Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Joseph over de opvolging van aanbevelingen van de Ombudsman Pensioenen en het functioneren van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen
Vragen van het lid Joseph (BBB) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de opvolging van aanbevelingen van de Ombudsman Pensioenen en het functioneren van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (ingezonden 16 oktober 2025).
Antwoord van Minister Paul (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 19 november
2025).
Vraag 1
Bent u bekend met de signalen uit het jaarverslag 2024 van de Geschilleninstantie
Pensioenfondsen (GIP) en het interview met Ombudsman Jeroen Steenvoorden, waarin stevige
kritiek wordt geuit op de handelwijze van pensioenfondsen?1
Antwoord 1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de constatering van de Ombudsman dat pensioenfondsen te veel in «regeltjes»
denken en te weinig maatwerk toepassen, waardoor deelnemers in schrijnende situaties
tussen wal en schip kunnen vallen?
Antwoord 2
De Ombudsman constateert in veel zaken die hem worden voorgelegd, dat voor pensioenfondsen
de tekst van het pensioenreglement leidend is. Hij constateert ook dat het pensioenreglement
tegelijkertijd ruimte biedt om gebruik te maken van de zogenoemde ‘hardheidsclausule’.
Door deze clause is het mogelijk dat een pensioenbestuur in individuele gevallen maatwerk
biedt, zeker in schrijnende situaties. Ik deel met hem de opvatting dat pensioenfondsen
in dergelijke schrijnende situaties zoveel als mogelijk rekening dienen te houden
met individuele situaties.
Vraag 3
De Ombudsman pleit ervoor om bij de uitvoering van pensioenregelingen nadrukkelijker
de menselijke maat te hanteren en gebruik te maken van hardheidsclausules. Wat gaat
u doen om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen deze aanbeveling niet naast zich neerleggen?
Antwoord 3
Ik heb periodiek overleg met de Pensioenfederatie en daarnaast spreek ik periodiek
de GIP. De aanbeveling die de Ombudsman maakt neem ik ten harte en zal ik bespreekbaar
maken in die overleggen. Daarnaast worden de aanbevelingen van de Ombudsman Pensioenen
via de Pensioenfederatie onder de aandacht gebracht bij alle pensioenfondsen.
Vraag 4
De Ombudsman signaleert structurele problemen bij arbeidsongeschiktheid (te strikte
toepassing van meldtermijnen), bij trage waardeoverdrachten, en bij gebrekkige communicatie
richting deelnemers. Deelt u de zorg dat hierdoor mensen onnodig financieel nadeel
ondervinden?
Antwoord 4
De Ombudsman Pensioenen brengt praktijkvoorbeelden onder de aandacht die aan hem worden
voorgelegd ter bemiddeling. Dit verschilt van het signaleren van structurele problemen.
Ik acht het, evenals de Ombudsman Pensioenen, van groot belang dat pensioenfondsen
in alle gevallen zorgvuldig handelen en tijdig, duidelijk en begrijpelijk communiceren.
De conclusie dat mensen onnodig financieel nadeel ondervinden, deel ik niet. Dat komt
ook, omdat het fondsbestuur via de hardheidsclausule zoveel als mogelijk rekening
kunnen houden met schrijnende (individuele) situaties.
Vraag 5
Hoe monitort u of pensioenfondsen de adviezen van de Ombudsman opvolgen? Hoeveel van
deze adviezen zijn daadwerkelijk opgevolgd? En wat gebeurt er als pensioenfondsen
adviezen structureel negeren?
Antwoord 5
Sinds 1 januari 2024 kunnen deelnemers bij pensioenfondsen zich wenden tot de geschilleninstantie
GIP. Bij de GIP kunnen deelnemers naast bemiddeling (door de Ombudsman Pensioenen)
kiezen voor beslechting door een geschillencommissie. Kiezen deelnemers voor bemiddeling,
dan wordt gekeken of een gezamenlijke oplossing mogelijk is. Komen partijen er niet
uit, dan staat de weg naar geschilbeslechting open. Kiezen deelnemers direct voor
geschilbeslechting, dan kan de commissie zowel bindende als niet-bindende uitspraken
doen, waarbij de keuze bij de deelnemer ligt. In het geval van een bindende uitspraak
zijn beide partijen daaraan gebonden.
Vraag 6
Bent u bereid te onderzoeken of pensioenfondsen verplicht kunnen worden om gemotiveerd
te reageren op adviezen van de Ombudsman Pensioenen en deze in beginsel uit te voeren,
tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten?
Antwoord 6
Op dit moment zie ik daar geen aanleiding toe. Mede omdat het systeem al zo is ingericht
dat de Ombudsman Pensioenen zelf kan escaleren door het advies alsnog openbaar te
maken dan wel aangezien de mogelijkheid bestaat tot bindende uitspraken zoals ik schreef
in mijn antwoord op vraag 5.
Vraag 7
Acht u het wenselijk dat deelnemers beter beschermd worden tegen fouten van pensioenfondsen,
bijvoorbeeld door het wettelijk versterken van de positie van de Ombudsman of door
aanvullende bevoegdheden voor toezicht en handhaving?
Antwoord 7
Bescherming van deelnemers is belangrijk. In de Wet toekomst pensioenen (Wtp) zijn
daarom wettelijke voorschriften opgenomen voor pensioenuitvoerders voor de inrichting
van een interne klachtenprocedure en geldt er een verplichte aansluiting bij een onafhankelijke
buitenrechtelijke geschilleninstantie (ADR). Voor pensioen opgebouwd bij een pensioenfonds
bestaat daarom sinds 1 januari 2024 de GIP en voor pensioen opgebouwd bij een verzekeraar
of premiepensioeninstelling het Kifid. Zowel bij de GIP als het Kifid kunnen mensen
op een laagdrempelige wijze geschillen indienen na het doorlopen van de klachtenprocedure
bij de pensioenuitvoerder zelf. Deelnemers kunnen daarbij kiezen tussen bemiddeling
en (bindende) beslechting. In het geval van bindende beslechting zijn beide partijen
aan de uitspraak gebonden. Daarnaast kunnen deelnemers er ook voor kiezen een geschil
voor te leggen aan de rechter. Aanvullende toezicht- of handhavingsbevoegdheden acht
ik derhalve niet noodzakelijk.
Vraag 8
Bent u bekend met het artikel «Uitspraken Geschilleninstantie doorgaans in nadeel
deelnemer» van Pensioen Pro van 13 oktober 20252?
Antwoord 8
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 9
Klopt het dat sinds de oprichting van de GIP slechts drie van de achttien bindende
uitspraken in het voordeel van deelnemers zijn uitgevallen? Zo ja, hoe beoordeelt
u deze scheve verhouding?
Antwoord 9
Ja dit aantal klopt, maar dat betekent niet dat het gaat om een scheve verhouding.
Dat de verhouding op dit moment onevenredig is, maakt deze nog niet scheef. Zoals
Max Ombudsman Rogier de Haan ook aangeeft in het genoemde artikel, kan dit komen door
de laagdrempeligheid van alternatieve geschilbeslechting. Daarnaast lost GIP in een
vroeg stadium van geschilbehandeling al veel geschillen op door middel van bemiddeling.
Vraag 10
Deelt u de zorg van deskundigen, waaronder Mark Heemskerk en Wout Wijnbeek, dat deelnemers
zonder juridische bijstand aanzienlijk minder kans maken om hun gelijk te halen dan
pensioenfondsen die professioneel vertegenwoordigd zijn? Hoe waarborgt u dat deelnemers
een gelijkwaardige procespositie hebben?
Antwoord 10
Bij geschilleninstanties zoals de GIP en het Kifid wordt gezorgd voor een evenwichtige
balans tussen de rechtzoekende en de al dan niet beter geïnformeerde professional
van een bedrijf of organisatie. Dit wordt gedaan door het toevoegen van de onafhankelijke
expertise van de geschilleninstantie.
Vraag 11
Acht u het wenselijk dat de GIP – zoals nu het geval is – geen bevoegdheid heeft om
de inhoud van pensioenreglementen te toetsen? Zo ja, waarom? Zo nee, overweegt u om
dit toetsingsverbod aan te passen?
Antwoord 11
De GIP kan niet treden in beleidsmatige keuzes van sociale partners. Dit valt onder
de onderhandelingsvrijheid van sociale partners. Een uitspraak over de inhoud van
het pensioenreglement raakt bovendien het collectief en dat valt buiten de bevoegdheid
van de GIP. Ik acht het onwenselijk deze systematiek te doorbreken.
Het blijft echter wel van belang dat het raamwerk van een pensioenreglement voldoet
aan alle van toepassing zijnde wet- en regelgeving zoals de Pensioenwet. Daar zal
zowel de GIP als de rechter wel op kunnen toetsen.
Vraag 12
Bent u het ermee eens dat deze beperkte bevoegdheden ertoe leiden dat deelnemers vaak
met lege handen achterblijven, ook in situaties waarin sprake is van onduidelijke
communicatie vanuit pensioenfondsen?
Antwoord 12
Hier ben ik het niet mee eens. De GIP is bevoegd om uitspraken te doen in individuele
gevallen die betrekking hebben op de uitvoering van het pensioenreglement. Communicatie vanuit pensioenfondsen maakt per definitie
onderdeel uit van die uitvoering. Op de uitvoering van de communicatievoorschriften
houdt tevens AFM toezicht.
Vraag 13
Zijn er signalen dat deelnemers ten onrechte verwachten dat zij via de GIP ook beleidsmatige
of stelselgerelateerde kwesties – zoals het invaren onder de Wet toekomst pensioenen
– kunnen aanvechten? Zo ja, wat gaat u doen om deze verwachtingen beter te managen?
Antwoord 13
Ik ben niet bekend met dit soort signalen, ook na navraag bij de GIP of de Pensioenfederatie.
Informatie over het indienen van klachten en geschillen staat op www.pensioenduidelijkheid.nl.
Vraag 14
Overweegt u om de communicatievereisten voor pensioenfondsen aan te scherpen, zodat
deelnemers beter weten waar ze terechtkunnen met welke klachten?
Antwoord 14
Pensioenuitvoerders zijn op grond van de wet verplicht deelnemers goed te informeren
over hun eigen interne klachtenprocedure als ook de externe geschilmogelijkheden.
Daarnaast staat op de website pensioenduidelijkheid.nl veel informatie over hoe geschilbeslechting
werkt en waar deelnemers terecht kunnen met klachten. Verdere aanscherping is dan
ook niet nodig.
Vraag 15
Hoe beoordeelt u de oproep van deskundigen om geschillen over pensioenen vaker door
de rechterlijke macht te laten behandelen, in plaats van via alternatieve geschilleninstanties?
Antwoord 15
Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de geschilleninstanties
in het algemeen, noch aan die van de GIP in het bijzonder. Integendeel, ik zie juist
de toegevoegde waarde van een ADR. Het kabinet stimuleert ook het gebruik van alternatieve
geschilbeslechting zoals bemiddeling en mediation, als laagdrempelig en relatief efficiënt
alternatief voor de rechter. Hieruit kan worden afgeleid dat een ADR bijdraagt aan
een snelle en toegankelijke oplossing van geschillen voor burgers, in lijn met het
rijksbeleid om geschillen effectief en efficiënt te beslechten3. Door de Wet toekomst pensioenen is de interne klachtenprocedure bij pensioenuitvoerders
verder aangescherpt, zijn externe geschilleninstanties voor pensioenzaken aangewezen
en is extra geld naar de Rechtspraak gegaan. Deze gelaagde opzet biedt naar mijn mening
een stevig kader voor de behandeling en beslechting van klachten en geschillen.
Vraag 16
Bent u bereid om:
a. De rol en bevoegdheden van de GIP te evalueren;
b. Te onderzoeken of aanpassing van het toetsingsverbod mogelijk is;
c. De toegankelijkheid van juridische bijstand voor deelnemers te verbeteren?
Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 16
Het functioneren van de GIP wordt in 2028 geëvalueerd zoals bepaald in de Wtp.
Vraag 17
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deelnemers ook daadwerkelijk vertrouwen kunnen hebben
in een eerlijke en onafhankelijke geschilbeslechting over hun pensioen?
Antwoord 17
Met de gelaagde opzet voor behandeling van klachten en geschillen ben ik ervan overtuigd
een stevig en solide kader te bieden aan deelnemers om hun kwesties voor te kunnen
leggen. Met daar bovenop de verplichte informatie over klachten en geschillen door
pensioenuitvoerders en de informatievoorziening door overheid en pensioensector, waardoor
deelnemers alle benodigde informatie kunnen vinden.
Vraag 18
Kunt u garanderen dat de GIP, de Ombudsman en de toezichthouders voldoende middelen
en bevoegdheden krijgen om hun rol effectief te vervullen, juist in de komende jaren
van pensioentransitie?
Antwoord 18
De Wtp is zo ingericht om een goede transitie mogelijk te maken. Onderdeel daarvan
is de versterking van de klachten- en geschillenprocedure zoals eerder benoemd. Het
wettelijk kader en de daarin opererende actoren zoals geschilleninstanties, toezichthouders,
pensioenuitvoerders en rechtelijke macht zorgen als geheel voor voldoende checks and
balances in deze grote transitie.
Vraag 19
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Antwoord 19
U heeft de antwoorden zo spoedig mogelijk ontvangen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.