Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Welzijn over de kamerverhuurvrijstelling
Vragen van het lid Welzijn (Nieuw Sociaal Contract) aan de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de kamerverhuurvrijstelling (ingezonden 21 oktober 2025).
Antwoord van Minister Keijzer (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), mede namens
de Staatssecretarissen van Financiën (ontvangen 11 december 2025).
Vraag 1
Klopt het dat u concludeert dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van de kamerverhuurvrijstelling
niet vast te stellen zijn wegens gebrek aan data? Welke meetbare doelindicatoren hanteert
u nu wel (bijvoorbeeld het aantal hospitakamers, instroom en uitstroom, of prijsontwikkeling
binnen de WoningWaarderingsStelsel voor Onzelfstandige woningen (WWSO) -grenzen)?1
Antwoord 1
Het klopt dat het gebrek aan data het moeilijk maakt om definitieve uitspraken over
de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling te doen. In de belastingaangifte
hoeft niet opgegeven te worden dat hier gebruik van wordt gemaakt. Het exacte gebruik
van de maatregel is dus niet in beeld. Naar schatting zijn er 13.800 huishoudens die
gebruikmaken van de kamerverhuurvrijstelling.2
Op basis van enquête-onderzoek zijn er wel aanwijzingen dat financiële overwegingen
een rol spelen voor de mensen die overwegen een hospitaruimte aan te bieden. Omdat
de kamerverhuurvrijstelling financieel voordeel oplevert voor verhuurders, is het
aannemelijk dat de kamerverhuurvrijstelling een positieve bijdrage levert aan het
aanbod van hospitaruimte. Tegelijkertijd geeft de overgrote meerderheid van de respondenten
in een enquête3 aan tijdelijke hospitaverhuur niet te overwegen. De belangrijkste belemmering is
niet financieel of fiscaal van aard, maar ziet op het verlies aan privacy. Vandaar
dat ik heb geconcludeerd dat de regeling beperkt doeltreffend is. Omdat er geen exacte
cijfers beschikbaar zijn kan de doelmatigheid van de regeling moeilijk worden vastgesteld.
Uit cijfers over aanbod van hospitaverhuur en de in- en uitstroom bij de sector kan
helaas niet het directe verband met de kamerverhuurvrijstelling worden geconstateerd,
omdat ook niet-fiscale factoren, zoals woningmarktontwikkeling, overige regelgeving
en financieringsvoorwaarden, invloed hebben op dergelijke cijfers. Indicatoren als
het aantal verhuurde hospitakamers, huurprijsontwikkeling en in- en uitstroomcijfers
zouden hiervoor relevant zijn, maar is het op dit moment niet mogelijk om dit uniform
en structureel te registreren.
Vraag 2
Waarom is sinds de invoering van de vrijstelling in 1993 niet geborgd dat het gebruik
en de omvang ervan worden gemonitord, terwijl dit voor andere fiscale regelingen gebruikelijk
is?
Antwoord 2
Omdat bij de kamerverhuurvrijstelling sprake is van een belastingvrijstelling hoeft
deze niet opgegeven te worden bij de belastingaangifte. Hierdoor kan het gebruik van
de vrijstelling ook niet worden gemonitord zoals bij een aantal fiscale regelingen,
omdat een vrijstelling betreft. Een aftrekpost moet doorgaans in de aangifte worden
aangegeven waardoor monitoringsgegevens beschikbaar komen. Dat is bij deze vrijstelling
niet het geval. De Belastingdienst streeft ernaar de belastingaangifte zo begrijpelijk
en doenbaar mogelijk te houden. Een extra uitvraag over de kamerverhuurvrijstelling
voegt administratieve lasten toe voor alle burgers en leidt tot extra toezicht- en
uitvoeringslasten, waardoor de belastingaangifte complexer wordt.
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat het aantal hospitawoningen wordt geraamd op circa 30.000, waarvan
ongeveer 46% onder de vrijstellingsgrens valt (ongeveer 13.800 gevallen), en dat de
budgettaire derving hiervoor neerkomt op 6 miljoen euro in 2025, herzien van 17 miljoen
euro? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar vanaf 2020?
Antwoord 3
Op basis van de verkenning kan ik de genoemde cijfers bevestigen. De jaarlijkse derving
in de jaren 2020–2026 staat in de volgende tabel:
2020
2021
2022
2023
2024
2025
2026
Budgettair belang kamerverhuurvrijstelling (miljoen euro)
2
2
2
5
6
6
7
Vraag 4
Waarom vermeldt de verkenning een vrijstellingsgrens van 6.342 euro voor 2025 en het
beleidsopties-document 6.324 euro? Welke is juist en hoe verklaart u dit verschil?
Kunt u daarbij ook de indexatieformule toelichten?
Antwoord 4
Hier is helaas sprake van een menselijke fout bij het opstellen van het document.
Het correcte bedrag van de vrijstellingsgrens in 2025 is € 6.324. Dit is tevens het
bedrag dat in 2024 is gevolgd uit de jaarlijkse indexatie van de kamerverhuurvrijstelling.
De wijze van indexering van de vrijstelling is opgenomen in artikel 10.6 van de Wet
IB 2001. Dit bedrag wordt geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de woninghuren.
Dit is het gemiddelde van de consumentenprijsindexcijfers voor alle huishoudens voor
de woninghuur van het CBS.
Vraag 5
Erkent u dat een derde van de hospita’s overweegt een Tweede Kamer te verhuren bij
uitbreiding van de vrijstelling? Welke concrete additionele kameropbrengst verwacht
u daarvan tussen 2026 en 2030?
Antwoord 5
Uit de verkenning kan niet worden opgemaakt dat een derde van de hospitaverhuurders
overweegt een Tweede Kamer te verhuren bij uitbreiding van de kamerverhuurstelling.
Wel blijkt uit een beperkte steekproef dat een deel van de hospitaverhuurders die
aan de voorwaarden van de vrijstelling voldoet aangeeft geen Tweede Kamer te verhuren
met het oog op de kans dat daardoor niet van het fiscale voordeel van de vrijstelling
gebruik te kunnen maken. Gezien de beperkte steekproefomvang moet dit onderzoeksresultaat
indicatief worden geïnterpreteerd.
Vraag 6 en 7
Waarom kiest u niet voor de gerichte variant waarbij de vrijstelling alleen wordt
verdubbeld bij verhuur van een Tweede Kamer, die uitdrukkelijk de prijsopdrijvende
werking bij één kamer mijdt en het effect op aanbod maximaliseert?
Welke concrete ICT-belemmeringen maken deze variant volgens u onmogelijk? Kunt u een
uitvoeringsschema delen met mijlpalen, benodigde capaciteit, en verwachte doorlooptijd
binnen het IH-portfolio?
Antwoord 6 en 7
Conform de opdracht van de motie Van Vroonhoven heb ik mogelijke beleidsopties in
beeld gebracht voor uitbreiding van de kamerverhuurvrijstelling. Ik heb daarbij de
voor- en nadelen van verschillende opties uitgewerkt, waarmee uw Kamer zich een verder
oordeel kan vormen over de regeling.
Naast de vraag of uitbreiding van de kamerverhuurvrijstelling doeltreffend en doelmatig
is is een belangrijk nadeel van deze beleidsoptie is dat deze complex is in de uitvoering.
Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling binnen deze optie, is een tweede hospitahuurcontract
nodig. Wanneer de voorwaarde van een tweede hospitahuurcontract uitgevraagd zou moeten
worden in de aangifte vergt deze beleidsoptie een structuuraanpassing bij de Belastingdienst
die veel tijd in beslag neemt. Die is in ieder geval niet realiseerbaar voor belastingjaar
2030 en daarna is het afhankelijk van de inpasbaarheid in het IH-portfolio.
Vraag 8
Welke dekkingsopties zijn ambtelijk voor deze variant verkend (bijvoorbeeld kasschuiven,
schrappen van andere regelingen met lage doeltreffendheid)?
Antwoord 8
De verkenning richt zich op het in beeld brengen van mogelijke aanpassingen van de
kamerverhuurvrijstelling en de uitvoerbaarheid daarvan. In dit stadium bestond daarom
geen noodzaak om dekkingsopties in kaart te brengen. Wel is per optie de budgettaire
gevolgen weergegeven. Het is aan een volgend kabinet om eventuele keuzes te maken
en daar een passende dekking bij tezoeken.
Vraag 9
Wat vindt u van herinvestering van de opbrengst bij afschaffing van de vrijstelling
(7 miljoen euro per jaar) op ter dekking van de gerichte variant (3 miljoen euro per
jaar)?
Antwoord 9
De opbrengst bij afschaffing van de vrijstelling is niet gelijk aan de budgettaire
derving van 7 miljoen euro. Bij afschaf van de vrijstelling zullen hospitaverhuurders
mogelijk afzien van hospitaverhuur waardoor de opbrengst lager uitvalt.
Bij een dergelijke aanpassing van de kamerverhuurvrijstelling valt een negatief effect
te verwachten op het aanbod van hospitaverhuur. Het fiscale voordeel bij verhuur van
enkel een Eerste Kamer valt dan immers weg. Aangezien de groep met mogelijkheden ter
verhuur van één kamer groter is dan de groep die twee kamers ter beschikking heeft,
valt te verwachten dat het wegvallen van aanbod door verhuurders met 1 kamer groter
zal zijn dan het extra aanbod dat ontstaat voor verhuur van twee kamers.
Vraag 10
Waarom geldt het argument van gebrek aan dekking hier als doorslaggevend, terwijl
bij andere woonmaatregelen met grotere budgettaire impact wel voorfinanciering of
kasschuiven plaatsvinden? Kunt u voorbeelden geven en het gehanteerde consistentiekader
toelichten?
Antwoord 10
In de verkenning zijn slechts de budgettaire gevolgen van elke beleidsoptie in kaart
gebracht. Het betreft daarbij geen beleidsvoorstel maar enkel een overzicht van de
opties. Het is aan een volgend kabinet om eventuele keuzes te maken en daar, indien
nodig, een passende dekking bij te bepalen.
Vraag 11
Erkent u dat door geen keuze te maken feitelijk sprake is van beleidsonthouding, terwijl
de gerichte variant goedkoper is dan de huidige vrijstelling en een groter effect
kan hebben op het kameraanbod? Kunt u dit onderbouwen met een maatschappelijke kosten-batenanalyse?
Antwoord 11
Ik ben het oneens met de stelling dat de geschetste beleidsoptie meer aanbod van hospitakamers
oplevert wanneer deze als vervanging geldt van de huidige regeling. Zoals toegelicht
bij het antwoord op vraag 9 heeft deze variant uitsluitend effect voor verhuurders
die daadwerkelijk twee kamers verhuren, terwijl voor de veel grotere groep verhuurders
met één kamer het fiscale voordeel vervalt. Per saldo is het aannemelijk dat hierdoor
het totale aanbod kan dalen in plaats van toenemen. De verkenning is uitgevoerd conform
de opdracht van de Kamer. Het betreft een inventarisatie van mogelijke opties en de
uitvoerbaarheid ervan. Een maatschappelijke kosten-batenanalyse kan worden opgesteld
wanneer een voorkeursvariant wordt gekozen en er voldoende kwantitatieve gegevens
beschikbaar zijn om effecten door te rekenen. Het is aan een volgend kabinet om eventuele
keuzes te maken en daareen passende dekking bij te zoeken.
Vraag 12
Kunt u aangeven waarom er volgens u een risico op prijsopdrijving ontstaat bij een
generieke verdubbeling? Erkent u dat het WWSO-puntensysteem de maximale huur voor
onzelfstandige kamers begrenst en dat dit risico daarmee grotendeels wordt gedempt?
Kunt u dit illustreren met een cijfermatige vergelijking tussen huidige puntentellingen
en de vrijstellingsgrens?
Antwoord 12
Bij een generieke verdubbeling van het vrijstellingsbedrag kunnen verhuurders die
nog niet tegen de WWSO-puntengrens verhuren, maar wel tegen de grens van de kamerverhuurvrijstelling,
profiteren van extra fiscaal voordeel zonder voor meer kameraanbod te zorgen, omdat
de hogere huur nu ook onder de vrijstellingsgrens valt. Het klopt dat de WWSO-puntengrens
dit effect beperkt, maar binnen de puntenkaders blijft het risico bestaan.
Bij een kamer waarvoor volgens het puntensysteem € 550 per maand gevraagd kan worden,
vervalt bij daadwerkelijk verhuur voor dit bedrag de kamerverhuurvrijstelling (totaal
jaarbedrag: € 6.600). Maar verlaagt de verhuurder het maandbedrag naar € 527, dan
komt deze wel nog in aanmerking voor kamerverhuurvrijstelling (totaal jaarbedrag:
€ 6.324). Bij een generieke verdubbeling vervalt in dit scenario de prikkel om eventueel
voor een lager huurbedrag te kiezen.
Vraag 13
Kunt u nader aangeven waarom u het opnemen van een vinkje in de belastingaangifte
onwenselijk acht? Welke alternatieven zijn uitgewerkt om het gebruik van de vrijstelling
toch te monitoren? Kan het huurregister hier een rol spelen? Waarom wel of niet?
Antwoord 13
Het toevoegen van een vink in de belastingaangifte vereist bij de Belastingdienst
een structuuraanpassing in zowel het programma als de toelichting. Dit kan ten vroegste
voor belastingjaar 2030 worden aangepast. Bovendien maakt een extra vink de belastingaangifte
complexer, wat enige mate van het doenvermogen van burgers vraagt.
Ik heb uw Kamer op 9 april 2025 geïnformeerd over mijn inzet voor een huurregister.4 In die brief ben ik ingegaan op de meerwaarde dat een huurregister heeft. Naast een
ondersteuning voor gemeenten kan een registratie van huurgegevens verschillende andere
overheidsorganisaties in staat stellen om hun wettelijke taak effectiever en efficiënter
uit te voeren. Ook de belastingdienst kan baat hebben bij actuele gegevens over de
huur, bijvoorbeeld met het oog op de kamerverhuurvrijstelling. Of de Belastingdienst
baat kan hebben bij het huurregister ten behoeve van de kamerverhuurvrijstelling valt
op voorhand niet te zeggen. Dit zal afhangen van de uiteindelijke vormgeving hiervan
en de doelen en eisen die aan registratie zullen worden gesteld.
Vraag 14
Kunt u in 2026 een nulmeting uitvoeren en de Kamer over de uitkomsten informeren?
Antwoord 14
Voor een nulmeting moet eerst worden bepaald welke gegevens worden verzameld, hoe
hospitaverhuur wordt afgebakend en via welke bron het gebruik van de kamerverhuurvrijstelling
kan worden geregistreerd. Omdat het gebruik van de kamerverhuurvrijstelling op dit
moment nergens wordt geregistreerd, vraagt een nulmeting eerst om een nieuwe inrichting
van gegevens uitvraag en financiering. Het is aan een volgend kabinet om hierover
te besluiten.
Vraag 15
Waarom kan de Belastingdienst geen verkorte route leveren, bijvoorbeeld via handmatige
of ex-post controle, zoals dat bij andere kleinere regelingen wel gebeurt? Kunt u
toelichten van welke concrete belemmering sprake is?
Antwoord 15
Het gebruik van de kamerverhuurvrijstelling wordt momenteel niet specifiek uitgevraagd
in de aangifte, omdat het gaat om een vrijstelling en het wenselijk is dat de belastingaangifte
niet onnodig complex wordt. Hierdoor is specifiek toezicht op de regeling niet mogelijk.
De regeling wordt gehandhaafd door middel van het reguliere toezicht, bijvoorbeeld
steekproefsgewijs. Het specifiek uitvragen van het gebruik van de regeling is een
structuurwijziging in de keten inkomensheffingen van de Belastingdienst, en in ieder
geval niet inpasbaar voor het belastingjaar 2030.
Vraag 16
Welke informatie is minimaal nodig om in 2027 een lichte variant van de Tweede Kamervrijstelling
te kunnen uitvoeren? Kunt u daarbij de kosten en doorlooptijd aangeven?
Antwoord 16
De kosten en doorlooptijd van het invoeren van een tweedekamervrijstelling zijn afhankelijk
van de vormgeving van de maatregel. Voor de uitvoerbaarheid is in ieder geval duidelijkheid
nodig over de voorwaarden waaraan een Tweede Kamer moet voldoen, over de wijze waarop
een afzonderlijk huurcontract kan worden vastgesteld en over de gegevens die hiervoor
in de belastingaangifte moeten worden uitgevraagd.
Vraag 17
Kunt u drie scenario’s geven (laag, midden en hoog) voor het additionele aantal tweede
hospitakamers tussen 2026 en 2030 bij a) generieke verdubbeling, b) verdubbeling alleen
bij Tweede Kamer, en c) ongewijzigd beleid met niet-fiscale maatregelen zoals de aangekondigde
wetswijziging en informatiecampagne?
Antwoord 17
In de verkenning is geconcludeerd dat de beschikbare data niet voldoende representatief
zijn om algemene conclusies te kunnen trekken. Om die reden is het ook niet mogelijk
om een schatting te maken van de te verwachten extra hospitaruimte in de geschetste
scenario’s.
Vraag 18
Hoe verhoudt de fiscale uitbreiding zich tot de aangekondigde wetswijziging voor hospitaverhuur
(beëindiging bij verkoop of overlijden, tijdelijk contract van maximaal vijf jaar,
kortere opzegtermijn in de eerste maand) en de geplande informatiecampagne? Bent u
bereid deze te bundelen tot één integraal hospitapakket voor 2026?
Antwoord 18
Ik onderneem verschillende stappen om hospitaverhuur te stimuleren, aangezien dit
een belangrijke pijler is om de bestaande woningvoorraad beter te benutten. Zo loopt
sinds de zomer van 2024 een informatiecampagne om meer duidelijkheid te geven over
de mogelijkheden van hospitaverhuur. Daarnaast wordt op dit moment de internetconsultatie
van het wetsvoorstel hospitaverhuur verwerkt. Binnenkort stuur ik het naar de Raad
van State ter advisering. Het wetsvoorstel bestaat uit een viertal aanpassingen, namelijk
het introduceren van aanvullende opzeggingsgronden bij hospitaverhuur (waaronder verkoop),
het introduceren van een tijdelijke huurovereenkomst van maximaal vijf jaar specifiek
voor hospitaverhuur, een kortere opzegtermijn in de eerste maand van de huurovereenkomst
van hospitaverhuur en de mogelijkheid om – als de hospita zelf ook een huurder is
– bezwaar te maken tegen een eventuele inkomensafhankelijke hogere huurverhoging.
Aanpassing van de kamerverhuurvrijstelling maakt geen onderdeel uit van deze wetgeving.
Met de verkenning heb ik voor uw Kamer de mogelijkheden en voor- en nadelen in kaart
gebracht bij aanpassing van de vrijstelling.
Vraag 19
Welke concrete resultaatsdoelen streeft u na om hypothecaire kredietaanbieders te
stimuleren om hospitaverhuur standaard toe te staan per 2026, en hoe worden deze gekoppeld
aan de eventuele fiscale uitbreiding zodat het aanbod daadwerkelijk groeit?
Antwoord 19
De aanpassing van de kamerverhuurvrijstelling is geen onderdeel van het wetsvoorstel
hospitaverhuur en ook geen onderdeel van het gesprek met kredietverstrekkers.
Wel is een belangrijk doel van het wetsvoorstel hospitaverhuur dat kredietverstrekkers
hospitaverhuur veel vaker gaan toestaan. Op dit moment wordt hospitaverhuur door kredietverstrekkers
niet of onder strikte voorwaarden toegestaan, waardoor het voor veel mensen met een
koopwoning nog niet mogelijk is om hospita te worden. Bij de vormgeving van de wetgeving
zijn kredietverstrekkers betrokken, zodat de wetgeving straks in de praktijk werkbaar
is. Op de internetconsultatie hebben de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond
voor Verzekeraars positief gereageerd. De brancheorganisaties kunnen echter niet voor
hun individuele leden aangeven in hoeverre zij hun beleid aanpassen. Kredietverstrekkers
gaan zelf over het beleid. Zij zullen – nadat de wetgeving definitief is – ook hun
interne processen moeten doorlopen. Met de input en reacties uit de sector, heb ik
er vertrouwen in dat het wetsvoorstel zal leiden tot veel meer toestemming van hospitaverhuur.
Wel zal ik daarbij vinger aan de pols blijven houden bij kredietverstrekkers.
Vraag 20
Bent u bereid een budgettair neutraal pakket voor te leggen waarin de opbrengst van
afschaffing van de vrijstelling (7 miljoen euro per jaar) of versobering van andere
regelingen de gerichte Tweede Kamervrijstelling (3 miljoen euro per jaar) dekt, met
de resterende 4 miljoen voor handhaving en monitoring?
Antwoord 20
Zie het antwoord op vraag 9 voor de opbrengst bij afschaffing.
Vraag 21
Kunt u de onderliggende rekenmodellen, aannames en memo’s delen die leiden tot de
genoemde dervings- en opbrengstramingen, alsmede de afweging binnen het IH-portfolio
die tot de conclusie «niet uitvoerbaar voor 2030» heeft geleid?
Antwoord 21
De aannames in het onderliggende rekenmodel dat leidt tot de genoemde dervings-en
opbrengstenramingen zijn gestoeld op de verkenning5. Zonder kamerverhuurvrijstelling verliest een belastingplichtige bij hospitaverhuur
een deel van het positieve saldo van de eigenwoningregeling. Tegelijkertijd zou het
belastbaar inkomen in box 3 stijgen. Met deze effecten is rekening gehouden in de
ramingen. Het aanpassen van de uitvraag in de aangifteprogrammatuur en het doen landen
van de antwoorden op die vragen in de systemen waarmee de aanslagen worden opgelegd
is een structuurwijziging.
Vraag 22
Wanneer ontvangt de Kamer een voorkeursbesluit inclusief dekking, monitoringaanpak
en uitvoeringskalender, en waarom is in de beslisnota geen vervolgstap opgenomen terwijl
de motie-Van Vroonhoven hier wel expliciet om vroeg?6
Antwoord 22
De motie Van Vroonhoven verzocht mij in kaart te brengen op welke manieren de kamerverhuurvrijstelling
dusdanig uitgebreid kan worden dat deze ook bij verhuur van een Tweede Kamer in de
eigen woning kan worden ingezet, als ook hoe die opties kunnen worden uitgevoerd.
Met de verkenning en het document met beleidsopties heb ik uitvoering gegeven aan
deze verzoeken.
Vraag 23
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 23
Aan dit verzoek kon vanwege de lopende werkzaamheden en de complexiteit van de vragen
helaas geen gevolg gegeven worden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede namens
S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.