Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 784 Verlenging en wijziging van Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering (Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 december 2025
Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van het verslag van de Vaste Commissie
voor Justitie en Veiligheid over de Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering (Kamerstukken
II 2024/25, 36 784, nr. 5). Het verheugt ons dat de meeste fracties steun uitspreken voor het verlengen van
de bepalingen uit de Innovatiewet. Graag gaan wij in deze nota in op de in het verslag
gemaakte opmerkingen en beantwoorden wij de daarin gestelde vragen. Daarbij volgen
wij de opbouw van het verslag van de vaste commissie. Dat verslag is hieronder integraal
en cursief opgenomen. Direct onder een cursief opgenomen vraag wordt het antwoord
op die vraag gegeven.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het voorliggend wetsvoorstel Verlenging en wijziging van Titel X van het Vierde Boek
van het Wetboek van Strafvordering (Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering) (hierna:
het wetsvoorstel). Deze leden kunnen de verlenging van de vijf pilots in de Innovatiewet
Strafvordering (hierna: de Innovatiewet) steunen. Zij hebben wel enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden hebben de Innovatiewet gesteund en vinden het belangrijk dat de strafrechtketen
de ruimte wordt geboden om te blijven innoveren. Zij onderschrijven de noodzaak voor
een wettelijke grondslag totdat het nieuwe Wetboek van Strafvordering in werking treedt.
Zij steunen in dat kader het wetsvoorstel en stellen nog een paar vragen.
De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
en de bijbehorende stukken. Deze leden vinden het van belang dat de nieuwe procedures
die met de Innovatiewet in het huidige Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen,
kunnen worden voortgezet. Met deze procedures is twee jaar geëxperimenteerd, waardoor
een goede beoordeling kan worden gemaakt over welke procedures succesvol bleken en
waarvoor verlenging noodzakelijk is, zodat tot de inwerkingtreding van het nieuwe
Wetboek van Strafvordering van deze procedures gebruik kan worden gemaakt. Deze leden
hebben over het wetsvoorstel nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden zien op dit moment geen aanleiding tot het stellen van vragen over het
wetsvoorstel.
De leden van de SP-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen. Deze leden
hebben hier nog een aantal vragen over.
2. Stand van zaken van het wetgevingsprogramma nieuw Wetboek van Strafvordering
De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering sinds maart 2024 vasthoudt
aan de datum van 1 april 2029 voor de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van
Strafvordering. Gelet op het omvangrijke wetgevingsprogramma en het implementatietraject
dat daarop volgt, achten deze leden deze datum niet langer realistisch. Kan de regering
reflecteren op de haalbaarheid van de datum van 1 april 2029 en daarbij ook ingaan
op wat de gevolgen zijn van de hack van het Openbaar Ministerie voor de noodzakelijke
ICT-wijzigingen die nog moeten plaatsvinden voorafgaand aan de inwerkingtreding van
het nieuwe Wetboek van Strafvordering?
Voor de inwerkingtredingsdatum van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is in goed
overleg met de organisaties uit de strafrechtketen gekozen voor 1 april 2029. Vrijwel
alle organisaties in de strafrechtketen hebben desgevraagd aangegeven te verwachten
op 1 april 2029 klaar te zijn met de werkzaamheden die nodig zijn om het nieuwe wetboek
te implementeren in hun werkprocessen en systemen voor informatievoorziening. Ook
zijn medewerkers voordien bijgeschoold. Het openbaar ministerie heeft aangegeven nog
volop bezig te zijn met herstelwerkzaamheden na de ICT-inbreuk en nog niet in de gelegenheid
te zijn om de effecten daarvan op de invoering van het nieuwe wetboek te analyseren.
De eerstvolgende beoordeling van de geplande inwerkingtredingsdatum vindt plaats na
het verschijnen van de rapportage van het Adviescollege ICT-toetsing (Ac-ICT), dat
door de Eerste Kamer is aangevraagd. Deze rapportage wordt voorzien in het voorjaar
van 2026. Bovendien wordt een jaar voorafgaand aan de geplande inwerkingtredingsdatum
op 1 april 2029 vastgesteld of de keten nog op schema is om het nieuwe wetboek in
te voeren.
3. De evaluatie van de vijf onderdelen uit de Innovatiewet Strafvordering
3.1 Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging
en als wettig bewijsmiddel
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de pilots voor audiovisuele registratie
(hierna: AVR) wisselende resultaten hebben opgeleverd. Deze leden hebben de indruk
dat een van de subpilots AVR, waarbij meer beelden van de gebeurtenissen waarvoor
de verdachte terechtstaat op zitting worden vertoond, in enige mate positief is ontvangen
door de Rechtspraak, maar andere onderdelen van de subpilots AVR minder. Deze leden
begrijpen dat de subpilots AVR leidden tot een hogere werklast voor met name de Rechtspraak
en ook het Openbaar Ministerie. Er wordt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
echter weinig gesproken over de werklastverlaging van de politie die naar verwachting
zou worden bereikt met de pilots. Kan de regering daar iets over zeggen?
Met de Innovatiewet Strafvordering is het mogelijk gemaakt om als alternatief voor
een volledig proces-verbaal te volstaan met een verkort proces-verbaal in combinatie
met opnamen. Voor de werklast van de politie is vooral de subpilot met camerabeelden
relevant, die is uitgevoerd bij de politie-eenheden en parketten Noord-Holland en
Oost-Nederland en de rechtbanken Noord-Holland en Overijssel. Door de onderzoekers
is ten aanzien van deze subpilot geconcludeerd dat er per saldo geen afname is van
werklast bij de politie. Hoewel het schrijven van een verkort proces-verbaal zorgt
voor minder werklast voor de politie, levert het maken van een compilatie van de camerabeelden
juist extra werk op (De Wilde e.a., Evaluatie Innovatiewet Strafvordering. Pilots
Gegevens na beslag, Audiovisuele registratie en Hulpofficier van Justitie, september
2024, p. 137).
De leden van de VVD-fractie zouden graag bevestigd zien dat er met spoed wordt gewerkt
aan de inzet van nieuwe technologische en digitale technieken, zodat in de strafrechtketen
met behulp van artificiële intelligentie en speech-to-text-software verder kan worden
geëxperimenteerd. Welke stappen zet de regering en kan de regering een concreet tijdpad
aangeven en beschrijven wat nodig is om een aanvullende pilot AVR succesvol te laten
verlopen?
Naar aanleiding van de evaluatie van de innovatiepilots is met de ketenorganisaties
afgesproken dat zodra technische ontwikkelingen hiertoe aanleiding geven een (vervolg)pilot
wordt gestart waarin die technische ontwikkelingen met betrekking tot de inzet van
audiovisuele middelen kunnen worden beproefd op een manier die de wet mogelijk maakt
(Kamerstukken II 2024/25, 35 869, nr. 32). De politie is daartoe in de zomer van 2025 gestart met een test waarbij met behulp
van speech-to-tekst en kunstmatige intelligentie (large language models) een samenvatting wordt gemaakt van een opgenomen politieverhoor. Bij die test wordt
naast de technische haalbaarheid, bruikbaarheid en kwaliteit van deze toepassing,
ook gekeken naar juridisch-ethische aspecten hiervan. Medio 2026 zullen de opbrengsten
van deze test met het openbaar ministerie en de Rechtspraak worden gedeeld. Na evaluatie
van de ervaringen wordt besloten over de start van een eventuele vervolgpilot.
3.2 Mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting
De leden van de SP-fractie zien dat tussen de geconsulteerde partijen de meningen
uiteenlopen over het voornemen van de regering om in het wetsvoorstel de voorwaarden
betreffende de eindezaakverklaring af te schaffen. Aan de ene kant vinden onder andere
het Centraal Justitieel Incassobureau en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak
dit een positieve ontwikkeling. Aan de andere kant geeft Slachtofferhulp Nederland
aan dat dit mogelijk de positie van slachtoffers kan benadelen. Slachtofferhulp Nederland
vraagt wat de afschaffing zegt over de afspraken die worden gemaakt en hoe juridisch
houdbaar deze zijn. Kan de regering hierop reflecteren? Wat wordt er bijvoorbeeld
verstaan onder een positieve uitkomst? Hoe worden gemaakte afspraken na deze voorgestelde
afschaffing dan wel nagekomen?
Voorgesteld wordt de huidige mogelijkheid om aan de eindezaakverklaring voorwaarden
te verbinden te laten vervallen tot het moment van inwerkingtreding van het nieuwe
Wetboek van Strafvordering. De reden hiervoor is dat tijdens de evaluatie van de Innovatiewet
is gebleken dat het verbinden van voorwaarden aan een eindezaakverklaring tot problemen
leidt in de uitvoering. Er ontbreekt op dit moment een regeling voor het toezicht
op de naleving van voorwaarden. Verder is gebleken dat het niet goed mogelijk is om
de voorwaarden in de bestaande systemen te registreren. Het vergt een grondige voorbereiding
en investering om het registratiesysteem aan te passen. Verder moet worden bekeken
hoe de eindezaakverklaring (met voorwaarden) op een goede manier in de justitiële
documentatie kan worden vastgelegd. Voor de uitwerking van deze punten is voldoende
tijd nodig. Er is onvoldoende tijd beschikbaar om de genoemde knelpunten voor de komende
periode, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering,
op te lossen.
Deze problemen kunnen wel zijn opgelost op het moment van de inwerkingtreding van
het nieuwe wetboek, die is voorzien op 1 april 2029 zodat vanaf die inwerkingtreding
weer voorwaarden kunnen worden gesteld. Het is in het belang van het slachtoffer dat
de mogelijkheid om bij een eindezaakverklaring voorwaarden te stellen (in de toekomst)
wordt voortgezet. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een contactverbod. Het
is de bedoeling om in de tweede aanvullingswet niet alleen de regeling van mediation
na aanvang van de berechting een plaats te geven in het nieuwe wetboek, maar ook om
daarbij te regelen dat bij een eindezaakverklaring voorwaarden kunnen worden gesteld.
De mogelijkheid om voorwaarden te stellen komt dus slechts tijdelijk te vervallen.
In de periode die voorafgaat aan de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
blijft het mogelijk dat de rechter een eindezaakverklaring uitspreekt. Dit doet de
rechter op basis van afspraken die de verdachte en het slachtoffer in het kader van
mediation hebben gemaakt. Deze afspraken zijn bindend, ook al zijn aan de eindezaakverklaring
geen voorwaarden verbonden. Onder een positieve uitkomst van mediation wordt verstaan
dat er een overeenkomst is gesloten tussen het slachtoffer en de verdachte. De aard
van de overeenkomst brengt met zich dat beide partijen hiermee hebben ingestemd. Als
een partij zich niet aan de overeenkomst houdt dan zijn er twee wegen denkbaar om
nakoming te stimuleren of af te dwingen. Ten eerste kan een slachtoffer bij de officier
van justitie melden dat de overeenkomst niet wordt nagekomen. De officier van justitie
kan dan (alsnog) tot vervolging van het door de verdachte gepleegde strafbare feit
overgaan. Dit element blijft ook na inwerkingtreding van deze verlengingswet behouden
in artikel 573, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ten tweede kan
een slachtoffer via het civiele recht de verdachte in gebreke stellen en zo nodig
nakoming vorderen bij de burgerlijke rechter.
4. Verlenging en mogelijke aanpassing van de vijf onderdelen uit de Innovatiewet
4.1 Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging
en als wettig bewijsmiddel
De leden van de NSC-fractie hebben enkele vragen over het verlengen van de subpilots
AVR camerabeelden en AVR verdachtenverhoor. De regering baseert deze verlenging op
een speculatie; het is denkbaar dat er een nieuwe pilot wordt opgezet, maar concrete
plannen zijn er (nog) niet. Deze leden willen de regering vragen waarom de wettelijke
mogelijkheid tot het opstarten van een nieuwe pilot met dit wetsvoorstel moet worden
gerealiseerd. Zij vragen de regering of het niet logischer is om deze bepaling te
laten vervallen en dan in de toekomst met een nieuwe wetswijziging te komen die specifiek
ziet op de pilot die zal worden uitgevoerd. Deze leden merken hierbij op dat in dat
geval ook bekend is welke technologie voorhanden is, waardoor een betere, op de praktijk
toegesneden, bepaling tot stand kan worden gebracht.
Voor de duidelijkheid wordt hier expliciet onderscheid gemaakt tussen enerzijds het
niet verlengen van de AVR-subpilots en anderzijds het verlengen van een aantal wettelijke
bepalingen waarop een nieuwe AVR-pilot gebaseerd zou kunnen worden. De drie uitgevoerde
AVR-subpilots (die zagen op (1) de zitting, (2) camerabeelden en (3) verdachtenverhoren)
zijn alle drie niet verlengd. Deze keuze is gemaakt op basis van de conclusies en
aanbevelingen van de onderzoekers die het evaluatieonderzoek hebben uitgevoerd en
de reacties daarop van de betrokken ketenorganisaties. Na overleg met de ketenpartners
is besloten de bepalingen die zien op het onderdeel AVR ter zitting (de artikelen
559, 562, 564, 566 en 568 Sv) met dit wetsvoorstel te schrappen.
De politie en de bijzondere opsporingsdiensten hebben de zorg geuit dat het laten
vervallen van de bepalingen die de basis bieden tot het doen van pilots in het kader
van camerabeelden en verdachtenverhoren wellicht toekomstige (technische) ontwikkelingen
remt, omdat de wet dan niet langer een grondslag daarvoor biedt. Het is van belang
dat de desbetreffende wettelijke mogelijkheden voor toepassing beschikbaar blijven,
nu door de politie concreet wordt gewerkt aan de inzet van nieuwe technologieën. De
keuze tot het behoud van deze bepalingen en het enkel schrappen van bepalingen die
verband houden met de zitting, is gemaakt op basis van nauw overleg met de betrokken
ketenpartners.
De stelling dat met betrekking tot de regeling van AVR in de Innovatiewet «een betere,
op de praktijk toegesneden bepaling» tot stand kan worden gebracht wanneer bekend
is welke technologie voorhanden is, wordt niet onderschreven. De kern van de regeling
van AVR in de Innovatiewet is dat wanneer een opname beschikbaar is, van een volledig
proces-verbaal kan worden afgezien. De wettelijke bepalingen zien op opnamen die met
een begeleidend verkort proces-verbaal een adequaat alternatief kunnen vormen voor
een volledig proces-verbaal. Die bepalingen zijn zodanig geformuleerd, dat het niet
uitmaakt welke technologie daarvoor wordt gebruikt. Bij het inzetten van nieuwe technologieën
kan aldus in alle gevallen van de huidige bepalingen gebruik worden gemaakt, wanneer
dat een adequaat alternatief voor een volledig proces-verbaal oplevert. Daarom wordt
het niet wenselijk geacht deze bepalingen bij gelegenheid van dit wetsvoorstel te
laten vervallen.
4.2 Mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voornemen is om de inzet van
mediation in de fase van berechting ook op te nemen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Deze leden lezen ook dat dit gebeurt door middel van de tweede aanvullingswet, waarbij
ook de in het evaluatierapport gesignaleerde aandachtspunten worden betrokken. Dit
kan betekenen dat de regeling over mediation in het nieuwe Wetboek zal worden aangevuld
of gewijzigd. Nu is er bij de behandeling van de eerste vaststellingswet voor het
nieuwe Wetboek van Strafvordering al een amendement aangenomen van de leden Mutluer
en Van Nispen (Kamerstuk 36 327, nr. 51) dat ziet op de toepassing van mediation en andere herstelrechtvoorzieningen. Op
welke wijze kan de door middel van het amendement ingebrachte toevoeging door de tweede
aanvullingswet nog worden gewijzigd? Is het correct dat de aanvullingswetten bedoeld
zijn voor technische wijzigingen? Deelt de regering de mening dat, aangezien een ruime
meerderheid van de Kamer dat amendement heeft aangenomen, dat voorrang heeft boven
andere eventuele wijzigingen via een aanvullingswet?
Het amendement van de leden Mutluer en Van Nispen over mediation betreft de artikelen
1.11.1 en 1.11.2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Titel 11.1 Herstelrecht).
Doordat het amendement is aangenomen maken de voorstellen van de genoemde leden inmiddels
deel uit van de tekst van het nieuwe wetboek zoals op dit moment aanhangig bij de
Eerste Kamer (Kamerstukken I 2024/25, 36 327, C).
De twee aanvullingswetten die zijn voorzien bij het nieuwe wetboek bevatten wijzigingen
en aanvullingen op de teksten van het nieuwe wetboek. Naast technische wijzigingen
gaat het ook om wat grotere, inhoudelijke onderdelen die worden ingevoegd met een
aanvullingswet.
Mediation is een van de onderwerpen uit de Innovatiewet Strafvordering. Deze wet is
zoals bekend geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatie worden verwerkt in het
nieuwe wetboek door middel van de tweede aanvullingswet. Over de teksten van de tweede
aanvullingswet zijn wij op dit moment nog informeel in overleg met de betrokken ketenpartners.
Bij het onderwerp mediation zal de tekst van het aangenomen amendement van de leden
Mutluer en Van Nispen leidend zijn. Bezien wordt of de artikelen over mediation na
aanvang van de berechting (met de eindezaakverklaring), die via de tweede aanvullingswet
worden overgeheveld naar het nieuwe wetboek, en de artikelen 1.11.1 en 1.11.2 van
het nieuwe wetboek goed op elkaar aansluiten. Het is denkbaar dat in het kader van
deze aansluiting de bepalingen op onderdelen nog een technische aanpassing moeten
ondergaan. In de memorie van toelichting bij de tweede aanvullingswet zal steeds goed
worden uiteengezet waarom een bepaalde wijzing of toevoeging wordt voorgesteld, zodat
dit inzichtelijk is voor de Kamer.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de mogelijkheid die de rechter heeft
om voorwaarden te verbinden aan de verklaring dat de zaak is geëindigd, in het vervolg
van de pilot mediaton geschrapt gaat worden, omdat dat problemen oplevert voor de
uitvoering. Wat wel blijft, is dat als de verdachte de afspraken voor herstel die
in het kader van de mediation zijn gemaakt, niet naleeft, hij opnieuw in rechte kan
worden betrokken. Deze leden vragen op welke wijze deze verdachte in dat geval bij
gebrek aan voorwaarden alsnog aan die afspraken gehouden kan worden. En hoe en door
wie moet daar een aanzet toe worden gemaakt? Begrijpt de regering de bezwaren van
Slachtofferhulp Nederland dat het slachtoffer degene zou moeten zijn om de verdachte
alsnog aan de gemaakte afspraken te houden? Zo ja, waarom en hoe moet dat anders?
Zo nee, waarom niet? Hoe gaat het slachtoffer dat het belastend vindt om zelf een
melding te doen, hierbij ondersteund of ontlast worden?
Voor het antwoord op deze vragen wordt verwezen naar de bovenstaande antwoorden op
vragen van de leden van de SP-fractie ten aanzien van de nakoming van gemaakte afspraken.
Zoals daar is opgemerkt, vormen de afspraken een overeenkomst tussen de verdachte
en het slachtoffer. Het slachtoffer kan constateren dat de verdachte zich niet aan
de overeenkomst houdt. Dat betekent niet dat het slachtoffer zelf, persoonlijk, maatregelen
in gang moet zetten om nakoming af te dwingen. Het slachtoffer kan hierbij een beroep
doen op ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland. Slachtofferhulp Nederland of
het slachtoffer kan de niet-nakoming melden bij de officier van justitie. De officier
van justitie kan vervolgens besluiten om de verdachte alsnog te vervolgen. Het is
ook mogelijk dat het slachtoffer een beroep doet op een andere juridisch adviseur
(zoals een advocaat) om de verdachte civielrechtelijk in gebreke te stellen en zo
nodig nakoming te vorderen bij de civiele rechter.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen instemmen met een meer uitgebreide
toepassing van de mogelijkheden van mediation door de regeling ook in hoger beroep
en in alle arrondissementen mogelijk te maken. Op welke termijn wordt de nu nog geldende
regionale beperking in het Besluit innovatie strafvordering geschrapt?
Er wordt naar gestreefd de noodzakelijke wijzigingen in het Besluit innovatie strafvordering
door te voeren op hetzelfde moment als waarop deze Verlengingswet in werking treedt.
Het conceptbesluit daartoe, met daarin onder meer opgenomen dat artikel 3 van het
Besluit innovatie strafvordering (regionale beperkingen mediation) vervalt, wordt
nog in 2025 in procedure gebracht.
De leden van de SP-fractie constateren dat er nog een aantal zorgen is over de manier
waarop mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting is meegenomen,
zoals aangedragen door geconsulteerde partijen, met name door de Raad voor de rechtspraak
(hierna: de Rvdr). De Rvdr heeft sterk de indruk dat mediation nu alleen in bepaalde
arrondissementen kan worden doorgezet, namelijk enkel in de arrondissementen waar
de pilots hebben plaatsgevonden. De Rvdr heeft de indruk dat dit nu niet breder kan
worden ingezet. Waarom is er niet voor gekozen deze pilots ook breder in te zetten?
Klopt het dat deze pilots doorgaans een succes waren en is dit dan ook niet een reden
voor een inzet op bredere schaal? Daarnaast zien deze leden dat de Rvdr een oproep
doet om ook de eindezaakverklaringen te kunnen gebruiken in het hoger beroep en dat
dit ook in de schakelbepaling moet worden overgenomen. Is de regering hiertoe bereid?
Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de wettelijke regeling van mediation, zoals opgenomen
in de Innovatiewet, een adequate basis biedt voor de inzet van mediation in strafzaken
in de fase van de berechting. De onderzoekers concluderen dat de meningen van de betrokken
organisaties uiteenlopen over het nut en de noodzaak van deze nieuwe regeling. Binnen
de Rechtspraak is men positief over de uitbreiding met de mogelijkheid een eindezaakverklaring
uit te spreken. Voorafgaand aan de start van de pilot mediation is in overleg met
de ketenpartners gekozen voor een regionale toepassing van de wettelijke mogelijkheden
uit de Innovatiewet. In het Besluit innovatie strafvordering is dit in artikel 3 verwerkt
door de arrondissementen Gelderland, Overijssel en Zeeland-West-Brabant aan te wijzen
voor de toepassing van de mediation-artikelen uit de Innovatiewet. In de pilot werd
de mogelijkheid van mediation beproefd voor een beperkt aantal delicten. De Raad voor
de Rechtspraak heeft aangegeven voorstander te zijn van een meer uitgebreide toepassing
van de mogelijkheden van mediation en van de eindezaakverklaring. In lijn met deze
wens van de Raad voor de rechtspraak zal de regionale beperking in het Besluit innovatie
strafvordering worden geschrapt. De andere ketenpartners hebben hiermee ingestemd.
Na overleg met de ketenpartners over de uitkomsten van de evaluatie is tevens besloten
dat de bepalingen inzake mediation zullen gelden voor alle delicten.
De Raad voor de rechtspraak heeft eveneens de wens uitgesproken om de eindezaakverklaring
te kunnen uitspreken in het hoger beroep. Dit voorstel is besproken met de andere
ketenpartners. Zij hebben hiermee ingestemd en de benodigde ICT-voorzieningen worden
voorbereid om de eindezaakverklaring in hoger beroep te kunnen registreren. Naar aanleiding
hiervan is in het voorstel een nieuw artikel 574a Sv opgenomen. De bepalingen over
mediation uit de Innovatiewet Strafvordering, en dus ook de eindezaakverklaring, kunnen
zo ook worden toegepast in hoger beroep (zie ook paragraaf 6.3 van de memorie van
toelichting).
5. Ontvangen adviezen
5.1 Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging
en als wettig bewijsmiddel
De leden van de SP-fractie zien dat meerdere partijen kritiek hebben op het gebruik
van AVR als zelfstandig bewijsmiddel. Ook zien deze leden dat er wetenschappelijk
bewijs voor wordt aangehaald dat het niet goed functioneert als zelfstandig bewijsmiddel
en dat ook de waarneming van de rechter nodig is voor in de basis een goede afweging.
Waarom wordt ervoor gekozen om artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering te handhaven
met deze kennis? Heeft de regering ook overwogen dit artikel af te schaffen? Zo nee,
waarom niet?
In dit wetsvoorstel is er bewust voor gekozen artikel 567 Sv te handhaven. De reden
daarvoor is dat in het evaluatierapport wordt geconcludeerd dat het wenselijk is om
een opname van beeld, geluid, of beeld en geluid als wettig bewijsmiddel te behouden
(zie De Wilde e.a., Evaluatie Innovatiewet Strafvordering. Pilots Gegevens na beslag,
Audiovisuele registratie en Hulpofficier van Justitie, september 2024, p. 180 e.v.).
De onderzoekers noemen als doorslaggevend argument daarvoor dat het bewijsmiddel «eigen
waarneming van de rechter» (zie artikel 339, eerste lid, onderdeel 1, Sv) betrekking
heeft op waarnemingen van de rechter die tijdens de zitting worden gedaan. Daarbuiten
kan de eigen waarneming van de rechter van een opname van beeld en/of geluid volgens
jurisprudentie uitsluitend worden meegenomen in de beraadslaging en voor het bewijs
worden gebruikt onder de voorwaarden dat de opname tijdens de zitting aan bod is gekomen,
zowel de verdediging als het openbaar ministerie toegang hebben gehad tot deze opname
en tijdens de zitting geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of laten horen
van deze opname. Met het zelfstandig erkennen van audiovisuele en auditieve registraties
als bewijsmiddel – zonder dat deze per se door de rechter op de zitting behoeven te
worden bekeken – wordt rechtgedaan aan het belang dat deze bronnen van informatie
bij de bewijslevering van strafzaken inmiddels hebben gekregen. Vanwege dit belang
wordt het niet langer passend geacht om het zelfstandig voor het bewijs gebruiken
van deze bronnen van informatie via de restcategorie van de eigen waarneming van de
rechter te laten verlopen. Overigens doet de erkenning van AVR als bewijsmiddel niet
af aan de waarborgen zoals die gelden voor het ter sprake brengen van processtukken
op de zitting.
De leden van de SP-fractie willen ten slotte nog aandacht vragen voor de zorgen van
Slachtofferhulp Nederland over AVR. Slachtofferhulp Nederland geeft aan dat in de
artikelen 560 en 562 van het Wetboek van Strafvordering is opgenomen dat opnames gemaakt
kunnen worden tijdens het opsporingsonderzoek en tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
Slachtofferhulp Nederland maakt zich zorgen over de privacy van slachtoffers, mede
omdat de opname aan de processtukken wordt toegevoegd. Kan de regering uitleggen hoe
het zit met de opnames en de vraag of deze mogelijk in de openbaarheid kunnen verschijnen?
Ten aanzien van de geuite zorgen met betrekking tot artikel 560 Sv (op basis waarin
opsporingsambtenaren het opmaken van proces-verbaal onder verantwoordelijkheid van
het openbaar ministerie kunnen uitstellen indien op een opname van beeld, geluid,
of beeld en geluid is vastgelegd wat door hen tot opsporing is verricht of bevonden)
wordt opgemerkt dat indien die opname als processtuk is gevoegd, het huidige artikel
32 Sv (zie ook artikel 1.8.8, tweede lid, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering)
voorziet in de mogelijkheid dat in het belang van (onder meer) de bescherming van
de persoonlijke levenssfeer kan worden bepaald dat aan de verdachte van bepaalde (gedeelten
van) processtukken alleen inzage wordt verleend en geen kopie wordt verstrekt. Het
is dan ook niet waarschijnlijk dat een dergelijke opname in de openbaarheid zal verschijnen.
Artikel 562 Sv regelt dat de rechtbank kan bepalen dat van het onderzoek op de terechtzitting
een opname van geluid of beeld en geluid wordt gemaakt. In het onderhavige wetsvoorstel
wordt echter voorgesteld, in lijn met het advies van de Afdeling advisering van de
Raad van State, dit artikel te schrappen. De reden voor de door Slachtofferhulp Nederland
geuite zorgen over opnames tijdens de zitting – waarbij erop werd gewezen dat de aanwezigheid
van een camera kan leiden tot meer spanning, bijvoorbeeld bij de uitoefening van het
spreekrecht – is daarmee weggenomen.
Slachtofferhulp Nederland acht het van groot belang dat slachtoffers worden geïnformeerd
over het feit dat er opnames worden gemaakt en over hun privacygerelateerde rechten.
Is dit wat de regering betreft voldoende geborgd in deze wetgeving?
De door Slachtofferhulp Nederland gemaakte opmerking over het informeren van slachtoffers
in het kader van opnames en de privacy van slachtoffers lijkt te zien op opnames die
worden gemaakt tijdens de zitting. Zoals hiervoor is opgemerkt, wordt met dit wetsvoorstel
voorgesteld artikel 562 Sv te laten vervallen, waardoor geen audiovisuele opnames
meer van de zitting worden gemaakt en slachtoffers dus ook niet meer over dergelijke
opnames hoeven te worden geïnformeerd.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
A.C.L. Rutte
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid