Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: [MFK] Voorstel verordening voor de oprichting van Global Europe (Kamerstuk 22112-4159)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4204
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 11 november 2025
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over
de brief van 12 september 2025 over het Fiche: [MFK] Voorstel verordening voor de
oprichting van Global Europe (Kamerstuk 22 112, nr. 4159).
De vragen en opmerkingen zijn op 2 oktober 2025 aan de Staatssecretaris van Buitenlandse
Zaken voorgelegd. Bij brief van 11 november 2025 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Thijssen
Adjunct-griffier van de commissie, Prenger
Inhoudsopgave
blz.
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Inbreng PVV-fractie
2
Inbreng GroenLinks-PvdA-fractie
5
Inbreng VVD-fractie
13
Inbreng NSC-fractie
17
Inbreng BBB-fractie
22
Inbreng SP-fractie
26
II.
Volledige agenda
30
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inbreng leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat zij principieel tegen elke vorm van ontwikkelingshulp
zijn, zowel nationaal als Europees. De leden van de PVV-fractie willen dat alle middelen
die nu aan ontwikkelingshulp worden besteed, terugvloeien naar de lidstaten om te
worden ingezet voor de eigen burgers. Vanuit dit perspectief zijn de leden van de
PVV-fractie volledig tegen het voorstel voor de oprichting van Global Europe. Dit
instrument vergroot de macht van de Europese Commissie en leidt tot hogere afdrachten
door Nederland, terwijl juist het omgekeerde nodig is: minder Brusselse macht en meer
zeggenschap terug naar de lidstaten.
Indien het voorstel toch zou worden doorgevoerd, vinden de leden van de PVV-fractie
dat er zeer strikte voorwaarden moeten gelden.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het budget voor Global Europe meer dan
200 miljard euro bedraagt, exclusief een extra 100 miljard euro reserve voor Oekraïne.
Zij vragen de Staatssecretaris hoeveel dit concreet betekent voor de Nederlandse afdrachten
aan de EU, en of zij erkent dat dit bedrag buiten elke proportie is in een tijd waarin
Nederlandse huishoudens worden geconfronteerd met torenhoge lasten en tekorten in
publieke voorzieningen.
1. Antwoord van het kabinet:
De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU is gebaseerd op de maximale betalingenplafonds
van het MFK plus de inzet van de speciale instrumenten. De genoemde bedragen voor
Global Europe en de Oekraïne-reserve zijn daarbij voorstellen van de Commissie. De
uiteindelijke omvang van het MFK en van de Nederlandse afdrachten hangt af van de
uitkomst van de lopende onderhandelingen over zowel het MFK als het nieuwe eigenmiddelenbesluit.
De Oekraïne-reserve is een speciaal instrument dat buiten de MFK-plafonds valt. Voor
dit instrument kan afzonderlijk worden berekend wat dit betekent voor de Nederlandse
afdracht. Zoals aangegeven in de MFK-Kamerbrief van 12 september jl. heeft de Commissie
nog geen voorstel gedaan voor de verdeling leningen enerzijds en niet-terugbetaalbare
steun en budgettaire garanties anderzijds. Een grotere verhouding niet-terugbetaalbare
steun ten opzichte van leningen leidt tot hogere Nederlandse afdrachten aan de EU.
Indien de beoogde 100 miljard euro (de gehele Oekraïne Reserve) als niet-terugbetaalbare
steun zou worden vormgegeven, zou dit voor Nederland een BNI-afdracht van gemiddeld
circa € 0,9 miljard per jaar zijn. De verwachting is echter dat de Commissie, net
als bij de tussentijdse MFK-herziening, een combinatie van leningen en niet-terugbetaalbare
steun zal voorstellen. Het kabinet acht het verstandig om waar mogelijk vooraf de
verhouding tussen niet-betaalbare steun en leningen overeen te komen, met oog voor
de schuldhoudbaarheidspositie van Oekraïne.
Op een later moment zal meer zicht zijn op de daadwerkelijke noden van Oekraïne, waarop
de steun moet worden afgestemd. Duidelijk is dat Oekraïne de komende jaren afhankelijk
blijft van externe financiering om het land maatschappelijk en economisch overeind
te houden, wat ook van groot belang is voor de militaire positie van het land. Wanneer
meer informatie bekend is over hoe de Oekraïne reserve wordt ingericht, zal de Kamer
hierover worden geïnformeerd, ook over de implicaties voor de Nederlandse afdracht.
De leden van de PVV-fractie merken op dat de Commissie ruime bevoegdheden krijgt om
budgetten te herschikken en percentages voor officiële ontwikkelingshulp zelfstandig
aan te passen. Zij vragen de Staatssecretaris of zij bereid is zich in te zetten om
deze bevoegdheden niet aan Brussel, maar aan de lidstaten en hun parlementen te laten.
2. Antwoord van het kabinet:
Op basis van het Verdrag betreffende de Werking van de EU (artikel 290, lid 1) kan
de Commissie via zogenaamde gedelegeerde handelingen wetgeving wijzigen of aanvullen.
De mogelijkheid hiertoe is beperkt tot niet-essentiële onderdelen van verordeningen.
De Raad en het Europees Parlement behouden zeggenschap over de hoofdlijnen van het
beleid. Lidstaten kunnen in Raadsverband bezwaar maken tegen afzonderlijke gedelegeerde
handelingen of delegatie aan de Commissie herroepen. In het voorstel voor Global Europe
is een gedelegeerde handeling voorzien voor het aanpassen van het ODA-percentage.
Het kabinet betwijfelt echter of de mogelijkheid om het ODA-percentage aan te passen
als niet-essentieel onderdeel van de verordening beschouwd kan worden. Deze vraag
zal het kabinet tijdens de lopende onderhandelingen inbrengen. Daarnaast acht het
kabinet het niet wenselijk deze bevoegdheid aan de Commissie toe te kennen, aangezien
besluiten met grote beleidsinhoudelijke gevolgen een grotere mate van betrokkenheid
van de lidstaten vergen. Of deze inzet zich zal vertalen in een pleidooi voor het
schrappen of het aanpassen van het artikel, hangt samen met het antwoord op de juridische
vraag over het niet-essentiële karakter van het voorstel, en zal het kabinet tijdens
de lopende onderhandelingen bezien.
De leden van de PVV-fractie stellen vast dat ontwikkelingshulp, humanitaire steun,
uitbreidingssteun en geopolitieke instrumenten worden samengevoegd in één geïntegreerd
fonds. Zij vragen de Staatssecretaris of dit niet juist leidt tot een vervaging van
doelen en een politisering van hulp. Waarom kiest het kabinet ervoor dit te steunen
in plaats van ontwikkelingshulp te beperken tot échte noodhulp in plaats van Brussel’s
geopolitieke agenda?
3. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is positief over deze integratie omdat deze tot effectiever beleid kan
leiden. Zo houden we bovendien flexibiliteit om als lidstaten te sturen op de juiste
mix aan instrumenten, nodig om onze belangen te dienen in een tijd waarin de context
hiervoor sterk verandert. Belangrijk daarbij is dat humanitaire hulp onafhankelijk
en neutraal blijft, vallend onder de Humanitarian Aid Regulation van 1996, en gebaseerd
op humanitaire principes en het internationaal recht.
De leden van de PVV-fractie merken op dat het voorstel spreekt over conditionaliteit
inzake migratie, maar dat er geen harde garanties zijn dat partnerlanden hun eigen
onderdanen terugnemen. Zij vragen de Staatssecretaris of zij bereid is in de EU te
pleiten voor een zero tolerance-aanpak: geen EU-geld zonder daadwerkelijke terugname
van illegale migranten.
4. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet steunt het inzetten van conditionaliteit voor het bevorderen van terugkeersamenwerking
middels Global Europe. Ter aanscherping van het voorstel pleit het kabinet voor zowel
de toepassing van harde conditionaliteiten waar dit mogelijk en wenselijk is, als
het werken met positieve prikkels, waarbij effectiviteit van het gevoerde beleid voorop
staat. De mogelijkheid van opschorting van financiering is een belangrijk instrument,
waarmee een duidelijk signaal kan worden afgegeven. Dergelijke besluiten over opschorting
van middelen moeten zorgvuldig worden afgewogen tegen andere Europese strategische
belangen op het gebied van onder andere stabiliteit, veiligheid en handel.
Bovendien hecht het kabinet belang aan de OESO-richtlijnen voor officiële ontwikkelingssamenwerking,
die tot doel hebben de effectiviteit van ontwikkelingshulp te waarborgen. Binnen deze
kaders is er ruimte om prioriteit te geven aan landen die bereid zijn tot terugkeersamenwerking
met de EU. Het kabinet zal in de onderhandelingen pleiten voor opname van deze vorm
van conditionaliteit in Global Europe. Daarmee wordt verzekerd dat terugkeersamenwerking
als dwarsdoorsnijdende prioriteit een niet-vrijblijvend onderdeel van de inzet van
Global Europe is, waaronder in partnerschappen.
Voorts constateren de leden van de PVV-fractie dat het voorstel voorziet in prestatiegerichte
steun aan kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten. Deze leden zijn principieel
tegen verdere EU-uitbreiding en vraagt de Staatssecretaris of zij bereid is deze steun
te blokkeren.
5. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet houdt strikt vast aan de eisen voor EU-lidmaatschap, inclusief de zogenoemde
Kopenhagen-criteria. Hervormingen op het gebied van goed bestuur, transparantie en
de rechtsstaat zijn belangrijk en waar mogelijk ondersteunt Nederland daarbij. Het
kabinet ondersteunt prestatiegerichte steun aan kandidaat-lidstaten, gericht op het
behalen van de Kopenhagencriteria, fundamentele hervormingen en overname, implementatie
en handhaving van het EU-acquis. Deze steun en deze hervormingen dragen ook bij aan
stabiliteit en weerbaarheid in de nabuurregio van de EU en zijn daarmee ook in het
belang van Nederland. Het kabinet acht het daarom niet opportuun deze steun te blokkeren.
De Nederlandse inzet in de onderhandelingen zal erop gericht zijn dat middelen worden
ingezet ten behoeve van concrete hervormingsresultaten.
Ten aanzien van de 100 miljard euro reserve voor Oekraïne vragen de leden van de PVV-fractie
waarom er geen harde scheiding wordt gemaakt tussen leningen en giften. Kan de Staatssecretaris
uitsluiten dat dit opnieuw uitdraait op een blanco cheque, gefinancierd door de Nederlandse
belastingbetaler?
6. Antwoord van het kabinet:
Zie beantwoording van vraag 1.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie om volledige transparantie in de besteding
van middelen binnen Global Europe. Zij verzoeken dat alle jaarverslagen en financiële
rapportages volledig openbaar worden gemaakt, zodat nationale parlementen en burgers
kunnen zien waar het geld naartoe gaat.
7. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet hecht groot belang aan transparantie, verantwoordingsplicht en inzicht
in de besteding van middelen binnen het nieuwe MFK en daarmee ook binnen Global Europe.
De Commissie stelt een horizontaal prestatiekader voor dat de resultaten en uitgaven
voor alle pijlers van het MFK meet. In dit kader worden interventiegebieden gekoppeld
aan specifieke output- en resultaatindicatoren. Het kabinet steunt dit streven, en
kijkt daarbij scherp naar de uitvoerbaarheid van het voorgestelde kader en de kwaliteit
en relevantie van de geselecteerde indicatoren. Daarnaast hecht het kabinet eraan
dat transparantie ook in de uitvoering wordt gewaarborgd. De Commissie stelt voor
publiek te rapporteren over de voortgang, onder meer via een openbare website over
de uitvoering van de EU-begroting, inclusief Global Europe-programma’s. Het kabinet
ondersteunt deze modernisering en pleit ervoor dat de rapportages volledig, begrijpelijk
en tijdig beschikbaar zijn.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Staatssecretaris hoe zij gaat voorkomen
dat Nederlandse belastingbetalers opdraaien voor oninbare leningen aan derde landen.
8. Antwoord van het kabinet:
De leningen die de EU aangaat voor het financieren van leningen aan derde landen,
bijvoorbeeld via macro-financiële of beleidsleningen, worden gegarandeerd met het
gemeenschappelijk voorzieningsfonds. Dit fonds wordt gevoed met de budgetten die beschikbaar
zijn voor Global Europe. Daarmee ontstaat er geen risico op hogere EU-afdrachten en
hoeft geen garantie opgenomen te worden op de begroting van het Ministerie van Financiën.
Als de mogelijkheden tot het verstrekken van dergelijke leningen aan derde landen
verder gaan dan dit type faciliteiten zal het kabinet daar zeer kritisch naar kijken.
De leden van de PVV-fractie zien uit naar een heldere beantwoording van bovenstaande
vragen en rekenen op een duidelijke inzet van het kabinet om de Nederlandse belastingbetaler
te beschermen en de macht van Brussel te beperken.
Inbreng leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het nieuwe instrument Global Europe een ingrijpende hervorming van het buitenlandbeleid van de EU betekent. Verschillende
afzonderlijke instrumenten worden samengebracht in één budget. Hoewel dit meer samenhang
en flexibiliteit moet bieden, zien de leden aanzienlijke risico’s. Voor de leden van
de GroenLinks-PvdA fractie staat voorop dat ontwikkelingssamenwerking gericht moet
blijven op haar kerntaak: het versterken van lokale capaciteit en goed bestuur, het
bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, het bestrijden van armoede en het
verkleinen van kwetsbaarheid voor o.a. klimaatrampen. Zij hebben daarom verschillende
vragen en opmerkingen over het Global Europe-voorstel en over de kabinetsinzet.
Risico op politisering en gebrek aan strategie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat een duidelijk overkoepelend
beleidskader ontbreekt. Zij vrezen dat politieke korte-termijn-prioriteiten – zoals
geopolitieke belangen en migratiebeheersing – de boventoon gaan voeren. Ziet het kabinet
dit risico? Deelt zij de analyse dat juist een inzet op duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding
en waardengedreven partnerschappen de strategische belangen van de EU dient, mede
doordat dit vertrouwen opbouwt bij partners, zoals ook de WRR aanbeveelt?
9. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van een strategische en samenhangende inzet van
de EU in het externe beleid. In lijn met het Nederlandse ontwikkelingsbeleid en de
ODA-definitie richt het voorstel zich op de lange-termijnontwikkeling van partnerlanden,
terwijl het ook ruimte biedt voor het aanpakken van actuele mondiale uitdagingen zoals
migratie en veiligheid. Dit is ook goed voor de Nederlandse en Europese economische
weerbaarheid en concurrentiekracht, en sluit daarmee aan bij de aanbevelingen uit
het WRR-rapport en het Draghi-rapport1.
Hoe borgt het kabinet dat de EU bijdraagt aan het behalen van de SDG’s en haar verdragsverplichting
tot armoedebestrijding nakomt? Hoe geeft het kabinet uitvoering aan de motie-Hirsch
en Ceder over armoedebestrijding als uitgangspunt waarborgen?2 Welke mechanismen gaat het kabinet de Europese Commissie vragen hiervoor concreet
in te zetten?
10. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet acht het van belang dat de EU haar verdragsverplichting tot armoedebestrijding
en de doelstellingen van de SDG’s nakomt op basis van het Verdrag betreffende de Europese
Unie (artikel 3, lid 5) In lijn met de motie-Hirsch en Ceder blijft armoedebestrijding
het uitgangspunt van de Nederlandse inzet voor het Europese ontwikkelingsbeleid.
Het kabinet zet zich ervoor in dat de Commissie deze doelen expliciet verankert in
het ontwerp en de uitvoering van EU-programma’s, waaronder Global Europe. De voortgang
hiervan wordt gevolgd via het horizontale prestatiekader van het MFK.
De leden constateren dat Global Europe een grote rol ziet weggelegd voor de private
sector, en ook subsidies voor de private sector bevat. De leden benadrukken dat duurzame
ontwikkeling bereikt kan worden via eerlijke handel, die welzijn van mens en milieu
in ontwikkelingslanden versterkt. Zij vragen zich af wat op dit moment de handelsrelaties
zijn met de landen en regio’s waar het Global Europe instrument op focust?
11. Antwoord van het kabinet:
Global Europe ondersteunt het Europese economische buitenlandbeleid door hulp en handel
te combineren in partnerschappen die zowel de belangen van partnerlanden als van de
EU dienen. Dit komt tot uitdrukking in de componenten concurrentievermogen en weerbaarheid,
die gelden over de vijf regionale pijlers: Europa, Noord-Afrika, Midden-Oosten en
Golf, Sub-Sahara Afrika, Azië en Pacific, het Westelijk halfrond, en daarnaast een
mondiale pijler.
In deze regio’s onderhoudt de EU handelsrelaties via diverse instrumenten, waaronder
handelsakkoorden en het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS), dat tariefpreferenties
biedt aan ontwikkelingslanden. Hiermee bevordert de EU zowel duurzame economische
ontwikkeling als eerlijke handel, waarmee welzijn van mens en milieu in partnerlanden
wordt versterkt. Het kabinet steunt deze geïntegreerde aanpak en ziet hierin een effectieve
combinatie van economische belangen, geopolitieke slagkracht en duurzame ontwikkeling.
Hoeveel private investeringen doen Europese financiële instellingen en bedrijven in
de regio?
12. Antwoord van het kabinet:
In totaal werd er volgens de World Investment Report 2025 in 2.024 USD 867 miljard aan directe buitenlandse investeringen vanuit ontwikkelde
economieën in opkomende economieën in regio’s buiten Europa gedaan, maar hierbij is
geen opsplitsing gemaakt in het bedrag dat kwam van Europese financiële instellingen
en bedrijven. Aanvullende en meer toegespitste cijfers over Europese financiële instellingen
en bedrijven zijn niet beschikbaar.
Deelt het kabinet de visie dat duurzame ontwikkeling het best bereikt kan worden door
deze handelsrelaties te verduurzamen en vrij te maken van uitbuiting, rechtenschendingen
en vervuiling? Hoe verhoudt dit zich tot de afzwakking van de regulering die deze
handelsketens moet verduurzamen?
13. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet wil dat duurzame ontwikkeling wordt bevorderd door handelsrelaties te
verduurzamen en uitbuiting, mensenrechtenschendingen en milieuvervuiling te voorkomen.
Dit wordt gestimuleerd via multilaterale afspraken, bilaterale handelsakkoorden en
EU-wetgeving, zoals de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) en
de Anti-Dwangarbeidverordening (Forced Labour Regulation, FLR). De CSDDD verplicht
grote bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen, waarbij
risico’s voor mensenrechten, arbeidsrechten en milieu moeten worden geïdentificeerd,
voorkomen en aangepakt. De FLR verbiedt producten die met dwangarbeid zijn vervaardigd
op de EU-markt te brengen of te exporteren.
Het kabinet ziet het als belangrijk dat investeringen binnen Global Europe zowel strategisch
zinvol als maatschappelijk verantwoord zijn en zal tijdens de onderhandelingen aandacht
vragen voor de borging van deze normen in de uitvoering van het instrument.
Is het kabinet bereid te pleiten voor afdwingbare en contractueel vastgelegde eisen
op gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen voor de financiële instellingen
en bedrijven die via Global Europe EU-steun ontvangen? Zo nee, waarom niet?
14. Antwoord van het kabinet:
Investeringen via Global Europe moeten niet alleen strategisch zinvol zijn, maar ook
maatschappelijk verantwoord. Dit vereist duidelijke kaders in lijn met de OESO-richtlijnen
voor multinationale ondernemingen over maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Afschaffing uitgavendoelstellingen voor gender en klimaat
De leden constateren dat bindende uitgavendoelstellingen voor klimaat (voorheen 30%),
gender en regio’s zoals Sub-Sahara Afrika zijn geschrapt. Het enige kwantitatieve
doel is dat 90% van de uitgaven ODA-waardig moet zijn, maar de Commissie kan dit percentage
via gedelegeerde handelingen aanpassen volgens artikel 6, lid 6. Deelt het kabinet
de analyse dat dit democratisch toezicht door, en de verantwoordingsplicht aan, het
Europees Parlement ondermijnt? Is zij bereid te pleiten voor het schrappen van dit
artikel?
15. Antwoord van het kabinet:
Op basis van het Verdrag betreffende de Werking van de EU (artikel 290, lid 1) kan
de Commissie via zogenaamde gedelegeerde handelingen wetgeving wijzigen of aanvullen.
De mogelijkheid hiertoe is beperkt tot niet-essentiële onderdelen van verordeningen.
De Raad en het Europees Parlement behouden zeggenschap over de hoofdlijnen van het
beleid. Lidstaten kunnen in Raadsverband bezwaar maken tegen afzonderlijke gedelegeerde
handelingen of delegatie aan de Commissie herroepen. In het voorstel voor Global Europe
is een gedelegeerde handeling voorzien voor het aanpassen van het ODA-percentage.
Het kabinet betwijfelt echter of de mogelijkheid om het ODA-percentage aan te passen
als niet-essentieel onderdeel van de verordening beschouwd kan worden. Deze vraag
zal het kabinet tijdens de lopende onderhandelingen inbrengen. Daarnaast acht het
kabinet het niet wenselijk deze bevoegdheid aan de Commissie toe te kennen, aangezien
besluiten met grote beleidsinhoudelijke gevolgen een grotere mate van betrokkenheid
van de lidstaten vergen. Of deze inzet zich zal vertalen in een pleidooi voor het
schrappen of het aanpassen van het artikel, hangt samen met het antwoord op de juridische
vraag over het niet-essentiële karakter van het voorstel, en zal het kabinet tijdens
de lopende onderhandelingen bezien.
Het verdwijnen van specifieke doelstellingen voor klimaat en gender baart de leden
van deze fractie grote zorgen. Zij vragen het kabinet hoe wordt voorkomen dat deze
prioriteiten verwateren. Welke instrumenten voor effectbeoordeling gaat de EU inzetten,
bijvoorbeeld ongelijkheids- en genderindicatoren?
16. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet verwijst voor een nadere duiding van de doelstellingen voor klimaat en
gender binnen het Meerjarig Financieel Kader naar het BNC-fiche Prestatiekader.3 Hierin wordt uitgelegd hoe horizontale beginselen, zoals klimaat, milieu en gendergelijkheid,
consistent worden toegepast over de gehele EU-begroting, inclusief Global Europe.
Voor het totale MFK-begrotingsbedrag geldt een minimaal bestedingspercentage van 35
procent voor klimaat- en milieudoelstellingen, waarbij biodiversiteit ook onder dit
percentage valt. Binnen Global Europe blijft een specifieke doelstelling voor klimaat
en milieu behouden, met een voorgesteld minimaal bestedingspercentage van 30 procent.
Voor gendergelijkheid zal de Commissie technische richtsnoeren verstrekken om scores
in programma’s en activiteiten te bepalen, zodat deze prioriteiten niet verwateren.
Wat gendergelijkheid betreft, constateren de leden van de GroenLinks-PvdA fractie
dat de schrapping van de genderdoelstellingen een duidelijke stap terug zijn ten opzichte
van eerdere toezeggingen van de EU. De leden vragen het kabinet of zij bekend zijn
met het feit dat onderzoek uitwijst dat gender- en klimaatmainstreaming zonder bindende
doelstellingen beperkt bijdraagt aan de doelstellingen.
17. Antwoord van het kabinet:
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16, zijn de technische richtsnoeren voor
genderdoelstellingen nog niet gepubliceerd. Er is daarom op dit moment geen sprake
van een schrapping van de genderdoelstellingen binnen het MFK en Global Europe.
Dit indachtig vragen deze leden zich af of het kabinet hetzelfde risico ziet als deze
leden, namelijk dat genderdoelstellingen worden verwaterd in bredere programma's en
in de praktijk niet effectief worden uitgevoerd. Dit baart de leden extra zorgen door
de huidige wereldwijde context waarin vrouwenrechten zwaar onder druk staan, financiering
voor vrouwenrechten wordt teruggeschroefd door allerlei overheden, en de antirechtenbeweging
steeds meer voet aan de grond krijgt. De leden vragen zich af waarom het kabinet niet
reageert op dit punt in de kabinetsreactie? Deelt het kabinet de analyse dat juist
nu leiderschap nodig is om de wereldwijde trends te keren?
18. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van bescherming en bevordering van vrouwenrechten
en gendergelijkheid, zowel binnen het Nederlandse buitenlandse beleid als in EU-verband.
Hiertoe blijft het kabinet zich inzetten voor de naleving van internationale verplichtingen,
waaronder het Istanbul Verdrag, het VN-Vrouwenverdrag en VN-resoluties over Vrouwen,
Vrede en Veiligheid.
Het kabinet deelt de analyse dat genderdoelstellingen effectief moeten worden uitgevoerd.
Het kabinet zal de door de Commissie te ontwikkelen richtsnoeren voor genderdoelstellingen
zorgvuldig bestuderen en erop toezien dat deze effectief bijdragen aan gendergelijkheid
in de uitvoering van Global Europe (zie ook antwoord op vraag 16).
Deelt het kabinet dat, zonder concrete maatregelen en monitoringmechanismen, gendergelijkheid
van de externe agenda van de EU gaat verdwijnen? Is de Staatssecretaris bereid hierover
in Europa met gelijkgezinde landen, bijvoorbeeld landen als Spanje en Frankrijk die
een feministisch buitenlandbeleid voeren, op te trekken?
19. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft dat gendergelijkheid op de EU-agenda moet blijven en dat
effectieve monitoringmechanismen essentieel zijn, zoals de richtsnoeren voor het bepalen
van gendergelijkheidsscores in programma’s en activiteiten.
Ook het verdwijnen van de klimaatdoelstelling van 30% achten de leden zorgelijk. Zij
zien een reëel gevaar dat klimaatdoelstellingen, met name financiering voor adaptatie,
naar de achtergrond verdwijnen. Welke gevolgen heeft dit volgens het kabinet voor
de geloofwaardigheid van de EU als mondiale klimaatleider, en welk signaal geeft dit
aan landen in het mondiale Zuiden die nu al de gevolgen van klimaatverandering ervaren,
en steeds vaker meetbare toezeggingen eisen op klimaat?
20. Antwoord van het kabinet:
De klimaatdoelstelling van het MFK verdwijnt niet. Net als in eerdere MFK's stelt
de Commissie een minimumpercentage voor klimaat, milieu en biodiversiteitsuitgaven.
Het huidige MFK bevat een minimumpercentage van 10 procent voor biodiversiteit en
30 procent voor klimaat- en milieu-uitgaven. Het voorgestelde nieuwe MFK zet dit beleid
voort door een gecombineerd percentage van 35 procent voor klimaat en milieu, waar
biodiversiteit ook onder dit percentage valt. Voor Global Europe geldt een specifiek
voorgesteld minimum bestedingspercentage van 30 procent.
Daarnaast is in het voorstel voor Global Europe expliciet opgenomen dat de naleving
van de afspraken uit de Overeenkomst van Parijs een van de doelstellingen van het
instrument is. Het kabinet is positief over deze borging.
Daarnaast constateren de leden dat er geen specifieke toewijzingen meer zijn voor
democratie, mensenrechten, vrede, stabiliteit en het maatschappelijk middenveld. Deelt
het kabinet de vrees dat deze kernwaarden overschaduwd raken? Is het kabinet bereid
zich in te zetten om deze prioriteiten te waarborgen?
21. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is voorstander van een landenbenadering boven thematische programmering
en onderschrijft het vervallen van afzonderlijke thematische budgetten. Dit is in
lijn met de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp van 20 februari jl. (Kamerstuk 36 180, nr. 133).
Tegelijk acht het kabinet het van belang dat deze verschuiving niet leidt tot een
verzwakking van de inzet op fundamentele waarden, zoals mensenrechten, democratie,
rechtsstaat, goed bestuur, fundamentele vrijheden en de internationale rechtsorde.
Het kabinet zal zich er daarom voor inzetten dat binnen de middelen van Global Europe
voldoende ruimte blijft voor deze prioriteiten. Ook hecht het kabinet eraan dat in
de landenbenadering duidelijk wordt hoe aan deze dwarsdoorsnijdende thema’s wordt
gewerkt, zodat de lidstaten via de Raad hier effectief op kunnen sturen.
Voorwaardelijkheid van fondsen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het voorstel stelt dat de EU
betalingen kan opschorten bij «onvoldoende» terugkeersamenwerking. De leden constateren,
samen met allerlei experts, dat dit niet in lijn is met de OESO-richtlijnen. Zij vragen
het kabinet hierop te reageren. Acht het kabinet het, net zoals de leden van de fractie
van GroenLinks-PvdA, van belang dat de programmering onder Global Europe voldoet aan
internationale afspraken, zoals die van de OESO? Zo ja, hoe gaat de Staatssecretaris
ervoor zorgen dat de uitgaven onder het Global Europe instrument aan de OESO-richtlijnen
blijven voldoen?
22. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is voorstander van het gebruik van maatregelen om terugkeersamenwerking
te bevorderen. Daarbij is het wel van belang dat de OESO-richtlijnen voor officiële
ontwikkelingssamenwerking gevolgd worden. De Commissie stelt voor dat dat 90 procent
van de fondsen ODA middelen zullen zijn en daarmee dus moeten voldoen aan deze richtlijnen.
Binnen deze kaders is er ruimte om prioriteit te geven aan landen die bereid zijn
tot terugkeersamenwerking met de EU. Dit kan ingezet worden als positieve prikkel.
Het kabinet stelt voor om deze vorm van conditionaliteit toe te voegen aan het voorstel,
naast de mogelijkheid om betalingen op te schorten waar dit mogelijk en wenselijk
is. Het kabinet heeft de Commissie om verdere verduidelijking gevraagd over hoe de
OESO-richtlijnen zich verhouden tot het voorstel over het opschorten van betalingen.
De leden vragen zich bovendien af hoe het kabinet en de Europese instituten in de
praktijk gaan monitoren dat migratiepartnerschappen voldoen aan internationaal recht,
mensenrechten en vluchtelingenrecht, zoals beschreven in artikel 12. Wat gebeurt er
als derde landen zich hier niet aan houden?
23. Antwoord van het kabinet:
Zowel het kabinet als de EU benadrukken dat migratiepartnerschappen met derde landen
uitsluitend kunnen plaatsvinden binnen de kaders van het internationaal recht, waaronder
het vluchtelingenrecht en de mensenrechtenverdragen. De naleving hiervan wordt in
de praktijk op verschillende niveaus gemonitord. In elk partnerschap zijn specifieke
monitorings- en evaluatiemechanismen ingebouwd. Daarnaast houdt de Commissie toezicht
op de uitvoering van de partnerschappen en rapporteert zij periodiek aan de Raad en
het Europees Parlement.
De EU-delegaties in de partnerlanden volgen de situatie ter plaatse nauwgezet, evenals
de Nederlandse ambassades. Indien er twijfel bestaat over de naleving van internationale
verplichtingen, kan het kabinet binnen de EU aandringen op maatregelen.
Focus op de meest kwetsbaren
De nadruk binnen Global Europe op nabij gelegen landen en strategische belangen dreigt
volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ten koste te gaan van fragiele landen.
Deze leden zien dat de groeiende inzet op publiek-private investeringen bijdraagt
aan de trend waarin meer geld gaat naar middeninkomenslanden en minder naar lage inkomenslanden.
Volgens een OESO-rapport ging slechts 11,1% van de ontwikkelingssamenwerking naar
de allerarmste landen – het laagste percentage ooit. Juist multilaterale ontwikkelingsbanken
zijn in staat landen in conflict en/of crisis in staat te stellen te investeren in
ontwikkeling. Een verschuiving van prioriteit van ontwikkeling naar «bankable» projecten
maakt de kapitaalmogelijkheden voor fragiele landen nog beperkter. Is het kabinet
het eens met deze leden dat investeringen in fragiele landen, conflicten voorkomen,
en zo op de lange termijn kosten gemoeid met rampen en conflicten besparen? Zo ja,
ziet het kabinet in dat een verwaterde focus op fragiele landen dus juist zorgt dat
de druk op humanitaire hulp verder toeneemt?
24. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van investeringen in fragiele contexten en conflictgebieden
en erkent dat dergelijke inzet kan bijdragen aan crisispreventie en het verminderen
van toekomstige humanitaire noden. Hoewel het voorstel nadruk legt op regio’s nabij
Europa en strategische belangen, blijft financiering beschikbaar voor fragiele contexten
daarbuiten.
De Commissie erkent in het voorstel dat een specifieke aanpak noodzakelijk is voor
fragiele contexten en conflictgebieden. Het voorziet daarom in ondersteuning van goed
bestuur, rechtsstaatbevordering en institutionele opbouw, zowel via de regionale pijlers
als via het niet-geprogrammeerde deel van het instrument, waaronder crisisrespons,
wederopbouw en preventieve interventies. Het kabinet acht het van belang dat deze
inzet nauw aansluit op lokale behoeften en eigenaarschap.
De leden benadrukken dat, terwijl het totale bedrag van 200,3 miljard euro ambitieus
oogt, de reële waarde van de begroting, gecorrigeerd voor inflatie, lager is dan in
het vorige MFK. Is het kabinet het eens dat het vermogen van de EU om haar mondiale
verplichtingen na te komen wordt ondermijnd? Is het kabinet het verder eens met de
analyse dat een bezuiniging op internationale samenwerking, om hogere defensie-uitgaven
te bekostigen, met elkaar in strijd is? Deelt het kabinet de analyse dat investeringen
in veiligheid en defensie juist gepaard moeten gaan met investeringen die conflict
voorkomen, zoals diplomatie, vrede en duurzame ontwikkeling, zoals experts op gebied
van vrede en veiligheid benadrukken? Zo nee, waarom niet?
25. Antwoord van het kabinet:
Het voorstel van de Commissie beoogt een geïntegreerde inzet van de EU externe acties.
Het kabinet deelt de analyse dat investeringen in veiligheid en defensie in samenhang
moeten worden bezien met conflictpreventie, en internationale samenwerking op die
beleidsterreinen. Deze overlappen deels, zijn complementair en versterken elkaar.
Een strategische en samenhangende inzet van middelen kan bovendien leiden tot meer
duurzame ontwikkelingsimpact in partnerlanden.
De geïntegreerde aanpak onder Global Europe biedt de mogelijkheid om veiligheid, stabiliteit,
economische weerbaarheid en duurzame ontwikkeling in meer samenhang te bevorderen.
Het instrument maakt het mogelijk om diplomatieke, ontwikkelings- en handelsinstrumenten
beter op elkaar af te stemmen en, waar relevant, ook inspanningen op het gebied van
veiligheid en stabiliteit te ondersteunen. Daarmee wordt ingezet op het versterken
van de weerbaarheid van partnerlanden, conflictpreventie en het aanpakken van onderliggende
oorzaken van instabiliteit.
Zeggenschap
Ondanks de omvang en ambitie van Global Europe ontbreken duidelijke mechanismen voor
inclusief bestuur. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het kabinet
in het ontwikkelingsbeleid, en in de reactie op het Commissievoorstel, belang hecht
aan lokaal eigenaarschap. Welke waarborgen wil het kabinet hiervoor opnemen en hoe
zorgt zij dat dit ook daadwerkelijk onderdeel wordt van het buitenlandbeleid van de
Unie? Hoe verhoudt lokaal eigenaarschap zich tot de wens van meer top-down politieke
sturing door de Raad? Is het kabinet bereid zich in te zetten voor meer betrokkenheid
van lokale maatschappelijke organisaties, inclusief financiering en toegang tot besluitvormingsfora?
Zal het kabinet zich harder inzetten voor transparantie over Global Europe uitgaven
en inzichtelijke data gepubliceerd op een publiek beschikbare webpagina?
26. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet benadrukt het belang aan lokaal eigenaarschap en inclusieve besluitvorming
binnen ontwikkelingssamenwerking. De uitvoering van Global Europe moet zo goed mogelijk aansluiten bij de prioriteiten, behoeften en ontwikkelingsdoelen
van partnerlanden en hun samenlevingen. Lokale betrokkenheid wordt gestimuleerd door
actieve participatie van maatschappelijke actoren bij de voorbereiding, uitvoering
en monitoring van programma’s, onder meer via de Team Europe-aanpak en het Global Gateway Civil Society and Local Authorities Advisory Platform.
Lokaal eigenaarschap en politieke sturing door de Raad vullen elkaar aan. Waar de
Raad de strategische richting bepaalt, vindt de uitvoering plaats in nauwe samenwerking
met partnerlanden en lokale maatschappelijke actoren. Het kabinet benadrukt in EU-verband
waar nodig dat politieke sturing niet ten koste mag gaan van inclusiviteit, lokaal
eigenaarschap of effectiviteit, en blijft zich inzetten voor een brede Team Europe-aanpak.
Het kabinet hecht ook groot belang aan transparantie, verantwoordingsplicht en inzicht
in de besteding van middelen binnen het nieuwe MFK en daarmee ook binnen Global Europe.
De Commissie stelt een horizontaal prestatiekader voor dat de resultaten en uitgaven
voor alle pijlers van het MFK meet. In dit kader worden interventiegebieden gekoppeld
aan specifieke output- en resultaatindicatoren. Het kabinet steunt dit streven, maar
kijkt scherp naar de uitvoerbaarheid van het voorgestelde kader en de kwaliteit en
relevantie van de geselecteerde indicatoren. Daarnaast hecht het kabinet eraan dat
transparantie ook in de uitvoering wordt gewaarborgd. De Commissie stelt voor publiek
te rapporteren over de voortgang, onder meer via een openbare website over de uitvoering
van de EU-begroting, inclusief Global Europe-programma’s. Het kabinet ondersteunt
deze modernisering en pleit ervoor dat de rapportages volledig, begrijpelijk en tijdig
beschikbaar zijn.
Inbreng leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over het voorstel voor
de oprichting van het «Global Europe» instrument. Deze leden onderschrijven de noodzaak
om het externe optreden van de EU strategischer en meer geopolitiek in te richten,
en zien het voorstel als een stap in de goede richting. Elke euro die in het buitenland
wordt uitgegeven, moet immers bijdragen aan de Nederlandse veiligheid, vrijheid en
economische kracht. Over de concrete uitwerking hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet inzet op meer politieke sturing
door de Raad. Dit is een belangrijk punt, zeker gezien de omvang van de voorgestelde
niet-toegewezen reserve (de «cushion») van bijna 15 miljard euro. Kan de Staatssecretaris
concreet toelichten welke voorstellen het kabinet op tafel zal leggen om te verzekeren
dat de lidstaten, en niet de Commissie, beslissen over de inzet van deze middelen?
Hoe wordt voorkomen dat deze reserve een eigen leven gaat leiden en wordt ingezet
voor projecten die niet direct stroken met de strategische belangen van Nederland
en de EU? Welke waarborgen ziet de Staatssecretaris om te voorkomen dat de inzet van
deze strategische middelen geblokkeerd kan worden door lidstaten als Hongarije, die
de rechtsstaat ondermijnen en nauwe banden met Rusland onderhouden?
27. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet vindt het belangrijk dat de niet-toegewezen reserve, de zogenaamde «cushion»,
in geval van crisis snel kan worden ingezet door de Commissie om adequaat te reageren
op urgente ontwikkelingen. Tegelijkertijd hecht het kabinet waarde aan de institutionele
balans en een sterke rol voor de Raad en de lidstaten waar nodig. In lijn met artikel 7
van het voorstel zal de Commissie het Europees Parlement en de Raad tijdig en gedetailleerd
informeren voordat de middelen worden toegewezen. Het kabinet zal erop inzetten dat
de procedures van het Financieel Reglement van de EU worden nageleefd, die verzekeren
dat Raad en EP als budgettaire autoriteit goedkeuring moeten geven aan mobilisatie
van middelen boven de 10 procent van het cushion. Daarnaast zet het kabinet in op
betrokkenheid van een comité dat met gekwalificeerde meerderheid stemt over de uitvoeringsbesluiten
van de Commissie. Een tegenstem van een enkele lidstaat is dan niet voldoende om een
besluit te blokkeren. Op deze manier wordt enerzijds flexibiliteit gewaarborgd voor
crisisrespons en anderzijds politieke controle en transparantie behouden, terwijl
de inzet van de reserve in lijn blijft met de strategische belangen van Nederland
en de EU.
Het voorstel integreert de «Global Gateway»-strategie en koppelt ontwikkelingssamenwerking
expliciet aan economische weerbaarheid en concurrentievermogen. De leden van de VVD-fractie
zien dit als een kansrijk vehikel. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat Nederlandse
bedrijven, met name het mkb, optimaal kunnen profiteren van de investeringen die onder
«Global Gateway» worden gedaan? Worden er concrete mechanismen ontwikkeld om te garanderen
dat de inzet van dit instrument primair het Europees en Nederlands verdienvermogen
versterkt en onze strategische afhankelijkheden van bijvoorbeeld China vermindert?
28. Antwoord van het kabinet:
De Global Gateway-strategie bundelt de krachten van diplomatie, handel en ontwikkelingssamenwerking
om de positie van de EU en haar lidstaten te versterken met investeringen die aansluiten
bij de behoefte van ontwikkelingslanden. Dit biedt kansen voor het vergroten van de
effectiviteit van ontwikkelingshulp en voor het vergroten van het Nederlandse verdienvermogen.
Hiermee biedt de strategie eveneens kansen voor Nederlandse bedrijven in opkomende
markten en voor het verminderen van strategische afhankelijkheden.
Het kabinet is voorstander van de mogelijkheid om via Global Europe rechtstreeks subsidies
toe te kennen aan EU-bedrijven voor projecten van strategisch belang, zoals kritieke
grondstoffen en klimaatbestendige, digitale of andere infrastructuur, mits dit ook
in lijn is met de doelen van het instrument waaronder op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.
Dit draagt bij aan het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden en
aan het versterken van het Europees en in bepaalde gevallen ook Nederlands verdienvermogen.
Het kabinet benadrukt dat bij deze directe toekenningen sprake moet zijn van proportionaliteit
ten opzichte van het beoogde strategische doel, en dat de EU een duidelijk afgebakende
definitie van risicovolle strategische belangen hanteert.
Daarnaast zet het kabinet in op heldere en laagdrempelige informatievoorziening en
toegang voor Nederlandse bedrijven en andere betrokken partijen, zoals ngo’s en kennisinstellingen.
In deze context steunt het kabinet het Commissievoorstel voor de oprichting van de
Global Gateway Investment Hub als centraal informatiepunt. Ook kunnen bedrijven via Nederlandse ambassades aansluiting
vinden bij lopende Global Gateway-projecten in de landen waar zij actief zijn. Op
deze manier kunnen Nederlandse bedrijven, ngo’s en kennisinstellingen beter profiteren
van zowel lopende als toekomstige projecten.
Het kabinet biedt verder ondersteuning aan Invest International bij het accreditatieproces
voor EU-delegeerde financiering binnen Global Gateway-projecten. Dit stelt Invest
International en Nederlandse private partijen, waaronder het mkb, in staat in de toekomst
aanspraak te maken op EU-fondsen.
In het voorstel wordt een nieuw mechanisme geïntroduceerd om de samenwerking met partnerlanden
op het gebied van migratie af te dwingen, door betalingen op te schorten bij onvoldoende
medewerking aan terugkeer. De leden van de VVD-fractie steunen deze harde conditionaliteit.
Is de Staatssecretaris voornemens om in de onderhandelingen te pleiten voor een verdere
aanscherping en uitbreiding van dit mechanisme? Kan de Staatssecretaris toezeggen
dat zij zich hard zal maken voor een brede toepassing van dit principe, zodat migratiesamenwerking
een cruciaal en niet-vrijblijvend onderdeel wordt van alle partnerschappen die de
EU aangaat onder «Global Europe»?
29. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van effectieve samenwerking met partnerlanden
op het gebied van terugkeer en migratie in den brede. Binnen de lopende onderhandelingen
zal het kabinet pleiten voor versterking van deze samenwerking.
Het kabinet steunt het inzetten van conditionaliteit voor het bevorderen van terugkeersamenwerking
middels Global Europe. Ter aanscherping van het voorstel pleit het kabinet voor de
toepassing van zowel harde conditionaliteiten waar dit mogelijk en wenselijk is, als
het werken met positieve prikkels, waarbij effectiviteit van het gevoerde beleid voorop
staat. De mogelijkheid van opschorting van financiering is een belangrijk instrument,
waarmee een duidelijk signaal kan worden afgegeven. Dergelijke besluiten over opschorting
van middelen moeten zorgvuldig worden afgewogen tegen andere Europese strategische
belangen op het gebied van stabiliteit, veiligheid en handel.
Bovendien hecht het kabinet belang aan de OESO-richtlijnen voor officiële ontwikkelingssamenwerking,
die tot doel hebben de effectiviteit van ontwikkelingshulp te waarborgen. Binnen deze
kaders is er ruimte om prioriteit te geven aan landen die bereid zijn tot terugkeersamenwerking
met de EU. Het kabinet zal in de onderhandelingen pleiten voor opname van deze vorm
van conditionaliteit in Global Europe. Daarmee wordt verzekerd dat terugkeersamenwerking
als dwarsdoorsnijdende prioriteit een niet-vrijblijvend onderdeel van de inzet van
Global Europe is, waaronder in partnerschappen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat minimaal 90% van de uitgaven onder het
instrument moet kwalificeren als officiële ontwikkelingshulp (ODA). Is het kabinet
het met deze leden eens dat dit percentage de geopolitieke en op eigen belang gerichte
doelstellingen van het instrument kan ondermijnen? Is het kabinet bereid om in te
zetten op een lager ODA-percentage, zodat er meer flexibiliteit ontstaat om middelen
in te zetten voor bijvoorbeeld veiligheidspartnerschappen of projecten die de economische
weerbaarheid versterken, ook als deze niet strikt onder de ODA-definitie vallen?
30. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet erkent dat de doelstellingen van Global Europe zowel ontwikkelingsgericht
als geopolitiek van aard zijn. De voorgestelde norm dat ten minste 90 procent van
de uitgaven moet kwalificeren als officiële ontwikkelingshulp (ODA) weerspiegelt het
belang van het naleven van internationale afspraken over ODA-streefcijfers. ODA-uitgaven
vanuit de EU dragen bovendien bij aan de ODA-prestatie van Nederland aangezien deze
uitgaven via de EU/ODA-toerekening onderdeel uitmaken van onze eigen ODA-prestatie.
Het kabinet merkt op dat binnen ODA-definities een veelheid aan activiteiten mogelijk
is. Het kabinet acht het daarnaast belangrijk dat binnen het instrument voldoende
beleidsruimte behouden blijft om in te spelen op geopolitieke uitdagingen, en om de
economische weerbaarheid van de EU en partnerlanden te versterken. Dit lijkt met dit
percentage geborgd (ter vergelijking: het huidige MFK bevat een minimumpercentage
van 93 procent en is tot dusver 99 procent ontwikkelingsrelevant). Dergelijke activiteiten
kunnen bijdragen aan partnerschappen die ook in het belang van de EU en Nederland
zijn. Het kabinet zal zich ervoor inzetten dat het instrument voldoende flexibiliteit
biedt voor deze bredere inzet.
Het fiche stelt dat de Commissie via gedelegeerde handelingen het ODA-percentage en
andere niet-essentiële onderdelen kan wijzigen. Het kabinet geeft aan dit op onderdelen
niet wenselijk te vinden. Om welke bevoegdheden gaat dit precies? Welke waarborgen
wil het kabinet inbouwen om te voorkomen dat er via technische wijzigingen een ongewenste
verschuiving van bevoegdheden van de lidstaten naar de Commissie plaatsvindt?
31. Antwoord van het kabinet:
Op basis van het Verdrag betreffende de Werking van de EU (artikel 290, lid 1) kan
de Commissie via zogenaamde gedelegeerde handelingen wetgeving wijzigen of aanvullen.
De mogelijkheid hiertoe is beperkt tot niet-essentiële onderdelen van verordeningen.
De Raad en het Europees Parlement behouden zeggenschap over de hoofdlijnen van het
beleid. Lidstaten kunnen in Raadsverband bezwaar maken tegen afzonderlijke gedelegeerde
handelingen of delegatie aan de Commissie herroepen. In het voorstel voor Global Europe
is een gedelegeerde handeling voorzien voor het aanpassen van het ODA-percentage.
Het kabinet betwijfelt echter of de mogelijkheid om het ODA-percentage aan te passen
als niet-essentieel onderdeel van de verordening beschouwd kan worden. Deze vraag
zal het kabinet tijdens de lopende onderhandelingen inbrengen. Daarnaast acht het
kabinet het niet wenselijk deze bevoegdheid aan de Commissie toe te kennen, aangezien
besluiten met grote beleidsinhoudelijke gevolgen een grotere mate van betrokkenheid
van de lidstaten vergen. Of deze inzet zich zal vertalen in een pleidooi voor het
schrappen of het aanpassen van het artikel, hangt samen met het antwoord op de juridische
vraag over het niet-essentiële karakter van het voorstel, en zal het kabinet tijdens
de lopende onderhandelingen bezien.
Tot slot hebben de leden van de VVD-fractie vragen over de budgettaire gevolgen. Dit
instrument heeft een voorgesteld budget van ruim 200 miljard euro, met daarbovenop
een steunpakket voor Oekraïne. Hoe verhoudt deze forse uitgave zich tot de Nederlandse
inzet voor een financieel houdbaar Meerjarig Financieel Kader (MFK)? Kan de Staatssecretaris
garanderen dat de invoering van «Global Europe» niet leidt tot een hogere afdracht
voor Nederland? Welke bestaande uitgaven op de EU-begroting zullen worden verlaagd
of geschrapt om dit nieuwe, ambitieuze instrument te financieren?
32. Antwoord van het kabinet:
Het MFK wordt, net als de Nederlandse begroting, niet per programma bekostigd. Er
is namelijk een scheiding van de inkomsten en uitgaven. De raming van de Nederlandse
afdrachten aan de EU is gebaseerd op de maximale betalingenplafonds van het MFK plus
de inzet van de speciale instrumenten. Daarnaast is het belangrijk om te onderstrepen
dat de genoemde bedragen gebaseerd zijn op de voorstellen van de Commissie. De onderhandelingen
hierover lopen nog en de uiteindelijk bedragen zijn daarvan afhankelijk. Het uiteindelijke
totaalpakket van het nieuwe MFK en het nieuwe eigenmiddelenbesluit is bepalend voor
de omvang van de Nederlandse afdrachten aan de EU.
Er is geen directe koppeling te leggen tussen Global Europe en het afschaffen of verlagen
van bepaalde programma’s van de EU-begroting. Global Europe is een samenvoeging van
verschillende bestaande programma’s. De Commissie legt in de mededeling over het MFK
uit welke keuzes zijn gemaakt.
Het voorstel richt zich vooral op het bundelen en coördineren van bestaand beleid
om de efficiëntie, coherentie en impact van de EU-uitgaven te vergroten.
Inbreng leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche en de bijbehorende
beslisnota over het voorstel voor een verordening tot oprichting van Global Europe
als extern instrument binnen het nieuwe MFK. Zij hebben naar aanleiding hiervan nog
enkele vragen.
De leden merken op dat het voorstel voorziet in één geïntegreerd instrument ter waarde
van ruim € 200 miljard, met daarnaast een apart pakket voor Oekraïne van maximaal
€ 100 miljard. Dit betekent een sterke bundeling van beleidsterreinen die uiteenlopen
van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp tot migratie, economische weerbaarheid
en het concurrentievermogen van de EU. De leden vragen hoe de regering waarborgt dat
prioriteiten worden gesteld en dat er voldoende transparantie en parlementaire controle
is bij het toewijzen van middelen, met name vanuit de zogeheten cushion.
33. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt het belang van het stellen van prioriteiten en is van mening dat
de door de Commissie voorgestelde nieuwe geografische structuur hier aan bij kan dragen.
De voorgestelde EUR 200 miljard wordt grotendeels onderverdeeld in zes geografische
pijlers, waarbinnen prioriteiten kunnen worden bepaald. Het kabinet steunt deze sterkere
sturing omdat dit de EU beter in staat stelt op basis van wederzijdse belangen te
bepalen hoe de middelen uitgegeven worden. Tegelijkertijd blijft een duidelijke afbakening
van mandaten onmisbaar om te voorkomen dat sommige beleidsdomeinen, zoals ontwikkelingssamenwerking
en uitbreidingssteun, niet ongericht in elkaar overlopen. Ook is er op basis van het
Commissie voorstel nog deels onduidelijkheid over hoe de middelen precies worden besteed.
Het kabinet zal de Commissie hierop blijven bevragen op basis van de geëigende procedures
en aandringen op het stellen van prioriteiten.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de niet-toegewezen reserve, de zogenaamde «cushion»,
in geval van crisis snel kan worden ingezet door de Commissie om adequaat te reageren
op urgente ontwikkelingen. Tegelijkertijd hecht het kabinet waarde aan de institutionele
balans en een sterke rol voor de Raad en de lidstaten waar nodig. In lijn met artikel 7
van het Global Europe voorstel dient de Commissie het Europees Parlement en de Raad
tijdig en gedetailleerd te informeren. Op deze manier wordt enerzijds flexibiliteit
gewaarborgd voor crisisrespons en anderzijds politieke controle en transparantie behouden,
terwijl de inzet van de reserve in lijn blijft met de strategische belangen van Nederland
en de EU.
De leden constateren dat de Commissie in het voorstel de mogelijkheid krijgt om via
gedelegeerde handelingen het ODA-percentage (nu minimaal 90%) aan te passen. Zij vragen
de regering of zij deze bevoegdheid accepteert of dat Nederland zich ervoor inzet
dat dit een besluit van de Raad en het Europees Parlement blijft. Acht het kabinet
het wenselijk dat zo’n beslissing buiten de politieke controle van de medewetgevers
kan worden genomen?
34. Antwoord van het kabinet:
Op basis van het Verdrag betreffende de Werking van de EU (artikel 290, lid 1) kan
de Commissie via zogenaamde gedelegeerde handelingen wetgeving wijzigen of aanvullen.
De mogelijkheid hiertoe is beperkt tot niet-essentiële onderdelen van verordeningen.
De Raad en het Europees Parlement behouden zeggenschap over de hoofdlijnen van het
beleid. Lidstaten kunnen in Raadsverband bezwaar maken tegen afzonderlijke gedelegeerde
handelingen of delegatie aan de Commissie herroepen. In het voorstel voor Global Europe
is een gedelegeerde handeling voorzien voor het aanpassen van het ODA-percentage.
Het kabinet betwijfelt echter of de mogelijkheid om het ODA-percentage aan te passen
als niet-essentieel onderdeel van de verordening beschouwd kan worden. Deze vraag
zal het kabinet tijdens de lopende onderhandelingen inbrengen. Daarnaast acht het
kabinet het niet wenselijk deze bevoegdheid aan de Commissie toe te kennen, aangezien
besluiten met grote beleidsinhoudelijke gevolgen een grotere mate van betrokkenheid
van de lidstaten vergen. Of deze inzet zich zal vertalen in een pleidooi voor het
schrappen of het aanpassen van het artikel, hangt samen met het antwoord op de juridische
vraag over het niet-essentiële karakter van het voorstel, en zal het kabinet tijdens
de lopende onderhandelingen bezien.
Ook vragen de leden aandacht voor de borging van de humanitaire onafhankelijkheid.
Het voorstel brengt humanitaire hulp onder bij de geografische pijlers, terwijl neutraliteit
en onafhankelijkheid juist kernvoorwaarden zijn om toegang te behouden in conflictsituaties.
Hoe voorkomt het kabinet dat humanitaire hulp in de praktijk afhankelijk wordt van
bredere politieke of economische prioriteiten van de EU?
35. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet benadrukt dat humanitaire hulp onafhankelijk en neutraal moet blijven,
conform het Nederlandse beleid en het internationaal recht. Binnen Global Europe kan
de overheveling naar geografische pijlers bijdragen aan een geïntegreerde aanpak,
mits onafhankelijkheid en naleving van internationaal recht volledig worden gewaarborgd.
Ook kan deze geïntegreerde aanpak waarborgen dat er aandacht blijft voor hulp voor
conflictgebieden die minder in de politieke belangstelling staan. Het kabinet ondersteunt
het samenbrengen van noodhulp, ontwikkelingssamenwerking en vredesopbouw waar dat
leidt tot betere en duurzamere resultaten.
Het budget dat de Commissie momenteel voorstelt voor humanitaire hulp bedraagt 25 miljard
euro. Het kabinet steunt het voorstel van de Commissie om een specifiek budget voor
humanitaire hulp te reserveren, omdat daarmee wordt gewaarborgd dat deze middelen
uitsluitend kunnen worden ingezet voor humanitaire doelstellingen, conform humanitaire
principes en internationaal recht. De uitvoering van humanitaire acties blijft plaatsvinden
onder de Humanitarian Aid Regulation van 1996.
De leden wijzen erop dat het kabinet positief staat tegenover het inzetten van EU-garanties
en investeringsvehikels, onder meer via Global Gateway. De leden vragen de regering
om nader te onderbouwen hoe wordt voorkomen dat hier impliciet nieuwe EU-schuldrisico’s
ontstaan, bijvoorbeeld door beleidsleningen buiten het MFK. Hoe borgt het kabinet
dat de lasten van dergelijke instrumenten niet indirect bij de Nederlandse belastingbetaler
terechtkomen?
36. Antwoord van het kabinet:
De leningen die de EU aangaat voor het financieren van leningen aan derde landen,
bijvoorbeeld via macro financiële of beleidsleningen, worden gegarandeerd met het
gemeenschappelijk voorzieningsfonds. Dit fonds wordt gevoed met de budgetten die beschikbaar
zijn voor Global Europe. Daarmee ontstaat er geen risico op hogere EU-afdrachten en
hoeft geen garantie opgenomen te worden op de begroting van het Ministerie van Financiën.
Als de mogelijkheden tot het verstrekken van dergelijke leningen aan derde landen
verder gaan dan dit type faciliteiten zal het kabinet daar kritisch naar kijken.
Met betrekking tot de kandidaat-lidstaten vragen de leden hoe de conditionaliteit
precies vorm krijgt. Wie stelt de prestatiegerichte plannen vast en welke rol speelt
de Raad hierbij? Acht het kabinet het acceptabel dat de Commissie hier zelfstandige
uitvoeringsbevoegdheid krijgt of is de regering bereid in te zetten op sterkere rol
van de Raad en meer politieke sturing?
37. Antwoord van het kabinet:
Steun aan (potentiële) kandidaat-lidstaten wordt grotendeels conditioneel gemaakt
via hervormingen uit prestatiegerichte plannen. Het voorstel bevat een bevoegdheid
voor de Commissie om uitvoeringshandelingen vast te stellen over het ontwerp en de
inhoud van de prestatiegerichte plannen waarop steun aan (potentiële) kandidaat-lidstaten
en andere landen uit de Oostelijke Nabuurschapsregio gebaseerd wordt (artikel 31).
In het huidige voorstel worden de uitvoeringshandelingen vastgesteld via een comitologieprocedure.
Toekenning van deze bevoegdheid aan de Commissie acht het kabinet niet wenselijk.
Het kabinet zet in op een sterkere rol voor de Raad, zodat deze meer sturing kan geven
aan de kaders en voorwaarden voor steun aan kandidaat-lidstaten, om bijvoorbeeld de
mate van conditionaliteit te kunnen bepalen.
Verder merken de leden op dat migratie een horizontale prioriteit is in het voorstel,
waarbij betalingen kunnen worden stopgezet als landen onvoldoende meewerken aan terugkeer.
De leden vragen hoe de regering de proportionaliteit hiervan beoordeelt en welke mensenrechtelijke
waarborgen worden ingebouwd. Wordt vooraf een toets uitgevoerd op mogelijke gevolgen
voor kwetsbare groepen?
38. Antwoord van het kabinet:
Global Europe stelt voor dat betalingen kunnen worden stopgezet wanneer landen onvoldoende
meewerken aan terugkeer op basis van artikel 25bis van Verordening EC) No 810/20094 en Artikel 8 van Verordening (EU) 2018/18065, met in achtneming van het principe van proportionaliteit en de relatie met het betreffende
land.
Het kabinet benadrukt dat de beoordeling van proportionaliteit en de mogelijke gevolgen
voor kwetsbare groepen naar verwachting casus-specifiek zal plaatsvinden. Humanitaire
hulp wordt uitgesloten van opschorting. Daarnaast pleit het kabinet voor een uitzondering
voor elke vorm van steun aan de opvang van vluchtelingen in het betreffende land en
het inbouwen van mensenrechtelijke waarborgen in het instrument. De Commissie is om
nadere verduidelijking gevraagd over de toepassing en toetsing van deze bepalingen.
De leden vragen ook naar de positie van Nederlandse uitvoerders en bedrijven, waaronder
FMO en organisaties in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Hoe wordt geborgd dat
zij effectief toegang houden tot middelen uit Global Europe en dat de regeldruk beperkt
blijft? Is het kabinet bereid zich in te zetten voor een duidelijk loket en harmonisatie
van rapportage-eisen, zodat ook kleinere partijen mee kunnen doen?
39. Antwoord van het kabinet:
De Commissie stelt voor om delegated cooperation mogelijk te maken voor verschillende entiteiten. FMO heeft al toegang tot delegated
cooperation. Conform de motie Kamminga (Kamerstuk 36 550 XVII, nr. 16) zet het kabinet in op meer gebruik van delegated cooperation en voldoende mogelijkheden voor Nederlandse partners en bedrijven. Hierbij zet Nederland
ook op minimale regeldruk en laagdrempelige procedures, zodat deelname aantrekkelijk
en haalbaar blijft, ook voor kleinere partijen. Dit is ook de inzet in Global Europe.
Het kabinet benadrukt dat Global Europe tot stand moet komen in nauwe samenwerking
met gebruikers en onderhoudt daarom contact met betrokken partners. Zo kunnen zij
tijdig signalen afgeven en blijven zij goed geïnformeerd over ontwikkelingen.
Het kabinet verwelkomt het voorstel van de Commissie om Global Europe toegankelijk
te maken voor Landen en Gebieden Overzee (LGO). Het kabinet kijkt scherp mee op de
voorwaarden voor effectieve toegang. Uw Kamer ontvangt binnenkort een BNC-fiche over
het LGO-besluit van de Commissie, waarbij de Caribische delen van het Koninkrijk actief
zijn betrokken.
Ten aanzien van de Oekraïne-reserve vragen de leden hoe de conditionaliteit in de
praktijk wordt uitgewerkt. Worden er concrete hervormingsmijlpalen vastgesteld die
gekoppeld zijn aan tranches, en hoe wordt hierover aan de Raad en de nationale parlementen
gerapporteerd
40. Antwoord van het kabinet:
Voor de steun aan Oekraïne geldt in het voorstel dezelfde governance-structuur als
voor andere landen in de regio. De financiering van de steun is echter anders vormgegeven,
met leningen tegen de headroom van het MFK, niet-terugbetaalbare steun en budgettaire garanties vanuit een speciaal
instrument (de Oekraïne-reserve), die bovenop de MFK-plafonds wordt gefinancierd.
Hoe conditionaliteiten onder het Global Europe-voorstel vorm krijgen is op dit moment
nog niet volledig uitgewerkt.
De Commissie stelt voor om Europese partnerlanden prestatiegerichte plannen op te
stellen, waarin specifieke condities voor hervormingen worden opgenomen, onder meer
op het gebied van rechtsstatelijkheid en mensenrechten. Ook kunnen leningen worden
verstrekt aan landen die een dergelijk plan uitvoeren, in de vorm van zogenaamde policy-based leningen.
Het kabinet zal de Kamer verder informeren wanneer de uitwerking van de Oekraïne reserve
verder is vormgegeven.
Tot slot vragen de leden of het kabinet bereid is te pleiten voor een harde evaluatiebepaling
in de verordening, zodat tussentijds en achteraf transparant kan worden beoordeeld
wat de impact is geweest op armoedebestrijding, mensenrechten en het verdienvermogen
van de EU.
41. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet hecht groot belang aan transparantie, verantwoordingsplicht en inzicht
in de besteding van middelen binnen het nieuwe MFK en daarmee ook binnen Global Europe.
De Commissie stelt een horizontaal prestatiekader voor dat de resultaten en uitgaven
voor alle pijlers van het MFK meet. In dit kader worden interventiegebieden gekoppeld
aan specifieke output- en resultaatindicatoren. Het kabinet steunt dit streven, maar
kijkt scherp naar de uitvoerbaarheid van het voorgestelde kader en de kwaliteit en
relevantie van de geselecteerde indicatoren. Daarnaast hecht het kabinet eraan dat
transparantie ook in de uitvoering wordt gewaarborgd. De Commissie stelt voor publiek
te rapporteren over de voortgang, onder meer via een openbare website over de uitvoering
van de EU-begroting, inclusief Global Europe-programma’s. Het kabinet ondersteunt
deze modernisering en pleit ervoor dat de rapportages volledig, begrijpelijk en tijdig
beschikbaar zijn.
Inbreng leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-Fiche:
Voorstel verordening voor de oprichting van Global Europe (MFK).
De leden van de BBB-fractie lezen dat aan de basis van het voorstel vier richtinggevende
principes liggen: vereenvoudiging, coherentie, flexibiliteit en impact. Kan de Staatssecretaris
per principe uitleggen hoe dit terug te zien is in het voorliggende voorstel? En hoe
dit verschilt ten aanzien van het NDICI Global Europe 2021–2027, het IPA III-instrument,
de Oekraïne Faciliteit en de recente groeiplannen voor de Westelijke Balkan en Moldavië?
42. Antwoord van het kabinet:
De vier richtinggevende principes van Global Europe – vereenvoudiging, coherentie,
flexibiliteit en impact – komen op verschillende manieren terug in het voorstel. Vereenvoudiging
wordt bereikt door de samenvoeging van bestaande instrumenten voor extern beleid in
één geïntegreerd kader met een horizontaal prestatiekader. Coherentie wordt versterkt
via de geografische structuur, die de samenhang tussen interne en externe programma’s
vergroot. Flexibiliteit ontstaat door de mogelijkheid om middelen te herschikken tussen
geografische pijlers, gebruik te maken van de niet-toegewezen reserve («cushion»)
en gedelegeerde handelingen. Volgens de Commissie leidt dit tot meer impact door een
gecoördineerde, strategische inzet van middelen. Het kabinet is positief over deze
integratie, mits humanitaire hulp onafhankelijk en neutraal blijft.
In vergelijking met NDICI-Global Europe biedt het voorstel versterkte flexibiliteit
en coherentie. De sterkere focus op geografische sturing, sluit aan bij de inzet op
meer landensturing uit de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp van 20 februari jl.
Het kabinet benadrukt dat Global Europe een voortzetting en bundeling van bestaand
EU-beleid betreft en dat er geen overdracht van nieuwe bevoegdheden van de lidstaten
naar de EU plaatsvindt. Het kabinet ondersteunt de vier richtinggevende principes
en ziet in het voorstel kansen om EU-middelen effectiever en transparanter in te zetten,
binnen de bestaande kaders van politieke controle door de Raad en het Europees Parlement.
De Commissie stelt voor om steun aan kandidaat-lidstaten vorm te geven naar voorbeeld
van de Oekraïne Faciliteit en de groeiplannen voor de Westelijke Balkan en Moldavië,
waar de uitbetaling van steun gekoppeld wordt aan het doorvoeren van hervormingen.
In vergelijking met IPA III betekent dit dat de impact van EU-steun naar verwachting
vergroot wordt, omdat kandidaat-lidstaten gestimuleerd worden om hervormingen door
te voeren.
De leden van de BBB-fractie lezen dat ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten en
democratie, nabuurschap, uitbreiding, het bevorderen van multilateralisme, het nakomen
van internationale afspraken en humanitaire hulp samengebracht worden in één geïntegreerd
kader. De leden vragen de Staatssecretaris wat er bedoeld wordt met uitbreiding.
43. Antwoord van het kabinet:
Met uitbreiding wordt pre-accessiesteun aan kandidaat-lidstaten bedoeld, voorafgaand
aan en ter ondersteuning van EU-toetreding.
Tevens vragen de leden of de Staatssecretaris uiteen kan zetten aan welke internationale
afspraken Nederland zich gecommitteerd heeft.
44. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is gecommitteerd aan een breed scala aan internationale afspraken die
richting geven aan het Nederlandse en Europese externe beleid. Dit betreft onder meer
de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s), het Klimaatakkoord van Parijs, de OESO-richtlijnen
voor multinationale ondernemingen, en de afspraken binnen de Wereldhandelsorganisatie
(WTO). Daarnaast houdt Nederland zich aan de EU-verdragen en -verplichtingen, en aan
internationale mensenrechtenverdragen onder de Verenigde Naties en de Raad van Europa.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het instrument is opgebouwd uit vijf regionale
pijlers: Europa (43,174 miljard euro); Noord-Afrika, Midden-Oosten en de Golf (42,934 miljard
euro); Sub-Sahara Afrika (60,531 miljard euro); Azië en de Pacific (17,050 miljard
euro); Amerika’s en het Caribisch gebied (9,144 miljard euro). Daarnaast is er een
mondiale pijler (12,668 miljard euro) en een centrale niet-toegewezen reserve (de
zogenaamde «cushion») voor opkomende uitdagingen en prioriteiten (14,808 miljard euro).
De leden vragen de Staatssecretaris hoe de Europese Commissie tot deze verdeelsleutel
is gekomen.
45. Antwoord van het kabinet:
De voorgestelde verdeelsleutel is indicatief en voorgesteld door de Commissie. De
uiteindelijke vaststelling van de verdeling ligt bij de lidstaten in de Raad en het
Europees Parlement. Het kabinet zal in de onderhandelingen inzetten op een evenwichtige
verdeling van middelen, die recht doet aan zowel de strategische prioriteiten van
de EU als de Nederlandse belangen en doelstellingen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat minimaal 90% van de uitgaven binnen het Global
instrument moet kwalificeren als officiële ontwikkelingshulp (ODA). De leden lezen
voorts dat de Commissie de bevoegdheid krijgt om dit percentage bij gedelegeerde handeling
aan te passen. De leden vragen de Staatssecretaris of dit nieuw is, en wat dit betekent
in de praktijk.
46. Antwoord van het kabinet:
Op basis van het Verdrag betreffende de Werking van de EU (artikel 290, lid 1) kan
de Commissie via zogenaamde gedelegeerde handelingen wetgeving wijzigen of aanvullen.
De mogelijkheid hiertoe is beperkt tot niet-essentiële onderdelen van verordeningen.
De Raad en het Europees Parlement behouden zeggenschap over de hoofdlijnen van het
beleid. Lidstaten kunnen in Raadsverband bezwaar maken tegen afzonderlijke gedelegeerde
handelingen of delegatie aan de Commissie herroepen. In het voorstel voor Global Europe
is een gedelegeerde handeling voorzien voor het aanpassen van het ODA-percentage.
Het kabinet betwijfelt echter of de mogelijkheid om het ODA-percentage aan te passen
als niet-essentieel onderdeel van de verordening beschouwd kan worden. Deze vraag
zal het kabinet tijdens de lopende onderhandelingen inbrengen. Daarnaast acht het
kabinet het niet wenselijk deze bevoegdheid aan de Commissie toe te kennen, aangezien
besluiten met grote beleidsinhoudelijke gevolgen een grotere mate van betrokkenheid
van de lidstaten vergen. Of deze inzet zich zal vertalen in een pleidooi voor het
schrappen of het aanpassen van het artikel, hangt samen met het antwoord op de juridische
vraag over het niet-essentiële karakter van het voorstel, en zal het kabinet tijdens
de lopende onderhandelingen bezien.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het voorstel een flexibele inzet van middelen
voorstelt om te kunnen reageren op doorlopende en opkomende migratie- en ontheemdingsuitdagingen,
onder andere via een nog niet gedefinieerd sturingsmechanisme. Daarnaast stelt het
voorstel dat de Commissie betalingen of de implementatie van programma’s kan stopzetten
tot er voldoende medewerking is in het geval dat een partnerland onvoldoende tegemoet
komt aan diens verplichting om de terugkeer van zijn burgers te faciliteren. Dit laatste
is nieuw ten aanzien van de eerdere inzet op migratie. De leden steunen dit deel van
het voorstel ten zeerste. Zij vragen de Staatssecretaris om er zorg voor te dragen
dat dit onderdeel ook in het eindvoorstel terecht komt. Kan de Staatssecretaris daar
op reageren?
47. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet steunt het inzetten van conditionaliteit voor het bevorderen van terugkeersamenwerking,
waaronder de mogelijkheid van opschorting van financiering. Dit is een belangrijk
instrument, waarmee een duidelijk signaal kan worden afgegeven. Het kabinet zal er
bij de onderhandelingen op inzetten dat dit onderdeel van de uiteindelijke verordening
wordt.
De leden van de BBB-fractie lezen dat kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten
in aanmerking komen voor steun onder de regionale pijlen voor Europa. De leden vragen
zich af of dit effectief en doelmatig is. Hoe wordt dat gemeten? En hoe vindt controle
plaats op de inzet van deze middelen?
48. Antwoord van het kabinet:
Alle personen of entiteiten die steun onder Global Europe ontvangen committeren zich
aan controle door de Commissie en de Europese Rekenkamer voor de doelmatigheid van
de bestedingen. Tevens hebben het Europees Anti-fraudebureau (OLAF) en het Europees
OM (EPPO) de mogelijkheid om onderzoeken en inspecties uit te voeren ter voorkoming
en opsporing van fraude en corruptie.
Daarnaast vragen de leden of de Staatssecretaris een overzicht kan geven van alle
kandidaat-lidstaten en potentiële-kandidaat-lidstaten, en hoeveel middelen zij reeds
van de EU hebben ontvangen sinds hun aanstelling als zijnde een (potentiële-)kandidaat-lidstaat.
49. Antwoord van het kabinet:
Er zijn momenteel tien (potentiële) kandidaat-lidstaten (KLS): Albanië (KLS sinds
2014), Bosnië-Herzegovina (KLS sinds 2022), Georgië (KLS sinds 2023), Kosovo (potentieel
KLS), Moldavië (KLS sinds 2022), Montenegro (KLS sinds 2010), Noord-Macedonië (KLS
sinds 2005), Oekraïne (KLS sinds 2022), Servië (KLS sinds 2012) en Turkije (KLS sinds
1999). De meeste KLS kunnen voor steun in het kader van hun toetredingstraject aanspraak
maken op het Instrument voor Pre-accessie (IPA). Voor een overzicht van steun aan
KLS vanaf 2007 verwijst het kabinet naar de data op de website van het IPA.6
Oekraïne, Moldavië en Georgië kunnen geen aanspraak maken op ondersteuning vanuit
het IPA. Onder pijler III van het Oekraïne Plan kan Oekraïne tot 2027 aanspraak maken
op in totaal EUR 4,7 miljard euro aan pre-accessiesteun, maar ook voor het vervolgen
van Russische misdaden op het grondgebied van Oekraïne en rentesubsidies in het kader
van macro-financiële bijstand.
Moldavië ontvangt steun van de EU in het kader van de Moldavië Faciliteit: tot 2027
gaat het in totaal om EUR 1,9 miljard, waarbij uitbetaling van steun voorwaardelijk
is aan het doorvoeren van hervormingen. EU-steun aan de Georgische overheid is in
2024 omgezet in steun aan het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media.7
Tot slot willen de leden graag weten wat de laatste stand van zaken is met betrekking
tot het kandidaat-lidmaatschap van Turkije en of Turkije ook in aanmerking zal komen
voor steun onder Global Europe.
50. Antwoord van het kabinet:
Het EU-toetredingsproces met Turkije ligt feitelijk stil. Turkije komt – net als andere
kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten – in aanmerking voor steun onder
Global Europe. De Commissie stelt dat deze steun prestatiegericht moet zijn en bij
moet dragen aan politieke hervormingen, sociaaleconomische ontwikkeling en convergentie
met het EU-acquis. Het ontwerp en de inhoud van de prestatiegerichte plannen worden
nader uitgewerkt.
Het kabinet is alleen voorstander van pre-accessiesteun aan Turkije op terreinen van
wederzijds belang en zal dat in EU-verband ook uitdragen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat er de mogelijkheid komt tot directe steun aan
private entiteiten gevestigd in EU-lidstaten voor investeringen die in het strategische
belang van de Unie zijn. De Minister stelt dat dit mogelijk interessante aanknopingspunten
biedt voor het versterken hiervan, onder voorwaarde van borging van onder andere het
gelijke speelveld, excellentie en proportionaliteit. Kan de Staatssecretaris hier
nader op ingaan? Wat wordt hiermee bedoeld?
51. Antwoord van het kabinet:
Het voorstel maakt het mogelijk dat de EU rechtstreeks financiële middelen kan toekennen
aan private entiteiten in de EU, zonder gebruik te maken van de gebruikelijke publieke
inschrijvingsprocedures, mits de betreffende investeringen in het strategische belang
van de EU zijn en bijdragen aan de doelstellingen van Global Europe. Het kabinet benadrukt
dat bij deze directe toekenningen sprake moet zijn van proportionaliteit ten opzichte
van het beoogde strategische doel, en dat de EU een duidelijk afgebakende definitie
van strategische belangen hanteert. Daarnaast is het van belang dat bij directe toekenningen
de kwaliteit en excellentie van de partij in kwestie geborgd wordt gezien de gebruikelijke
inschrijvingsprocedures niet worden doorlopen. Daarbij dient de EU tevens het gelijke
speelveld voor andere EU en niet-EU partijen voor zover mogelijk te waarborgen, te
meer deze partijen bij een publieke inschrijving ook mogelijk aanspraak hadden kunnen
maken op de desbetreffende financiële middelen. Tot slot hecht het kabinet eraan dat
dergelijke directe toekenningen plaatsvinden in overeenstemming met de internationale
verplichtingen van de EU, waaronder de regels van de Wereldhandelsorganisatie.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie wat Global Europe en de beoogde kosten
hiervan zal betekenen voor de afdracht van Nederland aan de Europese Unie.
52. Antwoord van het kabinet:
De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU is gebaseerd op de maximale betalingenplafonds
van het MFK plus de inzet van de speciale instrumenten, Daarbij wordt geen onderscheid
gemaakt tussen de bedragen voor de verschillende programma’s aangezien er een scheiding
tussen inkomsten en uitgaven bestaat. Daarnaast is het belangrijk om te onderstrepen
dat de genoemde bedragen gebaseerd zijn op de voorstellen van de Commissie. De onderhandelingen
hierover lopen nog en de uiteindelijk bedragen zijn daarvan afhankelijk. Het uiteindelijke
totaalpakket van het nieuwe MFK en het nieuwe eigenmiddelenbesluit is bepalend voor
de omvang van de Nederlandse afdrachten aan de EU.
Inbreng leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche betreffende het
Voorstel verordening voor de oprichting van Global Europe (MFK). Dit heeft deze leden
geleid tot een aantal opmerkingen en vragen.
De leden van de SP-fractie zien in de oprichting van dit nieuwe instrument een verdere
beweging om het Europees buitenland- en ontwikkelingsbeleid te Europeaniseren. De
leden van de SP-fractie hebben eerder al vraagtekens gezet bij de oprichting van andere
instrumenten, zoals de Oekraïne-faciliteit, niet vanwege het inhoudelijke doel van
deze instrumenten, maar vanwege de verdere overdracht van bevoegdheden en budget op
buitenlandpolitiek van de lidstaten naar de Europese Unie. De leden van de SP-fractie
zien deze zorgen nu helaas verder bevestigd in de oprichting van Global Europe. Kan
het kabinet reageren op deze zorgen? Deelt zij de mening dat een nieuw MFK niet mag
leiden tot de overdracht van meer bevoegdheden en budgetten betreffende buitenlandpolitiek
van de lidstaten naar de Europese Unie?
Is het niet mogelijk de doelen van dit instrument, namelijk vereenvoudiging, coherentie,
flexibiliteit en impact, te bereiken door wat verdere coördinatie vanuit de Commissie,
zonder het oprichten van nieuwe instrumenten?
53. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet benadrukt dat Global Europe geen overdracht van nieuwe bevoegdheden van
de lidstaten naar de EU inhoudt. Het instrument vormt een voortzetting en bundeling
van bestaand EU-beleid, met als doel vereenvoudiging, coherentie, flexibiliteit en
impact van EU-externe acties. Het kabinet is van mening dat effectieve coördinatie
vanuit de Commissie hiervoor zou kunnen zorgen. Het kabinet ziet bij elk Commissievoorstel
scherp toe op de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.
De leden van de SP-fractie lezen dat in de kabinetsreactie de noodzaak wordt erkend
dat humanitaire hulp onafhankelijk moet blijven van het Europees eigenbelang, in lijn
met het Nederlandse humanitaire beleid. In de reactie wordt echter niet specifiek
om waarborgen gevraagd, die de onafhankelijkheid van humanitaire hulp kunnen garanderen.
Hoe verhoudt de onafhankelijkheid van humanitaire hulp zich tot de nadruk op grotere
flexibiliteit om met middelen te kunnen schuiven, een grote rol van de Raad en meer
ruimte voor politieke sturing? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe Nederland ervoor
gaat zorgen dat door Europa gefinancierde humanitaire hulp neutraal en onafhankelijk
uitgevoerd blijft worden, en de noden centraal blijft zetten zonder (geo)politieke
overwegingen hierin mee te wegen? Welke waarborgen stelt de Staatssecretaris hiervoor
voor?
54. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet benadrukt dat humanitaire hulp onafhankelijk en neutraal moet blijven,
conform het Nederlandse beleid en het internationaal recht. Binnen Global Europe kan
de overheveling naar geografische pijlers bijdragen aan een geïntegreerde aanpak,
mits onafhankelijkheid en naleving van internationaal recht volledig worden gewaarborgd.
Het kabinet ondersteunt het samenbrengen van noodhulp, ontwikkelingssamenwerking en
vredesopbouw waar dat tot betere en duurzamere resultaten leidt.
Het budget dat de Commissie momenteel voorstelt voor humanitaire hulp bedraagt 25 miljard
euro. Het kabinet steunt dit voorstel van de Commissie, omdat daarmee wordt gewaarborgd
dat deze middelen uitsluitend kunnen worden ingezet voor humanitaire doelstellingen
conform humanitaire principes en internationaal recht. De uitvoering van humanitaire
acties blijft plaatsvinden onder de Humanitarian Aid Regulation van 1996.
De leden van de SP-fractie lezen in de kabinetsreactie dat «de uitwerking van het voorstel op onderdelen nog gaande is, en nadere uitleg van
de Commissie wordt verwacht, ook over hoe bedragen zijn opgebouwd». Welke onderdelen zijn voor het kabinet dusdanig cruciaal dat de uitwerking ervan
de Nederlandse inzet nog zou kunnen wijzigen?
55. Antwoord van het kabinet:
Hoewel de uitwerking van het voorstel op onderdelen nog gaande is en het kabinet hier
niet op vooruit kan lopen, is de inzet van het kabinet met name gericht op de onderwerpen
die zijn uitgelicht in het BNC-fiche Global Europe. Indien de definitieve uitwerking
van deze onderdelen afwijkt van de huidige voorstellen, kan dit de inzet en prioriteiten
van het kabinet in de onderhandelingen beïnvloeden.
De leden van de SP-fractie lezen in het BNC-fiche dat «het voorstel herbevestigt dat het instrument moet bijdragen aan het staande collectieve
EU-doel dat 0,7% van het BNI wordt uitgegeven aan officiële ontwikkelingshulp (ODA).» Begrijpen eerdergenoemde leden hieruit dat de Nederlandse regering zich opnieuw
committeert aan deze richtlijn en er de komende jaren naar wordt toegewerkt dat we
weer 0,7% van ons BNI aan ontwikkelingssamenwerking uit gaan geven?
56. Antwoord van het kabinet:
Het streven van de EU als collectief om 0,7 procent van het BNI uit te geven aan officiële
ontwikkelingshulp (ODA) is afgesproken in 20068 en daarna meerdere keren herbevestigd, o.a. in 20159 en 201710. De genoemde zin geeft weer dat Global Europe dient bij te dragen aan dit collectieve
doel, en gaat niet in op de doelstellingen voor de individuele lidstaten.
De eerdergenoemde leden zien dat in het voorstel van de Commissie staat dat budgetten
niet uitgegeven onder Global Europe vervolgens opnieuw ingedeeld en uitgegeven kunnen
worden onder alle budgetlijnen. Deelt het kabinet de analyse dat het een onwenselijk
scenario is dat dit geld uit het Global Europe budget kan verdwijnen, helemaal als
er al geen noodhulpfondsenreserve is voor humanitaire hulp?
57. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet acht het wenselijk dat Global Europe doelmatig wordt ingezet en verwelkomt
de mogelijkheid tot synergiën met andere instrumenten. Het Global Europe budget kan
worden gebruikt in samenhang met andere instrumenten, waarbij de Commissie, net als
onder het huidige MFK, een Single Margin Instrument toepast. Dit maakt het mogelijk om over de jaren heen te schuiven met ongebruikte
begrotingsruimte onder de plafonds van het MFK. Dit is vergelijkbaar met de werking
van een kasschuif op basis van onderuitputting in het Nederlandse begrotingssysteem.
Het kabinet hecht hierbij groot belang aan transparantie. Zie tevens beantwoording
van vraag 54 voor deelvragen omtrent humanitaire hulp.
Verder valt het eerdergenoemde leden, net als de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie,
op dat in het voorstel staat dat onvoldoende terugkeersamenwerking een reden kan zijn
om betalingen of de implementatie van programma’s stop te zetten. Deze koppeling is
niet in lijn met de richtlijn vanuit de OESO als het gaat om migratiesamenwerking
tussen landen. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat de uitgaven onder het
Global Europe instrument aan de OESO-richtlijnen blijven voldoen binnen migratiesamenwerking?
Wat is volgens het kabinet «onvoldoende» als het gaat om terugkeersamenwerking? In
hoeverre deelt het kabinet de criteria die het aan terugkeersamenwerking stelt met
die van de Commissie?
58. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van effectieve samenwerking met partnerlanden
op het gebied van terugkeer en migratie in den brede. Binnen de lopende onderhandelingen
zal het kabinet pleiten voor versterking van deze samenwerking.
Het kabinet steunt het inzetten van conditionaliteit voor het bevorderen van terugkeersamenwerking
middels Global Europe. Ter aanscherping van het voorstel pleit het kabinet voor de
toepassing van zowel harde conditionaliteiten waar dit mogelijk en wenselijk is, als
het werken met, als positieve prikkels, waarbij effectiviteit van het gevoerde beleid
voorop staat. De mogelijkheid van opschorting van financiering is een belangrijk instrument,
waarmee een duidelijk signaal kan worden afgegeven. Dergelijke besluiten over opschorting
van middelen moeten zorgvuldig worden afgewogen tegen andere Europese strategische
belangen op het gebied van onder andere stabiliteit, veiligheid en handel.
Bovendien hecht het kabinet belang aan de OESO-richtlijnen voor officiële ontwikkelingssamenwerking,
die tot doel hebben de effectiviteit van ontwikkelingshulp te waarborgen. Binnen deze
kaders is er ruimte om prioriteit te geven aan landen die bereid zijn tot terugkeersamenwerking
met de EU. Het kabinet zal in de onderhandelingen pleiten voor opname van deze vorm
van conditionaliteit in Global Europe. Daarmee wordt verzekerd dat terugkeersamenwerking
als dwarsdoorsnijdende prioriteit een niet-vrijblijvend onderdeel van de inzet van
Global Europe is, waaronder in partnerschappen.
Global Europe stelt voor dat betalingen kunnen worden stopgezet wanneer landen onvoldoende
meewerken aan terugkeer op basis van artikel 25bis van Verordening EC) No 810/200911 en Artikel 8 van Verordening (EU) 2018/180612, met in achtneming van het principe van proportionaliteit en de relatie met het betreffende
land.
Het kabinet benadrukt dat de beoordeling van proportionaliteit en de mogelijke gevolgen
voor kwetsbare groepen naar verwachting casus-specifiek zal plaatsvinden. Humanitaire
hulp wordt uitgesloten van opschorting. Daarnaast pleit het kabinet voor een uitzondering
voor elke vorm van steun aan de opvang van vluchtelingen in het betreffende land en
het inbouwen van mensenrechtelijke waarborgen in het instrument. De Commissie is om
nadere verduidelijking gevraagd over de toepassing en toetsing van deze bepalingen.
De eerdergenoemde leden lezen dat in artikel 12 van het voorstel wordt aangegeven
dat acties van engagement tussen de Europese Unie en derde landen moeten voldoen aan
het internationaal recht, mensenrechten, vluchtelingenrecht etc. Hoe gaat de Staatssecretaris
dit monitoren? Hoe wordt er opvolging gegeven aan de samenwerking op het moment dat
derde landen zich niet aan bovenstaande rechten houden?
59. Antwoord van het kabinet:
Het voorstel stelt dat alle acties onder Global Europe moeten voldoen aan internationaal
recht, mensenrechten, vluchtelingenrecht en andere relevante normen. De naleving hiervan
wordt gemonitord via bestaande rapportage- en toezichtmechanismen van de Commissie
en de EU-delegaties in partnerlanden.
Het kabinet onderschrijft het belang van naleving van mensenrechten en internationaal
recht bij de uitvoering van EU-externe actie. In de lopende onderhandelingen zal het
kabinet zich inzetten voor verdere verduidelijking van de waarborgen op dit terrein,
onder meer ten aanzien van de wijze waarop de Commissie bij schendingen proportioneel
en doelgericht kan optreden. Daarbij acht het kabinet het van belang dat humanitaire
hulp en steun aan het maatschappelijk middenveld te allen tijde doorgang kunnen vinden.
Het kabinet zal in de uitwerking van het instrument aandacht blijven vragen voor een
zorgvuldige monitoring en opvolging van mensenrechtenschendingen, in nauwe samenwerking
met de Commissie, de EDEO en de andere lidstaten.
Tot slot zien de leden van de SP-fractie dat binnen het Global Europe instrument de
nadruk ligt op nabuurschap, waardoor het risico bestaat dat geld niet meer terecht
komt in de meest fragiele landen. In de meest recente berekening van de OESO ging
slechts 11,1% van ontwikkelingssamenwerking naar de allerarmste landen (het laagste
percentage ooit – terwijl daar 13% van de wereldbevolking woont). Hierdoor worden
de meest kwetsbare mensen het hardst geraakt en wordt de druk verhoogt op humanitaire
hulp. Hoe geeft het kabinet uitvoering aan motie Hirsch en Ceder, waar de leden van
de SP-fractie ook voor hebben gestemd, over het waarborgen van armoedebestrijding
als uitgangspunt van het EU-ontwikkelingsbeleid?13
60. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet acht het van belang dat de EU haar verdragsverplichting tot armoedebestrijding
en de doelstellingen van de SDG’s nakomt, conform het Verdrag betreffende de Europese
Unie (artikel 3, lid 5).
Het kabinet zet zich ervoor in dat de Commissie deze doelen expliciet verankert in
het ontwerp en de uitvoering van EU-programma’s, waaronder Global Europe. De voortgang
wordt gevolgd via het horizontale prestatiekader van het MFK.
II. Volledige agenda
Fiche: [MFK] Voorstel verordening voor de oprichting van Global Europe 22 112, nr. 4159 – Brief regering d.d. 12-09-2025 Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel –
Fiche: [MFK].
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J. Thijssen, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp -
Mede ondertekenaar
M. Prenger, adjunct-griffier