Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 850 VIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)
Nr. 4
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 18 december 2025
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 8 december 2025 voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap. Bij brief van 12 december 2025 zijn ze door de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Bosnjakovic
Vragen en antwoorden
1
Wat is de economische impact van minder internationale studenten, uitgedrukt in bbp1-verlies?
Onderzoek van het CPB uit 2019 wijst uit dat internationale studenten de Nederlandse staatskas extra middelen
opleveren wanneer zij na afronding van hun studie besluiten in Nederland werkzaam
te worden. Minder internationale studenten hoeft niet direct schade aan de Nederlandse
economie toe te brengen, zolang het percentage van deze studenten dat blijft groter
wordt. Het zijn immers de studenten die blijven die bijdragen aan de Nederlandse economie.
Recente onderzoeken tonen aan dat de blijfkans stijgt, met name in sectoren als techniek
en ICT. Uit onderzoek van Nuffic blijkt dat de kennis van de Nederlandse taal een grote rol speelt bij het verhogen
van deze blijfkans. Tegelijkertijd zijn er ook ontwikkelingen die leiden tot hogere
kosten voor de overheid dan die zijn aangenomen in het CPB-onderzoek. Zo betekent
de herinvoering van de basisbeurs dat ook EER-studenten daarvan gebruik kunnen maken;
door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep komen studenten die in Nederland
werken ook eerder in aanmerking voor studiefinancieringsrechten dan eerder het geval
was.
Om deze redenen is het niet goed mogelijk om een directe berekening te maken van het
effect van minder internationale studenten op het bbp. Daarbij is het van belang op
te merken dat het CPB-onderzoek zich richtte op het effect op de overheidsfinanciën;
zaken als de druk op onderwijsfaciliteiten en maatschappelijke voorzieningen (waaronder
studentenwoningen) en het belang van het behoud van Nederlands als onderwijstaal zijn
niet meegenomen maar wel belangrijk in de brede afweging van kosten en baten voor
de Nederlandse maatschappij. Het CPB gaat in 2026 de studie naar de economische effecten
herhalen en neemt daarin ook deze bredere maatschappelijke effecten mee waar mogelijk.
2
Wat zijn de effecten van de afname van internationaal hoogopgeleid personeel op het
Nederlandse vestigingsklimaat?
Verschillende studies (bijvoorbeeld Peri et al. (2015), Beerli et al. (2021) en Bosetti
et al. (2015)) tonen aan dat kennismigranten een positieve bijdrage leveren aan productiviteitsgroei,
innovatiekracht en concurrentievermogen. Een afname van het aanbod van internationaal
hoogopgeleid personeel kan dus een negatief effect hebben op het ondernemings- en
vestigingsklimaat. Het is niet mogelijk om het precieze effect van een afname van
internationaal hoogopgeleid personeel te voorspellen. Dit hangt af van verschillende
factoren, zoals de omvang van de daling, en de specifieke sectoren waarin deze zich
voordoet.
Voor het versterken van het Nederlandse innovatie- en concurrentievermogen en voor
een aantrekkelijk ondernemings- en vestigingsklimaat is hoogwaardige kennismigratie
een belangrijke randvoorwaarde. Dit geldt met name, maar niet uitsluitend, voor hoogtechnologische
sectoren en bedrijven, waarvoor het aantrekken en behouden van (internationaal) hoogopgeleid
personeel vanuit economisch perspectief belangrijk is. Dit wordt versterkt vanwege
de structureel krappe arbeidsmarkt. Technisch personeel blijft het moeilijkst te vinden,
omdat de vraag stijgt door de energietransitie, digitalisering, vergrijzing en de
toenemende vervangingsvraag.
3
Hoe ontwikkelt zich het Nederlandse innovatielandschap, afgezet tegen België, Duitsland,
Frankrijk en Denemarken, waarbij de investeringen van ASML buiten beschouwing worden
gelaten?
Nederland staat nog altijd goed aangeschreven op het gebied van innovatie, zoals te
zien in de factsheets «Het innovatievermogen van Nederland», «Het aandeel innovatieve bedrijven» en «Innovatieve prestaties Nederland, de provincies en de EU-27» uitgebracht door onderzoeksinstituut Rathenau. Daar worden diverse indicatoren voor
innovatie gehanteerd, zoals het aantal innovatieve bedrijven, de beschikbaarheid van
talent en intellectuele eigendomsrechten. De R&D-uitgaven ten opzichte van ons bruto
binnenlands product zijn lager dan het gemiddelde van OESO-landen en Nederland is
gedaald op de World Competitiveness Ranking van plek 4 naar 10. Nederland scoort hoger dan België, Duitsland en Frankrijk, maar
lager dan Denemarken. Zie ook de Kamerbrief «Investeren in een weerbare en toekomstbestendige
economie: het 3%-R&D-actieplan» van de ambtsgenoot van Economische Zaken (EZ) voor
een analyse van onze R&D-uitgaven en prognose voor de komende jaren. Het 3%-actieplan
bevat ook een vergelijking met andere landen op basis van R&D-uitgaven en de investeringen
van ASML worden daarbij apart benoemd. In de cijfers van het Centraal Bureau voor
de Statistiek over private R&D-uitgaven kan ASML niet worden uitgesloten. De lijst
van Top 50 R&D-bedrijven geeft de meest recente indicatie van de omvang van ASML in Nederlandse R&D-cijfers.
Meer gedetailleerde vergelijkingen met de landen benoemd in deze vraag, bijvoorbeeld
uitgesplitst naar publieke en private investeringen, zijn te vinden onder R&D expenditure in de Eurostat database.
4
Hoe ontwikkelen zich de investeringen in het bevorderen van sociale veiligheid in
het hoger onderwijs en de wetenschap?
OCW investeert in het bevorderen van sociale veiligheid in het hoger onderwijs en
de wetenschap middels 1) een landelijk subsidieprogramma en 2) middelen voor uitvoering
van afspraken met universiteiten en hogescholen over sociale veiligheid uit het Bestuursakkoord
2022.
1. Voor het landelijk subsidieprogramma sociale veiligheid waarmee universiteiten, hogescholen
en studentenorganisaties gestimuleerd worden om samen te werken bij het vergroten
van sociale veiligheid is jaarlijks (2025 tot 2027) € 4,5 miljoen beschikbaar gesteld.
De eerste toekenningen vinden binnenkort plaats.
Dat komt bovenop de € 4 miljoen die van 2022 tot en met 2031 jaarlijks is gereserveerd
voor uitvoering van afspraken over sociale veiligheid uit het Bestuursakkoord 2022
door hogescholen en universiteiten. Wat instellingen, verantwoordelijk voor een sociaal
veilige leer- en werkomgeving, zelf vanuit de reguliere bekostiging investeren in
de bevordering van sociale veiligheid wordt niet centraal bijgehouden.
5
Kunt u een overzicht bieden van de gevolgen van de onderwijsbezuinigingen bij de afzonderlijke
onderwijsinstellingen voor wat betreft het beëindigen van aanstellingen, het stoppen
van onderzoekstrajecten en het opheffen van opleidingen?
Het Ministerie van OCW houdt een dergelijk overzicht niet bij aangezien de instellingen
bestedingsvrijheid hebben en binnen de financiële kaders zelf keuzes maken ten aanzien
van de inrichting van het onderwijs en onderzoek. Het afgelopen jaar hebben verschillende
instellingen op verschillende momenten bezuinigingsmaatregelen aangekondigd. Uit gesprekken
met de instellingen blijkt dat meerdere factoren een rol spelen bij dergelijke besluiten.
Instellingen bepalen zelf hoe zij bezuinigingen invullen. De effecten van de bezuinigingen
op het onderwijs en onderzoek verschillen daarom naar verwachting ook per instelling.
6
Hoe ontwikkelt zich de financiële situatie van studenten? Kunt u voorzien in een EU-vergelijking
naar het aantal studenten met een al dan niet voltijdsbaan naast de studie? Hoe vertaalt
de verhouding studie – werk zich in de effecten op de mentale gezondheid van studenten?
Het Nibud heeft op Prinsjesdag koopkrachtplaatjes gepubliceerd. Sinds vorig jaar doet Nibud dit ook weer voor uitwonende studenten. Voor 2026 verwacht
het Nibud een stijging in de koopkracht van uitwonende studenten ten opzichte van
2025. Voor de meeste studentenhuishoudens met 1% of meer, maar voor studenten in een
studio met huurtoeslag zelfs met 18,8%. In 2026 zal Nibud ook weer een Studentenonderzoek
uitvoeren, waarin de financiële situatie van studenten wordt onderzocht.
Uit Europees vergelijkend onderzoek onder studenten komt naar voren dat Nederlandse studenten het vaakst werk hebben
naast hun studie (77%), maar zowel wat betreft aantal gewerkte uren als inkomsten
uit werk gemiddeld laag uitkomen.
Verder is er geen eenduidig beeld over het effect van welzijn op studenten in relatie
tot werk. Uit het rapport van de Monitor mentale gezondheid en middelengebruik van
20252 komt naar voren dat het hebben van een bijbaan van 16 uur per week of meer correleert
met een beter welzijn. Het is echter niet duidelijk wat oorzaak en gevolg is, namelijk
of deze correlatie voorkomt uit het feit dat studenten met een beter welzijn meer
werken, of dat het hebben van een (bij)baan leidt tot een beter welzijn. Tegelijkertijd
kunnen financiële zorgen en (verwachte) hoge schulden stress opleveren en mogelijk
leiden tot een verslechterd welzijn.
7
Wat is de huidige stand van zaken van de verkenning van de herziening van de bekostigingssystematiek
en de varianten voor het hoger onderwijs? Kunt u alle onderzochte varianten met de
Kamer delen voordat begin 2026 de voorkeursopties worden voorgelegd?
In de beleidsbrief vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap is aangegeven dat het
streven is om de voorkeursopties die uit de verkenning herziening bekostigingssystematiek
hoger onderwijs komen in 2026 te presenteren. Dat is nog steeds de planning. Omdat
de verkenning nog loopt kan er begin 2026 nog geen voorkeursoptie worden voorgelegd.
In de Kamerbrief waarmee het kabinet haar voorkeursoptie deelt, en die uiterlijk in
het vierde kwartaal van 2026 aan de Kamer wordt gestuurd, zullen ook de andere onderzochte
varianten worden weergegeven.
8
Hoeveel in Nederland verblijvende Oekraïense studenten gaan naar verwachting per 1 september
2027 het wettelijk collegegeld betalen? Hoeveel van deze groep studeert nu al en betaalt
momenteel het instellingstarief? Welk budget is nodig om onderwijsinstellingen bekostiging
te bieden om Oekraïense studenten al vanaf het huidige collegejaar 2025 – 2026 onder
het wettelijk collegetarief te laten vallen?
Zoals aangegeven in de verzamelbrief opvang Oekraïne van 28 november jl. (Kamerstukken II 2025/2026, 19637 nr. 3451) overweegt het kabinet om per 1 september 2027 wettelijk collegegeld mogelijk te
maken voor Oekraïense ontheemden. De komende maanden gaat het kabinet verkennen of
dit voornemen (financieel) haalbaar en (tijdig) uitvoerbaar is. Deze informatie betrekt
het kabinet bij de hoofdbesluitvorming in het voorjaar. De introductie van het wettelijk
collegegeld voor ontheemden vergt een algemene maatregel van bestuur (AMvB), waardoor
het niet haalbaar en uitvoerbaar is om het eerder dan 1 september 2027 te introduceren.
Op dit moment studeren er 714 Oekraïense ontheemden in het Nederlandse hbo- en wo-onderwijs.
Hoeveel studenten daarvan het instellingstarief betaalt, is onbekend. Van stichting
UAF begrijp ik dat in ieder geval 218 ontheemden, mede dankzij bemiddeling van stichting
UAF, een verlaagd instellingstarief betalen ter hoogte van het wettelijke collegegeld.
Ik heb veel waardering voor de instellingen die bereid zijn om het instellingstarief
te verlagen voor deze doelgroep en tegelijkertijd begrip dat deze instellingen discreet
zijn over het aanbod dat zij doen.
We weten niet hoeveel Oekraïense ontheemden op 1 september 2027 toelaatbaar zijn voor
een hbo- of wo-studie, en hoeveel daarvan ook zouden willen studeren. Daarnaast kan
de eventuele introductie van het wettelijk collegegeld per 1 september 2027 zelf ook
effect hebben op het aantal ontheemden dat wil studeren in het Nederlandse hbo- en
wo-onderwijs. Het is daarom niet mogelijk om te voorspellen om hoeveel ontheemden
dit zal gaan.
9
Kunt u aangeven wat de kosten zouden zijn van het instellen van het rentepercentage
op 0% en een renteplafond van 2.5%?
Wanneer de rente op studieleningen voor alle studenten op 0% wordt gezet bedragen
de structurele kosten € 660 miljoen per jaar.
Wanneer een renteplafond van 2,5% wordt ingevoerd bedragen de structurele kosten bij
de huidige aannames over de langetermijnrente € 40 miljoen per jaar.
Bij deze berekeningen zijn de volgende aannames gemaakt:
– In beide berekeningen wordt gerekend met een langetermijnrente van 2,7%. Dit percentage
komt uit de meest recente CPB-raming. De daadwerkelijke rente zal fluctueren. Hierdoor
vormen deze maatregelen een financieel risico voor de overheidsfinanciën. De rentekosten
die de overheid betaalt en de rente die bij de studenten in rekening wordt gebracht
kunnen over tijd uit de pas gaan lopen. In tijden van hoge rentes, kan dit extra kosten
met zich meebrengen voor de overheidsfinanciën bovenop de nu geraamde bedragen
– Daarnaast is de verwachting dat bij een rente van 0% zeer waarschijnlijk meer geleend
zal worden, mede omdat het aantrekkelijk wordt om geld te lenen en het te sparen en/of
investeren. Om die reden is in die berekening ook rekening gehouden dat door deze
maatregel 20% meer geleend zal worden. De keuze voor dit percentage is gebaseerd op
de CPB publicatie Gedragseffecten belastingmaatregelen.
10
Kunt u aangeven hoeveel instellingen in het hbo3 en wo4 een vast, centraal punt van informatie hebben rondom welzijn en sociale veiligheid
voor studenten?
Informatie over welzijn en sociale veiligheid is op elke onderwijsinstelling anders
georganiseerd. Algemene informatie is veelal op één centraal punt (de website) te
vinden, maar vaak is er per faculteit aparte informatie over bijvoorbeeld vertrouwenspersonen,
studieadviseurs of andere onderwijsondersteuning. We hebben geen zicht op hoe dat
voor iedere individuele onderwijsinstelling is georganiseerd.
11
Kunt u aangeven wat voor afspraken u nog voornemens bent te besluiten rondom studentenwelzijn?
De afgelopen jaren is er veel ingezet om het studentenwelzijn te verbeteren. In 2022
is samen met de hbo- en wo-instellingen en studentenorganisaties het Kader Studentenwelzijn
opgesteld. Voor de implementatie daarvan ontvangen de hogescholen en universiteiten
€ 15 miljoen per jaar. Op dit moment vindt een tussenevaluatie van het kader plaats.
We verwachten de resultaten daarvan voor de zomer met uw Kamer te kunnen delen. In
2030 volgt een eindevaluatie.
Ook in het mbo zijn afspraken gemaakt over studentenwelzijn met de Werkagenda mbo.
De Werkagenda loopt tot en met 2027.
Daarnaast subsidieert OCW het programma STIJN, dat onderwijsinstellingen in het hele
vervolgonderwijs ondersteunt bij het integraal werken aan studentenwelzijn. Dit programma
loopt tot halverwege 2028.
12
Kunt u uiteenzetten welke onderwijsinstellingen in het hoger onderwijs al dan niet
een stilte-/gebedsruimte hebben gefaciliteerd?
Nee, deze informatie heeft het Ministerie van OCW niet.
Onderwijsinstellingen maken een eigen afweging om al dan niet een stilteruimte in
te richten op basis van hun eigen denominatie, pedagogisch didactische visie en de
behoeften van leerlingen, studenten en medewerkers. Daarbij speelt de beschikbaarheid
van fysieke ruimtes en de zelfstandige keuze van een onderwijsinstelling altijd een
rol.
Uit gesprekken met studenten, hogescholen en universiteiten weten we dat verschillende
instellingen een stilteruimte hebben ingericht.
13
Kunt u aangeven welke initiatieven rondom diversiteit en inclusie op onderwijsinstellingen
in het hbo en wo worden gekort wegens de bezuinigingen op het onderwijs?
Het Ministerie van OCW heeft geen zicht op welke initiatieven al dan niet worden gekort
door onderwijsinstellingen. Instellingen hebben bestedingsvrijheid en gaan zelf over
de keuzes die ze binnen de budgettaire kaders maken en over hun diversiteits- en inclusiebeleid.
14
Kunt u een inventarisatie geven welke onderwijsinstellingen in het hbo en wo collegegeldvrij
besturen aanbieden?
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek biedt diverse mogelijkheden
voor studenten om te kiezen voor een bestuursjaar, waaronder de mogelijkheid voor
instellingen om collegegeld vrij besturen aan te bieden. Zie ook het antwoord op vraag
22. Meerdere instellingen bieden deze mogelijkheid aan en vermelden deze mogelijkheid
op hun website. Het Ministerie van OCW heeft geen overzicht waaruit blijkt welke hbo-
of wo-instelling de mogelijkheid van collegegeldvrij besturen aanbiedt en welke niet.
15
Kunt u aangeven welke onderwijsinstellingen in het hbo en wo centrale richtlijnen
hebben rondom het gebruik van AI?
Via het NGF-programma Npuls is het Referentiekader 2.0 opgesteld en door alle sectoren
(mbo, hbo en wo) ondertekend. Dit kader dient als handreiking met duidelijke richtlijnen
voor de verantwoorde toepassing van AI in het vervolgonderwijs. OCW is in gesprek
met Npuls om ervoor te zorgen dat instellingen de mogelijkheden van AI verantwoord
kunnen benutten. Het Ministerie van OCW heeft geen overzicht van welke hogescholen
en universiteiten specifiek centrale richtlijnen rondom het gebruik van AI hebben.
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen van deze richtlijnen binnen
de bestaande kaders van wet- en regelgeving.
16
Kunt u aangeven welke Green offices of andere centrale punten met kennis over duurzaamheid
en beleid binnen instellingen in het hbo en wo worden gestopt wegens de onderwijsbezuinigingen?
Het Ministerie van OCW houdt geen overzicht bij over welke Green offices of andere
centrale punten met kennis over duurzaamheid worden gestopt aangezien instellingen
bestedingsvrijheid hebben en binnen de financiële kaders zelf keuzes maken.
17
Kunt u aangeven welke kosten u verwacht die er ontstaan als het bsa5 wordt afgeschaft?
Het beleid omtrent het bsa verschilt per instelling. Zo zijn er instellingen die geen
bsa hanteren en verschillen instellingen die wel een bsa hanteren in de hoogte van
de norm. Daarnaast verschillen de effecten die het bsa heeft per student. Voor sommige
studenten kan een bsa-norm motiverend werken, terwijl dit voor andere studenten bij
kan dragen aan prestatiedruk en kan leiden tot uitval of switch. Het is daarom niet
eenduidig vast te stellen welke effecten het bsa heeft op het studierendement. Ook
het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (hierna: NRO) concludeert dat het op basis van bestaand onderzoek lastig is vast te stellen welke effecten
het bsa heeft. Het is daarom niet bekend welke effecten een afschaffing van het bsa
zouden hebben op studenten en instellingen, zoals op het studietempo, studiebegeleiding
of prestatiedruk en daarmee is niet aan te geven of afschaffing van het bsa gepaard
zou gaan met extra kosten.
18
Kunt u aangeven welke groepen vaker een negatief bsa krijgen?
Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (hierna: NRO) heeft kennis uit verschillende
onderzoeken rond het bsa samengevat. Hieruit blijkt dat mannelijke studenten vaker een negatief bsa ontvangen. Daarnaast
zijn er indicaties dat studenten met een niet-westerse migratieachtergrond en studenten
met een lage sociaaleconomische status vaker een negatief bsa ontvangen. Voor een
volledig overzicht verwijs ik u naar de themapagina van het NRO.
19
Kunt u aangeven hoeveel het zou kosten om zogenoemde contextualized admissions in
te voeren op de onderwijsinstellingen? Kunt u daarbij aangeven welke wetswijzigingen
zouden moeten worden doorgevoerd voor deze manier van selectie, waarbij de context
van resultaten van kandidaten wordt meegenomen?
Een eventuele invoering van contextualised admissions in Nederland vergt een zorgvuldige
afweging. Daarbij moet worden beoordeeld of het in bepaalde situaties rechtvaardig
is om de context waarin resultaten zijn behaald of achtergrondkenmerken van aspirant-studenten
mee te wegen in selectie. Op dit moment is dat niet toegestaan. Mijn ambtsvoorgangers
hebben eerder de (on)mogelijkheden van contextualised admissions in de Nederlandse
context beschreven (Kamerstukken II 2024/25, 31 288, nr. 1188, Kamerstukken II, 2023/24, 31 288, nr. 11032).
In Nederland kennen we een systeem van decentrale selectie. Dat betekent dat bachelor-
en masteropleidingen zelf hun selectieprocedure vormgeven. Bacheloropleidingen selecteren
aspirant-studenten op basis van ten minste twee kwalitatieve criteria, loting of een
combinatie van loting en selectie (artikel 7.53 WHW). Masteropleidingen hebben de
mogelijkheid om kwalitatieve toelatingseisen te stellen (artikel 7.30b WHW). Kwalitatieve
criteria moeten iets zeggen over de kwaliteiten van een aspirant-student: zoals cognitieve
vaardigheden, vakkennis, motivatie, visie en verwachting van de opleiding (Kamerstukken
II, 2023/24, 31 288, nr. 11032). De context waarbinnen resultaten zijn behaald of achtergrondkenmerken van aspirant-studenten
zijn geen kwalitatieve criteria. Om contextualised admissions mogelijk te maken zullen
in elk geval de genoemde artikelen 7.53 en 7.30b WHW moeten worden aangepast. Daarnaast
kent de WHW nog enkele bijzondere bepalingen over selectie voor opleidingen met aanvullende
eisen, zoals kunstopleidingen (artikel 7.26 WHW) en opleidingen met een bijzonder
kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs (artikel 6.7 WHW). Ook wijziging van deze
artikelen moet worden bezien.
Het is niet mogelijk om een inschatting te maken van de kosten om contextualised admissions
in te voeren op de onderwijsinstellingen. De precieze kosten zijn van te veel factoren
afhankelijk. Instellingen gaan zelf over de vormgeving van hun eigen selectieprocedures
en over de eventuele inzet van contextualised admissions. De kosten op instellingsniveau
zijn altijd afhankelijk van deze vormgeving (bijvoorbeeld of een opleiding selecteert
via ongewogen loting). Het is daarom op dit moment niet mogelijk om met de onderwijskoepels
en uitvoeringsorganisaties zoals DUO en Studielink een inschatting te maken van de
uitvoeringsconsequenties van contextualised admissions op landelijk – en instellingsniveau.
Voorts zijn de kosten altijd afhankelijk van beleidskeuzes qua inrichting, reikwijdte
en wijze van toezicht.
20
Kunt u aangeven hoe de stagevergoeding kan worden verplicht, als dit niet via de wet
is?
Zoals toegezegd informeer ik uw Kamer rond de jaarwisseling over de verkenning naar
de mogelijkheden voor wettelijke verplichte stagevergoedingen. Voor de zomer 2026
ontvangt uw Kamer de contouren van een wetsvoorstel voor verplichte stagevergoedingen.
Bij de keuze voor een wetsvoorstel maak ik zoals gebruikelijk ook de afweging of wetgeving
het passende beleidsinstrument is om stagevergoedingen voor iedere student te regelen.
21
Heeft u al overwogen wat het vervolg zal zijn omtrent de discussie over publiek/privaat
voor studentfaciliteiten op de onderwijsinstellingen in het hbo en wo?
In het commissiedebat van 14 mei 2025 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om te inventariseren
wat de gevolgen zijn van de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten voor sportfaciliteiten voor studenten en de Kamer na de zomer hierover te informeren.
De inventarisatie is verbreed naar studentvoorzieningen en loopt momenteel nog. De
Minister van OCW zal uw Kamer in 2026 informeren over de uitkomsten.
22
Kunt u aangeven of u maatregelen gaat treffen tegen het teruglopen van het animo onder
studenten om een bestuursjaar te ondernemen?
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek biedt voldoende mogelijkheden
voor studenten om te kiezen voor een bestuursjaar. Zo kan een bestuursbeurs worden
aangevraagd voor bestuurders van politieke jongerenorganisaties en van landelijke
organisaties die activiteiten ontplooien voor het hoger onderwijs of het beroepsonderwijs.
Daarnaast moeten instellingen een studentenondersteuningsfonds inrichten, voor financiële
ondersteuning van studenten die, bijvoorbeeld vanwege een bestuursjaar, studievertraging
oplopen. Instellingen hebben ook de mogelijkheid om collegeldvrij besturen aan te
bieden. Het is aan de instellingen om, samen met de studentenorganisaties, de bestaande
mogelijkheden voldoende onder de aandacht te brengen.
23
Kunt u aangeven wat de kosten zouden zijn van het doorvoeren van een zogenoemde zachte
knip, waar studenten aan een masteropleiding kunnen beginnen zonder alle punten van
de bachelor te hebben gehaald?
In 2002 is in Nederland de bachelor/masterstructuur in het hoger onderwijs ingevoerd.
Hiermee werd gevolg gegeven aan afspraken in het Bolognaproces om tot onderling (tussen
de landen die de Bolognaverklaring hebben getekend) vergelijkbare graden in het hoger
onderwijs te komen. Doel van de invoering van de bachelor-masterstructuur in Nederland
was onder andere om een bewuste studiekeuze onder studenten voor een master te stimuleren
en de mobiliteit in het hoger onderwijs te vergroten, mede door een gedifferentieerd
en flexibel masteraanbod. In de eerste jaren na invoering was het soms mogelijk voor
studenten om aan de master te beginnen terwijl de bachelor nog niet was afgerond.
Dit was echter niet in lijn met het idee van de bachelor en master als op zichzelf
staande, afgeronde opleidingen, met gelijke toegang voor studenten van verschillende
opleidingen en instellingen.
Per studiejaar 2012/2013 is de harde knip ingevoerd. Dit houdt in dat studenten eerst
hun bacheloropleiding moeten afronden voordat zij kunnen starten aan een masteropleiding.
De harde knip is om inhoudelijke redenen ingevoerd en hier zijn destijds geen budgettaire
gevolgen aan gekoppeld. Het doorvoeren van een zachte knip heeft daarom in beginsel
geen directe budgettaire gevolgen. Wel zou een zachte knip van invloed kunnen zijn
op het studiegedrag van studenten en daarmee het aantal studenten in het hbo en wo.
Dat kan een budgettair effect hebben omdat de bekostiging van het hbo en wo jaarlijks
aangepast wordt op basis van studentenaantallen. Ook zou dit een effect kunnen hebben
op de studiefinancieringsuitgaven. Dit eventuele effect is op voorhand lastig in te
schatten. Vanuit beleidsmatig oogpunt beschouw ik het terugdraaien van de harde knip
tussen bachelor en master als onwenselijk.
24
Kunt u de verschillende beleidsinstrumenten noemen om stagevergoeding te verplichten,
als dit niet via de wet is?
Andere mogelijkheden om stagevergoedingen te verplichten zijn bijvoorbeeld via cao-afspraken
of bestuurlijke afspraken, deze zullen echter niet leiden tot een vergoeding voor
iedere student. Gezien de wens van uw Kamer om de stagevergoedingen voor iedere student
te verplichten, neig ik naar wetgeving. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag
20, maak ik de afweging of er andere mogelijkheden zijn om het doel te bereiken bij
de brief over de contouren van het wetsvoorstel.
25
Kunt u in een tabel aangeven op welke budgetten de afgelopen drie jaar onderuitputting
heeft plaatsgevonden?
In onderstaande tabellen wordt voor de jaren 2023, 2024 en 2025 weergegeven op welke
budgetten onderuitputting heeft plaatsgevonden. De tabellen voor 2023 en 2024 zijn
ook weergegeven in het departementaal jaarverslag van OCW (2023: tabel 147 grootste
posten met onderuitputting in 2023; 2024: tabel 4 grootste posten met onderuitputting
in 2024). Voor het jaar 2025 is de onderuitputting die nu bij de Najaarsnota 2025
bekend is opgenomen. Hier komt aan het einde van het jaar de onderuitputting van de
Slotwet nog bij.
Op basis van de huidige informatie is de onderuitputting in 2025 lager ten opzichte
van de eerdere jaren, onder andere omdat de taakstellingen uit het Hoofdlijnenakkoord
betrekking hebben (dit jaar en nog sterker in de komende jaren) op de budgetten waar
eerder onderuitputting op was. De onderuitputting in 2023 en 2024 wordt mede veroorzaakt
doordat intensiveringsreeksen uit het Coalitieakoord Rutte IV niet op korte termijn
volledig tot uitvoering konden komen.
Onderuitputting begroting OCW 2025 – stand Najaarsnota 2025 (x € 1.000)
Art.
x € 1.000
1. NGF LLO-katalysator1
4,6
– 29.910
2. Opdrachten Funderend Onderwijs
1,3
– 21.000
3. NGF Npuls1
6
– 17.994
4. Tegemoetkoming (oud-)studenten leenstelsel1
11
– 15.000
5. Verschillende regelingen op het budget van zij-instroom
9
– 14.585
6. Gemeentelijk onderwijsachterstanden beleid
1
– 14.000
7. Overige subsidies
1,3
– 12.500
8. Aanvullende beurs
11
– 10.000
9. Lerarenbeurs
9
– 9.000
10. Hersteloperatie uitwonendenbeurs1
11
– 8.000
11. Apparaatskosten
95
– 6.000
12. Overige meevallers en openstaande verplichtingen
diverse
– 37.713
Totaal meevallers en openstaande verplichtingen
– 195.702
Tegenvallers
48.993
Totaal onderuitputting OCW stand Najaarsnota 2025
– 146.709
X Noot
1
Voor deze posten geldt dat de uitgaven niet meer konden plaatsvinden in 2025 en naar
verwachting doorschuiven naar 2026.
Onderuitputting begroting OCW 2024 (x € 1.000)
Art.
x € 1.000
1. School en omgeving
1,3
– 185.054
2. Overige subsidies en opdrachten
1,3
– 134.750
3. NGF Nationale LLO katalysator en Npuls (digitaliseringsimpuls)
6
– 107.523
4. Schoolmaaltijden
1,3
– 92.161
5. Gemeentelijk onderwijsachterstanden beleid
1
– 68.997
6. Studiefinanciering
11
– 62.311
7. Maatschappelijke diensttijd
3
– 31.411
8. APK
95
– 21.753
9. Kasritme referentieraming po
1
– 20.884
10. Bekostiging (ao nieuwkomers)
1,3
– 18.705
11. Zij-instroom
9
– 17.260
12. NGF Ontwikkelkracht
3
– 13.404
13. NGF Innovatieprogramma onderwijshuisvesting
3
– 12.752
14. HO lumpsum
6,7
– 12.430
15. Lerarenbeurs
9
– 10.907
16. Overige onderuitputting
diverse
– 81.579
17. NGF overige projecten
diverse
– 16.006
Totaal onderuitputting
– 907.887
Onderuitputting begroting OCW 2023 (x € 1.000)
Art.
x € 1.000
1. KOT-middelen
11
– 103.543
2. Maatschappelijke diensttijd
3
– 94.294
3. Schoolmaaltijden
1,3
– 37.181
4. Studiefinanciering
11
– 33.632
5. Apparaatskosten
95
– 19.946
6. Energiecompensatie scholen
1,3
– 24.000
7. Heterogene brugklassen
3
– 16.350
8. Leesbevordering
14
– 15.673
9. Overige per saldo meevallers
diverse
– 254.620
Totaal onderuitputting
– 599.239
26
Kunt u een overzicht geven van de uitgaven aan primair onderwijs, voortgezet onderwijs,
beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, hoger beroepsonderwijs, en wetenschappelijk
onderwijs in 2010, 2015, 2020, 2023, 2024 en 2025?
In onderstaande tabel wordt het bedrag dat per jaar door het Ministerie van OCW wordt
uitgegeven aan artikel 1 (primair onderwijs), artikel 3 (voortgezet onderwijs), artikel
4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie), artikel 6 (hoger onderwijs) en artikel
7 (wetenschappelijk onderwijs) weergegeven voor de jaren 2010, 2015, 2020, 2023, 2024
en 2025.
(bedragen x € 1.000)1
2010
2015
2020
2023
2024
2025
Artikel 1 (primair onderwijs)
9.466.210
10.032.762
12.226.291
16.025.198
16.026.365
16.994.980
Artikel 3 (voortgezet onderwijs)
6.950.011
7.662.616
9.135.685
11.467.260
11.711.998
12.386.333
Artikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie)
3.498.688
4.065.903
4.864.049
5.812.453
5.866.687
6.168.330
Artikel 6 (hoger beroepsonderwijs)
2.489.231
2.811.099
3.511.341
4.550.502
4.705.811
4.671.860
Artikel 7 (wetenschappelijk onderwijs)
3.822.986
4.210.383
5.418.229
7.094.482
7.413.441
7.406.830
X Noot
1
De vermelde bedragen voor de jaren 2010, 2015, 2020, 2023 en 2024 zijn conform het
totaal van de budgettaire tabellen van beleid van het betreffende artikel in het departementaal
jaarverslag. Voor het jaar 2025 betreft het de stand van de 2e suppletoire begroting.
27
Kunt u een overzicht geven van de uitgaven aan wetenschappelijk onderzoek door universiteiten
van de afgelopen tien jaar?
Er is geen overzicht van de uitgaven aan wetenschappelijk onderzoek door universiteiten
van de afgelopen tien jaar. Universiteiten maken namelijk in hun uitgaven geen onderscheid
naar bestedingsdoel.
28
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal leerlingen in de verschillende
onderwijstypen inclusief het universitair onderwijs over de afgelopen tien jaar en
een prognose voor deze aantallen voor de komende tien jaar?
Voor deze begroting van OCW zijn de cijfers van de Referentieraming 2025 gebruikt. Zie onderstaande tabellen voor de getelde en geraamde aantallen leerlingen
en studenten per onderwijssoort.
Tabel 1. Telling van aantal personen per onderwijssoort op 1 oktober (x 1.000)
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
po
1.545,7
1.528,0
1.515,4
1.508,8
1.501,8
1.491,8
1.477,7
1.476,0
1.466,6
1.461,4
vo
995,3
995,5
985,2
968,2
950,4
934,2
929,7
936,5
940,5
929,6
vavo
14,7
15,4
15,9
15,4
14,8
9,3
11,5
12,2
15,4
14,6
mbo
476,1
483,1
486,9
496,9
502,8
507,8
501,2
482,1
468,4
466,6
hbo
442,0
446,1
452,2
455,2
462,8
488,3
490,5
476,0
459,6
449,2
wo
259,3
266,0
278,0
292,7
304,8
328,9
342,1
341,7
341,7
339,6
totaal
3.733,1
3.734,1
3.733,6
3.737,1
3.737,4
3.760,3
3.752,7
3.724,6
3.692,3
3.661,0
Tabel 2. Prognose van aantal personen per onderwijssoort op 1 oktober (x 1.000)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
po
1.465,7
1.463,3
1.454,6
1.444,8
1.436,2
1.430,5
1.428,6
1.430,1
1.431,6
1.441,0
vo
919,1
911,4
901,6
896,0
890,8
885,6
880,7
876,0
876,6
874,9
vavo
14,0
13,6
13,5
13,4
13,3
13,1
13,0
12,9
12,9
12,8
mbo
467,7
470,6
472,0
470,1
466,2
463,0
460,3
458,5
456,4
453,9
hbo
438,5
430,4
425,1
421,1
417,9
415,2
412,8
410,3
408,1
406,1
wo
336,3
331,5
327,0
322,8
319,5
316,2
313,0
310,4
308,0
306,0
totaal
3.641,3
3.620,8
3.593,8
3.568,2
3.543,8
3.523,6
3.508,4
3.498,1
3.493,6
3.494,6
29
Kunt u een overzicht geven van de aantallen leerlingen van de afgelopen drie jaar
bij de belangrijkste sectoren waar tekorten bestaan of worden verwacht op de arbeidsmarkt?
De arbeidsmarkt verruimt naar verwachting de komende jaren, omdat de economie zich
minder snel ontwikkelt. Er blijven echter waarschijnlijk knelpunten bestaan in een
groot deel van de beroepen in zorg, onderwijs en techniek. De prognoses in De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2030 van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) bieden een gedetailleerder
overzicht van de huidige en voorziene knelpunten op de arbeidsmarkt.
Demografische ontwikkelingen leiden tot een daling van de totale studentenaantallen
in vervolgopleidingen. Tegelijkertijd kan er bij bepaalde richtingen die licht krimpen
nog steeds een groeiend percentage van het totaal aantal studenten zijn. Zo nemen
bijvoorbeeld het aantal mbo-studenten in de sectorkamer techniek en gebouwde omgeving
en hbo-studenten in de studierichting onderwijs over de jaren heen licht af, maar
neemt hun percentage in het totale aantal studenten toe. In onderstaande tabel vindt
u de aantallen van ingeschreven studenten per opleidingsrichting en het percentage
van het totaal aantal studenten voor de afgelopen drie jaren in mbo, hbo en wo.
Tabel 1. Mbo-studenten (excl. extranei1) naar sectorkamer (bron: CBS)
2022/'23
2023/'24
2024/'252
Totaal
482.800
468.600
466.830
Niet gespecificeerd naar sectorkamer
380
(0,1%)
270
(0,1%)
380
(0,1%)
Techniek en gebouwde omgeving
68.180
(14,1%)
66.990
(14,3%)
67.060
(14,4%)
Mobiliteit, transport, logistiek
31.690
(6,6%)
30.380
(6,5%)
30.920
(6,6%)
Zorg, welzijn en sport
169.640
(35,1%)
163.730
34,9%)
160.420
(34,4%)
Handel
39.000
(8,1%)
37.490
(8,0%)
37.610
(8,1%)
Creatieve industrie en ICT
47.470
(9,8%)
45.920
(9,8%)
44.930
(9,6%)
Voedsel, groen en gastvrijheid
57.390
(11,9%)
55.300
(11,8%)
55.440
(11,9%)
Zakelijke dienstverlening
46.580
(9,6%)
45.410
(9,7%)
46.460
(10,0%)
Specialistisch vakmanschap
3.140
(0,7%)
3.170
(0,7%)
3.280
(0,7%)
Entree
14.140
(2,9%)
16.040
(3,4%)
18.530
(4,0%)
Bovensectoraal
5.190
(1,1%)
3.920
(0,8%)
1.790
(0,4%)
X Noot
1
Extranei zijn studenten die uitsluitend ingeschreven staan om examen te doen
X Noot
2
2024/’25 betreft voorlopige cijfers
Tabel 2. Hbo-studenten naar studierichting (bron: CBS)
2022/'23
2023/'24
2024/'251
Totaal
476.830
460.430
449.940
01 Onderwijs
70.740
(14,8%)
69.030
(15,0%)
68.970
(15,3%)
02 Vormgeving, kunst, talen en geschiedenis
40.190
(8,4%)
40.000
(8,7%)
38.570
(8,6%)
03 Journalistiek, gedrag en maatschappij
26.430
(5,5%)
25.780
(5,6%)
25.690
(5,7%)
04 Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening
122.810
(25,8%)
116.590
(25,3%)
112.970
(25,1%)
05 Wiskunde, natuurwetenschappen
7.480
(1,6%)
7.350
(1,6%)
7.160
(1,6%)
06 Informatica
26.630
(5,6%)
26.000
(5,6%)
25.550
(5,7%)
07 Techniek, industrie en bouwkunde
42.490
(8,9%)
41.350
(9,0%)
40.680
(9,0%)
08 Landbouw, diergeneeskunde en -verzorging
4.900
(1,0%)
4.830
(1,0%)
4.640
(1,0%)
09 Gezondheidszorg en welzijn
96.670
(20,3%)
92.660
(20,1%)
89.810
(20,0%)
10 Dienstverlening
38.500
(8,1%)
36.840
(8,0%)
35.920
(8,0%)
X Noot
1
2024/’25 betreft voorlopige cijfers
Tabel 3. Wo-studenten naar studierichting (bron: CBS)
2022/'23
2023/'24
2024/'251
Studierichting
aantal
aantal
aantal
Totaal
344.100
343.880
341.760
01 Onderwijs
10.880
(3,2%)
11.240
(3,3%)
11.740
(3,4%)
02 Vormgeving, kunst, talen en geschiedenis
25.050
(7,3%)
24.760
(7,2%)
24.750
(7,2%)
03 Journalistiek, gedrag en maatschappij
76.770
(22,3%)
76.560
(22,3%)
75.850
(22,2%)
04 Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening
95.210
(27,7%)
94.460
(27,5%)
92.940
(27,2%)
05 Wiskunde, natuurwetenschappen
39.420
(11,5%)
39.150
(11,4%)
38.400
(11,2%)
06 Informatica
18.250
(5,3%)
19.190
(5,6%)
19.620
(5,7%)
07 Techniek, industrie en bouwkunde
37.340
(10,9%)
37.450
(10,9%)
37.370
(10,9%)
08 Landbouw, diergeneeskunde en -verzorging
4.280
(1,2%)
4.380
(1,3%)
4.380
(1,3%)
09 Gezondheidszorg en welzijn
34.160
(9,9%)
33.930
(9,9%)
33.840
(9,9%)
10 Dienstverlening
2.330
(0,7%)
2.390
(0,7%)
2.550
(0,7%)
X Noot
1
2024/’25 betreft voorlopige cijfers
30
Kunt u aangeven hoe de formatie (fte) van het ministerie zich de afgelopen tien jaar
heeft ontwikkeld? Indien mogelijk aangeven op welke terreinen sprake was van groei
dan wel krimp?
In onderstaande tabel is de ontwikkeling van het aantal fte weergegeven sinds 2019,
eerdere jaren zijn niet meer beschikbaar. Het aantal fte’s in december van het betreffende
jaar is weergegeven, behalve in 2025, daar is de stand per oktober gebruikt.
OCW
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Bestuursdepartement
1.021
1.043
1.104
1.309
1.495
1.581
1.569
Grote dienstonderdelen
3.540
3.602
3.728
4.004
4.436
4.683
4.782
– DUO
2.468
2.522
2.635
2.784
3.048
3.173
3.260
– NA
208
201
222
274
327
362
354
– IvhO
539
539
537
598
685
766
794
– RCE
325
334
335
349
376
381
375
Kleine dienstonderdelen
115
120
138
153
170
181
189
Totaal OCW
4.676
4.765
4.970
5.466
6.101
6.445
6.540
In 2025 is er tot nu toe een beperkte daling van het aantal fte’s bij het bestuursdepartement
te zien. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er vanuit het Nationaal Groeifonds aanvullend
budget beschikbaar is gekomen voor fte’s voor de uitvoering van de projecten. De stijging
van OCW als geheel komt geheel voort uit de (beperkte) groei van de dienstonderdelen.
De groei van het aantal fte’s in de afgelopen jaren heeft verschillende oorzaken,
waaruit twee hoofdlijnen zijn te onderscheiden:
1. Fte’s voor specifieke (rijksbrede) opdrachten gekoppeld aan specifieke extra taken
en lessen die getrokken zijn (bijvoorbeeld Werk aan Uitvoering (voor meer maatwerk
en het verbeteren van de dienstverlening),de Wet Open Overheid, de lessen en taken
die voortkomen uit de kabinetsreactie op het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie
Kinderopvangtoeslag, het Bureau van de regeringscommissaris Seksueel Grensoverschrijdend
Gedrag en Seksueel Geweld);
2. Extra fte’s die samenhangen met extra taken zoals afgesproken in het Coalitieakkoord
Rutte IV (bijvoorbeeld de middelen voor Versterking Toezicht, Sociale Veiligheid bij
de Inspectie van het Onderwijs, Nationaal Groeifonds en het fonds Onderzoek en Wetenschap)
of in de loop van de kabinetsperiode (bijvoorbeeld voor het Nationaal Programma Onderwijs);
31
Welke nationale onderzoeken zijn er gedaan naar de mondelinge taalvaardigheid de afgelopen
twintig jaar en kunnen die worden vergeleken?
In de afgelopen twintig jaar is er vanuit de Inspectie voor het Onderwijs op nationaal
niveau drie keer een onderzoek gedaan naar mondelinge taalvaardigheid. Dit heeft plaatsgevonden
via de volgende Peil onderzoeken:
– «Mondelinge taalvaardigheid einde basisonderwijs 2016–2017» (Mondelinge taalvaardigheid einde bo | Inspectie van het onderwijs)
– «Mondelinge taalvaardigheid einde speciaal (basis)onderwijs 2018–2019» (Mondelinge taalvaardigheid einde s(b)o | Inspectie van het onderwijs)
– «Mondelinge taalvaardigheid einde basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal
onderwijs 2023–2024» (Mondelinge taalvaardigheid einde basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal
onderwijs 2023-2024 | Inspectie van het onderwijs)
Resultaten uit deze rapporten zijn deels met elkaar vergelijkbaar. Belangrijkste redenen
hiervoor zijn dat de onderzochte leerlingenpopulatie (gedeeltelijk) wisselt (basisonderwijs,
speciaal basisonderwijs, en/of speciaal onderwijs) en dat de opdrachten die leerlingen
uitvoeren voor elk onderzoek steeds gedeeltelijk anders zijn. Bij bijvoorbeeld het
onderdeel spreken en gesprekken, waar de opdrachten veel tijd in beslag nemen, zijn
in de laatste peiling alle opdrachten voor de basisonderwijs-leerlingen anders dan
in 2017.
32
Hoeveel is er de afgelopen drie jaar uitgegeven aan buitenlandse studenten uit andere
EU-landen die naar Nederland komen om te studeren? Kan dat wordt uitgesplitst per
onderwijsinstelling?
Het budget voor het hbo en het wo wordt jaarlijks bijgesteld op basis van de referentieraming.
De referentieraming geeft voor elke sector het aantal studenten weer dat de afgelopen
jaren stond ingeschreven en het aantal studenten dat de komende jaren wordt verwacht.
De budgettaire bijstelling is hierbij gebaseerd op het aantal Nederlandse studenten
en het aantal buitenlandse studenten uit de Europese Economische Ruimte (EER). Op
basis van de realisaties van de jaren 2022, 2023 en 2024, zoals te zien in de referentieraming
2025, is in de afgelopen drie jaar het aantal ingeschreven internationale EER-studenten
toegenomen van ca. 92.500 naar ca. 99.500. Vermenigvuldigd met de onderwijsuitgaven
per student (zoals vermeld in de jaarverslagen van OCW over 2022, 2023 en 2024) en
teruggerekend naar een gemiddelde, komt dit overeen met een rijksbijdrage van gemiddeld
€ 883 miljoen per jaar. Dit bedrag is onderdeel van het beschikbare macrokader dat
bestemd is voor alle studenten in het hbo en wo en het onderzoek en via de reguliere
bekostigingssystematiek verdeeld wordt over de onderwijsinstellingen. Doordat de rijksbijdrage
niet alleen wordt toegedeeld op basis van studentenaantallen maar bijvoorbeeld ook
een vaste voet kent (die geen onderscheid maakt tussen Nederlandse en internationale
studenten) is het niet mogelijk om aan te geven hoe deze middelen precies zijn verdeeld
over de instellingen.
Daarnaast geldt dat er sprake is van bestedingsvrijheid van de rijksbijdrage en zullen
daadwerkelijke uitgaven per instelling en per opleiding verschillen, waardoor het
niet mogelijk is om aan te geven hoeveel de instellingen precies uitgeven aan internationale
EER-studenten.
In het onderstaande overzicht is het aantal internationale EER-studenten per instelling
opgenomen.
Ten slotte bevat het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof-I een bezuiniging op
internationale studenten. Het macrobudget is met deze bezuiniging structureel met
€ 168 miljoen verlaagd. Deze bezuiniging zal de komende jaren worden ingevuld met
de reeds ingezette daling van het aantal internationale EER-studenten.
Bron: DUO Open onderwijsdata, «Aantallen en prognoses ho, Studententellingen en verwachte
aantallen per instelling.» (link)
33
Waarom daalt het budget per leerling in 2026 voor het voortgezet onderwijs?
Het budget per leerling in 2026 in het voortgezet onderwijs daalt als gevolg van een
lager totaalbedrag aan subsidies die worden verstrekt in 2026. Dit wordt met name
veroorzaakt door een lager bedrag voor de subsidieregeling basisvaardigheden (zie
ook antwoord op de vraag 34). Daarnaast is ook een lager bedrag in 2026 beschikbaar
voor de aanvullende regeling leerlingendaling.
34
Kunt u toelichten dat de uitgaven aan «basisvaardigheden» teruglopen van € 230.765
naar € 87.314? Waar is dit het gevolg van en wat zijn daarvan de gevolgen?
De uitgaven aan de subsidieregeling basisvaardigheden zijn in 2026 minder hoog dan
in 2025 als gevolg van het betaalritme van subsidieregelingen voor het verbeteren
van basisvaardigheden. In 2025 wordt er subsidie uitbetaald aan scholen die in 2024
hebben aangevraagd. Die krijgen dat in drie delen (één deel in 2024 en twee delen
in 2025). In 2025 wordt ook uitbetaald aan scholen die in 2025 hebben aangevraagd.
Ook die krijgen dat in drie delen (in 2025, 2026 en in 2027). Daarom is het bedrag
in 2025 hoger dan in 2026.
Er komt namelijk geen nieuwe subsidieregeling basisvaardigheden in 2026. Vanaf 2027
ontvangen scholen middelen voor basisvaardigheden niet langer via subsidie, maar structureel
via de bekostiging. Scholen ontvangen vanaf 1 januari 2027 een bedrag van € 182 per
leerling via aanvullende bekostiging en vanaf 1 januari 2028 via gerichte bekostiging
(als het wetsvoorstel gerichte bekostiging dat hiervoor nodig is tijdig door beide
Kamers is). Het bedrag dat elke school per leerling krijgt is hiermee structureel.
35
Kunt u nader ingaan op de overschrijding van het budget van de MDT6?
Door een aantal gegrond verklaarde bezwaren op de MDT hoofdsubsidieregeling 2024 is
er in 2025 € 5 miljoen extra budget benodigd om die betalingen alsnog te voldoen.
Het budget wordt daarom bij Najaarsnota met dit bedrag opgehoogd.
36
Kunt u de meevallers op de budgetten voor opdrachten en subsidies in primair en voortgezet
onderwijs nader toelichten?
Zoals aangegeven in de toelichting van de 2e suppletoire begroting bij artikel 1 (primair
onderwijs; po) en artikel 3 (voortgezet onderwijs; vo), is er sprake van een meevaller
op opdrachten van respectievelijk € 9 miljoen en € 12 miljoen. Aanvullend op de reeds
aangegeven verklaringen worden de meevallers veroorzaakt doordat onderzoeken later
starten dan verwacht. De middelen voor deze onderzoeken vallen in 2025 vrij en de
kosten komen vervolgens ten laste van 2026. Ook vallen de kosten voor onderzoek naar
burgerschap lager uit dan begroot.
Op verschillende subsidies in het po en vo zijn meevallers van respectievelijk € 7
miljoen en € 6 miljoen. Voor het po gaat het bijvoorbeeld om de subsidie aan Kennisnet,
waarbij middelen vrijvallen doordat het programma is bijgesteld. Bij het vo treedt
onderuitputting op door vertraging in de curriculumherziening. Dit werkt ook door
op de subsidie voor leermiddelen.
37
Houdt de meevaller op het budget van DUO7 verband met tekorten aan personeel in de uitvoering?
De meevaller houdt geen verband met personele tekorten in de uitvoering. De totale
meevaller op het DUO budget voor studiefinanciering bij de Tweede Suppletoire bedraagt
€ 0,4 miljoen.
De meevaller is het resultaat van:
– een opwaartse bijstelling van € 2,9 miljoen. Dit betreft een technische mutatie;
– een neerwaartse bijstelling van € 2 miljoen voor de uitvoeringskosten voor de herinvoering
basisbeurs;
– een neerwaartse bijstelling van € 1,3 miljoen voor de uitvoeringskosten door DUO voor
de kinderopvangtoeslagaffaire.
Beide neerwaartse bijstellingen zijn ontstaan doordat er in de begroting van OCW meer
middelen waren opgenomen dan DUO in 2025 daadwerkelijk nodig heeft gehad voor de uitvoering
van deze taken.
38
Hoe verklaart u de onderuitputting op de subsidie zij-instroom?
Deze onderuitputting wordt voornamelijk veroorzaakt doordat er in 2025 meer budget
gereserveerd stond dan in eerdere jaren. Dit komt doordat de verwachting ten tijde
van het bepalen van het budget was dat de stijging van voorgaande jaren in het aantal
aanvragers voor de Regeling «subsidie zij-instroom» zou doorzetten in 2025. We zien
echter dat het aantal zij-instromers sinds 2023 redelijk stabiel is gebleven.
39
Kunt u inzichtelijk maken waar de subsidie zij-instroom voor wordt verstrekt?
De subsidie zij-instroom is een tegemoetkoming in de kosten van het schoolbestuur
voor zij-instromer voor het geschiktheidsonderzoek, de scholing en begeleiding, het
geven van verlof aan een zij-instromer en het bekwaamheidsonderzoek. Hierdoor komen
er meer bevoegde leerkrachten in het onderwijs.
40
Hoeveel aanvragen voor de subsidie zij-instroom zijn er afgelopen vijf jaar geweest?
In de periode 2021 tot en met 2025 zijn er in totaal 10.667 subsidies toegekend aan
schoolbesturen voor zij-instromers in het po, vo en mbo. Onderstaand de verdeling
van het aantal gehonoreerde aanvragen per jaar.
2021
2022
2023
2024
2025
Po
767
799
916
852
719
Vo
330
294
351
466
512
Mbo
795
901
1019
927
1.019
Totaal
1.892
1.994
2.286
2.245
2.250
41
Is er afgelopen vijf jaar ook sprake van een onderuitputting op de subsidie zij-instroom
en zo ja, hoeveel?
Op het gereserveerde budget voor de Regeling «subsidie zij-instroom» is in 2025 een
meevaller aangeleverd met de 2e suppletoire begroting van € 5,3 miljoen en voor 2024 een meevaller van € 3 miljoen.
In 2023, 2022 en 2021 was er geen onderuitputting op de regeling zij-instroom.
42
Welke acties heeft het kabinet afgelopen jaren genomen om te komen tot een hogere
uitputting van de subsidie zij-instroom?
Om tot een hogere uitputting van de subsidie zij-instroom te komen, is voor de jaren
2021 t/m 2025 jaarlijks het subsidieplafond in de Regeling subsidie zij-instroom verhoogd,
zodat alle ingediende subsidieaanvragen toegekend konden worden.
In 2021 is in de Regeling «subsidie zij-instroom» verduidelijkt dat het voor zij-instromers
die een andere bevoegdheid willen behalen, mogelijk is om meerdere keren een beroep
te doen op deze regeling.
Om het voor schoolbesturen aantrekkelijker te maken om een zij-instromer aan te nemen
is per 1 januari 2023 het bedrag per zij-instromer verhoogd van € 20.000,– naar € 25.000,–.
In 2025 is de Campagne «Werken met de toekomst» gestart. In deze campagne lag onder andere de focus op potentiële zij-instromers.
De meerjarige campagne is gericht op het creëren van een positief en realistisch beeld
van werken in het onderwijs, met nadruk op ontwikkelmogelijkheden, salaris en betekenisgeving.
43
Welke mogelijkheden ziet u om de onderuitputting op de subsidie zij-instroom voor
komende jaren te voorkomen?
De onderuitputting op het gereserveerde budget voor de Regeling subsidie zij-instroom
in 2025 is voornamelijk veroorzaakt doordat er incidenteel een hoger budget beschikbaar
was dan in andere jaren. Het budget dat voor komende jaren beschikbaar is, sluit beter
aan bij het verwachte aantal zij-instromers. Het aantal toegekende subsidieaanvragen
is de afgelopen jaren redelijk stabiel.
De onderwijsregio’s formuleren ambitieafspraken op het aantal zij-instromers dat binnen
een onderwijsregio wordt aangesteld en opgeleid tot eind 2029.
Daarnaast wordt ook de komende jaren de Campagne «Werken met de Toekomst» voortgezet
en worden de effecten van de in 2025 gestarte campagne verwacht.
44
Bent u bereid om de subsidievoorwaarden te verruimen door bijvoorbeeld zij-instromers
een volwaardig salaris en meer begeleiding te bieden?
De motie van de leden Moorman en Beckerman heeft de regering verzocht te onderzoeken in hoeverre
de maatregelen uit het AOb Actieplan «Tijd voor de zij-instromer» kunnen bijdragen
aan het oplossen van het tekort aan docenten en welke financiële middelen daarvoor
nodig zijn (Kamerstuk 31 293, nr. 848). Uw Kamer wordt voor de behandeling van de Voorjaarsnota hierover geïnformeerd.
45
Kunt u toelichten waarom gemeenten niet alle middelen voor Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid
hebben gebruikt en er € 14 miljoen wordt teruggevorderd?
De terugvorderingen van de middelen voor het Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
(GOAB) is het gevolg van de SISA-verantwoording behorend bij de Specifieke Uitkering
GOAB. De SISA-verantwoording is van toepassing op een periode van vier jaar waarvoor
gemeenten middelen ontvangen (in totaal ruim € 2 miljard de afgelopen vierjaarsperiode).
Het is niet bekend waarom deze middelen niet zijn uitgegeven of dat de terugvordering
het gevolg is van het niet voldoen aan de SISA-verantwoording. Gegeven de totale omvang
van het GOAB-budget gaat het om een relatief laag bedrag.
46
Kunt u de fout die was gemaakt in de raming van de nieuwkomersbekostiging nader toelichten?
Bij de raming van de benodigde bekostiging in 2023 is per abuis uitgegaan van een
te hoog al beschikbaar budget op de OCW-begroting. Door deze fout is bij de Voorjaarsnota
2023 structureel te weinig budget toegevoegd voor de verwachte aantallen leerlingen.
De uitgaven aan nieuwkomersbekostiging zijn daarom nu hoger dan het beschikbare budget.
Met de Najaarsnota 2025 wordt deze fout voor het jaar 2025 hersteld. Het benodigde
budget om de nieuwkomersbekostiging uit te keren wordt middels de Najaarsnota opgehoogd.
De meerjarige doorwerking komt terug bij Voorjaarsnota 2026.
47
Klopt het dat de meeste scholen die taalonderwijs geven aan nieuwkomers geen BRIN-nummer8 hebben en dus hun bekostiging ontvangen via een andere school?
Onderwijs aan nieuwkomers is altijd gekoppeld aan een school met een BRIN-nummer.
Het schoolbestuur dat deze school onder zich heeft, ontvangt de aanvullende bekostiging
voor nieuwkomers.
48
Klopt het dat de subsidie Basisvaardigheden voor het mbo9, voortkomend uit het Masterplan Basisvaardigen, niet op de begroting staat?
In totaal is € 47,2 miljoen euro toegevoegd aan de lumpsum bekostiging voor de studiejaren
2025/2026 en 2026/2027. Deze investering is daardoor niet apart zichtbaar op de begroting.
Mbo-scholen kunnen hiervoor extra onderwijspersoneel aantrekken of behouden om taal-
en rekenachterstanden van startende mbo-studenten weg te werken. Deze middelen komen
niet voort uit het Masterplan Basisvaardigheden voor het funderend onderwijs maar
zijn onderdeel van de aanpak basisvaardigheden voor het mbo.
49
Hoe verklaart u de onderuitputting van de subsidie Doorstroom Beroepskolom?
De subsidieregeling Versterking Aansluiting Beroepsonderwijskolom is een relatief
nieuwe regeling die in 2023 van start is gegaan. Jaarlijks is er budget beschikbaar
voor een vastgesteld aantal aanvragen, de regeling kent een ingroeipad waarbij het
aantal (mogelijke) aanvragen jaarlijks stijgt. In het eerste jaar, 2023, werden er
23 aanvragen ingediend, in 2024 steeg dit naar 26 aanvragen. In het huidige jaar zijn
er minder aanvragen ingediend dan waarvoor ruimte was. Van de 31 beschikbare aanvragen
zijn er 25 ingediend. Elke aanvrager krijgt per jaar € 0,42 miljoen, er zijn 6 aanvragen
minder ingediend dan begroot en dit telt op tot een onderuitputting van € 2,52 miljoen.
50
Hoeveel zou het kosten om minderjarige mbo-studenten net als minderjarige hbo- en
wo-studenten te voorzien van een basisbeurs?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden is een aantal aannames noodzakelijk, zijnde:
– Het aantal minderjarige mbo-bol studenten wordt gebaseerd op het aantal minderjarige
mbo bol-studenten dat in 2024 gebruik heeft gemaakt van het studentenreisproduct.
– Bbl-studenten worden niet meegenomen, omdat noch meerderjarige noch minderjarige bbl-studenten
in aanmerking komen voor studiefinanciering.
– Er zijn geen gegevens bekend over de woonsituatie van minderjarige mbo bol-studenten.
Daarom wordt als proxy de verdeling van thuis- en uitwonendheid van meerderjarige
mbo bol-studenten gebruikt.
– Elke student in bol 3–4 heeft recht op een basisbeurs gedurende de nominale duur van
de opleiding. Door deze maatregel zullen studenten die langer over hun studie doen,
hun basisbeursrechten eerder in hun studie hebben verbruikt. In dit antwoord is hiervoor
niet gecorrigeerd.
Op basis van deze aannames kost het structureel circa € 165 miljoen (prijspeil 2025)
om minderjarige mbo-studenten te voorzien van een basisbeurs (€ 338,68 per maand voor
uitwonende studenten, € 103,78 per maand voor thuiswonende). Er moet tevens rekening
gehouden worden met effecten op de uitvoering door DUO. Deze impact op de uitvoering
is bij de beantwoording van deze vraag niet nagegaan, maar is potentieel wel heel
groot. Voor de volledigheid wordt ook verwezen naar de Kamerbrief van 14 november
2025 over verschillen in de studiefinanciering tussen mbo en hbo/wo-studenten, waarin
onder andere wordt ingegaan op het harmoniseren van de normbedragen. (Kamerstukken II, 2025/26, 24 724-249)
Een belangrijke kanttekening bij deze maatregel is dat minderjarige mbo-studenten
nog geen lesgeld betalen en hun ouders recht hebben op kindregelingen. Als ervan uit
wordt gegaan dat minderjarige studenten in deze situatie net als minderjarige hbo-
en wo- studenten lesgeld zouden moeten gaan betalen (minderjarige hbo- en wo-studenten
betalen collegegeld) leidt deze maatregel niet per definitie tot een betere financiële
positie voor thuiswonende minderjarige mbo-studenten. De hoogte van het lesgeld is
namelijk hoger dan de hoogte van de totale thuiswonenden beurs. Bij de weging van
deze maatregel moeten deze aspecten dus in samenhang worden beschouwd met het studiefinancieringsstelsel,
de kindregelingen en de inrichting van het mbo-stelsel.
51
Hoeveel zou het kosten om minderjarige mbo-studenten te voorzien van een studietoeslag
wanneer zij een medische beperking hebben, net als minderjarige hbo- en wo-studenten?
Het kost circa € 2 tot € 5 miljoen euro per jaar (inclusief uitvoeringskosten, prijspeil
2025) om minderjarige mbo-studenten ook in aanmerking te laten komen voor de studietoeslag.
Deze raming is gebaseerd op het huidige gebruik van de studietoeslag door mbo-studenten
en het aantal mbo-studenten onder de 18. De raming kent een hoge mate van onzekerheid,
omdat er geen zicht is op het aantal (minderjarige) mbo-studenten met een medische
beperking.
De studietoeslag maakt geen onderdeel uit van de OCW-begroting. Het is een regeling
binnen de Participatiewet en ligt op het terrein van SZW. Om minderjarige mbo-studenten
in aanmerking te laten komen voor de studietoeslag zou ook een wijziging van de Participatiewet
nodig zijn.
52
Hoeveel zou het kosten om bbl10-studenten te voorzien van een studentenreisproduct?
Het is niet op voorhand te zeggen hoeveel dit zou kosten. Wanneer bbl-studenten een
studentenreisproduct gaan krijgen, moet er namelijk eerst onderhandeld worden met
vervoersbedrijven over de vergoeding die de vervoerders gaan ontvangen voor de reizen
die dit type studenten met het studentenreisproduct gaan maken. De kosten zijn daarnaast
onder meer afhankelijk van de precieze vormgeving en het moment waarop de kaart ingevoerd
kan worden.
53
Wat gaat er zoal gebeuren met de bijna € 1,5 miljoen extra voor beroepsonderwijs en
volwasseneneducatie op Caribisch Nederland van de tweede suppletoire begroting?
Het betreft geen extra middelen voor beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. De bekostiging
Caribisch Nederland wordt met € 1,5 miljoen verlaagd en de bijdrage aan medeoverheden
met € 1,5 miljoen verhoogd. De overboeking betreft de jaarlijkse overboeking voor
de bijzondere uitkering uit de Wet Sociale Kanstrajecten Jongeren. De middelen worden
gebruikt om voortijdig schoolverlaters te begeleiden naar het onderwijs of de arbeidsmarkt.
54
Hoe verklaart u de lagere uitgaven voor het Duitsland Instituut Amsterdam bij de tweede
suppletoire begroting?
Er is er een lagere subsidie verstrekt aan het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)
omdat er een aanpassing in de activiteiten gedaan is. Het onderdeel beurzen is gestopt.
55
Wat is de oorzaak van het gegeven dat er minder aanvragen zijn ingediend dan er budget
beschikbaar is bij verschillende regelingen op het budget van zij-instroom en de Lerarenbeurs?
Dit wordt veroorzaakt doordat er in 2025 op de verschillende gereserveerde budgetten
een hoger bedrag beschikbaar was dan in andere jaren, terwijl het aantal aanvragers
per regeling op de verschillende regelingen de afgelopen jaren redelijk stabiel is
gebleven.
56
Welke gevolgen zal de mutatie bij Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen
hebben voor de mogelijkheden van cultuurparticipatie en amateurkunst voor burgers?
Deze mutatie heeft geen gevolgen voor de mogelijkheden van cultuurparticipatie en
amateurkunst voor burgers. Culturele instellingen worden in 2025 gefinancierd volgens
de besluiten die in de Kamerbrief Culturele basisinfrastructuur 2025–2028 van 17 september 2024 zijn opgenomen. De mutatie betreft een kleine meevaller van
€ 0,5 miljoen en een verlening aan het Filmfonds van € 0,3 miljoen voor de ondersteuning
van Oekraïense makers en uitvoerders.
57
Welke ontwikkelingen verklaren dat u voor het Programma Leesbevordering € 3,5 miljoen
minder uitgeeft?
De € 3,5 miljoen als onderdeel van het Programma Leesbevordering is een reservering
bestemd voor de Leenrechtvergoeding voor auteurs, illustratoren en uitgevers in het
kader van uitleningen via de Bibliotheek op School. De komende wijziging van de Wet
stelsel openbare bibliotheken zal een wettelijke regeling bevatten voor alle uitleningen
via scholen. Tot het moment van invoering van deze wettelijke regeling wordt jaarlijks
een bedrag beschikbaar gesteld op basis van een overeenkomst met de stichting Leenrecht.
In 2025 is er € 1,9 miljoen van het totaal van € 3,5 miljoen overgeboekt van het budget
Programma Leesbevordering naar het budget voor Opdrachten. Dit deel van het bedrag
van € 3,5 miljoen is via het opdrachtenbudget uitgekeerd aan de auteurs die voor een
leenrechtvergoeding in aanmerking kwamen en uitgegeven in 2025. Het restant van € 1,6
miljoen is dit jaar niet uitgegeven omdat auteurs in 2025 minder vergoeding hebben
aangevraagd dan waar budget voor was gereserveerd.
58
Hoeveel zou het kosten om alle leraren in het primair onderwijs een gratis bibliotheekabonnement
te geven?
In het primair onderwijs zijn er 125.900 leraren. De kosten van een bibliotheekabonnement
zijn ongeveer € 50 per persoon. Daarmee zijn de totale kosten voor het verstrekken
van gratis bibliotheekabonnementen voor onderwijsgevend personeel in het primair onderwijs
€ 6,3 miljoen per jaar.
Bibliotheken vallen onder gemeentelijk beleid en worden door gemeenten gefinancierd.
Er zijn gemeenten die gratis lidmaatschappen aanbieden voor bepaalde doelgroepen zoals
jongvolwassenen of leraren. Er loopt een onderzoek naar gratis bibliotheeklidmaatschap,
hierover wordt uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026 geïnformeerd.
59
Hoeveel zou het kosten om alle leraren in het voortgezet onderwijs een gratis bibliotheekabonnement
te geven?
In het voortgezet onderwijs zijn er 77.000 leraren. De kosten van een bibliotheekabonnement
zijn ongeveer € 50 per persoon. Daarmee zijn de totale kosten voor het vertrekken
van gratis bibliotheekabonnementen voor onderwijsgevend personeel in het voorgezet
onderwijs € 3,9 miljoen per jaar.
Bibliotheken vallen onder gemeentelijk beleid en worden door gemeenten gefinancierd.
Er zijn gemeenten die gratis lidmaatschappen aanbieden voor bepaalde doelgroepen zoals
jongvolwassenen of leraren. Er loopt een onderzoek naar gratis bibliotheeklidmaatschap,
hierover wordt uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026 geïnformeerd.
60
Waarom komen alleen restauratiekosten in aanmerking voor de subsidieregeling voor
grote restauraties, terwijl bij grote monumenten restauratie en duurzaamheidsmaatregelen
meestal tegelijk moeten worden uitgevoerd?
De reden dat alleen restauratiekosten in aanmerking komen voor subsidie is dat voor
grote restauratieopgaven geen alternatieven bestaan. Voor verduurzaming zijn via de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland al wel subsidiemogelijkheden beschikbaar, zoals
bijvoorbeeld de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA).
61
Kunt u aangeven in hoeverre musea en andere eigenaren van grote monumenten worden
geholpen met de subsidieregeling voor grote restauraties, aangezien restauratie in
de praktijk vaak samenvalt met andere noodzakelijke werkzaamheden die niet onder de
regeling vallen?
Eigenaren van niet-woonhuis en groene rijksmonumenten kunnen subsidie aanvragen voor
de beoogde nieuwe regeling als de subsidiabele restauratiekosten boven de drempelbedragen
van respectievelijk € 2,5 miljoen en € 1,0 miljoen liggen. Ook rijksmonumentale musea
die niet de status hebben van rijksmuseum kunnen in aanmerking komen voor subsidie.
Voor andere werkzaamheden die niet subsidiabel zijn op basis van deze regeling is
het aan de eigenaar om op zoek te gaan naar andere financieringsbronnen. Voor verduurzamingsmaatregelen
zou dat bijvoorbeeld kunnen via de onder vraag 60 genoemde DUMAVA regeling of via
de (laagrentende) Duurzame Monumentenplus-lening van het Nationaal Restauratiefonds.
62
Hoe waarborgt u de uitvoerbaarheid van de regeling Grote restauraties, gezien de door
marktpartijen gesignaleerde personeelskrapte en het feit dat er wel wordt gesproken
over twee aanvraagrondes, maar zonder duidelijkheid over de timing, omvang en tussenperioden
van deze rondes?
Vertegenwoordigers van marktpartijen werkzaam in de restauratiebranche zijn betrokken
bij de totstandkoming van de uitgangspunten voor de regeling. Het heeft hun voorkeur
om, juist vanwege de personeelskrapte, de beschikbare middelen te verdelen over twee
aanvraagrondes. Een eerste aanvraagronde is voorzien in de tweede helft van 2026.
Een tweede aanvraagronde volgt in de tweede helft van 2027. Meer informatie over de
termijnen volgt rondom de publicatie van de regeling, die is voorzien in het eerste
kwartaal van 2026.
63
Hoe voorkomt de voorgestelde subsidieregeling voor grote restauraties dat grote monumentale
projecten opnieuw vertraging oplopen en duurder worden, aangezien de regeling zelf
uitgaat van personeelskrapte in de restauratiesector en daardoor het risico bestaat
dat projecten niet kunnen starten of doorlopen?
Juist met het oog op krapte in de arbeidsmarkt worden de beschikbare middelen verdeeld
over twee aanvraagrondes. Uitgangspunt voor de subsidieregeling is dat de beschikbare
middelen worden ingezet voor restauraties die uitvoeringsgereed zijn. Daarom is een
verstrekte omgevingsvergunning een van de voorwaarden die wordt gesteld om in aanmerking
te komen voor subsidie. Het risico dat projecten niet van de grond komen, bijvoorbeeld
vanwege gebrek aan capaciteit bij uitvoerende marktpartijen, valt echter niet volledig
weg te nemen.
64
Wanneer gaat de subsidieregeling voor grote restauraties precies in, wanneer worden
zowel de eerste als de tweede aanvraagronde opengesteld, wat zijn de beoogde doorlooptijden
per fase en hoe verhouden de twee rondes zich tot elkaar in planning en uitvoering?
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 62.
65
Hoe wordt geborgd dat de regeling voor grote restauraties tussentijds kan worden aangepast
wanneer blijkt dat bepaalde voorwaarden, zoals de personeelskrapte of de uitsluiting
van specifieke kosten, in de praktijk tot knelpunten leiden?
De subsidieregeling grote restauraties kan na inwerkingtreding worden aangepast via
een wijzigingsregeling. Uiteraard wordt de uitwerking van de regeling in de praktijk
gemonitord en indien daar aanleiding toe bestaat, kan de regeling worden aangepast.
66
Heeft u inmiddels al in beeld welke activiteiten er precies komen te vervallen met
de € 3,5 miljoen die u bij het Programma Leesbevordering weghaalt?
Er komen geen activiteiten te vervallen bij het Programma Leesbevordering die anders
wel zouden verricht. Er is in 2025 daadwerkelijk € 1,9 miljoen ten goede gekomen aan
de auteurs die in aanmerking zijn gekomen voor een leenrechtvergoeding. Zie ook het
antwoord op vraag 57.
67
Hoe verklaart u dat vooral bij de televisieaanbieders van de regionale publieke omroepen
de uitzendingen moeilijk vindbaar zijn als hoogwaardige livestream (lineair) of zijn
terug te kijken (on demand)?
In algemene zin geldt dat het medialandschap in Nederland versnipperd is en dat de
invloed van grote internationale platform- en techbedrijven toeneemt. Als beschreven
in de kabinetsreactie op het rapport Aandacht voor media van de WRR staat de vindbaarheid en zichtbaarheid van publiek media-aanbod daardoor onder druk,
ook van de regionale publieke omroepen. Gezien het belang van de regionale publieke
omroepen voor onze samenleving, is het essentieel dat hun aanbod goed vindbaar en
zichtbaar is voor het Nederlandse publiek. Het is daarom goed nieuws dat, zoals recent
aan uw Kamer gemeld in de Kamerbrief de regionale publieke omroepen op NPO start,
het livesignaal van de lineaire televisiekanalen van alle regionale publieke omroepen
in 2026 op NPO Start beschikbaar komt, inclusief de mogelijkheid om tot zeven dagen
terug te kijken. Daarnaast is er de bestaande doorgifteverplichting (de zogeheten
«must carry») van de televisie- en radiozenders van de regionale publieke omroep in
het standaardprogrammapakket van (kabel)pakketaanbieders.
68
Wat staat, mede in het licht van de motie van de leden Mohandis en Paternotte over
concrete voorstellen voor een samenwerking tussen NPO, RTL en Talpa11, samenwerking van publieke omroepen met streamers om in coproductie content te gaan
maken nog in de weg?
In de Mediabegrotingsbrief 2026 die op 14 november 2025 naar uw Kamer is gestuurd is aangegeven dat de besprekingen
over publiek-private samenwerking in het Nederlandse medialandschap tot nu toe met
name zijn gevoerd met de NPO, RTL en Talpa, mede omdat de motie van de leden Mohandis
en Paternotte hierom vraagt. Dit wil niet zeggen dat samenwerking met andere mediapartijen
zoals streamingdiensten niet mogelijk zou zijn. Ook deze partijen vervullen een belangrijke
rol in ons pluriforme medialandschap. Samenwerking met streamingdiensten bestaat overigens
al. Series als Papadag en Het Gouden Uur zijn bijvoorbeeld eerst bij de NPO te zien geweest en daarna ook op Netflix.
69
Welke gegevens heeft u over de mate waarin analoge televisie inmiddels uitzondering
wordt en wat betekent dit voor de mate waarin deze nog uitgangspunt kan vormen bij
het programma-aanbod?
Analoge televisie is in Nederland nagenoeg verdwenen en vervangen door digitale televisie
(via de kabel, internet, ether of satelliet). De kern van de analoge televisie werd
gevormd door de lineaire televisie-uitzendingen maar die worden ook in digitale vorm
nog altijd goed bekeken ondanks de opkomst van allerlei alternatieven zoals het vooruit-
en terugkijken van lineaire uitzendingen en het on demand-aanbod van streamingdiensten.
Het gemiddelde dagbereik van de lineaire televisie bedraagt nog altijd zo’n 60% en
daalt licht. Gemiddeld wordt er in Nederland zo’n 98 minuten per dag gekeken naar
«live» lineaire televisie plus 31 minuten uitgesteld, tegenover 78 minuten overig
(onder andere streamingsdiensten) (Mediamonitor 2025, p. 34 en 35). Hoe dan ook geldt dat de Mediawet 2008 zoveel als mogelijk techniekneutraal
is opgesteld waarbij niet één specifieke distributiewijze centraal staat. De publieke
omroepen dienen de publieke media-opdracht binnen de wettelijke kaders uit te voeren,
daarbij gebruikmakend van de verschillende kanalen en verspreidingswijzen. Hierbij
dienen zij aan te sluiten bij de behoeften en het mediagedrag van het publiek.
70
Hoe en in welke mate heeft de Tweede Kamer zeggenschap over de manier waarop bezuinigingen
op het mediabudget leiden tot het schrappen in het programma-aanbod of bijvoorbeeld
het beperken van salarissen voor topbestuurders?
De publieke omroep is onafhankelijk en mag – binnen de wettelijke kaders – zelf bepalen
hoe ze invulling geeft aan de bezuinigingsopgave, ook als het gaat om het programma-aanbod.
De bezoldiging van bestuurders bij de landelijke publieke omroep is gemaximeerd door
de Wet Normering Topinkomens. Daarbinnen is het aan de omroepen om de hoogte van de
bezoldiging te bepalen.
71
Op grond van welke criteria kunnen aspirant-omroepen eventueel de overgang tot omroep
maken en welke wettelijke bepalingen en andere regelgeving zijn hierop precies van
toepassing?
In aanloop naar een nieuwe erkenningperiode volgen omroeporganisaties en aspirant-omroepen
dezelfde procedure van het indienen van een erkenningaanvraag. De erkenningaanvragen
worden op dezelfde gronden beoordeeld zoals opgenomen in artikel 2.32 van de Mediawet
2008. Voor aspirant-omroepen gelden daarnaast twee additionele voorwaarden. Zij dienen
aansluiting te zoeken bij een omroeporganisatie die in de voorgaande periode al een
erkenning had. Als een aspirant-omroepen dit zelf niet lukt, volgt een aanwijzingsprocedure
waarmee een samenwerkingspartner wordt aangewezen door de Minister. Ten tweede moet
duidelijk zijn dat tijdens de periode van de voorlopige erkenning niet is gebleken
dat het media-aanbod van de aspirant-omroep onvoldoende onderscheidend was ten opzichte
van de reeds bestaande omroepen. Met het aanbod dient een vernieuwende bijdrage geleverd
te zijn aan de uitvoering van de publieke media-opdracht (artikel 2.32, eerste lid,
en artikel 2.25, derde lid, Mediawet 2008). De wettelijk verplichte evaluatiecommissie
evalueert periodiek de landelijke publieke omroep. Onderdeel van deze evaluatie is
het evalueren van de aspirant-omroepen. Hierbij wordt onder andere door de evaluatiecommissie
gekeken naar de vernieuwende bijdrage die de aspirant-omroepen tijdens hun aspirant-status
aan het bestel hebben geleverd.
72
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs financiële sancties kan opleggen aan
scholen wanneer zij hun herstelopdracht niet binnen een redelijke termijn uitvoeren?
De inspectie kan inderdaad een financiële sanctie opleggen als een wettelijke tekortkoming
niet binnen de gegeven hersteltermijn is hersteld. De inspectie doet dit dan in mandaat
namens de Minister of Staatssecretaris.
73
Hoe vaak is het voorgekomen dat er vanuit de Inspectie van het Onderwijs een financiële
sanctie wordt opgelegd aan een school?
Sinds de invoering van de huidige Beleidsregel financiële sancties op 1 januari 2023
zijn er vanuit de inspectie elf financiële sancties opgelegd aan scholen in het funderend
onderwijs. Daarnaast zijn er in diezelfde periode vanuit de Minister en Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tien financiële sancties opgelegd bij niet tijdig
uitgevoerde herstelopdrachten.
74
Kunt u aangeven op welk wetenschappelijk onderzoek de beleidsregel financiële sancties
van de Inspectie van het Onderwijs is gebaseerd?
De Beleidsregel financiële sancties is een besluit van de Minister. Deze is gebaseerd
op het algemeen aanvaarde principe in het bestuursrecht dat herstelsancties een effectieve
prikkel vormen om herstel te beïnvloeden. Sanctionering dient ook het belang van generale
preventie: het risico van een sanctie leidt tot betere naleving van de wet.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
C.H. Bosnjakovic , adjunct-griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.