Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Becker en Rajkowski over het bericht 'Beleid asiel en werk op de schop'
Vragen van de leden Becker en Rajkowski (beiden VVD) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Beleid asiel en werk op de schop» (ingezonden 4 november 2025).
Antwoord van Minister Paul (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de Ministers
van Asiel en Migratie, voor Asiel en Migratie en de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid (ontvangen 15 december 2025).
Vraag 1
Kent u het bericht «Beleid asiel en werk op de schop»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u de Kamer zo snel mogelijk het voorstel toezenden dat aan het artikel ten grondslag
ligt?
Antwoord 2
De voorstellen zijn op 3 november jl. gepubliceerd voor internetconsultatie.2 De internetconsultatie ziet op de wijziging van zowel het Besluit uitvoering Wet
arbeid vreemdelingen 2022 (BuWav 2022) als van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen
2022 (RuWav 2022). De internetconsultatie liep tot en met 30 november 2025. Na het
verwerken van de reacties op de internetconsultatie en de uitvoerings- en handhavingstoetsen
zal het kabinet de voorstellen aan uw Kamer en aan de Eerste Kamer toezenden in het
kader van de voorhangprocedure. Het kabinet verwacht uw Kamer de stukken begin 2026
toe te zenden.
Vraag 3
Kunt u de Kamer de wet-en regelgeving toezenden waarop gebaseerd is dat lidstaten
verplicht zijn asielzoekers volledig toegang te geven tot de arbeidsmarkt, in plaats
van de 24 weken die Nederland tot voor kort hanteerde?
Antwoord 3
In de huidige Opvangrichtlijn3 is opgenomen dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat asielzoekers na uiterlijk negen
maanden toegang moeten hebben tot de arbeidsmarkt. Op 29 november 2023 heeft de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak)
uitspraak gedaan over de 24-weken-eis.4 De Afdeling bestuursrechtspraak is tot het oordeel gekomen dat de 24-weken-eis in
strijd is met de huidige Opvangrichtlijn en dat de 24-weken-eis daarom onverbindend
is. Het UWV past sindsdien niet langer de 24-weken-eis toe bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning
ten behoeve van asielzoekers. In de uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak
aangegeven dat de 24-weken-eis afbreuk doet aan het doel en nuttig effect van de Europese
Opvangrichtlijn. Gelet op deze uitspraak kan de 24-weken-eis niet langer meer worden
toegepast.
De herziene Opvangrichtlijn5 bevat normen voor de opvang en bijbehorende voorzieningen die lidstaten aan asielzoekers
moeten bieden. Het recht van asielzoekers op toegang tot de arbeidsmarkt volgt uit
artikel 17 van deze richtlijn. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat asielzoekers uiterlijk
zes maanden na de registratie van het asielverzoek toegang hebben tot de arbeidsmarkt.
In artikel 17, tweede lid, en de overwegingen van de richtlijn is expliciet opgenomen
dat er sprake moet zijn van daadwerkelijke c.q. effectieve toegang tot de arbeidsmarkt.6 De Raad van State heeft geoordeeld dat de 24-weken-eis niet voldoet aan de norm van
effectieve toegang en dat een dergelijke eis daarom in strijd is met de Opvangrichtlijn.7 Aangezien de herziene Opvangrichtlijn ook voorschrijft dat er sprake moet zijn van
effectieve toegang, zou het stellen van de 24-weken-eis ook in strijd zijn met deze
richtlijn.
Vraag 4
Bent u het ermee eens dat de motie Becker-Flach8 volledig moet worden uitgevoerd, te weten dat alle asielzoekers waarbij het niet
waarschijnlijk is dat hun aanvraag wordt ingewilligd, bijvoorbeeld omdat ze uit een
veilig land komen, maar ook wanneer er gronden zijn aan te nemen dat ze een gevaar
vormen voor de nationale veiligheid of zij Dublin claimant zijn, de toegang tot de
Nederlandse arbeidsmarkt volledig moet worden ontzegd? Zo ja, doet u dat ook met dit
voorstel, of gaat uw voorstel alleen over veilige landers?
Antwoord 4
Ja, dit wordt met de implementatie van de herziene Opvangrichtlijn uitgevoerd, binnen
de kaders van het Migratiepact. Gelet op de gevolgen voor de uitvoering zullen de
nieuwe regels voor werk gelijktijdig in werking treden met het moment waarop het Migratiepact
van toepassing wordt. Daarmee streven wij naar een inwerkingtreding op 12 juni 2026.
In de motie Becker-Flach9 is de regering verzocht te regelen dat voor asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk
is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd, bijvoorbeeld omdat ze uit een veilig land
komen, er gronden zijn om aan te nemen dat ze een gevaar vormen voor de nationale
veiligheid of zij Dublinclaimant zijn, de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt
te ontzeggen.
Met de nieuwe regels uit het Migratiepact worden asielaanvragen van een aantal groepen
asielzoekers versneld behandeld.10 Onder de versnelde behandelingsprocedure vallen groepen asielzoekers voor wie het
niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd. Een aantal categorieën
binnen deze procedure worden uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt. Daarmee
wordt uitvoering gegeven aan de motie-Becker-Flach. Het gaat om groepen asielzoekers
voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd, omdat:
– er kennelijk valse/onwaarschijnlijke verklaringen zijn afgelegd;
– er valse informatie of documenten zijn verstrekt of relevante informatie is achtergehouden;
– er enkel een verzoek is ingediend om terugkeer te verhinderen;
– de verzoeker komt uit een veilig land van herkomst; of
– de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde.
Deze groepen asielzoekers met een asielaanvraag binnen de versnelde behandelingsprocedure
hebben geen toegang tot de arbeidsmarkt. Dit is alleen anders indien de IND besluit
dat de feitelijke of juridische elementen te complex zijn om binnen de versnelde behandelingsprocedure
te onderzoeken. Een ander deel van de asielzoekers met een aanvraag die valt onder
de versnelde behandelingsprocedure moet wel toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Dit
betreft dan bijvoorbeeld de categorie asielzoekers afkomstig uit een land met een
inwilligingspercentage van gemiddeld lager dan 20%.
De uitsluiting van de toegang tot de arbeidsmarkt geldt ook voor Dublinclaimanten
die een overdrachtsbesluit hebben gekregen.
In het wetsvoorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet voor het Asiel- en migratiepact
2026 is ten behoeve hiervan ook een wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen.
Met deze wijziging zijn een nieuwe weigeringsgrond en een intrekkingsgrond opgenomen
voor tewerkstellingsvergunningaanvragen. Hiermee moeten aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning
voor een asielzoeker voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten, zoals
ook opgenomen in de motie, worden geweigerd. Daarnaast moet een reeds verleende tewerkstellingsvergunning
worden ingetrokken indien de asielzoeker onder een categorie komt te vallen voor wie
geen toegang tot de arbeidsmarkt is, maar ten behoeve van wie eerder al een tewerkstellingsvergunning
is verstrekt. De tewerkstellingsvergunning van de werkgever zal in dat geval worden
ingetrokken.
Vraag 5
Bent u alsnog bereid uw voorstel volledig in overeenstemming te brengen met de aangenomen
motie? Zo ja, op welke termijn, zo nee waarom niet?
Antwoord 5
Ja, zie de reactie op vraag 4. De voorgestelde wijzigingen sluiten aan bij het motie,
waarin we de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt ontzeggen voor asielzoekers met
een lagere kans op inwilliging van hun asielverzoek, bijvoorbeeld omdat zij uit een
veilig land van herkomst komen, er gronden zijn om aan te nemen dat ze een gevaar
vormen voor de nationale veiligheid of openbare orde, of omdat er een overdrachtsbesluit
is genomen, omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van
de asielaanvraag.
Vraag 6
Is het juist dat lidstaten conform het Europese migratiepact de ruimte hebben om voor
alle andere asielzoekers de wachttermijn waarna sprake is van toegang tot de arbeidsmarkt,
te houden op zes maanden? Zo ja, waarom kiest u er voor in uw voorstel dit als Nederland
sneller te doen, namelijk al na drie maanden?
Antwoord 6
Op grond van de huidige regels moeten lidstaten ervoor zorgen dat asielzoekers binnen
uiterlijk negen maanden mogen werken. In Nederland mogen asielzoekers op dit moment
werken nadat hun asielaanvraag zes maanden in procedure is.
Op grond van de herziene Opvangrichtlijn moeten lidstaten aan asielzoekers, indien
de toegang niet is uitgesloten, uiterlijk binnen zes maanden nadat de asielaanvraag
is geregistreerd toegang geven tot de arbeidsmarkt. In de overwegingen bij de herziene
Opvangrichtlijn is opgenomen dat lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers eerder
te laten werken als hun asielverzoek waarschijnlijk gegrond is, teneinde de integratievooruitzichten
en de zelfstandigheid van asielzoekers te vergroten. Met deze wijziging kunnen asielzoekers
eerder gedurende de asielprocedure werken, wat onder meer bijdraagt aan het verkrijgen
van meer (financiële) zelfstandigheid, en het leren van de Nederlandse taal. Daarnaast
dragen asielzoekers met een inkomen financieel bij aan de eigen opvang. Verder kan
het ook bijdragen aan een hogere arbeidsparticipatie voor statushouders, als zij al
gedurende het asielproces hebben kunnen werken. Ook in het regeerprogramma is opgenomen
dat het kabinet asielzoekers van wie de kans groot is dat zij een asielvergunning
krijgen wil stimuleren om deel te nemen aan de arbeidsmarkt en belemmeringen daartoe
wil wegnemen.
Het kabinet heeft om deze redenen gekozen in het voorstel op te nemen een wachttermijn
van drie maanden te hanteren. Dit geldt dan voor asielzoekers voor wie de toegang
tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten. Een aantal categorieën asielzoekers voor
wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd mogen namelijk
onder deze nieuwe regels niet meer werken. Dit gaat dan onder andere om asielzoekers
afkomstig uit veilige landen van herkomst. Dit voorstel is voorgelegd aan onder andere
de Nederlandse Arbeidsinspectie, het UWV, de ATR en uitgezet voor internetconsultatie.
Alle ingekomen reacties en adviezen zullen door het kabinet worden bestudeerd. Op
basis hiervan beziet het kabinet of aanpassing van de voorgestelde wijzigingen nodig
is. Het voorstel zal daarna aan uw Kamer worden toegestuurd.
Bij een nog kortere periode zou de uitvoerbaarheid onder druk komen te staan. Een
termijn van drie maanden sluit daarnaast goed aan op de duur van de versnelde behandelingsprocedure.
Onder de versnelde behandelingsprocedure vallen groepen asielzoekers voor wie het
niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd. Een aantal categorieën
binnen deze procedure zijn uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt (zie de
reactie op vraag 4). Een ander deel moet wel toegang krijgen tot de arbeidsmarkt.
Dit betreft dan bijvoorbeeld de categorie asielzoekers afkomstig uit een land met
een inwilligingspercentage van gemiddeld lager dan 20%. De beslistermijn voor een
beslissing op het asielverzoek binnen deze procedure betreft ten hoogste drie maanden.
Bij een wachttermijn van drie maanden hebben asielzoekers die onder deze categorie
vallen en die binnen drie maanden een beslissing krijgen op hun asielverzoek geen
toegang tot de arbeidsmarkt.
Vraag 7
Kunt u een overzicht verstrekken van de termijnen die alle andere lidstaten gaan hanteren
in nationale wetgeving?
Antwoord 7
Op dit moment hanteren verschillende lidstaten een kortere wachttermijn dan zes maanden.
Zweden kent geen wachttermijn. Cyprus hanteert een wachttermijn van één maand en Italië
twee maanden. Bulgarije, Duitsland, Letland, Oostenrijk, Kroatië en Finland (met reisdocument)
hanteren momenteel een wachttermijn van drie maanden. In België geldt dat asielzoekers
vier maanden na het indienen van een asielaanvraag toegang krijgen tot de arbeidsmarkt.
In Duitsland is het moment waarop een asielzoeker toegang tot de arbeidsmarkt krijgt
afhankelijk van of er wel of geen verplichting tot verblijf in het eerste opvangcentrum
voor de asielzoeker in kwestie bestaat. De meeste asielzoekers mogen daar na drie
maanden werken. In Frankrijk kunnen werkgevers een werkvergunning aanvragen ten behoeve
van asielzoekers indien na zes maanden nog geen beslissing over de asielaanvraag is
genomen.
Aangezien in meerdere lidstaten het nationale besluitvormingsproces nog niet is afgerond
is het op dit moment niet mogelijk het volledige overzicht in kaart te brengen van
de verschillende wachttermijnen die lidstaten willen hanteren. Via het Europees Migratie
Netwerk (EMN) is uitgevraagd welke wachttermijn lidstaten voornemens zijn te hanteren
na implementatie van de herziene Opvangrichtlijn. Op deze uitvraag hebben 12 lidstaten
gereageerd. Deze lidstaten zijn van plan de volgende wachttermijnen te hanteren: Griekenland:
geen wachttermijn; Kroatië, Letland en Oostenrijk: 3 maanden; België en Luxemburg:
4 maanden; Litouwen, Tsjechië en Zweden: 6 maanden. Bulgarije, Hongarije en Spanje:
nog geen besluit genomen.
Vraag 8
Bent u het ermee eens dat voorkomen moet worden dat door een beperking van de wachttermijn
in Nederland, wij aantrekkelijker worden dan de ons omringende landen om asiel aan
te vragen, omdat men in Nederland sneller de arbeidsmarkt op zou mogen, ook al heeft
men nog geen status?
Antwoord 8
Het kabinet is het er mee eens dat voorkomen moet worden dat het aantrekkelijker wordt
om asiel aan te vragen in Nederland dan in de ons omringende landen. Het is echter
mede gelet op het feit dat categorieën asielzoekers binnen de versnelde procedure
geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt gedurende de procedure, niet aannemelijk dat
het verlagen van de wachttermijn naar drie maanden Nederland aantrekkelijker maakt
dan ons omringende landen. Op dit moment gelden in verschillende omringende lidstaten
reeds lagere wachttermijnen dan in Nederland (zie het antwoord op vraag 7).
Vraag 9
Bent u bereid om de wachttermijn voor Nederland op zes maanden te houden, zolang de
instroomcijfers in Nederland nog niet onder controle zijn, om ieder risico van aanzuigende
werking te voorkomen?
Antwoord 9
Vanwege de voordelen van een vroege deelname van asielzoekers en statushouders aan
de arbeidsmarkt, en het feit dat bepaalde groepen asielzoekers in het geheel zullen
worden uitgesloten van toegang tot de arbeidsmarkt, heeft het kabinet voorgesteld
om de wachttermijn te verkorten bij de implementatie van de herziene Opvangrichtlijn.
De reacties uit de internetconsulatie zullen we bestuderen en op basis daarvan zullen
we bezien of een aanpassing van de voorgestelde wijzigingen nodig is. Tegelijkertijd
blijft het kabinet zich onverminderd inspannen voor het terugdringen van de instroomcijfers,
in lijn met het Asiel- en Migratiepact.
Vraag 10
Bent u bereid om een extra inspanning te plegen om het grote aantal statushouders
in AZC’s dat volledig de arbeidsmarkt op mag, maar nog veel te vaak niet werkt, meer
te stimuleren aan de slag te gaan?
Antwoord 10
Het kabinet vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk statushouders, ook als zij nog
in een azc verblijven, aan het werk gaan. Door asielzoekers te stimuleren al aan het
werk te gaan gedurende de asielprocedure kan dit een positieve invloed hebben op de
arbeidsparticipatie wanneer zij een asielvergunning hebben gekregen. Daarnaast leveren
zowel asielzoekers als statushouders die een inkomen hebben en in een opvanglocatie
van het COA verblijven een financiële bijdrage aan de kosten voor de opvang.
Er wordt onderzocht of en op welke manier de begeleiding naar werk van asielzoekers
voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten kan bijdragen aan het
vergroten van het aandeel statushouders dat aan het werk gaat. Het opzetten van de
ondersteuning naar werk heeft echter financiële en juridische consequenties. Ook is
het belangrijk te bepalen wat voor soort ondersteuning de meeste meerwaarde heeft.
Wat mij betreft gaat het daarbij niet alleen om het vergroten van de arbeidsdeelname
van asielzoekers maar ook om het vergroten van de kans op duurzaam werk als ze een
verblijfsvergunning krijgen en in Nederland mogen blijven. De Staatssecretaris van
Participatie en Integratie (SP&I) heeft daarom extra budget beschikbaar gesteld om
een aantal pilots te ondersteunen en op basis van deze ervaringen (en andere ervaringen,
pilots en onderzoeken) uit te werken hoe de ondersteuning naar werk voor een snelle
start op de arbeidsmarkt van asielzoekers eruit moet zien. Werk is de basis van inkomen.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten op de acties en maatregelen opgenomen in
de Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving die door SP&I naar de Tweede
Kamer is verzonden. Eén van de pijlers opgenomen in de Actieagenda betreft «Nieuwkomers
aan het werk». Hierin zijn acties en maatregelen opgenomen die erop zijn gericht om
de arbeidsparticipatie van statushouders te verhogen, zoals de Startbanen en een subsidieregeling
om werkgevers te ondersteunen om statushouders duurzaam in dienst te nemen.
Vraag 11
Bent u bereid om het leren van Nederlands, het doen van vrijwilligerswerk en het orienteren
via de meedoenbalies op COA locaties beter te stroomlijnen zodat asielzoekers die
nog wachten voor zij volledig de arbeidsmarkt op mogen, hun tijd nuttig kunnen besteden?
Antwoord 11
Het kabinet onderschrijft het belang van meedoen vanaf dag één en tijdig starten met
het leren van de taal. De Wet inburgering 2021, waar SP&I verantwoordelijk voor is,
richt zich op asielstatushouders. Vanuit inburgeringsperspectief is het wel van belang
dat asielzoekers zo vroeg mogelijk starten met het leren van de taal en meedoen in
de Nederlandse maatschappij. Daarom biedt SP&I een deel van de asielzoekers met een
hogere kans op inwilliging van hun asielverzoek de mogelijkheid om de taal te leren
via de subsidie Vroege Integratie en Participatie (VrIP). Vanuit de subsidie VrIP
worden ook de Meedoenbalies op 38 COA locaties gefinancierd. Het taalaanbod voor asielzoekers
behoort niet tot de verantwoordelijkheid van SP&I. De Minister van Asiel & Migratie
beziet op dit moment in hoeverre artikel 18 van de Herziene Opvangrichtlijn een grond
vormt om het huidige taalaanbod voor asielzoekers uit te breiden. Hierover wordt uw
Kamer op een later moment geïnformeerd.
Vraag 12
Bent u bereid te monitoren of sprake is van rechtszaken bij afwijzing van een asielverzoek
waarbij asielzoekers zich beroepen op hun opgedane arbeidsverleden van meer dan 24
weken per jaar in Nederland om een band aan te tonen en dus uitzetting niet aan de
orde zou mogen zijn?
Antwoord 12
Specifieke beroepsgronden, waaronder met Nederland opgebouwde banden, worden niet
afzonderlijk in de systemen van de IND of de rechtbank neergelegd. Hierdoor kunnen
deze zaken niet gemonitord worden. Dit zijn ook geen omstandigheden waarmee, op grond
van artikel 5 Terugkeerrichtlijn, bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening
gehouden moet worden. Daarbij heeft de Uniewetgever nadrukkelijk bepaald dat het verrichten
van werk (en de daarmee gepaarde gaande gelijke behandeling) geen verblijfsrecht met
zich brengt.11
Vraag 13
Bent u bereid deze vragen één voor één en binnen een maand te beantwoorden?
Antwoord 13
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede namens
D.M. van Weel, minister van Asiel en Migratie -
Mede namens
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede namens
M.C.G. Keijzer, minister voor Asiel en Migratie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.