdoor zwaar getroffen worden
met als gevolg verdere schaalvergroting in de sector, minder diversiteit in aanbod
en meer marktmacht bij enkele grote partijen. Deelt het kabinet deze zorg?
Er komen onder andere, begrijpen de leden van de FvD-fractie, «kostprijsonderzoeken»,
toezicht door een «marktmeester», er wordt gecontroleerd op «overcompensatie» en er
zal, onvermijdelijk, in het nieuwe stelsel moeten worden gekeken of winsten in de
sector «redelijk» zijn. Maar hoe gaat de Staatssecretaris bepalen wat een «redelijke
winst» is? Wat betekent dit voor innovatie en investeringen in de kinderopvang? Welke
prikkel heeft een ondernemer nog om de kwaliteit te verbeteren of de kosten te verlagen
als de hogere winsten, die hiervan het gevolg zijn, straks afgeroomd gaan worden omdat
ze volgens de Staatssecretaris« niet redelijk» zijn? Is dit niet de logica van een
planeconomie die nog nooit ergens heeft gewerkt? Welke juridische risico’s loopt de
staat wanneer kinderopvangaanbieders gaan procederen omdat de DAEB-aanwijzing wordt
beschouwd als een de facto (onrechtmatige) nationalisatie van de sector? Deze leden
maken zich over dit alles grote zorgen.
Een ander punt van zorg voor de leden van de FvD-fractie is de arbeidseis. Deze eis
maakt het stelsel complexer. Bovendien wordt hiermee een zo goed als volledig publiek
gefinancierde voorziening geïntroduceerd die niet voor iedereen toegankelijk is. Is
het correct dat, in het nieuwe stelsel, ouders die, vanwege een beperking of chronische
ziekte en bijkomende mantelzorgtaken niet kúnnen werken, ook geen aanspraak maken
op de bijna gratis kinderopvang? Betekent dit niet dat met de arbeidseis van (twee)
werkende ouders het stelsel ouders benadeelt die vanwege een beperking of chronische
ziekte of vanwege de zorg voor een kind of naaste niet kunnen werken. Hoe kijkt de
Staatssecretaris hiernaar? Zou het wellicht al met al niet beter zijn om de arbeidseis
daarom maar te laten vallen? En stel dat ouders er bewust voor kiezen één partner
niet te laten werken zodat er altijd één ouder is die thuis voor de kinderen kan zorgen,
gezinnen met een traditioneel waardenpatroon bijvoorbeeld, maar die het wel fijn zouden
vinden als hun zoon of dochter, bijvoorbeeld vanwege de sociale ontwikkeling of het
leren van het Nederlands (in een gezin waar kinderen bijvoorbeeld tweetalig worden
opgevoed) één of twee dagen per week naar de kinderopvang gaat, is het correct dat
dit gezin wél het volle pond moet betalen (omdat aan de arbeidseis niet wordt voldaan)?
Met andere woorden, is het correct dat (traditionele) gezinnen met één kostwinner
(bewust?) worden uitgesloten van deze regeling vanwege deze arbeidseis, gezinnen die
bovendien al relatief veel inkomstenbelasting betalen, ten koste van (progressieve)
gezinnen waar beide partners willen werken? Wat vindt de Staatssecretaris hiervan?
Is dit voor de Staatssecretaris een ongewenst negatief bijeffect of juist een gewenst
effect, bijvoorbeeld omdat dit kabinet graag de arbeidsparticipatie vergroot en daarom
een voorkeur heeft voor gezinnen waarin beide partners (moeten) werken ten opzichte
van het (traditionele) kostwinnersgezin?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven over kinderopvang.
Deze leden hebben de volgende vragen aan de Staatssecretaris.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de wachttijdenmonitor laat zien dat vooral in
grote steden en bij jonge kinderen wachttijden oplopen. Hoe zorgt de Staatssecretaris
ervoor dat ook in krimpregio’s en op het platteland voldoende aanbod blijft? Kan de
Staatssecretaris toezeggen dat toekomstige beleidswijzigingen altijd vooraf worden
getoetst op hun impact op betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit, inclusief
effecten op commerciële en regionale aanbieders?
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat een DAEB-status kan leiden tot
beperkingen op ondernemerschap en innovatie in de kinderopvangsector. Hoe borgt de
Staatssecretaris dat kleinschalige en agrarische kinderopvanginitiatieven niet worden
weggedrukt door extra regels en lagere winstmarges? Kan de Staatssecretaris toezeggen
dat er ruimte blijft voor ondernemerschap en diversiteit in het aanbod?
Verder maken de leden van de BBB-fractie zich zorgen over het voornemen om de financiering
van grensoverschrijdende kinderopvang te beëindigen. Deze opvang voorziet al decennialang
in een behoefte van Nederlandse ouders die in Nederland wonen en werken, maar gebruikmaken
van kinderopvanglocaties net over de grens, bijvoorbeeld in Duitsland of België, omdat
dit praktisch en efficiënt is in hun woon- en werksituatie. Hoe rechtvaardigt de Staatssecretaris
deze beleidswijziging, gezien het vertrouwen van ouders en ondernemers? Komt er een
overgangsregeling of maatwerk voor grensregio’s om te voorkomen dat ouders en kleinschalige
voorzieningen plotseling in de problemen komen? Zo nee, waarom niet en kan de Staatssecretaris
dit alsnog toezeggen?
Tot slot draagt volgens de leden van de BBB-fractie agrarische kinderopvang bij aan
boer-burger verbinding en biedt unieke voordelen zoals meer buitenruimte en rust.
Hoe waarborgt de Staatssecretaris dat deze vorm van opvang niet verdwijnt door strengere
regels en lagere marges? Komt er een uitzonderingspositie of maatwerk voor agrarische
kinderopvang?
II Reactie van de Staatssecretaris Participatie en Integratie en de Staatssecretaris
Herstel en Toeslagen
Met interesse hebben wij kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van
de fracties van D66, PVV, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA, Forum voor Democratie en BBB
over kinderopvang. Het doet ons goed om te zien dat de Kamer grote interesse voor
en betrokkenheid bij dit belangrijke onderwerp toont.
Wij lezen in uw vragen een breed gedeelde ambitie om de financiering van kinderopvang
fundamenteel te herzien en deze financiering voor ouders eenvoudiger, zekerder en
(voor de meeste ouders) beter betaalbaar te maken. Tegelijkertijd zien wij dat er
zorgen leven over arbeidsmarkttekorten, de toegankelijkheid en regeldruk, ook binnen
het bestaande stelsel. We kijken er naar uit om samen met de Kamer verder te werken
aan deze belangrijke onderwerpen. Dit geldt in het bijzonder voor het nieuwe financieringsstelsel.
Alleen samen kunnen we ouders zo snel als mogelijk eenvoud en zekerheid bieden en
de sector duidelijkheid bieden over de voorgenomen veranderingen.
Hieronder gaan wij per aan de hand van negen onderwerpen in op de gestelde vragen.
Deze onderwerpen zijn: toegankelijkheid, arbeidseis, arbeidsmarkt kinderopvang, de
Dienst van Algemeen Economisch Belang, uitvoering, proces, regeldruk algemeen, kwaliteit
en veiligheid en overig. Vanwege de vele verschillende vragen over de Dienst van Algemeen
Economisch Belang is dit onderwerp onderverdeeld in subonderdelen.
Vragen over toegankelijkheid
De leden van de fractie van de BBB vragen hoe de Staatssecretaris ervoor zorgt dat
er ook in krimpregio’s en op het platteland voldoende aanbod overblijft.
Het kabinet deelt de mening dat het belangrijk is dat er overal in Nederland voldoende
aanbod is van kinderopvang, ook in krimpregio’s en op het platteland. Wij leggen meerdere
werkbezoeken af door het hele land. Zo is er onlangs een werkbezoek gebracht aan een
agrarisch kinderdagverblijf, een unieke en prachtige vorm van kinderopvang die veel
kansen biedt en waarvan het belangrijk is dat er voldoende ruimte voor blijft. Uit
cijfers van het CBS over het aantal kindplaatsen per gemeente blijkt dat er geen grote
verschillen zijn tussen krimpregio’s en de rest van Nederland.3 Het relatieve kinderopvangaanbod in krimpregio’s is niet lager dan in de rest van
Nederland. Het kinderopvangbeleid is er, ook in het nieuwe stelsel, onder andere op
gericht arbeidsmarkttekorten zoveel mogelijk tegen te gaan en ondernemen in de kinderopvang
voldoende interessant te houden. Ook bij het ontwikkelen van het nieuwe financieringsstelsel
zijn dit belangrijke aandachtspunten.
De leden van de fractie van de PVV vragen of er reeds een concreet ingroeipad is vastgesteld
voor de situatie in 2028 en hoe dit pad er uitziet.
Er is nog geen concreet ingroeipad vastgesteld voor 2028. De precieze verhoging van
de vergoedingspercentages in 2028 wordt vastgelegd in het Besluit kinderopvangtoeslag.
Het ontwerp hiervan wordt voor de zomer van 2027 bij de Kamer voorgehangen.
De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel procent van de kinderopvangorganisaties
volgens de verwachting boven de maximum uurprijs (MUP) zal uitkomen. Ook zijn zij
benieuwd of en welke maatregelen de Staatssecretaris in gedachten heeft indien de
wachtlijsten in 2029 te lang worden door de grote instroom van nieuwe kinderen. De
leden van de fractie van GL-PvdA vragen hoe het kabinet voorkomt dat (commerciële)
kinderopvangorganisaties hun tarieven flink gaan verhogen. Zij vragen ook hoe het
kabinet wil voorkomen dat de toegankelijkheid voor lage inkomens hierdoor onder druk
komt te staan.
In september 2025 hanteerde 71% van de kinderdagopvanglocaties een tarief boven de
maximum uurprijs. In de bso vraagt 89% van de locaties een tarief hoger dan de maximum
uurprijs en in de gastouderopvang 60%. In de dagopvang ligt het mediane tarief € 0,29
boven de maximum uurprijs, in de bso € 0,52 en in de gastouderopvang € 0,08 tot € 0,21.
Kinderopvangorganisaties zijn vrij om hun eigen tarief te bepalen. Het nieuwe financieringsstelsel
brengt een risico op prijsstijgingen met zich mee als het aanbod de groei van de vraag
niet kan bijbenen. Dit risico speelt vooral op de korte en middellange termijn als
de toename van het aanbod achterblijft bij de toename van de vraag. Eventuele prijsstijgingen
zetten druk op de toegankelijkheid voor lage inkomens, omdat zij al het maximale vergoedingspercentage
ontvangen en een tariefverhoging boven de maximum uurprijs zwaarder op hun inkomen
weegt. Het is nog onduidelijk in welke mate dit risico zich voordoet en welk percentage
van de kinderopvangorganisaties een tarief boven de maximum uurprijs zal vragen. Het
kabinet neemt verschillende maatregelen om dit risico te mitigeren, zoals het arbeidsmarktbeleid
waarmee we tekorten in de kinderopvang zoveel mogelijk tegengaan, het verruimen van
de mogelijkheden van gemeenten om de eigen bijdrage te vergoeden en het ingroeipad,
waarbij het kabinet de vergoedingspercentages stapsgewijs verhoogt zodat de markt
tijd heeft om zich aan te passen aan de toenemende vraag en we de effecten kunnen
monitoren. Ook biedt het ingroeipad handelingsperspectief om aanvullende maatregelen
te nemen als dat nodig is. Zo is het mogelijk om maatregelen te nemen die de vraag
dempen. Denk bijvoorbeeld aan het tijdelijk beperken van het aantal dagen bijna gratis
kinderopvang. Over deze en andere (mogelijke) maatregelen bent u in september geïnformeerd
met de brief over toegankelijkheid en doelmatigheid.4
Voorts uiten de leden van de fractie van GL-PvdA hun zorgen over dat er geen maximumtarief
wordt opgenomen in het wetsvoorstel. Zij vragen wat het verwachte effect is op kwaliteit,
segregatie en kansengelijkheid wanneer er geen maximumuurtarief wordt ingesteld.
De leden van de fractie van de VVD vragen of tariefregulering alleen zal worden overwogen
indien kan worden gegarandeerd dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de beschikbaarheid
van kinderopvangplekken, de groei van het aanbod en de kwaliteit van de opvang.
Het kabinet begrijpt de vragen van de leden van de fractie van GL-PvdA over de toegankelijkheid
van kinderopvang in het nieuwe stelsel en hun zorgen over potentieel ongewenste prijsstijgingen.
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om dat tegen te gaan, zoals in het antwoord
op de vorige vraag en de Kamerbrief van 15 september jl.5 is toegelicht. Een potentiële maatregel die toegankelijkheid en doelmatigheid kan
helpen borgen is tariefregulering. Tariefregulering is een instrument dat prijsstijgingen
maximeert. De Dienst van Algemeen Economisch Belang draagt bij aan doelmatigheid door
een normrendement te stellen en eventuele overcompensatie terug te halen, maar laat
ondernemers vrij om hun eigen tarieven vast te stellen. Tariefregulering maximeert
tarieven direct en is daarmee gericht op de financiële toegankelijkheid. Tariefregulering
is echter een ingrijpende maatregel, waarbij de overheid ook sterk intervenieert in
de markt. Het kabinet gaat op basis van de inzichten uit de verkenning en het kostprijsonderzoek
tariefregulering verder uitwerken. Als een eerste stap gaat het kabinet in ieder geval
deelname aan periodiek (steekproefsgewijs) kostprijsonderzoek verplichten via het
wetsvoorstel Wfk.
Ook vragen de leden van de fractie van GL-PvdA of er andere sectoren zijn die in vergelijkbare
mate gefinancierd worden met overheidsgeld, waar geen maximumtarieven gelden.
Ook in andere sectoren die grotendeels publiek worden gefinancierd is regelgeving
van toepassing om te borgen dat publieke doelen behaald worden en overheidsmiddelen
doelmatig worden besteed. In sommige zorgsectoren is bijvoorbeeld sprake van contractering
of budgettering. Het is van belang dat deze regelgeving past bij de sector waarop
deze van toepassing is, om zo effectief te kunnen bijdragen aan publieke doelen. In
het wetsvoorstel financiering kinderopvang is daarom een aantal maatregelen opgenomen
die gericht zijn op een doelmatige besteding van overheidsmiddelen, zoals transparantie-eisen,
de WNT, openbare jaarverantwoording, verplichte deelname aan steekproefsgewijze kostprijsonderzoeken
en het vestigen van een dienst van algemeen economisch belang.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen waarom in het nieuwe stelsel aan ouders
een eigen bijdrage van 4% wordt gevraagd. Zij willen daarnaast weten wat de uitvoeringskosten
van het innen van deze bijdrage zullen zijn en hoe deze zich verhouden tot de totale
hoogte van de eigen bijdrage. In het nieuwe financieringsstelsel kunnen derden zoals
gemeenten, werkgevers of familieleden deze eigen bijdrage voor ouders vergoeden. De
leden vragen hoe voorkomen kan worden dat hierdoor ongelijkheid ontstaat tussen gemeenten
of arbeidsmarktsectoren.
In de nieuwe financiering blijft er een eigen bijdrage voor ouders bestaan. Hierdoor
is er een financiële prikkel voor ouders om bewust kinderopvang af te nemen die men
nodig heeft. Daarbij zou volledig door de overheid vergoede kinderopvang een sterke
prikkel voor tariefstijgingen vormen en kunnen leiden tot een opwaartse prijsspiraal.
Daarom subsidieert de overheid in het nieuwe stelsel 96% van het uurtarief tot aan
een wettelijk bepaalde maximum uurprijs. Ouders betalen de meerkosten (de 4% en als
er sprake van is het deel van het uurtarief dat boven de maximum uurprijs ligt) direct
aan de houder van het kindercentrum of het gastouderbureau. De uitvoerder heeft hierin
geen rol en maakt dus hiervoor dus ook geen uitvoeringskosten.
In het nieuwe stelsel is het betalen van deze eigen bijdrage geen voorwaarde voor
het recht op gesubsidieerde kinderopvang. Zoals de leden van de fractie van GL-PvdA
aangeven, betekent dit dat ook andere partijen dan ouders deze eigen bijdrage kunnen
betalen. Dit kan helpen om de toegankelijkheid van kinderopvang te borgen. Gemeenten
krijgen met het wetsvoorstel financiering kinderopvang bijvoorbeeld meer ruimte en
budget om de ouderbijdrage te vergoeden voor groepen in een kwetsbare positie. Het
is denkbaar dat verschillende gemeenten deze mogelijkheid op verschillende manieren
zullen toepassen. Samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten werken wij een aanpak
uit om onwenselijke verschillen tussen gemeenten te voorkomen.
Naast gemeenten kunnen ook andere partijen de eigen bijdragen betalen of vergoeden.
Werkgevers zouden dit bijvoorbeeld kunnen aanbieden als secundaire arbeidsvoorwaarde.
Wij zien geen aanleiding om deze mogelijkheid te beperken.
De leden van de fractie van GL-PvdA GL vragen te onderzoeken wat de baten zijn van
een betere samenwerking met het onderwijs, waarbij kinderopvangmedewerkers zowel op
school als in de kinderopvang aan de slag kunnen.
Hier is al eerder en vaker onderzoek naar gedaan. Zo heeft Kinderopvang werkt!, met
subsidie vanuit het Ministerie van SZW, een onderzoek uitgevoerd naar combinatiebanen,
onder meer tussen kinderopvang en primair onderwijs. Eind 2023 heeft Kinderopvang
werkt! visuals uitgewerkt van vier persona’s die uiteenlopende behoeften en motivaties
hebben voor een combinatiebaan met subsidie van SZW. Deze visuals van persona’s ondersteunen
het gesprek tussen werkgevers en werknemers over de verschillende mogelijkheden voor
combinatiebanen.
Combinatiebanen tussen kinderopvang en onderwijs kunnen een belangrijke bijdrage leveren
aan het tegengaan van de personeelstekorten in beide sectoren. Combinatiebanen kunnen
namelijk het werken in de kinderopvang (en dan met name de bso) en het onderwijs aantrekkelijker
maken door het bieden van de mogelijkheid tot een groter contract en meer diversiteit
en doorgroeimogelijkheden. Daarnaast kunnen combinatiebanen leiden tot een betere
overdracht tussen kinderopvang en onderwijs en stimuleert het de uitwisseling van
kennis tussen sectoren.
De leden van de fracties van D66 en GL-PvdA stellen vragen over de Sociaal Medische
Indicatie (SMI) en in het bijzonder over SMI voor mensen met een beperking of chronische
ziekte.
We delen de zorgen en kennen de signalen dat deze groep mensen niet altijd voldoende
geholpen is met SMI. Daarom hebben we de afgelopen periode samen met VNG en gemeenten
gewerkt aan een basislijn SMI. Deze basislijn is onderdeel van de handreiking die
op 29 januari gelanceerd wordt. Het doel van de handreiking SMI is om de niet uitlegbare
verschillen te verminderen, en om de uitvoering van SMI voor gemeenten eenvoudiger
te maken. Hierdoor weten ouders beter wat zij van hun gemeente kunnen verwachten.
De basislijn vormt de minimale dienstverlening die ouders met sociaal medische problematiek
van hun gemeente kunnen verwachten. In die basislijn is een minimale periode opgenomen
waarin SMI wordt verstrekt. Ook is opgenomen dat SMI verlengd kan worden wanneer de
situatie van het gezin hierom vraagt. Ten slotte is een van de punten uit de basislijn
de inzet van de hardheidsclausule van een SMI verordening, om gezinnen die langdurig
SMI nodig hebben ook voldoende te ondersteunen. Dit betreft de groep ouders met een
chronische ziekte.
Gemeenten kunnen dit maatwerk bieden, dankzij de beleidsvrijheid die zij hebben bij
de uitvoering van SMI. Om gemeenten in staat te stellen om meer gezinnen via SMI te
ondersteunen, heeft het kabinet per 2025 5 miljoen euro extra beschikbaar gesteld
en per 2029 nog eens 5 miljoen euro. Daarmee bedraagt het totale budget voor SMI per
2029 circa 55 miljoen per jaar.
De leden van de fractie van D66 vragen op welke manier wij zicht willen op wat het
effect is van de handreiking en de modeldocumenten.
Samen met VNG zal de Staatssecretaris Participatie en Integratie begin 2026 bekijken
op welke wijze hij de inzet van SMI in beeld kan brengen.
De leden van de fractie D66 vragen aanvullend hoe de extra middelen voor SMI zich
verhouden tot voor- en vroegschoolse educatie.
Het is aan gemeentes om het best passende aanbod te vinden voor ouders met sociaal
medische problematiek, ook afhankelijk van wat voor de kinderen het meest passend
is. Soms kan dit het gebruik van peuteropvang of VE zijn, waarvoor de gemeente aparte
budgetten heeft.
De leden van de fractie van het CDA vragen of de personeelstekorten de betaalbaarheid
onder druk zetten, zowel in het huidige als het nieuwe financieringsstelsel. Zij vragen
zich af hoe de druk op de sector verminderd kan worden.
Doordat de kinderopvang in het nieuwe stelsel voor de meeste ouders goedkoper wordt,
stijgt naar verwachting de vraag naar kinderopvang. Dat kan positief zijn voor de
arbeidsparticipatie maar heeft ook risico’s voor de toegankelijkheid. De kinderopvangmarkt
is nu al krap, vooral door personeelstekorten. Belangrijk om te benoemen is dat er
geen eenvoudige oplossingen zijn. De risico’s voor toegankelijkheid en doelmatigheid
zijn het gevolg van de fundamentele keuze voor eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid.
Deze keuze is gemaakt om de fundamentele problemen in de huidige kinderopvangtoeslag
met complexiteit, onzekerheid en terugvorderingen op te lossen. Van die keuze profiteren
alle partijen in het stelsel: (werkende) ouders, kinderopvangorganisaties en de overheid.
De nadelige gevolgen van die keuze zijn te beperken, maar niet geheel weg te nemen.
Daarbij is het goed om te benadrukken dat het gaat om risico’s die zich kunnen voordoen,
maar waarvan niet zeker is dat ze zich zullen voordoen. De kinderopvangmarkt heeft
de afgelopen jaren laten zien veerkrachtig te zijn en in te kunnen spelen op de toenemende
vraag.
Het kabinet zet in op arbeidsmarktbeleid, geeft gemeenten meer ruimte om de eigen
bijdrage te vergoeden en neemt daarnaast de tijd voor de invoering. De stapsgewijze
verhoging van het vergoedingspercentage geeft ruimte aan de markt om zich aan te passen
en handelingsperspectief voor aanvullende maatregelen als dat nodig is.
Het nieuwe financieringsstelsel met eenvoud en zekerheid kan alleen worden ingevoerd
met voldoende waarborgen voor een doelmatige besteding en waarbij ook staatssteun
wordt voorkomen. Ook in het nieuwe stelsel blijft er ruimte voor investeringen en
ondernemerschap. Dat is ook hard nodig voor het aanbod. Het is belangrijk dat de sector
divers blijft. Ondanks de personeelstekorten die breder in de maatschappij spelen
heeft de kinderopvangsector laten zien veerkrachtig te zijn. Zo is het aantal medewerkers
sinds 2018 gegroeid met ruim 40.000 medewerkers.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft samen met de sector een
aanpak met maatregelen om gezamenlijk het personeelstekort en de werkdruk in de kinderopvang
tegen te gaan. Mooie voorbeelden daarvan zijn het recentelijk vernieuwde Ontwikkelpad
kinderopvang en de Subsidieregeling groepshulpen. Ook heeft de Staatssecretaris Participatie
en Integratie recentelijk aangekondigd de verruimde inzet van beroepskrachten-in-opleiding
definitief te willen maken. De komende jaren zal hij zich samen met de sector blijven
inzetten om de tekorten te verminderen.
De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de Staatssecretaris het advies van
de ATR over het voorgenomen stelsel weegt.
De belangrijkste zorgen van de ATR zien op de toenemende vraag en de gevolgen voor
ouders en de sector. Met de stelselherziening maakt het kabinet een fundamentele keuze
voor eenvoud en zekerheid. Terugvorderingen zijn verleden tijd. Door de hoge inkomensonafhankelijke
vergoeding wordt kinderopvang voor de meeste ouders betaalbaarder en gaat werken meer
lonen. Deze positieve effecten worden ook ondersteund door de bijgevoegde doenvermogentoets.
Daarin is onderzocht of ouders met het stelselontwerp overweg kunnen. De onderzoekers
adviseren dan ook het huidige stelsel zo snel mogelijk in deze vorm in te voeren.
De gevolgen voor de sector, zowel voor de dienst van algemeen economisch belang als
de regeldruk in het algemeen, worden nog nader uitgewerkt. Die uitwerking vindt de
komende tijd plaats in lagere regelgeving en in samenwerking met de sector. Daarbij
sluiten we voor het grootste deel aan bij informatie die nu al bij kinderopvangorganisaties
beschikbaar is. Ook de lagere regelgeving wordt aan de ATR voorgelegd om op regeldruk
te toetsen. Het kabinet heeft er vertrouwen in om tot een vormgeving te komen die
recht doet aan de noodzakelijke waarborgen voor een doelmatige besteding van gemeenschapsgeld
en het voorkomen van onnodige regeldruk bij ondernemers.
Voor de toenemende vraag geldt dat op dit moment niet is vast te stellen of en in
welke mate het aanbod zal achterblijven bij de vraag. Wel is duidelijk dat de kinderopvangsector
flexibel is en in het verleden heeft laten zien om in te kunnen spelen op de toenemende
vraag. Het kabinet neemt daarnaast verschillende maatregelen om het risico mitigeren,
zoals het arbeidsmarktbeleid en de stapsgewijze verhoging van het vergoedingspercentage.
Dit zogeheten ingroeipad zorgt ervoor dat de markt tijd heeft om zich aan te passen
en we effecten kunnen monitoren. Het ingroeipad biedt ook handelingsperspectief om
aanvullende maatregelen te nemen als dat nodig is.
De leden van de fractie van het CDA vragen waarom niet meer wordt geïnvesteerd in
de gastouderopvang, aangezien de kosten van gastouders gemiddeld hoger liggen dan
de maximum uurprijs.
Net als de leden van de fractie van het CDA zien wij het belang van gastouderopvang
in het stelsel van kinderopvang, onder andere voor een flexibel aanbod. We zijn dan
ook blij dat we gastouders, door toepassing van de DAEB de-minimisverordening, uit
kunnen zonderen van de aanvullende administratieve verplichtingen die samenhangen
met de DAEB.
De maximum uurprijs is een tegemoetkoming voor ouders in de kosten van kinderopvang.
Op dit moment is het verschil tussen de maximum uurprijs en het gemiddelde tarief
in de gastouderopvang kleiner dan in de dagopvang of bso.
Uit het kostprijsonderzoek van SEO Economisch Onderzoek komt naar voren dat de kostprijs
voor gastouderopvang hoger ligt dan de gemiddelde tarieven die gastouders vragen.
Deze bevinding sluit aan bij recent onderzoek dat laat zien dat gastouders moeite
hebben om een passend uurtarief in rekening te brengen. Het kostprijsonderzoek van
SEO geeft hier cijfermatige onderbouwing bij, waarbij duidelijk wordt dat de uiteindelijke
hoogte van de kostprijs afhankelijk is van de gekozen waardering voor de tijdsinzet
van gastouders. Dit geeft aanleiding om in de toekomst opnieuw naar deze waarderingen
te kijken. Het kabinet heeft geen budgettaire ruimte om de maximum uurprijs voor gastouderopvang
extra te verhogen.
Daarnaast vragen deze leden of goedkope kinderopvang voor ouders meerwaarde biedt,
als deze niet beschikbaar is en waar kwaliteit en aandacht voor kinderen onder te
leiden heeft.
Het aantal beschikbare plekken en de kwaliteit van de kinderopvang, waaronder gastouderopvang,
is een belangrijk aandachtspunt voor ons. Zowel in het huidige stelsel als het nieuwe
financieringsstelsel. Zo voeren we beleid om personeelstekorten te verminderen en
zorgen we er met het ingroeipad voor dat vraag en aanbod geleidelijk kunnen toenemen.
Aanvullend heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie in april tien maatregelen
aangekondigd om de daling van het aantal gastouders tegen te gaan en de instroom van
nieuwe gastouders te bevorderen, om zo de uitstroom in balans te brengen met een hogere
instroom. De daling stoppen is helaas niet realistisch, aangezien deze al jaren gaande
is en een aanzienlijk deel van de gastouders binnen enkele jaren tot de pensioengerechtigde
leeftijd behoort (23% van de gastouders is ouder dan 60 jaar).6 Naast de trend van een daling van het aantal gastouders, lijkt er een professionalisering
gaande onder gastouders. Gastouders zijn de laatste jaren meer uren gaan werken en
vangen gemiddeld meer kinderen op, waardoor de daling van het aanbod van de gastouderopvang
kleiner is dan de terugloop van het aantal gastouders.
De leden van de fractie van het CDA vragen welke organisatie de rol van marktmeester
toebedeeld zal krijgen en op welke wijze dit toezicht wordt vormgegeven.
Op de marktregulering uit het wetsvoorstel financiering kinderopvang moet toezicht
worden gehouden. Dit betreft toezicht op de transparantie-eisen, de openbare jaarverantwoording,
de verplichting tot deelname aan kostprijsonderzoek en de verplichtingen volgend uit
de Wnt en de Dienst van Algemeen Economisch Belang. De markt voor kinderopvang is
op dit moment nog relatief ongereguleerd. Daardoor is er nog geen organisatie belast
met het markttoezicht in de kinderopvang. Het toebedelen van deze rol vraagt om een
zorgvuldig proces. Dat proces voeren we op dit moment uit. Daarbij kijken we naar
welke kennis, expertise en ervaring nodig zijn voor het markttoezicht op de kinderopvang
en waar er bereidheid en ruimte is om taken op te pakken. Dit doen we in nauwe samenwerking
met experts uit de praktijk en met experts die ervaring hebben met het uitvoeren van
toezicht op andere sectoren. Met deze aanpak werken we toe naar markttoezicht dat
past bij het ondernemende karakter van de kinderopvangsector en tegelijkertijd borgt
dat publiek geld doelmatig wordt besteed.
Vragen over de arbeidseis
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen hoe het voorliggende wetsvoorstel zich
verhoudt tot het eerdere advies van de Raad van State.
De Afdeling advisering van de Raad van State constateerde in 2017 in het advies op
het toen voorliggende wetsvoorstel nieuw financieringsstelsel kinderopvang dat «werkelijke
reductie van complexiteit alleen [kan] worden bereikt als ingeleverd wordt op de uitgangspunten
van inkomensafhankelijkheid en arbeidsparticipatie». Alleen directe financiering is
dus niet voldoende.
Met het wetsvoorstel financiering kinderopvang gaan we verder dan het wetsvoorstel
dat in 2017 voorlag. Bovenal willen wij namelijk een eenvoudig en zeker stelsel voor
werkende ouders ontwerpen. Daarom is ervoor gekozen om de nieuwe vergoeding inkomensonafhankelijk
te maken. Hiermee geven we opvolging aan het advies van de Raad van State. Daarbij
willen we ouders zo veel als mogelijk ontzorgen. De eerste resultaten op het gebied
van doenlijkheid ondersteunen dit.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen of kinderopvang niet meer is dan een arbeidsmarktinstrument.
Kinderopvang kent twee nevengeschikte beleidsdoelen: ervoor zorgen dat ouders werk
en de zorg voor hun kinderen kunnen combineren (arbeidsparticipatie) en het stimuleren
van de ontwikkeling van kinderen.
Vervolgens vragen de leden van de fractie van GL-PvdA of aanpassingen mogelijk zijn
op de arbeidseis, bijvoorbeeld om alle ouders een aantal dagen toegang te geven.
Het nieuwe stelsel is modulair ontworpen. Dit maakt het mogelijk om op termijn aanpassingen
door te voeren, zo ook op de arbeidseis. Het kabinet kiest er nu eerst voor om een
eenvoudig en zeker stelsel te introduceren voor werkende ouders. Dit is nodig om risico’s
voor ouders uit het stelsel te halen.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen ook of investeren in (bijna) gratis kinderopvang
voor iedereen zorgt voor maatschappelijke baten.
De kinderopvang in Nederland is van hoge kwaliteit. Dit komt mede door de professionaliteit
en dagelijkse inzet van de mensen die in de sector werken. We weten uit onderzoek
dat kinderopvang kan bijdragen aan de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling
van kinderen. Meer specifiek onderzoek laat zien dat dit effect vooral zichtbaar is
bij kinderen in kwetsbare situaties.7
Een consequentie van de arbeidseis is dat niet alle huishoudens zonder meer toegang
hebben tot kinderopvangtoeslag (of vergoeding kinderopvang vanaf 2029). We zien dat
voornamelijk huishoudens in kwetsbare situaties niet altijd aan de arbeidseis voldoen.
Het loslaten van de arbeidseis zou kunnen bijdragen aan de toegang voor deze huishoudens.
Er zijn ook risico’s verbonden aan het loslaten van de arbeidseis. De vraag neemt
nog verder toe en dit kan de toegankelijkheid en betaalbaarheid voor ouders op korte
termijn verder onder druk zetten. Ook nemen de kosten voor de overheid toe.
Ook stellen de leden van de fractie van GL-PvdA ook over het brede scala aan kinderopvangregelingen,
de spreiding van kinderen over de verschillende regelingen en de effecten hiervan
op segregatie.
Met kinderopvang en gemeentelijke regelingen zoals peuteropvang en voorschoolse educatie
gaat op dit moment ca. 90% van de peuters in Nederland naar de opvang en/of voorschool.
In de huidige situatie bestaan ondanks de verschillende regelingen juist ook gemengde
groepen (kinderen met een VE-indicatie, kinderen waarvan de ouders werken etc.), wat
een positief effect heeft op het tegen gaan van segregatie. Voor alle kinderen in
de opvang, en specifiek voor VE, is betrokkenheid van ouders in de thuissituatie belangrijk.
Kinderen kunnen op de opvang, net als bij school en sport, met kinderen in contact
komen waar zij anders niet snel mee in contact komen. En daarmee kan de kinderopvang
dus segregatie verminderen en de sociale-cohesie versterken.
In Nederland is een groot aantal kinderopvanglocaties. Onderzoek van het CBS laat
zien dat de gemiddelde afstand tot een kinderopvanglocatie ca. 700 á 800 meter is.
In 2020 konden Nederlandse ouders gemiddeld binnen een straal van 3 kilometer kiezen
uit 22 locaties. Uiteraard verschilt dit regionaal. Kinderopvang is dus doorgaans
in de nabijheid van thuis beschikbaar. Ouders kiezen daarom ook bij voorkeur voor
een locatie dichtbij huis, voor zover mogelijk.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen hoeveel verschillende regelingen in stand
blijven omdat de arbeidseis blijft bestaan.
Naast de kinderopvangtoeslag van het Rijk, zijn via gemeenten peuteropvang, SMI (sociaal-medische
indicatie) en VE (voorschoolse educatie) beschikbaar. Deze gemeentelijke regelingen
worden veelal ingezet bij ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. Deze
regelingen blijven in het nieuwe stelsel bestaan. Daarnaast krijgen gemeenten meer
mogelijkheden om de eigen bijdrage van ouders te vergoeden (artikel 1.13). Dit laatste
is een lang gekoesterde wens van gemeenten.
Ook vragen de leden van de fractie van GL-PvdA naar stress die bij ouders ontstaat
rondom het verliezen van het recht op KOT en wat het effect hierop is van het loslaten
van de arbeidseis.
Om ouders meer zekerheid te geven rondom de arbeidseis, passen we in het nieuwe stelsel
het controleproces van de arbeidseis aan. Verderop in onze beantwoording komen wij
hierop terug. De leden van D66 en Forum voor Democratie hebben vergelijkbare vragen
gesteld.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen om in kaart te brengen voor welk type werkenden
het lastiger is om aan te tonen dat zij aan de arbeidseis voldoen, hoe we angst rondom
de bewijslast voorkomen, en voorkomen dat net werkende ouders geen toegang krijgen
tot gesubsidieerde kinderopvang.
In het nieuwe stelsel worden er grote bedragen aan subsidie uitgekeerd. Het kabinet
vindt het belangrijk dat dit belastinggeld rechtmatig wordt uitgekeerd. Daarom controleert
de uitvoerder (periodiek) op de oudervoorwaarden. Bij de inrichting van dit proces
was het uitgangspunt dat het voor ouders eenvoudig en zeker moet zijn. Hieruit is
een proces ontwikkeld dat uit twee stappen bestaat.
Allereerst stelt de uitvoerder zoveel mogelijk via een automatisch proces vast of
ouders aan de arbeidseis voldoen. In het automatische proces worden bronnen van andere
overheidsorganisaties geraadpleegd. Zo wordt voor de controle op ouders in loondienst
de polis administratie van het UWV gebruikt en voor studenten de registers van DUO.
Het kabinet verwacht dat voor bijna alle ouders (ca. 99%) via dit proces is vast te
stellen dat zij aan de arbeidseis voldoen. Daarbij krijgen ouders binnen enkele seconden
de uitkomst van deze controle. Ouders voor wie niet via de automatische controle vast
te stellen is dat ze aan de arbeidseis voldoen, moeten handmatig een bewijsstuk aanleveren.
Ook dit proces moet eenvoudig en zeker zijn. Daarom is het voornemen om de bewijslast
laag te houden.
Het kan gebeuren dat wanneer ouders binnenkort starten met werken of net gestart zijn
met werken en niet aan één van de andere voorwaarden voldoen, niet door de automatisch
controle komen. Deze ouders kunnen dan bijvoorbeeld een arbeidscontract (wat binnenkort
ingaat) gebruiken als bewijsstuk.
Het bewijsstuk wordt vervolgens door een behandelaar van de uitvoerder beoordeeld.
De uitvoerder beoordeelt in maximaal 5 werkdagen het bewijs, dus ouders hebben ook
in dat geval snel zekerheid. Mocht de beoordeling langer dan 5 werkdagen duren, dan
is het voornemen dat de ouder automatisch een voorlopig recht op gesubsidieerde kinderopvang
krijgt.
Bovenstaand proces is onderzocht in de doenvermogentoets. Hieruit bleek dat de meeste
deelnemers het stelsel als begrijpelijk, overzichtelijk en uitvoerbaar ervaren. We
verwachten daarom dat het voor de meeste werkenden gemakkelijk wordt om aan te tonen
dat zij aan de arbeidseis voldoen. Ook op het moment dat ze handmatig bewijs moeten
aanleveren. Wel volgt uit de toets dat er voor ouders met beperkte digitale- of beperkte
leesvaardigheden uitdagingen zijn. In de verdere realisatie van het stelsel zullen
we daarom extra aandacht besteden aan deze groepen.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen zich ook af hoe het stelsel werkt voor
werkenden die hun baan kwijtraken, of mensen met flexibele contracten of opdrachten
die tussentijds zonder werk zitten.
Bij de inrichting van de periodieke controle op de arbeidseis is het voornemen om
de controle elke drie maanden te herhalen en op het controle moment zes maanden terug
te kijken in de bronnen. Hiermee hebben we een balans gevonden tussen doelmatigheid,
doenlijkheid voor ouders en lasten voor de uitvoerder. We denken dat deze combinatie
goed past bij een stelsel wat gericht is op werkende ouders. Daarbij biedt de gekozen
doorlooptijd van de controle ruimte aan ouders in overgangssituaties, zoals van studie
naar werk, ouders met flexibele arbeidscontracten of ouders in situaties van tijdelijke
werkloosheid.
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen waarom niet gekozen is om de harmonisatie
van de stelsels van vve en kinderopvang te volmaken.
Het is van belang dat er voor kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar met een risico
op een onderwijsachterstand een aanbod van voorschoolse educatie bestaat waarmee hun
ontwikkeling wordt gestimuleerd. Hierdoor hebben deze kinderen een bewezen betere
start op de basisschool.8 Gemeenten hebben de wettelijke taak om een aanbod van 16 uur aan voorschoolse educatie
te realiseren. Ook wanneer de arbeidseis zou worden afgeschaft, wil je het VE-aanbod
kunnen borgen, ongeacht de financieringsroute.
Onderdeel van de herziening is daarnaast ook dat gemeenten de vrijheid krijgen om
zelf te bepalen voor welke ouders zij de ouderbijdrage willen vergoeden (verruimen
art. 1.13 Wko), waardoor het lokaal beter mogelijk wordt om passend binnen het lokale
beleid kinderen een aanbod te doen.
De leden van de fractie van Forum voor Democratie vragen naar de werking van de arbeidseis,
ook voor ouders met een beperking of chronische ziekte.
Kinderopvangtoeslag is een instrument dat ervoor zorgt dat ouders de zorg voor hun
kinderen kunnen combineren met hun werk, met studie of met een traject gericht op
arbeidsinschakeling. Ook bestaat er bijvoorbeeld recht op kinderopvangtoeslag voor
een ouder met een Wlz indicatie en een werkende partner. Dit betekent dat wanneer
beide ouders niet voldoen aan deze voorwaarden zij geen recht op kinderopvangtoeslag
hebben. Eerder dit jaar heeft de Staatssecretaris van Participatie & Integratie een
brief gestuurd over de arbeidseis.9 Hierin licht hij toe wanneer ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag.
In het nieuwe financieringsstelsel blijft het faciliteren van de combinatie van arbeid
en zorg het doel. Gemeenten bieden regelingen aan waarbij kinderen van ouders die
niet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoen toch naar de kinderopvang
kunnen. Voor peuters bestaan er speciale gemeentelijke regelingen met budget vanuit
de rijksoverheid (peutermiddelen voor peuters zonder risico op een taalachterstand,
voorschoolse educatie voor peuters met risico op een taalachterstand). Daarnaast is
er de Sociaal Medische Indicatie (SMI), wanneer er sprake is van sociaal medische
problematiek in het gezin. Ouders met een beperking of chronische ziekte kunnen voor
deze regelingen bij hun gemeente terecht. Ook dit blijft in het nieuwe financieringsstelsel
bestaan.
Ook vragen de leden van de fractie van Forum voor Democratie waarom de kinderopvangtoeslag
alleen ouderparen waarvan beide ouders werken in aanmerking komen.
Naast het faciliteren van de combinatie van arbeid en zorg heeft de kinderopvang als
doel de ontwikkeling van kinderen te stimuleren. Gezinnen waarin een van de ouders
niet aan de arbeidseis voldoet, hebben de mogelijkheid om hun kinderen in de leeftijd
van 2,5 tot 4 via peuteropvang naar de kinderopvang te laten gaan. Wanneer er een
risico bestaat op een ontwikkelachterstand bij het kind, bijvoorbeeld wanneer er thuis
geen Nederlands wordt gesproken, dan kunnen gemeenten een indicatie voor voorschoolse
educatie afgeven. Daarmee kunnen deze kinderen gebruik maken van kinderopvang met
een VE-programma, waarbij er extra aandacht is voor hun ontwikkeling.
Vragen over de arbeidsmarkt kinderopvang
Door de leden van de fracties van CDA, VVD en GL-PvdA zijn vragen gesteld over het
personeelstekort in de kinderopvang. Het is belangrijk dat er voldoende personeel
beschikbaar is in de kinderopvang. Dit is essentieel voor de kwaliteit, de werkomstandigheden
en de toegankelijkheid van de kinderopvang.
Personeelstekorten spelen niet alleen in de kinderopvang, maar breder in de maatschappij.
Ondanks die brede tekorten heeft de kinderopvangsector eerder laten zien veerkrachtig
te zijn. Zo is het aantal medewerkers sinds 2018 met ruim 40.000 gegroeid.
De leden van de fractie van het CDA vragen of de effectiviteit met de huidige arbeidsmarktaanpak
met onderzoek te onderbouwen is. De leden van de fractie van GL-PvdA vragen of de
pijlers van de huidige aanpak uitgewerkt zijn in concreet beleid, of er zicht is op
de effectiviteit van elke pijler, en of er aanknopingspunten zijn om de pijlers verder
uit te bouwen.
Het Ministerie van SZW heeft samen met de kinderopvangsector een aanpak met maatregelen
om gezamenlijk het personeelstekort en de werkdruk in de kinderopvang tegen te gaan.
Deze aanpak bestaat uit drie pijlers: «nieuwe medewerkers aantrekken», «huidige medewerkers
behouden» en «medewerkers stimuleren meer uren te werken». Mooie voorbeelden daarvan
zijn het recentelijk vernieuwde Ontwikkelpad kinderopvang en de Subsidieregeling groepshulpen.
Ook heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie recent aangekondigd dat hij
voornemens is om de verruimde inzet van beroepskrachten-in-opleiding definitief in
te voeren.10 De komende jaren zal de Staatssecretaris Participatie en Integratie zich samen met
de sector blijven inzetten om de tekorten te verminderen. De maatregelen die de afgelopen
jaren zijn genomen, worden momenteel geëvalueerd op doelmatigheid en doeltreffendheid.
De resultaten van dit evaluatieonderzoek zullen in Q1 2026 met De Kamer gedeeld worden.
De resultaten zullen worden meegenomen in het optimaliseren en waar mogelijk uitbreiden
van het arbeidsmarktbeleid.
Ook vragen de leden van de fractie van het CDA om in te gaan op de brief van CNV over
de werkomstandigheden in de kinderopvang.
Het Ministerie van SZW werkt samen met de sector om de werkomstandigheden in de kinderopvang
zo goed en aantrekkelijk mogelijk te maken. Zo heeft de Staatssecretaris Participatie
en Integratie recentelijk een brief verstuurd naar de Kamer met maatregelen om regeldruk
tegen te gaan, met behoud van kwaliteit van de kinderopvang. Ook zet de Staatssecretaris
Participatie en Integratie zich in op het verlagen van de werkdruk door de inzet van
groepshulpen. De bovenformatieve inzet van een groepshulp zorgt voor een lagere werkdruk
op de groep en voor meer tijd die een pedagogisch professional kan besteden aan de
kinderen. Dit is recentelijk aangetoond in een onderzoek van Het Centrum Inclusieve
Arbeidsorganisatie. Om de inzet van groepshulpen te stimuleren, heeft het Ministerie
van SZW de Subsidieregeling groepshulpen ontwikkeld. Deze subsidieregeling biedt kinderopvangorganisaties
een tegemoetkoming in de loonkosten van een groepshulp. Om meer waardering voor professionals
en een positief imago van werken in de kinderopvang te ondersteunen, heeft de Staatssecretaris
Participatie en Integratie ten slotte subsidie geboden aan de sector voor hun arbeidsmarktcampagne
en voor acties rondom het versterken van professioneel zeggenschap. De komende jaren
zal het kabinet zich samen met de sector blijven inzetten om de aantrekkelijkheid
van het vak van pedagogisch professioneel te verbeteren.
De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de Staatssecretaris Participatie en
Integratie het voor zich ziet om «lerenderwijs» het arbeidsmarktbeleid te verbeteren
om de personeelstekorten in de kinderopvang tegen te gaan.
Wij hebben er bewust voor gekozen om de evaluatie van het arbeidsmarktbeleid in twee
fases op te delen. In de eerste fase kijken we terug op de doelmatigheid en doeltreffendheid
van het arbeidsmarktkraptebeleid tot nu toe. Dat geeft concrete aanknopingspunten
om het beleid waar nodig bij te sturen. In de tweede fase zetten we de evaluatie voort
in de vorm van een lerende evaluatie. Daarbij streven we een participatief onderzoekstraject
na waarbij beleid, uitvoering, de sector en belangenorganisaties gezamenlijk lerenderwijs
evidence-based beleid ontwikkelen. Lerenderwijs betekent hier concreet dat we op basis van inzichten
uit onderzoek, beleid, praktijk en uitvoering een afweging maken van de meest kansrijke
beleidsopties, waarna we die beleidsopties in de praktijk implementeren en direct
monitoren hoe dit in de praktijk uitpakken. Deze werkwijze zorgt voor het verkorten
van de doorlooptijd tussen het opdoen van kennis en het toepassen ervan. Juist met
oog op het nieuwe stelsel is het verkorten van de doorlooptijd en een goede samenwerking
met de praktijk van groot belang.
De leden van de fractie van het CDA vragen waarom inzet van MBO 2 geschoolde medewerkers
tot minder kwaliteit zou leiden, terwijl de eis voor gastouders ook MBO2 is, met een
aanvullende pedagogische module.
Bij het beoordelen van de wenselijkheid van de maatregel heeft het kabinet gekeken
naar verschillende factoren. Bij deze vraag is onder andere gekeken naar de gevolgen
voor de kwaliteit, uitvoerbaarheid en haalbaarheid waaronder de gevolgen voor de werkdruk.
De verschillen in ontstaansgeschiedenis en uitgangspositie maken de afweging voor
de gastouderopvang anders dan voor dagopvang en bso.
Voor de gastouderopvang investeert het kabinet in het waarborgen van de kwaliteit
met de Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met verbetermaatregelen van de
gastouderopvang. Deze wetswijziging is op 1 oktober 2024 aangenomen door de Kamer
en op 10 juni 2025 door de Eerste Kamer. De wet bevat diverse maatregelen die bijdragen
aan het verhogen van de kwaliteit van de gastouderopvang, bijvoorbeeld de introductie
van coaching door het gastouderbureau en van een pedagogisch werkplan voor de gastouder.
Bij het wetsvoorste l is niet gekozen om het opleidingsniveau generiek te verhogen
naar mbo niveau-3. In de gastouderopvang bestond aanvankelijk geen minimaal opleidingsniveau
en is dat sinds 2010 vastgelegd op mbo niveau-2. Het vereiste opleidingsniveau verder
verhogen heeft naar verwachting forse impact op het aantal gastouders en daarmee op
het aanbod van kinderopvang. Het risico is dat een deel van de gastouders met mbo
niveau-2 niet wil scholen naar mbo niveau-3 en daarmee uit de sector verdwijnt. Hiertoe
ziet het kabinet onvoldoende aanleiding, ook omdat in de praktijk en uit onderzoek
(Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang 2023) blijkt dat er in de groep met best
presterende gastouders ook gastouders zijn met een opleiding op mbo niveau-2.
Voor de dagopvang en de bso heeft het kabinet in het kader van het personeelstekort
de mogelijkheid verkend om een lager geschoolde medewerker in te mogen zetten (bijvoorbeeld
een groepshulp, opgeleid op mbo-niveau 2) in de plaats van een pedagogisch professional
(mbo-niveau 3 of 4). De uitkomst van de verkenning is dit er naar verwachting toe
zou leiden dat de kwaliteit in de kinderopvang zou dalen ten opzichte van de huidige
situatie. Ook verwachten pedagogisch professionals en de meeste andere gesprekspartners
dat de onderzochte aanpassingen zouden leiden tot een hogere werkdruk en minder werkplezier
voor de pedagogisch professionals. Dit doet afbreuk aan de aantrekkelijkheid van het
vak en leidt mogelijk tot meer uitstroom en minder instroom van pedagogisch professionals.
Deze optie kan daarmee juist een averechts effect hebben op het personeelstekort.
Deze gevolgen acht het kabinet onwenselijk.
De leden van de fracties van GL-PvdA en CDA vragen naar de effecten van langer ouderschapsverlof
op de personeelstekorten in de kinderopvangsector. Voorts vragen de leden van de fractie
van de fractie van GL-PvdA of dit onderdeel is van het onderzoek van Ipsos I&O en
SEO Economisch Onderzoek naar personeelskrapte.
Als ouders het langere verlof willen gebruiken, kan het zo zijn dat zij later starten
met kinderopvang. Hierdoor neemt de vraag naar babyopvang (voor kinderen tot 1 jaar
oud) af. Babyopvang vergt een hoge personeelsinzet door geldende kwaliteitseisen,
zoals de beroepskracht-kind-ratio (BKR). De BKR is het strengst voor babyopvang, namelijk
drie baby’s op één pedagogisch professional.
Een afnemende vraag naar babyopvang zou het mogelijk maken om een deel van de medewerkers
in de babyopvang elders in de kinderopvang in te zetten, waarmee plekken kunnen worden
vrijgespeeld voor oudere kinderen in de kinderdagopvang en totale opvangcapaciteit
toeneemt. Met oog op de huidige wachtlijsten in de kinderopvang is het te verwachten
dat deze extra capaciteit direct wordt opgevuld; ouders zullen gebruik willen maken
van de extra ontstane kindplaatsen. De wachtlijsten (en daarmee het personeelstekort)
kunnen hierdoor afnemen. De hoogte van de afname is afhankelijk van de combinatie
van bovengenoemde effecten en daarmee onzeker.
Naast het effect op de krapte in de kinderopvangsector heeft het verruimen van het
ouderschapsverlof en eventueel beperken van babyopvang bredere effecten. Naar verwachting
heeft dit ook effect op arbeidsmarktparticipatie op korte en lange termijn (het netto-effect
is onduidelijk), de emancipatie en de ontwikkeling van het kind. Ook heeft het grote
financiële gevolgen (budgettair beslag van tussen de ongeveer € 1,5 en 2,5 miljard
bij een gezamenlijk verlof van zes maanden tot een jaar; bij 100% doorbetaling).
Komend jaar laten wij de bredere effecten van een dergelijke maatregel onderzoeken.
Oplevering van dit onderzoek wordt verwacht in het najaar van 2026. Dit staat los
van het door GL-PvdA genoemde onderzoek naar het arbeidsmarktbeleid van de afgelopen
jaren door Ipsos I&O en SEO Economisch Onderzoek.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel medewerkers de kinderopvang in de
afgelopen jaren heeft geworven.
Hieronder vindt u een tabel van de instroomcijfers van de afgelopen zes jaren. De
tabel laat de instroom zien van personen in de kinderopvang in Nederland in het tweede
kwartaal van ieder jaar. Voor het bepalen van instroom wordt het aantal in een kwartaal
vergeleken met dat in hetzelfde kwartaal één jaar eerder.
Perioden
2020 2e kwartaal
2021 2e kwartaal
2022 2e kwartaal
2023 2e kwartaal
2024 2e kwartaal
2025 2e kwartaal
Instroom in de kinderopvang
14.030
17.480
18.600
20.150
17.720
19.680
Bron: AZW Statline
Vragen over de Dienst van Algemeen Economisch Belang
Algemene toelichting
In het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang verhoogt de overheid haar bijdrage
aan kinderopvang aanzienlijk, met een structurele intensivering van circa € 3,4 miljard
per jaar. De totale overheidsbijdrage stijgt daarmee naar ongeveer € 9 miljard per
jaar, ruim anderhalf keer zoveel als nu. Het kabinet wil deze middelen inzetten voor
betaalbare kinderopvang voor werkende ouders. Het invoeren van een DAEB draagt eraan
bij dat overheidsmiddelen voor kinderopvang daadwerkelijk aan dit doel ten goede komen.
Het vergroot de prikkel om opbrengsten te (her)investeren in kwaliteit en aanbod in
de sector.
De financiering in het nieuwe stelsel gaat gepaard met een staatssteunrisico. Staatssteun
is het direct dan wel indirect verstrekken van financiële voordelen aan bepaalde ondernemingen
door overheden. Het kabinet heeft geoordeeld dat er een aanzienlijke kans is dat wordt
voldaan aan de vijf staatssteuncriteria uit artikel 107, eerste lid, van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie11. En dat er dus een risico op staatssteun bestaat. Dat risico kan en wil het kabinet
niet lopen. Het kabinet ziet het als haar verantwoordelijkheid om een stelselontwerp
te maken zonder het risico dat de Europese Commissie of een rechter in de toekomst
concludeert dat sprake was van ongeoorloofde staatssteun. In dat geval zou namelijk
alle door de overheid verleende steun moeten worden teruggevorderd bij de kinderopvangorganisaties.
Dat zou grote negatieve gevolgen hebben voor de kinderopvangsector, werkende ouders
en de overheid.
Door de dienst kinderopvang aan te merken als en uit te voeren volgens de regels voor
een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB), ontstaat een rechtszeker financieringsstelsel.
Met een DAEB wordt gewaarborgd dat de verleende staatssteun geoorloofd is en daarmee
verenigbaar met de Europese staatssteunregels. De DAEB gaat gepaard met een aantal
voorwaarden, er mag bijvoorbeeld geen sprake zijn van overcompensatie door de lidstaat.
Kinderopvangorganisaties mogen wel een redelijke winst blijven maken, ook als zij
subsidie ontvangen. Er mag alleen geen overcompensatie plaatsvinden. Er is sprake
van overcompensatie als de subsidie vanuit de overheid hoger is dan de kosten met
inbegrip van een redelijke winst, verminderd met de inkomsten van de DAEB. Het figuur
hieronder geeft dit op eenvoudige wijze grafisch weer. Overcompensatie is onrechtmatig
verleende staatssteun en moet daarom worden teruggevorderd.
Het Europese DAEB-kader is zo ontworpen dat marktpartijen actief kunnen blijven en
ondernemen mogelijk blijft. Het vergroot de prikkel om opbrengsten te (her)investeren
in kwaliteit en aanbod in de sector. De kosten die hiermee gemaakt worden, hangen
immers direct samen met het uitvoeren van de dienst kinderopvang. Uitgangspunt bij
de vormgeving van de DAEB is dat de gebruikelijke activiteiten en diensten die worden
aangeboden in het kader van het verzorgen, opvoeden en de ontwikkeling van kinderen
kunnen blijven plaatsvinden. Het wordt daarbij van groot belang geacht om de diversiteit
die kenmerkend is voor de kinderopvangsector te behouden.
Het besluit om een DAEB te vestigen in de kinderopvangsector, en meer specifiek de
gevolgen daarvoor voor de sector, heeft tot veel vragen geleid in dit schriftelijk
overleg. Vanwege de inhoudelijke overlap en samenhang van de verschillende vragen,
hebben we de beantwoording ingedeeld aan de hand van enkele sub-onderwerpen: algemeen,
regeldruk, redelijke winst, investeringsklimaat en betrokkenheid sector.
1. Algemeen
De leden van de fractie van Forum voor Democratie geven aan dat het aanwijzen van
een DAEB veel extra regelgeving met zich meebrengt en de ondernemingsvrijheid in de
sector wordt beperkt. Zij verwijzen daarbij naar een brief uit de kinderopvangsector
waarin gesproken wordt over «een complete ontregeling van een stelsel dat internationaal
juist als voorbeeld geldt» en waarin gesproken wordt over een «feitelijke nationalisatie»
van de kinderopvang, waardoor innovatie wordt belemmerd en investeringen in de sector
zullen gaan afnemen. De leden vragen hoe de Staatssecretaris Participatie en Integratie
hier naar kijkt.
In het nieuwe stelsel is sprake van een risico op staatssteun. Het doel is naast een
eenvoudig, zeker en betaalbaar stelsel, ook om de kinderopvang een stabiele en toekomstbestendige
financiering te bieden. Deze doelen zijn niet haalbaar wanneer er een staatssteunrisico
boven de markt hangt.
Van nationalisatie van de kinderopvangsector is absoluut geen sprake. En ik betreur
dat dit soort uitingen worden gedaan door een deel van de sector. Het aanmerken van
de dienst kinderopvang als DAEB en het uitvoeren volgens het DAEB-kader, neemt het
risico op ongeoorloofde staatssteun weg. De DAEB is een juridisch-economisch instrument
om publieke belangen te waarborgen in markten waar commerciële partijen óók actief
kunnen zijn.
Dat ondernemers kunnen blijven ondernemen is een belangrijk uitgangspunt in de verdere
uitwerking van de DAEB, en daar biedt het DAEB-kader ook alle ruimte toe. We willen
graag de expertise uit de sector gebruiken om de DAEB zo goed mogelijk aan te laten
sluiten bij de sector, en de regeldruk zo veel als mogelijk te beperken.
De leden van de fractie van de VVD vragen de regering te verduidelijken dat de DAEB,
anders dan soms wordt gesuggereerd, niet moet worden gezien als een noodmaatregel
maar als een regulier instrument voor publieke diensten zoals kinderopvang, zorg en
sociale huisvesting, en of de Staatssecretaris Participatie en Integratie deze duiding
kan bevestigen.
Het vestigen van een DAEB is inderdaad een regulier staatssteuninstrument dat een
overheid in staat stelt om via marktpartijen te investeren in maatschappelijk belangrijke
diensten. Het vestigen van een DAEB waarborgt dat verleende staatssteun verenigbaar
is met de Europese regels voor de interne markt. Kinderopvang wordt in het DAEB-vrijstellingsbesluit
expliciet genoemd als voorbeeld van diensten van algemeen economisch belang waarmee
wordt voldaan aan sociale behoefte.
De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de DAEB als ultiem middel wordt
aangegrepen om staatssteun te vermijden. Zij vragen waarom geen andere middelen worden
ingezet en verwijzen daarbij naar de jeugdzorg, waar ook geen DAEB is gevestigd. Zij
vragen wat hierin het verschil met het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang
is. De leden van de fractie van de PVV vragen in aanvulling hierop waarom er niet
voor is gekozen om andere alternatieven dan de DAEB verder uit te werken.
Het vestigen van een DAEB, en uitvoeren volgens de daarvoor gestelde regels, is een
manier om kinderopvang in Nederland betaalbaarder en zekerder te maken voor ouders,
zonder een onaanvaardbaar risico op staatssteun op de sector te laten rusten. Het
DAEB-kader biedt ruimte om enerzijds ondernemerschap in kinderopvangsector te behouden,
en er anderzijds voor te zorgen dat publieke middelen bij werkende ouders terecht
komen.
Het DAEB-vrijstellingsbesluit stelt regels voor het vestigen van een DAEB. Door het
vrijstelllingsbesluit te volgen bij het vestigen van de DAEB hoeft geen notificatietraject
worden doorlopen. Als alternatief voor het gebruik van het DAEB-vrijstellingsbesluit
voor het vestigen van een DAEB kan de herziening aangemeld worden bij de Europese
Commissie. De Europese Commissie kan dan goedkeuring verlenen op de verleende staatssteun.
Dit is een lang traject met onzekere uitkomst. Het is daarbij niet realistisch goedkeuring
te verwachten voor het nieuwe stelsel, zonder dat daarbij aanvullende maatregelen
worden geëist op het gebied van overcompensatie en transparantie. Deze aanmelding
is dus niet nodig als het DAEB-vrijstellingsbesluit gevolgd wordt.
Ten aanzien van de jeugdzorg merken we het volgende op. De Minister van Volksgezondheid
Welzijn en Sport heeft in zijn besluit van 6 december 201912 cruciale jeugdzorg aangewezen als DAEB. Ook is er in het verleden op gemeentelijk
niveau voor gekozen subsidie te verlenen aan jeugdzorg onder het DAEB-vrijstellingsbesluit.
In overige gevallen verloopt de financiering van jeugdzorg via openbare aanbesteding.
Dit zou in de kinderopvang beperkingen geven in de keuzeruimte van ouders voor de
kinderopvang van hun kinderen en zou kinderopvangorganisaties beperken in de diversiteit
van het aanbod aan kinderopvang. De keuzevrijheid van ouders en de diversiteit in
het aanbod zijn van groot belang in ons kinderopvangstelsel.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe de Staatssecretaris de besluitvorming over
de DAEB-aanwijzing voor ogen ziet.
De manier waarop een DAEB wordt gevestigd is vormvrij, en daarmee ook weer zo toe
te passen dat het past bij de sector waarin de DAEB gevestigd wordt. In het conceptwetsvoorstel
financiering kinderopvang wordt de aanwijzing van de DAEB op wetsniveau vastgelegd.
Het is dus niet zo dat voor iedere houder van een kinderopvangorganisatie een afzonderlijk
aanwijzingsbesluit wordt gemaakt. In het wetsvoorstel worden kinderopvangorganisaties
die voldoen aan de aansluiteisen uit het nieuwe stelsel en zijn ingeschreven in het
Landelijk Register Kinderopvang, belast met het uitvoeren van de DAEB.
Naast dat in wetgeving wordt vastgelegd welke organisaties belast worden met het uitvoeren
van de DAEB, is ook de afbakening van de dienst kinderopvang van belang. Er is een
traject gestart met PricewaterhouseCoopers om samen met experts uit de sector de gewenste
afbakening van de dienst kinderopvang in kaart te brengen. Deze afbakening landt in
het wetsvoorstel wat in het voorjaar voor advies aan de Raad van State wordt aangeboden.
De leden van de fractie van D66 vragen voorts hoe de Staatssecretaris gaat voorkomen
dat extra activiteiten die nu worden aangeboden door kinderopvangorganisaties ten
behoeve van de ontwikkeling van kinderen niet buiten de definitie van de omschreven
werkzaamheden gaat vallen.
De diversiteit en verscheidenheid aan activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling
van kinderen is één van de sterke kanten van de kinderopvangsector. Het is van groot
belang dat dit in de nieuwe situatie behouden blijft. Daarom willen we bij het definiëren
van de dienst kinderopvang rekening houden met een zo een breed mogelijke definitie
van de dienst kinderopvang. Bovendien behoudt de sector ruimte om te blijven investeren
in capaciteit en kwaliteit van kinderopvang en zij kan, ook als zij een subsidie ontvangt
daar een winst mee blijven maken.
De leden van de fractie van Forum voor Democratie geven aan dat de verwachting is
dat vooral kleine aanbieders zwaar getroffen worden door het aanwijzen van een DAEB.
Met als gevolg verdere schaalvergroting in de sector, minder diversiteit in aanbod
en meer marktmacht bij enkele grote partijen. Deze leden vragen of het kabinet deze
zorg deelt.
De kleinere organisaties en ondernemers in de kinderopvangsector zijn van cruciaal
belang voor de grootte en de diversiteit van het opvangaanbod. Deze groep aanbieders
wordt nadrukkelijk ondersteund zodat het nieuwe financieringsstelsel ook voor hen
goed kan werken. Zo kunnen zij straks gratis gebruik maken van een basistool voor
het aanleveren van gegevens die de uitvoerder ter beschikking zal stellen. Ook zullen
we in het wetsvoorstel de DAEB de-minimisverordening toepassen op gastouders. Dat
betekent dat voor gastouders geen nieuwe regels zullen gelden rond de administratie
en de hoogte van de toegestane compensatie. En bij de uitwerking van de openbare jaarverantwoording
zal worden gedifferentieerd naar de omvang van de organisaties. Dit betekent dat de
lasten van dit toezicht aangepast worden aan de omvang van de onderneming.
De leden van de fractie van GL-PvdA vraagt welke voorbeelden er zijn uit het buitenland
waar kinderopvang in een vergelijkbare structuur is geregeld.
In het buitenland zien wij vergelijkbare aanwijzingen van kinderopvang als DAEB om
subsidiëring van marktpartijen door de overheid mogelijk te maken. Hier leren wij
van ook voor de invulling in Nederland. Voorbeelden hiervan zijn Vlaanderen, Frankrijk
en Duitsland. De invulling van de DAEB verschilt per land echter in grote mate. De
genoemde landen hebben een verschillende type kinderopvangsector en verschillende
wijzen van financiering, daarmee is de impact van de DAEB op de sector per land ook
verschillend.
De leden van de fractie van de VVD vraagt de Staatssecretaris te bevestigen dat tariefregulering
geen verplicht element is binnen een DAEB-kader en dus een afzonderlijke politieke
keuze betreft.
Een tariefplafond is geen verplicht element binnen de DAEB. Bij een DAEB mag er geen
sprake mag zijn van overcompensatie. Voor overcompensatie is het van belang dat de
subsidie van de overheid niet groter is dan de gemaakte kosten met inbegrip van een
redelijke winst, verminderd met de opbrengsten. Zowel de kosten als de opbrengsten
moeten samenhangen met het uitvoeren van de dienst kinderopvang. Als een kinderopvangorganisatie
hogere kosten maakt, bijvoorbeeld door te investeren in kwaliteit, kan het een hoger
tarief vragen, zodat de kosten en opbrengsten die samenhangen met uitvoering van de
DAEB in evenwicht zijn met elkaar. Wanneer de kosten en opbrengsten niet meer met
elkaar in verhouding zijn, is er sprake van overcompensatie. En dient de kinderopvangorganisatie
het te veel gecompenseerde terug te betalen aan de uitvoerder. In de algemene toelichting
over de DAEB wordt dit visueel weergeven.
2. Regeldruk
De leden van de fractie van de VVD geven aan de noodzaak om staatssteunrisico’s te
voorkomen te begrijpen, mede gezien het feit dat terugvordering van miljarden aan
financiering een onverantwoord risico zou vormen voor ouders, aanbieders en overheid.
Tegelijkertijd geven zij aan de zorgen uit de sector serieus te nemen, onder andere
op het gebied van investeringsbereidheid en innovatiekracht. Daarom vragen deze leden
naar de stand van zaken rond de doenvermogentoets.
Voorafgaand aan de internetconsultatie van het wetsvoorstel financiering kinderopvang
is er onderzoek gedaan naar de doenlijkheid van het nieuwe financieringsstelsel voor
burgers (de zogenoemde doenvermogentoets). De doenvermogentoets onderzoekt de mate
waarin het beleid en de uitvoering haalbaar en doenlijk zijn voor burgers. De analyse
richtte zich op vier dimensies: de eenvoud, de begrijpelijkheid, de uitlegbaarheid
en de algemene doenlijkheid. De hoofdconclusie van het onderzoek13 is dat het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang voor het merendeel van de
ouders binnen de getoetste doelgroepen doenlijk is. De grootste winst voor ouders
ligt in het wegnemen van terugvorderingen en de vermindering van administratieve lasten
bij ouders. Mede op basis hiervan doet het onderzoeksbureau de aanbeveling om het
stelsel zoveel (en zo spoedig) mogelijk in te voeren.
De doenvermogentoets richt zich op de doenlijkheid voor ouders, niet voor ondernemers.
In mei 2025 is het ontwerp van het nieuwe financieringsstelsel daarom ook besproken
met een gevarieerde groep van vertegenwoordigers van de kinderopvangsector. De organisaties
hebben bruikbare input geleverd op het wetsvoorstel, waardoor de doenlijkheid voor
hen als organisatie, en daarmee het nieuwe stelsel, zou kunnen verbeteren. Een samenvatting
van deze zogenoemde MKB-toets is opgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.
Het is van belang om hierbij op te merken dat de MKB-toets heeft plaatsgevonden op
een versie van het wetsvoorstel waarin de DAEB nog niet was uitgewerkt. Wij hebben
u echter in de brief van 15 september 202514 toegezegd dat er voor de invoering van de DAEB een impactanalyse gedaan wordt waarbij
de effecten op ondernemers (waaronder de administratieve last) en het aanbod zullen
worden onderzocht. Begin van het jaar wordt dit onderzoek uitgezet bij een onafhankelijk
onderzoeksbureau. Daarnaast wil het kabinet de verdere uitwerking van de DAEB gezamenlijk
met de sector oppakken. Waarbij een van de uitgangspunten het zoveel mogelijk beperken
van administratieve lasten voor ondernemers is.
De leden van de fracties van de BBB, het CDA, D66 en de PVV hebben zorgen geuit over
de mate van regeldruk die het vestigen van een DAEB met zich mee zal brengen. Deze
leden vragen zich af hoe de Staatssecretaris Participatie en Integratie de regeldruk
wil mitigeren en er voor gaat zorgen de regeldruk zo laag mogelijk te houden.
Een belangrijk uitgangspunt in de verdere uitwerking van de DAEB is dat ondernemen
mogelijk moet blijven voor kinderopvangorganisaties. Dit geldt zowel voor de grote,
maar zeker ook voor de kleine ondernemingen. Daarom willen we de administratieve lasten
zo laag mogelijk te houden. We zijn dan ook blij dat we gastouders, door toepassing
van de DAEB de-minimisverordening, uit kunnen zonderen van de aanvullende administratieve
verplichtingen die samenhangen met de DAEB. Maar ook voor andere ondernemers is het
van belang om de regeldruk zo veel als mogelijk te beperken. In de toegezegde impactanalyse
is nadrukkelijk aandacht voor de effecten van het vestigen van een DAEB op ondernemers
(waaronder de administratieve last) en daarmee een belangrijk aandachtspunt in de
verdere uitwerking van de DAEB. Zoals in een recente brief15 aan Uw Kamer te lezen is, zet het kabinet los van het nieuwe financieringsstelsel
ook in op het verminderen van bestaande regeldruk in de kinderopvang.
De leden van de fractie van de BBB vragen of de Staatssecretaris Participatie en Integratie
kan toezeggen dat er ruimte blijft voor ondernemerschap en diversiteit in het aanbod,
inclusief agrarische kinderopvang.
Ja, die ruimte blijft er. Kleinschalige en agrarische kinderopvangondernemers zijn
belangrijk voor de sector. Hun aanbod komt tegemoet aan een specifieke behoefte die
ouders kunnen hebben voor een bepaalde vorm van kinderopvang. De diversiteit in het
aanbod van kinderopvang is een kracht van deze sector en moet behouden blijven. Agrarische
kinderopvang is een mooi voorbeeld van deze diversiteit. In de afbakening van de dienst
kinderopvang wordt dan ook zoveel als mogelijk rekening gehouden met de diversiteit
van het aanbod.
3. Redelijke winst
De leden van de fractie van de VVD vragen de Staatssecretaris Participatie en Integratie
welke bandbreedte voor winst hij op voorhand redelijk acht, gegeven de uiteenlopende
kostprijsstructuren in de sector zoals uit het kostprijsonderzoek blijkt, de omvangrijke
investeringsopgave in huisvesting en personeel, en het belang van een aantrekkelijk
ondernemingsklimaat voor aanbieders van iedere omvang. Aanvullend zijn de leden van
de fracties van het CDA en de PVV benieuwd wat de Staatssecretaris beschouwt als een
redelijk rendement voor kinderopvangorganisaties en op welke wijze het onderzoek naar
een redelijk rendement uitgevoerd zal worden.
Uitgangspunt bij het stellen van een redelijke winst is dat het voor ondernemers in
de kinderopvang mogelijk blijft om een gezonde bedrijfsvoering te hanteren en te kunnen
blijven investeren in het aanbod en kwaliteit. De groei van het aanbod van kinderopvang
blijft de komende jaren immers hard nodig. De DAEB beperkt de kostprijsstructuren
overigens niet. Binnen de DAEB is ruimte voor verschillende kosten zolang deze bijdragen
aan het uitvoeren van de dienst kinderopvang.
Het kabinet begrijpt dat ondernemers behoefte hebben aan duidelijkheid. Daarom werkt
het kabinet hard aan het uitzetten van onderzoek naar de redelijk winst. Een onafhankelijk
onderzoeksbureau zal begin 2026 starten met het onderzoek naar de hoogte van een redelijke
winst binnen de toegestane overheidscompensatie. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek
te borgen zal dit uitgevoerd worden door een externe partij met ervaring op het gebied
van vaststellen van normen. De sector zal wordt betrokken bij de uitvoering van het
onderzoek. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht.
De leden van de fractie van de VVD vragen tevens hoe de regering voornemens is te
borgen dat een normrendement voldoende ruimte laat voor meerjarige investeringen en
voor het opbouwen van reserves die noodzakelijk zijn voor een gezonde bedrijfsvoering.
Ook vragen zij in hoeverre de regering duidelijke kaders kan schetsen over de ruimte
voor rendement die zij wil bieden, zodat ondernemers perspectief hebben en diversiteit
in het aanbod behouden kan blijven. In het verlengde hiervan vragen de leden van de
fractie van Forum voor Democratie zich af welke prikkel een ondernemer heeft om de
kwaliteit te verbeteren of de kosten te verlagen als de hogere winsten afgeroomd worden
omdat ze «niet redelijk» zouden zijn.
Zoals hiervoor aangegeven zal er, voor het vaststellen van een redelijke winst binnen
de toegestane overheidscompensatie, een onderzoek worden uitgezet bij een onafhankelijke
partij. Bij het vaststellen van een redelijke winst wordt rekening gehouden met het
feit dat ondernemers moeten kunnen blijven ondernemen, investeren en innoveren. Daarnaast
wordt de norm voor een redelijke winst niet lager gesteld dan een voorgeschreven minimum
en wordt deze zo gesteld dat een gemiddelde ondernemer in de kinderopvang dit nog
wil blijven aanbieden.
Het Europese DAEB-kader legt geen maximum op aan de winst die een ondernemer mag maken.
De redelijke winst ziet op een winst die gemaakt mag worden binnen de compensatie
die de overheid biedt aan de onderneming. Deze redelijke winst beschermt de prikkel
voor ondernemers om te blijven ondernemen en te (her)investeren in kwaliteit en aanbod
in de sector.
Als een ondernemer meer compensatie ontvangt dan noodzakelijk is voor de kosten van
de DAEB met inbegrip van een redelijke winst dan heeft de ondernemer verschillende
keuzes. De ondernemer kan investeren in de kwaliteit van het aanbod, kan het aanbod
uitbreiden of de tarieven voor ouders verlagen. Ook kan de ondernemer besluiten meer
te investeren in personeel. De ondernemer zou kunnen investeren in de arbeidsvoorwaarden
van pedagogisch professionals zou meer (ondersteunend) personeel kunnen inzetten,
bijvoorbeeld door groepsondersteuners aan te nemen. Dit kan ook bijdragen aan het
tegengaan van personeelstekorten. Dit alles zorgt voor een borging van ondernemerschap
in kinderopvangsector, terwijl belastinggeld aan kinderopvang wordt besteed. Van belang
is wel dat de kosten voor de investering in kwaliteit of capaciteit noodzakelijk zijn
voor het uitvoeren van de dienst kinderopvang.
De leden van de fractie van het CDA geven aan dat zij lezen dat in de nadere uitwerking
centraal zal staan dat er vrijheid moet zijn voor ondernemers in de kinderopvang om
te ondernemen en investeren in innovatie, kwaliteit en capaciteit, en dat voor invoering
van DAEB een impactanalyse zal plaatsvinden waarbij ook de effecten op ondernemers
en het aanbod zullen worden onderzocht. Deze leden vragen waarom het kabinet pas tijdens
de internetconsultatie start met dit impactonderzoek, in plaats van voor de internetconsultatie.
Zij wijzen hierbij ook op het ATR-advies, dat eveneens zegt dat de impact eerst in
kaart gebracht moet worden. De leden vragen wat de tijdsplanning van de impactanalyse
is.
Voor invoering van het nieuwe financieringsstelsel zal een impactanalyse plaatsvinden.
Voordat de impact nauwkeurig en goed ingeschat kan worden is het belangrijk dat er
eerst een aantal zaken binnen de DAEB verder is uitgewerkt. Momenteel wordt de afbakening
van de dienst kinderopvang verder uitgewerkt, dat doen we samen met de sector. Ook
zal er zoals hiervoor genoemd een extern onderzoek worden gedaan naar een redelijke
winst. Dit zijn belangrijke elementen van de DAEB die van invloed zijn op de impact.
Gezien de samenhang tussen het vaststellen van de redelijke winst en de impact van
de DAEB, zal de impactanalyse gezamenlijk worden uitgevoerd met het onderzoek naar
een redelijke winst.
4. Investeringsklimaat
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de regering inschat wat de impact van
een sectorbrede DAEB-aanwijzing is op het investeringsklimaat. Daarbij wijzen zij
in het bijzonder op de beschikbaarheid van financiering voor uitbreiding, innovatie
en kwaliteitsontwikkeling. Deze leden vragen hoe lang al gesproken wordt met de kinderopvangsector
over een mogelijke DAEB-aanwijzing.
Het ondernemerschap in de kinderopvangsector is een groot goed. Bij de uitwerking
van de DAEB is het behouden van ruimte voor ondernemerschap één van de uitgangspunten.
Het voornemen is om de DAEB zo vorm te geven dat ondernemen, investeren en innoveren
mogelijk blijft. Dat past ook goed binnen de Europeesrechtelijke regels omtrent de
DAEB. De sector behoudt ruimte om te investeren in capaciteit en kwaliteit van kinderopvang
en zij kan daar een redelijke winst mee blijven maken. Op deze manier kan ook de diversiteit,
een van de sterke punten van de kinderopvangsector, behouden blijven. Er zal ruimte
blijven voor meerjarige investeringen en het opbouwen van reserves die noodzakelijk
zijn voor een gezonde bedrijfsvoering. Kosten die nodig zijn voor het doen van investeringen
of reserveringen daarvoor moeten wel noodzakelijk zijn voor uitvoeren van de dienst
kinderopvang.
Voor de invoering van het nieuwe financieringsstelsel zal er een impactanalyse plaatsvinden
waarbij de effecten van de DAEB op de kinderopvangmarkt worden onderzocht. Het uitgangspunt
is dat daarbij ook de gevolgen voor de beschikbaarheid van financiering en de effecten
op het aanbod, worden onderzocht. Voordat de impact nauwkeurig en goed kan worden
ingeschat, is het belangrijk dat er eerst een aantal zaken verder zijn uitgewerkt
zoals de reikwijdte van de DAEB. Tevens zal de impact van de DAEB afhangen van de
norm die wordt gesteld voor een redelijke winst. Daarom zal de impactanalyse in samenhang
worden uitgevoerd met het onderzoek naar een redelijke winst.
Tijdens de uitwerking van het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang is meermaals
gecommuniceerd over het staatssteunvraagstuk en de DAEB. In de beantwoording van Kamervragen16 gesteld door het lid Inge van Dijk (CDA) is uiteengezet op welke momenten er communicatie
heeft plaatsgevonden. Ook is het vraagstuk op verschillende momenten besproken met
de brancheorganisaties van de kinderopvangsector. De gesprekken hierover zijn gestart
in het voorjaar van 2025. De brancheorganisaties reageren op verschillende manieren
op de DAEB-aanwijzing. Bij een deel van de sector is er veel onrust over de aanwijzing.
Er is bijvoorbeeld onrust over de effecten op het ondernemerschap en regeldruk. Een
ander deel van de sector pleit daarentegen juist voor het gezamenlijk uitwerken van
de DAEB en om daarbij de discussie over de DAEB niet tot verder uitstel te laten leiden
van het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang.
We betreuren de onrust die in een deel van de sector is ontstaan. De DAEB is nieuw
voor de kinderopvang in Nederland. Het kabinet begrijpt de onzekerheid en daarmee
de onrust in de sector en realiseert zich dat een concrete uitwerking noodzakelijk
is om een compleet beeld te kunnen vormen over de effecten van de DAEB op de sector.
Het kabinet betrekt de sector actief bij het de uitwerking van de DAEB. Dat is belangrijk,
zodat de vormgeving van de DAEB zo goed als mogelijk zal aansluiten bij de wensen
vanuit de sector. Door samen te werken kan er recht worden gedaan aan de verscheidenheid
en het ondernemerschap in de sector. We roepen de sector daarom op om de uitwerking
gezamenlijk op te pakken.
De leden van de fractie van de VVD vragen de Staatssecretaris Participatie en Integratie
tevens toe te lichten in hoeverre de stabiliteit van een jaarlijkse directe overheidsfinanciering
van circa € 8,6 miljard kan worden gezien als een compenserende zekerheid met een
positief effect op het investeringsperspectief, en in hoeverre dit opweegt tegen mogelijke
beperkingen die voortvloeien uit regels omtrent overcompensatie en normrendement.
Met het nieuwe financieringsstelsel beoogt het kabinet naast een eenvoudig, zeker
en betaalbaar stelsel, ook om de kinderopvang een stabiele en toekomstbestendige financiering
te bieden. Het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang gaat gepaard met een
intensivering.
Door de intensivering zal het debiteurenrisico van ondernemers in de kinderopvangsector
aanzienlijk dalen. Ouders betalen zelf slechts een beperkt deel van de opvangkosten
en de kredietwaardigheid van de overheid zal hoger zijn. Dit leidt tot een verbetering
van de financiële positie van ondernemers in de kinderopvang en kan daarmee de bereidheid
van financiers om te investeren in de kinderopvang positief beïnvloeden.
Het DAEB-kader biedt ruimte voor investeringen en het realiseren van een redelijke
winst. Tevens biedt de DAEB juist ook zekerheid aan ondernemers en financiers, omdat
het risico op toekomstige terugvorderingen op grond van ongeoorloofde staatssteun
wordt voorkomen. Met de DAEB wordt er geen winstbeperking opgelegd, kinderopvangorganisaties
kunnen nog steeds winst maken. Wel wordt (er een deel van) de subsidie teruggevorderd
zodra de kosten (met inbegrip van een redelijke winst) en opbrengsten niet meer in
verhouding zijn (zie algemene toelichting DAEB). Vanuit maatschappelijk oogpunt is
dit een logisch principe, op deze manier wordt voorkomen dat overheidsgeld wegvloeit
als excessieve winst. Met de DAEB kan ondernemerschap in de sector worden behouden
en tegelijkertijd worden geborgd dat belastinggeld ten gunste komt van werkende ouders.
De leden van de fractie van de VVD vragen de Staatssecretaris daarnaast op welke wijze
eerdere ervaringen met DAEB-aanwijzingen in andere sectoren inzicht geven in financieringsbereidheid
bij banken en institutionele beleggers, en welk beeld uit deze vergelijkingen relevant
is voor de kinderopvangsector.
Een onderlinge vergelijkingen tussen DAEB’s is moeilijk te maken, aangezien een DAEB
wordt vormgegeven naar de specifieke dienst en sector waar de DAEB betrekking op heeft.
In de sociale woningbouw is een DAEB gevestigd. Er kan echter gesteld worden dat de
sociale woningbouw als sector sterk verschilt van de kinderopvang gelet op grootte,
kapitaalintensiviteit en aantallen actieve ondernemingen. Dit maakt de impact van
de DAEB moeilijk te vergelijken tussen kinderopvang en sociale woningbouw. Bij het
eerder genoemde onderzoek naar een redelijke winst zal tevens rekening worden gehouden
met de financierbaarheid in de kinderopvangsector.
Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD in dit kader welke informatie
de regering reeds heeft over de bereidheid van financiers om binnen een DAEB-kader
langjarige investeringen mogelijk te blijven maken.
In 1996 is op verzoek van sector met overheidsfinanciering het instituut Waarborgfonds
& Kenniscentrum Kinderopvang opgericht. Een kerntaak van het Waarborgfonds is het
ondersteunen van de financierbaarheid van de sector kinderopvang. Daartoe heeft het
waarborgfonds afspraken met de banken en is er frequent overleg over de sectorale
en bancaire ontwikkelingen.17 Tot heden zijn er geen aanwijzingen dat financiers naar aanleiding van de plannen
voor een nieuw financieringsstelsel en de DAEB terughoudend zijn bij het verstrekken
van financieringen, anders dan de reguliere eisen. Daarbij geldt dat nog niet alle
details bekend zijn, waaronder de invulling van de DAEB. Zodra er meer invulling is
gegeven aan het wetsvoorstel, bijvoorbeeld over de redelijke winst binnen de DAEB,
zal de financierbaarheid opnieuw moeten worden bekeken. Bij het eerder genoemde onderzoek
naar een redelijke winst zal tevens rekening worden gehouden met de financierbaarheid.
De Staatssecretaris Participatie en Integratie blijft samen met het Waarborgfonds
& Kenniscentrum Kinderopvang de financierbaarheid van de sector doorlopend monitoren.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de Staatssecretaris Participatie en
Integratie het ondernemersvertrouwen in de sector actief borgt en versterkt in het
licht van de groeiopgave en de DAEB-kaders. Deze leden vragen of hij de opvatting
van de VVD-fractie deelt dat ondernemerschap cruciaal is om deze belangrijke stelselwijziging
mogelijk te maken.
Ja, deze opvatting wordt gedeeld. Doordat kinderopvang in het nieuwe stelsel voor
de meeste ouders goedkoper wordt, zal de vraag naar kinderopvang naar verwachting
stijgen. Om het aanbod te laten meegroeien met de verwachtte vraagtoename is het,
naast de huidige inzet op arbeidsmarktmarktbeleid, ook van groot belang dat ondernemers
kunnen blijven investeren in de kinderopvang. Het DAEB-kader biedt hier ruimte voor.
Het DAEB-kader is zo ontworpen dat marktpartijen actief kunnen blijven en ondernemen
mogelijk blijft. De sector houdt binnen de DAEB de ruimte om te investeren in capaciteit
en kwaliteit van de kinderopvang én kan daar een redelijke winst mee blijven maken.
Bij het vaststellen van wat een redelijke winst is, wordt rekening gehouden met het
feit dat het voor ondernemers in de kinderopvang mogelijk blijft om een gezonde bedrijfsvoering
te hanteren en te kunnen blijven investeren in het aanbod en kwaliteit. Daarbij vergroot
de DAEB de prikkel om opbrengsten te (her)investeren in kwaliteit en aanbod in de
sector. Zo kan het ondernemerschap, net als de diversiteit die kenmerkend is voor
de kinderopvangsector, behouden blijven.
De leden van de fractie van de VVD verzoeken de Staatssecretaris Participatie en Integratie
uiteen te zetten welke aanvullende maatregelen overwogen worden om ervoor te zorgen
dat kleine en grote ondernemer kunnen blijven investeren in uitbreiding, innovatie
en kwaliteit richting 2029, zodat het nieuwe stelsel niet alleen eenvoud en zekerheid
biedt, maar ook een duurzaam en toekomstbestendig aanbod van kinderopvang.
Het ondernemerschap in de kinderopvang acht de Staatssecretaris Participatie en Integratie
van groot belang. Bij de vormgeving van het nieuwe stelsel wordt daarom rekening gehouden
met het creëren van randvoorwaarden voor een gezonde bedrijfsvoering en voldoende
ruimte voor investeringen, zodat er straks voor zoveel mogelijk kinderen een plek
op de opvang is. Zoals in de beantwoording van eerdere vragen toegelicht is dit ook
één van de uitgangspunten bij het vaststellen van wat een redelijke winst is.
Ook wordt in de uitwerking van het wetsvoorstel rekening gehouden met verschillende
type organisaties en de omvang van deze organisaties. Er wordt naar gestreefd de administratieve
lasten zo laag mogelijk te houden en maatregelen proportioneel in te voeren. In dat
kader is bijvoorbeeld geconcludeerd dat de DAEB de-minimisverordening kan worden toegepast
op gastouders. Voor gastouders zullen daarom geen nadere regels gelden voor de administratie
en toegestane compensatie met betrekking tot de DAEB. Een ander voorbeeld is dat bij
de uitwerking van de openbare jaarverantwoording zal worden gedifferentieerd naar
omvang van de organisaties. De Staatssecretaris Participatie en Integratie zet daarnaast
in op het verminderen van bestaande regeldruk in de kinderopvang. Hierover heeft hij
recent een brief gestuurd aan uw Kamer.18
5. Betrokkenheid van de sector
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen op welke manier de kinderopvang betrokken
wordt bij de uitwerking van de DAEB. Daarbij vragen deze leden hoe de Staatssecretaris
er voor zorgt dat dit niet tot uitstel leidt.
Kennis en kunde uit alle geledingen van de kinderopvangsector is belangrijk om tot
een zo een goed mogelijke invulling van de DAEB te komen die past bij de diversiteit
binnen de sector. Naast de reguliere overleggen met de brancheorganisaties loopt er
op dit moment een traject, geleid door PricewaterhouseCoopers, dat erop gericht is
om aandachtspunten vanuit de sector in beeld te brengen.
De DAEB heeft veel losgemaakt in een deel van de sector, waarbij de brancheorganisaties
op een verschillende manier reageren op de DAEB-aanwijzing. We begrijpen de onzekerheid
en daarmee de onrust in de sector. Tegelijkertijd biedt de DAEB juist ook zekerheid
aan ondernemers, omdat het risico op toekomstige terugvorderingen op grond van ongeoorloofde
staatssteun wordt voorkomen. Door alle kennis en kunde op constructieve wijze te benutten,
kan er een zo een goed mogelijke uitwerking van de DAEB vormgegeven worden. Door samen
te werken kan er recht worden gedaan aan de verscheidenheid en het ondernemerschap
in de sector. We roepen de sector daarom op om de uitwerking gezamenlijk met ons op
te pakken.
Vragen over de uitvoering
De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat Dienst Toeslagen als uitvoerder
verandert van uitvoerder van de Awir naar een subsidiënt en of het klopt dat dit de
relatie met de ouders en houders zal veranderen.
Dit is correct. Het nieuwe financieringsstelsel is een subsidiestelsel voor kindercentra
en gastouderbureaus. De financiering van kinderopvang is in het nieuwe stelsel dus
niet langer een toeslag aan ouders gebaseerd op de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen (Awir). Hiervoor moeten de Wet kinderopvang en de Awir gewijzigd worden.
Dat gebeurt met het wetsvoorstel financiering kinderopvang dat volgens onze planning
in 2026 bij uw Kamer zal worden ingediend. De uitvoering door Dienst Toeslagen zal
ook veranderen als Dienst Toeslagen het nieuwe financieringsstelsel uit gaat voeren.
Om dit in goede banen te leiden werkt Dienst Toeslagen samen met het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een uitvoerings- en transitieplan.
Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA naar het go-no go moment voor Dienst Toeslagen dat in week 13 van 2026 is gepland. Deze leden vragen
wat de criteria zijn waarop deze weging plaatsvindt en wie deze weging doet en hoe
de Kamer hierbij betrokken wordt.
Op dit moment is Dienst Toeslagen de beoogd uitvoerder van het wetsvoorstel financiering
kinderopvang. Voordat dit wetsvoorstel aan de Raad van State wordt aangeboden, zal
definitief worden bepaald of Dienst Toeslagen de uitvoerder wordt. Het kabinet neemt
die beslissing op basis van onder meer de uitvoeringstoets op het wetsvoorstel financiering
kinderopvang waarmee de impact op de uitvoering door Dienst Toeslagen in kaart wordt
gebracht. Het is cruciaal dat zowel Dienst Toeslagen als het kabinet ervan overtuigd
zijn dat de Dienst het stelsel goed kan uitvoeren. De Tweede Kamer zal geïnformeerd
worden zodra de beslissing is genomen.
Ook vragen de leden van de fractie van het CDA of de uitvoerder in staat is om het
nieuwe stelsel gefaseerd in te voeren. Zij vragen of in de overgangsperiode naar het
nieuwe financieringsstelsel twee stelsels naast elkaar blijven bestaan, en zo ja,
wie dan bepaalt welke ouder en houder overgaat naar het nieuwe stelsel en wie in het
oude stelsel blijft, en op basis van welke criteria dit wordt bepaald.
Wij veronderstellen dat de leden van de factie van het CDA vragen naar de wijze waarop
het ingroeipad naar het nieuwe financieringsstelsel en de «test and learn»-aanpak,
zoals tijdens de technische briefing van woensdag 10 december jl. is toegelicht, wordt
geoperationaliseerd. Het nieuwe financieringsstelsel treedt op 1 januari 2029 in werking.
Vanaf die datum vallen alle houders van kindercentra en gastouderbureaus die gebruik
willen maken van de subsidie onder het nieuwe stelsel. Op twee manieren werken we
in de jaren daarvoor echter al toe naar het nieuwe financieringsstelsel.
Als eerste hanteert het kabinet in de jaren voor 2029 een ingroeipad binnen de kinderopvangtoeslag.
Dit betekent dat de vergoedingspercentages stapsgewijs worden verhoogd. Daardoor krijgen
ieder jaar steeds meer ouders recht op het hoge vergoedingspercentage van 96% dat
ook in het nieuwe financieringsstelsel gehanteerd wordt. Dankzij dit ingroeipad neemt
de vraag naar kinderopvang geleidelijk toe en heeft de sector meer tijd om op deze
toenemende vraag te reageren.
Ten tweede zullen we de komende jaren met een «test and learn»-aanpak werken. Dit
is een aanpak waarbij integraal getest wordt met ouders en houders of de processen,
systemen en het beleid goed werken en ook de gewenste en bedoelde resultaten hebben.
Aanpassingen worden vervolgens opnieuw getest. Deze iteratieve aanpak zorgt voor een
stapsgewijze verbetering en ontwikkeling van beleid en uitvoering, waardoor veel risico’s
van een grootschalige stelselwijziging kunnen worden weggenomen. Deze vernieuwende
werkwijze is mogelijk omdat we de benodigde systemen voor informatievoorziening zoveel
mogelijk zelf willen ontwikkelen. Dit jaar hebben bijvoorbeeld al tests plaatsgevonden
over de gegevenslevering van houders van kindcentra en gastouderbureaus aan de uitvoerder.
De komende tijd worden ook andere onderdelen van het nieuwe financieringsstelsel in
de praktijk gebracht en getoetst. Dat willen we richting 1 januari 2029 steeds meer
gaan doen. Hoe (en welke) specifieke groepen ouders en houders betrokken worden bij
«test and learn»-aanpak zal tijdens de realisatiefase (de periode na het go/no go moment van Dienst Toeslagen) bepaald worden. Hierbij houden we nadrukkelijk oog voor
de risico’s op rechtsongelijkheid.
De leden van de fractie van D66 vragen naar de betrokkenheid van ouders en kinderopvangorganisaties
bij de verdere ontwikkeling van het nieuwe financieringsstelsel.
Wij zullen de sectorpartijen die kinderopvangorganisaties, gastouders en pedagogisch
medewerkers vertegenwoordigen, en ouderorganisaties, net als overige stakeholders,
nauw blijven betrekken bij de verdere uitwerking van het stelsel. Dit betreft zowel
informeren als consulteren en concrete input ophalen zodat alle expertise benut wordt.
Ook zullen we samen met houders, ouders en andere experts uit de sector samenwerken
via de hierboven beschreven «test and learn»-aanpak.
De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat uit de uitvoeringsgegevens
van de Dienst Toeslagen blijkt dat de grootste oorzaak van terugvorderingen niet de
hoogte van het inkomen, maar verkeerd doorgeven van het aantal opvanguren is. Zij
vragen of dit niet eenvoudig kan worden opgelost, door het doorgeven van uren bij
ouders weg te halen, omdat kinderopvanginstellingen dit toch al maandelijks moeten
doorgeven. Ook merken zij op dat het inkomen vooral een probleem is bij financieel
kwetsbare inkomens, die vaak ook onregelmatig inkomen hebben. Zij vragen of verhogen
van de 96% tot een dubbelmodaal inkomen niet al veel druk en onzekerheid van gezinnen
kan wegnemen, omdat juist de combinatie van terugvorderingen en lage inkomens kwetsbaar
is. Ook vragen de leden van de fractie van het CDA aan de Staatssecretaris om helder
te communiceren over de risico's van het ingroeipad in de kinderopvangtoeslag, en
of de Staatssecretaris daartoe bereid is. Deze leden vragen zich af hoe het ministerie
deze risico’s weegt. Verder vragen zij wat dit betekent voor de risico’s van te hoge
bijdragen en terugvorderingen voor ouders.
In 2023 moesten circa 135.000 huishoudens een deel van de ontvangen kinderopvangtoeslag
terugbetalen. Bij circa 59% van deze terugvorderingen spelen verkeerd doorgegeven
opvanguren een rol. De resterende 41% is het gevolg van inkomensafwijkingen. Van deze
135.000 terugvorderingen ging het in circa 30.000 gevallen om een hoge terugvordering
van meer dan € 1.000. Hiervan was ongeveer 41% gerelateerd aan afwijkingen in opvanguren
en was ongeveer 59% het gevolg van inkomensafwijkingen. Beide terugvorderingsgronden
zijn fundamentele problemen van het toeslagenstelsel die met het nieuwe financieringsstelsel
kinderopvang worden weggenomen. Momenteel is de ouder zelf verantwoordelijk voor de
juistheid van de aan te leveren gegevens die het recht op kinderopvangtoeslag bepalen,
omdat de toeslag aan de ouder wordt verstrekt. De kwaliteit van de gegevens is op
dit moment onvoldoende om de urenregistratie namens de ouders via de kinderopvangorganisaties
te regelen. Maar zelfs als dit wel mogelijk zou zijn, is het kabinet van mening dat
er fundamentele problemen blijven bestaan. Ook dan blijven immers grote geldstromen
van en naar de ouders plaatsvinden.
Het ingroeipad naar het inkomensonafhankelijke vergoedingspercentage van 96% is bedoeld
om de markt geleidelijk te laten wennen aan de mogelijke gevolgen van een hogere overheidsbijdrage
voor kinderopvang, zodat de markt kan wennen en vraag aanbod zich kunnen aanpassen.
Omdat ouders de komende jaren recht krijgen op een steeds hoger vergoedingspercentage,
neemt de gemiddelde kinderopvangtoeslag voor ouders toe. Daarmee kan ook het risico
op hoge terugvorderingen toenemen, bijvoorbeeld als ouders minder opvang afnemen dan
waar zij kinderopvangtoeslag voor ontvangen hebben. Tegelijkertijd zijn er steeds
meer inkomensgroepen die recht hebben op het maximale vergoedingspercentage van 96%,
waardoor het risico op een terugvordering door inkomensafwijkingen afneemt. Om het
risico op terugvorderingen volledig weg te nemen, wordt de vergoeding voor kinderopvang
in het nieuwe stelsel volledig inkomensonafhankelijk, worden houders van kindercentra
en gastouderbureaus direct gefinancierd en worden deze houders verantwoordelijk voor
het doorgeven van relevante subsidiegegevens, zoals het aantal te subsidiëren opvanguren.
Verder vragen de leden van de CDA-fractie welk mandaat nodig is om de vergoedingspercentages
te mogen verhogen binnen de bestaande Awir-constellatie.
De Wet kinderopvang regelt dat de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag
per algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangepast. Dit gebeurt met een wijziging
van het Besluit kinderopvangtoeslag, die wordt voorgehangen bij beide Kamers.
De leden van de fractie van GL-Pvda vragen hoeveel uitvoeringsmiddelen bespaard worden
door het financieringsstelsel inkomensonafhankelijk te maken.
De keuze voor inkomensonafhankelijkheid is in de eerste plaats een keuze voor eenvoud,
zekerheid en betaalbaarheid voor ouders. Alleen met een inkomensonafhankelijk stelsel
kunnen we ouders op een begrijpelijke en eenvoudige wijze zekerheid bieden over waar
zij recht op hebben en garanderen dat terugvorderingen nooit meer voorkomen. Daarnaast
levert de keuze voor inkomensonafhankelijkheid een forse vereenvoudiging in de uitvoering
op. Momenteel is niet bekend wat de directe budgettaire gevolgen van een keuze voor
inkomensafhankelijkheid zouden zijn.
Vragen over het proces
De leden van de fractie van GL-PvdA vragen naar de prioriteit van de invoering van
het nieuwe financieringsstelsel per 2029.
Het kabinet doet er alles aan om invoering per 2029 te bewerkstelligen. Op 28 november
is de internetconsultatie gesloten. De reacties worden nu beoordeeld en verwerkt.
Gelijktijdig worden de uitvoeringsprocessen, IV-keuzes en gevolgen voor ketenpartners
nader uitgewerkt. Voordat het wetsvoorstel naar de Raad van State gaat, zal de uitvoerbaarheid
getoetst worden door Dienst Toeslagen, maar ook door vele andere instanties zoals
GGD GHOR NL, gemeenten, DUO en UWV, en wordt de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd
te adviseren. Dit voorjaar besluit het kabinet definitief of Dienst Toeslagen de stap
maakt van «beoogd uitvoerder» naar «uitvoerder» van het nieuwe financieringsstelsel.
Na dit besluit wordt het wetsvoorstel aangeboden aan de Raad van State voor een adviesaanvraag.
Het kabinet verwacht het wetsvoorstel na advies van de Raad van State in het derde
kwartaal van 2026 aan de Kamer te sturen. Met deze planning en aanpak ligt het kabinet
volop op koers om per 1 januari 2029 het nieuwe stelsel in te voeren. Desondanks kent
deze planning ook onzekerheden en afhankelijkheden, waaronder de formatie, de inhoud
van de adviezen en de wetsbehandeling in het parlement. We zullen de Kamer blijven
informeren en betrekken bij zowel inhoud als proces.
De leden van de D66-fractie vragen of er al lessen te trekken zijn voor andere hervormingen
op het gebied van (interne) ontwikkeling van ICT-functionaliteiten en de ontwikkeling
van prototypes.
Uiteraard zullen we achteraf alle aspecten van het beleid- en wetgevingstraject evalueren
en best practices delen, maar we zien nu al dat het gelijktijdig ontwerpen van prototypes en beleid
ervoor zorgt dat concrete vraagstukken naar boven komen die anders onzichtbaar zouden
zijn gebleven. Dit zorgt ervoor dat uitvoering en beleid elkaar versterken. Wij verwachten
dat deze werkwijze lessen zal opleveren die voor de gehele rijksoverheid van waarde
kunnen zijn.
Vragen over regeldruk algemeen
De leden van de fractie van het CDA vinden de verkenning van de Staatssecretaris om
meer ruimte in het toezicht te bieden om af te wijken van regels interessant, maar
zo geven zij aan, dit lijkt tot meer druk op de uitvoering te leiden. Een ontheffingsbevoegdheid
voor gemeenten verhoogt de uitvoeringskosten. En het niet meer noteren van iedere
overtreding, maar alleen naar redelijkheid en proportionaliteit leidt weer tot nieuwe
benodigde competenties op het gebied van oordeelsvorming, waar scholing voor moet
worden gevolgd. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hier niet op meer praktische
wijze mee kan worden omgegaan en vanuit vertrouwen op ervaring en onderling overleg
van/tussen toezichthouders.
Op grond van de huidige wetgeving dient de toezichthouder in principe iedere overtreding
te noteren. Hierdoor is er geen ruimte voor een afweging op basis van redelijkheid
en proportionaliteit, dan wel voor een praktische werkwijze. De wetgeving moet daar
dus voor worden aangepast. Hoe dit vorm gegeven kan worden werkt het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 2026 verder uit in een apart proces. We denken
juist dat deze maatregel de druk verlaagt op de kinderopvangorganisaties. Daarbij
is het uitgangspunt ook dat we zo min mogelijk uitvoeringsdruk creëren voor toezicht
en handhaving.
De leden van de fractie van het CDA vragen hoe zij voor zich moeten zien dat de Staatssecretaris
sectorpartijen gaat vragen om behulpzaam te zijn bij het tegengaan van spookregelgeving.
Krijgen sectorpartijen meer informatie, of wordt van sectorpartijen verwacht een eigen
interpretatie te geven aan regelingen, zo vragen zij.
Sectorpartijen ontvangen van kinderopvangorganisaties regelmatig vragen over wet-
en regelgeving. Op basis van deze vragen vervullen zij een signalerende functie richting
het Ministerie van SZW over wet- en regelgeving die knelt, onnodig regeldruk veroorzaakt.
Wanneer de vragen die kinderopvangorganisaties inbrengen bij sectorpartijen gaan over
regels die niet bestaan, dan gaat de Staatssecretaris Participatie en Integratie er
in eerste instantie vanuit dat de sectororganisatie dat zelf constateert. De Staatssecretaris
Participatie en Integratie gaat er ook vanuit dat de sectororganisatie de onduidelijkheid
hierover dan vaak direct kan wegnemen bij de vragensteller. En wanneer er sprake blijkt
van steeds dezelfde vragen hier actief over communiceert. Uiteraard zien wij hier
ook een rol voor het Ministerie van SZW bij het bieden van duidelijkheid over wet-
en regelgeving. Bijvoorbeeld wanneer ook voor de sectororganisaties sprake is van
onduidelijkheid over (de interpretatie van) wet- en regelgeving. Of als communicatie
vanuit de sectorpartijen onvoldoende helpt om de onduidelijkheid weg te nemen. Over
knelpunten en verbetermogelijkheden in de wet- en regelgeving zijn de sectororganisaties
en de ambtenaren van het Ministerie van SZW doorlopend in gesprek.
De leden van de fractie van de VVD vragen of de Staatssecretaris zijn ambitie, en
de reden daarachter, om regeldruk in de kinderopvangsector te verminderen nader kan
toelichten. Zij vragen ook of de Staatssecretaris een volledig overzicht kan geven
van de regels die door de sector op dit moment nog als knellend of onnodig belastend
worden ervaren, maar waarvoor nog geen concrete stappen zijn gezet richting vereenvoudiging
of afschaffing. Indien dergelijke regels bestaan, vragen zij om welke regels het gaat,
welke gevolgen deze hebben voor met name klein- en middenbedrijven binnen de sector,
en of de Staatssecretaris voornemens is deze te schrappen, te vereenvoudigen of anderszins
te verlichten.
De kinderopvang speelt een belangrijke rol in de mogelijkheden van ouders om te werken
en voor de ontwikkeling van kinderen. Hiervoor is de kwaliteit én de beschikbaarheid
en toegankelijkheid van de kinderopvang van belang. Gezien het belang van voldoende
aanbod van kinderopvang wil de Staatssecretaris Participatie en Integratie ruimte
voor ondernemerschap zoveel mogelijk bevorderen. Het verminderen van regeldruk is
daar onderdeel van. Dit sluit aan bij de Rijksbrede ambitie van dit kabinet.
In de gesprekken met sector- en toezichtpartijen hebben zij concrete regels genoemd
die als onnodig knellend of belastend worden ervaren. Voor vijf onderwerpen zet de
Staatssecretaris Participatie en Integratie in op aanpassing van de regel, zoals toegelicht
in de brief. Voor drie ingebrachte onderwerpen ziet de Staatssecretaris Participatie
en Integratie een mogelijkheid om de knelpunten op te lossen door meer ruimte te bieden
voor afwijking van de regel in specifieke situaties. Via de doorontwikkeling van het
toezicht. 19 Dit gaat over de volgende ingebrachte onderwerpen: de verplichting voor de houder
om een oudercommissie in te stellen, de minimale binnenspeelruimte per kind en de
verplichting dat er op ieder kindercentrum een volwassene met een EHBO-certificaat
aanwezig is. Deze voorstellen worden in aparte trajecten opgepakt.
Er zijn drie concrete regels aangekaart waarvoor de Staatssecretaris Participatie
en Integratie vereenvoudiging of afschaffing onwenselijk vindt. Hieronder wordt dit
per onderwerp toegelicht. Overigens bleek voor de voorgestelde wijzigingen ook onder
de sectorpartijen geen breed draagvlak te zijn.
Wens
Redenen om niet in te zetten op aanpassing/schrappen van de regel
1. Een sectorpartij heeft voorgesteld om BOL-stagiairs te mogen inzetten als vast
gezicht.
Deze wijziging is niet wenselijk vanwege verwachte negatieve gevolgen voor de kwaliteit
van de opvang. BOL-stagiairs hebben immers nog geen kwalificatie, nog weinig tot geen
ervaring en zijn in de regel slechts één dag in de week aanwezig in de kinderopvang.
Daarnaast is deze versoepeling niet in belang van de ontwikkeling van de BOL-student
zelf (en daarmee mogelijk van de instroom van nieuwe medewerkers in de kinderopvang)
en ongunstig voor de werkdruk.
2. Een sectorpartij heeft voorgesteld om de inzet van beroepskrachten in opleiding
(meestal BBL-studenten) nog verder te verruimen.
Deze inzet is nu gemaximeerd op 50% (was voorheen 33%) van de formatie. De Staatssecretaris
Participatie en Integratie heeft aangekondigd om deze verruiming definitief te maken.
De wens van een sectorpartij is om deze regel nóg verder te verruimen, door dit maximum
los te laten tijdens de randen van de dag en tijdens pauzes. Dit vindt de Staatssecretaris
Participatie en Integratie niet wenselijk vanwege zorgen die reeds bestaan over de
inzet van beroepskrachten in opleiding en de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid.
Daarnaast is dit niet in het belang van de ontwikkeling van beroepskrachten in opleiding
en ongunstig voor de werkdruk in de kinderopvang.
3. Een sectorpartij heeft voorgesteld dat kinderopvangorganisaties niet langer hoeven
bij te houden hoeveel kinderen en medewerkers aanwezig zijn.
Dit vindt de Staatssecretaris Participatie en Integratie onwenselijk, want deze registratie
is nodig om toezicht te kunnen houden op het naleven van de beroepskracht-kindratio
(BKR). De BKR waarborgt dat kinderopvangorganisaties voldoende personeel inzetten
voor het aantal kinderen dat zij opvangen. Daarmee is de BKR een basisvereiste voor
de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang. Overigens gaven de meeste sectororganisaties
aan dat deze registraties voor kinderopvangorganisaties (los van de wetgeving) ook
noodzakelijk zijn vanuit andere doeleinden, zoals de loonadministratie.
Tot slot hebben de sectorpartijen suggesties gedaan waarbij de regel zelf niet de
ervaren regeldruk veroorzaakt, maar onduidelijkheid of onvrede over de toepassing
van de regel of het toezicht. Voor deze onderwerpen zit de oplossing niet in het aanpassen
of schrappen van de regel, maar in een eenduidige en gedragen toepassing van de regelgeving.
Over deze regels wil de Staatssecretaris Participatie en Integratie dat toezicht en
sector met elkaar in gesprek gaan, en waar nodig sluit het Ministerie van SZW aan.
De leden van de fractie van de VVD vragen of de Staatssecretaris per maatregel inzichtelijk
kan maken welk besluitvormingstraject wordt voorzien, binnen welke termijn de Kamer
een vervolgstap of keuze tegemoet kan zien, en hoe de voortgang meetbaar en controleerbaar
wordt gemaakt. Ook vragen zij of op deze maatregelen een monitoringssystematiek wordt
toegepast zoals die van de Minister van Economische Zaken.
Voor de verruimde inzet van beroepskrachten in opleiding streeft de Staatssecretaris
Participatie en Integratie naar inwerkingtreding per 1 juli 2026. Deze maatregel kan
de Staatssecretaris Participatie en Integratie doorvoeren door aanpassing van een
ministeriële regeling. De doorlooptijd voor de andere vier aangekondigde aanpassingen
is naar verwachting twee tot drie jaar. Dit komt door de vaste processtappen bij het
veranderen van regelgeving die is opgenomen in een algemene maatregel van bestuur.
De Staatssecretaris Participatie en Integratie informeert de Kamer medio 2026 over
de stand van zaken en planning. Daarnaast zullen deze maatregelen worden toegevoegd
aan de teller op de regeldrukmonitor van de Minister van Economische Zaken.
Vragen over kwaliteit en veiligheid
De leden van de fractie van de PVV vragen hoe de Staatssecretaris Participatie en
Integratie de stijging verklaart van het aantal dossiers over fysiek geweld bij de
vertrouwensinspecteurs kinderopvang.
Het is onduidelijk of de stijging van het aantal dossiers komt doordat het aantal
gevallen van mogelijk fysiek geweld is toegenomen, of door grotere bekendheid van
de meld-, overleg-, en aangifteplicht en de vertrouwensinspectie waardoor mogelijk
meer vermoedens gemeld worden. De afgelopen jaren is er namelijk gewerkt aan de bekendheid,
mede door sectororganisaties en toezichtspartijen.
De leden van de fractie van de PVV vragen of de Staatssecretaris Participatie en Integratie
een overzicht kan geven van de gemeenten waarin deze meldingen over fysiek geweld
in 2024 hebben plaatsgevonden.
De Staatssecretaris Participatie en Integratie beschikt niet over een dergelijk overzicht.
Vanwege herleidbaarheid en privacy kan er ook geen uitsplitsing per gemeente gemaakt
worden.
De leden van de fractie van de PVV vragen ook waarom het aantal strafrechtelijke aangiften
naar aanleiding van deze meldingen is gedaald in 2024, terwijl het aantal meldingen
bijna verdubbelde.
Als in overleg met de vertrouwensinspecteur een redelijk vermoeden van een strafbaar
feit wordt geconcludeerd, dan heeft de houder een aangifteplicht. De vertrouwensinspecteurs
zien erop toe dat de houder ook daadwerkelijk aangifte doet. Het is vervolgens de
taak van de politie om aan waarheidsvinding te doen.
Door de grotere bekendheid van de vertrouwensinspectie overleggen houders mogelijk
vaker, ook bij twijfel, en is de drempel om contact op te nemen verlaagd. Ondanks
de stijging van de totaalcijfers, daalde het aantal aangifteplichtige dossiers inzake
mishandeling. De Staatssecretaris Participatie en Integratie vindt deze daling juist
iets positiefs.
De leden van de fractie van de PVV vragen of de Staatssecretaris Participatie en Integratie
een verdere stijging dan wel een daling verwacht van het aantal incidenten met fysiek
geweld op het moment dat kinderopvang vrijwel gratis wordt.
Dit kan de Staatssecretaris Participatie en Integratie niet voorspellen. Het is niet
ondenkbaar dat een stijging van het aantal kinderen in de kinderopvang en aantal werkenden
in deze sector leidt tot een stijging in het aantal dossiers. Meer dossiers hoeft
zoals aangegeven niet altijd te leiden tot een stijging van het aantal strafrechtelijke
aangiften.
De leden van de fractie van de PVV vragen of er gevallen bekend zijn waarin kinderopvangorganisaties
genoodzaakt zijn beveiligers in te huren ter bescherming van kinderen en/of personeel.
Bij het Ministerie van SZW is behalve de kinderopvangorganisatie in het bericht waarover
dit voorjaar Kamervragen werden gesteld, geen geval bekend waarbij kinderopvangorganisaties
beveiligers inhuren ter bescherming van kinderen en/of personeel. Verder wordt verwezen
naar de antwoorden van de Staatssecretaris Participatie en Integratie van 15 april
jl. op deze Kamervragen.20
Overige vragen
De leden van de fractie van de BBB vragen of toekomstige wijzigingen in het kinderopvangbeleid
vooraf getoetst kunnen worden op de impact op betaalbaarheid, toegankelijkheid en
kwaliteit, inclusief de effecten op commerciële en regionale aanbieders.
Deze toetsen zijn onderdeel van het gebruikelijke brede afwegingskader dat gebruikt
wordt om (nieuw) beleid te toetsen en te evalueren.
De leden van de fracties van de BBB en het CDA vragen wat de reden is dat in het nieuwe
stelsel de subsidie alleen beschikbaar is voor kinderopvang binnen Nederland en niet
voor opvang in het buitenland. Ook vragen zij of er overgangsrecht of maatwerk voorzien
wordt voor houders in het buitenland en de ouders die bij daar kinderopvang afnemen.
Er is een aantal redenen waarom de subsidie alleen voor houders in Nederland beschikbaar
wordt gesteld. Ten eerste acht het kabinet het, voor zover er sprake is van directe
financiering, de verantwoordelijkheid van ieder land om de financiering van kinderopvang
in dat land te verzorgen. Ten tweede is het ingewikkeld om op basis van Nederlandse
wetgeving eisen te stellen aan en toezicht te houden op een buitenlandse onderneming.
zijn volgens het kabinet Voor de uitvoering is het financieren van buitenlandse organisaties
ook niet haalbaar. Het wetsvoorstel stelt diverse eisen aan de (financiële) administratie
van houders en aan de manier waarop zij (digitale) gegevens uitwisselen met de uitvoerder.
Bij kinderopvang in het buitenland zou dit betekenen dat de buitenlandse houder voor
één of enkele kinderen zou moeten worden aangesloten op de Nederlandse systemen van
de uitvoerder. Hiervoor zouden steeds kostbare en voor de uitvoering complexe maatwerkafspraken
gemaakt moeten worden. De buitenlandse kinderopvangorganisatie zou daarnaast moeten
voldoen aan de gestelde (Nederlandse) administratieve eisen, terwijl toezicht hierop
in de praktijk niet mogelijk zou zijn. Ten slotte is er vanuit (Europese) wet- en
regelgeving geen juridische verplichting om de subsidie voor kinderopvang ook voor
opvang in het buitenland beschikbaar te stellen. Voor ouders die in de grensregio’s
wonen, geldt dat zij nog steeds aanspraak kunnen maken op de vergoeding als zij in
Nederland werken.
Het wetsvoorstel voorziet niet in een overgangsrecht of maatwerk voor kinderopvang
in het buitenland. Dit zou namelijk vereisen dat (delen van) het huidige stelsel met
de kinderopvangtoeslag, inclusief de risico’s daarvan voor ouders, parallel aan het
nieuwe financieringsstelsel actief zou moeten blijven. Dat achten we onwenselijk.
Wel zal Dienst Toeslagen ouders tijdig informeren over veranderingen in hun recht,
zodat zij op tijd een alternatief kunnen vinden wanneer de kinderopvangtoeslag stopt.
Het nieuwe financieringsstelsel wordt pas per 2029 ingevoerd. Ouders die kinderopvang
in het buitenland afnemen hebben daarmee voldoende gelegenheid om rekening te houden
met de gevolgen van de nieuwe wetgeving. Ouders die in het buitenland wonen geldt
dat zij straks nog steeds aanspraak kunnen maken op gesubsidieerde kinderopvang als
zij in Nederland werken en als de kinderopvang in Nederland wordt afgenomen.
De leden van de fractie van het CDA vragen of het ouderbegrip in het wetsvoorstel
financiering kinderopvang getoetst is op ruimere toepasbaarheid voor andere kindregelingen
en voor de exporteerbaarheid van regelingen in het geval ouders naar het buitenland
verhuizen.
Het nieuwe financieringsstelsel kent een ander ouderbegrip dan de huidige kinderopvangtoeslag
en de andere (inkomensafhankelijke) kindregelingen. Om te bepalen of een ouder recht
heeft op kinderopvangtoeslag wordt nu namelijk gekeken naar wie de ouder van het kind
is en of die ouder een toeslagpartner heeft. Dit toeslagpartnerschap wordt gedefinieerd
in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Volgens deze definitie
kunnen inwonende volwassenen zonder formele relatie en zorgplicht voor het betreffende
kind ook meetallen als partner. Dit is te verklaren met de inkomensafhankelijke aard
van de toeslag: het huishoudinkomen bepaalt de hoogte van de toeslag en het inkomen
van alle (toeslag)partners telt daarin mee. Daarom kan ook het ouderbegrip in het
kindgebonden budget niet los gezien worden van het partnerbegrip zoals dat geldt in
het toeslagenstelsel en is vastgesteld in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke regelingen.
Wanneer gekozen zou worden om het ouderbegrip van het nieuwe financieringsstelsel
voor kinderopvang ook toe te passen op het kindgebonden budget en de kinderbijslag
zou dit betekenen dat er binnen het toeslagenstelsel verschillen ontstaan in de wijze
waarop de samenstelling van een huishouden en daarmee de hoogte van de toeslag wordt
vastgesteld. Tevens leidt dit voor het kindgebonden budget tot de aanname dat gehuwden
die niet op hetzelfde adres wonen (bijvoorbeeld omdat een van de ouders ergens anders
werkt en woont), ook geen gezamenlijke financiële huishouding voeren. Dit kan onduidelijk
zijn voor de burger en gaat gepaard met (mogelijk fors) hogere budgettaire effecten,
in het bijzonder door het ontstaan van recht op de alleenstaande ouder-kop.
Er is een aantal redenen waarom het nieuwe financieringsstelsel een ander ouderbegrip
kent dan de huidige kindregelingen. Ten eerste is het nieuwe financieringsstelsel
een inkomensonafhankelijke regeling. Het ligt daarom niet voor de hand om vast te
houden aan de Awir-begrippen. Ten tweede sluit het nieuwe ouderbegrip beter aan bij
de gangbare beleving van verantwoordelijkheid voor de zorg voor het kind. En dat sluit
weer aan bij aan een van de doelstellingen van het kinderopvangbeleid: ervoor zorgen
dat ouders arbeid en de zorg voor hun kinderen kunnen combineren. Ten derde draagt
het hanteren van een eenvoudiger en intuïtiever ouderbegrip bij aan een van de doelen
van de nieuwe financiering: een eenvoudiger en beter begrijpelijk financieringsstelsel
voor ouders.
Ten aanzien van verhuizingen naar of verblijf in het buitenland geldt dat het recht
op gesubsidieerde kinderopvang niet exporteerbaar is. Zoals in de beantwoording hierboven
beschreven staat is de subsidie namelijk alleen beschikbaar voor houders van kindercentra
en gastouderbureaus in Nederland.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van der Burg, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier